Sociologie van toekomstvoorspelling: Waarom worden verhalen van graancirkel denkers afgewezen en van trend voorspellers omarmd?

De oertijd kan ons helpen om te overleven, dat is mijn allernieuwste gedachte over de toekomst. Als een soort cultureel archeoloog ga ik spitten in vroege beschavingen, waarvan je de restanten kunt zien in inspirerende inheemse volkeren. Welke wijsheid in bestuur, ceremonieën, rechtspraak, voeding enzovoort hebben zij? Het is een onderzoek naar onze meest basale eigenschappen, naar dat wat ons menselijk maakt.

Is hier een zelfbenoemde expert, graancirkel denker, wichelroede loper, helderziende, waarzegger met glazen bol, prediker van een obscure religie of ziener aan het woord? Of betreft het een uitspraak van de maatschappelijk geaccepteerde versie van het koffiedik kijken van futurologen, trend voorspellers, kortom van de onwetenschappelijke klasse van de toekomstdeskundigen die zich tooit met wetenschappelijke autoriteit?

Naast de wetenschappelijke pretentie en dikdoenerij roept het citaat de vraag op wat het verschil is tussen de uitspraken van niet-geaccepteerde en geaccepteerde toekomstvoorspellers. De eersten worden in kringen van de zelfbenoemde weldenkende klasse afgewezen en de laatsten omarmd. Dat geloof of ongeloof heeft minder te maken met de waarde van de uitspraken dan met een culturele en maatschappelijke acceptatie.

Vanwaar dit verschil als de uitspraken van de futurologen en trend voorspellers even vals, onbetrouwbaar, onvoorspelbaar en uit de lucht gegrepen zijn als die van de graancirkel denkers en waarzeggers? Wat dat is het geval. Achteraf wordt nooit gecheckt of openbaar gemaakt of de voorspellingen wel zijn uitgekomen.

Een verklaring is dat het ene volks bedrog is en het ander deftig bedrog. Maar het is en blijft allebei bedrog.

Iedere sociale klasse kiest blijkbaar de bedriegers door wie het het liefst bedrogen wil worden. Eigen soort eerst. Dat is een defensieve reflex en volgt uit groepsdenken en uitsluiten van anderen. Maar de verachting ‘van bovenaf’ voor de complotdenkende graancirkel denkers met hun onzinverhalen wordt er stukken minder geloofwaardig op als het de onzinverhalen van Lidewij Edelkoort weigert dezelfde kritische keuring te geven.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelDe favorieten van trend forecaster Lidewij Edelkoort: ‘Deze crisis genereert nieuwe energie en inzichten’’ van Jeroen Junte in de Volkskrant, 2 oktober 2020.

Foto 2: Athanasius Kircher: Mundus Subterraneus (Earth’s internal fires, illustration from an edition of Athanasius Kircher’s Mundus Subterraneus (“Subterranean World”). Photos.com/Jupiterimages.

In Nederland is niet institutioneel racisme, maar gelijkheid de norm

Met de opinie van Martin Sommer in de Volkskrant ben ik het eens. Hij meent dat gelijkheid in Nederland de norm is. Daar valt weinig tegen in te brengen. Maar het is wel de actuele mode om het te hebben over het zogenaamde institutionele racisme. Opeens delibereren opinieleiders dat er institutioneel racisme bestaat in Nederland. Zonder dat ze uitleggen wat ze daar precies mee bedoelen. Sommer maakt duidelijk dat dit een misverstand is en er in Nederland geen institutioneel racisme bestaat (zonder dat hij hier die term gebruikt).

Een voorbeeld van zo’n opinieleider die de race naar de bodem van de redelijkheid en het overzicht succesvol heeft ingezet is voormalig kamerlid voor GroenLinks en huidig NRC-columnist Zihni Özdil. Zijn columnOok Jort Kelder mag zijn werk niet verliezen door zijn kleur’ van 11 juli 2020 geeft aan hoe een columnist zich in het proces kan verliezen. Het favoriete stijlmiddel van Özdil is de ontkenning en zijn retorische procedé is de antithese waarmee hij spanning oproept en vasthoudt zonder tot een afronding te komen. Zijn columns zijn de coïtus interruptus van de dagbladjournalistiek die bol staan van losse flodders en losse draden. Hij weeft geen samenhang. De columnist suggereert dat er in Nederland institutioneel racisme bestaat als hij opmerkt dat hij ooit iemand daarvan overtuigde. Het zou volgens hem ‘systematisch’ doorwerken in de maatschappij. Wat hij daarmee bedoelt is onduidelijk. Hij spreekt zichzelf tegen als hij universiteiten, media en de culturele sector van sektarisme en antiracisme beticht. Hoe deze instituties zich dan logischerwijze verhouden tot het institutioneel racisme waarmee de samenleving doordesemd zou zijn is het raadsel. Zihni Özdil maakt de hapsnapperigheid van zijn column duidelijk in zijn poging om een originele opinie af te leveren die hem weliswaar onderscheidend maakt, maar ook het beeld vestigt van een opinieleider die onorderlijk en warrig is.

