Zijn hoge kosten voor Nederlandse monarchie verdedigbaar als de steun ervoor afbrokkelt?

Leuke video van RTL Nieuws/ RTL Z. Het prikt niet zozeer de mythe van het economische belang van Nederlandse monarchie voor BV Nederland door, maar stelt die wel ter discussie.

De monarchie van het betrekkelijk kleine Nederland is relatief duur. Het meer dan viermaal zo grote Duitsland heeft mindere kosten dan de Nederlandse monarchie. Overigens is het vergelijkend onderzoek naar Europese koningshuizen van de Gentse hoogleraar Herman Matthijs waarnaar in de video verwezen wordt niet optimaal en geeft het de regering een ontsnappingsmogelijkheid om niet in te grijpen en in de bijdrage te snijden van de staat aan de monarchie, zoals al in 2010 uit het antwoord van de toenmalige regering op kamervragen bleek. Het is een politieke keuze om niet in de vergoedingen van staat aan monarchie te snijden.

Over de opbrengsten van de Nederlandse monarchie bij buitenlandse handelsmissies is geen diepgaand onderzoek gedaan. Er is dan ook weinig zinvols over te zeggen. Republieken zouden niet minder succesvol zijn in hun handelsmissies, maar dat is opnieuw appels met peren vergelijken. Er valt eigenlijk niks negatiefs, maar evenmin iets positiefs te zeggen over de inzet van de Nederlandse monarchie bij buitenlandse handelsmissies. Een gunstig effect op de Nederlandse economie van handelsmissies waaraan de koning deelneemt valt niet vast te stellen.

Meten is weten, en niet meten is niet weten. Er zijn geen harde cijfers over kosten en opbrengsten van de Nederlandse monarchie. Men kan zich afvragen of dat toeval is of dat informatie door regeringen bewust vaag wordt gehouden. Hoewel zeker lijkt dat de Nederlandse monarchie waarschijnlijk absoluut en zeker relatief, duur is vergeleken met andere Europese monarchieën en republieken.

De keuze voor de staatsvorm speelt niet alleen op economisch, maar ook op maatschappelijk, mentaal en politiek vlak. Wat mag een mythe kosten? Dat geeft al aan dat het maken van een vergelijking over de kosten van de staatsvorm er niet makkelijker op wordt. Wat we wel kunnen zeggen is dat hoe meer de Nederlandse monarchie aan maatschappelijke steun verliest en als zinvol voor Nederland wordt gezien, hoe lastiger het voor de zittende regering is om vol te houden dat de relatief hoge kosten het waard zijn en niet naar beneden kunnen worden gebracht. Uit peilingen van de afgelopen jaren blijkt afnemende steun voor koning en koningshuis.

SuperDry, of de triomf van het T-shirt in de politiek

Vooral het opvallende Superdry-shirt van CDA-leider Wopke Hoekstra (links) viel niet bij iedereen in de smaak: te casual. Naast Hoekstra zitten Sigrid Kaag, Mark Rutte en Johan Remkes. © ANP

Laten we het eens niet over het uiterlijk en de kledingkeuze van vrouwen in de politiek hebben, maar over mannen. Die identiek gesneden, maar verschillend gekleurde jasjes van kanselier Angela Merkel kennen we intussen wel. Als verleidelijke prooi voor vormgevers die er een Ari Versluis en Ellie Uyttenbroek van maken.

Wat is het bij mannen van middelbare leeftijd om zich te willen manifesteren met kekke schoenen, strakke jeans en T-shirts met opdruk die zegt hoe cool ze zijn? Het is de mythe van de jeugdigheid in gedwongen ongedwongenheid.

Die zelfbevestiging hebben ze blijkbaar nodig om te denken dat ze aan de buitenwereld en zichzelf zo laten zien wie ze zijn. Het is de omweg van het grote gebaar. Het kan blijkbaar niet gewoon, maar alleen nog in de overtreffende trap. Vooral als ze in een langlopend proces met elkaar in groepsverband opereren. Zo jutten ze elkaar steeds meer op en wordt de eis om in het uiterlijk op te vallen steeds belangrijker.

Het is een patroon. In het beeldverslag van het kabinetsberaad in het Catshuis vallen steeds meer aankomsten van excentriek geklede kabinetslieden te zien die duidelijk bedoeld zijn om op te vallen. Zoals minister Hugo de Jonge op een racefiets in wielrenners outfit. Waarom gaat hij zo gekleed naar zijn werk?

Aaf Brandt Corstius karakteriseert in de Volkskrant het gedrag van deze mannen in een leuke, maar ook belangrijke columnVolwassen mannen als Rutte en Hoekstra vinden dat er een woord op hun T-shirt moet staan, want dat is gaaf‘.

Dit gaat om politici als Rutte en Hoekstra die pretenderen in een weekendoverleg op een Hilversums buitenhuis zo gewoontjes mogelijk gekleed te gaan om ongedwongen gewoonheid en jeugdigheid uit te stralen, maar zich in werkelijkheid hullen in het uniform van het gave succes. Ze raken betrokken bij het ritueel zonder dat goed te beseffen.

Dat staat in contrast met de informateur van de kabinetsformatie Johan Remkes die toevallig een truitje uit de kast lijkt te hebben gepakt dat daar al sinds 1980 ligt. De indruk bestaat dat omdat het casual moest hij even niks anders had. Remkes straalt zo uit dat uiterlijk en beeldvorming hem niks interesseren en hij uitsluitend gaat voor de inhoud. Het contrast is veelzeggend.

Remkes is in het gezelschap de volwassene en Rutte en Hoekstra zijn z’n kinderen die zich van elkaar willen onderscheiden. Is die beeldvorming van Hoekstra, Rutte en hun teams van spindoctors en communicatiedeskundigen mede een oorzaak voor de stagnatie in de formatie?

