College Amsterdam steunt Defares’ initiatief voor een instelling voor hedendaagse kunst. Debat over de ethiek van het aanbod ontbreekt

Schermafbeelding van deel berichtNieuw museum voor hedendaagse kunst in oude rechtbank Zuidas‘ van de gemeente Amsterdam, 27 augustus 2021.

Een museum of beter gezegd een ontwikkel- en presentatieinstelling krijgt in Amsterdam vorm. De voorlopige naam is het Museum of Contemporary Art (MCA.) De instelling doet niet aan collectievorming dus kan functioneel geen museum genoemd worden. Voorwaarde is dat aankoop van een gebouw op de Zuidas dat eigendom is van het Rijksvastgoedbedrijf wordt goedgekeurd door de raad.

Initiator is de Stichting Hartwig Foundation. Pikant is dat de bestuursvoorzitter daarvan de vermogende Rob Defares is die van 2010 tot 2018 lid van de Raad van Toezicht van het Stedelijk Museum was. Uit eerdere berichtgeving van Arjen Ribbens in NRC bleek dat oud-museumdirecteur Beatrix Ruf bestuurder is van het kunstfonds Hartwig Art Production Collection Fund dat een instelling voor hedendaagse kunst op poten wil zetten. Defares heeft 10 miljoen euro aan dit kunstfonds gedoneerd.

Het initiatief kan opgevat worden als een initiatief van Defares om Ruf met zijn geld weer een positie te verschaffen in de Nederlandse kunstwereld. Met geld is veel te koop in de Nederlandse kunstwereld, inclusief de deelnemende instellingen. Defares was ook lid van de Raad van Toezicht van de Rijksakademie. De lijntjes zijn kort achter de schermen van de Nederlandse kunstsector.

Schermafbeelding van deel berichtNieuw museum voor hedendaagse kunst in oude rechtbank Zuidas‘ van de gemeente Amsterdam, 27 augustus 2021.

Er is vanuit de marge kritiek op fondsen die een ontwrichtende werking op de Nederlandse kunstwereld hebben. De gevestigde culturele instellingen zwijgen echter als het om het accepteren van ‘besmet’ geld gaat zodat deze kritiek niet echt landt. In dat rijtje voegt zich nu blijkbaar de gemeente Amsterdam. Naast Ammodo en de Stichting Droom en Daad is dat dus de Stichting Hartwig Foundation. Het verwijt is dat mensen als Wim Pijbes (Droom en Daad) en Rob Defares buiten de gevestigde museumsector om zich met eigen of andermans geld in de positie wringen van schaduw-museumdirecteur of -bestuurder.

Timo Demollin zei over ‘De fuik van de filantropie’ voor Platform BK in maart 2021 het volgende: ‘Het geld dat de Hartwig Art Foundation in jonge kunstenaars investeert is dus indirect afkomstig van flitshandel. Deze geavanceerde beurstechnologie gebruikt wiskundige modellen, algoritmes en infrastructuur met hoogwaardige dataverbindingen om geautomatiseerd en razendsnel beursaandelen te kopen en verkopen aan de hand van andermans transacties. Veel van de handelsstrategieën die hieruit voortvloeien worden als controversieel beschouwd en zijn bekritiseerd als ontwrichtend voor financiële markten. Door misbruik van een asymmetrische toegang tot informatie en controle kan hierbij oneerlijke concurrentie en marktmanipulatie plaatsvinden. (..) Daarnaast wordt regelmatig het verwijt gemaakt dat flitshandel geen waarde toevoegt aan markten, doordat het slechts speculeert op kleine koerswijzigingen en valutaverschillen. (..) Flitshandel onttrekt dus economische waarde aan de samenleving en privatiseert belegd kapitaal van publieke fondsen, zo gaat het argument. (..) Dat straalt niet goed af op het geld dat de kunstsector ten goede komt via Defares, IMC en de Hartwig Art Foundation. (..) Ook de intensieve samenwerking met kunstruimtes en postacademische instellingen is discutabel. Wanneer deze meewerken aan het programma van de Hartwig Art Foundation bieden zij niet alleen een (met voornamelijk overheidsgeld opgebouwd platform aan de geselecteerde kunstenaars en hun begunstiger, hun imago als gerespecteerde instituten voorziet Hartwig Art Foundation ook van waardevol cultureel kapitaal‘.

Door belangenverstrengeling moest Ruf in 2017 haar directoraat neerleggen. De pro-Ruf factie heeft dat nooit goed kunnen verkroppen en bleef nog tot diep in 2020 via Het Parool de publiciteit zoeken om Ruf vrij te pleiten. Dat is deels gelukt en deels mislukt. De spin van een onderzoek over Rufs handelen (Peeters-Eisma) werd zelfs onderdeel van die publiciteitsslag. Het beeld dat bleef hangen was dat Ruf juridisch binnen de normen gehandeld had, maar ethisch niet en daarom niet te handhaven was. De uitkomst was dat Ruf haar positie verloren had en niet terugkreeg.

Zie hier voor de proxy-oorlog tussen NRC en Het Parool over de kwestie Ruf die in 2018 op zijn hoogtepunt was. Het is niet ondenkbaar dat deze schaduwoorlog tussen deze media en de pro- en anti-Ruf facties weer opflakkert vanwege dit nieuwe initiatief. Hoewel het deze keer wellicht eerder zal gaan om een afgeleide van die oude proxy-oorlog van drie jaar terug. Defares heeft slim een bypass voor Ruf gevonden.

