George Knight

Debat tussen links en rechts

Archive for the ‘Film’ Category

Filmgeschiedenis kan ons helpen onze eigen tijd beter te begrijpen: ‘Il Grido’ (1957) van Michelangelo Antonioni

with 2 comments

De Italiaanse filmregisseur Michelangelo Antonioni (1912-2007) is vooral bekend door zijn trilogie die hij rond 1960 draaide. Hiermee zou hij de tijdgeest van de jaren 1960 hebben voorvoeld, zelfs hebben voorspeld. Drie films over vervreemding die niet alleen door de inhoud, maar ook in de vorm sommigen afschrikt. Antonioni zei ooit dat de realiteit waarin we leven onzichtbaar is en we daarom tevreden moeten zijn met wat we zien. Dat kan leiden tot films die aanhaken bij een idee van bovenzinnelijkheid en waarin niet veel lijkt te gebeuren. Het vertelperspectief van de klassieke film wordt losgelaten. Maar anderen zijn om deze redenen juist felle verdedigers van L’Avventura (1959), La Notte (1960) en L’Eclisse (1962).

Rond 1960 werd de opstand van 1968 voorbereid. In de schilderkunst (Jackson Pollock), de literatuur (Jack Kerouac), de klassieke muziek (Olivier Messiaen) of de jazz (Ornette Coleman). Maar waar sommigen van deze overgangsfiguren tussen oud en nieuw gingen voor spontaniteit en ongeremdheid, bleef Antonioni aan de bedachtzame kant. Mede omdat het medium film dat mikt op een breed publiek organisatie en ordening oplegt. Zelfs als die rangschikking resulteert in pogingen om de realiteit te overstijgen. Opvallend is dat Il Grido meer dan andere films van Antonioni lijkt aan te sluiten bij het neorealisme en zijn eigen kortfilms uit de laten veertiger en vroeg vijftiger jaren, terwijl die stroming rond 1960 op z’n einde liep.

Il Grido (De Kreet) is de laatste film die Antonioni voor de trilogie in 1957 maakte. Het is een speelfilm, maar zou ook kunnen doorgaan voor een documentaire. Het speelt zich af in een arbeidersmilieu in de Po-vallei en de vertelling ontvouwt zich door de opeenvolging van een reeks scherpe observaties. Hoofdpersoon Aldo zou niet als enige gedesoriënteerd en willoos zijn, maar zijn omgeving eveneens. Een vast thema van Antonioni.

Il Grido is een prima opstapje naar Antonioni’s trilogie die een van de hoogtepunten van de cinematografie is. De verzuchting klinkt bij cinefielen dat 60 jaar later dat soort films niet meer gemaakt kan worden vanwege de dwang van de markt en een artistiek intellectualisme dat door publiek en politiek niet meer toegestaan wordt. Of neutraler gezegd, omdat het uit de mode is. Ons rest de tijdcapsule en de reis naar verschijningsvormen, gedrag en ideeën van toen die ons die overgangsperiode beter doet begrijpen. En ons tevens het reliëf geeft om onze eigen tijd beter te doorzien. Door te beseffen wat er niet meer is en waarom dat bij nader inzien niet vanzelfsprekend is. Daartoe moeten we eerst weten wat er ooit was. Daar helpt de filmgeschiedenis bij.

NB: Klik voor Engelse ondertitels op instellingen Pictogram instellingen op YouTube .

Foto: Still uit Il Grido van Michelangelo Antonioni (1957).

Written by George Knight

5 april 2020 at 16:48

Hopelijk is het ezelachtige lachen in de media ons straks vergaan

with 2 comments

Nu eens iets heel anders. Een reprise van een posting (met een andere invalshoek) die ik in 2011 plaatste op mijn andere site GeorgeKnightKort. Drie mannen spelen en lachen alsof hun leven ervan afhangt. Lach of ik schiet, daar lijkt het op. De song is ‘Beyond the Blue Horizon’ die Jeanette MacDonald zong in de film Monte Carlo (1930) van Ernst Lubitsch. Het werd haar lijflied. De tekst van Leo Robin koestert hoge verwachtingen: ‘Beyond the blue horizonWaits a beautiful day. / Goodbye to things that bore me./ Joy is waiting for me.’ Met optimisme ging men in 1930 de beurskrach van 1929 tegemoet. Zo moet dat blijkbaar. Tijdens regen komt er al zonneschijn. Dit is geen toevallig voorbeeld. Het gaat om het ezelachtige lachen dat de laatste jaren de media heeft overspoeld. Dat soort lachen in de media is de standaard geworden. In vele soorten tv-programma’s, de Ster-reclame en het tijdschrift van de zorgverzekeraar. Dat lachen is stupide, stompzinnig en ronduit onnozel. Laat een neveneffect van de coronacrisis zijn dat dat stopt. Als het lachen ons vergaan is.

