Prinses Nouma Hawa was in Utrecht in 1902

Op deze foto uit 1902 van Johannes Anthonius Moesman (1959-1937) zien we het Utrechtse kermisterrein op het Vredenburg. Hij was de vader van de surrealistische schilder Jopie Moesman. Interessant is de attractie met Prinses Nouma Hawa. Men kon tegen betaling haar de hand schudden. Met terugwerkende kracht is zij een wereldster. Hoewel ze in 1902 vlak voor haar grote doorbraak stond. Wat deed ze in Utrecht? Maar, wacht even, over welke Nouma Hawa gaat het?

Afbeelding van reclamemateriaal van Prinses Nouma Hawa in een artikel dat de identiteit van de twee Nouma-Hawa’s verwisselt.

Nouma Hawa werd in Nederlands publiciteitsmateriaal gepresenteerd als het levende dauwdrupje ofwel ‘de kleinste dame ter wereld’. Bronnen zeggen dat ze rond 1902 door Europa toerde en in het seizoen 1903-1904 toetrad tot de Amerikaanse show van Buffalo Bill. Ze zou tijdens een Europese toernee van Buffalo Bill geworven zijn. Ze stierf in 1909. Haar naam was Mathilda Cajdos (Hongaars: Matilda Gajdoš) en ze was geboren in het toenmalige Transsylvaans-Hongaarse Barót in het Szeklerland dat na de Eerste Wereldoorlog Roemeens werd. Vandaar de misverstanden over haar herkomst.

Foto met Prinses Nouma Hawa, artiestennaam van Matilda Gajdoš in een nieuwsbrief van december 2020 van de Lexden History Group met een item over de Buffalo Bill Wild West Show in het Engelse Colchester in september 1903.

De Zweedse versie van het Wikipedia-item ‘Mathilda Cajdos‘ (1877-1909) laat onderstaande Nouma-Hawa zien die wordt gepresenteerd als de eerste vrouwelijke dompteuse ter wereld. Ze lijkt niet de kleinste dame ter wereld. Dit item is onbetrouwbaar en slaat de plank volledig mis.

Adolph Friedländer (1851-1904) – Ruth Malhotra: Manege frei. Artisten- und Zirkusplakate von Adolph Friedländer. Dortmund 1979; S. 121 Nouma Hawa – La première dompteuse du monde. Farblithographie.

Er lopen blijkbaar twee identiteiten door elkaar heen. Prinses Nouma Hawa die in Transsylvaans Hongarije in 1877 geboren werd als Matilda Gajdoš en de dompteuse die zich Nouma-Hawa noemt. Volgens een Franse bron werd zij in 1845 als dochter van een kleermaker in de Ardèche geboren als Marie Louise Grenier en stierf ze in 1926 aan het Meer van Genève. Het is aannemelijk om te veronderstellen dat de 32 jaar oudere Marie Louise Grenier zich eerder Nouma-Hawa noemde dan Matilda Gajdoš zich prinses Nouma Hawa noemde.

Deze bron zegt terecht dat we de Franse dompteuse niet moeten verwarren met prinses Nouma Hawa die met Buffalo Bill optrad. Maar Dominique Denis gaat ook de fout in als hij zegt dat deze 82-centimeter lange Matilda Gajdoš ‘aan het begin van de 20e eeuw naar Europa is gekomen met de Buffalo Bill-tour’. Het was juist andersom, ze werd in Europa geëngageerd door kolonel William Cody, de echte naam van Buffalo Bill, en ging toen naar de VS waar ze uiteindelijk in 1909 stierf.

Het is lastig om alle feiten correct op een rij te krijgen. Het internet kan een bron van misleiding en napraterij zijn.

Gedachte bij lantaarnplaat ‘Oudegracht’ (1876-1885)

Oudegracht. Collectie: Cincinnati Museum Center History Library and Archives Collection.

Deze afbeelding van een plaat van een toverlantaarn is niet terug te vinden in de collectie van Het Utrecht Archief. Het gaat om de Utrechtse Oudegracht tussen de Bakkerbrug en de Bezembrug. Het is een prachtige scherpe foto met rechts tegen het hek een dienstmeid die zo weggelopen lijkt uit een Amsterdamse foto van Breitner. Samen met de kinderen op de werf en de passanten op straat kijken ze naar de fotograaf.

Fietsen, paarden, koetsjes en auto’s ontbreken. Er staat een handkar. De afwezigheid van vervoersmiddelen scherpt het beeld aan. Er is het spiegelend water, de werf, de huizenrij en verder niks dat afleidt. Dit beeld doet ons voelen dat ingetogenheid, soberheid en karigheid kwaliteiten zijn die we voorgoed verloren zijn. Het gaat te ver om het natuurlijkheid of onbedorvenheid te noemen, laat staan simpelheid of ongekunsteldheid, maar de overvloed ontbreekt. Het is de paradox van de ongerepte stad die idyllisch oogt.