Er bestaan uitingen van racisme in Nederland. Die moeten bestreden worden. Ze worden niet van bovenaf georkestreerd, in wetten vastgelegd en door de democratische instituties of een abstracte institutie als de rechtsstaat gesteund. Zoals Sommer beschrijft is het tegendeel waar. In Nederland is gelijkheid het streven. Dat dat nog niet gerealiseerd is en dat er nog steeds fouten in beleid en uitvoering worden gemaakt door onder meer de politie (etnisch profileren), de Belastingdienst (toeslagenaffaire) of de toegang van Antilliaanse Nederlanders tot Nederland is duidelijk. Maar institutioneel racisme dat zich niet afspeelt tussen individuen, maar in de relatie van de burger met de staat, is in Nederland formeel noch informeel overheidsbeleid.

Dat was het wel in Zuid-Afrika tijdens het apartheidsregime van de Nasionale Party (1948-1994). Hetzelfde geldt voor de Rwandese genocide (1994), de Armeense genocide (1915) door het Ottomaanse rijk of de Joegoslavische oorlogen (1991-2001) die draaiden om etniciteit. Dit soort racisme resulteerde in grof geweld dat van bovenaf werd gestuurd. Deze voorbeelden geven aan dat Nederland niet in dit rijtje past. In Nederland bestaat racisme, maar geen institutioneel racisme. Hoe graag opinieleiders ook gretig het tegendeel beweren.

Foto: Schermafbeelding van deel columnNiet racisme, maar juist gelijkheid is hier sinds jaar en dag de norm’ van Martin Sommer in de Volkskrant, 26 juni 2020.

Dwarse column van Heleen Mees: ‘Rutte kiest ervoor om grote delen van de Nederlandse bevolking te verarmen’. Is dat zinvol?

Er zijn columnisten die van dwarsheid hun handelsmerk maken. Of als ze minder succesvol zijn, proberen te maken. Tegen beter weten in nemen ze een tegendraadse positie in waarvan ze weten dat die niet met de realiteit overeenkomt en slecht verdedigbaar is. Maar waarvan ze ook weten dat die veel stof doet opwaaien. Zodat het opvalt en hun naam rondzingt. ‘Wat X nu weer zegt, heb je het gelezen?’ Dit soort columnisten is het daar om te doen. Ze zijn als kamerleden die voortdurend de publiciteit moeten halen om hoog op de kieslijst gezet te worden. Wekelijks of vaker moeten ze hun kunstje vertonen. Dan is het simpeler om de eigen persoon centraal te stellen, dan om een kwestie uit te diepen en daar een afgewogen oordeel over te geven. De column wordt een hoogst persoonlijk perspectief waarbij inhoud een halffabrikaat is. De column dient om de columnist voor het voetlicht te laten treden. De inhoudelijke component is ondergeschikt geworden.

De column wordt gezien als een vrijplaats waar ongezouten meningen kunnen worden verkondigd. Ze hoeven niet onderbouwd te zijn volgens de journalistieke codes, hoewel dat evenmin verboden is. Columnisten als Tom-Jan Meeus (NRC) of David Ignatius (The Washington Post) bouwen hun opinie op aan de hand van hun politiek inzicht, feiten en eigen onderzoek. Hun politieke columns gaan verder dan de gezochte dwarsigheid. Het gevolg daarvan is dat politici deze columnisten weten te vinden om hun standpunten publiciteit te geven.

Vijand van de dwarse columnist is niet diens ijdelheid of hypotheek, of het vakgebied waarover betreffende columnist schrijft, maar het format van het medium waarin de columnist wordt gedwongen. De kolom in de krant, het optreden als sidekick in de talkshow of het praatje in de nieuwsshow op de radio. De columnist wordt in het kader van de herhaling gedwongen. Als serial killer van de eigen geloofwaardigheid.

Opeenvolging, herkenbaarheid, verkoopbaarheid en continuïteit is de logica van de gevestigde media die tot lopende band-fabrieken zijn verworden waar zo goedkoop en voorspelbaar mogelijk wordt geproduceerd. Dat kan samengaan met kwaliteit, maar niet noodgedwongen. Het gevolg is dat de optie niet meer bestaat dat de columnist niks te melden heeft. Dat wringt. Dat kan leiden tot aantasting van de geloofwaardigheid van betreffend medium, tijdverlies voor de nieuwsconsument en verstoring van het publieke debat.

Voorbeeld van een overbodige column is Teun van der Keuken in De Volkskrant die als onderwerp de media-columniste Angela de Jonge van het AD heeft. Het is niet ongebruikelijk dat dit soort columnisten het over elkaar hebben. Dat resulteert in journalistieke incest of meta-gebrabbel. Feitelijk doe ik hier hetzelfde, hoewel ik er probeer aan te ontstijgen. De tragiek van Van der Keuken is dat hij niet eens toekomt aan dwarsheid en blijft hangen in onbenulligheid. Hij meet zich in alle onbescheidenheid een dieper inzicht toe. Hij meent de dingen te zien. Dat is een interessante projectie die het gebrek aan inhoud van zijn column moet verhullen.

