Kunstenaars roepen op subsidie te stoppen van Centrum voor Chinese hedendaagse kunst (CFCCA) in Manchester dat racistisch ‘wit’ zou zijn

Artist Residency Studio during an open studio session. Photo by Arthur Siuksta. Credits: CFCCA, Manchester.

Identiteitspolitiek in de kunst biedt voor allen opties om stelling te nemen. Voor of tegen. Identiteitspolitiek gaat onlosmakelijk samen met beschuldigingen. Tegen de aantijging ‘racisme’ is geen verdediging mogelijk als de beschuldiging niet omschreven, laat staan onderbouwd wordt. In de praktijk wordt de beschuldiging nonchalant tegen de muur gegooid en overgenomen door sociale media. Dat is doorgaans voldoende om in de publiciteit de zaak te winnen en een beschuldigd individu of instelling te beschadigen of zelfs uit de kunstsector te verbannen.

Nuance wordt niet gezocht, verbinding wordt uitgesloten, verschillen mogen niet bestaan en intolerantie is immens. De identiteit van de kunstenaar verdringt de identiteit van de kunst.

Neem het geval in het Engelse Manchester van het Centre for Chinese Contemporary Art (CFCCA). In september 2020 heeft de CFCCA zeven kunstenaars benoemd tot lid van een werkgroep om kwesties rond gelijkheid en inclusie aan te pakken. De instelling heeft vele beleidsstukken geproduceerd over deze aspecten. De zeven kunstenaars met Chinese wortels beschuldigen nu in een open brief deze instelling van racisme. Of erger nog ‘institutioneel racisme’. Wat ze eronder verstaan is onduidelijk. Ze preciseren niet wat hun opvatting van racisme is.

Ook roepen de kunstenaars de subsidiegever op om de subsidie in te trekken. Dat is feitelijk een oproep om het bestaan ervan te beëindigen. Zie hier een artikel in The Guardian voor de details.

Identiteitspolitiek bijt steeds vaker in de eigen staart. Een feminist hoeft geen vrouw te zijn, iemand die opkomt voor een etnische of seksuele minderheid hoeft geen lid van die minderheid te zijn en iemand die opkomt voor de Chinese zaak hoeft niet van Chinese afkomst te zijn. Ofschoon de meest radicale actievoerders daar anders over denken. Ze menen in hun denken dat opvallend overeenkomt met de uitgangspunten van de historische apartheid dat grenzen tussen groepen niet vloeiend zijn en groepen zich niet moeten en kunnen vermengen.

Het lijkt er sterk op dat deze zeven kunstenaars het feit dat witte mensen het management van het CFCCA vormen al een blijk van racisme vinden. Terwijl het vermoedelijk eerder een gevolg van een traditionele kunstpolitiek is in een land waar een witte meerderheid het eeuwenlang voor het zeggen heeft gehad. Dat sijpelt door in de kunsten. Dát moet hervormd worden om de kunst bij de tijd te brengen, zonder dat grove middelen als de beschuldiging van racisme ingezet hoeven te worden. Die overigens de emancipatie van minderheden eerder vertragen dan versnellen. Hoewel enige politieke druk de verandering kan dienen. Maar onredelijke druk roept weerstand op en leidt af van de zaak.

Juist daarom is de vraag wat de intentie van activisten is. Wat willen ze bereiken? Als de emancipatie van de groep waarvoor ze zeggen te spreken de hoofdzaak is, dan valt te betwijfelen of ze de meest doelmatige methode gebruiken om die emancipatie dichterbij te brengen.

De gevoeligheden zijn groot. De tenen zijn erg lang. Ineens gaat het niet meer over kunst, maar over de identiteit van de kunst. En ineens gaat het zelfs niet meer over de identiteit van de kunst, maar over de identiteit van de kunstenaars.

Net zoals beleidsmakers kunst voor hun karretje willen spannen als ze plannen laten maken over stedelijke ontwikkeling, stadspromotie, emancipatie, sociale cohesie, propaganda, vercommercialisering en alle verschijningsvormen die kunst niet als autonoom erkent zo spannen de doorgaans links-radicale kunstenaars, pseudo-kunstenaars, studenten of beroepsactivisten kunst voor hun karretje. Ze eigenen zich de kunst toe alsof ze er eenzijdig het laatste woord over hebben.

