Gedachte bij de foto ‘Miss Hera Roberts posing on the deck of HNLMS JAVA’ (1930)

Hera Roberts poseert in 1930 op het dek van het Hare Majesteit Java. In de haven van Sydney tijdens een vlootbezoek van de Koninklijke Marine aan Australië. Schilder en socialite Roberts is een van de gasten die op 10 oktober de Java bezoekt. Op de achtergrond wappert de Nederlandse driekleur in zwart-wit.

Zijn een lichte kruiser en mode een onlogische combinatie, of raken ze elkaar juist sterk? Is het de opzet dat levenslust en doodsdrift, Eros en Thanatos, elkaar raken? Enfin, het ging toen waarschijnlijk vooral om de goede indruk die Nederland in Australië wilde maken. Blijkbaar was 90 jaar geleden een oorlogsschip geen ‘schuldige’ omgeving.

Uit de toelichting op Flickr bij deze foto uit de Samuel J. Hood Studio collectie die wordt beheerd door het Australian National Maritime Museum blijkt dat dit museum veel onderzoek doet naar de details van de foto’s in haar collectie. Iedereen met waardevolle informatie is welkom.

Na vlootbezoeken aan talloze landen wordt de Java in 1942 tijdens de Slag om de Javazee door de Japanse Keizerlijke Marine door een torpedo tot zaken gebracht. Er zouden 491 van de 512 opvarenden om het leven zijn gekomen. De dood had het gewonnen.

Foto: Sam Hood, ‘Miss Hera Roberts posing on the deck of HNLMS JAVA’. 1930.

Duiden van identiteit in de kunst wordt valkuil als dat onzorgvuldig gebeurt. Commentaar op het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’

Daar gaan we weer. Identiteit in de kunst en het scheve beeld dat de media ervan geven. Deze keer zijn Teylers Museum en de 19e eeuwse Frans-Amerikaanse ornitholoog, natuuronderzoeker, vogelschilder en werkgever van slaven John James Audubon aan de beurt. Op touw staat de tentoonstelling ‘Vogelpracht’ die dit museum in juni 2021 hoopt te openen.

Journalist Jean-Pierre Geelen identificeert zich in het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ in de Volkskrant bij voorbaat met de oppositie die Audubon oproept. Hij noemt het ‘hoogst explosief materiaal’. De toon is gezet. De eindredactie maakt van een bezitter van slaven voor het gemak een ‘racistische vogelschilder’. De 21e eeuw wordt rechtstreeks in het vat van de 19de eeuw gekieperd alsof in twee eeuwen alles bij hetzelfde is gebleven.

Geelen maakt een knip door het te verbinden aan de Code Diversiteit & Inclusie die Teylers Museum onderschrijft. Alsof dat bijzonder is. De hele museumsector onderschrijft immers deze Code. Hij geeft een citaat uit de code dat staat onder het kopje ‘Artistiek en inhoudelijk: inclusief werken is een verrijking voor kwaliteit’ dat aldus eindigt: ‘Jouw organisatie moet een veilige plek zijn waar iedereen zich thuis voelt om zich in een ander perspectief te verplaatsen’. Ok, redelijk, maar wat heeft het feit dat Audubon twee eeuwen geleden slaven in bezit had te maken met een veilige werkomgeving van een museum in 2021?

Rekt Geelen dit aspect van de Code niet oneigenlijk op en maakt hij er wat anders van dan het behelst? Daar lijkt het sterk op. Probeert Geelen nou te suggereren dat de werkomgeving er voor medewerkers onveilig op wordt als in een tentoonstelling een schilderij van een 19de eeuwse vogelschilder annex slavendrijver wordt getoond en medewerkers zich daardoor niet meer thuis zouden voelen in dat museum? Welk probleem helpt Geelen hier creëren? Is dat allemaal niet te simpel gedacht en met hoeveel slagen tegelijk probeert Geelen thuis te komen in zijn eigen bubbel?

Het is toch juist de taak van een historisch kunstmuseum als Teylers Museum om objecten uit de kunstgeschiedenis in de juiste context voor een breed publiek te tonen?

Jazeker, Audubon had slaven in bezit en jazeker, dat wordt nu terecht afgewezen en jazeker, dat feit moet in zijn levensbeschrijving niet ongenoemd blijven en jazeker, dat ligt politiek op dit moment uiterst gevoelig, maar welnee, dat betekent niet dat ter discussie staat dat zijn schilderijen niet in een museum getoond kunnen worden. Als dat zo zou zijn, dan zou zijn werk in geen enkel museum meer getoond kunnen worden. Dan gaat het politieke aspect volledig het kunsthistorische aspect overheersen. Mogen musea daar alstublieft zelf over beslissen? Ze hebben er geen politieke activisten of activistische journalisten voor nodig om hen op hun verantwoordelijkheid en gedragsregels te wijzen.

Geelen lijkt meer bezig met het aanscherpen van maatschappelijke verschillen dan met het geven van duiding. Waarom stelt hij iets ter discussie dat niet ter discussie moet worden gesteld? Zoals alle musea probeert Teylers Museum dit passend op te lossen zonder al te veel weerstand in de samenleving op te wekken. Maar dat is toch geen kwestie van worstelen, maar van gewoon professioneel handelen?