Of dit initiatief van een nieuwe instelling voor hedendaagse kunst een soort wraak of doorstart is van het Stedelijk Museum van Ruf valt te bezien. Het is wel een bizar Droste-effect dat het Stedelijk Museum van Rufs opvolger Rein Wolfs een van de deelnemende instellingen wil zijn. Wie spiegelt wat?

Hoe dan ook is het merkwaardig dat er tot nu toe in de Amsterdamse politiek en de landelijke media geen debat is gestart over de aanvaardbaarheid van Defares’ aanbod. De geschiedenis lijkt zich te herhalen. Ethiek in de Nederlandse museumsector is onderontwikkeld als het om de herkomst van geld gaat.

Hermitage gaat NFT’s van werken uit collectie vermarkten. Hoe gaat deze ontwikkeling de museumsector veranderen?

Schermafbeelding van deel artikel Van Gogh op de blockchain? Bitcoin (BTC) exchange Binance en Russisch museum gaan het doen!‘ op crypto-insiders.nl, 28 juli 2021.

Binance NFT geeft (vertaald) de volgende definitie van een NFT: ‘Een non-fungible token (NFT) is een cryptografisch token dat een uniek bezit vertegenwoordigt. Ze fungeren als verifieerbare bewijzen van authenticiteit en eigendom binnen een blockchain-netwerk. NFT’s zijn niet onderling uitwisselbaar en introduceren schaarste in de digitale wereld.’ Binance NFT is een marktplaats waar NFT’s worden verhandeld.

Een NFT is handel. En winst voor de aanbieders. Dat zijn niet alleen bedrijven die in unieke cryptografische tokens (zeg: identificatie- of authenticatiemiddel) handelen, maar ook voor musea die het beeldrecht van de afbeelding hebben dat in een NFT wordt omgezet. Dat opent mogelijkheden voor musea om te cashen op de eigen collectie, terwijl het originele kunstobject niet verkocht hoeft te worden. Dat is een win/win-situatie, zo lijkt het.

Crypto-insiders.nl brengt het nieuws dat Binance NFT samenwerking heeft gezocht met het Russische Hermitage Museum in Sint-Petersburg. Binance NFT kondigt in een verklaring van 26 juli 2021 aan dat het eind augustus op de eigen marktplaats NFT’s van het werk van Leonardo da Vinci, Giorgione, Vincent van Gogh, Vassily Kandinsky en Claude Monet uit de collectie van de Hermitage zal verkopen. Van elke twee exemplaren van hetzelfde werk gaat er een naar de koper en blijft de andere NFT in de collectie van het museum.

Schermafbeelding van deel artikelBinance NFT Marketplace to Feature Tokenized Art, Including Leonardo da Vinci, from The State Hermitage Museum‘ van Binance, 26 juli 2021.

Directeur Mikhail Piotrovski ondertekent niet alleen de beperkte reeks NFT’s, maar creëert volgens de uitleg van Binance NFT ‘ook een onafhankelijk werk door zijn handtekening, datum en exacte tijd van ondertekening toe te passen, waardoor ze absolute uniciteit kregen, vereeuwigd in de blockchain’. Ofwel, de handtekening van de kunstenaar wordt vervangen door de handtekening van de huidige directeur van de Hermitage.

Of dit een ontwikkeling is die uitsluitend gunstig is voor musea valt te bezien. Ze lijken weliswaar een nieuwe geldbron aan te boren, maar de vraag is hoe groot deze markt is als vele internationale musea als aanbieders gaan optreden. Ze worden dan elkaar concurrenten in het aanbieden van NFT’s. Ook is het denkbaar dat sponsors en overheden die musea helpen financieren deze nieuwe ontwikkeling als argument zien om zich terug te trekken uit de museumsector.

Het gaat vooral om kunstmusea die iconische schilderijen van oude en moderne meesters in hun collecties hebben die ze in de vorm van NFT’s kunnen vermarkten. Dat geldt voor Nederland wellicht voor de 20 belangrijkste kunstmusea, van het Rijksmuseum tot het Dordrechts Museum. Hedendaagse kunst lijkt lastiger in de markt te liggen.

Zo dreigt er een tweedeling binnen de museumsector indien deze tendens van de verkoop van NFT’s doorzet en belangrijk wordt. Musea met in hun collectie iconische schilderijen van oude en moderne meesters kunnen veel geld uit de markt gaan halen door de verkoop van NFT’s. Maar kunstmusea die gericht zijn op laat-20ste eeuwse en 21ste eeuwse kunst zonder accent op een schilderijencollectie of niet-kunstmusea missen die mogelijkheid omdat ze minder aantrekkelijk zijn voor de kopers van en handelaren in NFT’s. Dat kan een nieuw evenwicht binnen de museumsector scheppen, waarbij musea die nu al veel inkomsten hebben nog rijker zullen worden.

Hoe een en ander door de opkomst van NFT’s financieel uitpakt valt lastig te voorspellen, maar denkbaar is dat de landelijke overheid de steun zal gaan verleggen van musea die NFT’s kunnen verkopen naar musea die daartoe niet in staat zijn.

Overigens zou de verkoop van NFT’s door initiatief van het deel van de gemeentepolitiek dat weinig opheeft met kunst en musea de lokale politiek op de gedachte kunnen brengen dat het mee wil delen in de opbrengst van de verkoop van NFT’s. Want in Nederland zijn collecties van geprivatiseerde musea eigendom van gemeenten. Museum de Fundatie is de uitzondering. Het zou verstandig zijn als de Museumvereniging zo snel mogelijk met de leidende kunstmusea hierover een standpunt bepaalt en een strategie ontwikkelt om de opbrengst van de NFT’s exclusief voor de museumsector te behouden. Denkbaar is ook dat musea samen met de Museumvereniging een fonds oprichten dat door de leidende kunstmusea gevuld wordt met de opbrengst van de verkoop van NFT’s waar musea die die mogelijkheid missen een beroep op kunnen doen.

