Gedachten bij twee foto’s van Berit Wallenberg (1934)

Berit Wallenberg, Street in Utrecht, the Netherlands; Men with bikes in a street in Utrecht, with the “Domkerk” St. Martin’s Cathedral in the background, 17 juli 1934. Collectie: Swedish National Heritage Board – Riksantikvarieämbetet.

Het is 17 juli 1934 in Utrecht. Het is warm weer, dik boven de 20 graden. Ramen staan open en een zonnescherm is neergelaten. Ter hoogte van Achter de Dom 13 maken twee mannen zich gereed om op de fiets te stappen. Op de achtergrond is een deel van de Domkerk, de Sint-Maartenskathedraal te zien. Samen met de losstaande Domtoren het symbool van Utrecht.

Fotograaf is de Zweedse archeologe en kunsthistoricus Berit Wallenberg die op 17 juli 1934 foto’s nam in Utrecht en Amsterdam en in de week daarvoor in Den Haag. Daarvoor had ze België bezocht.

Berit Wallenberg, People in Blinde-Ezelstraat (Rue Juvée) street, Bruges, Belgium; People in Blinde-Ezelstraat (Rue Juvée) street, towards the Burg Square in Bruges, 3 juli 1934. Collectie: Swedish National Heritage Board – Riksantikvarieämbetet.

Wat kunnen we van de foto’s zeggen? Wallenberg doet veel kerken, monumenten en stadsgezichten in haar foto’s. Ze legt vast. Met haar ‘droge’, afstandelijke blik op de cultuurhistorie van stad of landschap verliest ze niet de blik op de mensen. Die mogen er zijn. Niet in detail, maar in totaalshot.

Mensen op deze foto’s zijn niet precies bijvangst, maar evenmin hoofdvangst. Het is terloops, in ’t voorbijgaan, inderhaast. Niet oppervlakkig, maar evenmin diepgaand.

Hoe dan ook lijken mensen in hun handelingen of beslommeringen gevat te worden. Die niet bijzonder zijn. Zo worden ze met terugwerkende kracht een staalkaart van de menselijke soort die in beeld geschoven komt. Dat is de verrassing van een onvoorzien voorval dat natuurlijk oogt tussen de vaststaande cultuurhistorie.

Gemeenteraadsverkiezingen: Ik wil per se stemmen, maar weet niet waarop

Verkiezingsbord Utrecht voor gemeenteraadsverkiezingen op 16 maart 2022. Bron: Oostkrant.

Stel je bent een links-liberale, secularistische vrijdenker, woont in Utrecht en wilt bij de gemeenteraadsverkiezingen stemmen volgens je overtuiging. Ook om radicaal-rechtse partijen als PVV en BVNL, een extreem-rechtse partij als FvD, een radicaal-linkse partij als BIJ1 en varianten van de SP, een dwaallichtpartij als de Piratenpartij waar ik enkele jaren lid van was en religieuze partijen als CDA, Christen-Unie en DENK de pas af te snijden.

Dat is keuze die je maakt als je de overtuiging wilt volgen die geen radicalisme, populisme en godsdienst in de politiek toelaat.

Hopeloos.

Het lukt niet om zo’n partij te vinden. Partijen die op het eerste gezicht in aanmerking komen vallen af. D66 in Utrecht is te populistisch rechts en heeft zich afgelopen jaren geprofileerd met terrassen voor de Horeca, GroenLinks te populistisch links en wereldvreemd en VOLT kan niet eens de eigen partij organiseren, laat staan dat aan zo’n partij het bestuur van de vierde stad van Nederland toevertrouwd kan worden.

Ik wil per se stemmen, maar weet niet waarop.

Dat is wat anders dan het idee dat een politieke partij als een handschoen moet passen bij de eigen overtuiging. Dat idee heb ik al sinds het einde van de jaren 1990 losgelaten toen ik me bij geen enkele partij meer ‘natuurlijk’ thuis voelde om daar blindelings op te stemmen.

Stemmen was dus altijd al water bij de wijn doen. Maar nu zie ik alleen maar water met een druppeltje wijn erin. De politiek is verregaand verwaterd.

Politieke partijen leveren niet wat ik van hen verwacht. Bij lange na niet. Zelfs niet als ik mijn verwachtingen nog een extra naar beneden bijstel en mijn duim leg over grote delen van het programma waar ik me niet in kan vinden voldoen de partijen nog niet aan de toch al verlaagde norm die ik aan een volwassen politieke partij stel.

Hoe komt dat? Marketing en populisme zijn niet nieuw, maar lijken opnieuw in de strijd om de kiezer terrein te hebben gewonnen. Haak ik daarom af?

