Gedachte bij foto ‘Art class. Provincetown’s reputation as an art center provides ample income for several art schools. Outdoor classes are likely to pop up anywhere. Massachusetts’ (1940)

Art class. Provincetown’s reputation as an art center provides ample income for several art schools. Outdoor classes are likely to pop up anywhere. Massachusetts’, 1940 . Collectie: Library of Congress.

Het gaat in de titel om het begrip ‘reputatie’. De titel zegt: ‘De reputatie van Provincetown als kunstcentrum biedt voldoende inkomsten voor verschillende kunstacademies. Buitenklassen zullen waarschijnlijk overal opduiken’. Provincetown is een toeristische plaats op het uiterste puntje van schiereiland Cape Cod in Massachusetts.

De reputatie van Provincetown als kunstcentrum maakt het dus waarschijnlijk dat overal buitenklassen opduiken. Zoals op de foto op het witte strand van Provincetown. Maar dit roept allerlei vragen op. Wat zijn dat voor buitenklassen die meeliften op de reputatie van een stadje als kunstcentrum? De vervolgvraag is of deze buitenklassen de reputatie helpen verzwakken of versterken. Hoe lopen professionele en niet-professionele kunst door elkaar en hoe hebben ze invloed op elkaar via het scharnierbegrip ‘reputatie’?

Het is maar een kleine vraag bij deze intrigerende, documentaire foto van Edwin Rosskam. Kunst als bezigheid van toeristen en zingeving voor een vakantie. Het is augustus 1940. Op hetzelfde ogenblik wordt er gevochten in Europa. Dagjesmensen komen met de boot uit Boston. De ferry ‘Steel Pier’ ligt in de achtergrond gemeerd aan de pier. Portugese vissers hebben hun vis aan land gebracht. Op het strand van Provincetown is het tekenles. Dat tekent de sfeer. Ontspannen, artistiekerig en aanhakend bij vermaardheid. Zo terloops als het leven zelf.

Kunst is machtig. Kunstenaars kunnen muren doen instorten als ze dat willen

De illustraties van Eric Drooker zijn soms wat zoet, wellicht ligt dat aan de opdrachtgevers, maar vaak treffen ze de roos. Zoals Jericho. Het Bijbelse verhaal van De verovering van Jericho waarin de Israëlieten op de zevende dag zeven keer om de stad lopen en op hun ramshoorns blazen. De muren stortten in, tumbling down. De ramshoorn is ingewisseld voor een saxofoon.

Musici spelen vaker in de openlucht omdat dat in hun eigen woning lastig is vanwege geluidsoverlast. Denk aan Sonny Rollins die oefent op de Williamsburg brug. Drookers illustratie is een beeld voor de kracht van kunst dat muren kan doen instorten. Daar gaat het om. Om het zelfbewustzijn van kunstenaars. Dat moeten kunstenaars beseffen. Ze kunnen muren laten instorten als ze dat willen.

Godsdiensten zijn minder uniek dan christelijke randdebielen en bollebozen suggereren. Het rechtvaardigt geen uitzondering voor kerkdiensten

The second drama premiere of the 63rd Dubrovnik Summer Festival, Euripides’ ancient Greek tragedy Medea directed by Tomaž Pandur and realized in | ‘Medea’s demonic aria’ on Fort Lovrjenac till 7th August | Just Dubrovnik

Het is duidelijk: de randdebielen zijn onder ons. Ze zijn van orthodox-religieuze, protestante signatuur en wonen in steden als Urk of Krimpen a/d IJssel. Ze kunnen wellicht alles van de bijbel weten en gezag hebben in eigen kring, maar hebben geen historisch besef en politiek benul. Maar ze staan niet alleen. Ze krijgen rugdekking van christelijke bollebozen.

Hoe wereldvreemd is het niet om te zeggen dat de SS vriendelijker handelde in de oorlog dan journalisten die verslag doen van de kerkgang? Terwijl heel Nederland op slot zit. Dit is rugwind voor religiecritici die kritisch zijn op religieuze instellingen en tragisch voor de meerderheid van goedwillende gelovigen die zich voorbeeldig gedragen en zien hoe deze protestante hardliners alle godsdiensten in een kwaad daglicht zetten. Deze christelijke randdebielen hebben in 48 uur meer schade aan het christendom aangericht dan vrijzinnigen en religiecritici in 48 jaar.