Beleidsmakers die de status quo vertegenwoordigen en activisten die de status quo willen wijzigen zijn twee kanten van dezelfde medaille. De politisering van de kunst door links-radicale activisten is even ongewenst als de aanwending van kunst als politiek instrument door beleidsmakers.

Hoewel de negatieve effecten van de identiteitspolitiek in de kunst doorsijpelen in de publieke opinie doen de media daar terughoudend verslag van. Dat verlengt de grip van de activisten op de kunst en is ongewenst. Mede omdat het indirect een vrijbrief geeft aan de beleidsmakers om de autonome positie van de kunst verder uit te kleden. Het beschadigt de positie van de kunst van twee kanten.

Den Haag krijgt kritiek van Stadspartij voor stelen initiatief Instagram Museum. Wordt het debat erover goed gevoerd?

Peter Bos van de Haagse Stadspartij heeft in de raad vragen gesteld over een Instagram Museum dat de gemeente Den Haag in de binnenstad zou willen realiseren. Op dit moment zijn de vragen nog niet officieel gepubliceerd, maar wel al op de site van de Stadspartij te lezen. Lachwekkend is vraag 3: ‘Is het juist dat het college in mei 2021 een Projectleider InstaExperience City of The Hague heeft aangesteld? Zo nee, waarom niet?’ Wat is hier aan de hand? 

In een bericht op  Dagblad070 noemt Bos het een boevenstreek van de gemeente omdat het concept gestolen zou zijn van ‘twee jonge Haagse ondernemers die eerder een plan hadden ingediend voor een soortgelijk museum in de Binckhorst’. Dat deel van de stad waar jaarlijks de kunstbeurs Art The Hague in de voormalige Fokker Terminal plaatsvindt. 

De zorgen van Bos zijn terecht, maar gaan voorbij aan de kern van de zaak. Hij neemt het op voor ondernemers en dat past blijkbaar bij het profiel van zijn partij, maar daarmee wordt het zicht ontnomen op de hamvraag. Die is waarom de gemeente Den Haag marketing inzet en de concepten museum en kunst ermee oprekt en beschadigt

In de video wordt aan de hand van de Berlijnse WOW!-Gallery de vraag gesteld of een Instagram Museum een echt museum of spel is. De toelichting bij de video zegt: ‘We willen ingaan op de vraag in hoeverre de culturele meerwaarde van het selfiemuseum erkend moet worden. Daarbij verscherpen we de focus op de thema’s museumcultuur, het begrip van kunst en zelfportretten in de context van onze digitale samenleving’.

Museum is geen beschermd begrip en kan voor alles gebruikt worden. Commerciële bedrijven rekken dat voor eigen gewin op en doorgaans doorzien bezoekers deze opzet wel. Ze begrijpen dat het niet serieus genomen moet worden. Maar als een officiële instantie als de gemeente Den Haag de naam verbindt aan zo’n pseudo-museum, dan wordt het verwarrend.

Wat bezielt de gemeente Den Haag om op het snijvlak van commercie, stadsmarketing en populaire cultuur met gemeenschapsgeld een Instagram Museum te willen realiseren?

Is dat een poging om de vermaledijde kunsten op te leuken, te verbreden en onder het bereik van nieuwe doelgroepen te brengen? Dat kan een instrument met publicitaire en economische waarde zijn, maar als het nog weinig met kunst te maken heeft dan kan het beter ronduit genoemd worden wat het is: een commercieel project.

De vraag is of een gemeente ondernemer moet spelen. Zo zijn we terug bij de kritiek van Peter Bos. Of de gemeente Den Haag gaat de fout in doordat het een initiatief van ondernemers steelt of doordat het onder het mom van kunst of cultuur haar naam verbindt aan een commercieel initiatief.

Stokpaardjes ontsieren maidenspeech Kauthar Bouchallikht en ontnemen het zicht op klimaatdoelen van GroenLinks

Kauthar Bouchallikht is negatief in haar maidenspeech die ze op 20 mei 2021 in de Tweede Kamer hield. Vooral is ze vaag. Ze heeft het steeds over ‘wij’, maar wie ze daar onder verstaat is onduidelijk. Zijn dat orthodoxe moslims, migranten die hun identiteit aan hun geloof ontlenen of migranten in brede zin? Zijn dat jongeren of de jongere generatIes? Dat maakt ze niet duidelijk, zodat haar betoog niet scherp is en breed uitwaaiert. Ze scherpt aan zonder scherp te worden.