Beeldvorming is mannen als Hoekstra en Rutte steeds meer in de weg gaan staan. Ze hebben steeds minder ruimte om in de publieke opinie zichzelf te zijn. Ze zijn verstikt in opdrachten en kunnen na verloop van tijd alleen nog een beeld van zichzelf reproduceren om een imago vast te houden. Dat maakt het lastig om te schakelen in de formatiebesprekingen. Imago is hun automatische piloot die ze niet meer uit kunnen zetten.

De tegenstrijdigheid van een casual heidesessie met uitgebreide aanwezigheid van een groep journalisten die er verslag van doet geeft aan dat ook Remkes zich niet kan onttrekken aan de waan van de dag die hij probeert te doorbreken. De persaanwezigheid op die plek tekent het voorlopige failliet van het politieke bedrijf.

Het is in handen van de marketeers van de politieke partijen die continu aandacht claimen voor een stroom van nieuwtjes die bij nader inzien weinig om het lijf hebben en oppervlakkig zijn. Media en politiek jagen elkaar op. Het maakt de politiek kapot omdat die niet meer op adem kan komen. Het verdringt het nadenken over en behandelen van belangrijke zaken. Daar staat Hoekstra’s T-shirt symbool voor.

Nederlandse politiek wordt onoplosbaar beeldraadsel

[Image from LOOK – Job 46-2744 titled Shadow story], 1947

Eén beeld zegt meer dan duizend woorden‘ is een spreuk. De Nederlandse politiek valt zo langzamerhand niet meer in woorden te vangen. Na een dag moet het nieuws van de vorige dag herschreven worden. Schimmen en silhouetten lijken uit het niets te komen en verdwijnen in het niets. Wat ze uitbeelden valt niet na te gaan.

Zie de oogst van de laatste 24 uur. Twee op totaal afwijkende manier van elkaar aftredende ministers (Kaag en Bijleveld), een motie van afkeuring tegen het kabinet over de wijze waarop het kabinet de evacuatie in Afghanistan heeft uitgevoerd en de Kamer daarover heeft geïnformeerd die door coalitiepartij CU wordt gesteund, terwijl de ministers van CU in het kabinet blijven zitten. En iedereen die elkaar vervolgens de maat neemt en het eigen gelijk claimt. Het is kinderachtig en ronduit beschamend.

Er valt geen logica in te ontdekken. Het lijkt alsof de huidige generatie politici geen politiek geheugen heeft. Hun gedrag oogt willekeurig. Vraag is of ze hun eigen gedrag eigenlijk nog begrijpen. Regels worden niet alleen niet meer gevolgd, maar overtreden, het lijkt ook alsof ze dat niet eens meer beseffen.

Politiek is altijd al een schaduwspel. We zien een beeld of krijgen een beeld voorgeschoteld en kunnen nooit afdoende doorgronden wat er wordt afgebeeld. Het origineel is buiten beeld. Maar vanuit het beeld kunnen we min of meer het origineel afleiden. Dat wordt echter onmogelijk als het beeld zich grillig, wisselvallig en ongeregeld gedraagt. We kunnen er met woorden niet meer op reageren. Om in moedeloosheid te berusten.

Desinformatie van Russische Federatie en China moet bestreden worden door breed pakket van maatregelen

Reporters Without Borders (RSF) is publishing a gallery of grim portraits, those of 37 heads of state or government who crack down massively on press freedom.’ RSF, 2 juli 2021.

Hoeveel soorten tegenstanders van vaccinatie zijn er eigenlijk? In grote lijnen twee soorten. Degenen die geloven dat vaccineren schadelijk, onnodig of deel van een complot is en degenen die daar niks van geloven, maar dat ongenoegen van anderen gebruiken voor hun politieke doelen. Deze laatste categorie is het meest interessant omdat die de argelozen een bepaalde richting opduwen. Zonder deze laatste categorie had de eerste categorie niet kunnen groeien.

Dat begint met de kleine krabbelaars die na een mislukte carrière als dansleraar, journalist of een misgelopen prestigieus hoogleraarschap de desinformatie als de enige mogelijkheid zien om op een parallelle manier carrière te maken. Of ze zelf geloven wat ze aan desinformatie verspreiden doet niet terzake. Het gaat erom dat ze dat geloofwaardig doen en degenen die ontevreden zijn en zich achtergesteld voelen overtuigend aanspreken.

Het eindigt met buitenlandse leiders als Vladimir Poetin en Xi Jinping die verdeeldheid in het Westen zaaien door inzet van hun sociale media die desinformatie verspreidt. Ze mengen zich in het publieke debat van die landen. Daarmee opereren ze schijnheilig omdat ze datzelfde buitenland op harde toon toespreken om zich niet met hun binnenlandse aangelegenheden te bemoeien. Want ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’

Avaaz in de publicatieDeutschlands Desinformations-Dilemma 2021‘ en de Duitse publieke omroep ARD tonen in de documentaireDie geheimen Meinungsmacher‘ geloofwaardig aan dat deze buitenlandse actoren zich op de Duitse publieke opinie richten en allerlei soorten desinformatie met elkaar verbinden. Over vaccinatie en de COVID19-pandemie en de actuele politiek situatie, de landelijke verkiezingen van 26 september 2021.

Beide landen zaaien met hun sociale media ook desinformatie in de VS en andere Europese landen. De Russische Federatie heeft deze strategie van desinformatie de afgelopen jaren uitgebouwd en opereert al op een geavanceerd niveau. China verkeert nog in de planfase, maar gezien de economische macht van China en het voornemen om zich in de publieke opinie van de VS en EU te mengen, zal China naar verwachting de Russische Federatie de komende jaren voorbijstreven in slagkracht om het Westen te ondermijnen via inmenging in de publieke opinie.

Zo proberen landen als China en de Russische Federatie tamelijk succesvol een deel van de Westerse bevolking dat ontvankelijk is voor desinformatie hiermee blijvend te voeden. Hun doel is om dat maatschappelijke rafelrandje dat niet gelooft in wetenschap, journalistiek of politiek te vergroten. Van 10% tot 25%. De gewone malcontenten beseffen niet of onvoldoende dat ze pionnen in een geopolitiek schaakspel zijn.

