Feiten geven aan dat Trump een 100% fascist is. De geschiedenis geeft het voorbeeld, maar is lastig te begrijpen

De geschiedenis leert ons alles over onze eigen tijd. De geschiedenis geeft ons voorbeelden om de democratie te verdedigen of juist aan te vallen. Geschiedenis is een Januskop én een spiegel. We zien er door bespiegeling onszelf in. Het kiezen van de voorbeelden is een tamelijk willekeurig proces. Het waaiert niet een kant op.

Neem het neofascisme van voormalig president Donald Trump van wie wordt gedacht dat hij de Rijksdagbrand in Berlijn van 1933 als voorbeeld nam om het Amerikaanse parlement buiten spel te zetten, de democratie omver te werpen en een autoritair regime te vestigen. Maar omdat Trump een gebrekkige student van de geschiedenis is, valt het te bezien of hij er werkelijk van geleerd heeft voor zijn omverwerping van de Amerikaanse democratie. Dat is hem op 6 januari 2016 op een haar na gelukt. Maar het gevaar is nog niet geweken. Zoals professor Timothy Snyder zegt is een mislukte coup de generale repetitie voor een gelukte coup.

Dat het Trump en de hardliners in de Republikeinse partij niet lukte om de democratie omver te werpen kwam door een spiegelgevecht tussen voor- en tegenstanders die zich allebei in het diepste geheim op dit moment hadden voorbereid. Dat blijft in de video ongenoemd. Wie het beste voorbereid was zou het gevecht winnen. Welnu, dat waren in dit geval de tegenstanders van Trump die de Amerikaanse democratie verdedigden. Hun taak werd vergemakkelijkt doordat Trump publiekelijk zijn plannen openbaarde en impulsief en chaotisch handelde.

Er werd al sinds 2016 voor gewaarschuwd dat dit moment zo komen. Zelfs voelde ik als student van de 20ste eeuwse geschiedenis dat het met Trump verkeerd zou eindigen. In november 2016 schetste ik in een commentaar de tekenen aan de wand:

De randvoorwaarden en voortekenen zijn niet gunstig. Trump is niet gekwalificeerd voor het presidentschap, heeft geen bestuurlijke of politieke ervaring, vertoont semi-fascistisch gedrag, heeft zijn partij beschadigd (...). Het gaat vreselijk worden. Het zou ook de Nederlandse media sieren dat ze de berichtgeving over Trump niet normaliseren. Of sussende opinies zoals die van Willem Post die volgen uit een fikse portie wensdenken niet publiceren zonder disclaimer. Media moeten niet meegaan in de suggestie dat ‘het allemaal wel zal meevallen’ met president Trump. Het gaat naar alle waarschijnlijkheid niet meevallen, maar tegenvallen. 

Maar het is lastig om de hedendaagse geschiedenis te lezen aan de hand van historische voorbeelden. In NRC sloeg voormalig correspondent in Washington Hans Maarten van den Brink in een opinie-artikel van 7 januari 2021 de plank mis. Hij begreep niet alleen niet wat er zich voor zijn ogen had afgespeeld in het Capitool in een opstand die op een haartje na was geslaagd of maakte een verkeerde inschatting van de gebeurtenissen, maar kon net als Willem Post de verbinding met de 20ste eeuwse geschiedenis niet leggen. Opvallend is dat de redactie Opinie van NRC deze beide Amerika-deskundigen ruimte gaf voor hun opinie zonder hun bijdrage van een disclaimer te voorzien. Ook met de kennis van toen had Van den Brink nooit het volgende op moeten schrijven. Hij begreep niet dat hij een parodie van een analyse maakte:

Schermafbeelding van deel artikelOok een slechte voorstelling kan een onuitwisbare indruk achterlaten‘ van H.M. van den Brink in NRC, 7 januari 2021,

Of Trump sinds 2016 radicaliseerde of ons beeld van hem gaandeweg veranderde is de vraag. Vermoedelijk is het een combinatie van beide aspecten die op elkaar inwerkten. Veelzeggend en waarschijnlijk typisch voor velen zijn de verwijzingen in de commentaren die ik maakte. Trump groeide geleidelijk naar het fascisme en wij als observators aan de zijlijn wenden gedurende vier jaar aan het idee van die ontwikkeling en groeiden daarin mee.

Op 24 oktober 2016 besteedde ik aandacht aan een artikel van hoogleraar geschiedenis John McNeill die in Trump een semi-fascist zag, ofwel een amateuristische imitatie van het origineel van Benito Mussoloni. Tien maanden later noemde ik een commentaar van augustus 2017 Trump een driekwart-fascist. Toch gaf ik hem nog enig voordeel van de twijfel toen ik zei: ‘Maar Trump lijkt niet te groeien naar het echte fascisme. Daar is hij politiek te hybride voor en de steun die hem electoraal en financieel in het zadel houdt is te divers verdeeld. Maar ook een driekwart-fascist in het Witte Huis geeft te denken omdat het niet bij de Amerikaanse democratie past. Amerikaanse instituties en samenleving reageren en proberen dat terug te dringen wat ze ongewenst achten en niet vinden passen bij hun rechtsstatelijkheid‘.

Die visie moest vanaf november 2020 bijgesteld worden toen door de verkiezingsoverwinning van president Joe Biden niet te erkennen, zijn partij in gijzeling te nemen en met opruiende uitspraken de opstand van 6 januari 2021 aan te moedigen Trump zich ontwikkelde van een drie-kwart naar een volledige fascist. Pas in een commentaar van 6 juli 2021 over de QAnon-beweging vond ik dat er voldoende publieke feiten waren om Trump, voor het eerst, een (neo)fascist te noemen: ‘QAnon kan op het eerste gezicht niet anders dan neofascistisch genoemd worden met als neofascistische leider Donald Trump‘. Wij allen kunnen van de geschiedenis leren door goed op te letten en de gelijkenissen te zien.

Christian Boltanski is overleden. Wat was zijn werk waard? Zal de kunstkritiek daar over na gaan denken?

Schermafbeelding van deel artikelNecrologie;
Christian Boltanski (76), de macabere kunstenaar, is overleden
‘ van Toef Jager in NRC, 14 juli 2021.

Over de doden niks dan goeds. De Franse kunstenaar Christian Boltanski is overleden op 76-jarige leeftijd. Bij een bepaald segment van het publiek was deze autodidact immens populair.

Maar ik kon zijn kunst niet anders zien dan smieren in het theater. Boltanski speelde sterk op effect. Te sterk. Hij vertoonde kunstjes zodat zijn werk raakte aan sentimentaliteit, sensatiezucht en gladheid. Hij was een poseur.

Boltanski maakte namaakkunst waarvan hij wist dat die vooral om politieke redenen en door politieke dekking goed lag bij een breed publiek. Boltanski handelde in cliché’s. Boltanski maakte kunst niet vanuit een innerlijke noodzaak, maar om een façade op te trekken van schijnkunst.

Maar dat is nog geen reden om hem af te schrijven. Want vele hedendaagse kunstenaars handelen door herhaling tot vervelens toe uitsluitend vanuit de anekdote zoals Boltanski deed. Dat staat vernieuwing in de weg. Daarom zou aan de norm voor wat een kunstenaar is toegevoegd moeten worden dat hij of zij streeft naar vernieuwing door zich op onbekend terrein te begeven. Al is het door incidentele uitstapjes.