Zoals bij islamitisch geweld de ‘gewone’ moslims door voornamelijk rechtse segmenten van de samenleving daar op aangesproken worden (zelfs als zij of hun ouders niet eens moslim zijn maar een islamitisch land als land van herkomst hebben) zo zouden nu de ‘gewone’ christenen ter verantwoording moeten worden geroepen voor de daden en woorden van deze orthodoxe christenen.

Het is een geluk bij een ongeluk dat het orthodoxe christendom zich uitspreekt en haar ware aard toont. Want daarover bestaat onduidelijkheid. Veel Nederlanders in de grote steden denken dat deze orthodoxe christenen redelijk en niet veel anders zijn. Dat kun je vermoeden van gelovigen waarmee je nooit in aanraking komt. Dat is het misverstand. De basis voor die zelfgekozen segregatie van de orthodoxe christenen is de angst om het eigen karakter te verliezen. Daarom houden ze krampachtig aan elkaar vast en gijzelen ze in zekere zin elkaar. Op hun beurt hebben ze weer een verkeerd beeld van andersdenkenden. Dat leidt tot radicalisering in eigen kring. Dat is bij orthodoxe gelovigen van andere godsdiensten niet anders.

Het AD maakt in een artikel met als aanleiding de actualiteit van schoppende kerkgangers een rondgang langs docenten en hoogleraren theologie/ godsdienstwetenschappen waarvan er vermoedelijk in Nederland honderden zijn. Afwijkende geloofsrichtingen, gemeenschappen, stromingen en godsdiensten leiden tot afwijkende meningen over wat geloof is. Daarmee worden ook de valse tegenstellingen geïntroduceerd om het geloof te verdedigen. De bollebozen nemen het ‘genuanceerd’ op voor de randdebielen. Zo suggereren ze in hun wijsheid.

Schermafbeelding uit artikel ‘Volle kerken leiden tot onbegrip: ‘Kerkdienst is echt iets anders dan een festival’’, AD, 30 maart 2021.

Hoogleraar praktische theologie Hans Schaeffer zegt in de hierboven geplaatste schermafbeelding uit dat artikel in het AD dat ‘een kerkdienst is daarmee echt iets anders dan een voetbalwedstrijd of een festival. Eeuwenlang was het christendom in Nederland het dominante verhaal en het besef dat religie wat hogers is, vanzelfsprekend. Sinds de verlichting wordt het geloof steeds meer achter de voordeur teruggedrongen.

Dat is een valse tegenstelling. Natuurlijk is een kerkdienst iets anders dan een voetbalwedstrijd of een festival. Maar daarmee is niet gezegd dat het waardevoller is en de vrijheid van godsdienst een grondrecht is dat meer bescherming moet krijgen dan andere grondrechten. Dat suggereert Schaeffer hiermee. Het feit dat eeuwenlang een situatie heeft bestaan wil niet zeggen dat dat een juiste situatie was. De geschiedenis kent genoeg wantoestanden als kinderarbeid, slavernij of feodale verhoudingen die eeuwenlang hebben bestaan en in hun tijd vanzelfsprekend waren, maar waarvan het toch beter is dat ze niet meer bestaan.

Godsdienst is historisch ook zo’n relict uit vroeger tijden. Het christendom is een sekte van twee millennia oud. De leeftijd van het christendom is dus eerder een argument tegen voor de legitimiteit en het bestaan ervan. De ondergeschikte positie van vrouwen binnen godsdiensten is een teken van die achterhaaldheid.

Schaeffer is selectief door een kerkdienst te vergelijken met een voetbalwedstrijd of festival. Hij kan het ook vergelijken met een tentoonstelling in een openbaar museum van het werk van Mark Rothko (zoals de Rothko Chapel in Houston) of een Griekse tragedie van de grote drie tragedieschrijvers Aechylus, Sophocles en Euripides. Vooral van de eerste is duidelijk dat hij in vorm en inhoud uit dezelfde bron put van de rituelen en een mensbeeld met noodlot, zondeval en Goden als de ons nu bekende godsdiensten. Er zijn meer voorbeelden uit de kunsten, van Bach tot Marc Mulders die tegenspreken dat kerkdiensten principieel anders zijn. Dat zijn ze niet. Kunst raakt in presentaties ervan ook het diepste wensen van de mens. Daarin is religie niet uniek.

