Cancel culture in kunst. CBS: ‘Cancelled culture: Reconsidering the art of controversial artists’

Een voorspelbaar item van een groot Amerikaans network over cancel culture. Verdient het werk van kunstenaars het om te worden geannuleerd vanwege hun gedrag, positie of politieke overtuiging? Het schema is duidelijk: een voorstander (Aruna D’Souza) en tegenstander (Richard Peña) en iemand (Loretta Ross) met een tussenpositie die het laatste woord mag hebben.

De opstelling van Aruna D’Souza vermengt verschillende aspecten. Ze zegt dat bepaalde kunstenaars in musea en media veel aandacht krijgen en zelfs door die aandacht legitimiteit. Daar heeft ze gelijk in, maar dat is iets van alle tijden en heeft meer met de kunstmarkt, carrièreplanning van kunstenaars en de achterstelling van minderheidsgroepen en niet-westerse kunst te maken, dan dat het specifiek is voor cancel culture. Dus haar argumenten slaan dood. Het omgekeerde is trouwens ook waar, namelijk dat demonstranten tegen de status quo in de kunst carrière proberen te maken door zich te beroepen op cancel culture en vermeende uitsluiting van henzelf.

De associatie met Woody Allen die door de rechter nooit veroordeeld is voor kindermisbruik, maar door de media wel (ook hier weer) tekent de dubbelzinnigheid van de media die in dit debat altijd meer deelnemer dan scheidsrechter waren en daarom nu zelf legitimiteit missen. Ofwel, is een controversiële kunstenaar pas controversieel als de media dat bepalen en verslag van doen?

De benadering van CBS is voorzichtig, maar begrijpelijk omdat het gericht is op een breed publiek dat nog van weinig weet. Dit is op eieren lopen voor een redactie omdat het onderwerp zo gevoelig ligt. Verhelderend is de relativerende Loretta Ross die concludeert dat kunst en kunstenaar niet van elkaar gescheiden moeten worden, maar in een context moet worden gezet. Dus geen verbod of uitsluiting van kunstenaars. Zij zegt niet naar Griffith’s ‘The Birth of a Nation‘ of ‘Gone With the Wind’ gekeken te hebben. Daardoor kan ze zich er ook niet aan ergeren of druk over maken. Dat is een volwassen opstelling.

Komt er in de gevestigde media langzaam een tegenbeweging op gang tegen de cancel culture? Dat valt niet te verwachten, ofschoon de accentuering ervan kan verschuiven en de scherpe kantjes eraf gevijld kunnen worden. Was het in het verleden dichter Ezra Pound die ervan beschuldigd werd een verkeerde fascistische politieke overtuiging te hebben, daarna Woody Allen die botste met het puriteinse Amerikaanse klimaat en werd recent huidskleur de waterscheiding voor polemiek en vergelding (alle drie de geïnterviewden hebben een niet-witte achtergrond), straks zal vermoedelijk weer een ander criterium dat past bij de toekomstige tijdgeest als reden aangevoerd worden om kunstenaars te annuleren. Tot in het oneindige.

Klassieke Amerikaanse film noir: ’The Lady from Shanghai’ (1947)

The Lady from Shanghai (1947) is het bekijken waard. De camera houdt van de hoofdrolspeelster. Deze film noir van regisseur Orson Welles is tevens een commentaar op dit genre. Hoewel de ironie nou ook weer niet zo afwijkend is als het lijkt. Shanghai speelt geen rol in de film. De film speelt na wat in het echt gebeurde: Welles aanbidt Hayworth en wil haar veroveren. Maar een femme fatale kan op vele manieren noodlottig zijn.

Hoofdrolspeelster Rita Hayworth en regisseur Welles waren getrouwd tijdens de opnamen, maar toen al stond hun later ontbonden huwelijk onder druk. De van origine Spaanse Hayworth die door studiobaas Harry Cohn werd gerestyled tot een Amerikaans icoon en wonderboy Welles waren op hun afzonderlijke manier twee atypische verschijningen in de Amerikaanse filmwereld. Ze gaven wel om glamour, maar trokken zich er tegelijk niks van aan. Tot aan hun dood hielden ze hun eigenzinnigheid vast.