Boltanski deed het omgekeerde en herhaalde het voor hem bekende. Hij deed dat gewiekst doordat hij dat verbond aan het in stand houden van de herinnering, zodat nader inzicht nodig was om het naar waarde te schatten. Hij verhulde slim zijn eigen zwakte als kunstenaar.

Een minimalist als Daniel Buren heeft het overigens makkelijker om zich te herhalen door strepen te zetten in zijn kunst, dan Boltanski door met zijn kunst te strepen in de geschiedenis.

Dat een deel van het publiek hem in de armen sloot kon ik begrijpen, maar dat een deel van de kunstkritiek dat ook deed vond ik altijd onbegrijpelijk. Hoewel, kunstkritiek is uiteindelijk even subjectief en slecht onderbouwd als elke individuele mening. Het is geen wetenschap, maar een persoonlijke beschouwing.

Zo wordt de dood van Boltanski een scheiding der geesten. Niet zozeer de geest van Boltanski die definitief afscheid van de wereld neemt, maar het debat tussen voor- en tegenstanders over de waarde van zijn werk. Want het valt te voorzien dat nu hij er niet meer is de tegenstanders zich vrijer voelen om zich uit te spreken. Een overlijden is daar de geëigende gelegenheid voor.

De kunstkritiek komt overvallen door de actualiteit er voorlopig niet aan toe en steekt een verplicht verhaaltje af dat de gebeurtenissen van Boltanski’s leven op een rijtje zet alsof het de punten van een kindertekening met elkaar verbindt. Braaf en netjes. Maar wat de tekening zelf zegt weet het niet of kan het voorlopig nog niet beseffen.

Deze kunstkritiek heeft onvoldoende tijd gehad om na te denken wat de waarde van het werk van Boltanski is. Dat is deels begrijpelijk, want het tempo is hoog. De kunstkritiek wordt al jarenlang opgejaagd door de kunsthandel, de publiciteit en manifestaties als Documenta’s en Biënnales die de publiciteit van kunstenaars aanwenden om hun eigen belang te benadrukken. Overdenking of beoordeling is het sluitstuk geworden. De necrologie van de kunstenaar is het praalgraf waarop de feiten staan genoteerd, maar de betekenis nog ontbreekt.

Antwoord aan Henk Slechte. Rotterdam moet meer ambitie tonen dan het fuseren van musea

Schermafbeelding van deel artikelFuseer drie Rotterdamse musea en verhuis naar Maritiem‘ van Henk Slechte in NRC, 1 juli 2021.

I. Ik moet even kauwen op het opinie-artikel van Henk Slechte (oud-hoofd collecties van het Maritiem Museum) in NRC. Het bevat aardige aanzetten, maar is onvoldragen in de uitwerking. Het is ook de vraag of het combineren van drie musea past bij de ambitie van de tweede stad van Nederland. Want hoe dan ook is dat vaandelvlucht waarbij de museumsector van Rotterdam inlevert en de aftocht blaast.

Slechte stelt voor om drie verwante thematische musea samen te voegen: het stadsmuseum, het Wereldmuseum en het Maritiem Museum. Hij stelt voor om die instelling te vestigen in het grote, centraal gelegen pand van het Maritiem Museum aan de Leuvehaven.

II. Slechte lijkt de musea niet te waarderen op hun situatie nu, maar achterom te kijken en verkeerd in te schatten. Anders is zijn opmerking niet te verklaren als hij over het Wereldmuseum zegt dat het eerder kritiek kreeg vanwege de commerciële koers. Dat is allang een omgeslagen bladzijde en niet meer relevant voor de huidige situatie.

Directeur Stanley Bremer is al sinds april 2015 verdwenen en het Wereldmuseum is praktisch geen zelfstandig, Rotterdams museum meer, maar sinds eind 2016 losjes opgenomen in het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMvW). Het is niet meer de commerciële koers van Bremer, maar de politiek-populistische koers van het NMvW waaronder het Wereldmuseum nu lijdt.

Die ideologisering is vermoedelijk nog lastiger te bestrijden in de publieke opinie dan de duidelijke disfunctionerende vercommercialisering van het Wereldmuseum onder Bremer die velen op de been bracht. Want alleen de radicaal-rechtse partijen van toen steunden Bremer, terwijl de centrum-linkse coalitie van nu er met de hand op de knip vrede mee heeft dat het linksige MNvW vanuit Amsterdam de koers van het Wereldmuseum bepaalt.

De koers van het NMvW bestaat eruit dat kunst en kunstobjecten ondergeschikt zijn aan een vage linksige politieke ideologie. Het NMvW laat zich kennen door een gebrek aan professionalisme in de uitvoering en laat het Wereldmuseum daarom onder zijn mogelijkheden presteren. De door de raad in 2016 in een motie geëiste Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum is vijf jaar later een papieren werkelijkheid geworden.

Slechte zou gelijk hebben als hij zou beweren dat het Wereldmuseum uit de omarming van het NMvW moet worden bevrijd om haar Rotterdamse signatuur te herwinnen, maar het helpt wel als hij daarbij zijn feiten actualiseert en niet vanuit een situatie van zes jaar terug redeneert en nieuwe problemen ongenoemd laat.

III. Opvallend aan de opinie van Slechte is dat hij het landverhuizersmusuem dat Wim Pijbes namens de Stichting Droom en Daad in de Fenix loods realiseert buiten beschouwing laat. Wie een plan voor een nieuwe structuur uitwerkt kan dat niet ongenoemd laten. Thematisch werkt Droom en Daad in dat nieuwe museum samen met Stadsarchief Rotterdam, Maritiem Museum, Museum Rotterdam, Nederlands Fotomuseum en Wereldmuseum.

Behalve dat landverhuizersmuseum noemt Slechte evenmin andere belangrijke Rotterdamse musea, zoals het Nederlands Fotomuseum, de Kunsthal Rotterdam en de presentatie-instellingen TENT en Kunstinstituut Melly.

IV. Maar het grootste bezwaar tegen Slechtes voorstel is het gebrek aan ambitie dat het toont. Is dat de ambitie die past bij de tweede stad van Nederland en de grootse havenstad van Europa? Slechte gaat mee in de realiteit die de Rotterdamse politiek schept door de museumsector stiefmoederlijk te bedelen. Terwijl Amsterdam daarin investeert, staat Rotterdam op de rem van de museumsector. Het politieke gekissebis over de verbouwing van Museum Boijmans is exemplarisch en beschamend.

Rotterdam verdient goede musea die op zichzelf kunnen bestaan en bestaansrecht hebben. Wat de gemeente aan deze musea vooral kan bieden is goede en goedkope huisvesting. Er staan genoeg geschikte gebouwen leeg die musea kunnen huisvesten. Maar daartoe moet de wil van college en gemeenteraad aanwezig zijn. Mede door de scherpe rechts-links tweedeling in de stadspolitiek ontbreekt die wil tot nu toe in Rotterdam omdat musea tot strijdpunten worden gemaakt. Het voorstel van Slechte is het paard achter de wagen spannen door mee te gaan in het gebrek aan ambitie en goede wil van college en raad. Rotterdam verdient meer.