The Oresteia of Aeschylus – Leader of the Chorus

Kerkdiensten zijn op dit moment in Nederland slechts op één aspect anders. Ze genieten voorrechten die vergelijkbare theatervoorstellingen en museumprestaties niet genieten omdat ze op last van de rijksoverheid zijn stilgelegd. Dat bergt een onverklaarbare ongelijkheid in zich.

Schaeffer constateert terecht dat het geloof sinds de verlichting steeds meer achter de voordeur is teruggedrongen. Dat is er een gevolg van dat de meerderheid van de Nederlanders verklaart zich niet door een godsdienst te laten inspireren en het christendom haar dominante grip op de samenleving is kwijtgeraakt. Binnen het secularisme heeft het christendom nu dezelfde positie als andere geloven en levensovertuigingen. Ermee is het recht van de christenen niet verdwenen om zich te verenigen in kerken, maar alleen hun traditionele voorrecht waar Schaeffer nostalgisch naar terug lijkt te verlangen. De episode van de kerkdiensten tijdens de pandemie verduidelijkt dat zelfs dit voorrecht van het christelijke geloof niet definitief is verdwenen. Dat is het naijl-effect van christenen die zich in de politiek hebben verschanst en met een beroep op de voortreffelijkheid en bijzonderheid van hun geloof dat aloude voorrecht als natuurlijk opeisen.

Gedachten bij foto ‘Op de Dam te Amsterdam werden met een projectie-apparaat de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op een groot scherm getoond. In de muziekkiosk zorgden de Ramblers voor de muzikale opluistering’ (1958)

Het was nog maar in 1958 dat verkiezingen werden gevierd op pleinen en voor gebouwen van kranten waar de uitslagen druppelsgewijs binnenkwamen. De beschrijving bij deze foto toont een Nederland dat we nog nauwelijks kennen. Het doet ouderwets aan, maar kondigt al het begin van de moderne tijd met nieuwe communicatiemiddelen aan: ‘Op de Dam te Amsterdam werden met een projectie-apparaat de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op een groot scherm getoond. In de muziekkiosk zorgden de Ramblers voor de muzikale opluistering’.

De televisie is in 1958 nog nauwelijks doorgedrongen tot de huiskamers. Die opmars begint pas zo’n vijf jaar later als de welvaart over Nederland komt. Mede dankzij het gasveld van Slochteren. Ook toen al moest de verkiezingsavond ‘opgeluisterd’ worden. Zeggen we nu ‘oppimpen’? Welbeschouwd is zo’n avond een saaie bedoeling met veel dode momenten. Een enkel hard feit en vooral analyses, speculaties en projecties die toch nooit uitkomen zoals op deze verkiezingsavond wordt gezegd.

’t Heerlijk avondje is gekomen, ’t Avondje van het verkiezingsfeest, Vol verwachting klopt ons hart, Wie de koek krijgt, wie de gard, Vol verwachting klopt ons hart, Wie de koek krijgt, wie de gard.

Maakt het veel uit wie er wint? Dat valt te bezien. Alles is best als partijen binnen de democratie blijven en geen alternatief rechtssysteem willen optuigen. Daarom ben ik van mening dat de SGP en FvD ontbonden moeten worden omdat ze niet binnen de democratie passen en er een destabiliserende invloed op uitoefenen. Maar verder maakt het weinig uit. Zolang partijen de democratie niet omver willen werpen en min of meer hetzelfde wereldbeeld schetsen is er voor elke partij (behalve FvD en SGP) wel iets te zeggen. Met chips en bier, en wellicht een boek erbij, is het kijken naar de verkiezingsavond en het spieden naar de harde cijfers draaglijk infotainment.

Foto: Peter van Zoest (ANP), ‘Op de Dam te Amsterdam werden met een projectie-apparaat de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op een groot scherm getoond. In de muziekkiosk zorgden de Ramblers voor de muzikale opluistering’, 28 mei 1958. Collectie/ Archief: Fotocollectie Elsevier

Exotisme in de architectuur: Het kame(e)lengebouw van de Rotterdamse Diergaarde (1907)

Deze afbeelding maakt deel uit van de beeldcollectie van de Smithsonian Bibliotheek. Het gaat om een pagina uit de feestuitgave uit 1907 van Dr. J. Buttikofer ‘ter Viering van Het 50-Jarig Bestaan der Rotterdamsche Diergaarde, Rotterdam’. Het bijschrift maakt het er interessant op. Dat zegt: ‘A camel house. Zoo buildings were frequently designed to replicate the architecture of a place equally as exotic as the animal itself’.