Het genie Welles en de door een harde jeugd onontwikkelde en onzekere als danseres opgeleide Hayworth die tijdens de Tweede Wereldoorlog tot hét sekssymbool van de VS werd werken hier samen. Dat is al bijzonder. Het verschil tussen Arthur Miller en Marilyn Monroe was kleiner.

Het verhaal doet er weinig toe. IMDb vat het zo samen: ‘Zeeman Michael O’Hara (Welles) is gefascineerd door de prachtige mevrouw Bannister (Hayworth) en neemt deel aan een bizarre jachtcruise en komt terecht in een complex moordcomplot.’ Tja, dat verklaart weinig. De vele adjectieven zijn niet nodig om de extravagantie van het verhaal te benadrukken. Wie deze film te lang en te complex vindt kan volstaan met de scène in de cakewalk (funhouse) op het kermisterrein (na 1 uur 21’). Met spiegels, spiegelingen en spiegelbeelden die samenvallen met de identiteit van de personages. Of juist niet. De toeschouwers hebben het nakijken.

Hollywood zou Hollywood niet zijn als de producent in het publiciteitsmateriaal voor deze film het iconische beeld van een scène uit Hayworth’s succesfilm Gilda van het jaar daarvoor niet zou reproduceren. Vol verborgen betekenissen. De droomfabriek draait op z’n best door in deze genrefilm de verwachtingen van de toeschouwer een extra stukje op te rekken:

Rita Hayworth in The Lady from Shanghai (1947).

Bespreking van de documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’

Met genoegen heb ik gekeken naar de prachtig in beeld gebrachte documentaire van Ida Does over het Rijksmuseum en Slavernij. Maar ik heb kanttekeningen vanwege de ongerijmde beweringen en het gekozen zwart-wit perspectief. De documentaire is een aardige poging die blijkbaar nodig was om er te zijn, maar die meer het beeld van een strijd om emancipatie van betrokkenen verbeeldt, dan dat het een evenwichtig beeld geeft van een historisch onderwerp en het naijl-effect daarvan in de museumsector. Het is niet verkeerd dat deze documentaire nu gemaakt is, maar opgevat als een reconstructie van een tijdsbeeld draagt het al tijdens het kijken de kiem van én de roep om een vervolg in zich dat meer in balans is en het onderwerp proportioneler en breder benadert.

1) Het is onbegrijpelijk dat terwijl expliciet in de documentaire gezegd wordt dat de slavernij in de Oost omvangrijker was dan die in de West, daar in de documentaire nauwelijks iets van terug te vinden is. Was het reisbudget onvoldoende, had de producent geen Indonesische of Nederlands-Indische contacten of was deze reductie een bewuste, politieke keuze? Dat heeft als gevolg dat nu alles in een zwart-wit perspectief geplaatst wordt. Dat is echter een te grove tegenstelling. Wat resteert is een eenzijdig Caraïbisch perspectief. Maar zo was de realiteit van toen niet, en zo is de realiteit van nu niet. De grijs- en bruintinten ontbreken en zijn weggemoffeld. Ook op een andere manier ontstaat vertekening. De tragiek van de historische slavernij is ook dat de zwarte mensen geen homogene groep vormden en naast slachtoffer ook dader konden zijn. Ook die nuancering ontbreekt in de documentaire.

2) Aandoenlijk zijn de pogingen van de witte medewerkers van het Rijksmuseum om politiek correcte uitspraken te doen. Ze doen zo hun best. Nog het meest evenwichtig en oprecht is Hoofd Geschiedenis Valika Smeulders die zichzelf toestaat om zichzelf te zijn. Zij lijkt autonoom te handelen, terwijl de andere medewerkers blijven hangen in calvinistische boetedoening en achter het onderwerp verdwijnen. Waardoor de vraag opdoemt of ze nog wel namens zichzelf en hun eigen professionalisme spreken. Het ligt er dik bovenop. Deze medewerkers zoeken zich een houding en zijn op zoek naar een personage waarvan ze menen dat die bij hun functie en dit onderwerp van slavernij past, maar weten niet precies wat die houding is en waar ze uit dienen te komen. Deze zoektocht naar een correcte ziel die goed in beeld wordt gebracht is, waarschijnlijk onbedoeld, het meest interessante aan deze documentaire. Meer drama van Pirandello of Pinter, dan realisme.