Directeur Piotrovski heeft het laatste woord. Is het wensdenken, luchtfietserij, een verkooppraatje of een realiteit die hij schetst? Hoe dan ook lijkt de museumsector door de verkoop van NFT’s te gaan veranderen. De beer is los. Hoe de verandering eruit zal zien valt nu lastig te voorspellen. Mogelijk duurt het nog jaren voordat het zich doet voelen, maar enige mate van verandering lijkt onvermijdelijk. Daarom doet de museumsector er verstandig aan zich er nu al op voor te bereiden. In het bericht van Binance NFT zegt directeur Piotrovski:

'Nieuwe technologieën, met name blockchain, hebben een nieuw hoofdstuk geopend in de ontwikkeling van de kunstmarkt, geleid door het eigendom en de garantie van dit eigendom. Dit is een belangrijke fase in de ontwikkeling van de relatie tussen persoon en geld, persoon en object. NFT creëert op deze manier democratie, maakt luxe toegankelijker, maar tegelijkertijd uitzonderlijk en exclusief. We zullen andere mogelijkheden uitbreiden, met name digitale, die de collecties en het paleis [het gebouw] erin zullen betrekken. We gaan nieuwe experimenten bouwen op basis van nieuwe technologieën.' 

Onder- en bovenwereld ontmoeten elkaar in kunst: Chanel steunt The Underground Museum

Het Chanel Culture Fund gaat partnerschappen aan met vijf musea. Dat zijn Los Angeles’ The Underground MuseumCentre Pompidou in Parijs, London’s National Portrait GalleryGES-2 in Moskou en de Power Station of Art in Shanghai.

Er worden mooie woorden aan gewijd door Chanel en door de musea die financiële steun ontvangen van dit Franse bedrijf dat kleding en accessoires maakt. Chanel produceert zowel haute couture als prêt-à-porter, alsook cosmetica, parfum, sieraden en horloges. Een voorbeeld van dat laatste zijn de volgende horloges uit de Mademoiselle Privé collectie: 

Horloges uit de collectie Mademoiselle Privé van Chanel.

Het is moeilijk om niet cynisch te zijn over een bedrijf voor luxeproducten dat met geld strooit om via culture instellingen positieve publiciteit te genereren. Het is onderdeel van een marketingcampagne die bedoeld is om zowel de naamsbekendheid van Chanel te vergroten als de maatschappelijkheid ervan in de markt te zetten. Niet dat vele consumenten dat laatste zullen geloven, zoals ook niemand gelooft dat Albert Heijn of Shell serieus aan duurzaamheid doen die verder gaat dan marketing, maar het geeft de klanten die dit tegen beter weten in willen geloven een handvat om het te geloven en met een goed gevoel klant van zo’n bedrijf te zijn.

Zo zit de wereld in elkaar. Met geld kan aanzien worden gekocht. Hoe onoprecht de opzet ervan ook is. Daar hoeven we niet van op te kijken.

Iets anders is hoe oprecht de ontvangende partij is. Het weet dat het geld krijgt ter waarde van enkele dure Chanel-horloges en moet daarvoor als tegenprestatie Chanel loven als een maatschappelijk en (let op buzzword: innovatief) bedrijf dat de kunsten steunt. Dan kan Chanel weer een artikel in Vogue plaatsen dat als kop heeft dat ‘Hoe Chanel de musea van morgen helpt smeden’. Inclusief notabene de National Portrait Gallery die al sinds 1856 bestaat. Hoe komt in hemelsnaam zo’n kop tot stand?

Culturele instellingen leggen de lat doorgaans niet zo hoog in het ontvangen van geld van sponsors. Waar ze immers altijd om verlegen zitten. Ze sluiten wapenfabrikanten, pornoboeren en vervuilende bedrijven uit. Maar dat is het wel. In Nederland aanvaarden musea zonder enige schroom of zonder het aan derden uit te kunnen leggen het moreel verwerpelijke, besmette geld van het cultuurfonds Ammodo dat is gevormd door de diefstal van de pensioenpremies van havenarbeiders in Rotterdam en Amsterdam.

Op die basis van uitwisseling van geld voor positieve publiciteit ontstaat de verbinding tussen Chanel en een lokaal museum in Los Angeles dat zich het Underground Museum noemt. De boven- en onderwereld ontmoeten elkaar in de kunst. Ze hopen daar allebei van te profiteren. Op een cynische manier klopt wat Keven Davis het Underground Museum als bron van inspiratie meegeeft: ‘Accepteer nooit middelmatigheid’. Daarom accepteert het Underground Museum geld van Chanel uit de verkoop van luxeproducten. Want die kun je niet middelmatig noemen.

Schermafbeelding van deel van ‘Our Story‘ van The Underground Museum in Los Angeles,

Privatiseer Museum Het Belfort in Sluis

Standbeeld van J.H. van Dale in Sluis.

In het beleidsstukVisie op Musea‘ van de gemeente Sluis van maart 2021 wordt over Museum Het Belfort gezegd dat het onderdeel van de publieke organisatie van de gemeente Sluis is. Dat houdt in dat de gemeente Sluis voor het onderhoud en de exploitatie verantwoordelijk is.

Schermafbeelding van deel (op p.8) uit beleidsnota ‘Visie op Musea‘ van de gemeente Sluis van maart 2021.