Reporters Without Borders (RSF) urges everyone to beware of the global disinformation campaign about the coronavirus that Beijing has been orchestrating ever since the start of the pandemic‘. RSF, 15 december 2020.

Als dat bereikt is, dan wordt het geloof in democratie en het electorale proces door zo’n aanzienlijke groep malcontenten zodanig ondermijnt dat ermee de democratie op omvallen komt te staan.

Ze denken vanuit dwarsdenken of een idee van achterstelling tegen de gevestigde orde van hun land te zijn en beseffen niet of onvoldoende dat ze daardoor de vijanden steunen. De paradox is dat juist zij die ongeregeld protesteren tegen de maatregelen of het bestaan van de nationale overheid de eersten zouden zijn die in landen als China of de Russische Federatie opgepakt zouden worden om in een strafkamp te belanden. Want niets vrezen deze landen zo als ordeloosheid en chaos van onderop die ze niet kunnen controleren.

De strategie van China en de Russische Federatie is simpel. In het eigen land beperken ze de vrijheden van burgers en media zodat elk tegengeluid wordt gesmoord en buitenlanders niet kunnen doen wat China en de Russische Federatie in westerse landen doen. Dat is vrij schieten voor deze twee landen vanuit het idee dat de eigen basis is afgegrendeld voor opinievorming en de vrijheden van het Westen de zwakke onderbuik zijn om desinformatie te verspreiden.

China en de Russische Federatie zijn geen democratie en hebben geen vrije verkiezingen. Juist verkiezingen en machtswisselingen maken landen kwetsbaar, zodat het logisch is voor autoritaire landen om niet in zo’n kwetsbare positie te komen door verkiezingen af te schaffen. Het overlijden van een politieke leider in functie is nog het enige moment van kwetsbaarheid dat in autoritaire landen resteert. Daarom is het vanuit de logica van de autoritaire staat verstandig dat leiders niet blijven zitten tot hun dood, maat voortijdig aftreden. Maar omdat hun economische en politieke macht die zich uitstrekt tot de macht over krijgsmacht, politie en veiligheidsdiensten de ultieme garantie voor hun fysieke bestaan is, kunnen ze doorgaans niet voor hun dood aftreden.

Je kunt je alleen maar verbazen over de argeloosheid van de VS, de EU, VK, Canada, Australië, Japan, Zuid-Korea en nog enkele westerse landen over de ruimte die landen als China en de Russische Federatie in hun eigen publieke opinie hebben gekregen. En zoals gezegd, wat China betreft moet het ergste de komende jaren nog komen.

Er zijn verzachtende omstandigheden om het trage beleid van westerse regeringen te verklaren. Ze hebben uit gemakzucht en naïviteit hun publieke opinie grotendeels uitgeleverd aan Amerikaanse techbedrijven als Facebook, Twitter en Google. Omdat deze bedrijven hun journalistieke taak om desinformatie te bestrijden volstrekt ondermaats uitvoeren en ze er juridisch niet aan gehouden kunnen worden om dat wel te doen, menen de westerse regeringen dat ze geen instrumenten hebben om de desinformatie van buitenlandse actoren die hun democrate bedreigt te bestrijden.

Dat is het gebrek aan geloof in zichzelf die een verlammende invloed heeft. Begin 20ste eeuw hadden oliebedrijven een monopolie totdat anti-trust wetten daar een einde aan maakten. Dat is een kwestie van politieke wil. De techbedrijven zouden opgeknipt moeten worden in delen waar de nationale overheden weer macht over hebben.

Er wordt soms gezegd dat complot- of dwarsdenkers de realiteit niet meer van fantasie kunnen onderscheiden. Daarom laten ze zich leiden door rattenvangers als Donald Trump, Willem Engel, Karel van Wolferen of Russische propagandazenders en door de gevestigde media en publieke omroep die in hun streven naar evenwichtigheid, volledigheid en evenredigheid de grootste verspreiders van desinformatie zijn geworden.

Dat komt door de enerzijds-anderzijds journalistiek die altijd twee kanten van de medaille geeft, maar in een tijdperk van desinformatie de valkuil is geworden waar de journalistiek zelf in is gevallen. Dat soort journalistiek zit klem tussen de eigen gedragsregels en het effect daarvan dat tot het distribueren van desinformatie leidt. De gevestigde journalistiek trapt in de val die Russische en Chinese desinformatiecampagnes hebben gezet.

De journalistiek beseft dat, maar weet niet anders te handelen. Want de eigen professionele code kan het evenmin overboord gooien. Hetzelfde geldt voor de politiek die weet dat desinformatie van buitenlandse actoren alleen kan worden verspreid door de vrijheden in te perken die die actoren hun eigen burgers niet geven. Maar daarmee komt ook een einde aan de democratie zoals we die kennen.

Social media and the access it provides to voter data give Russian active measures the ability to influence the outcome of an election. Global Security Review, 10 juni 2019.

De enige remedie voor westerse landen is om te blijven signaleren wat er aan desinformatie verspreid wordt, die te ontzenuwen en aan het eigen publiek zakelijk uit te leggen wat er aan de hand is. De hardliners kunnen niet meer worden bereikt omdat ze zich mentaal en fysiek hebben opgesloten in hun eigen echokamers. Voor het voortbestaan van het geloof in de democratie is het van essentieel belang om de groei van het percentage complot- en dwarsdenkers tot stand te brengen. Twee maatregelen zouden daarbij kunnen helpen. Het opknippen van de techgiganten en ze weer onder controle van nationale overheden brengen En een herwaardering bij en bewustwording van de traditionele journalistiek om zo te gaan functioneren dat desinformatie niet meer ongeclausuleerd wordt doorgegeven.