Willem-Alexander is de beste dubbelganger van zichzelf. Hij en de familie Van Oranje zijn niet wat ze beweren te zijn

Hoe noem je een lookalike of dubbelganger die totaal niet lijkt? Een plaatsvervager? Artiestenbureau JB Productions maakt publiciteit voor iemand van wie het claimt dat die op koning Willem-Alexander lijkt. Naar eigen zeggen was hij te zien in campagnes voor De Staatsloterij, Ter Stal, Toto, Burger King en Albert Heijn. Artiestenbureau JB Productions zegt over zichzelf ‘al 32 jaar uw partner voor het boeken van artiesten, winkelcentrum promotie, huren van attracties, kindershows en Sinterklaas entertainment en Kerst entertainment‘ te zijn.

De tragiek van het Nederlandse koningshuis is dat koning Willem-Alexander de beste dubbelganger van zichzelf is. Het verschil tussen schijn en wezen is immens. De kloon van Artiestenbureau JB Productions komt niet in de buurt van wat Willem-Alexander is.

Het kenmerk van de Nederlandse monarchie is de gespletenheid ervan. Een voorbeeld daarvan is de omgang met kunstbezit dat goed de mentaliteit verraadt. De koninklijke familie claimt belang te hechten aan kunst en als vertegenwoordiger daarvan heeft het de kunstminnende prinses Beatrix naar voren geschoven omdat ze op goede voet zou staan met allerlei kunstenaars. Maar tegelijk liegt, fraudeert, steelt en verkoopt de monarchie op slinkse wijze kunstbezit dat het zichzelf heeft toegeëigend en zeer vermoedelijk rijksbezit is. Dus van u en mij.

Onderzoeksjournalisten van onder meer Zembla en NRC hebben afgelopen jaren misstanden en financiële en juridische scheve schaatsen van leden van de koninklijke familie blootgelegd. Het heeft de Tweede Kamer in beweging gebracht. Want wat rijkseigendom is moet niet door de familie van Oranje ontvreemd kunnen worden.

Het recent verschenen boek Tussen Kunst en Cash van NRC-journalisten Arjen Ribbens en Pieter van Os zet de malversaties door leden van het Nederlandse koninklijke huis op een rijtje in het hoofdstuk ‘Familie Van Oranje’. Ook voor iemand die de feiten al kent is voor het aanzien van de Nederlandse monarchie de opsomming vernietigend om te lezen.

Eruit blijkt dat de leden ervan worden gedreven door hebzucht, elk ontbrekend respect voor kunst en erfgoed, de brutaliteit en arrogantie om procedures opzij te zetten en mensen die van hen afhankelijk zijn voor hun karretje te spannen en het totaal gemis aan verbondenheid met de Nederlandse kunst, geschiedenis en samenleving. Het beeld ontstaat dat het eigen welzijn en het spekken van de bankrekening het enige is dat telt voor de familie Van Oranje. Botheid, lompheid en intimidatie van ‘onderdanen’ blijkt een Oranje-traditie te zijn. Die verhuld wordt voor de Nederlanders.

Onrecht kan nooit in zichzelf bestaan. Dat wordt pas mogelijk als anderen het mogelijk maken. In dit geval degenen die óf tegen hun zin onder druk worden gezet door de familie Van Oranje om frauduleus te handelen óf uit vrije wil de nabijheid van de kroon zoeken om daar enig voordeel uit te kunnen halen. Dat houdt in dat de Nederlandse monarchie niks is als de samenleving er afstand van neemt en niet accepteert.

Oranjepropaganda is het tegengif tegen deze kritische houding. De meer populaire media worden door de Rijksvoorlichtingsdienst gemuilkorfd door een mediacode en journalisten van serieuze media worden gefêteerd en uitgenodigd door de monarchie zodat elke neiging om kritiek te hebben door Oranje wordt geneutraliseerd.

Hoe dat werkt en hoe ver die steun kan gaan bleek toen prinses Beatrix in 2013 aftrad en ze werd bewierookt in de media. PowNews noemde toen de ‘Beatrix-journalistiek’: ‘Historisch slechte televisie’. Ribbens en Van Os hebben met terugwerkende kracht met hun boek de eer van NRC gered die de toenmalige Vlaamse hoofdredacteur Peter Vandermeersch in 2013 door zijn kritiekloos pro-Oranje mediaoptreden te grabbel gooide.

In een commentaar schreef ik op 30 april 2021:

Wat me elke keer weer verbaast als er een koningsdag of een andere festiviteit is waarbij de leden van de monarchie opdraven is de schaamteloosheid van de gladstrijkers, hermelijnvlooien, jaknikkers, hofmuizen en hielenlikkers van Oranje die zich naar voren dringen om zich te onderwerpen. Waarom doen ze het? Wat winnen ze erbij? Zijn ze betoverd door de magie van de operette waarvan ze hopen dat die op hen afstraalt en niet meer verantwoordelijk voor hun daden?'
Dit gedrag is bevreemdend. Ik kan er niet aan wennen. Hoeveel kritiekloze aandacht voor het koningshuis kan de weldenkende burger aan? Wat heeft dit gedrag nog te maken met een volwassen democratie met mondige burgers die menen zich in de nabijheid van de troon te moeten aanstellen als clowns of ondergeschikten bij wie door een hersenoperatie het zelfbewustzijn is verwijderd?

Wat moet Nederland met een door een artiestenbureau het land ingestuurde slecht lijkende dubbelganger van koning Willem-Alexander die aan het hoofd staat van een controversiële familie, om het neutraal en netjes te zeggen? Het valt het artiestenbureau niet kwalijk te nemen dat het inspeelt op een behoefte die blijkbaar in Nederland bestaat. Het raadsel is waarom de Nederlandse samenleving nog interesse wil tonen in een familie die de kantjes er zo afloopt. Als het een gewone familie was geweest waren ze allang aangeklaagd en veroordeeld wegens wangedrag.

Debilisering NPO van Songfestival gaat gelijk op met schoffering van kunstsector door kabinet

Afgelopen weken besteedden de Nederlandse media veel aandacht aan het Eurovisie Songfestival waarvan vanavond 22 mei 2021 de finale in Rotterdam wordt gehouden. Ook de geschreven pers deed daar volop aan mee. Tekenend was dat NRC op 8 mei een special van 14 pagina’s maakte over het Songfestival en er daarna bijna dagelijks ruim aandacht aan besteedde. Ok, het is een interessant fenomeen, maar verdient het echt zoveel aandacht?

Oud-presentator Hans van Willigenburg heeft het in een stuk voor TPO over de debilisering van de publieke omroep NPO die de organisator is van het Songfestival. De titel van zijn artikel (achter betaalmuur) leest als een analyse van de psychische gesteldheid van de media en van de huidige stand van zaken van Nederland: ‘Debilisering NPO bereikt hoogtepunt tijdens de week van het Eurovisie Songfestival; Talkshowtafels worden uitstalkasten van prietpratende BN-ers en afzichtelijke zelfpromotie.’

Wat is hier aan de hand en wat verklaart de aandacht voor het Songfestival door de Nederlandse media die gerust buitenissig genoemd kan worden? Dat betreft zowel populaire als serieuze media.

