Er is onvoldoende toezicht op brede toepassing van Code Diversiteit & Inclusie in culturele sector

Schermafbeelding van deel interviewClose Up:“Diversiteitsadviseur” op Culture Vacatures, 12 mei 2022.

Van de Code Diversiteit & Inclusie in de culturele sector (2019) ben ik in theorie een groot voorstander. De code is in 2019 verbreed en dat geeft het in mijn ogen meerwaarde en evenwicht. Maar als de code in de praktijk te beperkt en eenzijdig wordt toegepast, dan ben ik er een tegenstander van. Het risico zit erin dat de gedragscode ‘een instrument van zelfregulering‘ is. Er is geen toezicht op dat de gedragscode goed wordt toegepast.

De site Code Culturele Diversiteit zegt over die verbreding in een bericht van vermoedelijk 2019 op de voorpagina: ‘Het actuele debat over een inclusieve samenleving en gelijke kansen voor iedereen heeft geleid tot een nieuwe, breder inzetbare gedragscode. Het perspectief op het onderwerp is verbreed van culturele diversiteit naar diversiteit en inclusie.’ Wat de status van deze site is en hoe de kwaliteit van het eigen aanbod is gegarandeerd valt niet na te gaan.

De Code Diversiteit & Inclusie geeft weer wat die verbreding en de nieuwe opvatting van diversiteit inhoudt:

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Diversiteit’ in de Code Diversiteit & Inclusie in de culturele sector (2019).

Met dat pre-2019 niet-verbrede begrip ‘culturele diversiteit‘ wordt in het algemeen verwezen naar een ‘culturele en etnische achtergrond’ van wat ook wel minderheidsgroepen worden genoemd. Dat kan gaan over werknemers, een verzamelbeleid of het geven van prijzen. Het streven is een betere representatie van minderheidsgroepen of achtergestelde groepen.

Uit de actualiteit van het toekennen van prijzen in de kunstsector lijkt het er vaak op dat het nog geen 2019 is. Etniciteit blijkt en blijft op het oog een belangrijk criterium voor het toekennen van prijzen. Naast gender. Alsof nog steeds onrecht moet worden rechtgetrokken. Er zijn gelukkig uitzonderingen, zoals de nominatie van Bruin Parry (die ‘een chromosoompje meer heeft‘) voor De Volkskrant Beeldende Kunst Prijs 2022. Prima gedaan jury, om de Code Diversiteit & Inclusie nu in de praktijk breed toe te passen zoals het bedoeld is.

De brede opvatting klinkt nog onvoldoende door in de kunst- en museumsector. De huidige toepassing is aan de mode van politieke druk onderhevig. Waar zijn de benoemingen, prijzen en kunstaankopen van mensen met een ‘lage’ sociaaleconomische status? Of van mensen met een geestelijke of lichamelijke beperking? Of van mensen met een ‘laag’ opleidingsniveau?

Het is opvallend dat de Code Diversiteit & Inclusie (nog steeds) zo slecht wordt toegepast. Diversiteit & Inclusie is een hele industrie geworden die zich nog steeds in de pioniersfase bevindt en onvoldoende gereguleerd is.

Dat blijkt onder meer uit genoemde site Code Culturele Diversiteit waar zich een kleine 50 ‘Diversiteitsexperts‘ hebben aangemeld. Er staat: ‘Instellingen die aan de slag willen met de Code Culturele Diversiteit en Inclusie en niet de kennis in huis hebben om hier serieus handen en voeten aan te geven, kunnen op zoek gaan in het onderstaande overzicht van experts en gespecialiseerde bureaus.’ Het toont vrijblijvend. Waaruit bestaat het toezicht op de brede toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie en op de kwaliteit van de ‘diversiteitsexperts‘?

Diversiteitsadviseur in de cultuursector Mourad El Moussati die onder meer door Museum Boijmans van Beuningen in de arm wordt genomen reflecteert op zijn werk in een interview met Culturele Vacatures dat helder wil krijgen wat een diversiteitsadviseur in de culturele sector is.

In het interview loopt El Moussati ongemerkt in de val van een beperkte opvatting van diversiteit. Omdat het zo leerzaam is om te zien is dit interview een voorbeeld van hoe het niet moet. In theorie zet hij overtuigend en professioneel uiteen hoe breed diversiteit is en hoe instellingen goed moeten nadenken hoe ze met diversiteit aan de slag gaan. Tot zover klinkt het verstandig en aannemelijk.

Maar dan kiest het interview een foute afslag als de interviewster El Moussati’s eigen achtergrond erbij haalt. Dan trapt hij in de val van de etniciteit en migratieachtergrond door daar te veel in mee te gaan. Terwijl hij zojuist uitgelegd heeft dat diversiteit breed is en meer is dan etniciteit. Hij wordt gedwongen zichzelf tegen te spreken. Alsof zijn eigen achtergrond de kwestie diversiteit verduidelijkt. De brede toepassing van de Code Diversiteit & Inclusie in de culturele sector raakt weer eens uit zicht. Tegen alle goede bedoelingen in.

Schermafbeelding van deel interviewClose Up:“Diversiteitsadviseur” op Culture Vacatures, 12 mei 2022.

Kritiek op Drents Museum dat half miljoen euro van NAM in ontvangst neemt

Schermafbeelding van deel artikel Drents Museum krijgt half miljoen euro van NAM voor verbouwing‘ op RTV Drenthe, 20 september 2022.

Een gift van 500.000 euro van de NAM voor het Drents Museum legt het accent op het ethisch handelen van musea. Hoe zuiver gedragen ze zich? Er is veel kritiek op het Drents Museum dat de gift in ontvangst neemt.

Musea hebben er doorgaans weinig moeite mee om de eigen goede naam naam of die van de museumsector in het algemeen voor geld te verkopen. Door het aannemen van sponsorgeld van controversiële gevers tegen wie veel maatschappelijke weerstand bestaat en waarvan betreffend museum op de hoogte is komen ze op een glijdende schaal terecht.

