Niet-joodse Helen Mirren krijgt kritiek van joodse Maureen Lipman vanwege haar filmrol van de joodse Golda Meir

Schermafbeelding van deel artikelMaureen Lipman attacks casting of Helen Mirren as former Israeli PM Golda Meir‘ in The Guardian, 5 januari 2022.

De joodse actrice Maureen Lipman zet vraagtekens bij het feit dat de niet-joodse Helen Mirren in een film van de Israëlische regisseur Guy Nattiv gecast wordt als de joodse voormalige Israëlische premier Golda Meir. The Jewish Chronicle besteedt er in een artikel van 3 januari 2022 aandacht aan.

Lipmans argument is ‘dat de joodsheid van Meirs personage “integraal” is’. Wat ze daar precies mee bedoelt is onduidelijk. Het lijkt ermee te maken te hebben dat volgens Lipman Mirren haar rol niet voldoende ‘doorleefd’ kan hebben. Lipman zet geen vraagtekens bij Mirren als actrice en vermoedt dat ze geweldig zal zijn in de rol van Meir.

De essentie van het acteren is dat een acteur door te ‘doen alsof’ geloofwaardig in de huid van een ander kruipt. Maar blijkbaar wordt dat ‘doen alsof’ niet meer voldoende geacht door politieke activisten die menen dat het bij acteren niet meer draait om zo goed mogelijk ‘doen alsof’, maar om het feit van ‘het zijn’. Het acteren, ofwel de kunst wordt zo ondergeschikt gemaakt aan een politiek-maatschappelijk doel.

De opvatting van Lipman betekent een teruggang naar stereotypering. Naar een opvatting dat een rol wat de belangrijkste kenmerken betreft moet samenvallen met de acteur. Het is een pleidooi voor de herleving van oerbeelden die zijn wat ze zijn en niets meer of minder. In deze opvatting wordt de eendimensionele tronie de norm. Dat staat haaks op wat acteren in de kern is.

Het activisme dat uitgaat van eigenheid zal de casting van rollen in film of theater bemoeilijken als de kenmerken van rollen overeen moeten komen met de kenmerken van de acteurs. Als de geest uit de fles is wacht een onoplosbare puzzel van verschillen wat etniciteit, religie, regionaliteit, leeftijd, seksuele oriëntatie, beperking, sociaal-economische status en opleidingsniveau betreft. Hoever kan de herverkaveling gaan voordat de casting vastloopt?

In dit verband is het begrip ‘Jewface‘ gemunt, dat zowel een claim op gelijke rechten als een openlijke toe-eigening van joodse rollen door joodse acteurs is. De uiterste consequentie van deze claim is dat joodse acteurs voortaan geen rollen van niet-joodse karakters meer toebedeeld kunnen krijgen.

De herverkaveling en afscherming van rollen is begrijpelijk vanuit het oogpunt van politiek activisme, maar onbegrijpelijk op het niveau van de verbeelding, de creativiteit en het slechten van grenzen tussen groepen.

Wat is het eigenlijk dat Lipman tot haar kritiek op de casting van de niet-joodse Mirren als de joodse Golda Meir brengt? Haar beweegredenen kunnen divers zijn: kinnesinne, profileringsdrang als actrice of als politiek activiste, werkgelegenheid of een meningsverschil. De kritiek past in elk geval in de huidige golf van identiteitspolitiek die de kunsten heeft bereikt en nieuwe grenzen optrekt en ‘cultuurdragers’ uitsluit vanwege een vermeend verkeerde identiteit.

De nieuwe apartheid richt met verwijzing naar emancipatie en representatie nieuwe scheidslijnen op tussen groepen. Dat kan zinvol zijn voor activisten en voor de positie van een benadeelde minderheidsgroep die de toegang tot een specifieke kunstdiscipline structureel wordt ontzegd, maar het is rampzalig en contra-productief voor de kunst. Het valt overigens te betwijfelen of joodse acteurs tot een structureel benadeelde minderheidsgroep behoren.

Aartsbisschop Gomez keert zich tegen de woke-beweging én het secularisme

Met Anton de Wit ben ik het eens met de conclusie dat de woke-beweging zich ontwikkelt tot een religie. De Wit probeert in een commentaar van 12 november 2021 in het Katholiek Nieuwsblad de afstand ervan tot de gevestigde godsdiensten te vergroten door het te kwalificeren als  pseudoreligie, maar er is weinig nep aan de woke-beweging als het alle kenmerken van religie vertoont. Wokeisme kent een reeks mythologische en bovennatuurlijke overtuigingen binnen een gesloten systeem dat gelijkgestemden insluit en andersdenkenden uitsluit en verkettert. Dat is typisch voor religie. Zoals de gedachte dat de huidige witte mensen verantwoordelijk zijn voor racistische acties van witte mensen in het verleden.  

De Wit verwijst naar uitspraken van de katholieke aartsbisschop José Gomez van Los Angeles die tevens voorzitter van de Amerikaanse bisschoppenconferentie is. Gomez signaleert in de VS en in Europa een neiging tot onverdraagzaamheid van identiteitsbewegingen. Tot zover lijkt de analyse om de zaak te gaan en to the point te zijn, namelijk de agressie van deze identiteitsbewegingen tegen de christelijke kerken. 

Maar Gomez en De Wit gaan verder. De Wit vertaalt Gomez’ woorden die hij uitsprak in een video van 4 november 2021 voor een conferentie in Madrid zo: [een neiging tot onverdraagzaamheid van identiteitsbewegingen] die ‘een soort seculier ‘verlossingsperspectief’ bieden waarbij ze het gehele menszijn reduceren tot enkele fysieke eigenschappen, zoals ras, seksualiteit of geslacht’. Gomez kiest ook een anti-secularistische invalshoek en verwoordt dat volgens een bericht van 5 november 2021 in America Magazine (The Jesuit Review) als volgt: ‘With the breakdown of the Judeo-Christian worldview and the rise of secularism, political belief systems based on social justice or personal identity have come to fill the space that Christian belief and practice once occupied’.

Gomez trekt de cancel- of afrekencultuur van de woke-beweging door naar het secularisme en projecteert de argumenten die hij aan de woke-beweging ontleent op het secularisme. Dat is onzorgvuldig, opruiend en kwaadwillend.

Waar De Wit een gematigde opstelling kiest gaat Gomez vol op het orgel in zijn veroordeling van het secularisme en spaart hij de ongenuanceerde meningen niet. Beide katholieken gaan te kort door de bocht als ze het wokeisme kwalificeren als en associëren met een seculier perspectief. Dat is onterecht. Want zoals gezegd, het wokeisme vertoont alle kenmerken van een godsdienst. Daarnaast vergeten ze gemakshalve dat de grootste tegenstand tegen de woke-beweging tot nu toe van seculiere liberale en gematigd-conservatieve intellectuelen komt die er een losgeslagen revolutionaire beweging in zien die het verwerpen van de bestaande orde van Lenin combineert met (het tot nu toe maatschappelijk) schrikbewind van Robespierre. 