Deskundigen met verstand van muziek geven toe dat muzikaal het Songfestival weinig voorstelt. Er wordt vals gezongen door zangers die niet zoals in de studio digitaal gecorrigeerd kunnen worden zodat het nog wat lijkt, een live orkest ontbreekt en in een poging om op te vallen wordt het streven naar goede muziek vaak vervangen door het streven naar extravagantie. Het Songfestival is de viering van de middelmaat. Het is voorspelbaar, ongevaarlijk, makkelijk en inwisselbaar. Dat verklaart wellicht de omarming ervan.

In een ingezonden brief in NRC vroeg een briefschrijver naar aanleiding van die vele aandacht voor het Songfestival of dat nog wel in proportie is. Hij vond van niet en zette dat af tegen het ontbreken van aandacht in de Nederlandse media voor de Koningin Elisabethwedstrijd in België waar dit jaar pianisten strijden om de eer. De finale is komende week van 24 tot 29 mei. De Vlaamse radiozender Klara besteedt er dagelijks van 20.00 tot 22.00 uur aandacht aan. Bij de laatste 12 halve finalisten was ook de Nederlander Aidan Mikdad. Een prima resultaat. Maar zelfs voor de chauvinistische Nederlandse media was dat onvoldoende om er aandacht aan te besteden.

Feit is dat Nederlandse media vele malen meer aandacht hebben voor het Songfestival dan voor het kwalitatief hoogstaande Koningin Elisabethwedstrijd waar een Nederlander hoge ogen gooide zonder dat het in Nederland wordt opgemerkt. Ook niet door de kwaliteitsmedia.

Ik beweer niet dat het Eurovisie Songfestival geen aandacht verdient. Het voldoet aan een behoefte en het is begrijpelijk dat mensen en media snakken naar verbindende evenementen. Dat verklaart wellicht mede de buitenissige aandacht na een periode van stilstand. Ik stel wel vragen bij de evenredigheid van de aandacht die in mijn ogen abnormaal is.

Het is vooral de NPO die financieel en programmatisch zwaar heeft ingezet op het Songfestival en het als zelfpromotie is gaan gebruiken om het eigen merk te promoten. Dit gaat niet meer over het Songfestival, dit gaat over de NPO die zichzelf op de borst klopt. Het Songfestival wordt door de publieke omroep tot aan de laatste druppel uitgeperst. Het lijkt er sterk op dat de andere media zich door deze opgeklopte gekte hebben laten meeslepen.

Het gaat verder dan de aandacht voor de competitie zelf en waaiert uit naar eindeloze achtergrondverhalen, talkshows over het Songfestival en Rotterdam dat deze week vanuit Hilversums perspectief als het centrum van de wereld wordt beschouwd.

Dat schrijnt omdat de publieke omroep die steeds commerciëler wordt dit tegen beter weten in ontkent. Het bewijs is de aandacht voor het Songfestival die niet verklaard kan worden door het belang van het Songfestival.

Hans Galesloot maakt korte metten met de schijnheiligheid en de leugens van de NPO in een ingezonden brief in NRC waarmee hij reageert op NPO-directeur Frans Klein die ontkent dat de NPO wordt gedreven door geld. Galesloot: ‘De NPO is een hybride omroep, die jaarlijks op het hoofdveld NPO1 150 tot 200 miljoen euro moet verdienen als onderdeel van de omroepfinanciering. (..) De wens om het bereik in de doelgroep 20-49 te vergroten heeft dus alles te maken met de financiering van de NPO. Het is hypocriet van Klein om dat feit te ontkennen. Hij moet wel degelijk een groot gedeelte van zijn zendtijd verkopen om de financiering van de NPO veilig te stellen.’ Het is niet onwillekeurig dat de NPO het Songfestival aangrijpt om de doelgroep 20-49 jaar ‘erbij te trekken’.

Het is geen toeval dat in de weken dat het kabinet de kunstsector achter aan liet sluiten bij het openen van de samenleving, door afzwakking van maatregelen om de pandemie te bestrijden, de publieke omroep buitenissige aandacht besteedt aan het Songfestival en de Koningin Elisabethwedstrijd zo goed als negeert. Zoals Van Willigenburg constateert heeft uit zelfpromotie en eigenbelang de debilisering de Nederlandse publieke omroep in bezit genomen. Om dat te verhullen liegen de NPO-bobo’s over de ware aard ervan en wisselen ze journalistiek en kunst in voor amusement dat kijkers die geld opbrengen bindt. Maar het is erger dan dat, de debilisering wordt door media en politiek de samenleving opgelegd.

Het is de eenzijdigheid om iedereen in dezelfde mal te willen stoppen die steekt. Bij de publieke omroep die commercieel handelt én de politiek. Het economisch denken is zo dominant geworden dat de inhoud eronder lijdt en er geen keuze is om uit te wijken naar kunst. Nieuwsconsumenten moeten uit diverse bronnen hun aanbod zelf bij elkaar hosselen.

 

Chris Janse geeft in boekbespreking orthodoxe blik op NRC, liberalisme en secularisme. De afstand zijn de anderen

Schermafbeelding van deel artikelNRC: Kwaliteitskrant voor hogeropgeleiden’ van Chris Janse in het RD, 18 mei 2021.

Het is altijd aardig en een genoegen van balorigheid om kennis te nemen van de visie van orthodoxe gelovigen over moderniteit en secularisme. Daar zetten ze vraagtekens bij in de veronderstelling dat die begrippen haaks staan op hun godsdienst.

Dat is het misverstand dat orthodoxe gelovigen koesteren en in de lucht houden omdat het hun strategie is om het secularisme, of meer algemeen de wereld, als vijandig af te schilderen. Dat dient driemaal daags voor intern gebruik na de maaltijd te worden ingenomen samen met de bijbellezing.

Opzet van het creëren van een vijandbeeld is dat orthodoxe gelovigen zich aangevallen voelen en in eigen kring terugtrekken. Waarmee hun onderhorigheid is verzekerd, hun zelfstandig denken op sterk water wordt gezet en ze blijvend zijn gemobiliseerd voor de goede zaak.

Daarmee vegen ze onder het tapijt dat het hun orthodoxie is die deze kettingredenering in gang zet. Ofwel, het secularisme staat niet haaks op de christelijke godsdienst. Want het secularisme is niet anti-religieus of pro-atheïstisch, maar neutraal jegens alle geloven en levensovertuigingen.

Het is de orthodoxie die de wereld afwijst en gelovigen opsluit in de definitie van wereldlijk als niet-geestelijk. Dat is niet onjuist, maar wel suggestief omdat het een tegenstelling creëert die bij het bredere perspectief van het secularisme als politiek-filosofische paraplu die alle godsdiensten en levensovertuigingen onderdak biedt bij nader inzien niet bestaat.

In een boekbespreking besteedt oud-hoofdredacteur van het RD Chris Janse aandacht aan John Kroon’s geschiedenis van 50 jaar NRC. Een krant die volgens hem ver afstaat van het RD vanwege de liberale geest die er waait. Hij noemt NRC ook ‘een seculiere krant’ en dat bedoelt hij niet positief. De verwijzing naar oud-hoofdredacteur van NRC Ben Knapen is verwarrend als de begrippen seculier en agnostisch langskomen en onduidelijk is wat die volgens Janse bijdragen aan betekenis. Ze lijken voor intern gebruik bedoeld zodat er niet te veel logica achter gezocht hoeft te worden.