Een column in De Volkskrant die het voorhoofd doet fronsen is ‘Rutte kiest ervoor om grote delen van de Nederlandse bevolking te verarmen’ van econoom Heleen Mees. Dat is nogal een aantijging aan het adres van minister-president Mark Rutte in een column die suggereert dat hij er bewust voor kiest om veel Nederlanders te verarmen. Wie is hier gek geworden, Rutte of Mees? Uit de Twitter-account van Mees valt af te leiden dat de column ook een meer neutrale, minder sexy titel heeft die minder dwars oogt: ‘De kosten van deze crisis moeten verhaald worden op grote multinationals’. Dat valt echter minder op. Schippert de eindredactie van De Volkskrant tussen de eigen journalistieke geloofwaardigheid en de jacht op aandacht via clicks? Keert de wal de inhoud of omgekeerd? Wat Mees beweert in haar column is niet zozeer dwars, maar gewoonweg onzinnig.

Columnisten als Mees vallen na verloop van tijd niet zozeer snikkend, maar dolgedraaid in de kuil die ze zelf hebben gegraven. Mees heeft geen ongelijk dat de inkomensongelijkheid is toegenomen en dat dit voor de economische ontwikkeling ongewenst is en een bom onder de samenleving legt. Maar Mees weet ook dat dit niet het echte verhaal is. Grote multinationals ontwijken belasting en regeringsleiders als Rutte hebben allang niet meer de macht om daar iets aan te veranderen. Het is niet premier Rutte die bepaalt wat Shell of Unilever doet, het zijn deze bedrijven die bepalen wat de Nederlandse politiek doet. Het kan zijn dat de marges die de Nederlandse regering nog voor zichzelf heeft verkeerd benut worden, toegegeven, maar aan het gegeven dat de grote bedrijven en financiële instellingen de politiek in hun zak hebben verandert dat weinig tot niks.

Rutte kiest er niet voor ‘om grote delen van de Nederlandse bevolking te verarmen’, hij wordt daartoe gedwongen door de politieke realiteit. Die andere titel van Mees’ column de zegt dat ‘De kosten van deze crisis moeten verhaald worden op grote multinationals’ laat de veroorzaker van de pandemie buiten schot. Het is bizar dat China dat zowel in de aanleiding tot, de bestrijding van als de informatievoorziening over COVID-19 aantoonbaar heeft gefaald in Mees’ column niet wordt genoemd. Los van de politisering door Trump van China’s betrokkenheid bij de uitbraak verdient het aanbeveling om dit land verantwoordelijk te houden voor de kosten. Door nalatig handelen van de Chinese leiders werd de uitbraak tot een wereldwijde pandemie.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelRutte kiest ervoor om grote delen van de Nederlandse bevolking te verarmen’ van Heleen Mees in De Volkskrant, 5 mei 2020.

Wat voor zin hebben herhaalde manoeuvres van Egbert Dommering in proxy-oorlog tussen NRC en Het Parool over de kwestie Ruf?

In een opinie-artikel van 11 januari 2020 in Het Parool neemt Egbert Dommering vanaf de zijlijn opnieuw stelling in de kwestie Beatrix Ruf. Hij pleit ervoor om de in 2017 afgetreden directeur te rehabiliteren. Hij laat zich kennen als pro-Ruf en kritisch op het Amsterdamse gemeentestuur dat hij beticht van machtsmisbruik.

Er is iets merkwaardigs aan de hand met Dommering opinies over het Stedelijk Museum, Ruf en Het Parool. Ook op 4 juni 2018 wist hij een opinie-artikel geplaatst te krijgen in Het Parool. En in 23 oktober 2018 ging hij met een nieuw opinie-artikel in de herhaling. Het Parool geeft Dommering opvallend veel ruimte om zijn opinies te plaatsen. De inhoud van Dommerings opinies over de onderhand allang niet meer actuele kwestie van Rufs ontslag blijkt tamelijk gelijkluidend. Zo verandert een actuele (cultuur)politieke kwestie geleidelijk in het achteraf claimen van het eigen gelijk van een zo goed als afgeronde kwestie. De stellingname over de relatie tussen Stedelijk en gemeentestuur die Dommering door zijn opinie weeft moet als legitimatie dienen voor de recycling van zijn opinie over Ruf. Blijkbaar wordt Dommerings pro-Ruf en anti-gemeentebestuur standpunt in de hoofdredactie van Het Parool gedeeld. Dommering is een zetstuk in de proxy-oorlog tussen Het Parool en de NRC over de kwestie Ruf. In een commentaar van 16 juni 2018 omschreef ik dat als volgt:

In zijn opinie-artikel van 11 januari 2020 pleit Dommering voor Rufs rehabilitatie. Hij schetst dat ‘een heel gezelschap samen [kwam] in een groot pand aan de Herengracht in Amsterdam’. Of deze verwijzing naar de Amsterdamse grachtengordel wijst op zelfspot of zelfoverschatting is de vraag. Hij vervolgt: ‘Ruf was, naar hun oordeel, in oktober 2017 ten onrechte onder druk gezet door de nog maar net aangetreden voorzitter van de raad van toezicht en enige leden van die raad om, na negatieve publiciteit over haar functioneren als directeur in NRC Handelsblad, af te treden als directeur.’ Zoals gezegd, Dommering zet zijn proxy-oorlog in Het Parool tegen NRC met klaarblijkelijke steun van één of meerdere redacties van Het Parool voort.