Als het de taak van een journalist is om zich te identificeren met een politieke zaak en het publiek te informeren onder het mom van een evenwichtig enerzijds-anderzijds verslag, dan zijn we gewaarschuwd. Ook voor journalisten is identiteitsdenken een valkuil waar ze met open ogen in kunnen stappen. Het advies voor zolang het duurt: hou het simpel en maak het niet ingewikkelder en wijsneuziger dan het is. Daar is niemand mee geholpen. De museumsector nog het minst.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ van Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant, 3 maart 2021.

Onnozelheid van Ye Visual: ‘Een museum of tentoonstelling saai? Niet met interactiviteit!’

Deze promotievideo van het Belgische Ye Visual (‘Ye Visual creëert interactieve narrowcasting-oplossingen die uw ruimte transformeren in een interactieve ervaring’) raakt aan de kern van de onrust, de nervositeit, het ongenoegen en het zich opgejaagd voelen van velen die daardoor onzeker worden. Ye Visual werkt mee aan het accentueren van het belang van de snelle bevrediging. The quick fix. Met als hoger doel de eigen kwartaalcijfers.

Het gevolg is dat bedrijven als Ye Visual zich uit eigenbaat verklaren tot vijanden van de inhoud en de degelijkheid. Een dik boek, een moeilijke opera, een kunstzinnige film of een vernieuwende tentoonstelling worden bij het oud vuil gezet door ze als gedateerd af te schilderen. Ze menen dat het publiek bij de hand, hun hand, genomen moet worden om de inhoud nog te kunnen begrijpen. Het publiek wordt als onmachtig en onnozel beschouwd dat niet meer zelf kan nadenken.

Het gevolg van dit marketing denken van al die Ye Visuals die de kunstsector overspoelen is dat door het valse voorwendsel dat het om interactiviteit draait het publiek juist afgesneden wordt van de authentieke ervaring die enkel en alleen de echte inhoud biedt.

Ye Visual is de tolk die veinst kunst bereikbaar te maken door kunst met de grond gelijk te maken zodat iedereen er gelijkvloers in kan lopen. Beseft Ye Visual echt niet dat het dan niet meer over kunst gaat die als functie heeft om te ontregelen en aan te scherpen, maar over een getemde en klein gemaakte afleiding ervan die alles reduceert tot de snelle bevrediging van de toeschouwer?

Ye Visual rolt met brutale bravoure de eigen marketing instrumenten uit en verklaart zonder onderbouwing dat inhoud per definitie saai is en dat het draait om ervaring. Volgens Ye Visual kan inhoud het op zichzelf niet redden omdat het geen ‘echte ervaring’ biedt.

Dit soort intermediaire bedrijven die zich binnen de kunstsector opdringen en pretenderen onmisbaar te zijn gaan in hun potsierlijkheid voor de inhoud staan en menen dat enkel zij inhoud bieden door die te moeten ‘vertalen’. Ze beseffen met hun simplisme niet hoe onnozel ze zijn met hun opdringerige interactiviteit. Ye Visual tekent de schade die de kunst wordt toegebracht door die om te zetten naar een niveau waar kunst niet leeft.

Musea zouden er goed aan doen om Ye Visual buiten de deur te zetten en (weer) te vertrouwen op de inhoud, de kunstobjecten zelf. Want de interactiviteit met objecten kan nooit de inhoud vervangen. Het onderschat daarbij het publiek dat wordt teruggebracht tot kleuterniveau. Ye Visual is in dit hele verhaal de saaie en overbodige schakel.

Foto: Still uit videoEen museum of tentoonstelling saai? Niet met interactiviteit! – Ye Visual’ van Ye Visual op YouTube.

Utrecht vertraagt vinden bestemming Oud Amelisweerd en krijgt daar kritiek op. Terwijl het gericht moet investeren in cultuur

Update 10 februari 2021: In een brief aan de gemeenteraad heeft wethouder Eerenberg vandaag bekendgemaakt dat Stadsherstel Utrecht ‘de komende tien jaar het beheer, onderhoud en de exploitatie van het Landhuis Oud Amelisweerd gaat organiseren’. De brief zegt ook: ‘Het landhuis gaat functioneren als een open platform voor wisselende tentoonstellingen en initiatieven op het gebied van beeldende kunst, wetenschap en geschiedenis.’ Dat houdt in dat Stadsherstel Utrecht niet zoekt naar een vaste huurder, maar als intermediair namens de gemeente Utrecht betrokken blijft. Dat is een positieve ontwikkeling met een schaduwkantje dat het gevolg lijkt van een politiek compromis. De inhoud komt centraal te staan, maar waarom er niet gekozen is voor een ‘technische’ beheerder op afstand zoals Vereniging Hendrick de Keyser is een vraag die op antwoord wacht. 

Het beleid van de gemeente Utrecht inzake het landhuis Oud Amelisweerd te Bunnik waarvan het de eigenaar is geeft de indruk dat Utrecht niet weet wat het ermee aan moet. Het is een spreekwoordelijk hoofdpijndossier dat het beeld van een chaotisch en warrig beleid biedt. Het gemeentebestuur vertraagt doelbewust de voortgang en wil daar geen verantwoording over afleggen. Dat zit velen dwars. Niet alleen de vrijwilligers die tot nu toe in het landhuis werkten, maar ook kunstliefhebbers die wensen dat het landhuis snel een volwaardige museale bestemming krijgt. De huidige stagnatie is het gevolg van het angstig en weinig doortastend handelen van het Utrechtse gemeentestuur. De tragiek is dat deze situatie al ruim 10 jaar duurt.