Nog steeds een schandvlek voor de Nederlandse museumsector is het Ammodo-pensioengeld dat havenarbeiders op slinkse wijze werd ontfutseld. Het werd omgekat tot een goede doelen-fonds. Een kleine 10 beeldbepalende Nederlandse musea zagen er geen moreel bezwaar in om in vol bewustzijn over deze misstand dit besmette geld aan te nemen. Kamerlid Pieter Omtzigt zei daarover: ‘De ontvangers moeten weten waar het geld vandaan komt en moeten overwegen het niet in ontvangst te nemen‘.

De gedragscode (2012) van het Instituut Fondsenwerving dat overigens weinig gezag afdwingt zegt in artikel 1.4.6: ‘Iedereen
 die
 organisaties
 of
 projecten 
in
 de 
sector
wil
 steunen, 
met
 respect
 voor
 de 
belangen van 
de
 organisatie
 en
van 
de
 consumenten,
 zal 
naar 
algemene 
fatsoensnormen 
en 
met

 respect
 voor
 hun
 wensen
 worden 
behandeld.
 Ter 
bescherming 
van 
de 
goede
 naam 
van 
de

 organisatie
 en
 van
 de 
sector 
in 
het
 algemeen 
worden 
bepaalde 
donateurs 
echter
 bij
 voorbaat

 geweerd 
als 
het 
risico 
bestaat
 dat 
de
 geloofwaardigheid 
van 
de 
organisatie 
in 
het 
geding 
kan

 komen.’

We kennen de NAM (Shell en ExxonMobil) dat niet alleen decennia lang het Groningse gas heeft geëxploiteerd, maar ook als een organisatie die moeilijk begon te doen over het vergoeden van schade aan huizen in Groningen ten gevolge van de bodemdaling door gaswinning. Dat was nadat de regering in 2018 bekendmaakte de gaskraan dicht te gaan draaien. De regering heeft de regie van het herstel, maar de NAM moet dokken.

Het is wellicht wat te simpel gedacht om te vragen of die 500.000 euro niet beter past bij Groningers die een beschadigd huis hebben ten gevolge van de gaswinning en nog steeds op het geld van de NAM wachten. Maar het geeft wel aan hoe gevoelig dit in Groningen ligt. NAM en Drents Museum gaan daar willens en wetens aan voorbij.

Directeur Harry Tupan van het Drents Museum zegt dat hij begrijpt dat de goede naam van het Drents Museum in gevaar kan komen door het aannemen van het sponsorgeld van de NAM. In een artikel van 20 september 2022 op RTV Drenthe reageert hij desgevraagd over de gift van 500.000 euro aan het Drents Museum.

Schermafbeelding van deel artikel Drents Museum krijgt half miljoen euro van NAM voor verbouwing‘ op RTV Drenthe, 20 september 2022.

Tupan verschuilt zich achter een uitleg dat het ingewikkeld is. Dat is onzin. Er is niets ingewikkeld. Tupan presenteert het als ingewikkeld zodat hij zich daar achter kan verschuilen. Er is algemeen beleid over sponsoring en fondsenwerving om dit geld niet in ontvangst te nemen. Voor iemand met een zuiver geweten is het niet ingewikkeld, maar simpel. Van de NAM die in het Noorden nog zoveel schade aan huizen heeft te vergoeden neem je geen sponsorgeld in ontvangst. Tupan brengt de geloofwaardigheid van het Drents Museum in gevaar.

In een opinie-artikel van 26 september 2022 in het Dagblad van het Noorden ziet klimaatwetenschapper Leo van Kampenhout van Extinction Rebellion Drenthe de beslissing van Tupan en het Drents Museum als ‘een moreel verkeerde beslissing’. Hij beredeneert het vanuit de klimaatcrisis. Hij schrijft: ‘Kortom, het Drents Museum maakt moreel gezien de verkeerde beslissing door de NAM te blijven greenwashen.’

Schermafbeelding van deel opinie-artikelEn weer neemt Drents Museum geld aan van de NAM. Een moreel verkeerde beslissing‘ in het DvhN, 26 september 2022.

Waarom de foto’s van Jimmy Nelson hypocriet zijn en de serieusheid van de Nederlandse museumsector bedreigen

Marian, Carlien, Ineke en Sjaco (Axelse dracht). © Jimmy Nelson. In de PZC van 17 september 2022.

De keuze voor fotograaf Jimmy Nelson door het NMvW (Nationaal Museum van Wereldculturen) in het Afrikamuseum heb ik altijd ongepast en onbegrijpelijk gevonden. Hoe die keuze tot stand is gekomen zou een interessant onderwerp voor onderzoeksjournalistiek zijn. Inhoudelijk-artistieke redenen kunnen het niet geweest zijn.

Het heeft Nelson bij het publiek en de algemene media salonfähig gemaakt. Want museale goedkeuring opent deuren die anders gesloten blijven. Het gevolg is dat Nelson met zijn kitsch nu ook Nederlanders teistert, zoals uit bovenstaande foto blijkt. Trouwens, Axel grenst niet aan zee, laat staan aan het strand. Nelson zet tradities naar zijn hand of verzint ze. De keuze voor Nelson door het NMvW roept vragen op of Nederlandse musea hun artistieke poortwachtersfunctie serieus nemen.

In het commentaarEtnokitsch op het MKB Ondernemerscongres: Jimmy Nelson pretendeert culturele diversiteit van ‘nieuwe culturen’ te behouden‘ uit 2018 schreef ik:

Nelson reist volgens de toelichting van het MKB ‘momenteel de wereld over op zoek naar nieuwe culturen’. De suggestie is dat hij ‘nieuwe culturen’ (?) voor ondergang behoudt door ze op te merken en vast te leggen. 
Maar het omgekeerde is ook mogelijk. Namelijk dat Nelson oude culturen die voor hem nieuwe culturen zijn beschadigt en hij door zijn interventie de culturele diversiteit niet behoudt, maar geweld aandoet. 
Affiche voor de tentoonstelling ‘Jimmy Nelson’ in het Afrika Museum van 15 november 2014 t/m 27 september 2015. Collectie NMvW.