3) De documentaire is als een momentopname in de bewustwording over historisch onrecht, zoals de slavernij. Het is goed dat dit in de museumsector ter sprake wordt gebracht en er nader naar de collecties wordt gekeken om te kijken waar tekenen van dat onrecht opdoemen. Dat dient benoemd en verklaard te worden. En waar mogelijk in balans te worden gebracht zonder door te schieten naar overdrijving. Want dat is het gevaar van dit onderwerp. Uiteindelijk gaat het niet om politieke en maatschappelijke, maar om (kunst)historische aspecten die weliswaar onder invloed staan van de politiek maar daar niet volledig door kunnen worden bepaald. In deze documentaire komen uitsluitend degenen aan het woord die doen vermoeden dat (kunst)geschiedenis onderhorig is aan politieke ideologie. Dat is op meerdere niveaus’s te simpel.

4) De documentaire spreekt soms zichzelf tegen. Bijvoorbeeld als terecht gezegd wordt dat (Europees) Nederland een witte maatschappij was en de andere stem daarin een minderheid vormde. Dat ontspoort in de uitleg van meerdere gesprekspartners over het schuttersstuk van Bartholomeus van der Helst met het zwarte jongetje. Opnieuw wordt geprobeerd alles te reduceren tot een zwart-wit tegenstelling, terwijl de sociaal-economische of maatschappelijke (leeftijdsverschil) tegenstellingen worden veronachtzaamd. Het is niet vergezocht om te veronderstellen dat een klein wit jongetje zonder sociale status op dit schuttersstuk evenzeer in de schaduw gezet zou worden. Zo blijft onduidelijk wat nou precies onderscheidend is.

De conclusie is dat deze documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’ vooral licht werpt op de worsteling van de medewerkers van het Rijksmuseum die zich een houding aanmeten in hun omgang tot de slavernij en de artefacten die daar mee samenhangen. Het tekent een fase in hun emancipatie. Dat is de verdienste ervan, namelijk hoe het toont hoe de behoudzuchtige museumsector in verwarring wordt gebracht door een onderwerp buiten haar comfort zone en zich mee laat voeren door ongerijmde denkbeelden voordat het zelf een houding vindt die voorbijgaat aan simplificatie en beperking. Dit verwijt treft niet degenen die nabestaanden van slaven zijn of degenen die zich door hun afkomst als zodanig beschouwen. Zij bepleiten hun zaak op een politieke wijze zonder de last én de opdracht van de (kunst)geschiedenis. Het nadeel van de documentaire is dat het op een simpele wijze een historisch proces verklaart vanuit het heden. Dat leidt tot onbeheerste conclusies omdat voorouders worden afgerekend op het feit dat ze niet wisten wat wij in het heden weten.

NB: De documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’ is hier te zien.

Klassieke Russische film: ‘Andrei Roebljev’ (1966)

Andrei Roebljev (1966) van Andrei Tarkovsky (1932 – 1986) is een klassieker. Het is een wonder hoe deze film tot stand is kunnen komen, gezien de christelijke symboliek waar de Sovjet-communisten niets van moesten hebben. De film werd niet goedgekeurd, maar in 1969 het land uitgesmokkeld. Op het Filmfestival van Cannes won de film een prijs. Een verklaring kan zijn dat het een historisch drama is dat rond 1400 speelt. Het verbeeldt het leven van iconenschilder Andrei Roebljev.

De film bestaat uit onderdelen waarvan ‘De Klok’ (na 2 uur 11’ 12’’) naar het idee van velen het meesterwerk is. Er is veel over geschreven. Aandoenlijk en moedig is de zoon die aan de slag gaat met het gieten van de klok zonder de garantie te hebben dat het lukt. Staat die houding voor meer? Als de ultieme waarheid over kunst, namelijk dat het creatieve proces ook een kwestie van doen en durf is. Ja, ook geloof, maar dan in de eigen kracht, waarvan beredeneerd kan worden dat daar weer een hogere kracht achter schuilgaat. Wie weet.

Foto: Still uit Andrei Roeblev (1966) met Anatoli Solonitsyn als Andrei Roeblev.

Klassieke Amerikaanse film noir: ‘Detour’ (1945)

Detour’ uit 1945 is een typische film noir uit de gloriejaren van het Amerikaanse studiosysteem van Hollywood dat rond 1960 ten einde liep. De film werd geproduceerd door de kleine onafhankelijke studio Producers Releasing Corporation voor 30.000 dollar en kent daarom meer vrijheid en buitenopnames dan het lopende band werk van de grote studios.