Hoe het gemeentebestuur de eigen onmacht geparkeerd heeft legde ik uit in een commentaar van 23 juni 2020 dat in de titel de kern van de bestuurlijke impasse samenvat: ‘Utrecht moet Oud Amelisweerd weghalen uit greep gemeentelijke organisatie en buitenstaanders betrekken bij een oplossing’.

Ik schreef toen: ‘Naast de weeffout van een landhuis dat duur is in de exploitatie is er nog een bestuurlijke weeffout waardoor Oud Amelisweerd niet van de grond komt. Het beheer is in handen van de Utrechtse Vastgoed Organisatie (UVO) die een dominante greep heeft op Oud Amelisweerd. Dat is ongewenst. Het is ook onlogisch omdat de UVO zeker de verdienste heeft dat het de restauratie van Oud Amelisweerd in goede banen heeft geleid, maar die fase is voorbij. De blijvende greep van de UVO verklaart waarom dit dossier in de afgelopen 10 jaar wat het vinden van een geschikte huurder betreft zo amateuristisch is behandeld met teleurstellende resultaten. Tegelijk geeft dit de mogelijkheid om het beter te doen. Dat geeft hoop. Oud Amelisweerd moet uit de greep van de UVO gehaald worden. Zeker waar het de niet-bouwkundige aspecten betreft. Het debat over een nieuwe bestemming van Oud Amelisweerd moet niet gedomineerd worden door bouwkundigen of makelaars, maar door museale experts met contacten in de museumsector en kennis over de exploitatie van een museum.

Hoe dan ook moet er een dynamiek ontstaan zodat de UVO een stap terug doet en museale expertise in huis gehaald worden om een nieuwe huurder te vinden. Dat had al in 2010 moeten gebeuren en is toen niet gebeurd, maar het merkwaardige is dat dit na talloze waarschuwingen en ontsporingen nog steeds niet is gebeurd. Dat gaat de richting op van onzorgvuldig bestuur van de gemeente Utrecht of van grandioze desinteresse. Wethouders werken langs elkaar heen en de Cultuurwethouder zit niet in de bestuurdersstoel.

De rol van de UVO en de terughoudende houding van het Utrechtse gemeentestuur wordt in een nieuwsbrief van 28 januari 2021 door beheerder Arjen Meurs ondersteund. De nieuwsbrief is interessant genoeg om integraal weer te geven. Meurs zal per 1 maart 2021 niet meer werkzaam zijn in het landhuis:

Ik stuur dit bericht aan hen die de afgelopen tijd bijgedragen hebben aan of interesse getoond hebben in verdere culturele ontwikkelingen voor het landhuis Oud Amelisweerd. En om het landhuis in de toekomst geopend te houden voor bezoekers.

Hildo Kamstra en ik hebben vandaag een gesprek gehad met algemeen manager Marcel Gierveld en manager Oud Amelisweerd Linda van Blokland van de U.V.O., dat is de Gemeente Utrecht afdeling vastgoed.

De U.V.O. heeft ons sinds begin 2019 in dienst gehad op payroll basis en per 1 maart verloopt de mogelijkheid om ons nog een tijdelijk contract te geven.

In het gesprek werd ons dit officieel meegedeeld, en de vraag daarop aan ons was of wij de komende maand februari een overdracht willen verzorgen van ons werk aan de U.V.O..

In een eerdere brief van ons aan de U.V.O. hebben we aangegeven welke werkzaamheden en verantwoordelijkheden wij hebben in landhuis Oud Amelisweerd, en dat deskundig en ervaren beheer voor een landhuis met zeer hoge erfgoedwaarde als Oud Amelisweerd van groot belang is.

Ook hebben we daarop in een tweede e-mail nog drie constructies geschetst waarop wij tijdelijk door zouden kunnen werken in het landhuis op ZZP basis of via twee musea die tijdelijk willen helpen als organisatie.

Op de inhoud van de twee e-mails werd niet ingegaan, en we moesten Marcel Gierveld hierop attenderen. Hij vond het spijtig voor ons maar kwam terug op de noodzaak tot een vlotte overdracht van beheer.

Dit houdt in dat Hildo Kamstra en ik, beheerders die zeven jaar voor het landhuis hebben gezorgd, per 1 maart niet meer werkzaam zullen zijn in het landhuis.

We hebben ook nog genoemd dat wij tot aan de laatste maand een spil zijn geweest voor de groep van ongeveer 30 vrijwilligers die h[i]er werken, hun toekomst werd ook niet toegelicht.

We hebben gezegd dat we teleurgesteld zijn in het resultaat van twee jaar onderzoek door de U.V.O. om een plan of visie te ontwikkelen. Ook hebben we aangegeven dat het jammer is dat de kennis en ervaring van beheer en vrijwilligers niet betrokken zijn bij dit onderzoek.

Meer dan eens hebben we om betrokken te worden gevraagd, vrijwilligers en beheer, en we vinden dit een gemiste kans.

Op onze vragen of er een volgende huurder komt of dat het landhuis wellicht is aangekocht bij een volgende partij kregen we geen antwoord. Via raadsvragen aan de Gemeente Utrecht, via een raadslid van D66, heb ik een paar maanden geleden deze vragen ook gesteld. Er volgt geen antwoord. Alleen de mantra: de U.V.O. zoekt nog steeds hard naar een structurele duurzame invulling voor het landhuis, men werkt hier hard aan.

We nemen dus afscheid van Oud Amelisweerd, tot onze grote spijt want we hebben ons op allerlei vlakken voor het huis en vrijwilligers met veel plezier en van harte ingezet.