De strijd tegen desinformatie is een strijd van lange adem. En het ergste moet nog komen als in de nabije toekomst China zich met volle kracht gaat bemoeien met de publieke opinie in westerse landen. Nodig is een integraal pakket dat maatregelen van mededinging (antitrust én wederkerigheid in de concurrentie met China), journalistiek, media-educatie, sociale politiek om de achtergestelden er weer bij te trekken en bewustwording van de politieke en economische klasse bevat om de desinformatie die de democratie van buitenaf en binnenuit bedreigt terug te dringen. Zie ook een voorstel met 10 aanbevelingen van Reporters Without Borders aan de EU.

Bidens verwijzingen naar God en gebed in toespraak over Afghanistan passen niet bij een veranderende VS

Ik ben teleurgesteld en ook wel verrast over presidents Bidens verwijzing naar God en de stilte voor gebed die hij vroeg in zijn toespraak over Afghanistan. Hierin stond hij stil bij de dood van 13 Amerikaanse militairen die hij helden noemde. Ik dacht dat deze president verder was in zijn denken en zijn persoonlijk geloof niet goedgelovig rechtstreeks zou verbinden met zijn functie.

Het is ongepast voor elke Amerikaanse president om in zijn functie te verwijzen naar God. Persoonlijk geloof moet men voor zichzelf houden en niet verbinden met een functie.

Als president Biden de Amerikanen wil verbinden, dan moet hij niet religie centraal stellen omdat hij daarmee andersdenkenden uitsluit. Door te verwijzen naar God bereikt Biden het omgekeerde van wat hij beoogt. Hij verbindt niet, maar verdeelt.

President Biden die zijn katholiek geloof niet verbergt geeft ermee een signaal af aan vooral de jongere generaties dat hij iemand van het verleden, van oude tradities is die op de terugtocht zijn. Hij prijst onbewust zichzelf ermee uit de tijd. Tevens schept hij in de beeldvorming het idee dat het christendom, want daar verwijst hij impliciet naar, een soort staatsgodsdienst is en andere levensovertuigingen en godsdiensten door de regering minder belangrijk worden gevonden.

Bidens spirituele verwijzingen zijn electoraal onverstandig omdat hij zich richt tot een minderheid. Volgens onderzoek van Gallup uit maart 2021 zegt nog slechts een minderheid van 47% te behoren tot een kerk, moskee of synagoge. Een derde van de Millennials (1981-1996) en de daarna komende Generatie Z zegt geen religieuze affiliatie te hebben. Onder oudere generaties is sinds 2000 het percentage verdubbeld dat van traditionele denkbeelden naar ‘geen religieuze affiliatie’ is veranderd.

Politiek is Bidens verwijzing naar God en gebed alleen te begrijpen als een poging om de activistische witte, radicaal-rechtse christenen de pas af te snijden. President Biden probeert er ongetwijfeld mee duidelijk te maken dat geloof geen exclusief rechts thema is.

Maar hij schat het gevolg van zijn verwijzing verkeerd in. Hij breekt weliswaar in in een homogeen wit, rechts christendom door dat binnen te dringen en daarin een rol als wereldlijk en spiritueel leider op te eisen, maar hij vergeet dat demografisch de VS de laatste decennia in snel tempo gediversifieerd is en hij zich met de verwijzing naar God en gebed vervreemdt van vele landgenoten.

Bidens staf moet hem duidelijk maken dat het ongepast is om in zijn functie te verwijzen naar religie of een specifieke wijze van interreligiositeit omdat hij zich hiermee richt tot een VS die allang niet meer bestaat. Het automatisme van autoriteiten om bij calamiteiten te verwijzen naar thoughts and prayers is niet alleen verworden tot een lege formule, maar sluit ook steeds minder aan bij de mentaliteit in het land. Hoewel het op Capitol Hill tegen de landelijke trend in nog steeds de leidende mentaliteit is. Het parlement is ook in dit opzicht behoudend en mist de koppeling met de veranderingen in het land.

Uiteraard zijn de VS nu nog een door en door religieus land dat zichzelf met de geestelijke paplepel heeft gevoed, maar onder de oppervlakte gist het en lijkt weinig nodig om door de schil van godsvrucht, vanzelfsprekendheid en christelijke taboes te breken. Dat levensgevoel weigert Biden aan te spreken en zal hem door delen van zijn progressieve achterban aangerekend kunnen worden.

Het er nauw mee verbonden idee dat de VS een exceptionele natie is met een speciale opdracht is ook aan erosie onderhevig. De mislukking van het Afghanistan-beleid zet dat idee opnieuw onder druk.

Biden benadrukt met zijn christelijke referenties onbewust zijn ouderdom en zijn gegrondheid in traditionele denkbeelden die slecht passen bij een divers land dat etnisch en in levensovertuiging op weg is een land van minderheden te worden. Dat kan niet de bedoeling zijn van een president die zegt zijn land te willen verbinden, maar in die verbinding de verkeerde aanpak en toon kiest.

Is er een waarheid over ‘Who is afraid of Natasha?’ op Triënnale Brugge 2021?

Afgelopen week bezocht ik de Triënnale Brugge en het werk Who is afraid of Natasha? van het artistieke en relationele duo Joanna Malinowska & C.T. Jasper sprak me het meest aan. Vooral omdat het interessant is en perfect aansluit bij het thema Trauma dat de curatoren zelf omschrijven als een zoektocht ‘naar het verborgene en [hoe] balanceren we tussen droom en realiteit, privé en publiek’.

Het standbeeld van Natasha werd in 1949 gemaakt en stond van 1953 tot 1990 op een centrale plek in Gdynia. Deze Poolse havenstad vormt met Sopot en Gdansk de zogenaamde Driestad. Het is herplaatst in het Begijnhof dat ondanks een continue stroom toeristen een betoverende plek blijft.