Chris Janse besluit zijn artikel als volgt: ‘Ongetwijfeld is NRC Handelsblad een kwaliteitskrant. Ze hebben er de mankracht voor. Maar tegelijkertijd is het een krant die bij uitstek het seculiere vrijheidsgevoel belichaamt. Dat schept duidelijk afstand’.

Schermafbeelding van deel artikelNRC: Kwaliteitskrant voor hogeropgeleiden’ van Chris Janse in het RD, 18 mei 2021.

Het is weinig grootmoedig van Janse om de kwaliteit van NRC in de kwantiteit en niet in de liberale overtuiging of het journalistieke beleid te zoeken, maar dat is blijkbaar het perspectief van een onderliggend medium als het RD dat de eindjes aan elkaar moet knopen en last heeft van jaloezie.

Opvallend is Janses slotzin die klinkt als zijn credo: ‘Dat schept duidelijk afstand’. De distantie tot andersdenkenden is wat hem en zijn orthodoxe geloofsgenoten obsedeert. Zoals gezegd uit zelfbehoud van de eigen kring. Dat wat hij het ’seculiere vrijheidsgevoel’ van NRC noemt zou volgens hem afstand scheppen.

Maar het is andersom. De slotzin kan uitsluitend begrepen worden vanuit Janses orthodoxe perspectief. Hij schept afstand en houdt het idee dat dat noodzakelijk is graag in stand. Maar wel indirect. Toegeven doet hij dat niet graag omdat dat niet netjes staat en bij zijn houding van gespeelde mildheid past. Het venijn van Janses slotzin is dat hij suggereert dat de ander de oorzaak voor de afstand is, zodat hij en zijn geloofsgenoten niet van onwil beschuldigd kunnen worden. Chris Janse is de schorpioen die in eigen staart prikt en daar de ander de schuld van probeert te geven. Het is echter zijn fijne rechtzinnigheid die de afstand tot de wereld schept.

Burgers moeten afbraak publieke omroep halt toeroepen. Frans Kleins schoten in eigen voet bieden kansen voor nieuw omroepbestel

Frans Klein, 7 mei 2021 in Nieuwsuur. © NPO

In de recente uitspraken van directeur video van de NPO Frans Klein valt op dat hij het nooit echt over de inhoud heeft en hij alles beredeneert vanuit de kijkcijfers en het marktaandeel. Hij is verantwoordelijk voor de programmering van NPO 1, 2 en 3, NPO Start, ZAPP en Zappelin. 

Klein redeneert vanuit marketing. Hij bevestigt telkens het idee dat programma’s niet een hoger doel dienen, maar instrumenteel zijn voor een ander doel. Namelijk het behalen van marktaandeel of het aantrekken van specifieke doelgroepen. Zoals de middengroep van 20 tot 49 jaar.

In dit denken gaat het mis. Klein bevestigt het failliet van de omroeppolitiek dat gericht is op kijkcijfers en niet op inhoud. Dat valt hem niet persoonlijk aan te rekenen omdat hij een functionaris is die bestaand beleid uitvoert. Het beleid dat hij invult is echter krakkemikkig en slecht doordacht.

Waarom het in Nederland zo mis gaat met de omroeppolitiek omschreef ik in 2016 in het commentaarHoofd Klara wordt netmanager VRT. Waarom kan zoiets niet in Nederland?’ dat ik hieronder herhaal omdat het raakt aan de kern van het probleem van de Nederlandse omroeppolitiek en nog even actueel is als vijf jaar geleden. Namelijk het ontbreken van de focus op inhoud en de koudwatervrees om kwaliteit te maken die eeen deel van het publiek afstoot. Ik zoomde in op kunst, maar dat geldt precies zo voor zware informatie. Niet te verwarren met het lichte soort waarmee de NPO kosmetisch opinieprogramma’s tot journalistiek omkat, maar serieuze journalistiek zoals onderzoeksjournalistiek, gedegen historische documentaires en diepgravende interviews met opinieleiders die de tijd krijgen om te reflecteren op samenleving, politiek en wetenschap:

Zomaar een bericht in het Vlaamse nieuws. Deze keer niet over islamitische terreur en bomaanslagen in Brussel, maar over cultuur. Chantal Pattyn is netmanager van het Vlaamse Klara en wordt hoofd cultuur van de Vlaamse publieke omroep VRT.  Na de inkrimping en het bewust om zeep helpen om interne omroeppolitieke redenen in 2006 van de Nederlandse Concertzender en de infantilisering van Radio 4 is Klara nog de enige nationale culturele zender van niveau in het Nederlandse taalgebied die het beluisteren waard is.
Het cliché is waar, Vlamingen vinden cultuur belangrijk. Dat heeft met hun emancipatiestrijd te maken en het besef dat taal en kunst ertoe doen. En de overeenstemming over partijen heen dat het de nationale identiteit versterkt. In Nederland doen VVD en PVV die eveneens zeggen nationale identiteit belangrijk te vinden het omgekeerde: ze breken bewust de publieke omroep en de kunsten af. Maar ook in Vlaanderen moeten kunst en cultuur voor de poorten van de hel worden weggesleept. Ook daar moet telkens weer de liefde voor kunst op de politiek bevochten worden. Niets komt vanzelf. De loyaliteit van de bestuurders in de cultuursector lijkt het verschil te maken. De Vlaamse cultuurminister Sven Gatz (‘kunst dient nergens toe’) haalde in 2014 met terugwerkende kracht dezelfde shockdoctrine van cultuurbezuinigingen als Halbe Zijlstra uit de liberale kast.
Kunst is kunst, maar ook een wapen waarmee de strijd tegen terreur die van buiten komt en onverschilligheid die van binnen komt gewonnen kan worden. Het is de strijd om de harten en geesten van de eigen bevolking die telt en een positieve impuls kan geven. Media kunnen daarin een opbouwende rol spelen. Niet omdat het educatief is of doelgroepen emancipeert, maar omdat het kunst als voorbeeld voorhoudt. Juist dat patroon is in Nederland uitzondering geworden. Onder het uitroepen van ‘zie ons eens aan kunst doen’ wordt kunst naar aparte reservaten verbannen of slachtoffer van popup en populariteitsdenken. Wat Nederland mist is die positieve, vanzelfsprekende grondhouding tegenover kunst en cultuur die in een samenleving tamelijk breed gedragen wordt. In elk geval in omroepkringen die een kunsthistoricus tot netmanager benoemen. Klasse. 