Het Kamelengebouw dat in 1868 werd gebouwd was in 1907 dus bijna 40 jaar oud. Maar hoe bijzonder was het dat gebouwen in dierentuinen ‘vaak ontworpen [werden] om de architectuur te repliceren van een plek die even exotisch is als het dier zelf’. Interessant is het woord ‘repliceren’ omdat het zoveel betekent als nabootsen, namaken kopiëren of herhalen. Het idee is dus dat het gebouw het exotisme of de uitheemsheid van de erin gehuisveste kamelen of dromedarissen in het uiterlijk navolgt. De buitenkant maakt duidelijk wat de binnenkant inhoudt. Het is een vorm van overdrijving, herhaling en overbodigheid, maar ook van aankondiging en voorpret. De bezoekers konden zich alvast verkneukelen over wat komen ging van wat ze naderden.

Toch blijf ik met de vraag zitten hoe bijzonder dit is en waarom het Smithsonian er deze tekst aan toevoegt. Is het niet per definitie de functie van goede architectuur dat uit het uiterlijk het innerlijk valt af te leiden? Het regeringsgebouw moet openheid en macht uitstralen en niet verbergen. Uit het appartementengebouw moet af te leiden zijn dat er mensen wonen. Uit het gebouw van het waterbedrijf, het havenbedrijf, het gasbedrijf, de spoorwegen of de electriciteitscentrale moet de functie of de utiliteit af te leiden zijn. Wellicht zijn de gebouwen die hun functie willen verhullen de uitzondering. Zoals de opslag van de goudvoorraad van de staat of een waardevolle museumcollectie.

Wellicht bedoelt de beschrijving van het Smithsonian dat het kamelengebouw van de Rotterdamse Diergaarde wat overdreven is. In de kunstgeschiedenis nam in het Westen gedurende de 19de eeuw de toe-eigening van niet-Westerse, exotische motieven toe. In de toegepaste kunsten, maar ook in de autonome beeldende kunst en de architectuur.

In dit voorbeeld is sprake van oriëntalisme. Het exotisme van het Oosten. De kamelen die symbool staan voor de vermeende geheimzinnigheid en sensualiteit van het Oosten worden nog eens extra gesymboliseerd door het gebouw zoals een kind het zou tekenen met de opdracht om een Oosters gebouw af te beelden. Zo beredeneerd beeldt het kamelengebouw niet zozeer het innerlijk af van de huisvestiging van dieren, maar van het beeld dat rond 1900 in Rotterdam en omstreken van het Oosten bestond. Nu wordt dat blijkbaar herkend als een niet heel subtiele uitvergroting en kan dat niet meer neutraal beschouwd worden, maar moet de nabootsing als nep bekend gemaakt worden.

Foto: Pagina 44 uit ‘Buttikofer, Dr. J. 1907. Feest-Uitgave ter Viering van Het 50-Jarig Bestaan der Rotterdamsche Diergaarde, Rotterdam: Electrische Drukkerij Nijgh & Van Ditmar’. Collectie: Smithsonian Libraries.

De ongeloofwaardigheid van Meghan Markle en prins Harry

Wat doet het met iemands karakter om tweede viool te moeten spelen? En (klein)kind van een beroemde ouder te zijn? Denk aan Ivanka of Donald Trump jr. Of een prins of prinses in een koningshuis die tandenknarsend en ontevreden met die positie achteraan in de lijn van de troonopvolging staat.

Deze (klein)kinderen maken zich groot door zich af te zetten tegen iets waar ze tegelijk krampachtig aan vasthouden omdat dat hun enige verdienste is. Hun enige manier om de roem van hun ouder die op hen afstraalt te verzilveren. Deze kinderen zijn tragisch in hun koersloosheid en afhankelijkheid.

De aandacht van de media voor deze kinderen heeft iets vals. Zeker als de (klein)kinderen zich tegen hun (groot)ouder verzetten. Denk aan de (klein)kinderen van nazi-leiders, zoals Ferdinand Von Schirach of Niklas Frank. Ofschoon ze een eigen carrière hebben weten op te bouwen. Maar dat kwam omdat het Derde Rijk na 1945 niet meer iets was om trots naar te verwijzen. Alleen afzetten ertegen werd aanvaard in de media en de politiek.