Het is begrijpelijk dat Gomez in zijn functie en katholiek denken opkomt voor zijn kerk. Maar het is onvergeeflijk dat hij op de intolerantie van de woke-beweging zijn eigen intolerantie jegens het secularisme stapelt. Zijn analyse dat het secularisme zich keert tegen godsdienst is onjuist omdat de politieke filosofie van het secularisme niet anti-religieus of pro-atheïstisch is. Het secularisme scheert alle godsdiensten en levensovertuigingen over dezelfde kam en geeft ze dezelfde plek zonder de een boven de ander te bevoordelen.

Gomez verwart de voorkeurspositie die het christendom in de VS en Europa door samenwerking met het werelds gezag eeuwenlang genoot en de laatste decennia is kwijtgeraakt met de nieuwe gelijkheid waarin het christendom niet als meer, maar evenmin als minder wordt gezien dan nieuwe, kleinere godsdiensten en levensovertuigingen. 

Gomez gaat de fout in als hij secularisatie gelijkstelt aan ontkerstening (‘de-Christianization’): ‘For years now, there has been a deliberate effort in Europe and America to erase the Christian roots of society and to suppress any remaining Christian influences.’ Dat is onjuist. De invloed van de christelijke godsdienst is afgenomen omdat de steun in de bevolking ervoor is afgenomen. Daar zit geen masterplan van seculiere opinieleiders achter zoals Gomez suggereert. In Nederland verklaart nog zo’n 35% van de bevolking christelijk te zijn.

Dat de invloed van het christendom afkalft is geen actie tegen het christendom zoals Gomez veronderstelt. Het is het gevolg van demografische en sociale ontwikkelingen. In westerse rechtsstaten is het geloof van christelijke gelovigen gegarandeerd. Alleen, ze runnen de landen waar ze gevestigd zijn niet langer, maar moeten dat met andere minderheden delen. Dáár zit de pijn van Gomez, in de afgenomen invloed.

Het is jammer dat Gomez geen redelijk, genuanceerd geluid weet te vinden en zich verbindt met gematigde krachten die zich ook tegen het radicalisme van (delen van) de woke-beweging en andere identiteitsbewegingen verzetten. Het was logica geweest als hij ook de andere nieuwe religie QAnon die zich verbindt met de ultra-rechtse politiek had bekritiseerd omdat die eveneens vijandig staat tegenover de katholieke kerk. Maar dat laat hij na.

De Amerikaanse katholieke kerk verliest net als andere Amerikaanse kerken, zoals de protestante evangelicals aan autoriteit en reputatie omdat ze zich nauw verbinden met en overgeleverd hebben aan de rechtse politiek van Trump. Dat gaat in de VS zelfs zover dat vele Amerikaanse bisschoppen zich vanwege politieke redenen en vooral het Democratische standpunt over abortus opstellen tegenover de eerste echte katholieke (na JFK) president Joe Biden. Ofwel, wie is Gomez dat hij meent recht van spreken te kunnen opeisen om over anderen te oordelen?

Gomez preekt voor eigen parochie en door zo’n beperkt perspectief te kiezen is hij het zelf die zijn invloed inperkt. Dat doen niet anderen voor hem zoals hij claimt. Voor zijn selectieve opstelling is hij zelf verantwoordelijk. Dat kan hij anderen niet verwijten door zijn gezocht slachtofferschap en isolationisme dat hij meent te moeten vatten in een agressief betoog tegen het secularisme en de seculiere samenleving.

Utrechtse motie die BOA’s dragen hoofddoek toestaat is ongewenst en heeft ongewenste effecten. Straks kunnen ze het pastavergiet van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster dragen

Schermafbeelding van de op 11 november 2021 aangenomen Motie 399Een inclusief uniform bij Toezicht en Handhaving‘ van de Utrechtse gemeenteraad.

Op donderdag 11 november 2021 werd in de Utrechtse gemeenteraad Motie 399Een inclusief uniform bij Toezicht en Handhaving‘ aangenomen. Het gaat over het toestaan van godsdienstige uitingen van BOA’s. De motie werd ingediend door DENK (2), Student & Starter (2) en PvdD (2) en ondersteund door CDA (2), een lid van CU (1), D66 (10), GL (10), PvdA (3) en SP (2). Tegen stemden een lid van CU (1), PVV (1), Stadsbelang (1) en VVD (6).

De motie gaat over het toestaan van godsdienstige uitingen van BOA’s, zoals hoofddoekjes. Dat wordt in de motie op twee manieren verbreed en verhuld door ook ‘levensbeschouwelijke’ uitingen te noemen en een keppel als godsdienstige uiting te presenteren. De motie maakt niet duidelijk wat een en ander in de praktijk betekent. Uit de toelichtingen bij de motie blijkt dat het om de hoofddoek gaat. Andere uitingen worden er aan de haren bijgesleept.

Hoe breed de strekking van de motie is maakt een voorbeeld duidelijk. Een gevolg ervan is dat BOA’s die lid of sympathisant zijn van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster en volgens de richtlijnen van deze godsdienst of levensovertuiging worden geacht een pastavergiet te dragen voortaan in BOA-uniform met pastavergiet hun rondje over de Oudegracht of de Neude kunnen doen. De Kerk wijst daar in een bericht op de eigen site op. Het is anders dan dit bericht suggereert, want in de emancipatiestrijd die deze Kerk voert hoeft het niet eens als godsdienst erkend te worden omdat de motie ook levensbeschouwelijke uitingen betreft. Daar valt het pastavergiet stellig onder.

Schermafbeelding van deel berichtBOA’s mogen eindelijk het vergiet dragen!‘ op de site van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster

Als de motie wordt uitgevoerd en meer is dan een vehikel van DENK om de eigen islamitische achterban te bedienen (waar partijen als D66 en GL in zijn meegegaan), dan kondigt zich de volgende strijd al aan. Want dan kan aan leden van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster niet geweigerd worden om een pastavergiet bij hun BOA-uniform te dragen. Gesteld dat er Utrechtse BOA’s zijn die deze godsdienst belijden.

Dan treedt mogelijk de fase in van de reparatie van deze motie door het formuleren van een nieuwe praktische begrenzing die afstand neemt van de theorie in deze motie. Wordt dan de hoofddoek wel toegestaan en het pastavergiet niet? Dan wordt de rechtsongelijkheid niet bestreden, maar juist bevorderd. Dat kan niet de opzet van deze motie zijn. Het kan een interessante strijd opleveren tussen vrijzinnige en godsdienstige partijen in de Utrechtse raad.

Als de motie wordt uitgevoerd is de kans dus groot dat Utrecht er straks een toeristische attractie bij heeft: handhavers en toezichthouders van de gemeente Utrecht in uniform met een pastavergiet op het hoofd. Utrecht wordt één groot fotomoment. Wie weet wat voor uitingen andere godsdiensten en levensovertuigingen nog in petto hebben die het BOA-uniform ongewild kunnen opfleuren. De internationale pers zal er vermoedelijk ruime aandacht aan besteden. In de stad van Erich Wichman, Joop Moesman, Pyke Koch, Gerrit Rietveld en Dick Bruna herleeft het vooroorlogse surrealisme. Niet in de kroeg of in de kunsthandel, maar op straten en pleinen.