Het beeld is van de Poolse beeldhouwer Marian Wnuk. Een beschrijving over de herplaatsing zegt: ‘Verder werd op de Sovjet-soldatenbegraafplaats [in Gdynia-Redłowo] een monument geplaatst, door Gdynians ‘Natasha’ genoemd. Dat is het Monument van Dankbaarheid. Gemaakt ​​in de jaren 50 stelt het een vrouw voor met een vaandel. Ze stond oorspronkelijk op een representatieve plaats op het Kościuszko-plein, tegenover het commandogebouw van de Marine. ‘Natasha’ is gemaakt door Marian Wnuk en is een typisch voorbeeld van kunst uit de periode van socialistisch realisme’.

Het valt te bezien hoe correct deze feiten zijn. Het beeld werd niet in de jaren 1950 gemaakt en of het een typisch voorbeeld van sociaal realistische kunst is staat 70 jaar later ter discussie. Al, of juist, in de weergave van de feiten dreigt de waarheid onder te sneeuwen.

Opvallend is dat in de publiciteit van de Triënnale de naam van de maker niet wordt genoemd, terwijl door alle betrokkenen die erop terugkijken het beeld als artistiek geslaagd wordt beschouwd. Dat gebeurt wel in de begeleidende film waar Wnuks zoon aan het woord komt. Hij vertelt dat zijn vader die docent was een student model liet staan voor ‘Natasha’. Zij werd zijn moeder. Martin Wnuk zou volgens de zoon geen communistische kunstenaar zijn geweest, maar juist kritiek op het toenmalige bewind hebben gehad.

Over wat het beeld voorstelt lopen de meningen sterk uiteen. ‘Natasha’ zou geen soldate zijn, zo draagt ze geen wapen, maar een symbool. Wat haar politiek minder beladen maakt en bij sommigen de vraag oproept waarom dit beeld in 1990 uit het stadscentrum moest worden verwijderd. Zoals gezegd was de officiële naam ‘Het Monument van Dankbaarheid’ en verwijst dat naar het Sovjetleger waarvan de toenmalige communistische uitleg was dat het Polen had bevrijd van het nazibewind, maar na 1990 de post-communistische uitleg is dat het Polen tegen de eigen wil had bezet.

Polen was een bijzonder geval omdat het een belangrijk onderdeel was van de geallieerde strijdkrachten, maar na de Tweede Wereldoorlog daar niet van profiteerde. Onder generaal Stanisław Maczek werd een groot deel van Zuid-Nederland bevrijd in de veldtocht van 1944-45. Standbeelden van deze generaal staan her en der in Nederland en vormen een diapositief van Natasha.

Verwijderen van standbeelden sluit aan bij de huidige golf van identiteitspolitiek en cancelcultuur waarbij kunstenaars om politieke redenen of een vermoeden van ongewenst gedrag worden geboycot of uit de openbaarheid verbannen. ‘Natasha’ werd als kunstwerk uitgesloten.

Culturele dwarsverbanden van dit project zijn talloos. Het staat in de Franse 19de eeuwse traditie van standbeelden en navolgers daarvan die door middel van krachtige vrouwen de strijd symboliseren. Marianne, de nationale personificatie van Frankrijk wordt Natasha. Recenter is de verwijzing naar een project van de Litouwse kunstenaar Deimantas Narkevičius die een beeld van Karl Marx uit Chemnitz van de Sovjet-kunstenaar Lev Kerbel naar de Sculptura 2007 in Münster wilde verplaatsten maar daar van de autoriteiten geen toestemming voor kreeg. Net als Malinowska en Jasper reflecteerde hij met een film op het werk van een andere kunstenaar en maakte daar een nieuw kunstwerk van door er een schil van betekenis omheen te weven en te verbinden met alles en nog wat.

De veelheid van betekenissen die de oude en nieuwe ‘Natasha’ oproepen laat zien hoe veranderlijk en vluchtig herinnering en geheugen van individuen zijn. De film bij uitstek die dat thematiseert is Rashomon (1950) van Akira Kurosawa dat een incident onderweg vanuit vier perspectieven vertelt die alle een eigen afgesloten geloofwaardige waarheid vormen. De kunst is buitengewoon geschikt om daar op te reflecteren en ons te wijzen op onze vergankelijkheid in tijd en bewustzijn.

Een citaat past op dit project Who is afraid of Natasha? De Frans-Turks/Armeense kunstenaar Sarkis verwijst naar een citaat van de Duitse auteur Alfred Andersch in diens essay ‘Alles Gedächtnis der Form‘ over regisseur Alain Resnais: ‘Het geheugen van de wereld bestaat uit enkele beelden, standbeelden, geluiden, gedichten, epische passages, waarin het lijden vorm krijgt’. Dat klinkt tamelijk christelijk. Onthouden wij het lijden het best? Hoe dan ook geven Malinowska en Jasper ons een steuntje om de wereld te registreren en in ons geheugen levendig te houden. Dankzij hen kijken we met frisse blik terug op Brugge, Gdynia en de 20ste eeuwse geschiedenis. Voor zolang het duurt.

Marian Wnuk, Pomnik wdzięczności of Monument van Dankbaarheid, (1949-1953), herplaatst op nieuwe sokkel en hernoemd als ‘ Who is afraid of Natasha?‘ door Joanna Malinowska & C.T. Jasper in Triënnale Brugge 2021 (eigen foto, augustus 2021).

Antwoord aan Marijn Kruk: De populistische revolte is niet geluwd

Schermafbeelding van columnDe revolte is geluwd maar niet verdwenen’ van Marijn Kruk in NRC, 4 augustus 2021.

In zijn column van 4 augustus 2021 in NRC schrijft Marijn Kruk over de golf van populisme die sinds 2018 over de wereld spoelt. Kruk ziet het als een hobbel in de weg. Hij beantwoordt de vraag negatief of door de revolte de liberale democratie werkelijk in existentieel gevaar verkeerde.

Het is opvallend dat hij in de verleden tijd praat. Alsof de bedreiging van het populisme definitief voorbij zou zijn. Kruk ziet het als een fenomeen dat over zijn hoogtepunt heen is. Maar dat is deels een voorbarige conclusie omdat we er nog middenin zitten en deels een onjuiste conclusie omdat in enkele landen de nationaal-populistische revolte al succesvol heeft plaatsgevonden.