Ben ik te kritisch en verwacht ik te veel van de partijpolitiek? ‘Wie luistert, weet meer‘ is een slogan van de radiozenders van de Publieke Omroep. Maar wat als wie meer weet tot de slotsom komt dat geen enkele politieke partij nog voldoet om op te stemmen? Dan verkeert de slogan in het tegendeel ‘Wie luistert, weet minder’.

Op 16 maart 2022 zijn de gemeenteraadsverkiezingen. In Utrecht kan ik op 20 partijen stemmen.

Dat lijkt weelde, maar is armoede. Vergelijkbaar met een supermarkt waar kwantiteit en keuze van producten gaat voor kwaliteit. Lokale partijpolitiek is verworden tot een buurtsuper waar de producten over de datum zijn, de prijzen te hoog, het assortiment te beperkt en de korte keten tussen kiezer en partij niet grondt in lokale traditie, maar overspoeld wordt door landelijke en globale mode.

Ik kom er niet uit. Ik zit gevangen in het beeld van te hoge verwachtingen en te lage verrichtingen van de lokale politiek. Ik kom er niet uit.

Op weg naar een optimaal beleid over bedelen in de grote steden. Met Utrecht als voorbeeld

Schermafbeelding van deel artikelMoet bedelen in Utrecht verboden worden?‘ in de DUIC, 7 februari 2022.

DUIC besteedt in een artikel aandacht aan het debat over bedelen in Utrecht. De vraag of bedelen verboden moet worden stond vorige week dinsdagavond centraal tijdens een bijeenkomst van hulporganisaties, ondernemers en de politiek, zo zegt het. De conclusie volgens DUIC is dat er een flink verschil van inzicht bestaat. Dat lijkt voorspelbaar vanwege de uiteenlopende belangen van de deelnemers aan het debat. Bedelen is geen louter Utrechts probleem, maar komt in alle grote Nederlandse steden voor.

Het is de vraag of de vraag of bedelen verboden moet worden in een debat over bedelen wel een zinvolle vraag is die het terugdringen van vooral hinderlijk en georganiseerd bedelen optimaal benadert. En oplost. Daar heb ik mijn twijfels over. De vraag over een verbod is richtinggevend en neemt een ongepast voorschot op het antwoord. Men kan zich alleen maar afvragen om welke reden de organisatoren van dit debat de verbodsvraag centraal hebben gesteld.

De eigenlijke vraag die in zo’n debat centraal zou moeten staan is wat het beste beleid over bedelen behoort te zien. Ook gezien de beperkte capaciteit van gemeentelijke diensten als de politie die overvraagd worden om overal op te treden. Wat is een redelijk beleid waarmee zowel individuele bedelaars, ondernemers, inwoners als de gemeente Utrecht kunnen leven?

Achter die vraag ligt de vraag of het hier gaat om een sociaal-economisch of sociaal-cultureel probleem. Ofwel, draait dit debat om armoedebestrijding, inkomenszekerheid en de verzorgingsstaat of om identiteit, gemeenschapsdenken, culturele homogeniteit en nationalisme? Bij genoemd artikel in DUIC heb ik onderstaande reactie geplaatst:

Een Oost-Europese bedelaar op het Vredenburg‘, in DUIC, 11 juli 2016.

Bedelen moet kunnen. Vooral door individuen. Maar als er sprake is van georganiseerde bendes lijkt dat iets anders. 

Het artikel geeft daarover geen duidelijkheid als het spreekt over ‘vermeende’ bendes. Wat bedoelt de journalist van de DUIC hiermee te zeggen? Bestaan de bendes nou wel of niet? 

Die onduidelijkheid verhindert een aanpak. De politie dient de georganiseerde bendes bedelaars die in Utrecht opereren in kaart te brengen. Dan kan daar vervolgens beleid voor gemaakt worden. Nu vaart de politiek blind op aannames en geruchten. 

Er is een verschil tussen ‘georganiseerde’ bendes en ‘buitenlandse’ bendes. Als die laatsten bestaat uit bedelaars uit een EU-lidstaat, zoals Bulgarije, Tsjechië of Roemenië, dan hebben ze het recht om onder voorwaarden in Nederland te verblijven. Bendes met bedelaars van buiten de EU kunnen juridisch makkelijker uitgezet worden. 

Het gevaar bestaat dat door uit te gaan van de gedachte ‘eigen bedelaars eerst’ een rangorde wordt aangebracht in het soort bedelaars. Gesteld dat ze niet in bende-verband opereren. Die rangorde is een valse tegenstelling die eerder gebaseerd is op populisme en nationalisme, dan op de wet en de medemenselijkheid. 