Welk mechanisme is er werkzaam bij musea die hun artistieke poortwachtersfunctie niet serieus nemen? Het kritische opiniestuk van 13 september 2022 in NRC van Hans den Hartog Jager over Studio Drift en Daan Roosegaarde geeft daarop antwoord. Hij noemt het werk van Studio Drift hypocriet en kitsch.

Hij zegt over dit werk: ‘maar het wordt nog erger doordat het Drift-duo hun werk steevast rechtvaardigt met ronkende, semi-geëngageerde teksten en filmpjes waarin voortdurend woorden vallen als urgent, actueel, ecologie en maatschappij.‘ 

Vluchten in grote woorden is precies wat Nelson doet en het NMvW als museum doet. Met als gevolg dat hun claim over engagement of wereldburgerschap de kritiek over de kwaliteit van Nelsons foto’s of de museale professionaliteit van het NMvW op afstand houdt. Dat smoort bij voorbaat kritiek. Dat verdedigingsmechanisme is opzet van fotograaf en museum. De vlucht vooruit in grote woorden en niet te controleren claims over de eigen uitgangspunten is een geniale afleiding waar publiek, politiek en media intrappen. Aangejaagd door de ‘goedkeuring’ van betreffend museum.

In elk geval verdient Nelson veel geld met zijn foto’s. Dat is hem gegund, maar in een volkenkundig museum of kunstmuseum horen zijn foto’s niet thuis. Fantasy is populair.

Het stuk van Hans den Hartog Jager is in de kern een aanval op het collectiebeleid van het Stedelijk Museum. De auteur richt zijn pijlen op de afdeling-design die ‘vrolijk‘ Drift en Roosegaarde naar binnen haalt ‘met hun fake-engagement glimmende consumenten-kitsch‘.

Deze constatering roept een nieuwe vraag op, namelijk of het Stedelijk geen conservatorenoverleg heeft waar alle voorstellen voor aankopen worden afgewogen. Het is merkwaardig als in een kunstmuseum als het Stedelijk een afdeling autonoom en een afdeling-design langs elkaar heen, of zelfs tegen elkaar in, opereren in hun collectiebeleid. Elk museum heeft een kerncollectie en speerpunten waar de aankopen in of bij moeten passen. Het is aan de hoofdconservatoren en de artistieke directeur om dat van geval tot geval te beoordelen. De opinie van Hans den Hartog Jager kan daarom opgevat worden als een frontale aanval op artistiek directeur Rein Wolfs die verweten wordt onvoldoende regie te hebben.

De voorbeelden van NMvW en Stedelijk Museum doen vermoeden dat in sommige musea de wetenschappelijke staf blijkbaar het verschil niet meer kent of erkent tussen kunst en pseudo-kunst. Of door de directie tot zwijgen wordt gebracht. Dat is ontluisterend. Want als museale professionals zoals kunsthistorici echte kunst niet meer kunnen of mogen onderscheiden van pseudo-kunst van Jimmy Nelson, Studio Drift of Daan Roosegaarde bij wie komt die taak dan terecht? Vanaf de buitenkant kan kunstjournalistiek een kritische rol spelen, maar met bescheiden bereik en invloed.

Het is tijd voor een revival van Nederlandse musea richting echtheid. Ze zouden om weer geloofwaardig te worden politieke, artistieke en andersoortige rommel moeten strippen. In hun collectie, verantwoording, marketing en publiciteit. Er zou een keurmerk moeten komen voor echte musea. Het Museumregister meet de kwaliteit van de kwantiteit, niet van de artistieke kwaliteit. De opgave voor serieuze musea is om zich te onderscheiden van rommelmusea als het NMvW en het Stedelijk Museum. Hoe realiseer je dat?

Misleidende kop van nu.nl bij artikel over tentoonstellingsmaker Marlies Kleiterp. Zij is geen kunstenaar en werkt niet bij een museum

Schermafbeelding van deel artikel ‘Scouten en samenstellen: de curator is de kunstenaar achter het museum’ van Danja Koeleman op Nu.nl, 17 september 2022.

Een kop bij een interview met het Hoofd Tentoonstellingen bij De Nieuwe Kerk en Hermitage Amsterdam Marlies Kleiterp zegt dat de curator de kunstenaar achter het museum is. In de weergave van het interview met Kleiterp is geen citaat te vinden waarin ze zegt dat de curator de kunstenaar achter het museum is. De kop komt uit de lucht vallen en dekt de lading niet.

Kleiterp is een tentoonstellingsmaker die in teamverband het tentoonstellingsconcept, de titel, de inrichting en de te tonen objecten van een tentoonstelling bepaalt. De beide instellingen waar Kleiterp werkt hebben geen eigen collectie. Ze zijn functioneel geen museum, maar een kunsthal-achtige instelling die tentoonstellingen ‘vult’ met bruiklenen van musea en particulieren. Het is terecht dat de Nieuwe Kerk en de Hermitage Amsterdam de term ‘museum’ niet in hun naam hebben. Want ze zijn geen museum.

Een conservator werkt bij een museum en heeft als hoofdtaak de verantwoordelijkheid voor een (deel)collectie. Een conservator kan curator zijn als hij of zij in eigen huis of daarbuiten een tentoonstelling maakt. Maar een curator is geen conservator en werkt niet bij een museum. Dus het direct verband in de kop tussen curator en museum is onjuist.

Wat in de kop nog meer de plank misslaat is de bewering dat de curator de kunstenaar is. Dat is misleidend. Een curator is geen kunstenaar, maar een tentoonstellingsmaker. In de reacties bij dit artikel merkt ‘Frits Groenen’ op: ‘De curator is geen kunstenaar. Dit is een kwalijke misvatting. Doordat curatoren dat zijn gaan denken zijn de kunstenaars die getoond worden niet meer dan illustratoren bij een, meestal, zwak verhaal. Je ziet zelden nog goede oeuvretentoonstellingen omdat het ego van curatoren er met hun eigen verhaal tussen willen zitten‘.