Armed demonstrators protest outside of the Michigan state capital building on Sunday in Lansing, Michigan. Mei, 2020, Scott Olson/Getty Images

Ik ben het oneens met Kruk inschatting dat het populisme slechts een tijdelijke hobbel in de weg was. Ik heb er twee bezwaren tegen. Dat begint al met zijn analyse waarin hij allerlei soorten populisten op een hoop veegt. Maar het is twijfelachtig om te denken dat Donald Trump, Boris Johnson, Viktor Orbán, Matteo Salvini, Narendra Modi, Jair Bolsonaro en Thierry Baudet dezelfde strategie volgen. Dat Kruk de romantisch-nationalistische populist Vladimir Poetin niet in zijn analyse betrekt is jammer. Ook de Chinese leider Xi Jinping die alle macht naar zich toetrekt kan niet ontbreken in een column over nationaal-populisme.

Baudet is een slechte politicus die het ontbreekt aan de vaardigheden, de kennis en het gevoel die passen bij het handwerk van de politicus. Hij zal het vak waarschijnlijk nooit onder de knie krijgen en daarom altijd een mislukte politicus blijven. Hij is de clown door wie critici zich op het verkeerde been laten zetten. Maar Baudet is niet representatief voor de broederschap van nationaal-populisten. In dit gezelschap is hij de schertsfiguur die afleidt en ons het zicht ontneemt op de echte bedreigingen van de liberale democratie.

Viktor Orbán is daarentegen een vaardige politicus die zonder aantoonbare schokken beetje bij beetje de Hongaarse democratie heeft afgebroken zonder dat er iets tegen te doen was. Donald Trump mist het geduld en het inzicht van Orbán, maar legt op een religieuze wijze zijn wil op aan de Republikeinse partij. Salvini en Modri spreken blijvend grote minderheden van hun land sterk aan, terwijl Bolsonaro en Johnson als eendagsvliegen van incident naar incident hollen.

Een ander misverstand dat de column van Kruk oproept is dat hij de geslaagde greep naar de macht van Orbán, Modi, Poetin en Jinping verregaand relativeert omdat die voorbeelden blijkbaar niet passen in zijn stellingname dat het populisme niet meer dan een hobbel in de weg is. Maar de nationaal-populistische revolte is in die landen niet geluwd, maar heeft al succesvol plaatsgevonden.

Men kan toch nauwelijks beweren dat de democratie in landen als Hongarije, India, de Russische Federatie en China er de laatste jaren op vooruit is gegaan? In die landen verkeert de democratie niet alleen in existentieel gevaar, maar is tot op het bot uitgekleed. Kijk hoe in die landen de afgelopen jaren de mensenrechten en de positie van rechters, media en de politieke oppositie door toedoen van de autoritaire, populistische leiders zijn verminderd.

Kruk slaat ook de plank mis als hij meent dat de niet-geslaagde greep naar de macht van iemand als Trump te wijten valt aan diens incompetentie. Waar hij dat op baseert is onduidelijk. Het is gevaarlijk om over een ontwikkeling die nog niet is afgerond te zeggen dat we er schouderophalend aan voorbij zijn gegaan. Dit tegendeel van alarmisme is onverantwoordelijk.

Zo’n badinerende houding nam ook Hans Maarten van den Brink aan die op 7 januari 2021 in een opinie-artikel in NRC stelde dat de bestorming van het Capitool op 6 januari niet viel te omschrijven als een staatsgreep, maar als een parodie daarop. Ik heb geen goed woord over voor zo’n lichtzinnige houding en ook over het feit dat Van den Brink in NRC nog steeds geen uitleg heeft gegeven over zijn foute inschatting. Hoe meer informatie over de opstand naar buiten komt, hoe duidelijker wordt dat op 6 januari 2021 en in de maanden daarvoor Trump serieus en doelgericht bezig was een staatsgreep te plegen.

Het is de vraag hoe het feit dat het Trump op een haartje na niet lukte om de Amerikaanse democratie omver te werpen en zo een verlies aan de stembus om te buigen in winst moet worden begrepen. Viel dat te wijten aan zijn incompetentie of te danken aan de competentie van degenen die zich tegen zijn greep naar de macht verzetten? Denk hierbij aan de hoogste militairen onder wie bevelhebbend generaal Mark Milley en de top van het ministerie van Justitie die Trump telkens de voet dwars zetten en de Democratische partij die zich al begin 2020 in het geheim voorbereidde op scenario’s van Trump om met illegale middelen de macht te grijpen. De instituties bleken net sterk genoeg om Trumps greep naar de macht te weerstaan. Iemand die zover komt en bijna succesvol is kan nauwelijks incompetent worden genoemd. Wat als hij het nogmaals probeert nu hij weet hoe hij de tegenstand moet omzeilen?

Kruk waarschuwt dat de nationaal-populistische revolte niet is verdwenen, maar geeft de stand van zaken anno 2021 onvolledig weer. Het nationaal-populisme is succesvoller dan hij suggereert. Het is belangrijk om het globalisme en de factoren die tot het populisme leiden serieus te nemen. Dat gebeurt tot nu toe onvoldoende. Daar zal niemand tegen zijn. Kruk is onnauwkeurig door zijn analyse te situeren in een verleden dat nog niet voorbij is. Het nationaal-populisme is te gevaarlijk om erop te zinspelen dat het ergste voorbij is. Hiermee strooit Kruk zichzelf en zijn lezers zand in de ogen. Het nationaal-populisme is springlevend. Dat moet de waarschuwing zijn.