Als in Utrecht na onderzoek werkelijk een structureel probleem met georganiseerde bendes bedelaars bestaat, dan moet de politiek beslissen of het daar iets aan wil doen. 

Politiek, juridisch, maatschappelijk en politionele capaciteit lijkt een verbod voor die bendes niet haalbaar. Mits ze binnen de wet handelen. Maar een beleid van ontmoediging wel. De gemeentebestuur moet het voortouw nemen hoe dat precies ingevuld wordt. 

Vanwege het waterbed-effect verdient het aanbeveling voor het Utrechtse gemeentebestuur om over dit onderwerp te overleggen met het bestuur van de omliggende gemeenten, met de drie grote steden in het G4- overleg en met landelijke diensten op het gebied van criminaliteit, grensoverschrijdend verkeer en immigratie. 

Dit is geen onderwerp dat een rol behoort te spelen in de gemeenteraadsverkiezingen. Partijen die blijkbaar niet eens de feiten op een rijtje hebben, behoren hier geen campagne mee te voeren. Deels ook omdat het geen specifiek Utrechts onderwerp is. Het voedt te makkelijk het rechts-populisme en het wij/zij-denken. Daarom moeten de lokale media terughoudend zijn in hun aandacht voor de ‘vermeende’ bendes bedelaars. 

De opdracht voor ons allen is om te zoeken naar een min of meer structurele oplossing die het optreden van de georganiseerde bendes inperkt (indien hun bestaan werkelijk wordt aangetoond) waarbij compassie, redelijkheid, en rechtvaardig en doelmatig optreden van de gemeentelijke diensten het uitgangspunt blijft. 

Prinses Nouma Hawa was in Utrecht in 1902

Op deze foto uit 1902 van Johannes Anthonius Moesman (1959-1937) zien we het Utrechtse kermisterrein op het Vredenburg. Hij was de vader van de surrealistische schilder Jopie Moesman. Interessant is de attractie met Prinses Nouma Hawa. Men kon tegen betaling haar de hand schudden. Met terugwerkende kracht is zij een wereldster. Hoewel ze in 1902 vlak voor haar grote doorbraak stond. Wat deed ze in Utrecht? Maar, wacht even, over welke Nouma Hawa gaat het?

Afbeelding van reclamemateriaal van Prinses Nouma Hawa in een artikel dat de identiteit van de twee Nouma-Hawa’s verwisselt.

Nouma Hawa werd in Nederlands publiciteitsmateriaal gepresenteerd als het levende dauwdrupje ofwel ‘de kleinste dame ter wereld’. Bronnen zeggen dat ze rond 1902 door Europa toerde en in het seizoen 1903-1904 toetrad tot de Amerikaanse show van Buffalo Bill. Ze zou tijdens een Europese toernee van Buffalo Bill geworven zijn. Ze stierf in 1909. Haar naam was Mathilda Cajdos (Hongaars: Matilda Gajdoš) en ze was geboren in het toenmalige Transsylvaans-Hongaarse Barót in het Szeklerland dat na de Eerste Wereldoorlog Roemeens werd. Vandaar de misverstanden over haar herkomst.

Foto met Prinses Nouma Hawa, artiestennaam van Matilda Gajdoš in een nieuwsbrief van december 2020 van de Lexden History Group met een item over de Buffalo Bill Wild West Show in het Engelse Colchester in september 1903.

De Zweedse versie van het Wikipedia-item ‘Mathilda Cajdos‘ (1877-1909) laat onderstaande Nouma-Hawa zien die wordt gepresenteerd als de eerste vrouwelijke dompteuse ter wereld. Ze lijkt niet de kleinste dame ter wereld. Dit item is onbetrouwbaar en slaat de plank volledig mis.

Adolph Friedländer (1851-1904) – Ruth Malhotra: Manege frei. Artisten- und Zirkusplakate von Adolph Friedländer. Dortmund 1979; S. 121 Nouma Hawa – La première dompteuse du monde. Farblithographie.

Er lopen blijkbaar twee identiteiten door elkaar heen. Prinses Nouma Hawa die in Transsylvaans Hongarije in 1877 geboren werd als Matilda Gajdoš en de dompteuse die zich Nouma-Hawa noemt. Volgens een Franse bron werd zij in 1845 als dochter van een kleermaker in de Ardèche geboren als Marie Louise Grenier en stierf ze in 1926 aan het Meer van Genève. Het is aannemelijk om te veronderstellen dat de 32 jaar oudere Marie Louise Grenier zich eerder Nouma-Hawa noemde dan Matilda Gajdoš zich prinses Nouma Hawa noemde.