Tijdens thuisquarantaine is het tijd voor cinema: ‘Tokyo Story’ (1953). Kritiek op ontbrekend kunstbeleid van publieke omroep

with 4 comments

Laten we de thuisquarantaine gebruiken om onze kennis over de klassieke cinema bij te spijkeren. En onze tijd nuttig te besteden. Ik ga het niet uitleggen, maar wie vragen heeft over de selectie of de details in inhoud en vormgeving van de film kan die in de reacties stellen. Ik stel een debat erg op prijs. Noemenswaardig en opvallend in de film Tokyo Story (Tokyo monogatari) uit 1953 van de als beste Japanse filmregisseur aller tijden bekend staande Yasujiro Ozu is dat de camera op ooghoogte van zittende personen staat opgesteld. Zoals in vele van zijn films. De omgang tussen de generaties is tragisch, alsof ze niet meer vanzelfsprekend op elkaar aansluiten. Dat leidt tot melancholie zonder over de rand van sentimentaliteit of melodrama te gaan.

Iedereen heeft voorkeuren, die van mij zijn de Indiase, Italiaanse en Japanse cinema. Ik gebruik bewust het woord ‘cinema’ tegenover ‘film’. Dat eerste heeft meer de ambitie van kunst en dat laatste van een product. Film als zevende kunst die half kunst, half commercie is. Daar is niks mis mee, maar films zijn al de godganse dag op televisie of betaalzenders te zien in de dominante verhalende Hollywood-stijl waarbij de karakters de inhoud dragen en een evenwicht verstoord, maar altijd weer hervonden wordt. Reflectie op het leven ontbreekt hoegenaamd. Scenario’s zijn een invuloefening. Cinema is verbannen naar de archieven van het internet of rust in kluizen vanwege onduidelijkheid over rechten. Vaak in slechte kopieën of met gebrekkige ondertitels.

De Nederlandse publieke omroep kwijt zich al jaren niet meer van haar taak om het publiek te confronteren met cinema. Op de steeds zeldzamer wordende uitzonderingen na. Dat is een verre schaduw van de culturele ambities van de medianota uit 1983 van toenmalig cultuurminister Elco Brinkman. Vanaf de jaren 1990 is het belang van kunst bij de publieke omroep verregaand verwaterd en bewust om zeep geholpen. De huidige omroepbobo’s hebben weinig met kunst. In hun filmbeleid zitten de omroepen gevangen in de recycling van steeds maar weer dezelfde populaire, middelmatige Engelstalige- of art house-achtige films en hebben ze geen dwingende opdracht om cinema te vertonen. De vervlakking en het gebrek aan ambitie zijn totaal.

Foto: Still uit Tokyo Story (Tokyo monogatari) van Yasujiro Ozu uit 1953, met hoofdrolspelers Setsuko Hara (links) and Chishû Ryû (rechts).

NB: Klik voor Engelse ondertitels op instellingen Pictogram instellingen op YouTube .

Naast het trilemma van de pandemie (gezondheidszorg, economie en grondrechten) is er ontspanning. ‘Domenica d’Agosto’ (1950)

with 3 comments

Er komt een moment dat het belangrijke over het coronavirus is gezegd. Totdat een vaccin is ontwikkeld zullen we er nog maanden of jaren mee opgezadeld zitten. Dat vooruitzicht stemt somber. In de berichtgeving tekenen zich drie verhaallijnen af over het virus: dat van de gezondheidszorg, economie en grondrechten. Ze houden verband met elkaar, maar lijken niet in alle combinaties volledig samen te gaan. Dat doet denken aan het trilemma van Dani Rodrik. Dat zegt dat van de drie aspecten democratie, nationale soevereiniteit en globale economische integratie er slecht twee volledig gecombineerd kunnen worden. Kondigt zich ook een trillemma over het coronavirus aan waarbij gezondheidszorg, economie en grondrechten niet alledrie kunnen worden gecombineerd? Er moet er één afvallen. Als de overheid inzet op de gezondheidszorg zoals nu in Nederland gebeurt, dan gaat dat ten koste van de economie. Als een overheid inzet op de economie zoals nu in Brazilië lijkt te gebeuren, dan gaat dat ten koste van de gezondheidszorg. Als een overheid inzet op de grondrechten, dan gaat dat ten koste van zowel een deel van de gezondheidszorg als van de economie.