Maar hoe steekhoudend is het dat een groepje Ruf sympathisanten een opinie heeft en die herhaaldelijk in de publiciteit brengt? Hun grootste verdienste lijkt hun handige en vrije toegang tot de media en in het bijzonder de samenwerking met Het Parool. Zodat niet zozeer de argumenten, maar het activisme en het netwerk de doorslag geven. Dommering en de Ruf sympathisanten kunnen hun mening blijven herhalen dat Beatrix Ruf (in juridisch opzicht) door de commissie Eisma is vrijgepleit, maar daarmee is nog niet gezegd dat zij ook in ethisch opzicht is vrijgepleit en haar terugkeer op oneigenlijke gronden is geblokkeerd. Dat is een opinie waar andere, niet slechter onderbouwde opinies tegenover staan. Zo krijgt de opinie die Dommering verwoordt iets tragisch omdat hij een achterhoedegevecht voert van een conflict dat allang over zijn hoogtepunt heen is.

Het wordt er nog navelstaarderiger, zelfs incestueuzer op als Dommering verwijst naar ‘het onlangs verschenen boekjeDe Affaire Ruf, Crisis in het Stedelijk Museum en dat opvoert als een soort bewijsstuk. Maar dit boekje waar Dommering naar verwijst is geschreven door Dommering zelf. Hij vermeldt dat niet.

Dommering legt de oorzaak van het falen van het Stedelijk Museum bij de verzelfstandiging in 2006. Maar het probleem met deze uitleg is dat vele musea opereren onder die voorwaarden, maar zich anders ontwikkeld hebben. Zo werd Museum Boijmans van Beuningen ook in 2006 verzelfstandigd onder dezelfde voorwaarden als het Stedelijk. Namelijk dat gebouw en collectie eigendom van de gemeente bleven en dat er een sterke afhankelijkheidsrelatie in de vorm van subsidie bleef bestaan. Voor bijna alle Nederlandse gemeentelijke (kunst)musea op een enkeling als Museum de Fundatie in Zwolle na, dat eigenaar van de museumcollectie is, geldt deze drieslag van gebouw, collectie en subsidie. En reken er maar op dat alle gemeentebesturen even lastig en kritisch zijn voor hun verzelfstandigde musea als het Amsterdamse. Verzelfstandiging die trouwens fikse nadelen kent, wat erin resulteerde dat de gemeente Eindhoven besloot om het Van Abbemuseum niet te verzelfstandigen. Dommering dateert het begin van de crisis van het Stedelijk in 2003. Dat falen kent vele oorzaken die niet noodzakelijkerwijze volgen uit de verzelfstandiging en het functioneren van de gemeente Amsterdam. Het lijkt vooral het Stedelijk dat met het Stedelijk overhoop ligt. Op directie- en bestuursniveau.

Het is de hoogste tijd dat het Stedelijk Museum een nieuwe start maakt onder de nieuwe directeur Rein Wolfs. Want dat het museum al lange tijd slecht in vorm is of zelfs in crisis verkeert kan niemand ontgaan zijn. Wat de lobbyisten beogen met hun pleidooi voor rehabilitatie van Beatrix Ruf en wat dat met de situatie van het Stedelijk anno 2020 te maken heeft is de vraag. Dommerings opinie en zijn toegang tot de media lijken de kern van het probleem van het Stedelijk te zijn. Te veel partijen praten mee zodat de focus ontbreekt. De kwaal is dat te veel goedwillende amateurs te veel ruimte krijgen om zich met het museum te bemoeien.

Foto 1: Schermafbeelding van deel opinie-artikel ‘‘Stedelijk Museum verkeert al sinds 2003 in crisis’’ van Egbert Dommering in Het Parool, 11 januari 2020.

Foto 2: Schermafbeelding van deel commentaarProxy-oorlog tussen NRC en Het Parool over de kwestie Ruf’ van 16 juni 2018 op georgeknightlang.wordpress.com

Nederland heeft krijgsmacht die het verdient. Hoe kan het beter?

In een column van Ariejan Korteweg in De Volkskrant van 30 oktober 2019 komt de militaire historicus Christ Klep aan het woord. Hij vindt de Defensiebegroting schizofreen. Uit het lood dus. De Nederlandse krijgsmacht is niet op orde. Iedereen weet dat de Nederlandse krijgsmacht niet op orde is. Niemand die de krijgsmacht echter op orde brengt of de urgentie of het toekomstperspectief ziet om die op orde te brengen. Dat is bizar.

Het geld ligt op de plank en het voornemen is om meer te besteden. De realiteit is dat de komende vijf jaar de bestedingen zullen afnemen. Dat motiveert president Trump of zijn opvolgers, evenals landen als het Verenigd Koninkrijk of Frankrijk, niet om Nederland te blijven beschermen als het land niet de noodzaak ziet om zichzelf te beschermen. Nederland haalt de afgesproken 2-procent norm niet en zakt na 2022 terug naar 1,4 procent. Daarmee maakt het land dat zo’n groot overschot heeft op de betalingsbalans en bij herhaling door IMF en ECB wordt opgeroepen om meer te besteden zich niet populair in de VS en Europa.