In 2018 kondigde Frans Klein al aan om te willen bezuinigen op journalistieke programma’s. In zijn NPO’s Newspeak noemde hij dat ‘vernieuwen‘. Hij zei toen in een interview met NRC’s Wilfred Takken dat journalistieke programma’s een steeds kleiner publiek bereiken en daarom een andere vorm moesten krijgen. Dit gaf toen ook al aan dat Klein niet redeneert vanuit de programma’s, de inhoud of een hoger doel als democratie of spreiding van kennis, maar vanuit de marketing. In het commentaarNPO-directeur Klein komt met ongeloofwaardige ‘vernieuwingen’, na kritiek op hem te korten op journalistieke programma’s‘ uit 2018 schreef ik:

De argumentatie van Frans Klein dat de kijker van Tegenlicht al ‘zeer goed bediend wordt door de publieke omroep’ zodat er gekort kan worden op Tegenlicht is onjuist. Tegenlicht en ook Andere Tijden zijn unieke programma’s die niet vervangen kunnen worden door andere programma’s.
Daarnaast maakt Klein nog een andere denkfout. Jongeren, maar ook ouderen kijken niet meer vanzelfsprekend lineair naar televisie. Uiteraard weet Klein dat. Waarom hij dan toch tot de gedachtensprong komt dat hij televisie voor jongeren wil maken is de vraag. Het lijkt onzinnig om krampachtig televisie voor jongeren te willen maken. Daar trappen jongeren niet in. Het gaat erom goede programma’s te maken die zowel ouderen als jongeren kunnen bedienen.
Het Nederlandse omroepbestel is gefragmenteerd en lijkt in die versplintering te weinig soortelijk gewicht te hebben. De noodzaak tot hervorming wordt versneld door extra bezuinigingen. Frans Klein is het symbool van een ouderwets zuilensysteem met levensbeschouwelijke omroepen dat zichzelf heeft overleefd. Hij is geen deel van de oplossing, maar van het probleem.
Klein helpt kwalitatief journalistieke programma’s om zeep, beschermt de omroepen, doet aan wensdenken en beseft onvoldoende dat de traditie van broadcasting niet meer gerevitaliseerd kan worden in de vorm die hij ons voorspiegelt. Dat tijdperk ligt achter ons. Ook in Hilversum. De winst van zijn interventie is dat hij zich ermee zo onmogelijk maakt in potsierlijkheid en wereldvreemdheid dat hij er onbewust een punt voor de tegenpartij mee maakt.
Namelijk voor degenen die de omroepen willen omvormen en afslanken tot productiehuizen en een nationale omroep willen optuigen. Klein bewijst met zijn manier van denken het Nederlandse publiek een grote dienst. Zijn schot in eigen voet biedt volop kansen voor de toekomst met een levensvatbaar omroepbestel zonder de omroepen zoals we die nu (nog) kennen. Dan is het definitief geen 1925 meer in Hilversum.

Er is een gezegde dat aan Joseph de Maistre wordt toegeschreven dat zegt: ‘Elk land heeft de regering die het verdient’. Een variant daarop is ‘elk volk krijgt de leiders die het verdient’ dat naar allerlei sectoren kan worden uitgebreid. Dat is een fatalistisch standpunt dat suggereert dat macht een land overkomt. Vertaald naar de publieke omroep luidt dat: ’Nederland krijgt de directeuren van de NPO die het verdient’.

Maar dat is onzin. Het Nederlandse volk hoeft het marktdenken van de publieke omroep dat wordt gepersonifieerd door omroepbobo Frans Klein die macht naar zich heeft toegetrokken niet voor zoete koek aan te nemen. Want zijn argumentatie is zwak en eenzijdig. Gezien de kritiek op Kleins plannen in 2018 en nu weer in 2021 vinden veel Nederlanders de plannen van de NPO die hij presenteert slecht en ongepast. Klein is een zetbaas die beleid uitvoert waar veel betrokken burgers het niet mee eens zijn. Welnu, laten ze niet Klein daarop aanvallen, maar degenen die er de oorzaak van zijn dat Klein dit dient uit te voeren. Te weten de politieke partijen.

De marges zijn smal, maar de Nederlandse publieke omroep moet geen aansluiting zoeken bij de markt omdat dit een doodlopende weg is die teruggaat naar de 20ste eeuw en de laatste restjes kwaliteit inlevert, zodat er bij de volgende aankondiging van Klein of zijn opvolgers in 2024, 2027 of 2030 niks van kwaliteit meer is om in te leveren. Daarnaast is Nederland als markt te klein om in internationaal verband een vuist te maken.

Klein en degenen die hem zijn standpunten influisteren moeten nu teruggefloten worden in hun idee van meer van hetzelfde en minder van kwaliteit. Hun afbraak van de publieke omroep is ongewenst en strijdig met het grondidee van een publieke omroep. Dat is niet het populisme en het marktdenken dat Klein probeert te verkopen, maar algemeen nut zoals de watervoorziening of het elektriciteitsbedrijf. Dat kan uit principe niet vermarkt worden.

Kunstvakonderwijs springt in het niets met principe van ‘afbreken en opbouwen’

‘De beroemde foto ‘Saut dans le vide’, sprong in het niets, gemaakt op 23 oktober 1960 in Fontenay-aux-Roses, niet ver van Parijs.’ Met een springende Yves Klein. Credits: FD.

Ik heb nooit op een kunstacademie gezeten, maar wel als dienstplichtig militair in het leger. Daar was het principe van ‘afbreken en opbouwen’ uitgangspunt. Het was een doelgerichte strategie om je je individualisme af te nemen. Dat gebeurde symbolisch op de eerste dag doordat je je burgerkleren af moest leggen en in een slecht passende onhandige groenbruine overall werd gehesen. Slecht passende en oncomfortabele schoenen, blaffende sergeanten en een naargeestig kazerneterrein in Amersfoort maakte de gedaanteverwisseling af. Als in een verhaal van Kafka waar gebeurtenissen het individu overkomen zonder te begrijpen waarom. In het leger was dat opbouwen trouwens begrensd. Naar mijn idee omdat de kennis bij het lagere kader om te slopen sterker ontwikkeld was dan om te construeren.

Naar aanleiding van een aantal incidenten bij kunstacademies wordt steeds verwezen naar dat principe van ‘afbreken en opbouwen’. Over dat principe bij deze HBO-opleidingen heb ik mijn twijfel. Want het is de vraag of het werkt en als het werkt of het doelmatig is. Dat laatste betwijfel ik.

Schermafbeelding van deel artikelOnveilige sfeer op modeschool AMFI: “Een docent vergeleek mijn Arabische model met een seriemoordenaar” van 24 april 2021 op AT5.

Naast het bekende bezwaar van docenten die regeren in hun koninkrijkjes en daarbij over grenzen kunnen gaan door machtsmisbruik omdat de weerstand van de studenten is gebroken zie ik nog twee bezwaren. Namelijk het feit dat aankomende academiestudenten steeds jonger én minder volwassen zijn en steeds minder weten (mede door de gedevalueerde vooropleiding) en er door de schoolleiding onvoldoende toezicht op is en het feit dat studenten te veel hun studiebegeleider volgen en hun eigenheid niet of pas na lange tijd vinden. Verhalen van academiestudenten die het spel meespelen en daardoor kostbare tijd verliezen in hun ontwikkeling is bekend.

De oplossing voor de kunstsector is minder instroom van kunststudenten, minder presentatieinstellingen en minder kunstmusea. Ik zou zeggen, begin met een afschaling van de kunstsector van 15%. Zoals ook banken, stikstof producerende boeren en het koningshuis afgeschaald moeten worden. De leeftijd voor de toegang tot kunstacademies zou met drie jaar opgehoogd moeten worden zodat de studenten volwassener zijn en evenwichtiger in het leven staan zodat ze beter weerstand kunnen bieden aan docenten die hun macht misbruiken. Het toezicht bij deze HBO-opleidingen moet op een hoger peil gebracht worden. Of cynischer gezegd, op een peil gebracht worden.