Hoewel ik de waarschijnlijk onbedoelde handreiking waardeer die deze motie doet naar de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster betreur ik het toch dat de motie is aangenomen en acht dat onverstandig. De onderbouwing ervan komt op mij mager en theoretisch over en komt niet verder dan te wijzen op de wenselijkheid van een beleid inzake diversiteit en inclusie. Dat is begrijpelijk in een tijd waarin identiteitspolitiek universiteiten, media en politiek overspoelt, maar als de praktische gevolgen niet zijn uitgewerkt of goed doordacht schiet dat toch tekort en lijkt in Utrecht de waan van de dag te regeren.

Mijn grootste bezwaar ertegen is dat vertegenwoordigers die in naam van de overheid optreden en die overheid representeren een neutrale opstelling dienen te hebben. Dat geldt vooral de zichtbare handhaving op straat. Voor kantoorbanen van overheidsbeambten die niet in contact komen met publiek geldt een andere afweging omdat de symboolfunctie van een neutrale opstelling niet aan de orde is. Opleggen van neutraliteit is de aanvaarde beperking die de staat kan toepassen om grenzen te stellen aan grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst. Die beperking met het oog op het algemeen belang wordt doorkruist in deze motie waar tuchteloos individualisme, ik kan het niet anders zien, in te herkennen valt.

De paradox van de motie is dat met een beroep op de rechten van het individu niet de gemeenschap, maar het individualisme van een zich emanciperende gemeenschap de focus is. Dat is ongewenst omdat daarmee het individu boven de overheid wordt geplaatst. Notabene met toestemming van partijen als CDA, D66, PvdA en GL. Zo verkruimelt het gezag. De Nationale BOA Bond formuleert in een tweet hetzelfde bezwaar tegen de Utrechtse motie:

Tweet van de Nederlandse BOA Bond, 13 november 2021.

Tamarah Benima krijgt kritiek op Rede van Fryslân. Ze wordt slecht begrepen door haar naïviteit, wereldvreemdheid en merkwaardige politieke oordelen

Schermafbeelding van deel artikel/ redeRede van Fryslân: We hebben waarheid nodig, maar welke? Van Bonifatius tot Woke‘ in het Friesch Dagblad, 28 oktober 2021.

De liberale rabbijn Tamarah Benima sprak gisteren in Leeuwarden de Rede van Fryslân uit. Daarop kreeg ze veel kritiek vanwege haar associatie van het regeringsbeleid inzake de aanpak van de COVID-19 pandemie met totalitaire regimes waarin ze ook naar nazi-Duitsland verwees. 

Als dat nog opgevat kan worden als een ongelukkige formulering en een doorgeslagen en verkeerd geland idee van democratie en politiek, dan geldt dat niet voor andere opmerkingen. Veelzeggend zijn in haar rede de tussenzinnen die het meest onthullend zijn over Benima’s wereldbeeld. Eruit spreekt naïviteit en wereldvreemdheid die het volwassen oordeel voorbij is. 

Neem de volgende opmerkingen: ‘Maar ik weet me ook, zeg ik als Jodin, gewaarschuwd door wat er in nazi-Duitsland plaatsvond. De beleidsmakers toen, op ieder niveau, dwars door de samenleving, hadden het beste voor met iedereen.’ Werkelijk, hadden vanaf 1933 de Duitse beleidsmakers op elk niveau het het beste voor met iedereen? Ik geloof er niks van, zoals historici de geschiedenis van toen bestuderen dat evenmin zullen doen. Waar baseert Benima zich op als ze meent dat in Duitsland van 1933 tot 1945 elke beleidsmaker het beste met iedereen voor had? 

Of neem de opmerking: ‘anderzijds de religies zoals we die kennen (waaronder ik trouwens ook coherente denksystemen versta als wetenschap en de Verlichtingsideologie; waarom ik dat doe voert hier te ver)’. Benima annexeert wetenschap en Verlichtingsideologie in het domein van de religie. Moeten volgens haar onze hoogleraren voortaan dominee, priester, imam genoemd worden? Komt de wetenschappelijke methode als een systematische manier om kennis te vergaren overeen, of is zelfs identiek met de manier hoe kennis binnen religie wordt vergaard? Benima maakt wetenschap ondergeschikt aan de gesloten geloofssystemen van de religiesector waarin ze werkzaam is. 

Of neem de opmerking: ‘alle mensen die op welk niveau ook beleid uitstippelen, of het nu bij de overheid, in de wetenschap of zelfs bij Big Tech en Big Pharma is, hebben de allerbeste bedoelingen. Daarvan ben ik overtuigd’. Nou ik niet. Kijk alleen maar naar de laatste onthullingen over Facebook (nu: Meta) die duidelijk maken dat de beleidsmakers van Facebook niet de beste bedoelingen hebben met democratie, samenleving, kinderen en volwassen burgers, behalve winstoptimalisatie. Kijk ook naar het desastreuze beleid van de Trump-regering inzake de aanpak van de pandemie die volgens Dr. Birx zeker tot 130.000 onnodige doden heeft geleid. De voorbeelden zijn legio en kunnen uitgebreid worden. Benima doet uitspraken over de werkelijkheid waarvan ze duidelijk geen goed beeld heeft.

Dat is jammer want ze doet in haar rede ook zinvolle uitspraken over identiteitspolitiek en het woke-activisme. Maar die raken ondergesneeuwd in de publiciteit over de domme uitspraken in haar rede. De fout die Benima maakt is dat zij blijkbaar mensen met verstand van politiek, politieke geschiedenis en politieke gevoeligheden niet mee heeft laten lezen. Dat had een hoop misverstand voorkomen, inclusief de beeldvorming dat zij naïef in de wereld staat en niet weet waarover ze praat in haar ivoren toren waar filosofen de toon aangeven. In de verbinding met de wereld ontspoort ze.

Het jammerlijke beeld dat nu blijft hangen is dat wat Benima betoogt het intellectuele gehalte en het gedachtengoed is dat past bij de liberale Joodse gemeente in Noord-Nederland waar zij rabbijn is. Zij heeft zichzelf, haar gemeente, Friesland en het Nederlandse publieke debat geen goed gedaan. Zij voedt de destructieve krachten die ze denkt te bestrijden.

Tot wat leidt spanning in de Code Diversiteit en Inclusie?

Schermafbeelding van een deel van de FB-paginaCode Diversiteit & Inclusie‘, 27 oktober 2021.

De Code Diversiteit en Inclusie in de culturele sector (april 2021) werpt een schaduw over de kunsten. Het Mondriaan Fonds hanteert deze gedragsregel. Veelzeggend is een opmerking in een vacature van dit Fonds voor een adviseur diversiteit en inclusie: ‘Daarbij word je nadrukkelijk gevraagd om je eigen perspectief mee te nemen naar de vergadertafel. Wel vragen we je over je eigen voorkeuren heen te kijken en een moreel of politiek oordeel te vermijden‘.

Uit deze twee zinnen blijkt spanning. Het is de vraag hoe reeël het is om van een adviseur met een ‘eigen perspectief‘ te verlangen om werkzaam te zijn zonder ‘een moreel of politiek oordeel‘ en wat dit zegt over het beleid dat het Mondriaan Fonds nastreeft. Ofwel, vraagt het Fonds het onmogelijke van adviseurs en hoe goed is het in staat om beleid door te voeren als bijna onmogelijke eisen aan de eigen medewerkers worden gesteld? Wat zegt dat over de status van de Code Diversiteit en Inclusie?