Yuri Shafranik ziet Nord Stream II als gunstig voor de Russische Federatie, Duitsland en de EU. Hij heeft het mis

Yuri Shafranik presenteert zich als het redelijke gezicht van de Russische energie-industrie. Hij is oud-minister van energie van de Russische Federatie en opteert voor samenwerking met andere landen, zoals de VS. Maar uiteindelijk zijn er grenzen aan wat hij kan zeggen. Iemand als Shafranik kan geen rode lijnen overschrijden. Dat is zijn tragiek. Hij verdedigt Nord Stream II dat hij als voordelig voor de Russische Federatie, de EU en Duitsland ziet. Vraag is of hij dat diep in zijn hart echt gelooft. In elk geval is Nord Stream II ongunstig voor de wereld. Mijn reactie bij deze video op You Tube:

The situation has not become a Russian-American confrontation, but a German-American confrontation. The Russian Federation is less important than Germany. It can be a strategic partner for the US.

The EU Member States do not need Nord Stream II for the longer term. Both the EU’s energy policy (Third Energy Package) and the Paris Climate Agreement contradict it. Furthermore, the EU is serious about making the economy more sustainable. All these aspects diminish the importance of Nord Stream II. It may still have a function until 2030, but a 50-year horizon as Gazprom believes is unrealistic.

The world is currently facing two enormous problems: global warming and the undermining of democracy in various countries. The remarkable thing is that in Nord Stream II these two problems come together. In other words, the gas pipeline not only symbolizes the climate problem and the rise of authoritarian regimes of which the Russian Federation is one, but it facilitates those two problems and gives them tailwind. Therefore Nord Stream II must be rejected.

Mr. Yuri Shafranik is right that Nord Stream II is built on a shaky foundation. But it is not the individual consumers, but the energy policy of the EU that can eventually bring the transition from Russian gas to the EU to a halt. If the Greens are in a good position to start in the German presidential elections in September 2021, the end for Nord Stream II will come even faster. The German Greens do not even want to commission the gas pipeline.

Nord Stream II has had a long planning. On the drawing board it had relevance, but during construction it was overtaken by reality. This has not so much to do with the geopolitical position of the US or with the opportunism of German politicians and business, but with the climate problem in which fossil fuels such as gas will not fit in the future.

Because the standards for energy are being raised. It may be that in the short term gas is still considered relatively clean compared to coal and brown coal, but natural gas is dirty compared to renewable energy. Therefore, when the relative advantage of gas has worn off, Nord Stream II will simply stop because gas is ‘contaminated’ as an energy carrier. 

Gazprom would be wise to come up with an alternative to using the pipeline for the future beyond 2030. No longer gas from the Yamal peninsula, but for example the transport of hydrogen. Gazprom and partners would be wise to turn around now and start building hydrogen plants in northern Russia. The energy to generate it is available on site and the transport line has already been built. Natural gas plays a minor role in the energy mix of the future. It’s no use trying to straighten something that’s crooked. That’s old politics.

It is more sensible to follow an alternative path that is in line with the climate problem. That requires flexibility that is not (yet) available in the boardrooms of the energy companies and in the corridors of power in the Kremlin. Or in the television studios where the lobbyists for Nord Stream II tell their story.

Michel Onfray spreekt over Simon Leys

De Franse schrijver en activist Michel Onfray besteedt in zijn rubriek Autodafés (‘Boekverbranding’) voor het gematigd rechtse Le Point aandacht aan Simon Leys die hij als een groot auteur en vrije en onafhankelijke geest beschouwt.

Van de Belgische diplomaat, sinoloog en auteur Simon Leys (pseudoniem van Pierre Ryckmans) hoorde ik lang geleden voor het eerst. In NRC besteedde Rudy Kousbroek er aandacht aan. Hij schreef het voorwoord bij de Nederlandse vertaling van Leys’ boek Ombres Chinoises. Dat verscheen in 1976 als Chinese Schimmen.

Leys prikte niet alleen met opsomming van feiten de fabeltjes over het succes van het maoïsme door, wat in zijn ogen een mislukking was, maar viel ook de meelopers in het Westen aan die Mao bewierookten. Dat was in de tijd van de Vietnamoorlog toen in linkse kringen de VS niet populair waren. Leys’ verdienste was dat hij Mao’s Culturele revolutie (1966-1976) ontmaskerde.

Van de weeromstuit sloeg dat door in het verheerlijken van de Volksrepubliek China of de Sovjet-Unie. Het idee toen was dat het fascisme verwerpelijk was, maar het communisme niet. Dat werd juist als tegenwicht tegen het fascisme gezien en was daarom ondanks de aantoonbare fouten noodzakelijk. Achteraf bleek dat een onjuiste redenering, maar toentertijd waren het maar weinigen die het publiekelijk tegen de geharnaste linkse intellectuelen op durfden nemen. Hun macht in wetenschap, media en politiek was groot.

In 1975 vergoelijkte de toenmalige voorzitter van de PvdA Ien van den Heuvel na een bezoek aan de DDR het bewind ervan. De eeuwige oprichter van partijen Jan Nagel verklaarde bij terugkomst de Berlijnse Muur als historisch juist. Van den Heuvel en Nagel kwamen daardoor in conflict met partijleider Joop den Uyl en de Duitse SPD. Dat was de sfeer van die jaren in linkse kringen die nu nog nauwelijks valt voor te stellen.

Er waren in de eerste helft van de jaren 1970 twee polemieken die in Nederlandse kranten werden uitgevochten en waar vele gezaghebbende wetenschappers, schrijvers en journalisten bij betrokken waren en hun volle gewicht in legden: de affaire Weinreb en het China-debat met Leys. Vriendschappen en carrières gingen eraan kapot. Die debatten werden tamelijk centraal gevoerd omdat sociale media ontbraken en de televisie nog in de kinderschoenen stond.

De felheid kon worden verklaard door de verwerking van de Tweede Wereldoorlog die 25 jaar na het einde ervan pas goed op gang kwam en de Koude Oorlog waardoor de wereld grofweg in twee blokken was verdeeld die elkaar op leven en dood bestreden. Door de op scherp staande kernbommen kon elke ontsporing grote gevolgen hebben. De claim op slachtofferschap was de overeenkomst die de twee affaires verbond.