Maar uit een artikel van de PZC van 15 juli 2021 blijkt dat de gemeente de verantwoordelijkheid voor het Museum Het Belfort niet wil dragen. De inleiding spreekt boekdelen: ‘Welke ondernemer gaat het belfort in Sluis uitbaten? De gemeente is op zoek, nu de VVV – de voormalige exploitant – zijn werkzaamheden in Zeeland heeft beëindigd.’

Het wordt nog wranger: ‘De gemeente zoekt een ondernemer die bijvoorbeeld een toeristische giftshop wil starten. Dat kan in de balieruimte van het museum. Als voorwaarde stelt de gemeente dat de uitbater ook beheerder van het museum in het belfort wordt. De werkzaamheden zijn bezoekers ontvangen, toegangstickets verkopen en toeristische informatie verstrekken.‘ Dat is een hybride functie van profit en non-profit waarbij het de vraag is waar het een ophoudt en het ander begint. Dat is van belang als het om ethische museale normen gaat.

Museum Het Belfort staat sinds juni 2017 geregistreerd in het Museumregister. Musea die zijn aangesloten bij het Museumregister worden getest op de Museumnorm 2020. Dit houdt in dat de geregistreerde musea dienen te voldoen aan kwaliteitsnormen. Museale taken kunnen uitbesteed worden aan een rechtspersoon, maar ‘In dat geval blijft de uitbestedende partij [de gemeente Sluis] verantwoordelijk voor de invulling van de uitbestede zaken conform de Museumnorm‘. Het is mogelijk dat een commerciële partij het museum gaat uitbaten, maar dan ligt belangenverstrengeling op de loer. Een en ander dient vooraf zorgvuldig afgesproken en gescheiden te worden.

Uit het PZC-artikel van Bob Maes blijkt dat de gemeente Sluis zich verschuilt achter de VVV. Dat is de defensiemuur van het college. Tot begin 2021 nam de VVV de exploitatie voor haar rekening. Vrijwilligers die het toen overnamen blijken te zwaar belast te worden.

De PZC vervolgt: ‘Vorige week stelde wethouder Peter Ploegaert zich tijdens een gemeenteraadsvergadering zelfkritisch op. Hij vond dat de gemeente steken had laten vallen en niet snel genoeg had ingespeeld op het stoppen van de VVV. De gemeenteraad trok daarom 50.000 euro uit voor een beroepskracht, die het museum in ieder geval tot en met september iedere dag open houdt.

Tekenend is dat CDA-wethouder Ploegaert onder meer recreatie, toerisme en monumenten in zijn portefeuille heeft, maar niet cultuur. Dat is ondergebracht bij burgemeester Marga Vermue. Het probleem is echter niet het verdwijnen van de VVV als uitbater van Museum Het Belfort, maar het feit dat de gemeente Sluis als publieke organisatie niet de verantwoordelijkheid neemt om de exploitatie voor haar rekening te nemen. Het is goed dat er budget is vrijgemaakt voor het tijdelijk aannemen van een vaste kracht, maar dat is geen duurzame oplossing.

Een toeristische gids van de streek zegt over Museum Het Belfort: ‘Het imponerende gebouw huisvest tegenwoordig een museum, gewijd aan de Sluise stadsgeschiedenis en de beroemdste Sluizenaar, woordenboekenmaker Johan Hendrik van Dale. Ook zijn er twee minibioscopen, tentoonstellingen, stijlkamers en de indrukwekkende historische raadszaal.

De Stichting Johan Hendrik Van Dale heeft een ingetrokken ANBI-status (2017) en zegt op haar Facebook-pagina over de eigen doelstelling: ‘Het organiseren van tentoonstellingen op het gebied van beeldende kunst in de Raadskelder van het Belfortmuseum te Sluis‘.

Sluis is een kleine gemeente met iets meer dan 23.000 inwoners. Het heeft weinig middelen. Daarom moet men niet te hard oordelen over een gemeente die de eindjes aan elkaar moet knopen. De vraag is echter of de gemeente binnen de huidige mogelijkheden de optimale oplossing kiest. Dat valt te betwijfelen. Het lijkt erop dat de gemeentelijke politiek niet uit het eigen kader kan stappen door een oplossing te kiezen waarvan iedereen profiteert.

Het is opvallend dat Museum Het Belfort en de Stichting Johan Hendrik Van Dale geen ANBI-status hebben, zodat ze werk kunnen maken van hun fondsenwerving. Men moet de toeristische aantrekkingskracht van de kuststreek niet onderschatten evenmin als de aantrekkingskracht van Johan Hendrik van Dale wiens naam het bekendste woordenboek in het Nederlandse taalgebied siert.

De oplossing die het college biedt lijkt sterk op privatisering zonder dat te zijn. Dat is vanwege de bestuurlijke problemen die veel energie opslokken en het gebrek aan financiële armslag de slechtste van alle opties.

Bij privatisering van een gemeentelijk museum is het gebruikelijk dat de gemeente verantwoordelijk blijft voor gebouw en collectie. De exploitatie zou dan ondergebracht kunnen worden bij een aparte stichting. Voordeel is dat de gemeente Sluis dan op afstand komt en zich bestuurlijk niet meer met Museum Het Belfort hoeft te bemoeien en het museum de ruimte krijgt die het nu mist om bij particulieren, bedrijven en het openbaar bestuur in Nederland en België te doen aan fondsenwerving, het werven van sponsors en het aanvragen van subsidies. En het ontplooien van tentoonstellingen en andere culturele initiatieven die nu blijven liggen.

Machtsconflict in top van het Van Gogh Museum komt in openbaarheid. Directeur Gordenker heeft machtsstrijd van commerciële poot gewonnen

Schermafbeelding van deel artikelCommercieel directeur Van Gogh Museum weg na conflict‘ van RTL Nieuws, 28 juni 2021.