De hypothese van het trilemma van de pandemie is niet waar het hier om gaat. Het gaat om kunst. Mensen zijn grotendeels aan huis gekluisterd. Musea, muziekgebouwen, bioscopen en schouwburgen zijn gesloten. Veel culturele instellingen ontplooien digitale initiatieven en ontsluiten hun collecties en registraties. Eye Filmmuseum blijft niet achter en komt met quarantaine thuiskijktips. Maar het is een magere selectie. De publieke omroep laat het tot nu toe afweten en biedt geen extra kunstprogrammering, zoals registraties van muziek en drama of klassieke cinema. Dat laatste is ook een rechtenkwestie. Mogelijk kan de overkoepelende EBU daar iets in bereiken tijdens de crisis. Wellicht komt het deze zomer in een versnelling als er gaten in de programmering vallen door weggevallen sportevenementen die doorgaans het zomerseizoen domineren.

Op internet zijn onnoemelijk veel klassieke films te zien. Diverse media hebben daar afgelopen weken verdienstelijke overzichten van gegeven. Ik wil niet achterblijven en verwijs graag naar een Italiaanse film uit 1950 van Luciano Emmer ‘Domenica d’Agosto’ (Zondag in augustus ofwel de toenmalige Nederlandse titel Dagjesmensen). Wikipedia vat de inhoud samen: ‘Een zondag in augustus 1949 in Rome: de inwoners van de hoofdstad gaan massaal naar het strand van Ostia. In de verlaten stad blijven nog maar een paar mensen over. ’s Avonds keert iedereen terug naar huis, klaar om de volgende dag zijn professionele bezigheden te hervatten …’ Met een jonge Marcello Mastroianni. In de stijl van het Italiaanse neorealisme met de straat als locatie van een land dat nog bezig is zich te ontworstelen aan de schaduw van de oorlog. Laten we voor even het trilemma van de pandemie vergeten en er een vierde, hoognodige poot bij aanschroeven: ontspanning.

Misverstanden en ergernissen over de film J’accuse met regisseur Roman Polanski

with one comment

Het is een debat waarover de meningen rigoureus verdeeld zijn. Wat te doen met het werk van een controversiële kunstenaar? Gisteren vond de uitreiking plaats van de Franse filmprijzen, de Césars. De film ‘J’accuse’ met regisseur Roman Polanski was genomineerd in 12 categorieën. Daar ontstond zoveel oppositie tegen dat het bestuur van de Césars is afgetreden. Polanski liet vanwege de verwachte protesten verstek gaan op de ceremonie. De film verzilverde er twee, voor beste regisseur en voor beste script. In tegenstelling tot een schilder of schrijver die in hun eentje opereren is film het product van een industrie op het raakvlak van commercie en kunst. Zoals gezegd is een grote publieksfilm een product waar honderden mensen aan meewerken. Het is daarom merkwaardig en wellicht typisch Frans om een film te reduceren tot de regisseur. In realiteit bestaat de auteursfilm niet die in jaren 1950 als antwoord op de oude cinéma de papa ontstond. Kan de regisseur van de film gescheiden worden tot een anonieme Alan Smithee? Kan de kunstenaar van de man gescheiden worden? Hoe dient een goed kunstwerk waar een slecht mens aan heeft meegewerkt te worden gewaardeerd? Hoe dan ook lijkt een debat tussen beide kampen onmogelijk. Dat is jammer, maar tekent de tijdsgeest. De verliezer is de Franse filmindustrie. Dat is spijtig voor een industrie die het van dit soort publiciteit moet hebben, maar waar de aandacht voor de demonstranten nu de meeste aandacht krijgt.

Written by George Knight

29 februari 2020 at 21:40

Trumps claim dat Amerikaanse filmindustrie terug moet naar het oude Hollywood is onmogelijk

with 3 comments

President Trump vraagt zich op een bijeenkomst af of het goed was om de Zuid-Koreaanse film ‘Parasite’ van Bong Joon-ho de Academy Award voor beste film te geven. Het is altijd weer de vraag of het goed is om een film een prijs te geven. Het wordt er ingewikkeld op als Trump dat verbindt met de handelsrelatie van de VS met Zuid-Korea. Trumps vraag gaat ook voorbij aan de historie van de Awards en de internationalisering van de filmindustrie. Het oude Hollywood van ‘Gone With the Wind‘ (1939) bestaat niet meer. Amortisatie van films vraagt om risicospreiding, zodat financiering, productie en marketing van publieksfilms een internationale aangelegenheid is geworden. Zelfs een Amerikaanse film is daarom allang niet meer zuiver Amerikaans.