Spanning is het woord dat in de Code Diversiteit en Inclusie zit. Immers toch een grabbelbak van ongelijkheid waarin het compromis tussen belangen valt te herkennen. Spanning speelt op het vlak van de verschillende vormen van verschil in diversiteit en inclusie die afzonderlijk niet evenveel aandacht krijgen of even belangrijk worden geacht door de beleidsmakers en op het vlak van zichtbaarheid van verschillen van diversiteit die tot een hiërarchie leidt waarbij zichtbaarheid politieke steun op het hoogste niveau krijgt. Etniciteit en gender hebben de hoogste aandacht.

Onderstaande reactie plaatste ik op de FB-pagina ‘Code Diversiteit & Inclusie‘ omdat daarin de spanning valt te herkennen tussen de vormen van diversiteit en inclusie. Omdat die reactie op deze pagina nauwelijks of niet terug te vinden is, plaats ik die ook hier. Ik meen dat de mensen achter deze pagina moeite doet om het ‘breed’ te houden, maar er toch niet goed in slagen. Of dat komt door gebrek aan content, door een politiek of moreel vooroordeel van henzelf, door een gebrek aan urgentie of door een beleid van hogerhand dat selectiviteit oplegt vraag ik me af:

Schermafbeelding van deel brochureCode Diversiteit & Inclusie in de culturele sector‘.

De Code Diversiteit en Inclusie zegt op p. 6: ‘De code is van origine gericht op culturele diversiteit. Daarnaast geeft de code ruimte aan meer vormen van verschil, zoals gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd‘.

Ofwel, deze versie van de Code Diversiteit en Inclusie is divers en dient breed geïnterpreteerd en uitgevoerd te worden. Maken deze FB-pagina en de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie dat waar?

Daar lijkt het niet op. Het lijkt er sterk op dat de coördinatoren van de FB-pagina ‘Code Diversiteit & Inclusie‘ weinig ruimte geven aan ‘meer vormen van verschil’. Na het scrollen van de FB-pagina resteert een eenzijdig beeld van diversiteit in de culturele sector. Na lezing van de FB-pagina lijkt dat diversiteit en inclusie in de kunsten vooral over zwart/wit en gender gaat. 

Zoals gezegd, dat roept de vraag op of het in lijn is met de eigen definitie die als richtlijn voor het beleid kan worden gezien. Anders gezegd, maakt deze FB-pagina de claim waar dat het werkt ‘aan een gelijkwaardige sector voor iedereen’?

Is het erg dat de FB-pagina ‘Code Diversiteit & Inclusie’ diversiteit niet divers maar beperkt opvat? Want dat lijkt hier toch wel aan de orde te zijn en uit de gekozen focus voor enkele vormen van diversiteit en inclusie geconcludeerd te kunnen worden.

Waar laat dat de claim dat er door de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie gewerkt wordt aan een gelijkwaardige sector voor iedereen? In het debat over diversiteit en inclusie lijken tot nu toe de aandacht voor sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd zo goed als te ontbreken.

Men kan zich afvragen hoe beleid met zo’n eenzijdige focus heeft kunnen ontstaan die aantoonbaar in strijd is met de eigen uitgangspunten. Wat is hier aan de hand?

Het kan zijn dat de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie en de gelijknamige FB-pagina voornamelijk verslag doen van wat er in de kunsten gebeurt. Ze volgen en kunnen er niet meer van maken dan wat ze tegenkomen in het culturele veld. Als daar nauwelijks aandacht is voor sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd, dan doen ze daar nauwelijks verslag van. De keerzijde daarvan is dat ze de politiek populaire onderwerpen juist veel aandacht geven omdat daar in de media en bij instellingen veel aandacht voor is.

Hoe verhoudt zich dat tot de claim dat de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie werken aan een gelijkwaardige sector voor iedereen? Wat betekent iedereen als iedereen aantoonbaar niet iedereen is? Waarom wordt de claim over iedereen en de vele vormen van diversiteit en inclusie gehandhaafd als die in de praktijk niet gehandhaafd wordt?

Kan de claim dat er aan een gelijkwaardige sector voor iedereen gewerkt worden voor de duidelijkheid en de eerlijkheid dan niet beter losgelaten worden? Dat is beter dan de pretentie van diversiteit en inclusie die bij nader inzien niet lijkt te kunnen worden waargemaakt. Dat geeft een façade van schone schijn waarachter de genoemde vormen sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd verdwijnen. Het is zelfregulering met een valse noot die niet harmonieus kan klinken.

Ik ga uit van de goede bedoelingen van alle mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie. Ik beschouw ze als onderaannemers van een beleid dat nog niet goed uitontwikkeld is. Dus beterschap is mogelijk. Mijn overwegingen komen niet voort uit kritiek op de wat ik als bovenmatige aandacht zie voor de vormen van diversiteit waar nu zoveel aandacht aan wordt besteed. Zoals de zwart/wit en gender aangelegenheid. 

Mijn zorg is anders. Ik constateer dat sociaaleconomische status en opleidingsniveau in Nederland in het debat over diversiteit en inclusie in de kunsten onzichtbaar zijn en zo goed als ongenoemd blijven. Er lijkt evenmin een tendens te zijn die op verbetering wijst. Deze ongelijkheid in aandacht voor verschillende vormen van diversiteiten en inclusie wordt door de aandacht voor de Code Diversiteit en Inclusie niet doorbroken, maar juist behouden. Zo beredeneerd lijkt het er sterk op dat de Code Diversiteit en Inclusie averechts werkt.

Aandacht voor sociaaleconomische status en opleidingsniveau in de kunsten lijkt een taboe dat culturele instellingen uit de weg gaan. Juist dan lijkt er een taak weggelegd voor het ministerie van OCW, het ministerie van SZW, het Mondriaan Fonds en alle in de Code Diversiteit en Inclusie samenwerkende brancheverenigingen en de publiciteitsmedewerkers die namens hen werkzaam zijn en de FB-pagina vullen met berichten over diversiteit en inclusie om diversiteit zo breed op te vatten zoals het bedoeld is. Zodat niet in theorie, maar in praktijk gewerkt wordt aan een gelijkwaardige sector voor iedereen.

Franse regering opent aanval op woke-isme. Pleidooi voor het centrum. Tijd voor een Bataafs laboratorium?

Schermafbeelding van deel artikelFrench education minister’s anti-woke mission‘ op Politico, 19 oktober 2021.

Actie roept reactie op. In de politiek bestaat het besef bij middenpartijen dat het woke-gedachtengoed uit de VS radicaal-rechts in de kaart speelt. Woke is begonnen als een billijk pleidooi voor meer bewustzijn en minder onrecht, maar is gekaapt door een radicale minderheid en veranderd in een afrekencultuur die leidt tot apartheid en fragmentatie. De beperkte opvatting van het begrip diversiteit wordt als breekijzer gebruikt voor selectieve identiteitspolitiek.