Deze bron zegt terecht dat we de Franse dompteuse niet moeten verwarren met prinses Nouma Hawa die met Buffalo Bill optrad. Maar Dominique Denis gaat ook de fout in als hij zegt dat deze 82-centimeter lange Matilda Gajdoš ‘aan het begin van de 20e eeuw naar Europa is gekomen met de Buffalo Bill-tour’. Het was juist andersom, ze werd in Europa geëngageerd door kolonel William Cody, de echte naam van Buffalo Bill, en ging toen naar de VS waar ze uiteindelijk in 1909 stierf.

Het is lastig om alle feiten correct op een rij te krijgen. Het internet kan een bron van misleiding en napraterij zijn.

Gedachte bij lantaarnplaat ‘Oudegracht’ (1876-1885)

Oudegracht. Collectie: Cincinnati Museum Center History Library and Archives Collection.

Deze afbeelding van een plaat van een toverlantaarn is niet terug te vinden in de collectie van Het Utrecht Archief. Het gaat om de Utrechtse Oudegracht tussen de Bakkerbrug en de Bezembrug. Het is een prachtige scherpe foto met rechts tegen het hek een dienstmeid die zo weggelopen lijkt uit een Amsterdamse foto van Breitner. Samen met de kinderen op de werf en de passanten op straat kijken ze naar de fotograaf.

Fietsen, paarden, koetsjes en auto’s ontbreken. Er staat een handkar. De afwezigheid van vervoersmiddelen scherpt het beeld aan. Er is het spiegelend water, de werf, de huizenrij en verder niks dat afleidt. Dit beeld doet ons voelen dat ingetogenheid, soberheid en karigheid kwaliteiten zijn die we voorgoed verloren zijn. Het gaat te ver om het natuurlijkheid of onbedorvenheid te noemen, laat staan simpelheid of ongekunsteldheid, maar de overvloed ontbreekt. Het is de paradox van de ongerepte stad die idyllisch oogt.

De collectie van het Cincinatti Museum geeft geen datering bij de beschrijving. Er zijn aanwijzingen. De winkelpui van de manufacturenmagazijn van de firma G.H. van der Sandt (zie belettering ‘H. v. SA’ op zijgevel dak) is rond 1876-77 doorgetrokken naar het kleinere pand met drie ramen rechts. Verder ontbreken er bomen die op een latere foto die gedateerd wordt tussen 1890 en 1905 aanwezig zijn. De vlaggenmast op het grote gebouw links in de achtergrond, het stadhuis, die hier ontbreekt en later geplaatst is wordt op een andere foto (tevens de eerste ansichtkaart) gedateerd op 1883-1885. Rechts is voor de winkel van Van der Sandt een gietijzeren lantaarn zichtbaar die in 1875 werd geplaatst. De datering kan met enkele slagen om de arm vastgesteld worden op 1876-1885.

Hoeveel interessante foto’s en ander beelddragers van laat-19de eeuwse Nederlandse stadsgezichten zitten er in internationale archieven die ontbreken in plaatselijke archieven? Al is het in digitale vorm voor de geschiedschrijving. Die vraag roept deze afbeelding van Utrecht op.

Interessant is wat Marieke Lenferink in de MasterscriptieDe historische winkelpui in Utrecht, 1850-2010. Ontwikkeling, betekenis en huidig beleid‘ (2010) zegt over de ontwikkelen van het winkelen en de opkomst van het warenhuis in Utrecht. Winkelen als vrijetijdsbesteding ontstond in Den Haag in de tweede helft van de 19de eeuw en in Utrecht waarschijnlijk iets later. Deze plaat lijkt op dat kantelpunt genomen te zijn. Winkels en warenhuizen zijn in opkomst, maar daartussen zijn nog woonhuizen. De winkels bepalen het uiterlijk van de binnenstad nog niet zoals nu.

Het plat vlak krijgt diepte. We vullen gaten in om het met een mooi verhaal rond te maken. Toverlantaarn is een prachtig Nederlands woord dat duidelijk maakt wat er toe doet: verrukken, bekoren, meeslepen en belangstelling opwekken. Dat komt samen in deze lantaarnplaat. Althans voor mij.

Kritiek op verwijdering van werk van Peter Struycken in Centraal Museum. Pleidooi voor compensatie

De reportage van Claas Hille voor Kunstforum Utrecht gaat ook over de integriteit van de besluitvorming over kunst in de openbare ruimte. Daar zet hij naar mijn idee terecht en op een overtuigende wijze vragen bij. Dat raakt aan het al vaker geconstateerde feit dat vele besturen of commissies ed. in de kunstsector kwalitatief ondermaats zijn en procedures niet respecteren.