Deze film met regisseur Edgar G. Ulmer en hoofdrolspeler Tom Neal als pianist Al Roberts wiens levensbeschrijving leest als het scenario voor een film noir heeft de laatste jaren aan waardering gewonnen.

Zoals de beschrijving van deze film op IMDB opmerkt klinkt door de hele film de song ‘I Can’t Believe That You’re in Love with Me’ die Billie Holiday in 1938 met Teddy Wilson voor Vocalion opnam. De tekst vangt de kern van Detour: ‘Your eyes of blue your kisses too/ I never knew what they could do/ I can’t believe you’re in love with me/ You’re telling everyone I know/ I’m on your mind each place you go/ They can’t believe you’re in love with me’. In de film noir is de femme fatale een drijvende kracht. Vaak richting de afgrond.

NB: Klik voor Engelse of Nederlandse ondertiteling op instellingen.

Foto: Still van Tom Neal in Detour (1945).

Klassieke Italiaanse film: Il Sorpasso (1962)

Il Sorpasso van Dino Risi is een Italiaanse film uit 1962. Met snelle auto’s en het goede leven. In recensies ervan wordt Risi moralistisch genoemd. Zoals door Mira Liehm. Vraag is of die kwalificatie verdiend is. Roberto die door Jean-Louis Trintigant wordt gespeeld komt om het leven. In lijstjes van klassieke films scoort deze film goed. Het geeft aan hoe hoog het niveau van films uit filmlanden met een serieuze filmcultuur is. Het jaar van productie 1962 is interessant omdat het zowel aan de politieke veranderingen van 1968 in Frankrijk en Italië voorafgaat en omdat de naoorlogse stroming van het neorealisme in deze film nog levend is. Met filmen op locatie, maar met bekende acteurs die het goed doen aan de bioscoopkassa. Ook in 1962 maakte Antonioni zijn L’eclisse. Ook met Franse en Italiaanse acteurs. Maar in Il Sorpasso schuift de maan niet voor de zon, maar de zon voor de zon. Als het ware.

NB: Klik voor Engelse ondertiteling op ondertiteling en kies bij instellingen de hoogste resolutie 720p.

Foto: Still uit Il Sorpasso (The Easy Life of Speeding) met Vittorio Gassman (links) en Jean-Louis Trintignant (rechts).

Waarom zijn filmklassiekers in Nederland onbekend? Waarom is er geen enkele instantie die daar verandering in probeert te brengen?

Bij het artikelWaarom zou je de klassiekers kijken’ van Peter de Bruijn in de Filmbijlage van NRC van 20 januari 2021 heb ik ernstige bedenkingen. Het is weliswaar een aanzet met interessante observaties die tot reflectie oproept, maar gaat voor het onderwerp staan waar het om gaat. Hij geeft niet echt een passend antwoord op de vraag waarom klassieke films bij een breed publiek niet populair zijn.

De Bruijn zoekt dus een verklaring voor het feit dat filmklassiekers door het publiek zo slecht gewaardeerd worden. Dat ben ik met hem eens. De Bruijn blijft echter hangen in een vergelijking van de overwegend Angelsaksische muziek- met de filmindustrie. Dat is een vrij willekeurige vergelijking die ingegeven lijkt door de actualiteit. Namelijk de verkoop van de rechten op hun muziek door pop-idolen als Bob Dylan en Neil Young. De Bruijn richt zich eenzijdig op de populaire namen en geeft zo niet alleen geen volledig beeld van zowel de muziek- als de filmindustrie, maar hij laat ook de vergelijking van filmklassiekers met meer voor de hand liggende kunstvormen liggen, zoals drama/theater, schilderkunst en nieuwe media. Door zijn beperkte frame ontzegt hij zichzelf het zicht op een goede verklaring en geeft hij ook een scheef beeld van het onderwerp.

De Bruijn laat naar mijn idee de drie belangrijkste redenen liggen waarom filmklassiekers niet populair zijn: 1) het gebrek aan filmkennis bij het grote publiek door ontbrekende film educatie; 2) toegankelijkheid en rechten van films; 3) dominantie in de populaire media van de Amerikaanse filmindustrie. Deze drie aspecten versterken elkaar.