Nederland heeft geen militaire traditie -of is die verloren sinds prins Frederik Hendrik die overleed in 1647- en wint daarom ook nooit eens een oorlog. Maar een krijgsmacht bestaat vooral om het eigen territorium te beschermen. Hardheid ontbreekt. Dat siert Nederland, maar is de nagel aan de doodskist van de Nederlandse krijgsmacht. Die blind wegvlucht in de aanschaf van nieuw materiaal. In het hogere geweldsspectrum waar de Amerikaanse wapenindustrie de voorwaarden bepaalt. De Amerikaanse wapenindustrie die zich via fraudeleus handelen van lobbyisten ingekocht heeft en stevig genesteld zit in de top van de Nederlandse politiek.

Terwijl iedere politicus en militair weet dat de basis van en het evenwicht van de Nederlandse krijgsmacht ontbreekt. Dat is al meer dan twintig jaar een publiek geheim. De minister is een lachertje die met haar publieke uitingen aantoont dat ze van toeten noch blazen weet. Geen reserveonderdelen, geen onderhoud, geen personeel, geen basismateriaal voor een functionerende krijgsmacht. Maar zoals Klep opmerkt geen visie van de politieke en militaire top op een krijgsmacht die voor allerlei oneigenlijke doelen ingezet wordt. Zoals de vredesmissie die de Nederlandse krijgsmacht infrastructureel helemaal niet kan verteren en de krijgsmacht nog verder uit het lood zet. Vooruit verdedigen is potsierlijk als dat ten koste gaat van territoriaal verdedigen.

Laten we een volksstemming houden wat Nederlanders met hun krijgsmacht willen. Met drie opties: 1) omvormen tot onderdeel van internationale ontwikkelingssamenwerking én een herinneringscentrum plus bezigheidstherapie voor nostalgische oudstrijders; 2) houden zoals het is, een verlengde van het Pentagon en de Amerikaanse wapenindustrie zonder dat het er toe doet of de Nederlandse krijgsmacht op het slagveld presteert en levensvatbaar, evenwichtig en gevechtsklaar is; 3) omvormen tot een territoriale krijgsmacht met goede digitale verdediging en speciale troepen, die uitsluitend als taak heeft om het eigen grondgebied en de naaste omgeving daarvan te verdedigen en dat realiseert met voldoende betaalbaar materiaal, personeel, infrastructuur, oefening, een korte commandostructuur en zonder vredesmissies buiten Noord- en Oost-Europa of Caribisch Nederland. Nederland moet op zoek naar een militaire identiteit. Want zoals nu is behalve de Amerikaanse wapenindustrie en de talloze lobbyisten niemand gelukkig met de Nederlandse krijgsmacht.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelWaarom militair historicus Christ Klep de defensiebegroting schizofreen vindt‘ van Ariejan Koerteweg in De Volkskrant, 30 oktober 2019.

Waarom plaatsen de Volkskrant en De Morgen de aantoonbare desinformatie van Michael Persson? (in Vlaanderen: Daan van Acht).

Hoe het komt is een raadsel, maar de journalist die voor de Volkskrant schrijft heet in Nederland ‘Michael Persson’, en wordt schrijvend voor De Morgen in Vlaanderen ‘Daan van Acht’ genoemd. Het bericht van 21 september 2019 ‘Wat we tot nu toe weten over ‘Oekraïne-gate’, de zaak waardoor zelfs onder conservatieven de roep om afzetting luider wordt’ in de Volkskrant verschijnt 10 uur en 1 minuut later in de online versie van De Morgen in bijna identieke vorm alsHet schandaal te veel voor Trump? Wat we nu weten over ‘Oekraïne-gate’. Onder meer onderstaande passage komt in identieke vorm in beide berichten terug:

Dit is om meerdere redenen een aantoonbaar onjuiste bewering, zoals onder meer onderstaande tweet van Max Boot van 4 maart 2019 aantoont. De conservatieve Boot die al in 2016 tegen Trumps kandidatuur was heeft al meermalen gepleit voor impeachment van de president, zoals in een opinie-artikel in de Washington Post van 3 juni 2019 met een titel die niets aan onduidelijkheid overlaat: ‘Here are seven reasons Trump should be impeached’. Daarnaast wordt alleen Boot bij naam genoemd, terwijl de claim het heeft over ‘veel conservatieve opiniemakers’. Maar wie zijn dan die conservatieve opiniemakers die afgelopen vrijdag 20 september 2019 ‘voor het eerst aandringen op impeachment’? Het is een onjuiste en onlogische bewering, want de kritiek uit de hoek van de conservatieve Never Trumpers klinkt al jaren behoorlijk hard en fel.

Het betoog van Michael Persson, die zich in Vlaanderen Daan van Acht noemt, is nog om een andere reden verwarrend omdat het het Trumpisme gelijkstelt met conservatisme. In een reactie op de FB-pagina van De Morgen bij het artikel van Daan van Acht dat als intro had ‘Nu klinkt zelfs onder conservatieve opiniemakers de roep om een afzettingsprocedure steeds luider’ schreef ik:

De Morgen plaatste het artikel van Michael Persson/ Daan van Acht op FB, maar de Volkskrant deed dat niet. Daarom kon ik niet op de FB-pagina van de Volkskrant op dit artikel reageren. Ik gaf ook onderstaande reactie op een andere versie van hetzelfde artikel van Persson/ Van Acht met de titel ‘Zelfs conservatieven in VS willen Trump nu afzetten’. Het raadsel blijft wie Michael Persson of Daan van Acht is en op welke informatie deze journalist of spookschrijver zich baseert. Het grootste raadsel is echter waarom kwaliteitsmedia als de Volkskrant en De Morgen bereid zijn aantoonbare desinformatie te plaatsen. Ze zouden beter moeten weten.