Of deze egotripperij ook geldt voor Marlies Kleiterp valt niet uit het interview af te leiden. Overigens zijn tentoonstellingsmakers niet de enigen in de kunst die leiden aan zelfoverschatting en hun grenzen niet kennen. Dat geldt ook voor toneelregisseurs van repertoire die menen toneelstukken van gelouterde auteurs respectloos te kunnen aanpassen, zo niet verbeteren. Of dirigenten in de klassieke muziek die zich kunstenaar als Bach, Mozart of Beethoven wanen. Maar net als tentoonstellingsmakers interpreteren ze kunst van anderen. Van echte kunstenaars.

De overschatting in de kop die de curator als kunstenaar ziet is de overschatting van de intermediair die zich onrechtmatig de rol van kunstenaar toe-eigent of die door anderen toegedicht krijgt. Een curator in een kunstruimte assembleert uit kunstobjecten van kunstenaars een tentoonstelling en bemoeit zich met inrichting, publiciteit en marketing. Dat is een kwestie van vakmatigheid, ervaring, sociale slimheid en inventiviteit. Maar niet van kunstenaarschap.

Kortom, de kop gaat op twee manieren de fout in. Een curator is geen kunstenaar en het genoemde Hoofd Tentoonstellingen bij De Nieuwe Kerk en Hermitage Amsterdam Marlies Kleiterp kan hoe dan ook geen ‘kunstenaar achter het museum‘ zijn omdat ze niet bij een museum werkzaam is. De eindredacteur van nu.nl die de kop maakte heeft er geen snars van begrepen.

Zoektocht naar foto van onbekende man in Noorse collectie leidt naar Leidse hoogleraar Kristensen (1897-1899)

Anton. J. van der Stok, ‘Mann, ukjent, portrett‘. Collectie: Stichting Lillehammer Museum.

Wie regelmatig in digitale beeldcollecties zoekt kan zich erover verbazen hoe die collecties over landgrenzen heen elkaar niet of slecht aanvullen. Waarom komt die aansluiting tussen landen zo slecht tot stand? Waarom is er blijkbaar onvoldoende samenwerking om de lacune in elkaars collecties aan te vullen?

Neem de fotoMann, ukjent, portrett‘ in de collectie van de Noorse digitale collectie van Aulestad / Lillehammer. Bij de beschrijving staat in het Noors: ‘Man, onbekend, portret’. Als datering wordt 1880 – 1900 gegeven. Hoe valt de naam van de onbekende man te achterhalen? Zoals zo vaak gaat dat door het combineren van gegevens en het wegstrepen van opties.

Een belangrijke aanwijzing is de naam en het adres van het atelier waar de foto is gemaakt. De Noorse collectie geeft de naam van de fotograaf verkeerd weer. Het is niet ‘Van der Stock’, maar ‘Van der Stok’. Volgens de RKD had Anton van der Stok van 1 januari 1887 tot 3 december 1899 een atelier op het Rapenburg 13 in Leiden. Daarna verhuisde hij naar de Breestraat 149.

Op de achterkant van een foto van Jan de Vries met datering 1903 in de digitale collectie van de Universiteit Leiden is het adres Rapenburg 13 doorgestreept en vervangen door Breestraat 149.

De onbekende man op de foto lijkt een hoogleraar. Met professorale baret. Omdat de foto in Leiden is genomen, mag men veronderstellen dat hij is verbonden aan de Universiteit Leiden. De man zou een hoogleraar kunnen zijn die tussen 1887 en 1899 werkzaam was aan de Universiteit Leiden. Hoe kunnen we dat staven?

Maar dan zijn we er nog niet. De volgende vraag is hoe deze foto terechtkomt in Lillehammer in een Noorse provinciale digitale collectie. Heeft de man een connectie met Noorwegen of is hij wellicht van geboorte Noors?

Ja, de man is hoogleraar Godsdienstwetenschappen William Brede Kristensen (1867 – 1953) die uiteindelijk in Leiden zou sterven. Volgens zijn Wikipedia-pagina studeerde hij van 1890 tot 1892 in Leiden en werd op 6 april 1901 benoemd tot hoogleraar in Leiden waar hij op 23 september 1901 zijn oratie hield. Hij zou in Leiden tot 1937 hoogleraar blijven. In het collegejaar 1915-1916 was hij rector magnificus. Zijn foto in die functie was de sleutel om zijn naam te achterhalen.

Als de foto ter ere van zijn oratie in september 1901 zou zijn genomen, dan was Kristensen 33 jaar oud. Dat kan kloppen. Alleen ontstaat er dan een probleem met het adres van fotograaf Van der Stok die eind 1899 van Rapenburg 13 naar Breestraat 149 verhuisde. Dateert de foto wellicht van voor 1901?

Aanleiding voor de foto kan zijn geweest dat Kristensen in 1897 aan de Universiteit van Kristiania (nu Oslo) zijn habilitatie behaalde. De foto van Van der Stok kan gezien worden als promotiemateriaal om zich te positioneren voor een hoogleraarspost. Volgens Wikipedia werd in die tijd vooral in Duitsland en Polen de habilitatie als ‘soort diploma voor hoogleraar‘ beschouwd. Kristensen had in Leiden ijzers in het vuur door zijn promotie in 1892 bij Cornelis Petrus Tiele die hij in 1901 opvolgde.

Als de aanname klopt dan zijn de feiten de volgende. De onbekende man is de in 1867 in het Noorse Kristiansand geboren William Brede Kristensen die in 1901 tot hoogleraar Godsdienstwetenschappen aan de Universiteit Leiden werd benoemd. De foto werd in het atelier van Anton van der Stok aan het Rapenburg 13 in Leiden tussen 1897 en 3 december 1899 genomen. Of Kristensen toen al het recht had om een professorale baret te dragen kan te maken hebben met de academische mores per land.

Foute kop in AD roept vragen op over kwaliteit van journalistiek en nazorg

Schermafbeelding van artikelPieter schenkt bijzonder schilderij, maar als Museum De Voorde moet sluiten wil hij het meteen terug‘ van Remon van Zuijlen in het AD, 8 september 2022.