In Nederland hebben ook hoogopgeleiden met culturele interesse die veel weten van opera, klassieke muziek of beeldende kunst slechts elementaire kennis van de filmgeschiedenis. Dat komt omdat die kennis in het onderwijs noch in de media en de bioscopen georganiseerd en gestructureerd wordt aangeboden. Op middelbare scholen ontbreekt een vak media educatie dat elementaire kennis geeft van verteltechnieken en over een bestand van essentiële films en televisieprogramma’s. De uitzondering zijn enkele universitaire opleidingen en een zeldzame cursus bij een filmhuis of de HOVO. Maar zelfs in die gevallen wordt doorgaans slechts een kleine selectie van krenten uit de pap behandeld. Ook het Nederlandse filmmuseum Eye kan in haar collectie vanwege financiële, programmatische en conserverings redenen geen volledig of afgerond beeld van de filmgeschiedenis geven.

Ook wie een redelijke kennis van en inzicht in de filmgeschiedenis heeft loopt op tegen het probleem dat de klassieke films niet of in onvolledige kopieën toegankelijk zijn. Kopieën zijn om economische en andersoortige redenen (klimatisering, oorlog, brand, verlopen rechten) vernietigd, spoorloos verdwenen of ernstig beschadigd. Of kopieën worden beschermd en niet getoond omdat ze een geldelijk belang dienen. Met veel geld, internationale samenwerking en liefde worden oude films gereconstrueerd, maar dat zijn de parels die gered worden, terwijl de minder toonaangevende namen tot stof vergaan. Ze zijn voor altijd verdwenen.

Dus ja, de films van filmpionier George Mélies worden gereconstrueerd, hoewel hij zelf ooit uit frustratie kopieën van zijn films verbrandde, maar nee, zelfs zijn oeuvre is niet volledig en nee, bij zijn minder bekende tijdgenoten ontbreekt zelfs de poging tot reconstructie. Dat geldt niet alleen voor de oudste films, maar ook voor jongere films. Dus het is per definitie onmogelijk om een representatief beeld van de filmgeschiedenis te krijgen omdat kopieën verdwenen of onbereikbaar zijn. Uiteraard is nu digitalisering de nieuwe maatstaf voor distributie. Het gaat te ver om er hier op in te gaan, maar niet alleen puristen betwijfelen of een celluloid-kopie en een gedigitaliseerde versie van een filmklassieker in dezelfde mate naar de cinematografie, de zevende kunst verwijzen. Ook in die zin is vanwege het gebrek aan authentieke vertoningsmogelijkheden de filmkunst een uitstervende kunst waarvan de filmklassiekers ook het lot van uitsterving treffen.

De generatie Nederlanders die in de jaren 1960 tot 1980 is opgegroeid kon toendertijd in filmhuis of bioscoop en op de Nederlandse televisie (KRO) met enige regelmaat klassieke films zien van filmauteurs als Antonioni, Fellini, Bresson, Buñuel, Bergman, Hitchcock, Truffaut, Godard, Japanse regisseurs als Ozu, Mizoguchi of Kurosawa en Indiase regisseurs als Ghatak, Ray of Sen. Dat waren voor die generatie vertrouwde namen. Maar net als de boeken van bekende schrijvers van toen (W.F. Hermans, Harry Mulisch) nog nauwelijks verkrijgbaar zijn, geldt dat ook voor kopieën van filmklassiekers. Uiteraard zijn die films nog wel te vinden, maar ze zijn onderdeel van een uitstervende kunstdiscipline. Of beter gezegd, van een deel van een kunstdiscipline die verdwijnt.

Dit geeft gelijk het verschil aan met tegenwoordig, namelijk de dominantie van de Angelsaksische filmindustrie in bioscoop, op de publieke omroep en in iets mindere mate op internet. Dat betreft niet de creatieve of intellectuele dominantie, maar de economische dominantie die in een land als Nederland heeft geleid tot een bijna-hegemonie in de distributie. NRC illustreert onbewust hoe dat mentaal werkt. Van de vijf filmklassiekers die het in de marge van De Bruijns artikel behandelt zijn vier ervan afkomstig uit de Amerikaanse filmindustrie.