Haar identificatie met Nederland zit vreemd in elkaar. Zij is in Nederland geboren, maar positioneert zich als iemand die ver van Nederland afstaat. Toch is ze kamerlid en heeft carrière gemaakt. Ze heeft de kansen die haar aangereikt zijn gebruikt, zoals vele migranten doen. Niet allen weten het door eigen inspanning echter ver te schoppen, maar dat geldt voor iedereen die in Nederland woont. Niet iedereen komt terecht op de beoogde en verlangde plek. Soms zijn ambities en verwachtingen ook onrealistisch en schieten de eigen inspanningen tekort. 

Het is vreemd om te horen dat iemand die het tot kamerlid heeft weten te schoppen, meent dat ze hier niet mag zijn. Dit roept de vraag op of Bouchallikht in een existentiële crisis van zelftwijfel verkeert. Weet ze daarnaast wel hoe ze als kamerlid het algemene uit het individuele moet afleiden om tot een algemene uitspraak te komen waar anderen op kunnen bouwen?

Het is een paradox, maar Bouchallikht spiegelt in de eerste helft van haar toespraak zonder dat ze het lijkt te beseffen de ontevredenheid en berusting van degenen uit radicaal-rechtse hoek tegen wie ze zich uitspreekt. De aanhangers van Wilders of Baudet praten niet minder negatief over de Nederlandse samenleving en uiten zich even moedeloos als Bouchallikht. Alsof het een complot is en er niks kan veranderen. Met haar betoog introduceert zij de sfeer van fatalisme van radicaal-rechts binnen GroenLinks. De oproep in de tweede helft van haar toespraak om het lot in eigen hand te nemen en de hoop voorop te zetten klinkt daardoor niet aannemelijk omdat het gebouwd is op dat onderliggende negativisme dat door blijft zeuren.

Bouchallikht neemt niet het migratiebeleid sinds de jaren 1970 als norm, maar de recente uitingen van rechts-radicale zijde. Maar dat is in Nederland een minderheid. Ze vergeet dat in de afgelopen tientallen jaren vooral de koepel van orthodoxe moslims die het best georganiseerd was financieel en facilitair ondersteund werd door de regering. De feiten weerspreken haar claim dat migranten in de steek werden gelaten. Het verwijt dat vooral uit niet-religieuze hoek klinkt is dat vooral orthodoxe moslims te veel gepamperd zijn en daardoor het migratiebeleid uit het lood is komen te staan. Niet door te weinig, maar te veel steun. Het zou de emancipatie van Nederlandse ‘culturele’ moslims vertraagd hebben, bijvoorbeeld in het publiekelijk uittreden uit de islam.

Bouchallikht vergeet ook dat op een kleine toplaag uit het old boys netwerk na, iedere Nederlander zich in moet vechten. Of in een studie, een baan of een woonomgeving. Nederland is voor bijna iedereen een competitieve maatschappij. Uiteraard zijn er verschillen die de kansen beïnvloeden. Maar als die te maken hebben met taalbeheersing van de Nederlandse taal, de kennis van de Nederlandse cultuur en omgangsvormen, het volgen van een opleiding of het opbouwen van een netwerk, dan gelden die voor iedereen en zijn niet per definitie terug te voeren op het verschil tussen migranten en niet-migranten. Ook migranten kunnen eraan werken om hun kans op succes te vergroten. Het is zeker zo dat ze als betrekkelijke buitenstaanders meer inspanning moeten doen, zoals Nederlanders die emigreren ook extra hindernissen ervaren die ze in hun thuisland niet kenden. Dat perspectief van eigenheid is iets van alle landen en tijden.

De macht van de multinationals en banken moet worden ingeperkt. Zeker in de aanpak van de klimaatcrisis spelen ze een bedenkelijke rol die het realiseren van het klimaatakkoord blokkeert. De kabinetten Rutte hebben daar op z’n best halfslachtig in gehandeld. Dat moet beter. Er wacht GroenLinks binnen of buiten het komende kabinet een rol om dit te agenderen. Dat moet scherp en duidelijk omdat kleinere partijen maar weinig kansen hebben om gehoord te worden. Het besef lijkt ook bij bedrijven en NGO’s doorgebroken dat er nu doorgepakt moet worden en uitstel niet meer kan om de temperatuurstijging en de CO2-uitstoot terug te dringen.