Nederland heeft trouwens met Maxima Zorreguieta een persoon in huis die zich het koningshuis heeft ingepitcht en zich sindsdien hult met de glorie van de Nederlandse monarchie. Of wat daar na alle uitglijers van over is. Opvallend is dat Maxima als echtgenote van het staatshoofd lijdt aan zelfoverschatting wat haar positie betreft. Het is staatsrechtelijke onzin dat ze haar schoonmoeder (prinses Beatrix) opvolgt zoals ze in 2013 zei. Ze heeft als staatshoofd geen duo-baan met koning Willem-Alexander. Máxima wordt koningin genoemd, maar dat is louter een aanspreektitel.

Het verhaal van Meghan Markle en prins Harry duidt op twee aspecten:
-1) Monarchie en erfelijke troonsopvolging zijn risicovol voor een land omdat er geen controle en toetsing op de kwaliteit van het staatshoofd en de directe omgeving van de koninklijke familie is. De grootste idioten en onbenullen kunnen er straffeloos deel van uitmaken. Feitelijk geldt dat trouwens ook voor iemand als Donald Trump jr. aan wie zijn vader geen verantwoordelijkheid toevertrouwt omdat hij hem zakelijk niet vertrouwt. Amerikanen zijn dol op dynastieën (Kennedy, Bush) die ze als koninklijk opvatten;
-2) De twee koningskinderen zijn in een mentaal niemandsland terechtgekomen waarin ze uitsluitend bekend zijn … omdat ze bekend zijn. Type BN’er van wie niemand weet wat hun expertise is, behalve hun vermeende bekendheid. Wie als uniek verkooppraatje tegen het Britse koningshuis aantrapt, waar het ook de positie van outsider aan heeft te danken omdat anders niemand aandacht zou hebben voor de niet heel bijzondere prins Harry, is ver afgedwaald. De media wrijven het er heerlijk in. Tegen fikse betaling van de media hebben Meghan en Harry de race naar de ongeloofwaardigheid definitief ingezet. Maar in de media wordt het uiteraard anders genoemd.

Verkiezingsdebatten zijn saai en voorspelbaar, en blijven braaf binnen de perken van de gevestigde orde

Verkiezingsdebatten op televisie of interviews met lijsttrekkers in taxi’s, kappersstoelen of studio’s, ik kijk er niet naar. Eerlijk gezegd begrijp ik niet waarom anderen er wel naar kijken. Wat valt er te halen of te ontdekken? Het ontgaat me volledig. Het is alleen leuk voor partijtijgers die bevestiging van en identificatie met hun kandidaat zoeken.

Verkiezingsdebatten gaan om herkenning en niet om miskenning. Het maken van onderscheid is weliswaar een functie van de journalistiek, maar als dat resulteert in het beschrijven van en toetsen van het bekende aan het bekende, dan verwordt het tot een lege en plichtmatige exercitie

Hetzelfde geldt de krantenkolommen waarin journalist, redactie of krant partijen vanuit hun perspectief doorlichten op blauwe of bruine ogen, kunst of geen kunst, man, vrouw of anders zijn. Het is saai en voorspelbaar en blijft braaf binnen de perken. Binnen de mentale ruimte van de gevestigde orde waar het draait om marketing, haalbaarheid, gespeelde menselijkheid en verkiesbaarheid.

Pseudo-kritiek van media die nooit doorbijten maakt het onnozel en vals. Het ligt zwaar op de maag en is niet voedzaam. Media houden met een show vol rituelen en harde afspraken het beeld van een Potemkin-façade in stand onder het mom het af te breken. Ze wijzen trots naar zichzelf en weerleggen kritiek door te verwijzen naar hun wapenfeit hoe kritisch ze durfden zijn tegen meneer A, mevrouw B of partij C. Tegelijk zijn ze close en onderhorig om hun toegang in stand te houden.

Media laten de politieke klasse als beroepsgroep geheel bewust buiten beeld. De Consumentengids van het vrije woord test de techniek, de levensduur, de prijs, de beschrijving in de gebruiksaanwijzing, maar vraagt zich niet af hoe zinvol het product voor Nederland is en wat we er eigenlijk voor kopen.

Verkiezingsdebatten en interviews met lijsttrekkers zijn bedrog van de nieuwsconsument door de media. In een gesloten een-tweetje. Politici zijn acteurs die een rol spelen en op hun persoonlijkheid worden bevraagd. Het is illusie die als werkelijkheid wordt gepresenteerd. Als fictie of tijdverdrijf heeft het nog enigszins een functie, maar als informatievoorziening heeft het de inhoud van een lege huls. Verkiezingsdebatten zijn het reservaat dat speciaal is bestemd voor de bescherming van politici.