Een deel van de zwijgende meerderheid wordt door de actie van radicaal-links naar radicaal-rechts gejaagd dat zich er publiekelijk het duidelijkst tegen uitspreekt. Daarom is het in het belang van Europese middenpartijen om het woke-gedachtengoed de pas af te snijden om radicaal-rechts niet in de kaart te spelen en zichzelf electoraal te redden. Het gevolg is dat er een dunne lijn ontstaat tussen centrum-rechts en radicaal-rechts waar radicaal-links vervolgens weer tegen ageert zonder te beseffen of toe te willen geven dat het zelf dat proces in gang heeft gezet.

In de VS heeft de Democratische partij zich grotendeels vervreemd van de gewone kiezer. Dat Joe Biden in 2020 president werd had hij te danken aan twee aspecten: zijn gematigde opstelling en de afkeer bij gematigde Republikeinen en Onafhankelijken van Trump. Ze bleven thuis zodat Biden met klein verschil enkele beslissende swingstates kon winnen omdat de Republikeinen Trump afwezen of op Biden stemden. Buiten een progressieve kern ontbreekt de liefde voor de Democratische partij die radicaler is dan Biden en zich onverdraagzaam en uit de hoogte gedraagt tegenover de kiezer.

Overigens is in 2024 de beste hoop voor Biden een herhaling van 2020: de strijd tegen Trump. Wie er dan wint hangt af van het antwoord op de vraag welke partij het meest gehavend uit die strijd komt. Want dat beide grote partijen aan geloofwaardigheid en samenhang inleveren is ontegenzeggelijk.

In Frankrijks is Jean-Michel Blanquer de minister van Nationaal Onderwijs en Jeugd. Hij is lid van president Emmanuel Macrons middenpartij LREM. Hij heeft er sinds kort een taak bij als coördinator van Le Laboratoire de la République dat zichzelf presenteert als ‘Club (of plek) van reflectie en actie ten gunste van de Republiek’. Tweets verschijnen sinds 13 oktober 2021 en zien er zo uit:

Tweet van Le Laboratoire de la République, 13 oktober 2021.

Er staat: ‘Deze woke/ anti-woke-kloof mag niet generationeel worden. @NatachaQS en @Valent1Pierre zullen de Jeugdcommissie van dit Laboratorium van de Republiek coördineren’.

Het ‘Labo’ is tegelijk publiciteitsmachine, denktank en campagnemiddel dat is bedoeld om het initiatief terug naar Macrons partij te brengen en niet gesandwicht te worden tussen de partijpolitieke waarheden over migratie, COVID-19, rechtsstaat en EU van radicaal- en nationalistisch-rechts en de culturele, metapolitieke waarheden van radicaal-links dat zoveel invloed heeft op universiteiten, media en in de intellectuele wereld. Blanquers beseft dat dit mede speelt op het niveau van ideeën als hij zegt dat het Republikeins laboratorium ‘verder gaat dan partijpolitiek’.

Een artikel van 19 oktober 2021 in Politico schetst dit Republikeinse laboratorium en verbindt het met de Franse versie van het secularisme. Aanleiding zijn uitingen van Blanquer zoals: ‘De Republiek is volledig in strijd met het woke-isme’. Die verwijzing lijkt vergezocht, maar wordt door Politico verklaard: ‘Voor een groot deel van het politieke establishment overstijgt het Franse secularisme – laïcité – ras, geslacht en religie en is het echt egalitair. Voor zijn critici bevordert datzelfde secularisme een wit en christelijk ideaal dat discriminatie van minderheden in stand houdt’.

Er lijkt een gat te zitten tussen het woke-isme dat vooral aan Amerikaanse. maar ook West-Europese universiteiten leidt tot (zelf)censuur en een reductie van onderzoek en waarheidsvinding die haaks staat op een open academische geesteshouding en de Frans-Republikeinse versie van het secularisme dat niet zo neutraal en kleurenblind is als het zelf suggereert. Ofschoon president Macron Frankrijk probeert te moderniseren, maar het land dat in de kern behoudend is tot nu toe slecht meekrijgt.

Mogelijk is het streven van het Republikeins laboratorium niet puur oprecht en vooral een stunt om het kiezersvolk bij de les te houden. Toch getuigt het van lef om het woke-isme waar radicaal-links en radicaal-rechts zo van profiteren frontaal aan te vallen. Het tekent de noodzaak voor middenpartijen om in actie te komen. Ze moeten veranderen om hetzelfde te blijven.

In Nederland zou een taak weggelegd zijn voor met name D66 en VVD om de tolerantie weer centraal te zetten in het publieke debat over diversiteit, academische vrijheid, complotdenken en culturele waarden. Het is de strijd om de geest. Het verhaal over identiteit legt een culturele basis onder de samenleving en kan door de politiek niet genegeerd worden. Een niet-partijpolitieke projectminister zou in het komende kabinet op het snijvlak van onderwijs, jeugd, emancipatie en media daarmee belast kunnen worden. In een Bataafs laboratorium.

Nieuw puritanisme valt met gewone politieke middelen niet te bestrijden. Christelijk rechts en identitair links hebben de publieke opinie in de tang

Openbare zeden. Twee mummies in het museum van Madrid die op last van de aartsbisschop een rokje aanmoesten omdat ‘naakt’ ook voor mummies ontoelaatbaar was (1925).

Gisteren had ik een interessant debatje op FB bij de postingGeen blote borsten voor Frida Kahlo op opening Drents Museum‘ van 10 oktober 2021. Ik geef weer hoe dat verliep.

Iemand vroeg me of het zo erg was. Namelijk een blockbuster tentoonstelling over Frida Kahlo in het Drents Museum waar op de opening in een presentatie de blote borsten van Frida Kahlo van het schilderij ‘La columna rota‘ (1944) niet werden getoond, maar door een niet-vrouw werden gerepresenteerd.

Ik antwoordde op de vraag hoe dat kwam: .. nieuw puritanisme. Afgedwongen door fatsoensrakkers van christelijk-rechts en identitair-links. Het zijn barre tijden.

In een andere reactie verwees ik naar regisseur Paul Verhoeven die in de publiciteit rond zijn nieuwe film Benedetta de filmwereld preutsheid verwijt. In een bericht van nu.nl zegt hij: ‘Zeker in Amerika is het bijna onmogelijk om een ontbloot bovenlijf te laten zien. De filmwereld is totaal verpreutst. Het werkt in een soort slingerbeweging. In de jaren zeventig was die slinger op z’n hoogtepunt. Je kon alles laten zien, welke seksualiteit dan ook. Maar nu zijn we weer terug bij een puritanisme dat ik me alleen uit de Tweede Wereldoorlog nog kan herinneren, toen ik als zevenjarige begon met films kijken‘. Dat is dezelfde preutsheid die ertoe leidt dat op een opening in het Drents Museum een representatie van Frida Kahlo niet met ontbloot bovenlijf wordt getoond.

Ik vervolgde op de vraag hoe dat nou toch kwam: ‘Wellicht vanwege het krampachtig denken in schema’s die leiden tot een christelijke of communistische ideale wereld. Die zich uiteraard nooit zal openbaren. In dat denken is geen ruimte voor afwijkingen, nuances en tegenstellingen. Bij het Drents Museum gaat het vermoed ik vooral om burgermansfatsoen dat passend voor de hotemetoten wordt geacht. Het management begrijpt niet dat het hiermee door gemakzucht en lui denken de autonomie van de kunst inlevert.’