Omdat de belangen zo groot zijn is het een gemiste kans om in een toespraak het klimaatprobleem te verbinden aan de gevolgen van massa-immigratie uit niet-Westerse landen. We weten al sinds de jaren 1960 door denkers als Jan Tinbergen dat de Noord-Zuid-problematiek en de ongelijke verdeling van de globale welvaart verband met elkaar houden. Dat wordt al 60 jaar in de publieke opinie genoemd. Wat nu nodig is een realistische aanpak van het klimaatprobleem die al op korte termijn (2030) resultaten geeft. Alleen samenwerking van bedrijven, banken, regeringen, politieke partijen, NGO’s en supranationale organisaties kan het verschil maken dat nodig is. 

De breed uitwaaierende filosofieën van Kauthar Bouchallikht zijn wellicht aardig voor haar achterban die hiermee ongetwijfeld wordt bevestigd in het eigen gelijk, maar weinig zinvol in de praktische politiek. Het is echter begrijpelijk om een maidenspeech als een preambule bij het echte werk te beschouwen. Dat kon nog even, maar nu wacht het echte werk. Bouchallikht moet leren focussen om de klimaatdoelen van GroenLinks centraal te stellen en niet te verwarren met identiteitspolitiek. Voor nieuwkomers in de Tweede Kamer die nog half in een vorig leven zitten geldt: ‘Less is more’. Om daadkrachtig te zijn moet ze haar politieke stokpaardjes achter zich laten die haar in de weg staan om ondubbelzinnig op te komen voor het klimaat en die de verkeerde sentimenten en reacties oproepen die afleiden van het onderwerp waar het over moet gaan.

Bibliotheken gaan door lobby op 20 mei open. Musea en theaters niet. Hoe hebben ze hun zaak bepleit?

Bibliotheken zijn net als musea en theaters zogenaamde ‘doorstroomlocaties’. In het geleidelijk opheffen van de maatregelen ter bestrijding van de COVID-19 pandemie was aanvankelijk het plan om de doorstroomlocaties vanwege tegenvallende cijfers nog gesloten te houden.

De Tweede Kamer was het daar voor wat de bibliotheken betreft niet mee eens ‘omdat de maatschappelijke functie te groot is’, met als gevolg dat op 20 mei de bibliotheken weer open mogen mits de cijfers dat toelaten. Daar lijkt het op dit moment op. Uit deze stellingname valt af te leiden dat de leden van de Tweede Kamer de maatschappelijk functie van musea en theaters minder groot achten en ze volgens hen een minder urgente maatschappelijke functie dan bibliotheken hebben.

Directeur Dirk Nijdam van Forum Groningen zegt over de opening van de bibliotheken het volgende: ‘Dat is een hele goede ontwikkeling. Ik had er een beetje op gehoopt en er was ook een lobby in gang gezet, landelijk, om de bibliotheken zo snel mogelijk open te doen. Het kan ook gewoon heel goed, gereguleerd, dus ja hartstikke mooi’. Hoe het gaat met cursussen en een expositie in het gebouw is volgens Nijdam nog even afwachten. Hij verwacht dat dit op korte termijn ook weer mogelijk is.

Nijdams woorden houden in dat door een goede lobby van de bibliotheeksector bij de Tweede Kamer de bibliotheken nu open mogen gaan als de cijfers dat toestaan. Dat roept de vraag op of een lobby van de museum- en theatersector zich afgelopen weken ook bij de Tweede Keer gemeld heeft om opening te bepleiten. En als die lobby er was, dan heeft die gezien het uitblijven van resultaat blijkbaar minder succesvol geopereerd dan de bibliotheeksector. Waarom dat verschil? Zegt dat iets over het professioneel opereren van museum- en theatersector?

Wat verklaart de apathie van de kunstsector? Gedachte bij foto [Man working in museum display], 1931

Harris & Ewing, [Man working in museum display], 1931. Collectie: Library of Congress.

Bij de opheffing van de restricties als gevolg van de bestrijding van de COVID-19 pandemie mag de kunstsector achter aansluiten. Minister Hugo de Jonge gaf de kunst een trap na door te concluderen dat we een DVD-tje op kunnen zetten vanwege dichte theaters. De reactie daarop van kunstbobo’s was fel, maar ik miste de beste reactie om deze neerbuigende houding van de CDA-minister te weerleggen. Namelijk waarom zouden kerken open moeten zijn als gelovigen thuis de bijbel kunnen lezen? Kerken waren vanaf het begin uitgezonderd van de strenge maatregelen. Godsdienst wordt door het kabinet als essentieel gezien en kunst niet. De kunstsector staat wel te kijk in de etalage.

De schoffering van de kunstsector door de politiek heeft me afgelopen week beziggehouden. Niet in de zin van geamuseerd, maar van zorgen gebaard. Boosheid en onbegrip strijden om voorrang.

Een en ander roept vragen op. Aan museummensen en kunstenaars. Waar zijn het Mondriaanfonds en de Museumvereniging nu de kunstsector onder druk ligt en we ze nodig hebben? Ze geven niet thuis. Ze lijken mentaal en financieel te afhankelijk geworden van de rijksoverheid zodat als ze moeten spreken ze zwijgen. Of alleen wat plichtmatig en kosmetisch sputteren voor de bühne. Doorpakken en zich ferm uitspreken door het ondubbelzinnig op te nemen voor de kunstsector zit er niet in. Straks ligt niet alleen de kunstsector op zijn gat, maar hebben deze twee instellingen die dicht tegen de overheid aanleunen elke geloofwaardigheid verloren. Dan zijn de kunsten nog verder van huis. Dan is de missie van de politiek geslaagd om de kunst nog verder in te perken.

Tweet van Museumvereniging met eigen antwoord, 15 mei 2021.

Ik vermoed trouwens dat de Museumvereniging door het plotselinge overlijden van directeur Mirjam Moll op 16 maart 2021 onthoofd is. Ook het bestuur (Irene Asscher-Vonk, Erik van Ginkel e.a) laat zich echter publiekelijk niet horen. Of gaat de moeder van Lodewijk Asscher nu via haar zoon in gesprek mat PvdA-informateur Mariëtte Hamer?

Zelfreflectie van de kunstsector en de ondersteunende instellingen is nodig. Ze schitteren door afwezigheid in het publieke debat. Dat is bizar. Met als gevolg dat bordelen, horeca, sportscholen en de evenementenbranche in het kabinet door goede lobby naar voren zijn gedrongen en de kunstsector door apathie achter aan kan sluiten. Het is onverteerbaar dat een sector zich zo gewillig naar de slachtbank laat leiden.

De kunstsector moet in actie komen. Met harde acties die er niet om liegen. De politiek heeft de kunstsector zo geschoffeerd dat stilzitten overgave en het tekenen van het eigen doodsvonnis is. Is het dan toch waar dat culturele instellingen slecht bestuurd worden, hopeloos verdeeld zijn en vooral het kunstinstellingenbeleid van de overheid schragen? Nederland kent geen solide kunstbeleid omdat er gewoonweg geen steun voor kunst is. Het lijkt er sterk op. Alleen acties vanuit de kunstsector kunnen dat beeld rechtzetten. Nu.

Kunst heeft in Nederlandse politiek geen prioriteit. In het land der liegende politici is éénoog premier

Grete Stern: “Das Ewige Auge“, um 1950. Fotomontage, Silbergelatinepapier.

Het gebrek aan prioriteit dat het kabinet geeft aan de kunstsector is verbazingwekkend. De ons omringende landen hechten wel belang aan de kunst. Nederland niet. Waarom niet?

Het valt niet te begrijpen waarom het demissionaire kabinet Rutte III vindt dat musea en theaters achteraan de rij aan mogen sluiten bij het weer openen van de samenleving als gevolg van de COVID-19 pandemie. Het Parool bericht over de verwachte kabinetsbesluiten.


Dierentuinen, pretparken, sportscholen en verdere verruiming van de openingstijden van de al eerder geopende terrassen komen naar verwachting voor de openstelling van musea en theaters in de tweede helft van mei. Waarom is dat? Eerder waren de slijterijen en kerken open en de bibliotheken en musea dicht.

Hoeveel haat jegens de kunst kan een kabinet tonen en hoeveel haat jegens de kunst willen weldenkende burgers aanvaarden? Is de bodem onder een redelijke benadering van de kunstsector in het kabinetsbeleid al niet lang geleden weggevallen? Denk aan de botte bijl van toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD) die geen verbeelding aan de macht wilde, maar zelf last kreeg van zijn verbeelding toen hij loog bij president Poetin op bezoek te zijn geweest in diens buitenhuis. Liegen is de enige kunst die leden van de kabinetten Rutte zichzelf toestaan.

Collage, zonder titel of nadere gegevens.

Bij VVD, CDA en CU bestaat nu eenmaal weinig liefde voor kunst. Die partijen maken zich eerder sterk voor ondernemingen of kerken. Dat is begrijpelijk, dat zit in hun DNA. Maar waar blijft het zogenaamde kunstvriendelijke D66-smaldeel in het kabinet dat pretendeert het op te nemen voor de kunst? Ze zwijgen. De kunsten hebben op dit moment geen steun in het kabinet. De liefde ervoor ontbreekt daar ten enenmale.

Het is veelzeggend dat geen enkele Nederlandse politieke partij het ondubbelzinnig opneemt voor de kunstsector. Samen met restaurants en reisbranche zijn dat immers de door de pandemie zwaarst getroffen sectoren. Het kabinet Rutte III drukt vooral geestelijke armoede uit. Het interesseert zich als het erop aankomt geen lor voor de kunst. Het houdt van de overzichtelijkheid van de culturele woestijn.

Het gebrek aan liefde voor de kunst komt bovenop het stelselmatig liegen van premier Mark Rutte. Als hij zegt dat zijn liefde voor de kunst diep zit, dan weten we bij voorbaat dat hij liegt.

Het geluk voor de coalitie van VVD-CDA-D66-CU is dat de linkse en rechtse oppositie even ongeloofwaardig en richtingloos opereren en geen idee hebben hoe en met wie het de eigen prioriteiten kan realiseren. Het navelstaren en het continu met elkaar bezig zijn van de politieke partijen gaat ten koste van de samenleving. Niet in de laatste plaats van de kunstsector. In het land der liegende politici is éénoog premier.

Gedachte bij de foto ‘At Terneuzen’ van George C. Davies (1887)

Er liggen wat Zeeuwse tjalken aan de wal in Terneuzen. Het jaartal van publicatie van de foto in het album ‘On Dutch Waterways. The cruise of the S.S. Atalanta on the rivers & canals of Holland & the North of Belgium’ van de Engelse fotograaf George Christopher Davies is 1887.

Om enkele redenen blijft mijn oog aan deze foto haken. Ik ben geboren in Terneuzen en meen deze plek van vroeger te herkennen. Namelijk de Schependijk aan het Kanaal van Gent naar Terneuzen.

Verder is de naam Atalanta het schip waarmee Davies kort voor 1887 de waterwegen van Nederland en Vlaanderen afvoer dezelfde als het gelijknamige binnenschip dat de hoofdrol speelt in de film ‘L’Atalante’ of Le Chaland qui passe van Jean Vigo met Dita Parlo in de vrouwelijke hoofdrol.

Bovenstaand beeld is een gedigitaliseerde pagina uit Davies’ fotoboek en niet veel soeps. Afdrukken van foto’s die erin staan hebben uiteraard een hogere resolutie, maar deze afbeelding kon ik in openbaar toegankelijke digitale collecties niet vinden. Dat is geen halszaak omdat het ook om het idee gaat. Namelijk een Engelse fotograaf die lang voor mijn geboorte deze foto in mijn geboorteplaats nam. Meer is het niet, maar ook niet minder. Zo’n historische band gaat niet kapot.

Kleine musea hebben kritiek op duur programma met sneltesten dat niet op hun lijf geschreven is

Terwijl de pandemie nog woedt zijn er initiatieven om de samenleving weer van het slot te krijgen. Er wordt 700 miljoen euro uitgetrokken voor een tijdelijk project met sneltesten. Dat is veel geld. Hoe de kosten verdeeld zijn en of de rijksoverheid daar uiteindelijk volledig voor opdraait of dat de instellingen die bij het project betrokken zijn ook moeten gaan meebetalen is onduidelijk, zo blijkt uit een artikel in de Volkskrant.