In het verlengde van deze nieuwsbrief verscheen in ’t Groentje/ Bunniks Nieuws op 6 februari 2021 het artikelBeheerders en vrijwilligers Oud-Amelisweerd voelen zich genegeerd en aan de kant gezet door gemeente Utrecht’ (betaalmuur) dat ingaat op de werksituatie van de beheerders en vrijwilligers en de toekomst van het landhuis. Bunniks Nieuws concludeert dat de gemeente Utrecht zich niet gehouden heeft aan de toezegging om een toekomstplan en een bouwhistorisch onderzoek/ pandvisie te publiceren. Dat eerste zou enkele maanden geleden verschijnen en dat laatste in mei 2020. Bunniks Nieuws zegt hierover op 3 februari 2021 vragen aan de gemeente Utrecht te hebben gesteld, ‘onder andere over de reden van vertraging’ en geeft aan dat die nog niet beantwoord werden.

De beheerders geven aan niet de reden te kennen waarom de pandvisie wordt vertraagd. Op 7 januari 2021 antwoordde wethouder Eelco Eerenberg (Vastgoed) de raadsvragen die zijn partijgenote Ellen Bijsterbosch (D66) in november 2020 had gesteld en waar Meurs in zijn nieuwsbrief naar verwijst. Het feit dat het de wethouder Vastgoed is en niet de wethouder Cultuur die over dit dossier gaat onderschrijft het vermoeden dat de UVO een dominante greep heeft op landhuis Oud Amelisweerd en dat het vinden van een goede culturele of museale bestemming geen prioriteit heeft voor het Utrechtse gemeentebestuur. Anders zou het cultuurwethouder Anke Klein (D66) bestuurlijk een leidende rol geven bij het vinden van een museale bestemming. Maar dat gebeurt niet.

In 11 jaar tijd is er niet alleen niets ten goede verkeerd, maar is het gemeentebestuur nog verder in de schulp gekropen. Voorheen waren het nog de cultuurwethouders (Lintmeijer, Diepeveen) die eerstverantwoordelijke waren, nu houdt het gemeentebestuur zelfs de schijn niet meer op dat het vinden van een museale bestemming urgentie heeft. Het landhuis wordt nog steeds in de eerste plaats als een vastgoedobject gezien en niet als een kans om er een goed museum in te vestigen dat past bij de ambities van de vierde stad van het land die op dit moment economisch en cultureel zo succesvol is.

Het lijkt er sterk op dat al vanaf 2010 wat landhuis Oud Amelisweerd betreft het Utrechtse gemeentebestuur verdwaald is geraakt in een papieren werkelijkheid van scenario’s, visies, haalbaarheidsonderzoeken en plannen die vooral dienen om zich achter te verschuilen en een beeld van daadkracht en volwassen bestuur te suggereren. Deskundigen die weten wat een museum nodig heeft worden buiten de besluitvorming gehouden. Soms mogen ze een advies geven dat dient als een nieuwe verdedigingswal in de papieren werkelijkheid.

Nodig is een krachtige bestuurder met verstand van en liefde voor de kunst én de museumsector die de daadkracht en ambitie heeft om dit project vlot ter trekken. Zo complex is het nou ook weer niet mits de goede deskundigen erbij gehaald worden zonder de beperking van een sturende opdracht waarvan de uitkomst al zo goed als vaststaat voordat het onderzoek begint. Alle opties moeten op tafel kunnen komen.

In zijn antwoord maakt Eerenberg een voor de Utrechters alarmerend en vanuit zijn standpunt gezien defensief voorbehoud als hij zegt: ‘Zowel in de pandvisie als in het bestemmingsplan is omschreven dat onder andere een culturele invulling tot de mogelijkheden behoort. Die museale bestemming zet hij dus op losse schroeven. Dit ondanks de aangenomen motie 111 uit 2017 die constateert dat de gemeente een zorgtaak heeft voor de collecties die onlosmakelijk verbonden zijn aan het landhuis en die het gemeentebestuur naar de geest en de letter opdraagt om landhuis Oud Amelisweerd open te stellen. Men kan niet anders dan medelijden hebben met Eerenberg en zijn beleidsmedewerkers die zich aan bestuurlijke afspraken willen onttrekken.

De treurige conclusie van deze episode van een al ruim 10 jaar slepende kwestie van een prima met veel gemeenschapsgeld gerestaureerd rijksmonument is dat er in al die tijd geen vooruitgang is geboekt en het gemeentebestuur zelf niet echt initiatief neemt, maar zich telkens laat overvallen door toevalligheden die zich aandienen en daarom in cirkels ronddraait en achter de feiten aanloopt.

Vanwege het gebrek aan visie én desinteresse heeft het gemeentebestuur dit dossier bij de UVO geparkeerd die het afschermt. Het begin van een oplossing is simpel. Het gemeentebestuur moet voltallig besluiten om landhuis Oud Amelisweerd een goede museale bestemming te geven en dat serieus te gaan onderzoeken.