Het is een terugkerend verschijnsel in de Nederlandse dagbladpers. Een eindredacteur of redacteur online maakt een kop die in strijd is met de tekst waar die kop bij wordt geplaatst.

De vraag of een foute kop komt door slordigheid, tijdsdruk, gebrek aan inhoudelijk kennis of een verkeerde opvatting van journalistiek is niet van belang. Het resultaat is hoe dan ook een kop die haaks staat op de tekst en voor verwarring zorgt. Dat is ook vervelend voor de journalist die de tekst heeft gemaakt.

In een stukje van 8 september 2022 in het AD over het in zijn voortbestaan bedreigde Museum De Voorde in Zoetermeer zegt de kop dat Pieter een schilderij ‘schenkt‘. Maar de tekst beweert het tegendeel en sluit af met de volgende zin over de intenties van Pieter: ‘Daarom kiest hij voorlopig voor een bruikleen, niet voor een schenking.’ 

Hoe duidelijk kan het zijn? Heeft de eindredacteur de tekst wel gelezen en begrepen? Het lijkt er niet op. De eindredacteur begrijpt blijkbaar de betekenis van de museale termen schenking en bruikleen niet. Pieter schenkt niet aan Museum De Voorde, Pieter geeft het schilderij in bruikleen. 

Waarom een grote krant als het AD de foute kop bij dit bericht van 17:03 uur 8 september 15 uur later nog niet heeft gecorrigeerd is een andere vraag. Het AD kent blijkbaar geen afdeling nazorg en controle achteraf op de inhoud van de eigen krant. Dat geeft te denken over de bedrijfsvoering en de gekozen prioriteiten van het AD.

Het is geen halszaak en het lijkt wellicht onbelangrijk zo’n kop die in strijd is met de tekst, maar het tast wel de eenduidigheid en begrijpelijkheid van de tekst aan en beschadigt de reputatie van de dagbladjournalistiek. Een foute kop is de druppel die de steen van de journalistiek uitholt. Tot het AD is het nog niet doorgedrongen.

Opnieuw: het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat en de rol van Utrecht Marketing

Bart Lunenburg, Ashes (2022).

In het opinie-artikelBeschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?‘ van 16 augustus 2022 vroeg ik me af wat het achterblijvende beeldende kunstklimaat van Utrecht verklaart. Toch de vierde stad van het land met 362.000 inwoners. Dit commentaar is een vervolg op dat artikel.

I. Een begin van een antwoord zag ik in de stadspromotie en de marketing die een papieren werkelijkheid schept die de echte werkelijkheid vervangt. Utrecht, de stad van het surrealisme.

Hoe kan het dat Utrecht Marketing in haar promotie initiatieven die geen museum zijn als museum beschouwt? ExBunker, Kunstliefde, Domtoren, DOMunder, BAK en IMPAKT zijn geen musea, maar volgens Utrecht Marketing wel. Kan in stadspromotie of marketing alles gezegd worden dat afwijkt van de geldende definities? En ook: wie roept Utrecht Marketing tot de orde? 

De directeur van Utrecht Marketing is idolaat van sport en houdt zich voornamelijk daar mee bezig. De adjunct van deze Cor Jansen is Ronald Besemer die de kunst mag doen, maar geen aantoonbaar gevoel, betrokkenheid of inzicht toont. Zo kennen we de vlotte mannen van de marketing. Besemer lijkt de Utrechtse beeldende kunst als halfproduct voor Utrecht Marketing te beschouwen.

In Utrecht probeert Utrecht Marketing kunst in het frame van sport of stadspromotie van het stationsgebied te stoppen. Dat werkt niet. Utrecht Marketing is niet dienstbaar aan de beeldende kunst, maar meent dat de kunst dienend moet zijn aan de marketing van de stad, zoals uitgevoerd door Utrecht Marketing.

Kortom, het is duidelijk waar dit Utrecht Marketing in de kern mee bezig is. Namelijk proportioneel veel aandacht voor sport. Kunst past niet in het format. Godsamme in een college waar GL en D66 de grootste partijen zijn. Het management van Utrecht Marketing lijkt mentaal te ongeïnspireerd en niet fijngevoelig genoeg om kunst te begrijpen en in de marketing een volwaardige plek te geven.

De beeldende kunst met zijn rafelranden, onvoorspelbaarheid, niet direct maatschappelijk nut en spotten met hiërarchie en autoriteit staat dwars op het denken van Utrecht Marketing dat gaat voor direct maatschappelijk nut, voorspelbaarheid en langlopende projecten, bevestiging van de status quo en aansluiting zoeken bij de economische macht van ondernemers.

3D-tekening van Aziz Elgart als project van Utrecht Marketing ter ere van La Vuelta 2022 in Utrecht. DUIC citeert Utrecht Marketing: ‘De vier 3D-tekeningen brengen niet alleen een ode aan de wielerkoers, maar vestigen ook de aandacht op de vele culturele en sportieve activiteiten die rondom de Vuelta in stad en regio Utrecht plaatsvinden‘.

II. Het ontbreekt naar mijn idee in Utrecht aan samenwerking tussen de onderdelen van de beeldende kunst. Geen synergie dus. Terwijl dat er in de muzieksector wel is. Het opvallende is dat Utrecht een beeldende kunst traditie heeft. Denk aan Erich Wichmann, Pyke Koch, Joop Moesman en ook Gerrit Rietveld. Er is wel zoiets als belangenbehartiger Art Utrecht dat voor de gemeente dient als loket, en voor de kunst en kunstenaars als documentatie, uithangbord en platform, maar dat heeft beperkte draagwijdte als de omgeving hapert.

Er dient geïnjecteerd te worden in de beeldende kunstsector. Dat was de conclusie van enkelen die reageerden op mijn opinie. Laten we het de nieuwe verslaving noemen.