De collectie van het Cincinatti Museum geeft geen datering bij de beschrijving. Er zijn aanwijzingen. De winkelpui van de manufacturenmagazijn van de firma G.H. van der Sandt (zie belettering ‘H. v. SA’ op zijgevel dak) is rond 1876-77 doorgetrokken naar het kleinere pand met drie ramen rechts. Verder ontbreken er bomen die op een latere foto die gedateerd wordt tussen 1890 en 1905 aanwezig zijn. De vlaggenmast op het grote gebouw links in de achtergrond, het stadhuis, die hier ontbreekt en later geplaatst is wordt op een andere foto (tevens de eerste ansichtkaart) gedateerd op 1883-1885. Rechts is voor de winkel van Van der Sandt een gietijzeren lantaarn zichtbaar die in 1875 werd geplaatst. De datering kan met enkele slagen om de arm vastgesteld worden op 1876-1885.

Hoeveel interessante foto’s en ander beelddragers van laat-19de eeuwse Nederlandse stadsgezichten zitten er in internationale archieven die ontbreken in plaatselijke archieven? Al is het in digitale vorm voor de geschiedschrijving. Die vraag roept deze afbeelding van Utrecht op.

Interessant is wat Marieke Lenferink in de MasterscriptieDe historische winkelpui in Utrecht, 1850-2010. Ontwikkeling, betekenis en huidig beleid‘ (2010) zegt over de ontwikkelen van het winkelen en de opkomst van het warenhuis in Utrecht. Winkelen als vrijetijdsbesteding ontstond in Den Haag in de tweede helft van de 19de eeuw en in Utrecht waarschijnlijk iets later. Deze plaat lijkt op dat kantelpunt genomen te zijn. Winkels en warenhuizen zijn in opkomst, maar daartussen zijn nog woonhuizen. De winkels bepalen het uiterlijk van de binnenstad nog niet zoals nu.

Het plat vlak krijgt diepte. We vullen gaten in om het met een mooi verhaal rond te maken. Toverlantaarn is een prachtig Nederlands woord dat duidelijk maakt wat er toe doet: verrukken, bekoren, meeslepen en belangstelling opwekken. Dat komt samen in deze lantaarnplaat. Althans voor mij.

Kritiek op verwijdering van werk van Peter Struycken in Centraal Museum. Pleidooi voor compensatie

De reportage van Claas Hille voor Kunstforum Utrecht gaat ook over de integriteit van de besluitvorming over kunst in de openbare ruimte. Daar zet hij naar mijn idee terecht en op een overtuigende wijze vragen bij. Dat raakt aan het al vaker geconstateerde feit dat vele besturen of commissies ed. in de kunstsector kwalitatief ondermaats zijn en procedures niet respecteren.

Over de verwijdering van het werk van Peter Struycken in het Centraal Museum (CM) heb ik gemengde gevoelens. Vanaf het begin toen het in 1987 aan de muur van de stallen geplaatst werd heb ik het een slecht werk gevonden. Ik had liever gezien dat het er niet geplaatst werd omdat ik niet vond dat het iets aan de omgeving, de stallen of de tuin toevoegde. Er zelfs afbreuk aan deed omdat het er niet bij aansloot en de sfeer van de omgeving niet goed ‘las’.

Tegen de buitengevel is een kleurig patroon van geometrische platen van Peter Struycken gezet‘. In: De Architect (1987).

Ik vond het werk niet goed, niet mooi en te veel geknutsel. Niet monumentaal, maar voorbijgaand. Zo buitenissig is het dus niet dat het verwijderd is.

Maar de procedure over de verwijdering van Struyckens werk in het CM in de commissie ABKV en de communicatie naar de kunstenaar door het CM is beschamend. Het is een graad erger dan het niet verdienen van de schoonheidsprijs.

Zo behoort men niet met kunstenaars om te gaan. Vooral een kunstmuseum niet. Een museumdirecteur behoort kunstenaars in de watten te leggen en alle moeite te doen om ze tegemoet te komen. Daar is een kunstmuseum voor bedoeld. Die omgang behoort in het DNA van een kunstmuseum te zitten. Anders begrijpt een directie niet waarmee het bezig is.

Een historische complicatie is overigens dat de constructie in 1987 in opdracht van de gemeente Utrecht is aangebracht. Sinds 2013 is het CM verzelfstandigd en geen dienst van de gemeente Utrecht meer. Het is de vraag of hiermee de bevoegdheid van de opdrachtgever volledig is verdwenen en of deze geraadpleegd is bij de verwijdering.

Reliëf geeft de verbouwing van de voormalige stallen inclusief een aula door architect Mart van Schijndel die zich bij een dreigende renovatie of sloop hiervan beriep op zijn intellectueel eigendom. Dat leidde tot een rechtszaak die Van Schijndel verloor. In de aula is overigens ook een werk van Rob Scholte geïntegreerd. Wat is het verschil tussen een architect en een monumentaal kunstenaar die in de openbare ruimte werkt in het beroep doen op dat intellectueel eigendom? Ofwel, wat was de juridische positie van Struycken volgens Artikel 25 van de Auteurswet?

Het CM heeft iets goed te maken. Ik ben van mening dat Bart Rutten, de huidige artistieke directeur van het CM in actie moet komen voor wat zijn instelling Peter Struycken heeft aangedaan.

Dit alles is voor Ruttens tijd gebeurd en hij is door deze kwestie niet belast en kan dus zonder last en ruggespraak handelen.