Velen vielen Trump bij zoals Michael Loftus op Fox News in het programma van Tucker Carlson. Loftus schept verwarring dat alleen ‘Amerikaanse’ films de Academy Award voor beste film zouden moeten winnen of hebben gewonnen. Dat is onjuist. Denk aan de Franse film ’The Artist’ in 2011, de Britse film ‘The King’s Speech’ in 2010 en nog een reeks andere buitenlandse films die ooit de Award voor beste film wonnen, zoals ‘Slumdog Millionaire‘ (VK), ‘Crash‘ (VK, Canada), ‘The Last Emperor‘ (VK, Italië) tot en met ‘Hamlet‘ (VK), ‘Lawrence of Arabia’ (VK), ‘Tom Jones‘ (VK), ‘A Man for All Seasons’ (VK), ‘Oliver!’ (VK) en ‘Ghandi‘ (VK, India).

De geschiedenis van Hollywood en de Amerikaanse filmindustrie kent een wetmatigheid, namelijk dat het altijd de beste internationale talenten aan zich wist te binden. Zoals nu de techbedrijven van Silicon Valley bij internationale universiteiten talenten wegkopen of start-ups opkopen. Door buitenlandse, niet-Amerikaanse talenten kon Hollywood groeien. Dat begon al met een joodse producent als Louis B. Mayer die in Wit-Rusland werd geboren, regisseurs als Billy Wilder, Fred Zinnemann, Otto Preminger, Erich von Stroheim, Alfred Hitchcock of Paul Verhoeven en acteurs als Charles Chaplin, Audrey Hepburn, Cary Grant of Ryan Gosling.

Trump bedoelt het uiteraard anders. Hij heeft niet per definitie iets tegen buitenlands, als het maar Engelstalig en wit is, en aansluit bij de Amerikaanse cultuur. Dat doet ‘Parasite’ niet. Dat fluistert Trump zijn publiek in zonder te zeggen dat hij het racistisch bedoelt. De Award voor ‘Parasite‘ betekent daarnaast nog iets anders. Namelijk dat de culturele hegemonie van de VS onder Trump minder dominant is dan voorheen. En dat de filmindustrie diverser en minder wit is geworden en andere accenten legt. Overigens zijn de Academy Awards prijzen van de Amerikaanse filmindustrie die niet overschat moeten worden omdat ze door allerlei factoren zoals de opkomst van Azië en de teloorgang van de Amerikaanse maakindustrie aan belang hebben ingeboet.

Mannelijke blik verbreedt en versmalt zich tot multiculturele museumblik. Is de nieuwe preutsheid het nieuwe progressief?

with 2 comments

Filmtheoreticus Laura Mulvey introduceerde in een essay uit 1975 in het Britse Screen 16/3 het begrip de mannelijke blik in de film. The male gaze. Hiermee doelde ze niet alleen op de blik van de mannelijke toeschouwer op de vrouwen die in het filmverhaal in beeld worden gebracht als ‘to-be-looked-at’, maar ook op de blik binnen de film van de man op de vrouw. Onder invloed van het feminisme en met verwijzing naar denkers als Roland Barthes, Louis Althusser en Michel Foucault vond in die jaren 1970 een grote recycling plaats van ideeën uit het Franse cultuurgoed die via tijdschriften als Screen de Angelsaksische (universitaire) wereld bereikten. Zo waaide de sfeer van de Parijse opstand van 1968 ietwat vertraagd toch nog over water richting Verenigd Koninkrijk, Canada en de VS. De rest is geschiedschrijving.

De mannelijke blik is niet onschuldig, maar dat wil nou ook weer niet zeggen dat die blik schuldig is. Hoe dan ook is de blik tijdgebonden. Wat ooit kon, kan nu in veel gevallen niet meer. Het wordt als vrouwonvriendelijk of seksistisch beschouwd. Bovenstaande foto uit 1960 van de Franse fotograaf Marc Riboud toont twee vrouwen die beschut tegen de noordenwind op een Nederlands strand van de zon genieten. De titel is: ‘A l’abri du vent du nord sur la plage, Hollande’. Zo’n foto kan 60 jaar later in 2020 nog gemaakt worden. Het verschil lijkt dat de mannelijke fotograaf uit 2020 beseft wat een fotograaf uit 1960 niet wist, namelijk dat hij met zo’n foto een grens overgaat. Maar eigenlijk nog meer, dat de ‘mojo’, de magische charme ontbreekt. Het heeft in 2020 geen meerwaarde meer voor een fotograaf om deze foto te maken. De betovering is weg.