Foto’s 1 en 2: Schermafbeelding van delen van artikelWat we tot nu toe weten over ‘Oekraïne-gate’, de zaak waardoor zelfs onder conservatieven de roep om afzetting luider wordt’ van ‘Michael Persson’ in de Volkskrant, 21 september 2019, 7:52.

Foto 3: Tweet van Max Boot van 4 maart 2019.

Foto 4: Schermafbeelding van artikel ‘Media VS: ‘Trump zette Oekraïne onder druk om onderzoek naar Joe Biden te starten’ met reactie op FB-pagina van De Morgen

Foto 5: Schermafbeelding van artikel ‘Zelfs conservatieven in VS willen Trump nu afzetten’ met reactie op FB-pagina van De Morgen.

Lachen bij de nuanceringen van Asha over het Redelijke Midden. De geschiedenis leert: een column kan om te lachen en te huilen zijn

Wat een opmerkelijk onbezonnen mens, die Asha ten Broeke. Ik kende deze columniste van De Volkskrant niet en vind het met terugwerkende kracht oprecht jammer dat ik haar geniale inzichten heb gemist. Want een beetje humor is nooit weg. En om de ‘denkbeelden’ van Asha valt smakelijk te lachen. Ze is zo cool.

Asha, redelijke tijden zijn de uitzondering. Wat dat betreft leven we op dit moment in normale tijden. De geschiedenis is te veelgelaagd om daar op emoties gebaseerde verregaande uitspraken over te doen.

Asha, wat heb je een enge opvatting van wat een radicaal is. Herinner je de radicaal-liberalen van de jaren 1880? Ze namen een middenpositie in en waren hervormingsgezind. De historicus E.H. Kossmann omschreef deze radicalen zo: ‘zij vormden integendeel een nieuwe, politieke, sociale en artistieke avant-garde.’ Nuancering dus. Het is wellicht comfortabel om de geschiedenis uitsluitend met de bril van 2019 te bekijken, maar verklaren doet dat weinig.

Maar ok, laten we voor het debat meegaan in je framing die radicalen met hun neusjes haaks zet op wat je zo grappig het Redelijke Midden noemt. Lachen bij de nuanceringen van Asha. Maar wat hebben we dan op dit moment te verwachten van de ideeën van links-radicalen en rechts-radicalen? Wat hebben ze te bieden aan constructiefs? Ze schoppen tegen de gevestigde orde zonder een blauwdruk voor de reconstructie van de puinhopen bij te leveren die ze in hun ondergangsfantasieën aanrichten. Pim Fortuyn had het als rooms-katholiek over zichzelf, met zijn puinhopen van paars. Maar laten we niet persoonlijk worden. Je weet dat Lenin niet alleen bij radicaal-links, maar ook bij radicaal-rechts gehoor vindt? Vraag het Steve Bannon.

Het is juist dat het ‘gematigd realisme’, dat in Nederland loopt van gematigd-rechts (VVD) tot gematigd-links (PvdA), op dit moment wars van daadkracht, ambitie en ideeën is. Dat is niet per definitie altijd zo. Herinner je je de opbouw van de verzorgingsstaat en de rol van krachtige sociaal-democraten als Floor Wibaut, Clement Attlee en Willem Drees die veel goeds hebben gebracht? Het was niet hun radicalisme, maar hun realisme dat dit bewerkstelligde. Je weet ook dat sociaal-democraten en linkse-radicale communisten in de 20ste eeuw een bloedhekel aan elkaar hebben gehad. Maar communisten hebben met hun ideeën nergens iets voor elkaar gebokst. Of je moet Noord-Korea of Nicaragua als voorbeelden beschouwen die volgen uit radicale ideeën.

Je analyse kan daarom maar beter een andere zijn. Het gaat er niet om dat het gematigd-realisme vervangen of gevoed moet worden door het radicalisme, maar hoe het gematigd realisme gerevitaliseerd kan worden. Want dat dat laatste nodig is ben ik met volmondig je eens. Het is overigens linke soep zoals uit je betoog blijkt dat je onder radicalen uitsluitend links-radicalen verstaat. Pas op je wat je overhoop haalt. Herinner je je de geschiedenis van de Weimar-republiek waar de gematigde realisten niet door rechts-radicalen, maar door de links-radicalen werden verraden? Bezin eer je begint.

De Volkskrant verdient je humor. Hopelijk blijf je met je woorden onderstrepen hoe het niet zit. Je dia-positief van de omgekeerde mening helpt de lezer om je argumenten in tegenargumenten, en omgekeerd, om te zetten. Je bent de provocateur om aan te tonen dat radicalen met hun ideeën geen oplossing geven. Gematigd realisten zorgen ervoor dat Nederland marcheert. Schoon water uit de kraan, verwarming, vuilnisophaal, kunstuitvoeringen, bouw van huizen, noem maar op. In theorie hebben filosofische vergezichten over wat jij onder radicalen verstaat zin, maar in praktijk zijn ze een bedreiging die we maar beter niet goedpraten.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelDe geschiedenis leert: vooruitgang begint vaak met een radicaal idee’ van Asha ten Broeke in De Volkskrant, 5 september 2019.