Het idee van studenten autonome kunst die worden gemodelleerd in een individuele kunstenaar is romantisch en achterhaald, terwijl het idee van de gesocialiseerde kunstenaar te algemeen is. Het beroepsprofiel van de kunstenaar is minder bijzonder dan kunstacademies én academiestudenten zelf beweren. Iedereen met een beroepspraktijk moet omgaan met werkgevers, opdrachtgevers, klanten en collega’s. In vele sectoren is de concurrentie fel. Ook economen, leraren of ingenieurs moeten een persoonlijkheid ontwikkelen om goed in hun beroep te kunnen functioneren.

Nog om een andere reden is dat principe van ‘afbreken en opbouwen’ achterhaald. In een interview van 21 april 2021 in NRC wijst Dingeman Kuilman oud-voorzitter van het College van Bestuur van ArtEZ, hogeschool voor de kunsten hoe lastig het is om het praktische kunstonderwijs te veranderen: ‘Op voorstellen werd met een felheid gereageerd die je in het gewone onderwijs niet kunt voorstellen. Wat kunstenaars doen is zo verbonden met hun eigen identiteit. Iedere verandering wordt daardoor als een persoonlijke aanval ervaren. De kunsten als geloofssysteem, dat zit heel diep in academies verankerd. Het zijn intelligente mensen, je kunt over van alles met ze praten, behalve over hun geloof. Dan kom je aan een deel van henzelf’.

Over het principe van ‘afbreken en opbouwen’ waar hij ‘psychologie van de koude grond’ in ziet zegt Kuilman: ‘Die is echt niet meer van deze tijd. Zij kan enorme schade aanrichten, ook omdat het kunstvakonderwijs relatief veel kwetsbare persoonlijkheden aantrekt (…) Spreek studenten aan op waar ze goed in zijn, en bouw op vertrouwen. Studenten iets leren door ze eerst af te breken, schept machtsverhoudingen en afhankelijkheidsrelaties’.

Ook van een andere kant heeft Kuilman kritiek op het principe van ‘afbreken en opbouwen’ waar die psychologie van de koude grond zelfs niet meer van toepassing op is omdat de opleidingen de afgelopen 40 jaar zijn veranderd. Naar zijn idee stoomt het kunstvakonderwijs steeds vaker klaar voor de markt en staat daarbij de persoonlijkheid van de kunstenaar niet meer centraal. NRC: ‘Hoe kunstzinnig, vraagt Kuilman zich af, zijn opleidingen voor bijvoorbeeld design, mode, media en entertainment?

Ik kan het vergelijken met een voltooide universitaire studie waar ‘afbreken en opbouwen’ niet aan de orde was. Maar wel kennisoverdracht, samenwerking en geleidelijke vorming van een persoonlijkheid door verbreding en verdieping. Kunstacademie kunnen jongere individuen van zo’n 20-25 jaar ook op andere manieren helpen vormen. Het valt niet in te zien waarom een kunstacademie daar uitzonderlijk in zou zijn.

Er zijn universitaire studies waar docenten van intimiderend gebruik worden beschuldigd. Op de faculteit van Rechtswetenschap in Leiden kwam onlangs hoogleraar Andreas Kinniging in het nieuws omdat hij een onveilige situatie voor studenten zou hebben gecreëerd en zich niet aan de gedragscode zou hebben gehouden. NRC berichtte erover. In deze methode van onderwijs van deze individuele docent kan ook het principe van ‘afbreken en opbouwen’ gezien worden. Ook speelt mee dat Kinneging in een rechtse enclave binnen een niet-rechtse omgeving opereert. Het verschil met kunstacademies is dat dit een uitzondering is en dat na klachten van studenten het college van bestuur van de Universiteit Leiden Kinniging tot de orde heeft geroepen.

Al met al lijkt dat principe van ‘afbreken en opbouwen’ bij kunstacademies niet zozeer een doordacht didactisch instrument dat dient om kunstenaars uit ruw materiaal te scheppen zoals in oude legendes de mens uit een vormeloze hoop klei wordt gevormd en weerstand mee te geven om zich in een beroepspraktijk te handhaven, maar is het eerder een gevolg van een falend beleid om goed kunstvakonderwijs te bieden. Het principe van ‘afbreken en opbouwen’ en de claim op een bijzondere positie voor kunstvakstudenten getuigt van zelfoverschatting en een misvormde identiteit van het kunstvakonderwijs. Het is een sprong in het niets met slechts een oorzaak: de kwaliteit in docenten, organisatie en toezicht is ondermaats.

CBS gaat stoppen met gebruik van begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’. Dat is een goede zaak

Schermafbeelding van deel artikel ‘CBS gaat stoppen met begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’ van Wilmer Heck in NRC, 19-20 april 2021.

NRC meldde in een bericht van 19 april 2021 dat het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) op termijn stopt met de vermelding van de aanduidingen ‘westers’ en ‘niet-westers’.

Aan dit besluit ligt mede een advies van de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) ten grondslag. Volgens de WRR is het onderscheid niet-wetenschappelijk onderbouwd en roept het “negatieve associaties” op. Een andere steen des aanstoots is de Barometer Culturele Diversiteit van het CBS. Daarmee wilden universiteiten onder wie de Universiteit Utrecht de diversiteit onder medewerkers in kaart brengen. Ze worden ingedeeld in Nederlandse, westerse en niet-westerse migratieachtergrond. Daar kwam in Utrecht veel kritiek op.

Radicaal-rechtse politici als Geert Wilders en Derk Jan Eppink (‘We krijgen statistieken zoals ooit in de DDR’) zien het afschaffen van deze begrippen als poging om de schaduwzijde van de multiculturele samenleving onder het tapijt te vegen.

Het is goed dat deze begrippen worden afgeschaft. Ten eerste is de afbakening ervan verwarrend en is die toevallig tot stand gekomen. Zo worden migranten uit landen als Japan en Indonesië als westers beoordeeld en migranten uit grenslanden daarvan als niet-westers. Ten tweede werkt het stigmatiserend en houdt het migranten gevangen in een (oude) identiteit waar ze moeilijk aan kunnen ontsnappen. Ten derde is door de globalisering het begrip ‘westers’ politiek en cultureel van betekenis veranderd en niet meer zo eenduidig als het tot 1991 tijdens de Koude Oorlog was.

Met de afschaffing van de begrippen worden programma’s van positieve discriminatie of de uitvoering van codes diversiteit & inclusie bemoeilijkt. Dit maakt de kritiek erop door radicaal-rechts tamelijk onbegrijpelijk. Want als niet meer geregistreerd wordt wie welke achtergrond heeft, dan wordt het opzettelijk bevoordelen van bepaalde bevolkingsgroepen bij de toelating tot opleidingen of arbeidsplaatsen eveneens lastiger. Radicaal-rechts zou ook kunnen beredeneren dat de afschaffing van de termen het belang van witheid consolideert en niet verder versneld afbreekt.