Men kan zich afvragen of het erg is dat filmklassiekers nauwelijks nog in hun originele vorm worden vertoond en geleidelijk verdwenen zijn uit het culturele en historische geheugen van jongere, maar ook oudere generaties. Onder filmklassiekers verstaan nu jongere generaties, maar blijkbaar ook de filmjournalisten van NRC, de redelijk populaire films uit de Amerikaanse filmindustrie die om economische redenen zo regelmatig worden gerycled dat ze de niet-Amerikaanse filmklassiekers uit de filmgeschiedenis verdrongen lijken te hebben. Daarvan zijn ook de nog altijd relevante Nederlandse filmklassiekers als Komedie om Geld of de kwalitatief hoogwaardige documentaires die iets over het Nederland van de 20ste eeuw vertellen het slachtoffer. Het brede publiek komt ze niet tegen. Juist voor filmklassiekers geldt ‘uit het oog, uit het hart’.

Toch is er geen afdoend antwoord te geven op de vraag waarom filmklassiekers in Nederland bij een breed publiek zo weinig populair zijn. De hierboven genoemde aspecten van toegankelijkheid en dominantie van de Amerikaanse filmindustrie geven immers maar een deel van het antwoord. Want ook een gemankeerde selectie van filmklassiekers zou vanuit een streven naar educatie aan zowel een jong als een ouder publiek aangeboden kunnen worden. Door een gezamenlijk Delta-programma van omroepen, gespecialiseerde YouTube-kanalen, onderwijskoepels, Filmmuseum Eye en de Nederlandse rijksoverheid. Maar het gebeurt niet.

De verklaring dat de spreekwoordelijke calvinistische aard van Nederlanders die niet in beelden, maar in woorden denken vijandig is aan de filmkunst is een schijnargument voor wie de Nederlandse schilderkunst uit de 17de eeuw of de florerende Nederlandse game-industrie in ogenschouw neemt. Is het dan onwil? Is het het kleine Nederlandse taalgebied? Is het de minachting voor kunst waar de filmkunst ook onder lijdt? Is het het gebrekkige besef van Nederlanders voor geschiedenis? Is het het weggezakte niveau van het Nederlandse onderwijs? Is het de popularisering van de publieke omroep die bang is om de diepte in te gaan en het publiek iets voor te schotelen wat het niet al kent? De verklaring is in elk geval niet wat De Bruijn ervan maakt, namelijk dat we met de meeste films in één keer wel klaar zijn. Dat  geldt zeker niet voor filmklassiekers waarvan de meesten van ons niet eens de namen kennen. Onbekend maakt onbemind, zullen we het daar op houden?

Foto: Schermafbeelding van deel artikelWaarom zou je de klassiekers kijken’ van Peter de Bruijn in NRC, 20 januari 2021.

Koreaanse film ‘Madame Freedom’ (1956)

Op het YouTube-kanaal Korean Classic Film zijn 190 klassieke Koreaanse films te vinden. Zoals de film in een hoge resolutie Madame Freedom (Ja-yubu-in) uit 1956 van Han Hyeong-mo. Klik hier om de film te zien. Wegens een ‘leeftijdsbeperking’ kan de film niet ingesloten worden en is alleen op YouTube te zien.

In een beschrijving van deze film zegt Colin Marshall in The New Yorker: ‘The first golden age of Korean cinema began soon after the Korean War ended, and at its height saw the country producing more than a hundred features a year. In 1956, the director Han Hyeong-mo scandalized audiences by dramatizing a working wife’s extramarital affairs. The backdrop was a society grappling with modernity: the arrival of commuter trains, business suits, luxury goods, jazz clubs, even film itself. This transformation had been set in motion decades before, by Korea’s Japanese colonial rulers, but the mid-nineteen-fifties flooded the country with more Western influence, in particular, than ever before. Han’s film treats that heady era both more vividly and more subtly than its source material, a didactic novel that finally sides with the scholarly husband over the libertine wife.’

Het Zuid-Korea dat we kennen als een welvarend land met westerse patronen kondigt zich in 1956 aan. Na de Japanse bezetting en de Koreaanse oorlog. Dit is de proloog van een ontwikkeling. De omslag van oud naar nieuw. De treurige stemming van de standard Les feuilles mortes waarmee de film begint zet de toon. Het leven moet geleerd worden.