Wellicht kunnen de Utrechtse D66’ers die als wethouders direct bij dit dossier zijn betrokken inspiratie putten en een focus vinden die ze tot nu toe missen uit het standpunt over cultuur van hun partij: ‘D66 wil daarom gericht investeren in het herstel van cultuur’. Toen Eerenberg in 2015 wethouder in Enschede was zag hij er geen gat in om voetbalclub FC Twente een garantstelling van 32 miljoen euro te geven. Zijn argumentatie was dat de gemeente wel moest bijspringen omdat het verlies anders nog groter werd. Welnu, bij landhuis Oud Amelisweerd is dat niet anders. Dat kan Utrecht niet doen door structurele subsidie te geven voor de exploitatie omdat de raad in 2012 in een overgenomen motie het gemeentebestuur opdroeg dat na te laten, maar wel door te investeren in een duurzame, toekomstbestendige bestemming van landhuis Oud Amelisweerd.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelBeheerders en vrijwilligers Oud-Amelisweerd voelen zich genegeerd en aan de kant gezet door gemeente Utrecht’ in ’t Groentje/ Bunniks Nieuws, 6 februari 2021 (achter betaalmuur).

Pleidooi om sociaal-economische status leidend te laten zijn in de Code Diversiteit & Inclusie

Sterk pleidooi van de Franse filosoof en romancier Pascal Bruckner in interview in het FD om diversiteit breder te interpreteren dan huidskleur. Sociaal-culturele onderwerpen als identiteit drukken de sociaal-economische onderwerpen (sociaal-economische status, opleidingsniveau) weg zonder dat dit goed beseft wordt. Dat is een ongewenste en eenzijdige situatie. Het lijkt een taboe dat zo sterk is dat het niet eens als probleem benoemd wordt.

Via een omweg krijgt Bruckner ook gelijk voor wat Nederland betreft. De kunstsector is er een duidelijk voorbeeld van hoe die eenzijdige aandacht voor huidskleur ontspoort. Bizar en tamelijk onverklaarbaar is dat in Nederland de kunstsector een Code Diversiteit en Inclusie als norm heeft ingesteld die allerlei soorten achterstelling van minderheidsgroepen in beschouwing neemt, waaronder sociaal-economische status. Naast gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie opleidingsniveau en leeftijd.

Maar in de media, de kunstjournalistiek, de kunstsector en de publieke opinie lijkt die brede opvatting van diversiteit niet door te dringen. Het wordt nog steeds weggemoffeld ten koste van het dominante debat over identiteit, huidskleur, ras, slavernij en kolonialisme dat door radicale groeperingen wordt gevoed. Als hun inzet begrijpelijk is, dan is die van de kunstjournalistiek of de kunstsector niet. Die laatste is lui en gemakzuchtig, en laat zich vooral kennen als -hier komt het scheldwoord- elitair.

Want het lijkt er sterk op dat hoogopgeleide kunstjournalisten en kunstbobo’s zich meer kunnen identificeren met buitenlandse, zwarte kunstenaars die doorgaans ook een goede opleiding hebben en uit de hogere middenklasse afkomstig zijn, dan met witte, Nederlandse kunstenaars met een sociaal-economische achterstandspositie, weinig netwerk en gebrekkige sociale vaardigheden. Het is de vraag of deze kunstjournalisten en kunstbobo’s hun eigen gebrekkige blik beseffen of dat ze die juist bewust in stand houden. Wat is trouwens kwalijker?

Hoe dan ook is het de hoogste tijd dat in het debat over achterstanden en de terecht oproep om die weg te werken de obsessie met huidskleur stopt en ophoudt de belangrijkste norm te zijn die bepaalt wat achterstand is. Hoewel zoals gezegd de leidende gedragscode in de kunstsector daar allang aan voorbij is gegaan. De sociaal-economische norm is belangrijker en omvangrijker en verdient het om dominant te zijn in het debat. In de praktijk zullen in veel gevallen trouwens identiteit en sociaal-economische achterstand samenvallen, zodat dit onderwerp niet uit het debat hoeft te verdwijnen. Maar het kader waarbinnen het besproken wordt verdient het om breder te zijn.

Het is niet zinvol om witte mensen in een achterstandspositie die er economisch en sociaal slecht voorstaan te verwijten dat ze lid zijn van een bevoorrechte klasse, terwijl zij of hun ouders en kinderen daar nooit van hebben geprofiteerd. Dat maakt mensen terecht opstandig en drijft ze in de armen van ultra-rechts. Als vervolgens (kunst)journalisten en kunstbobo’s de retoriek van links-radicale activisten overnemen en blijvend verkondigen, en de witte achterstandsgroepen verwijten ultra-rechtse sympathieën te hebben, dan wordt het misverstand versterkt en de kloof verder verbreed. Deze kunstjournalisten en kunstbobo’s maken zo een gevolg tot oorzaak en denken in hun dwaling zelfs dat ze het goede doen.

In het verlengde hiervan dient bij de collectievorming van musea beter beseft te worden dat kunst van witte Nederlandse kunstenaars met een lagere sociaal-economische status eveneens ondervertegenwoordigd is als kunst van andere achterstands- en minderheidsgroepen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelInteressant: alleen blanken worden gesommeerd diverser te zijn’’ in het FD, 29 januari 2021.

Gedachte bij de foto ‘Fiac (Foire Internationale d’Art Contemporain), Grand Palais, 8ème arrondissement, Paris’ (1983)

Het is maar een kleine, doch niet onbelangrijke gedachte. Namelijk dat de ‘vijand’ hetzelfde kan denken als de beschouwer. Dat is de empathische variant van het waarschuwende gezegde ‘Feind hört mit!. Dat kan iedereen zijn. Het kunnen Donald Trump en oprichter Q Clearance Patriot van QAnon zijn, gestaalde Leninisten die de wereld willen verbeteren door die te vernietigen, religieuze scherpslijpers die claimen alleen de wijsheid in pacht te hebben, complotdenkers die COVID-19 als een griepje voorstellen of kunsthaters die de functie van kunst ontkennen of terugbrengen tot amusement of een middel om politiek te bedrijven.