Over de verwijdering van het werk van Peter Struycken in het Centraal Museum (CM) heb ik gemengde gevoelens. Vanaf het begin toen het in 1987 aan de muur van de stallen geplaatst werd heb ik het een slecht werk gevonden. Ik had liever gezien dat het er niet geplaatst werd omdat ik niet vond dat het iets aan de omgeving, de stallen of de tuin toevoegde. Er zelfs afbreuk aan deed omdat het er niet bij aansloot en de sfeer van de omgeving niet goed ‘las’.

Tegen de buitengevel is een kleurig patroon van geometrische platen van Peter Struycken gezet‘. In: De Architect (1987).

Ik vond het werk niet goed, niet mooi en te veel geknutsel. Niet monumentaal, maar voorbijgaand. Zo buitenissig is het dus niet dat het verwijderd is.

Maar de procedure over de verwijdering van Struyckens werk in het CM in de commissie ABKV en de communicatie naar de kunstenaar door het CM is beschamend. Het is een graad erger dan het niet verdienen van de schoonheidsprijs.

Zo behoort men niet met kunstenaars om te gaan. Vooral een kunstmuseum niet. Een museumdirecteur behoort kunstenaars in de watten te leggen en alle moeite te doen om ze tegemoet te komen. Daar is een kunstmuseum voor bedoeld. Die omgang behoort in het DNA van een kunstmuseum te zitten. Anders begrijpt een directie niet waarmee het bezig is.

Een historische complicatie is overigens dat de constructie in 1987 in opdracht van de gemeente Utrecht is aangebracht. Sinds 2013 is het CM verzelfstandigd en geen dienst van de gemeente Utrecht meer. Het is de vraag of hiermee de bevoegdheid van de opdrachtgever volledig is verdwenen en of deze geraadpleegd is bij de verwijdering.

Reliëf geeft de verbouwing van de voormalige stallen inclusief een aula door architect Mart van Schijndel die zich bij een dreigende renovatie of sloop hiervan beriep op zijn intellectueel eigendom. Dat leidde tot een rechtszaak die Van Schijndel verloor. In de aula is overigens ook een werk van Rob Scholte geïntegreerd. Wat is het verschil tussen een architect en een monumentaal kunstenaar die in de openbare ruimte werkt in het beroep doen op dat intellectueel eigendom? Ofwel, wat was de juridische positie van Struycken volgens Artikel 25 van de Auteurswet?

Het CM heeft iets goed te maken. Ik ben van mening dat Bart Rutten, de huidige artistieke directeur van het CM in actie moet komen voor wat zijn instelling Peter Struycken heeft aangedaan.

Dit alles is voor Ruttens tijd gebeurd en hij is door deze kwestie niet belast en kan dus zonder last en ruggespraak handelen.

Het is ongewenst en ongelukkig dat een gerespecteerd museum in de communicatie met zowel een kunstenaar als een commissie als de ABKV aantoonbare leugens verkoopt. Ook dat moet in de beeldvorming hersteld worden. Zeker nu het eenmaal op straat ligt. Struycken dient op enigerlei wijze door het CM tegemoet gekomen te worden. Hoe, dat kunnen Rutten en Struycken in onderling overleg overeenkomen. Liefst zo snel mogelijk.

Utrechtse motie die BOA’s dragen hoofddoek toestaat is ongewenst en heeft ongewenste effecten. Straks kunnen ze het pastavergiet van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster dragen

Schermafbeelding van de op 11 november 2021 aangenomen Motie 399Een inclusief uniform bij Toezicht en Handhaving‘ van de Utrechtse gemeenteraad.

Update 11 maart 2022: Transport Online laat in een bericht weten: ‘Ook buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) in dienst moeten er neutraal uitzien, vindt minister Dilan Yeşilgöz. Daarom komt zij met een richtlijn waar boa’s zich aan moeten houden. In de praktijk betekent het dat boa’s in dienst bijvoorbeeld geen keppel, kruis of hoofddoek meer dragen.’ Dat is een gewenste ontwikkeling omdat het de neutraliteit van de overheid bevestigt en een tik op de vingers geeft van gemeenteraden die daar iets te lichtzinnig aan voorbijgingen.

Op donderdag 11 november 2021 werd in de Utrechtse gemeenteraad Motie 399Een inclusief uniform bij Toezicht en Handhaving‘ aangenomen. Het gaat over het toestaan van godsdienstige uitingen van BOA’s. De motie werd ingediend door DENK (2), Student & Starter (2) en PvdD (2) en ondersteund door CDA (2), een lid van CU (1), D66 (10), GL (10), PvdA (3) en SP (2). Tegen stemden een lid van CU (1), PVV (1), Stadsbelang (1) en VVD (6).