Uiteraard zal de wens van bepaalde activistische groeperingen om de voorrechten terug te dringen van groepen die zich baseren op hun witheid hiermee niet stoppen. Maar het afschaffen van de begrippen maakt het bedrijven van identiteitspolitiek en in het verlengde daarvan de cancelcultuur waardoor mensen op onduidelijke gronden worden uitgesloten anders doordat de sociale identiteit van een bepaalde groep en de door deze groep gedeelde ervaring van maatschappelijk onrecht minder scherp afgebakend kan worden.

Het verzachten van de felheid van de identiteitspolitiek die de laatste jaren voor maatschappelijke verdeeldheid en onrust heeft gezorgd kan daarom een positief neveneffect zijn van de afschaffing van de begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’. Ofschoon naast etnische achtergrond waar het hier om gaat ook nog de identiteiten seksuele gerichtheid, gender, regionale identiteit of religieuze identiteit bestaan en aangegrepen kunnen worden voor positieve discriminatie om via strijd emancipatie te bereiken. Want de kist van activisten bevat vele middelen om aan de weg te timmeren.

Een te verwachten effect kan daarom zijn dat de identiteitsstrijd over etniciteit of witheid zich geleidelijk zal verplaatsen naar een overigens nu ook al bestaande strijd over gender of religie. Maar ook is mogelijk dat het accent komt te liggen op identiteiten die binnen samenlevingen bestaan en nu mede door het luidruchtig links-radicaal activisme en het ‘culturele’ rechts-radicale antwoord erop buiten beeld blijven en nauwelijks met identiteitspolitiek worden geassocieerd en in de politiek en media onderbelicht zijn: sociaal-economische achtergrond en opleidingsniveau.

Dan kan het debat over maatschappelijke ongelijkheid eindelijk gevoerd worden zoals het de afgelopen decennia niet gevoerd kan worden door allerlei afleidingsmanoeuvres van zowel links als rechts. Als de afschaffing van de begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’ daar een bijdrage aan kan leveren, dan is dat de winst.

Wanneer wist Amerikaanse overheid van samenwerking van Trump met Kremlin?

In 2019 verscheen het rapport van speciale aanklager Robert Mueller over de relatie van toenmalig president Trump met de Russische Federatie. De vraag was of er sprake was van georkestreerde samenwerking (‘collusion’) of samenzwering (‘conspiracy’).

Toenmalig justitieminister Willam Barr bespeelde de media door in zijn misleidende samenvatting van het Mueller-rapport een bewust verkeerde interpretatie van de conclusies te geven in die zin dat de aard van de samenwerking werd afgezwakt. Goedwillende Amerikaanse en internationale media trapten er massaal in. Na enkele dagen kwamen ze erop terug toen ze doorkregen dat ze zich hadden laten misleiden, maar toen was Trump uit de gevarenzone doordat de angel uit het rapport was gehaald. Aanklager Mueller stelde zich volgens critici te afstandelijk op. Rechtse media hielden vast aan de ingekleurde Barr-versie van het Mueller-rapport en herhaalden dat er geen samenwerking tussen Trump en het Kremlin was geweest. Ofwel, Trump had volledig op eigen kracht zonder hulp van de Russen Hillary Clinton verslagen. Met de ombudsman van NRC had ik een uitwisseling van gedachten over de berichtgeving.

In augustus 2020 verscheen deel 5 (Counterintelligence Threats and Vulnerabilities) van de Senate Intelligence Committee over de samenwerking van Trump met het Kremlin in 2016 (Bipartisan Russia Report). Opvallend is dat het de bevindingen van het Mueller rapport over de samenwerking met het Kremlin bevestigt en zelfs nog verder gaat. Muellers rapport had als invalshoek het zoeken naar crimineel gedrag, terwijl dit rapport journalistieker van opzet is. Daarom hoeft de lat minder hoog gelegd te worden omdat daartoe geen juridische noodzaak is. Zodat er twee rapporten waren die onder voorzitterschap van Republikeinen zijn geschreven die de samenwerking van Trump met het Kremlin in de campagne van 2016 ondubbelzinnig bevestigden.

Dat het Senaats-rapport of dat van Mueller tot de conclusie samenwerking of collusion kwam zou te maken kunnen hebben met twee factoren. 1) Trumps campagnemanager Paul Manafort werkte via zijn rechterhand Rick Gates samen met de Russische geheime agent Konstantin Kilimnik van de militaire inlichtingendienst GRU en voorzag hem van gedetailleerde data. Maar wat Kilimnik hier vervolgens mee deed werd niet geopenbaard door de Amerikaanse overheid. Bereikte het het Kremlin? Beide rapporten legden de obstructie bloot van president Trump, Manafort en adviseur Roger Stone die logen over hun samenwerking met het Kremlin en de onderzoeken bewust hebben gedwarsboomd. 2) Trumps obstructie had tot gevolg dat de inlichtingendiensten niet volledig konden meewerken aan beide rapporten omdat Trump dit blokkeerde. Er was dus wel degelijk sprake van samenwerking van Trump met het Kremlin in de campagne van 2016, maar omdat de data erover niet werden vrijgegeven kon dat in beide rapporten niet hardgemaakt worden.

Onder de regering Biden is nieuwe informatie naar buiten gekomen die verband houdt met nieuwe sancties tegen de Russische Federatie en de rol van Kilimnik. Een persbericht van 15 april 2021 van het Amerikaanse ministerie van Financiën zegt: ‘Konstantin Kilimnik (Kilimnik) is a Russian and Ukrainian political consultant and known Russian Intelligence Services agent implementing influence operations on their behalf. During the 2016 U.S. presidential election campaign, Kilimnik provided the Russian Intelligence Services with sensitive information on polling and campaign strategy. Additionally, Kilimnik sought to promote the narrative that Ukraine, not Russia, had interfered in the 2016 U.S. presidential election. Melding van het feit dat Kilimnik, zoals overigens verwacht, de informatie doorspeelde aan het Kremlin is de missende schakel in de ketting Trump-Manafort-Gates-Kilimnik-GRU-Poetin. Inderdaad was er sprake van een direct contact tussen Trump en het Kremlin om samen te werken.

Talkhost Rachel Maddow vraagt in het fragment aan onderzoeksjournalist Michael Schmidt, de Washington correspondent voor de New York Times, wanneer de Amerikaanse inlichtingendiensten wisten dat Kilimnik de gevoelige informatie over de campagne van 2016 aan de Russische inlichtingendiensten had gegeven. Dat is de kernvraag. Het is onwaarschijnlijk dat de Amerikaanse inlichtingendiensten in de betrekkelijk korte periode van drie maanden dat Biden president is deze informatie naar boven hebben gehaald. Het is waarschijnlijk bekende informatie die door druk van toenmalig president Trump de inlichtingendiensten niet mochten geven aan zowel het onderzoeksteam van speciale aanklager Mueller als de Senaatscommissie Inlichtingen. Het bestaande vermoeden dat Mueller en zijn team via onderminister Rod Rosenstein waren gewaarschuwd om niet door te bijten met zijn onderzoek omdat in dat geval Trump hem had ontslagen verklaart deels waarom deze informatie over de ketting Trump-Manafort-Gates-Kilimnik-GRU-Poetin enkele jaren verborgen kon blijven.