Graag ben ik het eens met columnist Aylin Bilic die haar column van 4 maart 2021 in NRC zo besluit:

Foto 1: PubliciteitsfotoDe zes lijsttrekkers bij het RTL-verkiezingsdebat’ van het verkiezingsdebat van RTL op 28 februari 2021. Credits: ANP.

Foto 2: Still uit videoDe Hofkar – Afl. 5: Thierry Baudet’ voor Omroep PowNed.

Foto 3: Schermafbeelding van deel columnVerkiezingsdebat is geen potje armpje drukken’ van Aylin Bilic in NRC, 4 maart 2021.

Hoe moeten we de zinsnede ‘Identiteit is zeker in het linkse Nijmegen een vies woord’ opvatten?

Museum Het Valkhof is voorlopig gered met een bijdrage van de gemeente Nijmegen van 16 miljoen euro. Op termijn vloeit dat bedrag terug naar de gemeente, zo is het idee. Mede door achterstallig onderhoud gaat het dit museum al jarenlang slecht. Afhankelijk van geldschieters is het een probleemgeval geworden dat onderwerp van onderzoek, interim management en grootste plannen is. Conservatoren werden wegbezuinigd zodat het de vraag is wat de kunsthistorische kurk nog is waar dit museum op kan drijven.

Er wordt nu van alles beweerd, geclaimd en geschetst over de toekomst van dit museum. De Gelderse journalist René Arendsen zegt in een column voor Omroep Gelderland onder meer het volgende. Het heeft slechts zijdelings met het onderwerp te maken, maar mijn oog bleef er aan haken.

Arendsen breekt een lans voor de kunst en meent dat links in Nijmegen niks met identiteit heeft. Nu ken ik links in Nijmegen niet, maar links buiten Nijmegen heeft alles met identiteit te maken. Links buiten Nijmegen is identiteit. Het wordt zelfs als reden gegeven waarom links de steun van de witte ‘arbeiders’ verloren heeft omdat het de sociaal-economische onderwerpen, zeg de klassenstrijd die voltooi zou zijn, ingewisseld heeft voor het opkomen voor de emancipatie van vrouwen, homoseksuelen, migranten en welke minderheid dan ook en het bestrijden van het onrecht dat deze groepen zouden ervaren. Behalve de ‘arbeiders’.

Maar is dat dezelfde identiteit die Arendsen bedoelt? Wat bedoelt Arendsen als hij zegt dat identiteit in het linkse Nijmegen een vies woord is? Is het niet net andersom? Namelijk dat links in Nijmegen zoals elders sinds de jaren 1990 te veel is opgekomen voor een abstract idee van identiteit en daarom de gewone brood-en-boter onderwerpen heeft verwaarloosd inclusief de doelgroepen die belang hadden bij de aandacht ervoor? En spreekt hij zichzelf niet tegen omdat regionale identiteitspolitiek in Nijmegen springlevend is?

Het kan zijn dat Arendsen bedoelt dat links in Nijmegen niks heeft met kunst, erfgoed en culturele identiteit en hij stilzwijgend veronderstelt dat wij eten dat links alles heeft met de identiteitspolitiek van de sociale identiteit van bepaalde groepen, maar dat is een loze bewering omdat dit voor de hele politiek van Nederland geldt.

Geen enkele politieke partij in Nederland maakt zich op een vanzelfsprekende, oprechte en niet hijgerige manier hard voor kunst en benadrukt dat de Nederlandse taal, kunst, cultuur, wetenschap en geschiedenis onlosmakelijk samenhangen en het verdienen om bevorderd, gesteund en onderhouden te worden. Zelfs nationalistische partijen doen dit niet, hoewel het omgekeerde het geval lijkt als ze praten over Wilhelmus, Gouden Eeuw, VOC-mentaliteit of de joods-christelijke cultuur. Maar dat is beeldvorming en politieke marketing die niet door beleid wordt gevolgd.

Symbolische incidenten als de oprichting van een Nationaal Historisch Museum die door onder meer de SP werd geïnitieerd en steeds mislukten door interne verdeeldheid benadrukken het ontbreken van visie van de partijpolitiek op de nationale identiteit van Nederland. Alleen als men ermee kan scoren door het binnenhalen van een locatie voor zo’n museum wordt het belangrijk geacht. Of als partijen het kunnen invoegen in hun programma, bijvoorbeeld door het onderscheid met niet-Nederlandse elementen ermee te vergroten.