Gedonder bij het Van Gogh Museum. Algemeen directeur Emilie Gordenker trad in februari 2020 aan en vond dat het museum te commercieel was. Dat blijkt uit onderzoek van RTL Z waarover RTL Nieuws bericht. Ze voerde veranderingen door waarbij het belang van de commerciële dochter Van Gogh Museum Enterprises (VGME) werd afgeschaald. Voormalig directeur Ricardo van Dam van VGME is vanwege de herstructurering vertrokken. Ook andere MT-leden vertrokken, maar Gordenker ontkent dat dat een gevolg is van de herstructurering.

Dit conflict viel te verwachten. Het Van Gogh Museum liet zich de afgelopen jaren kennen als de hoer van de Nederlandse museumsector die zich voor veel geld verkocht. Dat was onprettig om te zien.

In september 2020 twijfelde ik over de koers van Gordenker en schreef in een commentaar het volgende:

'Wat is er aan de hand met de marketing (buying & merchandise, logistiek, retail, wholesale, licenties, e-commerce en new business) van het Van Gogh Museum? Dat lijkt alle terughoudendheid verloren te hebben, de kant van de commercie te hebben gekozen en zo het museum overgeleverd te hebben aan de meest biedende. Is dat in de geest van Vincent van Gogh? Of dat iets te maken heeft met een verschoven evenwicht in de directie waar Emilie Gordenker sinds 1 februari 2020 directeur is roept deze ontwikkeling op. Hoewel het commerciële denken al langere tijd in het managementteam vertegenwoordigd is. Ricardo van Dam is sinds 1 april 2017 directeur Van Gogh Museum Enterprises en heeft het vak geleerd op Schiphol met opdrachten op het gebied van commercie en businessmodellen'.

Ik was te ongeduldig. In september 2020 had Gordenker de machtsstrijd met Van Dam nog niet beslist. Ze zat er toen nog middenin. Zo’n machtsstrijd is taai en kan lang duren als medewerkers zich juridisch ingraven. Naar verluidt is de strijd pas begin 2021 beslist met het vertrek van Van Dam. RTL Nieuws zegt daarover: ‘Toen hij een beëindigingsvoorstel niet accepteerde, stapte het museum naar de rechter om hem te ontslaan’. Dat is uiteindelijk gebeurd.

Het was schaamteloos commercieel wat het van Gogh Museum de laatste jaren deed door relaties met bedrijven te zoeken die geen inhoudelijke relatie met Van Gogh hadden. Het Van Gogh Museum lanceerde in 2018 samen met het van oorsprong Californische Vans schoenen en een kledinglijn. En er zijn meer voorbeelden. In een commentaar van augustus 2018 zei ik daarover het volgende:

Het museum heeft de afdeling ‘Van Gogh Museum Enterprises’ die samen met bedrijven ‘branded producten’ ontwikkelt die zijn geïnspireerd op Van Goghs werk. Vans Global Marketing Manager Samantha Goretski verwoordt het in het filmpje vanuit Vans’ perspectief: ‘unfolding art as a fundamental vehicle for creative exploration’. Kunst ontplooien als fundamenteel middel voor creatieve verkenning. Het museum laat zich deze holle marketingtaal aanleunen.

Herstructering binnen een museum geeft altijd gedonder. Teleurgestelde medewerkers die dreigen ontslagen te worden weten altijd wel een nieuwsmedium te vinden die hun grieven en visie in de publiciteit weergeeft. Het bericht van RTL Nieuws zet de toon door directeur Gordenker af te schilderen als een potentaat door wie het hele MT zou zijn vertrokken. Gordenker ontkent dat.

In dit geval lijkt het gelijk echter ondubbelzinnig aan de kant van directeur Gordenker te liggen. Of ze de luxe had om tactisch te handelen om de commerciële poot VGME en Ricardo van Dam te breken die een machtspositie binnen het museum had verworven valt van een afstand lastig in te schatten. Hopelijk kan met het afschalen van het commerciële streven van het museum het aanzien van het museum weer op een hoger niveau worden getild.

Schaamteloze commercie zoals het Van Gogh Museum die bedreef zou voor geen enkel serieus kunstmuseum een aannemelijke optie moeten zijn. Maar niet alle museumdirecteuren doorzien dat. Ze laten zich verblinden door het geld dat zo’n commerciële afdeling binnenharkt. Maar daarmee verkoopt een museum zijn ziel.

Kleine musea hebben kritiek op duur programma met sneltesten dat niet op hun lijf geschreven is

Terwijl de pandemie nog woedt zijn er initiatieven om de samenleving weer van het slot te krijgen. Er wordt 700 miljoen euro uitgetrokken voor een tijdelijk project met sneltesten. Dat is veel geld. Hoe de kosten verdeeld zijn en of de rijksoverheid daar uiteindelijk volledig voor opdraait of dat de instellingen die bij het project betrokken zijn ook moeten gaan meebetalen is onduidelijk, zo blijkt uit een artikel in de Volkskrant.

Het lijkt er sterk op dat dit project dient als ventiel voor de oplopende maatschappelijke ontevredenheid met de coronamaatregelen. Het is een mix van maatschappelijke en economische belangen. Om burgers én ondernemers tevreden te stellen. Hoe het bestuurlijk tot stand is gekomen is en wie het initiatief ertoe heeft genomen is onduidelijk. Opvallend is dat Testen Voor Toegang een initiatief is van de Stichting Open Nederland onder aanvoering van oud-generaal Tom Middendorp. Het is een tijdelijke samenwerking van commerciële en niet-commerciële partijen.