Onfray memoreert dat geprobeerd werd Leys onschadelijk te maken door hem een vriend van het kapitaal te noemen die door de CIA werd gesteund. Voor nuancering tussen links en rechts was tijdens de Koude Oorlog weinig plaats. De Franse liberale socioloog en journalist Raymond Aron was ook zo iemand die niet in een links of rechts hokje paste. Net als Leys moest hij niks van het communisme hebben. Twee denkers die met realisme en verstand niet de mode volgden en zich vastklonken aan een ideologie, maar in vrijheid hun eigen weg zochten.

Onvermijdelijk in zo’n Franse rubriek is dat er openstaande rekeningen vereffend moeten worden met levende en niet-levende auteurs. De verwijzing naar namen als Sollers, Barthes, Kristeva of André Glucksmann geeft aan dat wat in Nederland voor velen verre geschiedenis is in Frankrijk nog deel van de hedendaagse realiteit is. Al is het tussen intellectuelen onderling. In het Nederlandse publieke debat worden namen als Wertheim, Kousbroek, Renate Rubinstein of Martin van Amerongen op z’n best nog vaag herkend. Dat is jammer, want er valt veel af te leiden uit het denken van grote voorgangers. Zeker als het om een grote geest als Simon Leys gaat.

Daniela Hooghiemstra én Johan Derksen menen dat Willem-Alexander vanwege zijn individualisme niet optimaal functioneert

Wat hebben Jelle van Baardewijk in gesprek met schrijver en columniste Daniela Hooghiemstra over haar boek: ‘Om de liefde, voor de troon‘ en het Team van Veronica Inside met elkaar te maken? Op het eerste gezicht weinig, maar bij nader inzien heel veel.

Hooghiemstra’s boek gaat over prinses Irene die trouwde met de Spaanse troonpretendent Carlos Hugo van Bourbon-Parma. Maar Carlos Hugo werd het niet, Juan Carlos wel.

Zowel Hooghiemstra als de mannen van Veronica Inside gaan niet mee in de bewieroking van de Nederlandse monarchie. Integendeel, ze zijn er kritisch op. Hooghiemstra vanuit het hoofd, Veronica Inside met Johan Derksen in de spits vanuit de onderbuik. Beide uitingen versterken elkaar.

Als Willem-Alexander niet enthousiast is over Nederland, dan kunnen burgers niet enthousiast over hem zijn. Dat inzicht sijpelt steeds meer door in de publieke opinie. Daar zijn deze twee uitingen de uitdrukking van.

Of men het nou eens is met deze critici is niet eens van belang. Het gaat erom dat in de publieke opinie de Nederlandse monarchie vanuit de macht beschermd wordt. De pers is wat het koningshuis betreft gelijkgeschakeld en heeft zich laten breidelen. Daarom zijn deze kritische geluiden verfrissend. Ze komen niet van hielenlikkers die zich onderwerpen.

Eerder dit jaar schreef ik in een commentaar: ‘Van de Nederlandse monarchie ben ik geen fan, maar de onderdanigheid van de hielenlikkers vind ik nog moeilijker te verteren. Als republikein of monarchist kun je om politieke redenen tegen of voor de monarchie zijn. Dat is een standpunt. Maar de hielenlikkers gaan verder en verliezen zichzelf in onderworpenheid. Dat past niet bij een volwassen democratie met mondige burgers.

Deze kritiek valt steeds meer in vruchtbare bodem Volgens een opiniepeiling van IPSOS in opdracht van Nieuwsuur van december 2020 is het vertrouwen in koning Willem-Alexander fors gedaald. De NOS zei in een bericht: ‘In april van dit jaar had nog 76 procent van alle Nederlanders tamelijk veel of veel vertrouwen in de koning, in december is dat nog maar 47 procent’. Een meerderheid die vertrouwen heeft in de koning is in 2020 veranderd in een minderheid.

Na 35’40” in het interview voor De Nieuwe Wereld gaat het over de rol van koning Willem-Alexander die Hooghiemstra vergelijkt met zijn moeder: ‘Willem-Alexander die had daar eigenlijk geen zin in. Het heeft echt wel even geduurd voordat hij zich kon verenigen daarmee en hij heeft toen wel een belangrijke opmerking gemaakt tegen Paul Witteman. Hij heeft toen gezegd als het Nederlandse volk niet accepteert met wie ik wil trouwen, dan word ik geen koning‘. Dit geeft aan dat de koning niet veel zin had in zijn functie en zijn eigen individualisme belangrijker vindt dan de functie van staatshoofd. Dat lijkt niet veranderd te zijn.

De volgende logische stap is dan om Willem-Alexander van zijn functie te bevrijden, de erfopvolging af te schaffen en van Nederland een republiek met een president als staatshoofd te maken. Dat heeft niet eens te maken met de vraag of een monarchie of republiek het best bij Nederland past. De vaderlandse geschiedenis wijst uit dat Nederland een verleden heeft met succesvolle republikeinse en monarchistische perioden en vertegenwoordigers. Republiek en monarchie passen beide bij de Nederlandse geschiedenis, volksaard en traditie.

Als men stelt dat Nederland recht heeft op een staatshoofd dat volledig gaat voor de functie en er zin in heeft om die functie te vervullen, dan is Willem-Alexander een mismatch. Als staatshoofd is hij niet de optimale combinatie.

Vanuit hoofd en gevoel wijzen Hooghiemstra en Johan Derksen op exact hetzelfde, namelijk dat koning Willem-Alexander zich vooral opstelt als individu die ook nog eens liefst in het buitenland vakantie viert en niet het optimale staatshoofd is dat Nederland nodig heeft. Nu neemt Nederland genoegen met een staatshoofd die het dienen van Nederland als tweede keus ziet en niet echt zin heeft in het vervullen van zijn functie. Het is geen wonder dat zo’n afstandelijke houding van de koning steeds meer kritiek oproept.