Het erin opgesloten idee dat nationale identiteit van Nederland met geschiedenis, taal, kunst en wetenschap telt en essentieel is en het verdient om vanuit de eigen verdiensten bevorderd te worden ontbreekt bij zowel de linkse als rechtse politiek. Identiteit wordt door de politiek altijd voor het eigen karretje gespannen. Omdat identiteit die identiteit is zich juist daar per definitie aan onttrekt is dat een zinloze en uitzichtloze poging tot inlijving. Waarschijnlijk bedoelt Arendsen het ook zo, maar hij zegt het anders.

Foto 1: Kabinetsfoto G. Korfmacher Nijmegen.

Foto 2: Schermafbeelding van deel columnMuseum Het Valkhof moet durven kiezen het mooiste verhaal van Nederland te vertellen’ van René Arendsen op Omroep Gelderland, 3 maart 2021.

Baudets uitspraak over Neurenbergse processen is politiek minder afwijkend dan het lijkt, maar juridisch minder degelijk dan hij claimt

Extreem is het standpunt van Thierry Baudet niet dat strafrecht niet met terugwerkende kracht kan worden opgelegd. Dat was zijn antwoord op de vraag over een corona-tribunaal waarvoor volgens Baudet geen rechtsgrond bestaat. Hij illustreerde dat met een voorbeeld over de Neurenbergse processen die van 1945 tot 1949 in Duitsland plaatsvonden.

Na kritiek op deze uitspraak van Baudet op een verkiezingsbijeenkomst in Gouda werd de partij om uitleg gevraagd. Volgens een bericht in De Telegraaf was het antwoord: ‘Wat hij bedoelde is dat je mensen niet kunt veroordelen met wetten die pas zijn aangenomen nadat de feiten hebben plaatsgevonden. Dat heet het legaliteitsbeginsel en dat vormt de kern van een rechtsstaat. Moord was en is altijd illegaal en altijd onaanvaardbaar. De genocidale misdaden van de Duitsers hadden onder regulier nationaal recht bestraft moeten en kunnen worden.’

Dat is inderdaad een verschil van mening zonder volledige wetenschappelijke overeenstemming. Maar is het zo dat het feit dat het handelen van bevoegd gezag gebaseerd moet zijn op een vooraf aanwezige bepaling elke ruimere opvatting die tot veroordeling kan leiden dichttimmert? Nee, dat nou ook weer niet, want er bestaat ook zoiets als gewoonterecht dat ongeschreven naast de wetten bestaat en ook voor het strafrecht geldt. Ook in het internationaal recht spelen vormen van gewoonterecht een belangrijke rol.

Daarnaast bestaat er het Landoorlogreglement van 1899 dat deel uitmaakt van het internationaal gewoonterecht en een legitieme basis aan de Neurenbergse processen gaf. Dat betreft onder andere regels over bezetting en oorlogsvoering. Uit het feit dat de nazi’s de door hen bezette landen leegroofden én (vooral Joodse) burgers het eigendomsrecht van hun bezit ontnamen bleek dat de nazi’s zich niet aan de internationale regels van de oorlogsvoering hielden. De noodzaak voor het stutten van een snel afzwakkende oorlogseconomie met illegale middelen had als reden dat de Duitse staat op de pof leefde (MeFo-regeling van Hjalmar Schacht). Als gevolg werd het om economische redenen in een vlucht vooruit of een sprong in het diepe gedwongen tot oorlogsvoering terwijl de kosten van de bewapening opliepen en die bewapening niet op het gewenste peil was toen de oorlog begon. Oorzaak, gevolg en argumentatie van de oorlogsvoering van de nazi’s waren hecht met elkaar verknoopt.

Kortom, de uitspraak van Baudet is politiek niet zo afwijkend als het lijkt en waar politieke tegenstanders als PvdA-lijsttrekker Lilianne Ploumen en CIDI-medewerker Aron Vrieler in een reflex verontwaardigd op reageren, maar juridisch is het minder degelijk dan Baudet en de woordvoerder van zijn partij suggereren.