Pikant is dat officieus de krijgsmacht wordt ingeschakeld door generaal Middendorp erbij te betrekken, terwijl de kritiek op het niet erg succesvolle Nederlandse vaccinatieprogramma is dat dit een militaire operatie noodzaakt, zoals in het Verenigd Koninkrijk. Waarom wordt Middendorp niet ingeschakeld om met ondersteuning van medische experts leiding te geven aan het vaccinatieprogramma zodat de politiek een stapje terug kan doen?

De instellingen die meedoen aan Testen Voor Toegang zijn divers en omvatten monumenten, dierentuinen, café’s, casino’s en speelhallen, sportaccommodaties, poppodia, theaters en musea.

Er is kritiek op dit initiatief vanuit de museumsector zoals uit de video met de vertegenwoordiger van het Noordelijk Scheepvaartmuseum blijkt. Kleine musea vinden dat ze niet kunnen profiteren van het project met de sneltesten. Vergelijkbare galeries kunnen wel bezoekers ontvangen zonder sneltest. Ze menen ook dat de 700 miljoen euro voor sneltesten weggegooid geld is en in geen verhouding staat tot de ongeveer even grote noodsteun die de kunstsector van de rijksoverheid heeft ontvangen. Dat is echter een ongelukkige vergelijking, want het betreft bij Testen Voor Toegang zeker niet uitsluitend kunstinstellingen. Dat is niet het geval zoals een overzicht verduidelijkt.

Zo zegt directeur Paul Baltus van Amersfoort-in-C die de regeling verwerpt in een FB-posting van 10 april 2021: ‘Mijn oproep: open cultuur in de volle breedte op een moment dat het verantwoord is. En op basis van bewezen, goed werkende 1,5 m protocollen. Besteed het uitgespaarde geld aan mooie producties, tentoonstellingen en concerten; aan een gezonde, toekomstbestendige cultuursector.’ Maar het lijkt er sterk op dat de regering nu daadkracht en hoop op verbetering wil uitstralen. Daar past geen geduld, laat staan ruime besteding van overheidsgeld aan kunst bij. Dat is zorg voor later, wat in de praktijk nooit betekent.

Christelijke korte lontjes belagen journalisten. Dit roept vragen op over normbesef én voorrechten van kerken

Een verslaggever van RTV Rijnmond wordt aangevallen door een kerkganger. Bron: RTL Nieuws, 28 maart 2021.

Sommige christenen laten vandaag hun ware aard zijn. Op de dag des Heren, zoals ze hoogmoedig zeggen. Enkelen belagen, bedreigen en vallen verslaggevers aan. Door wat zijn deze christelijke korte lontjes aangestoken?

Het gaat om uitzonderingen, maar het is veelzeggend. Is het onderhand niet de hoogste tijd om de voorrechten van kerken en ander gebedshuizen terug te draaien en die over te dragen aan de zich voorbeeldig en bescheiden gedragende musea die ondanks professionele organisatie en maatregelen vanwege COVID-19 dicht moeten blijven van de rijksoverheid?

Dit belagen van journalisten door kerkgangers zou niet-religieuze politieke partijen eens tot de vraag moeten brengen wat het normbesef is waar kerken hun voorrechten op baseren. Maken ze dat waar? Is het geen hoogmoed van kerkenraden en christenen in het algemeen dat ze claimen een streepje voor te hebben op andersdenkenden die de meerderheid van de bevolking vormen? Waarom geven niet-religieuze partijen steun aan de voorrechten van deze religieuze instellingen? Waarom laten niet-religieuze partijen zich intimideren door deze godsdiensten?

Dat normbesef van kerkgangers is vooral de claim om in tegenstelling tot andere maatschappelijke en culturele instellingen begunstigd te worden. Het is krom, krankzinnig en lafhartig dat in een seculier Nederland de politiek daar in zijn geheel in meegaat. Het is een achterhoedegevecht dat niet in deze tijd thuishoort. Waar zijn de partijen die het lef tonen om de voorrechten van kerken terug te schroeven en die van musea en andere kunstinstellingen te vergroten?

Duiden van identiteit in de kunst wordt valkuil als dat onzorgvuldig gebeurt. Commentaar op het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’

Daar gaan we weer. Identiteit in de kunst en het scheve beeld dat de media ervan geven. Deze keer zijn Teylers Museum en de 19e eeuwse Frans-Amerikaanse ornitholoog, natuuronderzoeker, vogelschilder en werkgever van slaven John James Audubon aan de beurt. Op touw staat de tentoonstelling ‘Vogelpracht’ die dit museum in juni 2021 hoopt te openen.

Journalist Jean-Pierre Geelen identificeert zich in het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ in de Volkskrant bij voorbaat met de oppositie die Audubon oproept. Hij noemt het ‘hoogst explosief materiaal’. De toon is gezet. De eindredactie maakt van een bezitter van slaven voor het gemak een ‘racistische vogelschilder’. De 21e eeuw wordt rechtstreeks in het vat van de 19de eeuw gekieperd alsof in twee eeuwen alles bij hetzelfde is gebleven.

Geelen maakt een knip door het te verbinden aan de Code Diversiteit & Inclusie die Teylers Museum onderschrijft. Alsof dat bijzonder is. De hele museumsector onderschrijft immers deze Code. Hij geeft een citaat uit de code dat staat onder het kopje ‘Artistiek en inhoudelijk: inclusief werken is een verrijking voor kwaliteit’ dat aldus eindigt: ‘Jouw organisatie moet een veilige plek zijn waar iedereen zich thuis voelt om zich in een ander perspectief te verplaatsen’. Ok, redelijk, maar wat heeft het feit dat Audubon twee eeuwen geleden slaven in bezit had te maken met een veilige werkomgeving van een museum in 2021?