Timo de Rijk en het Derde Rijk. Verwarrend debat met veel ruis over expositie van nazi-design in Design Museum Den Bosch

Op 23 februari 2018 plaatste ik bovenstaand commentaar over het voornemen van directeur Timo de Rijk van Design Museum Den Bosch (voorheen Stedelijk Museum ‘s-Hertogenbosch) om een tentoonstelling over het design van het Derde Rijk te houden. Om de plek van zijn museum als designmuseum in een vlucht vooruit te claimen en deze tentoonstelling aan te kondigen liet De Rijk zich interviewen door De Volkskrant. Zie hier voor een commentaar hoe zijn claim zich verhoudt tot de oprichting van een Nationaal Designmuseum. In dat Volkskrant-interview deed hij de uitspraak ‘(..) zouden de nazi’s ook zo’n succes hebben gehad als het design niet zo goed was geweest?’ Die uitspraak plaatste ik in de categorie ‘nuanceringen en sterke meningen van directeur De Rijk die het ergste doen vrezen’. Zijn uitspraak trok veel Flak, om in oorlogstermen te blijven.

Het was wachten totdat iemand zou reageren op De Rijks uitspraak over dat vermeende succes van het Derde Rijk. Het is secretaris van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap Ruben Vis die met een opinie-artikel in De Volkskrant hapt: ‘Is het niet raar en onsmakelijk om de kwaliteit van nazidesign te exposeren?’ Vis geeft een onhandig antwoord op een onhandige uitspraak en versjteert het debat. Tegenover De Rijks onhandigheid plaatst hij zijn gebrek aan nuancering met normatieve uitgangspunten (‘Exposeren van nazidesign is raar en onsmakelijk’). De Volkskrant geeft Timo de Rijk de mogelijkheid om te reageren. Hij antwoordt zonder in te (hoeven) gaan op zijn uitspraak over het succes van het Derde Rijk: ‘Ruben Vis lijkt de geschiedschrijving van het nazisme te verwarren met een pleidooi voor de kwaadaardigheid zelf’. Het debat scharniert en klapt dicht.

Foto: Schermafbeelding van commentaarMuseumdirecteur Timo de Rijk: ‘Zouden de nazi’s ook zo’n succes hebben gehad als hun design niet zo goed was geweest?’’ van 23 februari 2018.

Misverstanden en onduidelijkheden over euroscepsis in EU

Volgens Politico dat zich zegt te baseren op het Europees Parlement hebben in Nederland eurosceptische partijen 33% steun behaald in de Europese Verkiezingen. In 2014 was het 38% volgens deze bron, zodat hoe dan ook deze eurosceptische partijen in Nederland 5% aanhang zouden hebben verloren. Ik pijnig me het hoofd hoe het Europees Parlement tot dit percentage komt en welke partijen het als eurosceptisch beoordeelt. Voor 2014 tellen de volgende partijen op tot 38,3%: CU-SGP (7,6%), PvdD (4,2%) 50PLUS (3,7%), PVV (13,2%) en SP (9,6%). Dezelfde partijen plus het nieuwe FvD tellen voor 2019 op tot 32,9%. Afgerond dus 33%.

Hoe komt het Europees Parlement tot deze cijfers? 50PLUS valt niet aan te merken als eurosceptisch, zoals uit een artikel in De Volkskrant van 16 mei 2019 blijkt indien lijsttrekker Toine Manders de stelling onderschrijft ‘een warm pleitbezorger van de Europese samenwerking’ te zijn en een artikel op DDS dat uitschreeuwt ‘50Plus kiest vol voor Europa: “Stem vóór Europa, koester 75 jaar vrede, welvaart en samenwerking!’’.

Wat ‘eurosceptisch’ is niet op voorhand duidelijk. Want terwijl de CU kiest voor samenwerking in de EU, maar niet voor een superstaat, de PvdD eveneens voor Europese samenwerking is ‘waar het nuttig is‘, en de SP kiest voor ‘een Europese samenwerking waarin de belangen van mensen, dieren en ons milieu weer voorop staan’ wil de PVV de EU verlaten eveneens vermoedelijk FvD. De SGP neemt een tussenpositie in waarin het accent ligt op grondige hervorming en afbraak van de symboliek en niet op het breken van en met de EU.

De grafiek hierboven is zowel verkeerd samengesteld als betekenisloos omdat een duidelijke definitie over euroscepticisme ontbreekt. 50PLUS is geen eurosceptische partij zodat het percentage van eurosceptische partijen in Nederland al daalt tot 29%. Daarnaast is er een tweedeling aan te brengen in de euroscepsis van partijen die de EU willen hervormen (CU, SP, PvdD, SGP) en partijen die de EU willen verlaten (PVV, FvD). Met als complicatie dat FvD-lijsttrekker Derk Jan Eppink zoals een artikel in NRC verduidelijkt eigenlijk niet uit de EU wil stappen. Jean-Marie Dedecker voor wiens partij Eppink in het Europarlement zat zegt: ‘Uit de EU stappen? Daar ben ik niet voor en Derk Jan ook niet. Hij is kritisch over Europa, maar wel voor één Europa’. Als euroscepsis wordt opgevat als ‘een ondubbelzinnige, kritische houding ten opzicht van Europese integratie en de EU als vorm’, dan daalt het percentage daarvan in Nederland tot 3,5%. Dat is het percentage van de PVV.