De vragensteller spitste vervolgens zijn vraag toen hij vroeg: ‘waarom deze terugkeer naar de jaren vijftig? Waarom deze hernieuwde hang naar conformisme? Ik breek er al een tijd mijn hoofd over‘.

Ik antwoordde: ‘Ik breek er ook mijn hoofd over. Het is zoals Verhoeven zegt een slingerbeweging die met het hedendaagse puritanisme volgens hem nu weer terug is bij de Tweede Wereldoorlog. Maar door wat wordt die slinger in beweging gebracht? Mijn idee is dat door rechts én links dat zich beroept op verschillend gedachtengoed, respectievelijk religie/fatsoen en identiteitspolitiek/selectief inclusie-denken de publieke opinie van twee kanten onder druk is komen te staan. De vrijdenkers die per definitie de tegenkracht tegen dat puritanisme zijn, hebben zichzelf door hun eigen emancipatie en gerichtheid op het individualisme maatschappelijk grotendeels buiten spel laten zetten. Gemeenschapsdenken kun je het best beantwoorden met gemeenschapsdenken. Zodat het nu vrij scoren is voor de fatsoensrakkers van links én rechts. Tel daarbij de angst voor sociale media van zo’n instelling als het Drents Museum en het marketingdenken dat de museumsector in haar greep heeft genomen en karakterloosheid en lafheid zijn het resultaat.

De vragensteller verwijst hierop naar een column in NRC van Maxim Februari die volgens hem min of meer hetzelfde zegt. Februari zegt in de laatste alinea: ‘De samenleving zit al met al gevangen tussen twee vuren. Aan de ene kant de conservatieven die vinden dat iedereen op hen moet lijken. Aan de andere kant de diversiteitsexperts die met overheidssteun de diversiteit zo bijsnoeien en bijknippen dat er weinig van over blijft. Laat de rest nu maar eens proberen een open democratisch gesprek te voeren‘.

Hier ben ik het mee eens, hoewel ik het begrip ‘conservatieven‘ in dit verband lastig vind omdat het verwarrend is in welke betekenis Februari het gebruikt. We weten ongeveer hoe christelijke fatsoensrakkers denken en handelen. Christenen hebben een ongemakkelijke verhouding tot seksualiteit, zeden en vrouwelijkheid in het bijzonder. En hiermee ook tot zichzelf. Verwijtbaar is niet dat ze zulke ideeën hebben, maar dat ze die andersdenkenden op willen leggen. Dat laatste gebeurt en is zoals gezegd ook de fout van de vrijdenkers om daar geen weerstand aan te bieden.

Minder duidelijk zal voor velen de verstikkende invloed van de linkse identiteitspolitiek zijn die zoals Februari terecht constateert met de overheid onder een hoedje speelt. Hoe negatief die invloed is maakte Eric Hendriks in 2018 duidelijk in het artikelIdentitair links heeft stiekem een rothekel aan diversiteit‘ op de Kanttekening. Hij zegt: ‘Ideologen en professionele moralisten zien liever een schematische, schoongeveegde wereld, één die hun duidingsmodel volgt en waar vooruitgang een eenduidige richting heeft‘.

Overigens benoemen zowel Februari als Hendriks, ondanks dat ze interessante aanzetten hiertoe geven, niet echt de diversiteit van de diversiteit. Beperking, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd ontbreken. Ook in hun kritiek richten zij zich vooral op gender en etniciteit. Zij laken terecht het klimaat waarin diversiteit groeit die niet zozeer op te vatten valt als partijpolitiek, maar metapolitiek die zich aan het partijpolitieke debat onttrekt en daarom lastig, in elk geval niet met de gewone politieke middelen te bestrijden valt.

De gepolitiseerde reductie van diversiteit die de publieke opinie van links en rechts in de tang heeft genomen is zo krachtig omdat het aan invloed heeft gewonnen op de cultuur, intellectuelen en de media. In het kielzog van die ontwikkeling surft de nieuwe preutsheid mee. Op dit moment valt die nauwelijks te bestrijden omdat zo’n directie van het Drents Museum niet eens vanuit een eigen overtuiging handelt, maar zich onbewust voegt in de culturele hegemonie zonder dat te beseffen.

Ted Brownings ‘West of Zanzibar’ (1928) leert ons iets over onze eigen tijd

West of Zanzibar is een zogenaamde pre-code film van Ted Browning uit 1928. Nu is deze regisseur vooral bekend om zijn film Freaks (1932). De Hays Code werd in de Amerikaanse filmindustrie als zelfregulering in 1930 ingevoerd en de logica ervan was het voorkomen van overheidsmaatregelen. Zelfcensuur kan een smal pad richting vermeende redelijkheid zijn, maar kan ook doorslaan als het los komt te staan van de filmpraktijk die het meent te beschermen, maar feitelijk inperkt.

Wikipedia noemt de Hays Code: ‘een verzameling regels waaraan Amerikaanse films moesten voldoen op het gebied van zedelijk gedrag. Amerikaanse films mochten alleen worden uitgebracht in Amerikaanse bioscopen als er geen verwijzingen waren naar seksualiteit, homoseksualiteit, rassenvermenging,  abortus en drugs. Extreem geweld mocht niet worden uitgebeeld en misdaad moest altijd worden gestraft‘.

De steun voor zelfregulering kwam vooral van christelijke en conservatieve zijde en had naast een economisch motief om de overheid op afstand te houden ook een ideologisch motief om zedelijke en politieke uitingen uit films te bannen. Deze Amerikaanse code is in de werking vergelijkbaar met de Nederlandse filmkeuring die rond dezelfde tijd in 1928 werd ingevoerd.

Censuur is er waarschijnlijk een te groot woord voor omdat dit in vele landen grondwettelijk verboden is. Maar indirect kan een lokale overheid flankerende maatregelen door beperkingen en controles opleggen over bijvoorbeeld brandveiligheid, vermakelijkheidsbelasting en een horecavergunning die praktisch op censuur neerkomen als exploitatie van een bioscooptheater erdoor verregaand wordt bemoeilijkt.

Daniël Biltereyst heeft het effect van de filmkeuring voor België in zijn boek Verboden Beelden (2020) op een rijtje gezet. Volgens hem beoordeelde de Belgische commissie in het interbellum bijna zes op de tien films die ze bekeek als min of meer problematisch. Met veel geknipte scènes en geamputeerde films als resultaat.

Film als nieuwe verschijningsvorm moest zich invechten tussen andere kunstvormen als toneeldrama en beeldende kunst. Dat had twee redenen. Het publiek moest geleerd worden hoe een film ‘gelezen’ moest worden en daarom was het begrijpelijk dat de film aanhaakte bij wat het publiek al kende. Daarnaast gaf dat aanleunen tegen gevestigde kunstvormen prestige aan film die in de beginjaren in de hoek van kermisvermaak werd gezet. Geleidelijk werd die band losser en vond film mede door technische ontwikkelingen een eigen vorm.

Begin jaren 1930 brak de geluidsfilm wereldwijd door. Sommige traditionele filmwetenschappers als Rudolf Arnheim zagen die ontwikkeling als een gemis omdat de visuele, fotografische kwaliteiten van film daardoor naar de achtergrond verdwenen. Men zou kunnen beweren dat toen een nieuwe cinematografische esthetiek van de grond af aan moest worden opgebouwd.