Rekt Geelen dit aspect van de Code niet oneigenlijk op en maakt hij er wat anders van dan het behelst? Daar lijkt het sterk op. Probeert Geelen nou te suggereren dat de werkomgeving er voor medewerkers onveilig op wordt als in een tentoonstelling een schilderij van een 19de eeuwse vogelschilder annex slavendrijver wordt getoond en medewerkers zich daardoor niet meer thuis zouden voelen in dat museum? Welk probleem helpt Geelen hier creëren? Is dat allemaal niet te simpel gedacht en met hoeveel slagen tegelijk probeert Geelen thuis te komen in zijn eigen bubbel?

Het is toch juist de taak van een historisch kunstmuseum als Teylers Museum om objecten uit de kunstgeschiedenis in de juiste context voor een breed publiek te tonen?

Jazeker, Audubon had slaven in bezit en jazeker, dat wordt nu terecht afgewezen en jazeker, dat feit moet in zijn levensbeschrijving niet ongenoemd blijven en jazeker, dat ligt politiek op dit moment uiterst gevoelig, maar welnee, dat betekent niet dat ter discussie staat dat zijn schilderijen niet in een museum getoond kunnen worden. Als dat zo zou zijn, dan zou zijn werk in geen enkel museum meer getoond kunnen worden. Dan gaat het politieke aspect volledig het kunsthistorische aspect overheersen. Mogen musea daar alstublieft zelf over beslissen? Ze hebben er geen politieke activisten of activistische journalisten voor nodig om hen op hun verantwoordelijkheid en gedragsregels te wijzen.

Geelen lijkt meer bezig met het aanscherpen van maatschappelijke verschillen dan met het geven van duiding. Waarom stelt hij iets ter discussie dat niet ter discussie moet worden gesteld? Zoals alle musea probeert Teylers Museum dit passend op te lossen zonder al te veel weerstand in de samenleving op te wekken. Maar dat is toch geen kwestie van worstelen, maar van gewoon professioneel handelen?

Als het de taak van een journalist is om zich te identificeren met een politieke zaak en het publiek te informeren onder het mom van een evenwichtig enerzijds-anderzijds verslag, dan zijn we gewaarschuwd. Ook voor journalisten is identiteitsdenken een valkuil waar ze met open ogen in kunnen stappen. Het advies voor zolang het duurt: hou het simpel en maak het niet ingewikkelder en wijsneuziger dan het is. Daar is niemand mee geholpen. De museumsector nog het minst.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ van Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant, 3 maart 2021.

Onnozelheid van Ye Visual: ‘Een museum of tentoonstelling saai? Niet met interactiviteit!’

Deze promotievideo van het Belgische Ye Visual (‘Ye Visual creëert interactieve narrowcasting-oplossingen die uw ruimte transformeren in een interactieve ervaring’) raakt aan de kern van de onrust, de nervositeit, het ongenoegen en het zich opgejaagd voelen van velen die daardoor onzeker worden. Ye Visual werkt mee aan het accentueren van het belang van de snelle bevrediging. The quick fix. Met als hoger doel de eigen kwartaalcijfers.

Het gevolg is dat bedrijven als Ye Visual zich uit eigenbaat verklaren tot vijanden van de inhoud en de degelijkheid. Een dik boek, een moeilijke opera, een kunstzinnige film of een vernieuwende tentoonstelling worden bij het oud vuil gezet door ze als gedateerd af te schilderen. Ze menen dat het publiek bij de hand, hun hand, genomen moet worden om de inhoud nog te kunnen begrijpen. Het publiek wordt als onmachtig en onnozel beschouwd dat niet meer zelf kan nadenken.

Het gevolg van dit marketing denken van al die Ye Visuals die de kunstsector overspoelen is dat door het valse voorwendsel dat het om interactiviteit draait het publiek juist afgesneden wordt van de authentieke ervaring die enkel en alleen de echte inhoud biedt.

Ye Visual is de tolk die veinst kunst bereikbaar te maken door kunst met de grond gelijk te maken zodat iedereen er gelijkvloers in kan lopen. Beseft Ye Visual echt niet dat het dan niet meer over kunst gaat die als functie heeft om te ontregelen en aan te scherpen, maar over een getemde en klein gemaakte afleiding ervan die alles reduceert tot de snelle bevrediging van de toeschouwer?

Ye Visual rolt met brutale bravoure de eigen marketing instrumenten uit en verklaart zonder onderbouwing dat inhoud per definitie saai is en dat het draait om ervaring. Volgens Ye Visual kan inhoud het op zichzelf niet redden omdat het geen ‘echte ervaring’ biedt.

Dit soort intermediaire bedrijven die zich binnen de kunstsector opdringen en pretenderen onmisbaar te zijn gaan in hun potsierlijkheid voor de inhoud staan en menen dat enkel zij inhoud bieden door die te moeten ‘vertalen’. Ze beseffen met hun simplisme niet hoe onnozel ze zijn met hun opdringerige interactiviteit. Ye Visual tekent de schade die de kunst wordt toegebracht door die om te zetten naar een niveau waar kunst niet leeft.

Musea zouden er goed aan doen om Ye Visual buiten de deur te zetten en (weer) te vertrouwen op de inhoud, de kunstobjecten zelf. Want de interactiviteit met objecten kan nooit de inhoud vervangen. Het onderschat daarbij het publiek dat wordt teruggebracht tot kleuterniveau. Ye Visual is in dit hele verhaal de saaie en overbodige schakel.

Foto: Still uit videoEen museum of tentoonstelling saai? Niet met interactiviteit! – Ye Visual’ van Ye Visual op YouTube.