Foto: Still uit Madame Freedom (Ja-yubu-in)  (1956) van Han Hyeong-mo op het YouTube-kanaal Korean Classic Film.

Fantasierijke gedachte bij foto ‘Pigalle’ (1948-49)

Dit is de beeldentaal van de film noir. De hoofdpersoon in trenchcoat is de apotheek op de hoek binnengestapt. Of het theater aan de overkant die uitnodigt voor de meest gedurfde naaktshow ter wereld (PIGALL’S / REVUE FLOOR-SHOW / NUS LES / PLUS / OSES DU MONDE). Vindt hij hier zijn femme fatale? Op een rijtje staan zes auto’s naast elkaar. Is de volgende scène de achtervolging door de stad? Met melancholische jazz van Barney Wilen of Miles Davis die het tempo opvoert? Het is nacht op de Place Pigalle in Parijs. Het is 1948. Er kan van alles gaan gebeuren. Een stil, bevroren moment draagt de kiem van de uitbarsting in zich. Nu genieten we nog even van het beeld.

Of wacht eens, is de hoofdpersoon wellicht het pleintje zelf? Of kan dat niet in een drama waarin het verhaal wordt verteld aan de hand van personages? Toch, de lichtreclames, weerspiegelingen in glas en lak, en duisternis vormen de spil. Het neon kruis van de apotheek valt precies binnen beeld. Dat kan geen toeval zijn. Geeft iemand er een soort zegen aan? Een ding is duidelijk, fotograaf René-Jacques was er. De stijl roept meer dan 70 jaar later verlangen op. Op de vraag naar wat is het antwoord niet te geven. Hoe denken we dat nog ooit te kunnen achterhalen?

Foto: René-Jacques (René Giton dit), ‘Pigalle’ (1948-1949). Collectie: Musée Carnavalet, Histoire de Paris.

Gedachte bij titelloze foto [Artist Anna Upjohn] uit 1915-1920

Iedereen heeft voorkeuren. Ik ben gespitst op beeldmateriaal dat het creatieve proces van een beeldend kunstenaar laat zien. We kennen de cinematografische voorbeelden: Picasso door Henri-Georges Clouzot, Karel Appel door Jan Vrijman, Sarkis door Sarkis. En er is veel meer dan dat. Het is romantische onzin om te beweren dat met een beeldverslag een mysterie wordt onthuld. Of juist opgetrokken met zweverige orakeltaal.

Een kunstenaar is geen spirituele priester op het altaar van de hoge kunst, maar eenvoudigweg een professional die een vak beoefent. Vaak hardwerkend en gedreven tot op het bot. Een kunstwerk kan niet verklaard worden en hoeft ook niet verklaard te worden. Analyses en recensies over het werk van kunstenaars zeggen in de gunstigste gevallen vooral iets over de subjectiviteit van de beschouwer die iets wil vertellen over het hoofd van de kunstenaar heen. Vaak aardig om te lezen, maar doorgaans nutteloos voor nader begrip van de kunstenaar. Dat is niet te vangen.

Uitlegkunde of hermeneutiek is asymptotisch. Het benadert het begrip, maar valt er per definitie nooit mee samen. De poging ertoe is het maximale streven. Uitlegkunde is geen wiskunde en evenmin theologie. Dus geen meten van, achter en tussen de regels. Uitlegkunde is het vatten in woorden van het zien in het besef dat dit een bezigheid is die hoe dan ook het doel zal missen. Uitlegkunde is daarom evengoed het afzien van het zoeken naar betekenis.

De Amerikaanse Anna Upjohn werkte jarenlang voor het Rode Kruis als illustrator. Ze tekent een jongetje dat buiten beeld rechts naast de man op de foto zit. Of we mogen aannemen dat het jongetje daar zit. Naast een man die zijn grootvader kan zijn in een Servisch of Grieks dorp. In de Servische campagne van 1915 werd Servië vermorzeld. Het stond aan de kant van de Entente, met onder meer Frankrijk, Groot-Brittannië en het Russische keizerrijk. Het leed van leger en bevolking was immens. Verzachten van leed is de harde kern van het Rode Kruis.

Uitleg van een voorstelling is besmettelijk. Het is beter om te stoppen om mezelf niet al te zeer tegen te spreken.

Foto: [Artist Anna Upjohn], 1915-1920. Collectie: Library of Congress.