Daarnaast speelde als vanouds binnen de film de strijd tussen realisten die de voorstelling van de realiteit als uitgangspunt namen en daardoor een verteltechniek ontwikkelden die zo ‘onzichtbaar’ mogelijk was en de formalisten die de constructie en esthetiek juist benadrukten. Met overigens veel tussenvormen. Het gebruik van geluid en kleur dat vanaf de jaren 1930 de standaard werd zette de formalisten voor de publieksfilm definitief op afstand. De verteltechniek van Hollywood werd dominant en verbande de formalisten naar de marge.

Still van Lon Chaney in West of Zanzibar (1928). Credits: Dr. Macro.

West of Zanzibar is een film die werd gemaakt voordat beide ontwikkelingen, te weten zelfregulering van de filmindustrie en opkomst van de geluidsfilm gingen domineren. De pre-code films kennen een politieke en zedelijke vrijheid die door de invoering van de Hays Code verdween en pas weer door opkomst van een nieuwe generatie filmmakers in de jaren 1960 heroverd werd. Ze surfden mee op de golf van maatschappelijke ontwikkelingen. Niet toevallig werd de Hays Code in 1968 afgeschaft omdat zelfregulering haaks kwam te staan op de sfeer van opstandigheid van de jaren 1960.

Nog om een andere manier is West of Zanzibar interessant en wijkt niet alleen af van de films uit het tijdperk van de Hays Code, maar ook van de hedendaagse politisering door identiteitspolitiek die zich manifesteert in stilzwijgende of indirect opgelegde zelfregulering. West of Zanzibar loopt vooruit op de zuiveringen van toen en nu, en kent voor een hedendaags publiek daarom een verfrissende spontaniteit en niet gezochte anarchie die ondanks de soms barokke esthetiek nog steeds een onvervalste kern aanboort die nauwelijks door externe factoren wordt gesmoord of afgeremd.

Still uit West of Zanzibar (1928)

De film is grotendeels gelokaliseerd in Afrika en de door fotograaf William Mortensen ontworpen papier-mâché Voodoo maskers geven indirect commentaar op de nieuwe apartheid 90 jaar later die culturele toe-eigening over grenzen heen als verbod wil instellen. (Zie het commentaar over kunstenaar Paul Bogaers en zijn ‘Afrikaanse’ objecten). Ted Browning trok zich zo weinig mogelijk aan van politieke, zedelijke en maatschappelijke grenzen en had het geluk te kunnen werken in een periode waarin de omstandigheden die relatieve vrijheid voor filmmakers mogelijk maakten.

Nu.nl maakt niet duidelijk in welke gevallen Utrecht wijzigen slavernij-achternaam zelf betaalt

Schermafbeelding van deel artikel Utrecht betaalt wijzigen achternaam met slavernijachtergrond desnoods zelf‘ van Nu.nl, 7 september 2021.

Het is een goed idee dat mensen die hun ‘slavernij-naam’ willen veranderen dat tegen ‘normale’, niet al te hoge kosten makkelijk kunnen doen. In de grote steden is daar debat over. Dat speelt tegen de achtergrond van het oplaaiende debat over slavernij, identiteit en diversiteit.

De gemeente Utrecht gaat volgens een bericht van nu.nl dat breed door andere media geciteerd wordt nog een stapje verder. Dat nieuwsmedium voert een anonieme bron namens de gemeente Utrecht op zonder te specificeren wie of wat dat is. De waarde van de uitspraak valt daarom niet te controleren omdat de naam van een woordvoerder of een gemeentelijke dienst of afdeling ontbreekt.

Nu.nl stelt dat ‘desnoods de gemeente op initiatief van de gemeenteraad de rekeningen voor de naamsverandering zelf betaalt’, zo zou de gemeente ‘zelf’ melden. Het is onduidelijk op welk initiatief van de gemeenteraad nu.nl doelt. Motie 185 vraagt uitsluitend om een verkenning om de rekening te betalen. Daarover straks meer.

Op de site van de gemeente Utrecht is over dit onderwerp de volgende motie van PvdA en DENK van 3 december 2020 te vinden die met de stemmen van ChristenUnie (2), D66 (10), GroenLinks(12), Partij voor de Vrijheid (1), SP (2), Stadsbelang Utrecht (1) en VVD (6) ruimschoots verworpen werd:

Schermafbeelding van Motie 427 ‘Ondersteun afstammelingen van tot slaaf gemaakte mensen bij hun naamsverandering’ in Utrechtse gemeenteraad, 3 december 2020.

Beide partijen pleitten ervoor om bij het Rijk te pleiten voor afschaffing van het psychische onderzoek en opperden te verkennen of de gemeente tegemoet kan komen in een deel van de kosten.

In de behandeling (klik op 19e raadsvergadering gemeenteraad 3 december 2020.doc en dan p.71) ontraadde wethouder Linda Voortman (GL) M427 ‘om financiële redenen’ en zei ze te kijken of de bijzondere bijstand een optie voor dekking zou zijn. In haar reactie zei fractievoorzitter Heleen de Boer van GL dat omdat de wethouder heeft gezegd ‘dat zij hierover in gesprek gaat’ en zij heeft uitgelegd dat zij gaat proberen een regeling te treffen voor de mensen die dat niet zelf kunnen betalen dat dat voor haar fractie voldoende was om ‘op dit moment’ tegen M427 te stemmen.

Motie 185Naamsverandering van nakomelingen van tot slaaf gemaakten‘ van juli 2021 die een doorstart van M427 is en met ruime steun werd aangenomen droeg het college op om samen met de drie grote steden bij het Rijk te pleiten ‘voor afschaffing van de kosten van een naamswijziging en voor afschaffing van het psychologisch onderzoek‘ en ‘te verkennen wat de mogelijkheden zijn om als gemeente Utrecht tegemoet te komen aan de kosten die Utrechtse nakomelingen van tot slaaf gemaakte mensen moeten maken om hun achternaam te veranderen‘.

Inhoudelijk is M185 een kopie van de eerder verworpen M427 van PvdA en DENK. Het verschil tussen beide moties is niet inhoudelijk, maar gaat over het wel of niet zwaar laten wegen van de financiële dekking. In de tweede motie M185 moet blijkbaar het toevoegen van de passage ‘afschaffing van de kosten van een naamswijziging‘ de draai voor de coalitiepartijen mogelijk maken, zodat ze niet meer gebonden zijn om die af te wijzen vanwege ontbrekende dekking. Een toezegging van het Rijk als gevolg van de onderhandelingen zou dat politiek haalbaar kunnen maken. Daarover zegt het bericht van nu.nl niets. Het is trouwens onzeker of het Rijk ooit met zo’n toezegging komt. Blijkbaar maakt dit voorschot op de toekomst de draai voor GL, D66, CDA, CU, PvdD, SP en Student & Starter mogelijk.