De motie gaat over het toestaan van godsdienstige uitingen van BOA’s, zoals hoofddoekjes. Dat wordt in de motie op twee manieren verbreed en verhuld door ook ‘levensbeschouwelijke’ uitingen te noemen en een keppel als godsdienstige uiting te presenteren. De motie maakt niet duidelijk wat een en ander in de praktijk betekent. Uit de toelichtingen bij de motie blijkt dat het om de hoofddoek gaat. Andere uitingen worden er aan de haren bijgesleept.

Hoe breed de strekking van de motie is maakt een voorbeeld duidelijk. Een gevolg ervan is dat BOA’s die lid of sympathisant zijn van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster en volgens de richtlijnen van deze godsdienst of levensovertuiging worden geacht een pastavergiet te dragen voortaan in BOA-uniform met pastavergiet hun rondje over de Oudegracht of de Neude kunnen doen. De Kerk wijst daar in een bericht op de eigen site op. Het is anders dan dit bericht suggereert, want in de emancipatiestrijd die deze Kerk voert hoeft het niet eens als godsdienst erkend te worden omdat de motie ook levensbeschouwelijke uitingen betreft. Daar valt het pastavergiet stellig onder.

Schermafbeelding van deel berichtBOA’s mogen eindelijk het vergiet dragen!‘ op de site van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster

Als de motie wordt uitgevoerd en meer is dan een vehikel van DENK om de eigen islamitische achterban te bedienen (waar partijen als D66 en GL in zijn meegegaan), dan kondigt zich de volgende strijd al aan. Want dan kan aan leden van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster niet geweigerd worden om een pastavergiet bij hun BOA-uniform te dragen. Gesteld dat er Utrechtse BOA’s zijn die deze godsdienst belijden.

Dan treedt mogelijk de fase in van de reparatie van deze motie door het formuleren van een nieuwe praktische begrenzing die afstand neemt van de theorie in deze motie. Wordt dan de hoofddoek wel toegestaan en het pastavergiet niet? Dan wordt de rechtsongelijkheid niet bestreden, maar juist bevorderd. Dat kan niet de opzet van deze motie zijn. Het kan een interessante strijd opleveren tussen vrijzinnige en godsdienstige partijen in de Utrechtse raad.

Als de motie wordt uitgevoerd is de kans dus groot dat Utrecht er straks een toeristische attractie bij heeft: handhavers en toezichthouders van de gemeente Utrecht in uniform met een pastavergiet op het hoofd. Utrecht wordt één groot fotomoment. Wie weet wat voor uitingen andere godsdiensten en levensovertuigingen nog in petto hebben die het BOA-uniform ongewild kunnen opfleuren. De internationale pers zal er vermoedelijk ruime aandacht aan besteden. In de stad van Erich Wichman, Joop Moesman, Pyke Koch, Gerrit Rietveld en Dick Bruna herleeft het vooroorlogse surrealisme. Niet in de kroeg of in de kunsthandel, maar op straten en pleinen.

Hoewel ik de waarschijnlijk onbedoelde handreiking waardeer die deze motie doet naar de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster betreur ik het toch dat de motie is aangenomen en acht dat onverstandig. De onderbouwing ervan komt op mij mager en theoretisch over en komt niet verder dan te wijzen op de wenselijkheid van een beleid inzake diversiteit en inclusie. Dat is begrijpelijk in een tijd waarin identiteitspolitiek universiteiten, media en politiek overspoelt, maar als de praktische gevolgen niet zijn uitgewerkt of goed doordacht schiet dat toch tekort en lijkt in Utrecht de waan van de dag te regeren.

Mijn grootste bezwaar ertegen is dat vertegenwoordigers die in naam van de overheid optreden en die overheid representeren een neutrale opstelling dienen te hebben. Dat geldt vooral de zichtbare handhaving op straat. Voor kantoorbanen van overheidsbeambten die niet in contact komen met publiek geldt een andere afweging omdat de symboolfunctie van een neutrale opstelling niet aan de orde is. Opleggen van neutraliteit is de aanvaarde beperking die de staat kan toepassen om grenzen te stellen aan grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst. Die beperking met het oog op het algemeen belang wordt doorkruist in deze motie waar tuchteloos individualisme, ik kan het niet anders zien, in te herkennen valt.