Kijkt men naar het aantal zetels van de eurosceptische partijen, dus zowel hervormers CU, SP, PvdD, SGP als de harde (PVV) en zachte (FvD) verlaters uit de EU, dan is het percentage 23%. FvD, CU-SGP en PvdD halen samen 6 van de 26 zetels. De meest eurosceptische partij van Nederland de PVV heeft geen zetel behaald.

Wat is de waarheid over statistieken? Ze zouden niet liegen, maar misbruikt worden en zelden de waarheid vertellen. Maar dat is te simpel, ze liegen wel degelijk en zijn bedoeld om te verhullen. In de zin van ‘in te zwachtelen’ en ‘verstoppen’. Of ermee nou wordt gelogen of de waarheid verborgen, bovenstaande statistiek/ grafiek van het Europees Parlement doet aan misleiding. Het raadsel is wat het belang ervan kan zijn om het percentage eurosceptische partijen in Nederland flink hoger voor te stellen dan het in werkelijkheid is.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelIn graphics: How Europe voted’ op Politico, 27 mei 2019.

Culturele psychologie van Keyvan Shahbazi is prikkelende opinie

Keyvan Shahbazi presenteert in de Opinie van Zondag van de Volkskrant een prikkelende opinie. Als voedsel voor het publieke debat. Hij gooit een steen in de vijver zonder wetenschappelijke pretentie. Hij is als cultureel psycholoog en gastdocent/onderzoeker verbonden aan de Politieacademie. Zijn focus is de culturele psychologie: het zoeken naar verbanden en/of verschillen tussen bepaalde culturen. Dat is de sterkte én de zwakte van zijn benadering. Shahbazi perst elk maatschappelijk probleem door de mal van zijn vakgebied. Met als uiterste gevolg dat het opsporen en benoemen van culturele verschillen zijn eenzijdige stof tot nadenken wordt. In zijn prikkelende opinie doet Shahbazi pogingen om verschillen te benoemen, maar komt hij (nog) niet aan overkoepeling en verbinding toe. Hij beschrijft wat hij ziet zonder zicht op een oplossing.

Laten we veronderstellen dat Nederland een waardengemeenschap is zoals Shahbazi stelt. Dat gaat over het delen van ervaringen, maar in Nederland is de beperkende voorwaarde wel dat dat gebeurt in dienstbaarheid aan de nationale rechtsstaat. Dat betekent onder meer dat wetten van godsdiensten en levensovertuigingen ondergeschikt zijn aan rechtsstaat en grondwet, aan democratische instituties en grondrechten. Dat geldt dan ook voor multinationals, monarchie en multimiljonairs. Als dat gegarandeerd wordt door de overheid en betreffende individuen publiekelijk aangeven de rechtsstaat ondubbelzinnig te accepteren als hoogste instantie, dan lijkt er geen probleem te zijn wie er in Nederland woont en wat de geschiedenis, kleur, etniciteit of levensovertuiging van zo iemand is. Zo wordt iedereen in een gemeenschappelijk kader geplaatst. Dat gaat verder dan het lijkt. Dat betekent ook door de overheid actief gegarandeerde en beschermde rechten van vrouwen die nu die rechten missen binnen orthodoxe godsdiensten. Daarvoor moet de autonomie van die godsdiensten worden opengebroken. En prioriteit worden aangebracht tussen de grondrechten. Dat verstoort het sociale contact van Nederland dat een wankel machtsevenwicht is dat in eeuwen is gegroeid.

Integratie is geen eenrichtingsverkeer, want rechten en plichten komen er in wisselwerking in samen. In een uitruil van het één tegen het ander. Shahbazi concentreert zich op de rechten van individuen en verwaarloost de plichten. Met als gevolg dat hij de structuur die van bovenaf een oplossing kan bieden uit het oog verliest en alles ophangt aan gedrag van en culturele verschillen tussen individuen. Hoe problematisch en aanwezig die ook zijn. Die benadering van onderaf mist de pretentie van het overkoepelende gebaar dat de problemen terugdringt. Daarnaast kiest hij de verkeerde focus door de relatie tussen burgers centraal te stellen, terwijl de relatie van de individuele burger tot de staat bepalender is voor integratie en het tegengaan van discriminatie en/of vooroordelen. Modieus gezegd, als de overheid er bewust voor zou kiezen, dan zou het de rechtsstaat als symbool en referentie succesvol kunnen inzetten als instrument om het onderbewuste gedrag van burgers te beïnvloeden (’nudging’). Ook is het trouwens mogelijk om zowel van onderaf als van bovenaf te werken en aldus problemen gecoördineerd aan te pakken. De auteur reduceert alles tot sociaal-culturele onderwerpen en het (geïnstitutionaliseerde) gedrag van burgers en prikkelt vooral de reacties die deze simplificatie corrigeren.

Foto: Schermafbeelding van deel opinie-artikelIntegratie is geen eenrichtingsweg’ van Keyvan Shahbazi. De Volkskrant, 19 augustus 2018.