Het is ongewenst en ongelukkig dat een gerespecteerd museum in de communicatie met zowel een kunstenaar als een commissie als de ABKV aantoonbare leugens verkoopt. Ook dat moet in de beeldvorming hersteld worden. Zeker nu het eenmaal op straat ligt. Struycken dient op enigerlei wijze door het CM tegemoet gekomen te worden. Hoe, dat kunnen Rutten en Struycken in onderling overleg overeenkomen. Liefst zo snel mogelijk.

Utrechtse motie die BOA’s dragen hoofddoek toestaat is ongewenst en heeft ongewenste effecten. Straks kunnen ze het pastavergiet van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster dragen

Schermafbeelding van de op 11 november 2021 aangenomen Motie 399Een inclusief uniform bij Toezicht en Handhaving‘ van de Utrechtse gemeenteraad.

Op donderdag 11 november 2021 werd in de Utrechtse gemeenteraad Motie 399Een inclusief uniform bij Toezicht en Handhaving‘ aangenomen. Het gaat over het toestaan van godsdienstige uitingen van BOA’s. De motie werd ingediend door DENK (2), Student & Starter (2) en PvdD (2) en ondersteund door CDA (2), een lid van CU (1), D66 (10), GL (10), PvdA (3) en SP (2). Tegen stemden een lid van CU (1), PVV (1), Stadsbelang (1) en VVD (6).

De motie gaat over het toestaan van godsdienstige uitingen van BOA’s, zoals hoofddoekjes. Dat wordt in de motie op twee manieren verbreed en verhuld door ook ‘levensbeschouwelijke’ uitingen te noemen en een keppel als godsdienstige uiting te presenteren. De motie maakt niet duidelijk wat een en ander in de praktijk betekent. Uit de toelichtingen bij de motie blijkt dat het om de hoofddoek gaat. Andere uitingen worden er aan de haren bijgesleept.

Hoe breed de strekking van de motie is maakt een voorbeeld duidelijk. Een gevolg ervan is dat BOA’s die lid of sympathisant zijn van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster en volgens de richtlijnen van deze godsdienst of levensovertuiging worden geacht een pastavergiet te dragen voortaan in BOA-uniform met pastavergiet hun rondje over de Oudegracht of de Neude kunnen doen. De Kerk wijst daar in een bericht op de eigen site op. Het is anders dan dit bericht suggereert, want in de emancipatiestrijd die deze Kerk voert hoeft het niet eens als godsdienst erkend te worden omdat de motie ook levensbeschouwelijke uitingen betreft. Daar valt het pastavergiet stellig onder.

Schermafbeelding van deel berichtBOA’s mogen eindelijk het vergiet dragen!‘ op de site van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster

Als de motie wordt uitgevoerd en meer is dan een vehikel van DENK om de eigen islamitische achterban te bedienen (waar partijen als D66 en GL in zijn meegegaan), dan kondigt zich de volgende strijd al aan. Want dan kan aan leden van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster niet geweigerd worden om een pastavergiet bij hun BOA-uniform te dragen. Gesteld dat er Utrechtse BOA’s zijn die deze godsdienst belijden.

Dan treedt mogelijk de fase in van de reparatie van deze motie door het formuleren van een nieuwe praktische begrenzing die afstand neemt van de theorie in deze motie. Wordt dan de hoofddoek wel toegestaan en het pastavergiet niet? Dan wordt de rechtsongelijkheid niet bestreden, maar juist bevorderd. Dat kan niet de opzet van deze motie zijn. Het kan een interessante strijd opleveren tussen vrijzinnige en godsdienstige partijen in de Utrechtse raad.

Als de motie wordt uitgevoerd is de kans dus groot dat Utrecht er straks een toeristische attractie bij heeft: handhavers en toezichthouders van de gemeente Utrecht in uniform met een pastavergiet op het hoofd. Utrecht wordt één groot fotomoment. Wie weet wat voor uitingen andere godsdiensten en levensovertuigingen nog in petto hebben die het BOA-uniform ongewild kunnen opfleuren. De internationale pers zal er vermoedelijk ruime aandacht aan besteden. In de stad van Erich Wichman, Joop Moesman, Pyke Koch, Gerrit Rietveld en Dick Bruna herleeft het vooroorlogse surrealisme. Niet in de kroeg of in de kunsthandel, maar op straten en pleinen.

Hoewel ik de waarschijnlijk onbedoelde handreiking waardeer die deze motie doet naar de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster betreur ik het toch dat de motie is aangenomen en acht dat onverstandig. De onderbouwing ervan komt op mij mager en theoretisch over en komt niet verder dan te wijzen op de wenselijkheid van een beleid inzake diversiteit en inclusie. Dat is begrijpelijk in een tijd waarin identiteitspolitiek universiteiten, media en politiek overspoelt, maar als de praktische gevolgen niet zijn uitgewerkt of goed doordacht schiet dat toch tekort en lijkt in Utrecht de waan van de dag te regeren.

Mijn grootste bezwaar ertegen is dat vertegenwoordigers die in naam van de overheid optreden en die overheid representeren een neutrale opstelling dienen te hebben. Dat geldt vooral de zichtbare handhaving op straat. Voor kantoorbanen van overheidsbeambten die niet in contact komen met publiek geldt een andere afweging omdat de symboolfunctie van een neutrale opstelling niet aan de orde is. Opleggen van neutraliteit is de aanvaarde beperking die de staat kan toepassen om grenzen te stellen aan grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst. Die beperking met het oog op het algemeen belang wordt doorkruist in deze motie waar tuchteloos individualisme, ik kan het niet anders zien, in te herkennen valt.

De paradox van de motie is dat met een beroep op de rechten van het individu niet de gemeenschap, maar het individualisme van een zich emanciperende gemeenschap de focus is. Dat is ongewenst omdat daarmee het individu boven de overheid wordt geplaatst. Notabene met toestemming van partijen als CDA, D66, PvdA en GL. Zo verkruimelt het gezag. De Nationale BOA Bond formuleert in een tweet hetzelfde bezwaar tegen de Utrechtse motie:

Tweet van de Nederlandse BOA Bond, 13 november 2021.

Gedachten bij twee foto’s van Utrecht Overvecht (1966-1969)

L.H. Hofland, ‘Afbeelding van de leden van de bejaardensociëteit Vulcanusdreef te Utrecht, tijdens het instappen in twee van de drie autobussen voor een dagtochtje naar de Westerbouwing, Didam en Renswoude‘, 1966. Collectie: Het Utrechts Archief.

Het verleden is een vreemd continent met rare verschijningsvormen en gewoonten. Zo was het me ontschoten dat DAF ook autobussen maakte. Maar deze foto uit 1966 die is opgenomen in de collectie van Het Utrechts Archief geeft het bewijs.

Bejaarden uit de uitbreidingswijk -met veel hoogbouw- Overvecht waarvan de bouw pas in 1961 officieel van start was gegaan staan in de rij. Of liever gezegd, ze drommen wat ongeorganiseerd voor de ingang van de bus. De indruk is dat er goed gezorgd wordt voor degenen die Nederland hebben helpen opbouwen die nu kunnen genieten van een welverdiende oude dag. De foto toont dat er nog volop gebouwd wordt. Op de achtergrond staan bouwketen. Het bejaardenhuis aan de Vulcanusdreef bestaat inmiddels niet meer.

De toelichting verklaart wat het doel is: ‘tijdens het instappen in twee van de drie autobussen voor een dagtochtje naar de Westerbouwing, Didam en Renswoude‘. Mogelijk om in Gelderland een uitspanning, een markthal en een kasteel te bezoeken. Een uitstapje door in te stappen, de Nederlandse taal is trefzeker, maar soms verwarrend.

L.H. Hofland, ‘Afbeelding van het publiek tijdens de “instuif” ter gelegenheid van de officiële opening van het Winkelcentrum Overvecht (Roelantdreef) te Utrecht‘, 1969. Collectie: Het Utrechts Archief.

Pas in 1969 werd het Winkelcentrum Overvecht geopend. Het hart van de nieuwbouwwijk. Je zou kunnen zeggen dat het op 2 september 1969 tamelijk druk was voor een dinsdag. Het werd een ‘instuif’ genoemd. Dat doet denken aan een jongerensoos. In die tijd was ‘Stuif es in‘ met Ria Bremer een populair kinderprogramma.

Men komt kijken, is overdonderd en geeft ogen de kost. De voorspoed zit opgesloten in verlichte etalages. Het witte publiek met jongens en mannen netjes in het pak met overhemd en stropdas oogt onherkenbaar. Alleen voor het maken van een periodefilm over de jaren 1960 zou je ze nog voor de camera krijgen. Toen nam de welvaart snel toe. Lonen stegen door de krapte op de arbeidsmarkt.

Winkels lonkten en alles zou beter worden. Alles werd beter, maar ook slechter. Dat is de wonderspreuk van de vooruitgang. De beeldspraak van een nieuwbouwwijk met vele kanten die elkaar in de tijd overlappen: opkomst en verscheiden, groei en sterven.

Gedachte bij foto ‘Kermis op het Vreeburg Utrecht, Nederland 1914. De moderne lucht-torpedo in volle vaart gekiekt’

Kermis op het Vreeburg Utrecht, Nederland 1914. De moderne lucht-torpedo in volle vaart gekiekt. Collectie: Fotocollectie Het Leven (1906-1941).

Deze foto uit 1914 van persfotograaf Kees (C.J.) Hofker is niet heel bijzonder. Een doorsnee foto van een doorsnee attractie op een kermis. Hier op een centraal plein in Utrecht.

Maar dat lijkt bij nader inzien toch anders te liggen. Of in elk geval suggereert de titel anders. ‘De moderne lucht-torpedo in volle vaart gekiekt‘ doet vermoeden dat hier iets bijzonders te zien is.

Er is altijd iets geks aan de hand met het begrip ‘modern’ omdat het betrekkelijk is. Het wordt achterhaald door de tijd. Modern is nieuwerwets of hedendaags in de eigen tijd, maar als die tijd meer dan 100 jaar achter ons ligt, dan is het hedendaags van toen nu niet hedendaags meer, maar ouderwets.

Toch is ook dat relatief, want met de ogen van toen kunnen we ons best voorstellen wat er toen modern was aan de lucht-torpedo. Zet het af tegen een houten paard of koets en de lucht-torpedo oogt ook nu nog modern.

Vooral als we ons voorstellen wat er in 1914 en later nog aan torpedo’s zouden ontploffen. In de zeeën van de Eerste Wereldoorlog. Want dat was de eerste moderne oorlog die met moderne middelen werd uitgevochten. Inclusief de torpedo.

Een synoniemenwoordenboek geeft de volgende betekenis voor torpedo: ‘sigaarvormig ontplofbaar projectiel, dat onder water gelanceerd wordt‘. Onderstaande foto toont iets anders, maar het idee is duidelijk. De lucht-torpedo was in 1914 actueel en een kanalisatie én tempering van het wapengekletter dat aan het neutrale Nederland voorbij zou gaan. Dat had Kees Hofker goed gezien. Op een gepacificeerd Utrechts plein dat niet toevallig de naam Vredenburg draagt.

Matrosen am Torpedorohr auf einem Torpedoboot (1915-1918). Collectie: Bundesarchiv.

De ‘Angela S. and Gerit J. Bussemaker photograph albums, 1923-1966’ 

Angela Bussemaker with relatives on a shopping trip, Utrecht, Netherlands, 1950‘. Collectie: University of Washington Libraries, Special Collections.

De ‘gevonden fotografie’ van Erik Kessels heeft mede onze blik opgerekt en wellicht geconditioneerd voor gevonden foto’s van anonieme fotografen. Doorgaans albums met vakantiekiekjes op rommelmarkten die de tragiek van afgeronde levens tonen.

Het Centraal Museum toonde in 2006 Kessels tentoonstellingLoving Your Pictures‘. De toelichting zegt dat de oorspronkelijke makers deze foto’s nooit als ‘kunstwerken’ hadden bedoeld. Het museum durft zelfs te beweren dat ze door Kessels ‘een volledig nieuwe betekenis’ hebben gekregen vanwege de ‘bijzondere vormgeving’ van de expositie. Dat was toen ook de kritiek erop, namelijk dat de vormgeving voor de inhoud ging staan en deze wegdrukte.

Found footage is een subgenre dat een verhaal vertelt aan de hand van gevonden materiaal of materiaal dat als zodanig gepresenteerd wordt. In Nederland werd de film ‘Lyrisch Nitraat‘ (1991) van Peter Delpeut gestructureerd rond ‘gevonden’ filmfragmenten. Die film was toen in Nederland invloedrijk en heeft ongetwijfeld andere makers beïnvloed.

De University of Washington Libraries, Special Collections in de staat Washington bevat de Angela S. and Gerit J. Bussemaker photograph albums, 1923-1966 waarin bovenstaande foto in is opgenomen. Ze hebben een hoog Kessels-gehalte. De albums vertellen het verhaal van een internationaal leven over grenzen heen. Ontheemde personen die uiteindelijk hun plek vinden. Een deel van de 195 foto’s is gedigitaliseerd. De albums zijn in 2006 geschonken aan de bibliotheek.

Het draait om Angela Saturnia en de Nederlandse Gerrit Jan (Johnny) Bussemaker die in 1912 waarschijnlijk in Hengelo werd geboren en in Enschede en Rotterdam opgroeide. Zijn ouders overleden vermoedelijk allebei op 3 mei 1925 en Gerrit werd door zijn oom en tante in huis genomen. De bibliotheek geeft overigens 1924 als datum van overlijden van Gerrits moeder. Over Angela Saturnia worden weinig details gegeven, behalve dat ze op 1 februari 1922 in Litouwen werd geboren en in 2004 in Seattle overleed. Haar naam klinkt Italiaans.

In de documentatie wordt Gerrit steevast ‘Gerit’ genoemd. Het stel trouwde in 1946 en ze waren ‘Displaced Persons‘, waarschijnlijk vluchtelingen of ‘uitgebombardeerd’ en op zoek naar nieuw onderdak? Gerrit werkte voor het Amerikaanse leger in Duitsland, ze toerden vlak na de oorlog door Europa en emigreerden in 1952 naar Washington state. Na 1948 nam de VS dit soort mensen op. Ze reisden ook veel door de VS. Gerrit overleed in 1966.

Bij de titel ‘Johnny’s aunt and uncle with Angela‘ van bovenstaande foto staat beschreven: ‘Holland–Utrecht–1950–Johnny’s Aunt & Uncle & I came from Zeist for dinner & shopping‘. Of dat de oom en tante waren waarbij Gerrit is opgegroeid is onduidelijk. Het is goed denkbaar.

Angela Bussemaker outside of the Cliff House, San Francisco, California, approximately 1956‘. Collectie: University of Washington Libraries, Special Collections.

Nu.nl maakt niet duidelijk in welke gevallen Utrecht wijzigen slavernij-achternaam zelf betaalt

Schermafbeelding van deel artikel Utrecht betaalt wijzigen achternaam met slavernijachtergrond desnoods zelf‘ van Nu.nl, 7 september 2021.

Het is een goed idee dat mensen die hun ‘slavernij-naam’ willen veranderen dat tegen ‘normale’, niet al te hoge kosten makkelijk kunnen doen. In de grote steden is daar debat over. Dat speelt tegen de achtergrond van het oplaaiende debat over slavernij, identiteit en diversiteit.

De gemeente Utrecht gaat volgens een bericht van nu.nl dat breed door andere media geciteerd wordt nog een stapje verder. Dat nieuwsmedium voert een anonieme bron namens de gemeente Utrecht op zonder te specificeren wie of wat dat is. De waarde van de uitspraak valt daarom niet te controleren omdat de naam van een woordvoerder of een gemeentelijke dienst of afdeling ontbreekt.

Nu.nl stelt dat ‘desnoods de gemeente op initiatief van de gemeenteraad de rekeningen voor de naamsverandering zelf betaalt’, zo zou de gemeente ‘zelf’ melden. Het is onduidelijk op welk initiatief van de gemeenteraad nu.nl doelt. Motie 185 vraagt uitsluitend om een verkenning om de rekening te betalen. Daarover straks meer.

Op de site van de gemeente Utrecht is over dit onderwerp de volgende motie van PvdA en DENK van 3 december 2020 te vinden die met de stemmen van ChristenUnie (2), D66 (10), GroenLinks(12), Partij voor de Vrijheid (1), SP (2), Stadsbelang Utrecht (1) en VVD (6) ruimschoots verworpen werd:

Schermafbeelding van Motie 427 ‘Ondersteun afstammelingen van tot slaaf gemaakte mensen bij hun naamsverandering’ in Utrechtse gemeenteraad, 3 december 2020.

Beide partijen pleitten ervoor om bij het Rijk te pleiten voor afschaffing van het psychische onderzoek en opperden te verkennen of de gemeente tegemoet kan komen in een deel van de kosten.

In de behandeling (klik op 19e raadsvergadering gemeenteraad 3 december 2020.doc en dan p.71) ontraadde wethouder Linda Voortman (GL) M427 ‘om financiële redenen’ en zei ze te kijken of de bijzondere bijstand een optie voor dekking zou zijn. In haar reactie zei fractievoorzitter Heleen de Boer van GL dat omdat de wethouder heeft gezegd ‘dat zij hierover in gesprek gaat’ en zij heeft uitgelegd dat zij gaat proberen een regeling te treffen voor de mensen die dat niet zelf kunnen betalen dat dat voor haar fractie voldoende was om ‘op dit moment’ tegen M427 te stemmen.

Motie 185Naamsverandering van nakomelingen van tot slaaf gemaakten‘ van juli 2021 die een doorstart van M427 is en met ruime steun werd aangenomen droeg het college op om samen met de drie grote steden bij het Rijk te pleiten ‘voor afschaffing van de kosten van een naamswijziging en voor afschaffing van het psychologisch onderzoek‘ en ‘te verkennen wat de mogelijkheden zijn om als gemeente Utrecht tegemoet te komen aan de kosten die Utrechtse nakomelingen van tot slaaf gemaakte mensen moeten maken om hun achternaam te veranderen‘.

Inhoudelijk is M185 een kopie van de eerder verworpen M427 van PvdA en DENK. Het verschil tussen beide moties is niet inhoudelijk, maar gaat over het wel of niet zwaar laten wegen van de financiële dekking. In de tweede motie M185 moet blijkbaar het toevoegen van de passage ‘afschaffing van de kosten van een naamswijziging‘ de draai voor de coalitiepartijen mogelijk maken, zodat ze niet meer gebonden zijn om die af te wijzen vanwege ontbrekende dekking. Een toezegging van het Rijk als gevolg van de onderhandelingen zou dat politiek haalbaar kunnen maken. Daarover zegt het bericht van nu.nl niets. Het is trouwens onzeker of het Rijk ooit met zo’n toezegging komt. Blijkbaar maakt dit voorschot op de toekomst de draai voor GL, D66, CDA, CU, PvdD, SP en Student & Starter mogelijk.

Uit het bericht van nu.nl wordt niet concreet hoe breed de categorie mensen is waarvoor de gemeente Utrecht de naamsverandering wil gaan betalen. Het oogt als een losse flodder of proefballonetje dat dient om druk te zetten op het Rijk. Als het gaat om de mensen die het niet zelf kunnen betalen en waarvoor een regeling wordt getroffen, dan reproduceert nu.nl het standpunt van 3 december 2020 van wethouder Voortman en fractievoorzitter De Boer. Het ‘desnoods’ in de uitspraak van de anonieme bron van de gemeente Utrecht duidt erop dat betalen door de gemeente alleen in specifieke gevallen geldt. Zoals voor mensen die het niet kunnen betalen. Maar dat wordt niet duidelijk gemaakt.

Als dit bericht van nu.nl klopt, wat de vraag is vanwege het anonieme karakter van de bron, dan valt de opstelling van het Utrechtse college en de coalitiepartijen te karakteriseren als politiek opportunisme of vertraagd inzicht. Niet alleen op het Binnenhof worden verschillen niet gemaakt door de inhoud, in Utrecht is het niet anders. De uitspraak van de anonieme bron van de gemeente Utrecht speelt op het niveau van de politieke marketing en de angst om door andere partijen overvleugeld te worden.