De paradox van de motie is dat met een beroep op de rechten van het individu niet de gemeenschap, maar het individualisme van een zich emanciperende gemeenschap de focus is. Dat is ongewenst omdat daarmee het individu boven de overheid wordt geplaatst. Notabene met toestemming van partijen als CDA, D66, PvdA en GL. Zo verkruimelt het gezag. De Nationale BOA Bond formuleert in een tweet hetzelfde bezwaar tegen de Utrechtse motie:

Tweet van de Nederlandse BOA Bond, 13 november 2021.

Gedachten bij twee foto’s van Utrecht Overvecht (1966-1969)

L.H. Hofland, ‘Afbeelding van de leden van de bejaardensociëteit Vulcanusdreef te Utrecht, tijdens het instappen in twee van de drie autobussen voor een dagtochtje naar de Westerbouwing, Didam en Renswoude‘, 1966. Collectie: Het Utrechts Archief.

Het verleden is een vreemd continent met rare verschijningsvormen en gewoonten. Zo was het me ontschoten dat DAF ook autobussen maakte. Maar deze foto uit 1966 die is opgenomen in de collectie van Het Utrechts Archief geeft het bewijs.

Bejaarden uit de uitbreidingswijk -met veel hoogbouw- Overvecht waarvan de bouw pas in 1961 officieel van start was gegaan staan in de rij. Of liever gezegd, ze drommen wat ongeorganiseerd voor de ingang van de bus. De indruk is dat er goed gezorgd wordt voor degenen die Nederland hebben helpen opbouwen die nu kunnen genieten van een welverdiende oude dag. De foto toont dat er nog volop gebouwd wordt. Op de achtergrond staan bouwketen. Het bejaardenhuis aan de Vulcanusdreef bestaat inmiddels niet meer.

De toelichting verklaart wat het doel is: ‘tijdens het instappen in twee van de drie autobussen voor een dagtochtje naar de Westerbouwing, Didam en Renswoude‘. Mogelijk om in Gelderland een uitspanning, een markthal en een kasteel te bezoeken. Een uitstapje door in te stappen, de Nederlandse taal is trefzeker, maar soms verwarrend.

L.H. Hofland, ‘Afbeelding van het publiek tijdens de “instuif” ter gelegenheid van de officiële opening van het Winkelcentrum Overvecht (Roelantdreef) te Utrecht‘, 1969. Collectie: Het Utrechts Archief.

Pas in 1969 werd het Winkelcentrum Overvecht geopend. Het hart van de nieuwbouwwijk. Je zou kunnen zeggen dat het op 2 september 1969 tamelijk druk was voor een dinsdag. Het werd een ‘instuif’ genoemd. Dat doet denken aan een jongerensoos. In die tijd was ‘Stuif es in‘ met Ria Bremer een populair kinderprogramma.

Men komt kijken, is overdonderd en geeft ogen de kost. De voorspoed zit opgesloten in verlichte etalages. Het witte publiek met jongens en mannen netjes in het pak met overhemd en stropdas oogt onherkenbaar. Alleen voor het maken van een periodefilm over de jaren 1960 zou je ze nog voor de camera krijgen. Toen nam de welvaart snel toe. Lonen stegen door de krapte op de arbeidsmarkt.

Winkels lonkten en alles zou beter worden. Alles werd beter, maar ook slechter. Dat is de wonderspreuk van de vooruitgang. De beeldspraak van een nieuwbouwwijk met vele kanten die elkaar in de tijd overlappen: opkomst en verscheiden, groei en sterven.

Gedachte bij foto ‘Kermis op het Vreeburg Utrecht, Nederland 1914. De moderne lucht-torpedo in volle vaart gekiekt’

Kermis op het Vreeburg Utrecht, Nederland 1914. De moderne lucht-torpedo in volle vaart gekiekt. Collectie: Fotocollectie Het Leven (1906-1941).

Deze foto uit 1914 van persfotograaf Kees (C.J.) Hofker is niet heel bijzonder. Een doorsnee foto van een doorsnee attractie op een kermis. Hier op een centraal plein in Utrecht.

Maar dat lijkt bij nader inzien toch anders te liggen. Of in elk geval suggereert de titel anders. ‘De moderne lucht-torpedo in volle vaart gekiekt‘ doet vermoeden dat hier iets bijzonders te zien is.

Er is altijd iets geks aan de hand met het begrip ‘modern’ omdat het betrekkelijk is. Het wordt achterhaald door de tijd. Modern is nieuwerwets of hedendaags in de eigen tijd, maar als die tijd meer dan 100 jaar achter ons ligt, dan is het hedendaags van toen nu niet hedendaags meer, maar ouderwets.

Toch is ook dat relatief, want met de ogen van toen kunnen we ons best voorstellen wat er toen modern was aan de lucht-torpedo. Zet het af tegen een houten paard of koets en de lucht-torpedo oogt ook nu nog modern.