De mannelijk blik is een gepolitiseerd onderwerp. Dat bleek niet alleen in de jaren 1970 in de filmtheorie door de opkomst van het feminisme en feministische filmtheoretici als Mulvey, Annette Kuhn of Judith Mayne, maar dat blijkt nog steeds. Sinds enige jaren is het door de opkomst van de MeToo-beweging weer geactualiseerd. Het is een complex onderwerp vol gevoeligheden en kans op ontsporingen. Zeker als er teruggekeken wordt op het verleden met de ogen van nu. Het gaat om macht. In een cultuur waar het beeld dominant is en oude beelden circuleren die de hedendaagse cultuur dragen dwingt het beeld macht af. Of niet als een beeld wordt opgevat als het tegenovergestelde, namelijk de afbeelding van iemand in een afhankelijke en mindere positie.

Afgelopen zondag was er het interview van directeur Emilie Gordenker van het Van Gogh Museum in het televisieprogramma Buitenhof waarin ze naar aanleiding van de aankoop van een naakt van Edgar Degas pleitte voor het toelaten van allerlei ‘blikken’ in het museum. Ik noemde haar opmerkingen in een commentaar ongelukkig: ‘Je krijgt meerdere blikken op zo’n kunstwerk door de reacties van meerdere mensen met meerdere achtergronden, zegt ze in andere bewoordingen. Ze meent dat we daar allemaal beter van worden. Dat betwijfel ik en volgens mij gaat ze daar de fout in. Een reactionaire, betuttelende, moralistische blik valt moeilijk als positief te zien. Want waar laat dat de voorbeeldfunctie van een museum? Zo laat het museum zich onnodig vermaatschappelijken en in de verdediging drukken. Uiteraard moeten musea rekening houden met de achtergrond van de bezoekers, maar zonder te wijken voor radicale activisten en fatsoensrakkers die hun perspectief van identiteit ofwel moraal aan het museum willen opleggen’.

NRC wijdt aan Gordenkers opmerkingen een twistgesprek over de vraag of musea zich aan moeten passen aan gevoeligheden van het publiek. Léon Hanssen vindt van wel en zegt in gesprek met museumdirecteur Andreas Blühm die de bezoeker zelf wil laten oordelen het volgende: ‘Wie het standpunt van een ander voor zedig uitmaakt, claimt dat hij vrijgevochten is. Maar ik laat me niet op de mouw spelden dat ik een zedenmeester ben! En mocht ik het woord als een geuzenterm aanvaarden, dan alleen omdat ik geloof dat dit zogenaamd ‘zedige’ of ‘preutse’ juist het nieuwe progressieve is. En trouwens: ik pleit allerminst voor het uitbannen van naakt of Degas, ik pleit voor een grotere diversiteit aan perspectieven en debat.’ Wat bedoelt Hanssen met de opmerking dat dit zogenaamd zedige of preutse het nieuwe progressieve is? Meent hij dat ironisch of serieus?

Als het zogenaamd zedige of preutse de nieuwe vooruitstrevendheid is, dan valt erover het ergste te vrezen. Het politiek correcte denken van Hanssen haalt de preutsheid van de orthodoxe religie rechts in. Hij laat zich kennen als cultureel conservatief dat hij van de weeromstuit het nieuwe progressieve noemt. De verwarring die hij creëert is ongelukkig. Opmerkelijk in het twistgesprek is dat Blühm Hanssen hier niet frontaal op aanvalt. De visie van twee witte mannen op de mannelijke en vrouwelijke museumblik geeft aan hoe het onderwerp van de mannelijke blik zich in 45 jaar heeft verbreed en nieuwe gevoeligheden en taboes oppakt.

Foto 1: Marc Riboud, ‘A l’abri du vent du nord sur la plage, Hollande’ (‘Beschut tegen de noordenwind op het strand, Holland’), 1960. Collectie: Musée d’Art moderne de Paris.

Foto 2: Schermafbeelding van deel artikelMusea moeten zich wel/niet aanpassen aan gevoeligheden van het publiek’ in NRC, 14 februari 2020. Een twistgesprek onder leiding van

%d bloggers liken dit: