Kris Callens meent dat argumenten van overheid niet deugen om kunstsector te sluiten. Wat valt de museumsector te verwijten?

Schermafbeelding van deel artikelDirecteur Fries Museum furieus over het wéér dicht blijven: “Onbetrouwbare overheid” van Omrop Fryslân, 15 januari 2022.

Vele kunstenaars, kunstliefhebbers en museumprofessionals hebben zich afgelopen week afgevraagd waarom musea en theaters vooralsnog tot 25 januari 2022 dicht moeten blijven. De kunstsector voelt zich niet gehoord en ontsteekt langzaam in woede. Slijterijen, kapsalons, bordelen, IKEA’s, modewinkels, kerken en sportscholen mogen van de overheid open, maar de musea niet.

Maar het protest van de kunstsector is machteloos. Dat komt mede omdat musea geen essentiële diensten zijn zoals het transport, de nutsvoorzieningen of de zorg waarvan sluiting of afschaling direct grote maatschappelijke gevolgen heeft. De kunstsector kan geen vuist maken door te dreigen met een staking. Het zal de politiek en het brede publiek worst wezen. In Nederland hebben de kunsten een ondergeschikte positie. Ze worden getolereerd. Niet meer dan dat.

In Nederland is mede door de laatdunkendheid van de politiek het beeld gevormd dat de kunstsector een luxe is. Maar de paradox is dat luxe winkels waar luxe goederen kunnen gekocht die overbodig zijn voor de essentiële behoeften van de overheid open mogen zijn, maat de musea niet. Zelfs in de eigen logica meet de overheid met twee maten.

Hoe dan ook valt volgens de directeur van het Fries Museum Kris Callens de sluiting van de kunstsector niet uit te leggen. Als Vlaming weet hij hoe het anders kan. In België en Duitsland zijn de musea open. Maar in Nederland mag de kunstsector samen met de horeca achter aansluiten in de rij.

De kritiek op de kunstsector is dat die zwak opereert. Dat is terechte kritiek, maar zoals gezegd heeft de sector geen middel om de politiek onder druk te zetten. De kunstsector heeft nu eenmaal slechte kaarten en ook als die goed uitgespeeld worden, dan vallen er nog geen slagen te maken.

Misschien is het verwijt dat de musea en de Museumvereniging te maken valt dat het niet tijdig en creatief heeft ingespeeld op de bezwaren van de overheid over verplaatsingen van museumbezoekers die over regio’s heen de besmetting zouden verspreiden. Of dat bezwaar nou klopt of niet. Waarom hebben de Museumvereniging en de grotere musea eind december 2021 geen scenario’s onderzocht en op dit bezwaar geanticipeerd? Zo’n scenario zou eruit kunnen bestaan dat musea tijdelijk alleen bezoekers uit eigen stad of regio zouden mogen ontvangen. Dat had dit bezwaar weggenomen en het voor de overheid lastig gemaakt om de musea volledige sluiting op te leggen.

De lobby van musea voor opening is machteloos en de omgang van de overheid met musea is ondermaats. Er is door musea succesvol gelobbyd voor schadeloosstelling wegens derving van inkomsten, maar het veiligstellen van de eigen bedrijfsvoering had niet de essentie van de opstelling moeten zijn. Mede omdat allerlei zzp’ers in de kunstsector achter het financiële net vissen. Zij krijgen de rekening gepresenteerd van het overheidsbeleid. En indirect van de opstelling van de museumsector.

Het is goed dat individuele museumdirecteuren als Kris Callens zich uitspreken, maar het is te laat, te eenzijdig en te weinig. De sluiting van de museumsector is niet alleen een gevolg van de minachting van de politiek voor de kunst, maar ook een teken van de onbeholpenheid en machteloosheid van een museumsector die met zichzelf worstelt en verkeerde prioriteiten stelt.

Controverse over tentoonstelling van Edward Kienholz in Los Angeles (1966)

Er zijn talloze opmerkelijke feiten aan deze foto. Het gaat om een georganiseerd bezoek van een groep mensen aan het kunstwerk Back Seat Dodge, 38‘ (1964) van Edward Kienholz dat van 30 maart tot 15 mei 1966 voor het eerst werd gepresenteerd in het Los Angeles County Museum of Art. Dit kunstwerk is in de collectie van dat museum opgenomen. Voor Nederlanders is Kienholz geen onbekende kunstenaar vanwege zijn populaire installatie The Beanery (1965) in het Stedelijk Museum.

De titel van de foto ‘Clergy members examining Back Seat Dodge, 38‘ maakt duidelijk wat voor bezoekers het betreft: geestelijken. Als deze beroepsgroep een kunsttentoonstelling bezoekt, dan kan dat maar om twee redenen zijn. Of geestelijke leiders onderstrepen door hun aanwezigheid het belang van een tentoonstelling over hun religie. Of er is stront aan de knikker. Veelzeggend is de datum van hun bezoek: 26 maart 1966. Dat is enkele dagen voor de opening van de tentoonstelling.

De natuurlijke reflex van een museum is om in te binden en de controverse te willen neutraliseren. Een bewezen middel is om maatschappelijke groepen erbij te halen die de angel uit de controverse moeten halen. Ze hoeven het werk niet goed te keuren, het volstaat dat ze begrip tonen en de functie van kunst als ontregelaar zeggen te begrijpen.

De toentertijd gebruikelijk mix van een joodse rabbi, een katholieke priester en een protestante dominee wordt niet gehaald omdat de katholieke vertegenwoordiger ontbreekt. De joodse achtergrond van Terry Bell die namens de Docent Council van het LACMA de bezoekers rondleidt verklaart wellicht de aanwezigheid van twee rabbijnen.

Herinneren we ons nog de Nederlands-Iraanse kunstenaar Soorah Hera die in 2007 een werk terugtrok uit de tentoonstelling 7UP in het Haagse Gemeentemuseum omdat toenmalig directeur Wim van Krimpen volgens haar censuur op haar werk had toegepast? Van Krimpen wilde niet de foto’s uit de serie ‘Adam en Ewald’ exposeren waarop twee Iraanse homo’s maskers dragen met daarop de afbeelding van de islamitische profeet Mohammed en diens schoonzoon Ali. Dat was drie jaar na de moord op Theo van Gogh die door de Nederlands-Marokkaanse crimineel Mohammed Bouyeri om religieuze redenen werd vermoord. Toenmalig directeur Ranti Tjan was daarop zo moedig om Hera’s foto’s in MuseumgoudA te tonen. Een en ander resulteerde in een gemoedelijke demonstratie van liberale alevieten tegen de presentatie van Hera’s werk in Gouda.

De reden voor het bezoek van de geestelijken aan de tentoonstelling van Kienholz in Los Angeles 1966 maakt een toelichting van Artsy.net duidelijk (vertaald): ‘The Back Seat Dodge ’38 (1964), werd voor het eerst tentoongesteld in LA in 1966 waar het ergernis wekte bij de provinciale toezichthouders, die het bestempelden als “weerzinwekkend, pornografisch en godslasterlijk” en verzochten om sluiting van de tentoonstelling. Het levensgrote tableau beeldde twee jongeren af ​​die copulerend op de achterbank van een auto zaten (..).’

Christopher Pierce, Back Seat Dodge ’38.

Zedelijkheid, lange religieuze tenen, koudwatervrees van de museumsector en geldingsdrang van bestuurders is een explosieve combinatie.

Veelzeggend is een andere foto van dit bezoek waarop de lange men met stekeltjeshaar en het lichtere pak demonstratief het portier van de Dodge 38 sluit en de bezoekers het zicht op de voorstelling van de copulerende jongeren ontneemt. Om hem draait het. Hij is de aanstichter van de controverse. Het is de provinciale toezichthouder Warren Dorn die op aonderstaande foto is te zien met als toelichting: ‘The exhibit was considered highly controversial by Los Angeles County officials‘. Het is geen wonder dat hij in een schets van zijn loopbaan wordt beschreven als ‘conservatieve Republikein’.

Roxy’s” art exhibit (1966). Los Angeles Herald Examiner Photo Collection.

De man in het donkere pak op de foto naast Warren Dorn is John D. Maharg die vanaf 1967 de raadsman van Los Angeles County was. Om het tijdsbeeld en de mentaliteit van de tweede helft van de jaren 1960 te doorgronden, dat aansluit bij de controverse over de Kienholz tentoonstelling, is het inzichtelijk om het vonnis CRISTMAT INC v. COUNTY OF LOS ANGELES te lezen. Dat gaat over een verordening die het verbiedt om in een modelstudio waar tegen betaling doorgaans naakte modellen kunnen worden gefotografeerd drugs of alcohol te gebruiken. Maharg won de zaak van de aanklagers van cocktaillounge ‘Puss and Boots‘.

Hedendaagsheid is relatief

Contemporary Art Show [Sister Mary Linae Frei stands before an exhibit of contemporary art], 1965. Collectie: University Archives van de Saint Xavier University in Chicago.

Intikken van de zoekopdracht ‘contemporary art‘ ofwel hedendaagse kunst leidt naar deze foto’s in digitale collecties. Het levert opmerkelijke plaatjes op uit de tweede helft van de jaren 1960 van kunstopleidingen. Maar vooral de bevestiging van het idee hoe betrekkelijk het begrip hedendaagse kunst is.

Nu zouden kunstcritici de werken die hier gepresenteerd worden waarschijnlijk anders noemen. Zoiets als ‘moderne’ of ‘abstracte’ kunst. Het is trouwens onzeker of deze werken in hun eigen tijd ook door serieuze kunstbeschouwers hedendaagse kunst genoemd zouden worden.

Om welke werken het gaat zegt de beschrijving niet. Het gaat in deze foto’s niet om de kunst, maar om het proces van kijken, presenteren en beeldvorming over ‘hedendaagse kunst‘.

Op de bovenste foto staat in haar habijt zuster Mary Linae Frei centraal. Of zij dezelfde is als de in 1931 geboren abstracte kunstenaar Linea Frei (hier ongeveer 34 jaar oud) zonder haar kloosternaam Mary is niet op voorhand zeker, maar wel waarschijnlijk. Zij werd een belangrijke hedendaagse kunstenaar die in een adem met Mary Bauermeister in 1972 in een tentoonstellingscatalogus over vrouwen in de kunst wordt genoemd.

Op de onderste foto wijst een gids met een paraplu naar een schilderij. Hij geeft twee toeschouwers uitleg. Nu zou hij voor het gebruik van de paraplu als aanwijsstok die akelig dicht het canvas nadert in een museum ongenadig op de vingers getikt worden. Een duw of struikeling is voldoende voor een fikse beschadiging van het schilderij.

Deze twee foto’s draaien om tijdsbeelden en relativiteit. Niet alleen van hedendaagse kunst, maar van hedendaagsheid. Of liever de mythe van hedendaagsheid. Uitingen, gedrag of kunst die in de jaren 1960 hedendaags waren, ogen meer dan 50 jaar later gedateerd. Maar hoe we het achteraf noemen is nog niet zo makkelijk. Want kijken we met de bril van toen of die van nu?

Grigg Studio, Black and white photo of onlookers viewing collections on display from the College Union Collection of Contemporary Art, 1969. Collectie: University Archives Photograph Collection van de Wake Forest University (Winston-Salem, NC).

Met verbreekt na kritiek sponsorrelatie met Sacklers. Kunnen Nederlandse musea er een voorbeeld aan nemen en een begin maken met het naleven van een ethische code inzake de relatie met sponsors?

Schermafbeelding van deel artikelMet dropping Sackler name from museum over opioid links‘ (van AFP) opFrance 24, 9 december 2021.

Het Metropolitan Museum of Art in New York zei op donderdag 9 december 2021 in een verklaring dat het de naam Sackler van verschillende tentoonstellingsvleugels zou verwijderen, te midden van aanhoudende controverse over de vermeende rol van de miljardairsfamilie bij het aanwakkeren van de opioïdencrisis. In media werd dit besluit een mijlpaal genoemd. De naam Sackler zal worden verwijderd uit zeven tentoonstellingen, waaronder de vleugel met de Tempel van Dendur, zei de Met in deze gezamenlijke verklaring met de familie.

De VS zucht nog steeds onder een crisis van pijnstillers, de ‘opioïde crisis’. Verslavende middelen die mensen afhankelijk maakt. Sommigen plegen zelfmoord. De Sackler familie die het inmiddels failliet verklaarde bedrijf Purdue Pharma bezat en de

middelen verkocht is er rijk van geworden.

Zoals vaak in dit soort gevallen willen de leden van zo’n familie niet bekend staan als ordinaire geldboeren en zoeken ze maatschappelijke acceptatie om hun ware aard te verhullen. In dit geval doen ze dat via het sponsoren van kunst. Een gangbare stap om maatschappelijk prestige te kopen.

Een belangrijk signaal over de onaanvaardbaarheid van sponsorgeld in de kunstsector gaf in 2019 de Britse acteur Mark Rylance toen hij de Royal Shakespeare Company (RSC) verliet omdat het sponsorgeld ontving van ‘big oil‘, van BP. Hij meende toen volgens een bericht in The Guardian dat de sponsorovereenkomst van BP met RSC het bedrijf toestond om ‘de destructieve realiteit van zijn activiteiten te verdoezelen’. Volgens hem bedreigen ze de toekomst van de planeet. Rylance zei niet met BP geassocieerd te willen worden, zoals hij dat evenmin zou willen met een wapenhandelaar, een tabaksproducent of wie dan ook die ‘moedwillig de levens van anderen levend en ongeboren vernietigt’.

Het besluit van Rylance is in lijn met andere acties tegen sponsorovereenkomsten in de kunst met bedrijven die door een toenemend aantal activisten niet langer als ethisch toelaatbaar wordt gezien, zoals de groep Gulf Labor in het Guggenheim Museum. In 2015 was er een rel over het Londense Science Museum toen Shell de inhoud van een tentoonstelling over klimaatverandering probeerde te beïnvloeden. Activist Chris Garrad van ‘bp or not bp’ gaf toen aan dat ‘het Science Museum een belangrijk radartje in de propagandamachine van Shell is’. Kunstenaar Michael Rakowitz weigerde om deel te nemen aan de 2019 Whitney Biennial vanwege de rol van wapenhandelaar Warren Kanders in de Raad van Toezicht van deze instelling.

Nederland kent ook dit soort protesten die echter nauwelijks de publieke opinie halen. Zo is er het volgens vele critici besmette sponsorgeld van cultuurfonds Ammodo dat desondanks door vele musea (Museum Boijmans, Van Abbemuseum, Kröller-Müller Museum, Mauritshuis, Museum Boerhaave, Ons’ Lieve Heer op Solder, Rijksmuseum of Stedelijk Museum) probleemloos en hersenloos wordt aanvaard. Soms werkt protest. Het Van Gogmuseum en het Mauritshuis beëindigden in 2018 de sponsorovereenkomst met Shell na druk van de actiegroepen Fossil Free Culture NL en Fossielvrij NL.

Kunstenaar Nan Goldin die ooit verslaafd was aan een middel van de Sacklers voerde in de VS en het VK geruime tijd actie tegen musea die geld van de Sacklers accepteerden. Een gevolg van dat jarenlange protest is dat de Met de sponsorovereenkomst met de Sacklers verbreekt. Dat is een lastige strijd omdat musea zich grotendeels afhankelijk hebben gemaakt van sponsors. In de VS en het VK is dat gebruik en ook in Europa zijn musea door terugtredende overheden de markt opgejaagd.

In 2019 boekte Goldin een eerste succes toen de National Portrait Gallery in Londen bekendmaakte een sponsorbedrag van 1 miljoen pond van de Sacklers af te wijzen. Musea zijn gewaarschuwd, publiek en kunstenaars pikken niet langer dat musea geld van dubieuze geldschieters aanvaarden. Musea die dat (nog) wel doen kunnen op negatieve publiciteit rekenen.

De coronacrisis zou wel eens een zegen in vermomming kunnen zijn voor de ethische opstelling van musea omdat het de formule van museum als tentoonstellingsfabriek van blockbusters ondermijnt en musea de kans geeft om zich hierop te bezinnen. De toenemende kosten van grote exposities zijn voor steeds meer musea onbetaalbaar geworden. Musea hebben nu de kans om terug te komen op de foute afslag die ze ooit in andere tijden namen door zich over te leveren aan ‘foute’ sponsors. Maar willen ze schoon schip maken?

De verwachtingen en het zelflerend vermogen van Nederlandse musea zijn laag en het opportunisme en het wegkijken blijven groot.

In Nederland klonk in augustus 2021 slechts aarzelende kritiek op flitshandelaar Rob Defares die in Amsterdam een kunstinstelling (geen museum) wil inrichten waarvoor hij van de gemeente een pand en ondersteuning eist. Een publiek debat over de ethiek van het aanbod ontbrak volledig. Er klinkt weliswaar kritiek op dit soort fondsen die een ontwrichtende werking op de Nederlandse kunstwereld hebben, maar dat smoort telkens in berekening. De gevestigde culturele instellingen zwijgen als het om het accepteren van ‘besmet’ geld gaat zodat de kritiek nooit echt landt en tot een publiek debat leidt.

Ethiek in de Nederlandse museumsector is akelig onderontwikkeld als het om de herkomst van sponsorgeld gaat. De Met heeft nu een voorbeeld gegeven hoe het anders kan. Hopelijk leert de Nederlandse museumsector daarvan. Het zal onderhand tijd worden.

Kritiek op verwijdering van werk van Peter Struycken in Centraal Museum. Pleidooi voor compensatie

De reportage van Claas Hille voor Kunstforum Utrecht gaat ook over de integriteit van de besluitvorming over kunst in de openbare ruimte. Daar zet hij naar mijn idee terecht en op een overtuigende wijze vragen bij. Dat raakt aan het al vaker geconstateerde feit dat vele besturen of commissies ed. in de kunstsector kwalitatief ondermaats zijn en procedures niet respecteren.

Over de verwijdering van het werk van Peter Struycken in het Centraal Museum (CM) heb ik gemengde gevoelens. Vanaf het begin toen het in 1987 aan de muur van de stallen geplaatst werd heb ik het een slecht werk gevonden. Ik had liever gezien dat het er niet geplaatst werd omdat ik niet vond dat het iets aan de omgeving, de stallen of de tuin toevoegde. Er zelfs afbreuk aan deed omdat het er niet bij aansloot en de sfeer van de omgeving niet goed ‘las’.

Tegen de buitengevel is een kleurig patroon van geometrische platen van Peter Struycken gezet‘. In: De Architect (1987).

Ik vond het werk niet goed, niet mooi en te veel geknutsel. Niet monumentaal, maar voorbijgaand. Zo buitenissig is het dus niet dat het verwijderd is.

Maar de procedure over de verwijdering van Struyckens werk in het CM in de commissie ABKV en de communicatie naar de kunstenaar door het CM is beschamend. Het is een graad erger dan het niet verdienen van de schoonheidsprijs.

Zo behoort men niet met kunstenaars om te gaan. Vooral een kunstmuseum niet. Een museumdirecteur behoort kunstenaars in de watten te leggen en alle moeite te doen om ze tegemoet te komen. Daar is een kunstmuseum voor bedoeld. Die omgang behoort in het DNA van een kunstmuseum te zitten. Anders begrijpt een directie niet waarmee het bezig is.

Een historische complicatie is overigens dat de constructie in 1987 in opdracht van de gemeente Utrecht is aangebracht. Sinds 2013 is het CM verzelfstandigd en geen dienst van de gemeente Utrecht meer. Het is de vraag of hiermee de bevoegdheid van de opdrachtgever volledig is verdwenen en of deze geraadpleegd is bij de verwijdering.

Reliëf geeft de verbouwing van de voormalige stallen inclusief een aula door architect Mart van Schijndel die zich bij een dreigende renovatie of sloop hiervan beriep op zijn intellectueel eigendom. Dat leidde tot een rechtszaak die Van Schijndel verloor. In de aula is overigens ook een werk van Rob Scholte geïntegreerd. Wat is het verschil tussen een architect en een monumentaal kunstenaar die in de openbare ruimte werkt in het beroep doen op dat intellectueel eigendom? Ofwel, wat was de juridische positie van Struycken volgens Artikel 25 van de Auteurswet?

Het CM heeft iets goed te maken. Ik ben van mening dat Bart Rutten, de huidige artistieke directeur van het CM in actie moet komen voor wat zijn instelling Peter Struycken heeft aangedaan.

Dit alles is voor Ruttens tijd gebeurd en hij is door deze kwestie niet belast en kan dus zonder last en ruggespraak handelen.

Het is ongewenst en ongelukkig dat een gerespecteerd museum in de communicatie met zowel een kunstenaar als een commissie als de ABKV aantoonbare leugens verkoopt. Ook dat moet in de beeldvorming hersteld worden. Zeker nu het eenmaal op straat ligt. Struycken dient op enigerlei wijze door het CM tegemoet gekomen te worden. Hoe, dat kunnen Rutten en Struycken in onderling overleg overeenkomen. Liefst zo snel mogelijk.

Musea en kunstinstellingen kunnen hun positie versterken tegenover activisten en politiek door serieus werk te maken van diversiteit en inclusie. Verbreding naar beperking, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd biedt kansen

Schermafbeelding van deel artikelMoeten we kunst van vrouwelijke kunstenaars wel bundelen?‘ van Wieteke van Zeil in de Volkskrant, 16 november 2021.

Voor wie van identiteitspolitiek houdt is koppelen, ontkoppelen, promoten en blokkeren van groepen een zichtbaar middel om zichzelf en de eigen groep of de groep waarvoor men zich sterk maakt te begunstigen. Er wordt op universiteiten, media en in musea tegenwoordig volop gebundeld. Dat is een proces dat voorlopig niet meer terug te draaien is. Het kan hooguit afgezwakt worden. 

Er is een analogie. Religie kan het best bestreden worden door het begrip van wat religie is te verbreden. De beste tactiek is dus niet de bestaande geharnaste religieuze organisaties frontaal aan te vallen, maar zijdelings. Door er meer van hetzelfde naast te zetten, zodat het idee van religie verwatert. Zodat de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster, de Church of Cannabis en allerlei organisaties die zich om welke redenen dan ook willen beschouwen als godsdienst juridisch en maatschappelijk op gelijke hoogte komen met bestaande godsdiensten. 

Zo werkt het ook met de begrippen diversiteit en inclusie, kortom de representatie van minderheden in de kunst. Tot nu toe worden die in de publieke opinie eenzijdig opgevat als een aangelegenheid van gender of huidskleur/etniciteit. Activisten op universiteiten en academies hebben daar de afgelopen jaren succesvol aandacht voor opgeëist. Dat betreft inderdaad minderheden die in de kunst ondervertegenwoordigd zijn, maar het hele verhaal is dat het niet de enige minderheden zijn die achtergesteld worden.

Het is zo dat binnen het scala aan verschillen tussen mensen door het hedendaagse activisme waar het management van musea en academies angstvallig voor door de knieën gaat de scheefgroei binnen de minderheden is toegenomen. Dat vertaalt zich in verdeling van budgetten, publiciteit en functies.

Door de begrippen diversiteit en inclusie op te vatten zoals het theoretisch in de code die onder meer het Mondriaan Fonds hanteert bedoeld is kan die scheefgroei gecorrigeerd worden. Het taboe binnen het taboe is dat gender en huidskleur/etniciteit politieke rugwind hebben en beperking, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd niet. Het huidige politieke klimaat maakt het praktisch onmogelijk om voor laatstgenoemde verschillen de aandacht te krijgen die ze verdienen. Het artikel in de Volkskrant werkt daar indirect en onbewust aan mee. Waarom luidt de kop niet ‘Moeten we kunst van kunstenaars met een lage sociaaleconomische status wel bundelen?

Het is niet zinvol om de geharnaste activisten op het gebied van gender en huidskleur/etniciteit die gaan voor meer representatie in collecties, media en in tentoonstellingen en trouwens goede argumenten hebben frontaal aan te vallen. Ze hebben in hun emancipatiestrijd posities veroverd en laten zich daar niet zomaar uit verdrijven. Want niemand geeft vrijwillig de eigen macht op. Ook niet degenen die dat doen onder het mom om de macht te willen herverdelen. Te beginnen met zichzelf. 

Voor wie dat politieke activisme van een goed georganiseerde minderheid van activisten op het gebied van gender en huidskleur/etniciteit wil relativeren is de beste tactiek om aandacht te vragen voor kunstenaars met een beperking, een lage sociaaleconomische status, een bescheiden opleidingsniveau en gevorderde leeftijd.

Er is nog een lange weg te gaan voordat deze achtergestelde groepen in media en bij musea en kunstinstellingen evenveel aandacht en budget krijgen als de op dit moment politiek populaire minderheden. Dat is een lang en complex proces van bewustwording bij alle betrokkenen met verschillende snelheden, verwachtingspatronen, machtsposities, afweermechanismen en emoties. 

Het is voor media of musea niet sexy om een oudere kunstenaar van 75 jaar, een stotterende of hinkende kunstenaar, of een kunstenaar met een lage sociaaleconomische status en een bescheiden opleidingsniveau die het publicitair niet goed doet en geen politieke statements uit de mouw schudt op het podium van een demonstratie op het Malieveld, aan de tafel van een talkshow, op een bijeenkomst van een politieke partij of op een kunstenaarsgesprek in een museum te presenteren. Maar het is hard nodig als de kunstwereld en de media de begrippen inclusie en diversiteit eindelijk gaan opvatten zoals ze theoretisch in de code gedefinieerd zijn. Breder dan ze nu opgevat worden. 

Inclusie in de kunst bestaat er voor beleidsmakers bij instellingen uit om verder te denken dan de waan van de dag en uit angst en gemakzucht het politieke activisme dat nu het best georganiseerd is en zich kan beroepen op de meeste politieke steun te bedienen. Echte inclusie is dat de musea en kunstinstellingen het opnemen voor de minderheden die slecht in staat zijn om voor zichzelf op te komen. Vanwege een ontbrekend netwerk, gebrekkige sociale handigheid of ontbrekende verbale en intellectuele kwaliteiten.

Winst voor musea en kunstinstellingen is in dat geval dat ze zich door deze Bewustwording 2.0 evenwichtiger en breder zullen kunnen opstellen en het initiatief en de geloofwaardigheid terug kunnen nemen die ze de afgelopen jaren door zowel de agitatie van genoemde activisten als de neerbuigendheid van de politiek verloren hebben.

Door het debat te verbreden kunnen musea en kunstinstellingen zich bevrijden van de eenzijdige claim waarmee hedendaagse activisten tot nu toe succesvol delen van de kunstsector gijzelen. Als musea zich maatschappelijk relevanter maken dan nu (wat iets anders is dan meegaan in een politieke mode) zonder overigens de te tonen kunst aan dat doel ondergeschikt te maken, dan maken ze zich ook sterker door zich minder afhankelijk te maken van de politiek die kunst en musea gebruikt als verlengde van de eigen beleidsdoelen.

Verwoestende brand in Congolees museum roept vragen op over oorzaak, beheer en bescherming van cultureel erfgoed

Archiefbeeld van interieur opslag van Le Musée de Gungu in Kwilu, Congo. Credits: Actualité CD.

Hoe zit het met de veiligheid van kunstobjecten in onveilige landen? Het grootste Congolese privé museum in Gungu, provincie Kwilu is in de nacht van 4 op 5 november 2021 afgebrand na zeer vermoedelijk een aanslag. Het is volledig in rook opgegaan. Metalen objecten lijken de brand naar verhouding het best doorstaan te hebben.

Er wordt door oprichter en directeur Aristote Kibala beweerd dat het museum politieke tegenwerking ondervond (vertaald): ‘De exacte redenen voor deze gruwelijke daad zijn nog niet bekend. Maar ik weet dat ik altijd ben bestreden door verschillende landelijke politici’. Het zou volgens Kibala gaan om 25.000 kunstobjecten. Anderen spreken van duizenden objecten.

Betrouwbaar is de berichtgeving niet, zodat andere opties zoals een technisch defect of een ongeluk niet uitgesloten moeten worden geacht. Ook is het mogelijk dat het om roofkunst gaat en de brand als dekmantel wordt gebruikt om de diefstal te verhullen. De archieven zijn met de brand in rook opgegaan. Toch lijkt een aanslag de meest waarschijnlijke verklaring voor de brand.

De politie stelt een onderzoek in en zegt (vertaald): ‘De politie constateerde dat het gebouw al in brand stond, er was geen mogelijkheid om in te grijpen. Men had benzine door de raamopeningen gesprenkeld en overal rond het gebouw, zodat alles verbrandde. Omdat de kunstwerken soms verspreid lagen, waren andere op de grond geplaatst. Er was geen wachtdienst, geen suppoost.

Het gaat om een gebouw van 25 bij 10 meter die in 2008 voor 32.000 euro is gebouwd en ingericht met Belgisch en Nederlands geld. Of het om een werkend museum met functies als presentatie, registratie, beheer en documentatie ging is de vraag. Het lage bedrag geeft te denken over de beveiliging, zoals brandvertragende maatregelen of maatregelen tegen inbraak. Laat staan klimaatbeheersing. De foto hierboven is er een aanwijzing voor dat de opslag van de objecten niet volgens de geldende museale normen was geregeld. Of dat directeur Kibala of de geldschieters moet worden verweten is de vraag.

De pretentie van een nationaal museum wordt niet door iedereen onderschreven. Dat tekent de berichtgeving die in deze kwestie met vele onduidelijkheden over de basale feiten. Het geeft ook aan dat de pretentie om een nationaal museum te zijn een politieke achtergrond heeft en in een tribale samenleving tot een strijdpunt kan worden. Indirect ondersteunt die claim de claim van belangrijk cultureel erfgoed en autonomie die niet vanzelfsprekend gegund wordt.

Complotdenkers hebben zich ook al op de brand gestort zoals blijkt uit een reactie bij een artikel erover van ‘Salima’ (vertaald): ‘Ze kwamen, ze zagen, ze namen de waardevolle dingen mee, ze staken de rest en de gebouwen in brand. En niets kan uitsluiten dat het een samenzwering is van de internationale maffia die verband houdt met oude Afrikaanse kunst en artefacten die in de wereld worden bewaard. Degenen die het argument willen winnen dat de geplunderde Afrikaanse schat beter in de wereld wordt bewaard voor de mensheid, in plaats van hem over te dragen aan een bewusteloos Afrika waar hij in handen van rovers zal belanden.’

Niets kan iets uitsluiten omdat altijd alles mogelijk is. Maar niet alle scenario’s zijn even realistisch. Het lijkt te gaan om een brand uit wraak. Politioneel onderzoek zal hopelijk uitwijzen wat er gebeurd is en wie de brandstichters en opdrachtgevers waren. Niet te rijmen valt dat daarbij cultureel erfgoed wordt vernietigd. Hoewel het begrijpelijk wordt als het Pende cultureel erfgoed dat in het Gungu Museum werd bewaard door andere stammen als verwerpelijk wordt beschouwd.

Hoe men het ook draait of keert, deze brand stelt opnieuw de vraag centraal waar en hoe het culturele erfgoed van ontwikkelingslanden optimaal kan worden beheerd en welke verplichting rijke landen met hun rijkdom en museale kennis hebben om het culturele erfgoed van ontwikkelingslanden zoals de Democratische Republiek Congo te helpen veiligstellen.

Depotgebouw Boijmans van Beuningen is officieel geopend

Gisteren 4 november 2021 bezocht ik het depotgebouw van Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam dat vandaag officieel geopend wordt door koning Willem-Alexander. Er is de laatste dagen in de algemene media al veel over gesproken en van het fotogenieke interieur zijn op sociale media vele foto’s geplaatst. Ook gisteren liepen er professionele fotografen door het gebouw.

De teneur ook in de internationale pers is dat het prachtig is geworden. Daar sluit ik me bij aan. Ik heb genoten. De architectuur van beton, glas en staal imponeert zonder daar uitdrukkelijk op uit te zijn, zoals sommige Duitse musea dat wel zijn. De nutsfunctie van de opslag maakt terughoudend en maakt indruk door geen indruk te willen maken. Het is knap van architect Winy Maas en de opdrachtgever dat die verleiding is weerstaan. Dat past in de Hollandse traditie van soberheid en droogheid. Wellicht werd dat ook ingegeven door het programma van eisen dat weinig ruimte liet voor gekkigheid. De frivoliteit zit aan de buitenkant met de spiegelende vlekken. Dat levert filosofische verklaringen door de opdrachtgever op die dit gebouw helemaal niet nodig heeft.

Een openingsfeest is niet het gepaste moment om kritiek te hebben. Toch maak ik me zorgen als ik zo’n filmpje van de Rabobank zie. Hoofd Kunstzaken Rabobank Verily Klaassen zegt: ‘We zetten de deuren open. En dat doen we niet alleen. Dat doen we ook samen met kunstenaars, wetenschappers en allerlei andere innovatieve denkers. Voor ons is het belangrijk dat we die kunst en cultuur laten bijdragen aan allerlei transities die we ook bij de bank belangrijk vinden.’

Zo’n uitspraak hangt niet noodzakelijk met dit depotgebouw samen, maar verwoordt onbewust de oude klacht dat de kunst niet autonoom mag zijn en allerlei politieke, maatschappelijke, zakelijke en andersoortige belangen moet dienen. Vraag is of deze tendens door het depotgebouw versterkt wordt. Immers toch een herschikking van bestaande belangen.

Dat geeft in een notendop de valkuil van het depotgebouw aan. Waarbij niet eens het grootste risico is dat Boijmans daar direct intrapt, maar indirect huurders als de Rabobank het depotgebouw met hun marketing verdacht maken. Vraag is hoeveel invloed Boijmans heeft om dat beeld te bewaken en de meest schaamteloze pogingen van de gebruikers terug te dringen.

In Rotterdam zijn geen ‘freeport kings‘ als Yves Bouvier aan het werk die overal ter wereld freeports inrichten waarin kunst verdwijnt, uit het zicht van de publieke opinie. Vaak op het randje van de wet en vaak er in het verborgene een stuk overheen. De verdienste van het Rotterdamse depotgebouw is dat het deze tendens die sinds 2010 in de kunstsector is opgekomen beantwoordt met openbaarheid en debat. Weliswaar is dat in volume een bescheiden antwoord, maar symbolisch is het belangrijk omdat het een weg tekent naar de toekomst voor de museumsector.

Deze profylactische kwaliteit maakt het depotgebouw visionair. Het zoekt door het uitsteken van de eigen nek de uitdaging om te voorkomen dat de kunst- en museumsector volledig ondergeschikt wordt aan het grote geld of de politiek. Zoals gezegd is het risico dat Boijmans straks publicitair geen baas in eigen huis is en het concept verwatert door huurders als de Rabobank. Voor nu: directeur Sjarel Ex ontmoet door de aanval te zoeken het gedachtengoed van Jan Hoet. Niet door te boksen, wel door mee te buigen en harder te lopen dan de anderen.

Tweemaal de foto ‘Two Nuns’ (1943) van Nathan Lerner

Nathan Lerner, ‘Nuns 1943‘.

Twee foto’s van two nonnen van Nathan Lerner (1913-1997). Deze industriële ontwerper en fotograaf kwam van oorsprong uit een Joods-Oekraïense familie. Hij was vooral verbonden aan Chicago.

Lerner is ook bekend om zijn betrokkenheid bij de zeer katholieke outsider kunstenaar Henry Darger die in een huis van hem naast zijn eigen huis woonde. Ze zagen elkaar dagelijks. Hilarisch en melancholisch is wat Lerners weduwe Kiyoko daarover vertelt. Zelfs de zo in China geïnteresseerde kunstenaar Pedro Bakker schreef een artikel over Darger door wie hij zich liet inspireren.

Hoe zit het met de foto van de twee nonnen die Lerner in 1943 in New York maakte toen hij daar in opdracht van de regering gestationeerd was en werkte aan camouflage en verlichting voor de marine? Ze zijn verschillend afgedrukt.

De bovenste foto kan als officiële versie beschouwd worden omdat die gepubliceerd is op de site Nathan Lerner waaraan Kiyoko Lerner verbonden is. De onderste foto is in 2009 door haar geschonken aan het Parijse Musée d’art et d’histoire du Judaïsme (mahJ) en sinds kort digitaal oproepbaar.

De onderste foto kent meer contrast in de lichte en minder in de donkere vlakken dan de bovenste foto. De onderste foto is warmer. Daarnaast is de uitsnede anders. Op de onderste foto is links, rechts en aan de bovenkant een deel van de afbeelding afgesneden. Daarom staan we bij de onderste foto dichter bij het onderwerp. Is het zinvol om te vragen wat de betere en meer geautoriseerde versie van Two Nuns is? Ze bestaan naast elkaar. De omgeving van de bovenste foto is ingewisseld voor de versterking van het thema van de twee nonnen. Wordt de foto in de collectie van het mahJ er ‘krachtiger’ op?

Wie de foto voor het eerst ziet zal wellicht op het eerste gezicht denken dat het een beeld uit Irak is van twee islamitische vrouwen die gehuld zijn in een boerka. Bij nader inzien blijkt uit de details dat die inschatting niet klopt. Deze illusie en dit dwaalspoor geeft extra lading aan deze foto die Nathan Lerner zich in 1943 niet had kunnen voorstellen.

Nathan Lerner, Two Nuns, 1943. Schenking van Kiyoko Lerner aan het Musée d’art et d’histoire du Judaïsme te Parijs.

De tragiek van Antonio Ligabue en zijn liefde voor Cesarina

Antonio Ligabue (1899-1965) was een Zwitsers-Italiaanse schilder. Hij wordt beschouwd als vertegenwoordiger van de outsider kunst, naïeve kunst, art brut. Na zijn dood werd in 1977 door de Italiaanse publieke omroep RAI de biografische driedelige televisieserie ‘Ligabue‘ over zijn leven gemaakt. Een ingekorte versie die ik toen in de bioscoop zag maakte diepe indruk op me. Ligabue scheurde op zijn rode Moto Guzzi (in 2021 was het merk 100 jaar oud) door Reggio Emilia.

De foto van Ligabue met een vrouw wordt ook wel als voorbeeld gegeven om aan te tonen dat er niet alleen duisternis in zijn leven was, maar ook genegenheid. Hij geeft zijn ‘vriendin’ Cesarina een roos.

In Zwitserland werd hij opgenomen in een psychiatrische kliniek en in 1919 als zoon van een Italiaanse emigrant naar het land van zijn Italiaanse vader verbannen. Zijn moeder en drie broers waren in 1913 door een voedselvergiftiging overleden. Zijn vermoedelijke vader was uit beeld geraakt. Antonio veranderde uit haat voor zijn vader zijn naam van Laccabue in Ligabue. In 1920 begon hij te schilderen. Hij werd ermee een van de bekendste naïeve kunstenaars van Europa. Het is wat men een tragisch leven noemt.

Of Ligabue zijn tijgers en jungle-achtige landschappen losjes baseerde op het werk van de Franse naïeve kunstenaar Henri Rousseau (le Douanier) roept zijn werk op. Ook de Georgische naïeve kunstenaar Niko Pirosmani had een thematiek van wilde beesten, landschappen en portretten. Is dat toeval? Bij Ligabue lijkt de verstilling het meest afwezig.

Ligabue’s levensverhaal doet denken aan die andere van oorsprong tamelijk bekend geworden Zwitserse kunstenaar, de schrijver Robert Walser die zijn vrijheid niet vond in een motor, maar in het wandelen. Nederlanders zullen wellicht de associatie maken met dichter Jan Hanlo die in 1969 met zijn motorfiets tegen een landbouwtractor reed en twee dagen later overleed. Hij was eerder wegens een psychose opgenomen in een psychiatrische kliniek. Net als Schriftsteller Walser.

Op de Facebookpagina van de Fondazione Archivio Antonio Ligabue Parma-Archivio dal 1983 waar de hier geplaatste foto’s zonder details werden gepubliceerd staat bij de foto met Cesarina de volgende toelichting. Vertaald: ‘De schilder had nooit een partner, maar slechts één grote ongelukkige liefde: Cesarina, zus van zijn vriend Ivo, manager van de herberg La Croce Bianca in Guastalla. // “Geef een zoen” zei hij tegen haar, die met haar wilde trouwen, haar naar een kasteel wilde brengen en haar tot zijn koningin wilde maken. Toni, zo lang als hij zich kon herinneren verkeerd begrepen en mishandeld, verborg in zijn hart alleen de zoektocht naar een perfecte, sprookjesachtige “finale”. Het is de vraag of de Fondazione de romantische over Ligabue goed weergeeft of extra aanscherpt.

Het is de vraag of de Fondazione de sprookjesachtige romantiek van de nobele wilde goed weergeeft of extra aanscherpt. Wie wel eens een opening van een lokale kunsttentoonstelling in Frankrijk, Italië of Spanje heeft meegemaakt weet dat de bestuurders zich doorgaans belangrijker maken dan de kunst en de kunstenaars. De foto’s op de site van de Fondazione bevestigen dat patroon waarachter Antonio Ligabue wordt teruggebracht tot een vehikel voor marketing om het bestuur te dienen. Ook dat is de tragiek van een kunstenaar om na de dood in een vreemd regiment ingelijfd te worden.

In de documentaire Nebbia (Mist) van Raffaele Andreassi uit 1961 (onderstaande versie is op 3 minuten na volledig) zien we (vanaf 8′ 10”) Toni met Cesarina. Hij geeft haar een ‘gestolen’ zoen. Zij laat het zich welgevallen. Je hart breekt als je het ziet. De mist in zijn hoofd lijkt op te trekken. Is het dier even getemd? Vanaf 1955 werd Ligabue bekend. Je moet er niet aan denken wat dat nu voor publiciteit had gegeven en hoe onrustig hem dat had gemaakt. Dat is hem gespaard gebleven.

Documentaire Nebbia (Mist) van Raffaele Andreassi uit 1961.