Het vergt soms een forse portie hersengymnastiek om je je voor te stellen hoe de vijand denkt. Maar bij bovenstaande foto van Christian Louis uit 1983 is dat niet moeilijk. Het is een variatie op de stelregel ‘de grootste vijand ben je zelf’. Hoewel dat ook weer tot een cliché is geworden in de softe kanten van de lifestyle, de mindfulness-industrie en adverteerders die een product willen slijten met pseudo-interessante zwaarwichtigheid.

De titel van de foto is ‘Fiac (Foire Internationale d’Art Contemporain ), Grand Palais, 8ème arrondissement, Paris’ en de fotograaf zet zijn handtekening onder de foto alsof het een schilderij of tekening betreft. De indirecte associatie met het schilderij ‘La reproduction interdite (Verboden af te beelden)‘ van René Magritte uit de collectie van Museum Boijmans is aanwezig. De twee mannen poseren met een interessante blik voor de schilderijen. Voor de kunsthater is het een koud kunstje om van dit ensemble dat de pretentie stapelt alsof het bakstenen zijn gehakt te maken.

Voor deze uitzonderlijke keer schaar ik me aan de kant van de kunsthaters. Soms brengt zelfingenomenheid van ‘vrienden’ kunst meer schade toe dan ‘vijanden’ doen. De grootste vijand van onszelf zijn we soms zelf. Mee eens? 

Zie hier voor een verslag van de kunstbeurs FIAC 1983.

Foto: Christian Louis, Fiac (Foire Internationale d’Art Contemporain), Grand Palais, 8ème arrondissement, Paris’. Collectie: Musée Carnavalet, Histoire de Paris.

Raad van Toezicht van het NMVW moet zich alsnog bezinnen op de toekomst. Het oude beleid is mislukt, gedateerd en dood als een pier

Positief nieuws voor het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMVW): algemeen directeur Stijn Schoonderwoerd vertrekt naar Nationale Opera & Ballet waar hij per 1 februari 2021 algemeen directeur wordt. Dat geeft zicht op een nieuwe koers, op een herformulering weg van het populisme en de politieke correctheid die tijdens Schoonderwoerds directoraat (2012-2021) werden doorgevoerd. Met als gevolg dat het NMVW afgelopen jaren in coma is geraakt.

De musea van het NMVW moeten weer echte musea worden waar met plezier professioneel gewerkt worden en het om de kunst gaat. Nu zijn het locaties waar het amateuristisch handelen van goedwillenden de boventoon voert. Bij een herstart moeten op belangrijke functies weer kundige museumprofessionals benoemd worden.

Schoonderwoerds vertrek geeft dus ruimte aan museumprofessionals en professioneel handelen bij het NMVW waar het de afgelopen jaren zo aan heeft ontbroken. Het NMVW moet uit de ivoren toeren afdalen en weer met de voeten in de museale modder gaan staan. Dat dit de afgelopen jaren zo slecht is doorgedrongen tot de publieke opinie is grotendeels de Nederlandse kunstjournalistiek te verwijten. Ze kunnen geweten hebben wat er aan schortte, maar hebben er geen verslag van gedaan. Of de Raad van Toezicht het inzicht, de daadkracht, de geesteshouding en de ambitie heeft om zich fundamenteel te bezinnen op een nieuwe koers is de hamvraag.

Het is onduidelijk welke constructie de Raad van Toezicht voor de toekomst als gewenst ziet. De koepelformule van vier musea, te weten Tropemmuseum, Afrika Museum, Museum Volkenkunde en Wereldmuseum (dat er losjes aan is verbonden) is topzwaar en leeghoofdig en lijkt uitgewerkt. Gewenst is een formule waarbij de vier musea autonomie hebben en vanuit hun eigen collectie autonoom tentoonstellingen kunnen maken. Dat kan dan aangestuurd worden door een locatiedirecteur of hoofdconservator.

Een teken aan de wand dat de huidige koers wordt voortgezet is de benoeming van Wayne Modest tot inhoudelijk directeur, aldus een bericht van het Tropenmuseum. Volgens Schoonderwoerd is door de benoeming van Modest de ‘continuïteit in de directie na mijn vertrek verzekerd. Ik vertrek dan ook met een gerust hart, in de wetenschap dat met Wayne als inhoudelijk directeur ons beleid wordt voortgezet.’ Hiermee verklaart Schoonderwoerd Modest tot bijwagen van zichzelf. Het is nog maar de vraag of Modest dat echt is. Schoonderwoerd heeft echter gelijk als hij beweert dat het huidige beleid eruit bestaat dat Modest en hij weinig tot niks van kunst weten. Het is bedenkelijk genoeg dat iemand met zo’n profiel inhoudelijk directeur van een kunstmuseum kan worden. Zijn profiel sluit eerder aan bij de functie van een leidinggevende  van een theoretisch-wetenschappelijk bureau als toeleverancier voor een museum.

Het is ronduit potsierlijk als Schoonderwoerd in het interview met Trouw zegt dat kunstmusea de agenda van het NMVW overnemen: ‘Met tevredenheid stel ik vast dat nu andere musea ook de thema’s overnemen die hoog op onze agenda stonden. Ook kunstmusea wijden nu volop aandacht aan ons koloniale verleden.’ Dit schouderklopje dat Schoonderwoerd zichzelf geeft is niet alleen protserig en pocherig, maar ook naast de waarheid. Als andere musea dezelfde agenda volgen wil dat niet zeggen dat dit door het NMVW is geïnitieerd. Het valt eerder te verwachten dat het op enig moment ‘in de lucht hing’ of dat er een gemeenschappelijk bron is waar het NMVW ook van heeft ‘geleend’.