D66 Utrecht blijft pleiten voor meer concessies voor de horeca. In de partij der blinden is éénoog Koning

Schermafbeelding van deel artikel ‘Wethouder doet geen toezeggingen over permanente uitgebreide terrassen in Utrecht‘ in de DUIC, 3 september 2021.

Ik woon in Utrecht net buiten de binnenstad en stemde in een ver verleden op het D66 van Hans van Mierlo. Ik voel me onaangenaam aangesproken door D66’er Maarten Koning die zich profileert door steeds maar weer te pleitten voor tegemoetkomende maatregelen voor de horeca. Wat voor D66 denkt hij in hemelsnaam te vertegenwoordigen? Dat is niet het D66 waar ik ooit op stemde, maar een VVD-light.

Voor de volledigheid, afgelopen jaren had ik enkele malen overleg met Ellen Bijsterbosch over een cultureel onderwerp waarbij ik haar leerde kennen als een inhoudelijk, integer en verstandig raadslid met kennis van zaken die probeerde het algemeen belang van de stad te dienen en uiteenlopende betrokkenen met elkaar te verbinden. Bij D66-raadslid Maarten Koning zie ik het omgekeerde. Hij dient vooral zijn eigen marketing en laat zich kennen als de verlengde arm van de lokale horeca.

Hieronder mijn reactie op de DUIC bij een artikel over het pleidooi van Koning om tijdelijke terrasuitbreidingen in de stad permanent te maken. D66-wethouder Klaas Verschuure reageerde vooralsnog terughoudend op Konings verzoek, maar de vrees bestaat dat dit een pose is en Koning straks zijn zin krijgt van zijn partijgenoot.

Omdat ik Konings pro-horeca pleidooi als een teken zie van de verwording van een partij die ten koste van zichzelf het politieke bestel wilde opschudden, maar nu is verworden tot een lobbypartij die deelbelangen dient en de eigen continuïteit vooropzet, besteed ik er aandacht aan. Maarten Koning is als lokale politicus op zich onbeduidend, maar waar hij binnen zijn partij voor staat zie ik als afschrikwekkend waarschuwingsteken van een ooit welgemeende partij:

Oude tijden van Hans van Mierlo en kroegtijger en horeca-ondernemer Hans Gruijters herleven. D66 profileert zich met horeca. Dat is weer eens wat anders dan kunst, onderwijs of zorg. Het accent dat D66 op de horeca legt is geen toeval. De partij is ontstaan in het café en heeft meer dan 50 jaar later blijkbaar die band niet verloochend. Horeca is in het DNA van D66 ingebakken. D66 is weer terug waar het in 1966 begon.

Maarten Koning wilde om economische redenen van de binnenstad van Utrecht tijdelijk ‘één groot terras’ maken. Nu dat gelukt is gaat hij een stapje verder en wil die maatregelen permanent maken. Bestuurlijk is dat niet netjes, maar dat kan deze Utrechtse D66-er niet deren. Hij gaat populistisch voor meer terrassen. 

Een vluchtige zoektocht op internet laat zien dat D66’ers in diverse steden (Gennep, Amstelveen, Voorburg, Lingewaard, Leiden) zich profileren met hun pleidooi voor meer ruimte voor de horeca. Dit is geen toeval. Ook voormalig D66-kamerlid Kees Verhoeven pleitte eerder dit jaar in de publiciteit voor meer ruimte voor de horeca.

D66 mag natuurlijk zelf kiezen waar het zich sterk voor wil maken. Maar het is veelzeggend dat het het zich wil profileren met een pleidooi voor een sterke horeca. Blijkbaar meent D66 hiermee electoraal en publicitair te kunnen scoren. Horeca is een speerpunt voor het huidige D66. Het tekent de ambitie, de intellectuele diepte en de dorst naar meer van het huidige D66. 

Als waar Koning voor pleit past binnen het nieuwe leiderschap waar D66-leider Sigrid Kaag naar verwijst en dat ze door haar gedrag en opstelling in de formatie al binnen een maand eigenhandig om zeep hielp, dan weten we weer wat D66 is. Een partij die goed is in communicatie, marketing en populisme, maar slecht in inhoud. 

Tekenend voor de richting van D66 is dat D66-raadslid Ellen Bijsterbosch die wel voor de inhoud ging in juni 2021 de race om het Utrechtse lijsttrekkerschap verloor van Maarten Koning die zich welbewust in de kijker speelt met zijn populisme en zijn permanente campagne om in de aandacht te blijven met populaire voorstellen. Waarvan zijn pleidooi voor het permanent maken van terrasvergunningen het dramatische dieptepunt is. Bijsterbosch kondigde later aan het voor gezien te houden als vertegenwoordiger van D66 in de Utrechtse raad. In de partij van de blinden is éénoog Koning. 

Debat over slavernijverleden is pas zinvol als het door hele bevolking gevoerd wordt en niet in de eerste plaats door politieke activisten

Schermafbeelding van deel artikel Utrechtse excuses voor slavernijverleden? Niet uit mijn naam, zegt deze politicus‘ in het AD, 2 juli 2021.