Bespreking van de documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’

Met genoegen heb ik gekeken naar de prachtig in beeld gebrachte documentaire van Ida Does over het Rijksmuseum en Slavernij. Maar ik heb kanttekeningen vanwege de ongerijmde beweringen en het gekozen zwart-wit perspectief. De documentaire is een aardige poging die blijkbaar nodig was om er te zijn, maar die meer het beeld van een strijd om emancipatie van betrokkenen verbeeldt, dan dat het een evenwichtig beeld geeft van een historisch onderwerp en het naijl-effect daarvan in de museumsector. Het is niet verkeerd dat deze documentaire nu gemaakt is, maar opgevat als een reconstructie van een tijdsbeeld draagt het al tijdens het kijken de kiem van én de roep om een vervolg in zich dat meer in balans is en het onderwerp proportioneler en breder benadert.

1) Het is onbegrijpelijk dat terwijl expliciet in de documentaire gezegd wordt dat de slavernij in de Oost omvangrijker was dan die in de West, daar in de documentaire nauwelijks iets van terug te vinden is. Was het reisbudget onvoldoende, had de producent geen Indonesische of Nederlands-Indische contacten of was deze reductie een bewuste, politieke keuze? Dat heeft als gevolg dat nu alles in een zwart-wit perspectief geplaatst wordt. Dat is echter een te grove tegenstelling. Wat resteert is een eenzijdig Caraïbisch perspectief. Maar zo was de realiteit van toen niet, en zo is de realiteit van nu niet. De grijs- en bruintinten ontbreken en zijn weggemoffeld. Ook op een andere manier ontstaat vertekening. De tragiek van de historische slavernij is ook dat de zwarte mensen geen homogene groep vormden en naast slachtoffer ook dader konden zijn. Ook die nuancering ontbreekt in de documentaire.

2) Aandoenlijk zijn de pogingen van de witte medewerkers van het Rijksmuseum om politiek correcte uitspraken te doen. Ze doen zo hun best. Nog het meest evenwichtig en oprecht is Hoofd Geschiedenis Valika Smeulders die zichzelf toestaat om zichzelf te zijn. Zij lijkt autonoom te handelen, terwijl de andere medewerkers blijven hangen in calvinistische boetedoening en achter het onderwerp verdwijnen. Waardoor de vraag opdoemt of ze nog wel namens zichzelf en hun eigen professionalisme spreken. Het ligt er dik bovenop. Deze medewerkers zoeken zich een houding en zijn op zoek naar een personage waarvan ze menen dat die bij hun functie en dit onderwerp van slavernij past, maar weten niet precies wat die houding is en waar ze uit dienen te komen. Deze zoektocht naar een correcte ziel die goed in beeld wordt gebracht is, waarschijnlijk onbedoeld, het meest interessante aan deze documentaire. Meer drama van Pirandello of Pinter, dan realisme.

3) De documentaire is als een momentopname in de bewustwording over historisch onrecht, zoals de slavernij. Het is goed dat dit in de museumsector ter sprake wordt gebracht en er nader naar de collecties wordt gekeken om te kijken waar tekenen van dat onrecht opdoemen. Dat dient benoemd en verklaard te worden. En waar mogelijk in balans te worden gebracht zonder door te schieten naar overdrijving. Want dat is het gevaar van dit onderwerp. Uiteindelijk gaat het niet om politieke en maatschappelijke, maar om (kunst)historische aspecten die weliswaar onder invloed staan van de politiek maar daar niet volledig door kunnen worden bepaald. In deze documentaire komen uitsluitend degenen aan het woord die doen vermoeden dat (kunst)geschiedenis onderhorig is aan politieke ideologie. Dat is op meerdere niveaus’s te simpel.

4) De documentaire spreekt soms zichzelf tegen. Bijvoorbeeld als terecht gezegd wordt dat (Europees) Nederland een witte maatschappij was en de andere stem daarin een minderheid vormde. Dat ontspoort in de uitleg van meerdere gesprekspartners over het schuttersstuk van Bartholomeus van der Helst met het zwarte jongetje. Opnieuw wordt geprobeerd alles te reduceren tot een zwart-wit tegenstelling, terwijl de sociaal-economische of maatschappelijke (leeftijdsverschil) tegenstellingen worden veronachtzaamd. Het is niet vergezocht om te veronderstellen dat een klein wit jongetje zonder sociale status op dit schuttersstuk evenzeer in de schaduw gezet zou worden. Zo blijft onduidelijk wat nou precies onderscheidend is.

De conclusie is dat deze documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’ vooral licht werpt op de worsteling van de medewerkers van het Rijksmuseum die zich een houding aanmeten in hun omgang tot de slavernij en de artefacten die daar mee samenhangen. Het tekent een fase in hun emancipatie. Dat is de verdienste ervan, namelijk hoe het toont hoe de behoudzuchtige museumsector in verwarring wordt gebracht door een onderwerp buiten haar comfort zone en zich mee laat voeren door ongerijmde denkbeelden voordat het zelf een houding vindt die voorbijgaat aan simplificatie en beperking. Dit verwijt treft niet degenen die nabestaanden van slaven zijn of degenen die zich door hun afkomst als zodanig beschouwen. Zij bepleiten hun zaak op een politieke wijze zonder de last én de opdracht van de (kunst)geschiedenis. Het nadeel van de documentaire is dat het op een simpele wijze een historisch proces verklaart vanuit het heden. Dat leidt tot onbeheerste conclusies omdat voorouders worden afgerekend op het feit dat ze niet wisten wat wij in het heden weten.

NB: De documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’ is hier te zien.