Uit het bericht van nu.nl wordt niet concreet hoe breed de categorie mensen is waarvoor de gemeente Utrecht de naamsverandering wil gaan betalen. Het oogt als een losse flodder of proefballonetje dat dient om druk te zetten op het Rijk. Als het gaat om de mensen die het niet zelf kunnen betalen en waarvoor een regeling wordt getroffen, dan reproduceert nu.nl het standpunt van 3 december 2020 van wethouder Voortman en fractievoorzitter De Boer. Het ‘desnoods’ in de uitspraak van de anonieme bron van de gemeente Utrecht duidt erop dat betalen door de gemeente alleen in specifieke gevallen geldt. Zoals voor mensen die het niet kunnen betalen. Maar dat wordt niet duidelijk gemaakt.

Als dit bericht van nu.nl klopt, wat de vraag is vanwege het anonieme karakter van de bron, dan valt de opstelling van het Utrechtse college en de coalitiepartijen te karakteriseren als politiek opportunisme of vertraagd inzicht. Niet alleen op het Binnenhof worden verschillen niet gemaakt door de inhoud, in Utrecht is het niet anders. De uitspraak van de anonieme bron van de gemeente Utrecht speelt op het niveau van de politieke marketing en de angst om door andere partijen overvleugeld te worden.

WNL doet aan stemmingmakerij en slechte journalistiek door een verkeerd beeld te geven van de Code Diversiteit & Inclusie in de kunstsector. Het beticht overheid van sociale dwang

Journalistiek is soms om somber van te worden als het niveau door de bodem zakt. Je zou denken dat de opdracht van de journalistiek is om te informeren en niet om te desinformeren. Luidt immers niet het eerste aspect van de gedragscode voor journalisten, de Code van Bordeaux die de NVJ als voorbeeld beschouwt de eerbied voor de waarheid? Het publiek heeft recht op de waarheid. Maar in de praktijk blijft daar vaak niks van over. Het is een streven dat niet gehaald wordt.

Het gebazel van gasten in een radioprogramma van WNL toont aan hoe diep de journalistiek is gezonken. Presentator en gasten is het niet om de waarheid te doen, maar om wat anders. Wat dat is blijft in het midden, maar het lijkt erop dat het eerder slordigheid en gebrek aan inhoud is dan kwade wil. Ze corrigeren elkaar niet omdat ze geen kennis van zaken hebben over het onderwerp waar ze over praten en blijkbaar voor uitgenodigd zijn. Met als gevolg dat een gast de grootste onzin kan uitkramen zonder dat het wordt weerlegd. Het resultaat is desinformatie. De luisteraar wordt op het verkeerde been gezet.

Ik luister of kijk bijna nooit naar dit soort programma’s van de Nederlandse omroep. Talkshows op radio en televisie heb ik afgezworen omdat ze niet informeren, maar desinformeren. Vaak gaan ze over triviale zaken die niet relevant zijn. Het is op z’n best amusement in de vorm van journalistiek. Of journalistiek in de vorm van amusement. Op een enkele uitzending van Nieuwsuur of Buitenhof na.

Als het onderwerp me aan het hart gaat kijk ik achteraf terug. Dan zie je journalisten of deskundigen die weten waarover ze praten en ons feiten en inzicht in een specifieke kwestie geven. Dat is wat anders dan het vullen van de zendtijd met leeg geklets zoals WNL doet of het geven van rechtse meningen omdat het nu eenmaal bij het profiel van deze omroep past. Bij WNL kunnen de feiten uit de meningen volgen.

Hoe het anders kan en hoe in de hoeken van de Nederlandse journalistiek wordt geprobeerd om de standaard van de journalistiek hoog te houden bewijst het interview van Twan Huys met de Italiaanse onderzoeksjournalist en maffia-kenner Roberto Saviano in Buitenhof. Het kan gerust onthullend worden genoemd. In 11 minuten toont Saviano overtuigend aan hoe verrot Nederland is, hoe bewust disfunctioneel de Nederlandse politiek is en hoe dat vervolgens door de hele Nederlandse elite wordt genegeerd. Het merkwaardige is dat WNL hetzelfde wil aantonen, maar doorgaans blijft steken in vooroordelen en sjablonen en er dus niet in slaagt om te overtuigen.

Aanleiding is de uitweiding van Volkskrant-journalist Martin Sommer over diversiteit en inclusie in de kunsten. Hij beweert in zijn antwoord (vanaf 6′ 10”) dat de Raad voor Cultuur voor de kunstsector diversiteit en inclusivitiet als norm heeft gesteld. Dat is inderdaad zo, maar het zit anders in elkaar dan hij het voorstelt.

Er is een Advies van de Raad van juni 2020 voor de komende beleidsperiode 2021-2024 waarin het als kaders de toepassing van de codes voor governance, fair practice, diversiteit en inclusie hanteert. Hoe strikt die kaders zullen worden gehandhaafd is de vraag omdat ook in het verleden instellingen structureel subsidie kregen zonder zich volledig aan de code voor diversiteit en inclusie te houden. Ook bij een verkeerde opvatting door Sommer van deze code is het niet aantoonbaar dat instellingen die zich er niet aan houden geen subsidie krijgen zoals hij stellig beweert. Dat klopt niet omdat het in strijd met de praktijk is.

Sommer slaat de plank mis omdat hij niet weet wat de Code Diversiteit en Inclusie inhoudt. Hij associeert erover in clichés zonder kennis van zaken. Als politieke journalist maakt hij het politiek. Hij valt terug in zijn eigen niche omdat hij een ander perspectief niet (ver)kent. Sommer berijdt zijn stokpaardjes en vliegt uit de bocht.

Juist deze gedragscode is in een nieuwe versie verbreed om bezwaren tegen een te enge, politieke opvatting ervan tegen te gaan. Gezien het brede scala van deelnemende instellingen die betrokken was bij de formulering ervan is het ook logisch dat die verbreding de uitkomst is. In Nederland polderland wil iedereen die aan tafel meepraat immers de eigen doelstelling in het eindresultaat terugvinden. De Code Diversiteit en Inclusie is een compromis. Geen radicaal, maar een gematigd standpunt.

De Code Diversiteit & Inclusie in de culturele sector waarin de hele kunstsector samenwerkt heeft als normen gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd. Het zijn dus niet uitsluitend de actuele politieke identiteitsonderwerpen als huidskleur, etniciteit en sekse die alleenzaligmakend zijn zoals Sommer suggereert en zijn gasten en de moderator niet corrigeren. Niet alleen Sommer blijkt niet te weten wat de code inhoudt, zijn gasten weten het evenmin.

Dit radioprogramma is niet zozeer een belediging voor de intelligentie van de gasten en de programmakers, maar een belediging voor de intelligentie van de luisteraars. De pseudo-deskundigen gijzelen de ether en laten zich verleiden om uitspraken over onderwerpen te doen waar ze niets van afweten. Dat resulteert in gebazel.

Het werkt voor de publieke opinie averechts als een radioprogramma met journalistieke ambities er zo’n puinzooi van maakt. De onderwerpen identiteitspolitiek en cancelcultuur zijn te belangwekkend om ze voor een massamedium zo slordig en eenzijdig te behandelen. Bijkomend effect is dat de kunstsector en de kunstinstellingen worden weggezet als onzelfstandig en ondergeschikt aan politieke doeleinden, terwijl het juist dit radioprogramma is dat politiek bedrijft door de werking van de kunstsector verkeerd voor te stellen.