Er is in vele landen vanuit gematigd linkse kringen kritiek op radicaal-links dat met identiteitspolitiek, cancel culture, wokeness en politiek correct denken van oorsprong linkse kiezers naar rechts jaagt. In de VS wijst de Democratische strateeg James Carville op het gevaar de traditionele achterban van Blue collar kiezers (= arbeiders) te verliezen. Dat denken zou het failliet bevestigen van links en radicaal-rechts in de kaart spelen. Zijn idee is dat er een kantelpunt bestaat dat als de wokeness binnen linkse partijen toeneemt de aantrekkingskracht van een breed publiek voor links afneemt.

Een nieuw netelig onderwerp in dit politieke debat is het slavernijverleden waarvoor stad en land excuses zouden moeten aanbieden. Voor welk probleem dat een oplossing biedt is de vraag. Opinieleiders uit radicaal-linkse kringen proberen elkaar de loef af te steken in politieke correctheid. Het is hun optimale kans om zich tegenover elkaar te profileren. De samenleving heeft daar echter weinig aan want, zoals gezegd, dat gaat niet ongestraft. Voor traditioneel links kan het zelfs de doodsteek betekenen.

Er bestaat overeenstemming over het feit dat het terecht is om te erkennen dat slavernij een zwarte bladzijde in de vaderlandse geschiedenis is geweest. Het was beter geweest als het nooit had bestaan. Het heeft velen onnoemelijk leed gebracht. Die erkenning moet breed uitgedragen worden.

Maar het aanbieden van excuses gaat een stap verder. Zeker als nog niet omschreven is hoe zich dat verhoudt tot schadevergoeding voor de verre nazaten van de slachtoffers van de slavernij, het herschrijven en dekoloniseren van de geschiedenis, het verwijderen van standbeelden van vaderlandse admiraals en bestuurders en het hernoemen van straten en instellingen omdat ze zouden verwijzen naar een besmette naam.

Het is een kluwen van aspecten die samenhangen en waarvan onduidelijk is wat nou wat is. Ze vormen samen de lagen van de taart. Het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden van Nederland is de kers op de taart. Een taart waarvan onduidelijk is wat er precies inziten hoe die gemaakt is. Voordat excuses aangeboden worden dient duidelijk omschreven te worden wat de aspecten zijn.

Ook moet opgepast worden dat hedendaags racisme niet vermengd wordt met het slavernijverleden van bijna 150 jaar geleden en ouder. In 1873 kwam officieel een eind aan de slavernij in Nederland toen het verboden werd. Het gevaar is dat het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden in de plaats komt van de bestrijding van hedendaags racisme op arbeidsmarkt, sociale huisvesting en in de samenleving in algemene zin. Dat is een oneigenlijk gebruik van excuses.

Nodig is een brede maatschappelijke discussie waar vertegenwoordigers van de hele bevolking aan deelnemen. Voor de acceptatie en sociale cohesie is het niet zinvol dat een groep activisten anderen een mening opdringt. Hoewel ze wel het debat kunnen helpen voorbereiden door de feiten boven water te halen en in het debat in te brengen. Maar ze zouden er door politieke en publicitaire druk in hun eentjes niet over moeten kunnen beslissen. Daar lijkt het nu op uit te draaien.

Het zou als uiterste sanctie geen taboe moeten zijn om de namen van de meest kwaadaardige personen uit het slavernijverleden die het meeste kwaad hebben aangericht uit de openbaarheid te verwijderen. Zonder dat ze uit de geschiedenis verdwijnen of wat nog erger is de geschiedenis herschreven wordt door hun uitwissing. Uitsluitend ter zake kundige historici zouden na gedegen onderzoek hier een voorstel voor moeten doen.

Maar laat het evenmin een automatisme zijn dat alle historische personen die in verband worden gebracht met slavernij en handel in slaven gecanceld moeten worden. Of dat standbeelden en straatnamen die hun naam hebben gekregen om politieke redenen hernoemd zouden moeten worden. Een ‘bijschrift’ kan de kwalijke kanten belichten van genoemde personen. Het is ongewenst én onmogelijk om met de bril van nu naar 1650, 1750 of 1850 te kijken.

Schermafbeelding van tussenstand van poll in het AD bij het artikel Utrechtse excuses voor slavernijverleden? Niet uit mijn naam, zegt deze politicus‘, 2 juli 2021.

Aanleiding voor mijn zorgen over een ver doorgeschoten identiteitspolitiek die uiteindelijk traditioneel links electoraal beschadigt is een enquête in het AD. Een krant die door vele ‘doorsnee’ Nederlanders geraadpleegd wordt. De respondenten vinden in grote meerderheid dat de gemeente Utrecht geen excuses aan moet bieden voor het slavernijverleden. Het valt niet te verwachten dat ze representatief zijn voor de Nederlandse bevolking, maar desalniettemin geeft de stemming aan dat er tegenstand is tegen het aanbieden van excuses. Dat kan niet lichtvaardig. Als het gebeurt, dan moet het goed voorbereid, uitgelegd en afgebakend worden.