Het lijkt er sterk op dat dit project dient als ventiel voor de oplopende maatschappelijke ontevredenheid met de coronamaatregelen. Het is een mix van maatschappelijke en economische belangen. Om burgers én ondernemers tevreden te stellen. Hoe het bestuurlijk tot stand is gekomen is en wie het initiatief ertoe heeft genomen is onduidelijk. Opvallend is dat Testen Voor Toegang een initiatief is van de Stichting Open Nederland onder aanvoering van oud-generaal Tom Middendorp. Het is een tijdelijke samenwerking van commerciële en niet-commerciële partijen.

Pikant is dat officieus de krijgsmacht wordt ingeschakeld door generaal Middendorp erbij te betrekken, terwijl de kritiek op het niet erg succesvolle Nederlandse vaccinatieprogramma is dat dit een militaire operatie noodzaakt, zoals in het Verenigd Koninkrijk. Waarom wordt Middendorp niet ingeschakeld om met ondersteuning van medische experts leiding te geven aan het vaccinatieprogramma zodat de politiek een stapje terug kan doen?

De instellingen die meedoen aan Testen Voor Toegang zijn divers en omvatten monumenten, dierentuinen, café’s, casino’s en speelhallen, sportaccommodaties, poppodia, theaters en musea.

Er is kritiek op dit initiatief vanuit de museumsector zoals uit de video met de vertegenwoordiger van het Noordelijk Scheepvaartmuseum blijkt. Kleine musea vinden dat ze niet kunnen profiteren van het project met de sneltesten. Vergelijkbare galeries kunnen wel bezoekers ontvangen zonder sneltest. Ze menen ook dat de 700 miljoen euro voor sneltesten weggegooid geld is en in geen verhouding staat tot de ongeveer even grote noodsteun die de kunstsector van de rijksoverheid heeft ontvangen. Dat is echter een ongelukkige vergelijking, want het betreft bij Testen Voor Toegang zeker niet uitsluitend kunstinstellingen. Dat is niet het geval zoals een overzicht verduidelijkt.

Zo zegt directeur Paul Baltus van Amersfoort-in-C die de regeling verwerpt in een FB-posting van 10 april 2021: ‘Mijn oproep: open cultuur in de volle breedte op een moment dat het verantwoord is. En op basis van bewezen, goed werkende 1,5 m protocollen. Besteed het uitgespaarde geld aan mooie producties, tentoonstellingen en concerten; aan een gezonde, toekomstbestendige cultuursector.’ Maar het lijkt er sterk op dat de regering nu daadkracht en hoop op verbetering wil uitstralen. Daar past geen geduld, laat staan ruime besteding van overheidsgeld aan kunst bij. Dat is zorg voor later, wat in de praktijk nooit betekent.

Gedachte bij de foto ‘Miss Hera Roberts posing on the deck of HNLMS JAVA’ (1930)

Hera Roberts poseert in 1930 op het dek van het Hare Majesteit Java. In de haven van Sydney tijdens een vlootbezoek van de Koninklijke Marine aan Australië. Schilder en socialite Roberts is een van de gasten die op 10 oktober de Java bezoekt. Op de achtergrond wappert de Nederlandse driekleur in zwart-wit.

Zijn een lichte kruiser en mode een onlogische combinatie, of raken ze elkaar juist sterk? Is het de opzet dat levenslust en doodsdrift, Eros en Thanatos, elkaar raken? Enfin, het ging toen waarschijnlijk vooral om de goede indruk die Nederland in Australië wilde maken. Blijkbaar was 90 jaar geleden een oorlogsschip geen ‘schuldige’ omgeving.

Uit de toelichting op Flickr bij deze foto uit de Samuel J. Hood Studio collectie die wordt beheerd door het Australian National Maritime Museum blijkt dat dit museum veel onderzoek doet naar de details van de foto’s in haar collectie. Iedereen met waardevolle informatie is welkom.

Na vlootbezoeken aan talloze landen wordt de Java in 1942 tijdens de Slag om de Javazee door de Japanse Keizerlijke Marine door een torpedo tot zaken gebracht. Er zouden 491 van de 512 opvarenden om het leven zijn gekomen. De dood had het gewonnen.

Foto: Sam Hood, ‘Miss Hera Roberts posing on the deck of HNLMS JAVA’. 1930.