III. Velen verwezen naar kunstbeurzen en festivals om de kunstsector een extra zetje te geven. Of dat werkt zou per kunstdiscipline bekeken moeten worden. Het kan, maar een garantie is er niet. De ondergrond, de humus moet aanwezig zijn om van bovenaf geparachuteerde initiatieven in vruchtbare grond te laten vallen. Zo niet, dan ontbreekt het effect op de langere termijn om het beeldende kunstklimaat op een hoger peil te brengen.

Elke gemeente houdt wat financiële steun betreft van kortlopende projecten en niet van losse eindjes. Een gemeente wil controle hebben omdat het overzichtelijk en bestuurlijk eenduidig is. Het is makkelijker om een festival te steunen dan de exploitatie van een kunstinstelling.

We zagen dat bij het jaren op het randje van faillissement balancerende MOA (Museum Oud Amelisweerd) waarvan al bij aanvang duidelijk was dat het niet levensvatbaar was. De Utrechtse raad had in een motie beslist om er geen exploitatiesubsidie aan toe te kennen. Het MOA ging mede hierdoor, maar ook om vele andere redenen failliet. Dat is ook het Utrechts kunstklimaat, namelijk een project om politieke redenen ontwikkelen met eenmalig vastgoedgeld om daarna de steun te stoppen.

IV. De gemeente zou een te afwachtende houding aannemen om de beeldende kunst te helpen. Soms verschuilt de afdeling CZ (Culturele Zaken) zich achter regelgeving en komt er niet aan toe om een creatieve oplossing voor een gerezen probleem te helpen vinden. De achtereenvolgende gemeentebesturen laten sinds de PvdA-wethouders (Kees Pot, Paulien van der Linden) weinig ambitie zien die uit een diepe politieke overtuiging volgt. Ze lijken kunst op zijn best op te vatten als inbreng voor andere doelen. Of de verantwoordelijke wethouders krijgen binnen het college onvoldoende steun om kunst ondubbelzinnig te promoten.

Beeld van tentoonstelling met onder andere Max Kisman in Moving Gallery te Utrecht. Via Art Utrecht.

V. Het handvol artistiek belangrijke Utrechtse galerieën (Sanaa, Larik, Moving Gallery, KUUB) hebben doorgaans hoge huren. Ze verdienen niet veel en kunnen met moeite het hoofd boven water houden. Toch worden ze door de gemeente als commerciële ondernemingen beschouwd. Maar dat zijn ze slechts ten dele.

Galerieën zouden juridisch opgedeeld moeten worden in een commercieel en niet-commercieel deel. Onder dat laatste zou dan talentontwikkeling van jonge kunstenaars en presentatie van experimentele, moeilijk verkoopbare, kunst kunnen vallen. Dat zou voor de gemeente de belemmering wegnemen die uit de regelgeving volgt en het onmogelijk maakt om galerieën financieel te steunen. De gemeente zou juridisch kunnen adviseren over de splitsing. Galerist Henk Logman probeerde dat idee van kweekvijver enkele jaren geleden uit en wilde die tweedeling in zijn galerie doorvoeren, maar heeft het door zijn vroegtijdig overlijden niet af kunnen maken.

Een algemene vraag is wat de rol van galerieën in tijden van sociale media en narrowcasting van kunstenaars die hun eigen ondernemer zijn nog kan zijn. Ze zitten in een overgangsfase, maar kunnen nog steeds een constructieve bijdrage aan een lokaal kunstklimaat leveren als ze niet te veel concessies aan de markt doen. Maar zoals gezegd, galerieën zitten met hun hybride rol tussen commercie en kunst in een lastige positie. Het valt de gemeente niet te verwijten dat het daar volgens de regelgeving niets aan kan doen, hoewel in de marges wel wat meer financiële steun geboden zou kunnen worden.

VI. Kunst lijkt in Utrecht niet autonoom te mogen zijn. Veel kunstenaars zijn verzameld in Kunstliefde, maar dat is de afgelopen jaren door omstandigheden (verhoogde huur, dreigende verhuizing over 5 jaar) vooral met zichzelf bezig. Hoewel er mooie presentaties waren. Jongere kunstenaars zijn gegroepeerd rond de Nijverheid waar veel activiteiten zijn, maar de marges zijn klein en in de profilering staat het optrekken met andere geledingen van de kunstsector niet centraal.

Daarnaast zijn er kunstenaarsinitiatieven van onderop nodig. Die zijn er in Utrecht en nog steeds trekken groepen kunstenaars samen op in een soort creatieve gemeenschap (Soesterberg, Bernardus Baldus, Caz Egelie en co in Overvecht). De gemeente helpt soms met het vinden van tijdelijke atelierruimte. De invloed van deze kunstenaarsinitiatieven op het kunstklimaat is aanwezig, maar blijft beperkt.

Alain Teister, installatie met bed, paspoppen, stoel, hout en verf (1973-74). © Centraal Museum, Utrecht / Ernst Moritz.

VIII. Conclusie. De politiek kan de boel vlot trekken door hier en daar een helpende hand toe te steken. Zodat van onderop de galerieën en kunstenaarsinitiatieven kunnen groeien. Ook door te voorzien in atelierruimte waardoor kunstenaars niet de stad verlaten. De Kersenboomgaard in Leidsche Rijn is een succesvol voorbeeld. De breed gevoelde mening is dat het Centraal Museum met de rug naar de kunstenaars van de stad staat. Het biedt weliswaar ruimte aan hedendaagse Utrechtse kunst, maar dat wordt als onvoldoende ervaren. Waarom heeft het Centraal Museum geen stadsconservator die actief het contact onderhoudt met Utrechtse kunstenaars en galerieën, en op openingen, bijeenkomsten en gespreksavonden aanwezig is?

Waarom stellen de cultuurwoordvoerders in de raad van GL, PvdA en D66 geen raadsvragen over de verkeerd uitpakkende macht van Utrecht Marketing en het haperende beeldende kunstklimaat? Melody Deldjou Fard (GL), Dirk-Jan van Vliet (D66), Hester Assen (PvdA) of andere raadsleden, duik eens in dit onderwerp en stel er raadsvragen over.

Beschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Musea Utrecht‘ van Ontdek Utrecht.

Afgelopen jaren heb ik vele mensen in en buiten de Utrechtse beeldende kunstsector de vraag gesteld wat de reden is dat het ontbreekt aan een Utrechts beeldende kunstklimaat dat past bij de vierde stad van het land. Niemand heeft een sluitend antwoord.

Utrecht presteert slecht op het gebied van de beeldende kunst. Zelfs het Centraal Museum deelt in de malaise en lijkt op een enkele tentoonstelling na vooral nog met zichzelf en de eigen bedrijfsvoering bezig. Het is in de eigen schulp gekropen. Is dat het wat het Utrechtse kunstklimaat verklaart?

Wat schort eraan in Utrecht? Is het de nabijheid van Amsterdam? Is het de ‘zwarte’, katholiek-surrealistische onderstroom die nog steeds als een geestelijke domper werkt? Is het gebrek aan ambitie en zelfvertrouwen? Is het het doelgroepenbeleid in Leidsche Rijn (Raum) dat als aflaat dient om verder geen initiatieven te ondernemen en verder te denken?

Is het het gebrek aan initiatief en creativiteit van de afdelingen Culturele Zaken of Economische Zaken van de gemeente om kunstgalerieën en kunstinitiatieven een start te geven?

Als er galerieën ontstaan (Larik), dan gebeurt dat niet dankzij, maar ondanks de gemeente. In de bioscoopwereld gebeurde afgelopen jaren hetzelfde toen Jos Stelling als particulier ondernemer met Bioscoop Slachtstraat (en met medewerking van het Utrechtse Monumentenfonds) een nieuwe bioscoop realiseerde dat het door de gemeente gesubsidieerde ’t Hoogt niet voor elkaar kreeg.

Kan de malaise in de beeldende kunstsector verklaard worden door het zware accent van de gemeente op marketing en stadspromotie, zodat inhoud er minder toe doet? In dat Utrecht is de schone schijn van marketing een doel op zichzelf. Toch weer dat surrealisme. Niemand die het doorprikt. Niemand die doorvraagt. Niemand die het nog op waarde schat. Zo ontstaat geen publiek debat over dit onderwerp.

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Over Ons‘ op Ontdek Utrecht.

Schrijnend is de promotie van Ontdek Utrecht (deel van Utrecht Marketing) waar allerlei instellingen die geen musea zijn musea worden genoemd. Of culturele instellingen in Bunnik, Amersfoort of Soest door de gemeente Utrecht worden geclaimd als Utrechts. Zijn Bunnik, Soest en Amersfoort zonder dat we het weten geannexeerd door de gemeente Utrecht? Daar lijkt het niet op. Utrecht Marketing doet aan desinformatie.

Het is duidelijk dat Ontdek Utrecht en Utrecht Marketing geen idee hebben waarover ze praten. Wat is hun expertise en wie is er binnen het gemeentebestuur verantwoordelijk voor voor wat ze naar buiten brengen? Is Utrecht Marketing onderhand zo losgezongen van de realiteit dat het alles kan zeggen en niemand het meer kan schelen of de inhoud klopt? Ontdek Utrecht en Utrecht Marketing weten blijkbaar niet wat een museum is en krijgen alle ruimte om dat te verkondigen.

Dat opnemen in een publiekscampagne is niet zozeer een devaluatie van het begrip museum, maar van de marketing van Utrecht. Kunst en de musea worden niet zozeer gepromoot en serieus genomen, maar tot halfproduct gemaakt van een hybride marketing waarin vele partners meepraten en de waarheid blijkbaar een compromis tussen alle betrokkenen is geworden.

Met de Utrechtse Potemkin-façade is de kous af en hoeft er niet nagedacht te worden over de vraag wat past bij het ambitieniveau van de vierde stad van het land. De promotie ervan neemt de plaats in. Dat is toch lekker makkelijk en ook nog eens goedkoper?

Wat verklaart het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat? Ik weet het antwoord nog steeds niet. De conclusie van veel van mijn gesprekspartners is wel dat de gemeente Utrecht eerder een sta-in-de-weg is dan een kracht die verder kijkt dan marketing en eigen promotie.

Artikel van Reza Kartosen-Wong over scheefgroei in slavernijdebat verhult, maar bevat aanzet tot evenwichtige analyse

Schermafbeelding van deel artikel ‘‘Er is te weinig oog voor het Nederlandse slavernijverleden in Azië’ van Reza Kartosen-Wong in Het Parool, 30 juli 2022,

Met de strekking van het opinie-artikel in het Parool van 30 juli 2022 van mediawetenschapper Reza Kartosen-Wong ben ik het voor 100% eens. Maar tevens vind ik Kartosens opinie verhullend en bangelijk. Alsof hij de kool en de geit wil sparen. Het had scherper en beter gekund.

De portee is dat er te weinig oog is voor het Nederlandse slavernijverleden in Nederlands-Indië. De auteur spreekt steeds over Azië. Uiteraard zaten er in de tijd van de slavernij Nederlanders op Ceylon, aan de rand van Japan en op andere plekken in Azië, maar het draaide om Nederlands-Indië. Waarom Kartosen dat uitvergroot tot ‘Azië‘ is onbegrijpelijk. Het is onnodig grof en hij maakt het er niet specifiek door. Kartosen heeft het evenmin over ‘Amerika‘ als het om de slavenhandel in de West gaat. Dat is Kartosens eerste verhulling.

Overigens ben ik eens met zijn opinie dat in het Nederlandse debat de transatlantische slavenhandel zo dominant is dat de slavenhandel in de Oost karig wordt bedeeld. Het een hangt samen met het ander.

Het verband van communicerende vaten dat in het publieke debat de dominantie van het een (West) leidt tot de veronachtzaming van het ander (Oost) noemt Kartosen niet. Of hij ziet het niet zo. Hij toont begrip voor de promotors van Keti Koti die erkenning zoeken voor ‘hun’ slavernij, maar koppelt dat niet aan het gebrek aan belangstelling voor de slavernij in de Oost.