Vooral als we ons voorstellen wat er in 1914 en later nog aan torpedo’s zouden ontploffen. In de zeeën van de Eerste Wereldoorlog. Want dat was de eerste moderne oorlog die met moderne middelen werd uitgevochten. Inclusief de torpedo.

Een synoniemenwoordenboek geeft de volgende betekenis voor torpedo: ‘sigaarvormig ontplofbaar projectiel, dat onder water gelanceerd wordt‘. Onderstaande foto toont iets anders, maar het idee is duidelijk. De lucht-torpedo was in 1914 actueel en een kanalisatie én tempering van het wapengekletter dat aan het neutrale Nederland voorbij zou gaan. Dat had Kees Hofker goed gezien. Op een gepacificeerd Utrechts plein dat niet toevallig de naam Vredenburg draagt.

Matrosen am Torpedorohr auf einem Torpedoboot (1915-1918). Collectie: Bundesarchiv.

De ‘Angela S. and Gerit J. Bussemaker photograph albums, 1923-1966’ 

Angela Bussemaker with relatives on a shopping trip, Utrecht, Netherlands, 1950‘. Collectie: University of Washington Libraries, Special Collections.

De ‘gevonden fotografie’ van Erik Kessels heeft mede onze blik opgerekt en wellicht geconditioneerd voor gevonden foto’s van anonieme fotografen. Doorgaans albums met vakantiekiekjes op rommelmarkten die de tragiek van afgeronde levens tonen.

Het Centraal Museum toonde in 2006 Kessels tentoonstellingLoving Your Pictures‘. De toelichting zegt dat de oorspronkelijke makers deze foto’s nooit als ‘kunstwerken’ hadden bedoeld. Het museum durft zelfs te beweren dat ze door Kessels ‘een volledig nieuwe betekenis’ hebben gekregen vanwege de ‘bijzondere vormgeving’ van de expositie. Dat was toen ook de kritiek erop, namelijk dat de vormgeving voor de inhoud ging staan en deze wegdrukte.

Found footage is een subgenre dat een verhaal vertelt aan de hand van gevonden materiaal of materiaal dat als zodanig gepresenteerd wordt. In Nederland werd de film ‘Lyrisch Nitraat‘ (1991) van Peter Delpeut gestructureerd rond ‘gevonden’ filmfragmenten. Die film was toen in Nederland invloedrijk en heeft ongetwijfeld andere makers beïnvloed.

De University of Washington Libraries, Special Collections in de staat Washington bevat de Angela S. and Gerit J. Bussemaker photograph albums, 1923-1966 waarin bovenstaande foto in is opgenomen. Ze hebben een hoog Kessels-gehalte. De albums vertellen het verhaal van een internationaal leven over grenzen heen. Ontheemde personen die uiteindelijk hun plek vinden. Een deel van de 195 foto’s is gedigitaliseerd. De albums zijn in 2006 geschonken aan de bibliotheek.

Het draait om Angela Saturnia en de Nederlandse Gerrit Jan (Johnny) Bussemaker die in 1912 waarschijnlijk in Hengelo werd geboren en in Enschede en Rotterdam opgroeide. Zijn ouders overleden vermoedelijk allebei op 3 mei 1925 en Gerrit werd door zijn oom en tante in huis genomen. De bibliotheek geeft overigens 1924 als datum van overlijden van Gerrits moeder. Over Angela Saturnia worden weinig details gegeven, behalve dat ze op 1 februari 1922 in Litouwen werd geboren en in 2004 in Seattle overleed. Haar naam klinkt Italiaans.

In de documentatie wordt Gerrit steevast ‘Gerit’ genoemd. Het stel trouwde in 1946 en ze waren ‘Displaced Persons‘, waarschijnlijk vluchtelingen of ‘uitgebombardeerd’ en op zoek naar nieuw onderdak? Gerrit werkte voor het Amerikaanse leger in Duitsland, ze toerden vlak na de oorlog door Europa en emigreerden in 1952 naar Washington state. Na 1948 nam de VS dit soort mensen op. Ze reisden ook veel door de VS. Gerrit overleed in 1966.

Bij de titel ‘Johnny’s aunt and uncle with Angela‘ van bovenstaande foto staat beschreven: ‘Holland–Utrecht–1950–Johnny’s Aunt & Uncle & I came from Zeist for dinner & shopping‘. Of dat de oom en tante waren waarbij Gerrit is opgegroeid is onduidelijk. Het is goed denkbaar.

Angela Bussemaker outside of the Cliff House, San Francisco, California, approximately 1956‘. Collectie: University of Washington Libraries, Special Collections.