Duiden van identiteit in de kunst wordt valkuil als dat onzorgvuldig gebeurt. Commentaar op het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’

Daar gaan we weer. Identiteit in de kunst en het scheve beeld dat de media ervan geven. Deze keer zijn Teylers Museum en de 19e eeuwse Frans-Amerikaanse ornitholoog, natuuronderzoeker, vogelschilder en werkgever van slaven John James Audubon aan de beurt. Op touw staat de tentoonstelling ‘Vogelpracht’ die dit museum in juni 2021 hoopt te openen.

Journalist Jean-Pierre Geelen identificeert zich in het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ in de Volkskrant bij voorbaat met de oppositie die Audubon oproept. Hij noemt het ‘hoogst explosief materiaal’. De toon is gezet. De eindredactie maakt van een bezitter van slaven voor het gemak een ‘racistische vogelschilder’. De 21e eeuw wordt rechtstreeks in het vat van de 19de eeuw gekieperd alsof in twee eeuwen alles bij hetzelfde is gebleven.

Geelen maakt een knip door het te verbinden aan de Code Diversiteit & Inclusie die Teylers Museum onderschrijft. Alsof dat bijzonder is. De hele museumsector onderschrijft immers deze Code. Hij geeft een citaat uit de code dat staat onder het kopje ‘Artistiek en inhoudelijk: inclusief werken is een verrijking voor kwaliteit’ dat aldus eindigt: ‘Jouw organisatie moet een veilige plek zijn waar iedereen zich thuis voelt om zich in een ander perspectief te verplaatsen’. Ok, redelijk, maar wat heeft het feit dat Audubon twee eeuwen geleden slaven in bezit had te maken met een veilige werkomgeving van een museum in 2021?

Rekt Geelen dit aspect van de Code niet oneigenlijk op en maakt hij er wat anders van dan het behelst? Daar lijkt het sterk op. Probeert Geelen nou te suggereren dat de werkomgeving er voor medewerkers onveilig op wordt als in een tentoonstelling een schilderij van een 19de eeuwse vogelschilder annex slavendrijver wordt getoond en medewerkers zich daardoor niet meer thuis zouden voelen in dat museum? Welk probleem helpt Geelen hier creëren? Is dat allemaal niet te simpel gedacht en met hoeveel slagen tegelijk probeert Geelen thuis te komen in zijn eigen bubbel?

Het is toch juist de taak van een historisch kunstmuseum als Teylers Museum om objecten uit de kunstgeschiedenis in de juiste context voor een breed publiek te tonen?

Jazeker, Audubon had slaven in bezit en jazeker, dat wordt nu terecht afgewezen en jazeker, dat feit moet in zijn levensbeschrijving niet ongenoemd blijven en jazeker, dat ligt politiek op dit moment uiterst gevoelig, maar welnee, dat betekent niet dat ter discussie staat dat zijn schilderijen niet in een museum getoond kunnen worden. Als dat zo zou zijn, dan zou zijn werk in geen enkel museum meer getoond kunnen worden. Dan gaat het politieke aspect volledig het kunsthistorische aspect overheersen. Mogen musea daar alstublieft zelf over beslissen? Ze hebben er geen politieke activisten of activistische journalisten voor nodig om hen op hun verantwoordelijkheid en gedragsregels te wijzen.

Geelen lijkt meer bezig met het aanscherpen van maatschappelijke verschillen dan met het geven van duiding. Waarom stelt hij iets ter discussie dat niet ter discussie moet worden gesteld? Zoals alle musea probeert Teylers Museum dit passend op te lossen zonder al te veel weerstand in de samenleving op te wekken. Maar dat is toch geen kwestie van worstelen, maar van gewoon professioneel handelen?

Als het de taak van een journalist is om zich te identificeren met een politieke zaak en het publiek te informeren onder het mom van een evenwichtig enerzijds-anderzijds verslag, dan zijn we gewaarschuwd. Ook voor journalisten is identiteitsdenken een valkuil waar ze met open ogen in kunnen stappen. Het advies voor zolang het duurt: hou het simpel en maak het niet ingewikkelder en wijsneuziger dan het is. Daar is niemand mee geholpen. De museumsector nog het minst.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ van Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant, 3 maart 2021.