Kartosen noemt niet de actieve en in de politiek goed geïntegreerde lobby van Caraïbische Nederlanders die het slavernijdebat domineren. Kartosens opinie roept vooral de vraag op waarom hij de realiteit van de groep van Caraïbische Nederlanders die het slavernijdebat gijzelt niet noemt. Dat is Kartosens tweede verhulling.

Mijn kritiek op het Nederlandse slavernijdebat en de dominantie daarin van de Caraïbische stem heb ik in het commentaarKeti Koti kan geen nationale feestdag zijn‘ van 1 juli 2022 opgeschreven:

De lobby van Caraïbische Nederlanders in media, musea, universiteiten, instituten en politiek is vele malen sterker dan de lobby van de Ind(ones)ische Nederlanders. Met de Black Lives Matter beweging als rugwind hebben zwarte Nederlanders uit de Caraïben in dit debat over slavernij afgelopen jaren definitief het initiatief naar zich toegetrokken ten koste van andere groeperingen.

En:

Het initiatief om Keti Koti als pars pro toto van de slavernij en het kolonialisme te beschouwen is onevenwichtig. Dat is neo-slavernij die nabestaanden van andere slaven achterstelt en een tweede maal koloniseert. Deze vorm van nieuwe onderschikking kan niet de opzet van een nationale feest- en herdenkingsdag van de slavernij zijn.

Het komt in het verlengde van Kartosens zwijgen en ontbrekende analyse van hoe het slavernijdebat in Nederland zich in allerlei geledingen ontwikkelt, makkelijk en gemaakt manmoedig over om Piet Emmer en Kester Freriks als ‘activistische kolonialen‘ te framen. Het lijkt er sterk op dat dit een afleiding is voor het gebrek aan Kartosens moed om zich kritisch te richten tot de Caraïbische Nederlanders die de ‘Aziaten‘ in het debat opzijzetten. Dat doet vermoeden dat Kartosen gewiekst naar rechts schopt, maar te bevreesd is om naar links uit te halen. Dat is de derde verhulling.

Kartosens opinie bevat een goede aanzet tot een evenwichtige analyse. Met hem zijn vele opinieleiders van mening dat het debat over het slavernijverleden onevenwichtig is scheefgegroeid. Om dat de corrigeren moet hij zich niet richten tot wat hij ‘activistische kolonialen‘ noemt, maar tot de ‘activistische neokolonialen‘ die het slavernijdebat naar zich toe hebben getrokken. Kartosen, toon moed, herschrijf de opinie en noem man en paard.

Klimaatactivisten moeten niet demonstreren in musea, maar lef en moed tonen in het veld waar de fossiele brandstof-industrie opereert

Schermafbeelding van deel commentaarKlimaatactivisten protesteren steeds vaker in een museum, media-aandacht gegarandeerd. Maar is het wel kies om kunst te gebruiken voor je klimaatboodschap?‘ van Arjan Reinders in het DvhN, 26 juli 2022.

Mooi commentaar van Arjan Reinders in het DvhN: ‘Klimaatactivisten protesteren steeds vaker in een museum, media-aandacht gegarandeerd. Maar is het wel kies om kunst te gebruiken voor je klimaatprotest?

De vraag stellen is de vraag beantwoorden. Nee, het is niet kies, maar gemakzuchtig en grof om kunst in musea voor eigen doel te gebruiken. Daar moet men vanaf blijven. 

Opvallend is dat een vorige generatie klimaatactivisten alleen demonstreerde in musea als een museum een sponsorrelatie had met een bedrijf van fossiele brandstof. Dat had logica. 

Nu lijkt die voorwaarde verlaten en lijkt alles te kunnen. Klimaatactivisten kopiëren elkaars actie. Wellicht mede ingegeven door radicaal-rechtse activisten, zoals de Nederlandse radicale melkveeboeren die van de overheid bijna niets in de weg werd gelegd. 

De inzet van de klimaatdemonstranten is hoog: een ander energiebeleid van regeringen. Daarom wordt de zwakste schakel aangepakt: kunst in een openbaar museum waar men zich aan vastlijmt. 

Deze activisten framen zich als hedendaagse helden met een Robin Hood complex. Ze beseffen onvoldoende wat ze hiermee kapot maken.

Hun aanpak geeft de machteloosheid van de klimaatactivisten weer. En hun gebrek aan lef en moed. Waarom richten ze hun protest niet direct op de fossiele brandstof-industrie? Zoals het bezetten van een hoofdkantoor, een olieplatform of een verdeelstation van een gaspijpleiding? 

Of indirect het bezetten van organisaties die een sponsorrelatie met de fossiele brandstof-industrie hebben. Of een ministerie van Algemene Zaken of Economie en Klimaat. Dan is er nog enige logica in een actie die oorzaak en gevolg verbindt. Nu ontbreekt die logica volledig.

Wat heeft kunst in een publiek museum met energiebeleid te maken? Enige reden is de publicitaire aandacht. Vinden klimaatactivisten dat een voldoende reden in hun wereldwijde kopieergedrag? Openbaar kunstbezit wordt zo door klimaatactivisten tot een politiek middel gemaakt.

Aan de doelmatigheid van de actie kan men overigens twijfelen. Wat blijft hangen is de aandacht voor het kunstwerk, de lijst en het beschermende glas, het museum en het optreden van museumstaf en politie. Omdat de inhoudelijke relatie met de fossiele brandstof-industrie ontbreekt zal dit vastlijmen aan openbaar kunstbezit de publieke opinie over het klimaat nauwelijks beïnvloeden. Het zal wel de gram van de museumsector oproepen.

Men mag hopen dat er klimaatactivisten opstaan die het klimaatprobleem direct aan de bron durven aanpakken. Dat is nodig. De beschermde omgeving van een museum misleidt de klimaatactivisten dat ze doelmatig bezig zijn in het beïnvloeden van publieke opinie, politiek en bedrijfsleven. Wat ze doen is niet meer dan het strelen van het eigen ego bij gebrek aan durf voor harde actie in het veld.