Indien de voortzetting van het oude beleid uitgerekend dat is wat niet moet gebeuren en een nieuwe algemeen directeur ook niet wil dat dat gebeurt, loopt Schoonderwoerd met de tegelijk late en voortijdige benoeming van Modest zijn opvolger voor de voeten. Dat is van Schoonderwoerd niet netjes en van de Raad van Toezicht niet verstandig. De Raad van Toezicht had hier op z’n minst een bredere visie op moeten ontwikkelen en daar naar moeten handelen. Dat doet het niet. Dat baart zorgen. De Raad van Toezicht had een rustperiode moeten inlassen na Schoonderwoerds vertrek om zich te bezinnen op de toekomst. Onder meer over het optimale beleid dat niet meer bij 2012 maar bij 2021 past. Het heeft vooralsnog die kans voorbij laten gaan, maar kan dat alsnog corrigeren.

Voorstelbaar is een constructie met een algemeen/zakelijk directeur (belangenbehartiging, marketing, fondsenwerving en financiën); een directeur van het wetenschappelijk bureau en de nevenprogrammering met lezingen en publicaties ed. (Modest) en locatiehoofden voor de vier musea die in volle autonomie en met een eigen budget de kunst en de museale onderdelen (presentatie, collectie, registratie) voor hun rekening nemen.

Een bijzondere positie neemt het Wereldmuseum in. De laatste spectaculaire tentoonstelling was Powermask van conservator Alexandra van Dongen en gastconservator Walter Van Beirendonck. Zie hier voor mijn commentaar uit 2017 over deze tentoonstelling. De twee ‘Rotterdamse’ leden in de Raad van Toezicht (Patricia de Weichs de Wenne en Liane van der Linden) kunnen hun kans grijpen om te eisen dat de onder Schoonderwoerd verwaarloosde Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum dat in een motie in de Rotterdamse gemeenteraad als voorwaarde voor financiële steun aan de koepel is gesteld serieus wordt genomen. Het herstel van de Rotterdamse signatuur kunnen ze als eis aan de nieuwe algemeen directeur stellen. De vergroting van de autonomie van de vier afzonderlijke musea met elk een locatiedirecteur of hoofdconservator als hoofd zou dat bezwaar wegnemen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelHet Museum van Wereldculturen voelt zich weer springlevend. ‘Anderen nemen onze agenda over’ in Trouw, 5 januari 2021.

Winkeldrukte in Wenen: de gouden zondag (1893-1960)

Winkeldrukte op wat in Duitstalige landen de gouden zondag, Der Goldene Sonntag, wordt genoemd. In de tijden dat winkels doorgaans op zondag dicht waren. Het is de zondag voor Kerstmis. Uiteraard was de openstelling ter profijt van handelaars en winkeliers. Met medewerking van mensen die graag collectief in de rij staan en zich in drukke winkels en warenhuizen begeven. Het fenomeen Black Friday is niks nieuws. Het katholieke Oostenrijk kreeg in navolging van Berlijn vanaf 1893 ook een gouden zondag, aldus een bericht van het Wien Museum. En zelfs een zilveren zondag, een week eerder. En vermoedelijk vanaf 1933 zelfs een koperen zondag, nog weer een week eerder.

In 1960 vond voorlopig de laatste gouden zondag plaats in Wenen. Onder druk van het katholieke volksdeel en de socialistische gouverneur van de provincie Wenen Franz Jonas. Er was uit deze kringen al eerder kritiek op geuit. Ter compensatie werden de openingstijden op zaterdag uitgebreid. Zodat de Oostenrijkers hun zilveren en gouden zondag inwisselden voor een zilveren en gouden zaterdag. Want inkopen moeten worden gedaan. Zo geloven ze.

Foto 1: ‘Goldener Sonntag im Kaufhaus Gerngross auf der Mariahilfer Straße, 18. Dezember 1960, Foto: Votava / Imagno / picturedesk.com’. Collectie: Wien Museum.

Foto 2: ‘Auch am „Silbernen Sonntag“, dem vorletzten Sonntag vor Weihnachten, konnte in Wien eingekauft werden, hier am 11. Dezember 1955 auf der Mariahilfer Straße, Foto: Votava / Imagno / picturedesk.com‘. Collectie: Wien Museum.

Nicole Fritz praat over de systeemrelevantie van kunst. Waarom horen we dat zo weinig van directeuren van grotere tentoonstellingsruimten?

Frau Doktor Nicole Fritz is directeur van de Kunsthalle Tübingen. Kortgeleden kondigde ze aan dat de kunsthal jammergenoeg weer gesloten wordt vanwege COVID-19. Voorlopig tot 20 december 2020. Ze zegt ook dat kunst meer is dan amusement. Dat kan op twee manieren opgevat worden en het is onduidelijk wat ze bedoelt. Ze laat dat in het midden, Is kunst amusement en meer of is kunst alleen meer dan amusement?