De aap komt uit de mouw als de woordvoerder van de partij zegt dat de Neurenbergse processen onder Duits nationaal recht plaats hadden moeten vinden. Baudet is een aanhanger van de natiestaat en verzet zich tegen supra-nationale organisaties als de EU. Maar dat beroep op nationaal recht is ongelukkig. Het gaat niet alleen voorbij aan het internationaal gewoonterecht maar ook aan het grensoverschrijdend en internationaal karakter van oorlogsvoering. Niet voor niets een ‘Wereldoorlog’ genoemd. In de Neurenbergse processen kwamen door het grensoverschrijdend karakter van de Tweede Wereldoorlog vele soorten nationaal recht samen die enkel en alleen in een internationale context logisch samengevoegd konden worden.

De praktijk van 1945 tot 1949 was dat de vier bezettende machten (VS, Sovjet-Unie, VK, Frankrijk) juridisch en publicitair hun stempel op de processen probeerden te drukken. Wat vooral leidde tot rivaliteit tussen de VS en Sovjet-Unie en zelfs tot verregaande animositeit tussen deze twee staten toen de koude oorlog door de blokkade van Berlijn door de Sovjets (1948-49) goed op stoom kwam. Overwinnaars schrijven de geschiedenis en het recht. Om dat effect te neutraliseren is het juist nodig om het internationaal recht op te waarderen en onder de rechtsbevoegdheid van een supra-nationaal orgaan te plaatsen. Baudet kijkt in zijn voorbeeld van de Neurenbergse processen te eenzijdig naar de positie van de overwonnene en poetst de positie van de overwinnaars in dit verhaal weg.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelWoede om Neurenberg-uitspraak Baudet’ in De Telegraaf, 22 februari 2021.

Republicanisme in Nederland groeit. Republikeins Genootschap ontwikkelt zich tot geloofwaardig alternatief

Men kan zich alleen maar verwonderen over het gebrek aan empathie van koning Willem-Alexander die middenin een gezondheidscrisis en een uitgestelde, maar onvermijdelijk komende economische crisis aan zijn eigen portemonnee denkt. De Nederlandse monarchie behoort tot een van de duurste van Europa, terwijl Nederland geen groot land is. De koning had voor kunnen stellen om pas op de plaats te maken en zijn uitkering niet te laten stijgen. Maar dat doet hij niet. Dat zijn onbarmhartige opstelling verband houdt met de afnemende populariteit van het koningshuis leidt geen twijfel.

Het Republikeins Genootschap (RG) ontwikkelt zich tot een serieuze oppositie van de Nederlandse monarchie. Voor het eerst sinds jaren biedt deze oppositie een geloofwaardig tegenwicht dat voorbijgaat aan het niveau van malloten, amateurs en politieke radikalinski’s. Het RG is een serieuze burgerbeweging. Het voert publieksacties en juridische processen. Deze petitie is er een uiting van.

Het is een lange weg om als deelnemer een gelijkwaardige rol op te kunnen eisen in het maatschappelijke debat over de vraag of Nederland het meest gediend is met een monarchie of een republiek. Dat debat is momenteel een taboe, maar komt geleidelijk dichterbij. Nederlandse politieke partijen en media kiezen tot nu toe in meerderheid ondubbelzinnig partij voor de monarchie. Dat is een bolwerk van Oranje propaganda dat niet zomaar omver gekegeld wordt.

De trend is duidelijk: de Nederlandse monarchie krijgt steeds meer kritiek en ondervindt steeds minder steun bij de bevolking. Niet in het laatst is het parvenu-achtig gedrag van de koning daar debet aan. Dat is naast een politieke ook een culturele aangelegenheid. Culturele veranderingen gaan langzaam, maar als ze eenmaal in gang zijn gezet, dan zijn ze lastig te keren. In die fase zijn we aangeland.

Zoals door de secularisering van Nederland het percentage van de bevolking dat verklaart zich niet te laten inspireren door godsdienst in een onomkeerbaar proces elk jaar met 1 of 2 procent toeneemt met nu een meerderheid van meer dan 54% (2019), zo brokkelt de steun voor de monarchie elk jaar af. Het is aan het RG om dat proces maatschappelijk, publicitair en politiek voeding en richting te geven. Zie het beleidspan 2021 – 2025 van het RG waar onderstaande afbeelding uit afkomstig is:

Foto 1: Schermafbeelding van deel petitieZet de koning op de Balkenendenorm’ van het RG op Petities.nl, 18 oktober 2020. (Vreemd afgekort tot ‘Balkenenden-orm’)

Foto 2: Schermafbeelding van de introductie in het beleidspan 2021 – 2025 van het RG (eind 2020 opgesteld).