Fritz verwees naar de functie van kunst om innerlijke tegenstand te mobiliseren en zou daarom juist nu systeemrelevant zijn. De kanttekening waarom kunst ‘juist nu’ systeemrelevant is en niet altijd roept haar uitspraak op. Toch is het goedbedoeld wat ze zegt. Het is verfrissend om een directeur van een kunsthal over de functie van kunst te horen praten en niet over bezoekcijfers, politiek, marketing met bekende namen, contacten met verzamelaars en kunsthandel, verbouwingen, en de tentoonstellingsruimte als evenement en plek voor beleving.

Directeur Fritz raakte de kern van wat de functie van kunst is. Of poogde die te raken. Zo boud uitgesproken is dat van directeuren van grotere tentoonstellingsruimten nauwelijks meer te horen. Dat reliëf biedt haar korte optreden.

Musea en kunstinitiatieven moeten afstand houden tot cancelcultuur. Emancipatiestreven eindigt vaak in intolerantie en nieuw vooroordeel

Ik moest bij lezing van een artikel in Het Parool over cancelcultuur in de kunsten met bovenstaand citaat van Raisa Blommestijn (docent en promovendus aan de rechtenfaculteit van de Universiteit Leiden) denken aan een observatie van Renate Rubinstein die Paul Scheffer in zijn NRC-column van 27 november 2020 noemt:

Rubinstein verwijst vanuit de vorige eeuw naar andere verschijnselen, maar het principe is hetzelfde. Wat zij constateert is afgelopen jaren gebeurd in de kunsten. Zoals zij het meer dan 30 jaar geleden voorzag. Men kan zich alleen maar afvragen waarom er in de publieke opinie geen Rubinstein 2.0 is opgestaan die met een scherpe analyse de promoters van de cancelcultuur alle hoeken van de kamer liet zien. Dat is het verschil met toen. Kritiek op de cancelcultuur was er wel, maar die bleef tamelijk onopgemerkt. Wellicht heeft dat te maken met de fragmentatie van de publieke opinie die in Rubinsteins tijd nog niet in die mate bestond. Nu kwamen actie en reactie uit de Angelsaksische wereld en waren de Nederlandse opinieleiders en kunstsector een tamelijk passieve partij. Tekenend was dat de Nederlands-Britse commentator Ian Buruma in de Nederlandse publieke opinie zich het felst uitsprak tegen de cancelcultuur. Mede omdat hij er persoonlijk het slachtoffer van was geworden.

Een groep die valt te omschrijven als links-radicaal en opkomt voor gelijkheid en streeft naar emancipatie is doorgeslagen en in haar tegendeel verkeerd. Tijdelijk kunnen best vanzelfsprekendheden worden opgeschort om achterstanden van minderheidsgroepen weg te werken, maar als dat een nieuwe structurele ongelijkheid introduceert dan schiet het zijn doel voorbij.

Ongelukkig is ook dat de kwetsbare, weerloze en kleine, maar oh zo sexy kunstsector het doelwit is. Waar heeft de kunst die onwelkome aandacht aan te wijten? Het tragische is dat vele Nederlandse kunstinstellingen zich niet goed weten te verhouden tot die doorgeslagen en niet meer te begrenzen emancipatie en in vele gevallen met open ogen in de fuik van de intolerantie lopen. Waarmee deze musea of kunstinitiatieven vooral zichzelf beschadigen en achter het verkeerde vaandel aanlopen. Als ze zich hiervan uiteindelijk bewust werden, dan moeten ze tot hun schrik constateren dat ze niet meer op hun schreden kunnen omkeren.

De les voor Nederlandse musea en kunstinitiatieven is dat een afkoelingsperiode moeten inlassen. De verstandige en goed bestuurde instellingen hebben dat ook gedaan. Ze moeten zich even stilhouden en pas op de plaats maken. Niks doen. Ze moeten zich niet op laten jagen door een radicale minderheid en de veiligheid inbouwen dat die niet het interne debat overnemen en gaan domineren.

Musea en kunstinstellingen moeten zich niet onder druk laten zetten door een vaak van buiten de Nederlandse grenzen opererende kosmopolitische links-radicale lobby. Hoe sympathiek en lovenswaardig hun uitgangspunten ook zijn. De actievoerders zijn vaak niet eens goed op de hoogte van de situatie in de Nederlandse kunstsector, of worden uitsluitend voorgelicht door selectieve ’tolken’ die de internationale agenda weer met hun Nederlandse agenda en eigenbelang combineren. De projecties en dwarsverbanden zijn eindeloos en werken verwarrend, ook wat de herkomst ervan betreft.

Mikpunt zijn naïeve bestuurders die zich laten intimideren. Dieptepunt was het debat in het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With met een bestuur dat zich onder druk liet zetten door een radicale minderheid en een nieuwe generatie die de kans rook om een voet tussen de deur te krijgen. Zo grijpen incidentele en structurele wetmatigheden in elkaar. Dat is van alle tijden. Zoals de ontsporingen van emancipatiebewegingen die in hun tegendeel verkeren en de roep om gelijkheid en tolerantie inwisselen voor een houding van ongelijkheid en intolerantie en dat ook zijn. De kunstsector is gewaarschuwd om alert en niet al te naïef te zijn. Meegaan met een bevrijdingsstrijd is in beginsel niet verkeerd, maar omdat je nooit weet waar het eindigt valt het toch af te raden.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelCancelcultuur in de kunstwereld: hoe compromisloos kan kunst nog zijn?’ van

Foto 2: Schermafbeelding van deel columnWie bij zichzelf te rade gaat is nooit vrij van angst’ van Paul Scheffer in NRC, 27 november 2020.