Kunsthal De Zon is perfect voor een verdieping in Magazijn De Zon aan de Utrechtse stadhuisbrug

Magazijn De Zon in Utrecht. Credits: A.G. den Boer

Het gaat niet goed met de Nederlandse vastgoedmarkt. Investeringen in vastgoed blijven dalen. De sterkste prijsdaling vindt plaats bij kantoren, logistiek en – zij het in mindere mate – woningen, aldus CBRE Nederland in een analyse van 19 januari 2023. 

De haperende vastgoedmarkt opent perspectieven voor kunstinitiatieven. Wat voorheen onbetaalbaar was komt geleidelijk binnen bereik van kunstinstellingen.  De stokkende investeringen verklaren wellicht de oproep van de gemeente Utrecht en CBRE Nederland om een maatschappelijke functie aan Magazijn De Zon te geven. Ofwel, dat geeft (vastgoed)wethouder Dennis de Vries de ruimte om dit initiatief te nemen. 

Het is een prima initiatief van het gemeentebestuur om iconische gebouwen voor de bewoners te behouden en ze niet te verkopen aan particuliere partijen. Het voormalige postkantoor aan de Neude waar nu de gemeentebibliotheek is gevestigd is zo’n bestemming om als inwoner van Utrecht trots op te zijn. Dat kan met Magazijn De Zon herhaald worden. Ik vermoed dat dat ook de opzet van het gemeentebestuur is. 

Het pleidooi van Jeroen Wielaert in de NUK voor een museum UMAK is lovenswaardig, maar ook verwarrend. Een museum heeft functies (collectievorming, registratie, documentatie, wetenschappelijk onderzoek) die hier niet aan de orde zijn. Daarom is het beter om te spreken over een Kunsthal. Dat is een gebouw of ruimte waarin een niet-commerciële instelling kunstexposities organiseert. Laten we het Kunsthal De Zon noemen. 

Een Kunsthal geeft meer flexibiliteit dan een museum. Het is ook gezien de kosten beter om geen zware organisatie op te tuigen. Te denken valt aan een Stichting die bij toerbeurt kunstinstellingen de ruimte geeft om exposities te organiseren. Kunstliefde met de projectorganisatie Utrecht Down Under kan daar dan ook aan deelnemen. Ook de Salon van Utrechtse kunstenaars waarvan vier edities door het Centraal Museum en in 2008 een 5e editie door Robbert Roos werden georganiseerd zou weer nieuw leven ingeblazen kunnen worden in Kunsthal De Zon. 

Kunstinstellingen die exposities tonen in Kunsthal De Zon hoeven niet per se uit Utrecht te komen. Utrecht is in Nederland een gewilde, centrale plaats waar exposities ondergebracht kunnen worden die bezoekers uit het hele land kunnen trekken.

Een verdieping van Magazijn De Zon is 2.500 m2 vloeroppervlak. Of 1.350 m2 verhuurbaar vloeroppervlakte. Dat lijkt een gepaste grootte voor een Kunsthal. De huurprijs voor zo’n verdieping komt op zo’n 300.000 euro per jaar. De begane grond is fiks duurder met 585.000 euro per jaar.

Het is gewenst dat de Stichting een profiel voor Kunsthal De Zon ontwerpt waar exposities aan hebben te voldoen. Te denken valt aan een accent op experimentele kunst. Dat heeft als voordeel dat het minder concurreert met galeries, een ruimte biedt op een centrale plek in het land die redelijk uniek is en commerciële tentoonstellingsbedrijven met de wereld rondreizende tentoonstellingen buiten de deur houdt.

Waarom zou de jaarlijks door het Mondriaan Fonds in de marge van Art Rotterdam georganiseerde presentatie ‘Prospects’ die zich richt op beginnende kunstenaars niet naar Utrecht kunnen verhuizen? Of een versie ervan. Laat die ambitie het streven zijn. 

Volgens het nieuwsbericht van de gemeente Utrecht is vastgoedadviseur CBRE namens de gemeente op zoek naar een financieel dragende of kapitaalkrachtige huurder. Ontbrekende financiën zijn doorgaans de flessenhals van kunstprojecten. Kunst- en vermogensfondsen zouden structurele ondersteuning kunnen geven zodat de Stichting financiële zekerheid heeft.

Zoals het Centraal Museum steun van de Hartwig Art Foundation heeft om jaarlijks twee tentoonstellingen in Landhuis Oud Amelisweerd te tonen. Zo’n partnerproject tussen kunstfondsen en kunstinstellingen zou een prima model voor Kunsthal De Zon kunnen zijn. Waarbij het voordeel kan zijn dat de Stichting bij meerdere ondersteuners niet geassocieerd kan worden met een fonds en flexibel is.

Het is kort dag want huurders moeten zich voor 13 februari 2023 melden bij de gemeente Utrecht. Dat is te snel om een Stichting op te richten, maar waarschijnlijk voldoende om het initiatief voor Kunsthal De Zon dat een verdieping van 1.350 m2 wil huren in Magazijn De Zon kenbaar te maken bij gemeente en CBRE. Dit initiatief past immers goed binnen de opzet van het gemeentebestuur. Het geeft Utrecht een prestigieuze Kunsthal die het Utrechtse kunstklimaat kan verdiepen en verbreden. 

Het is belangrijk dat dit initiatief gedragen wordt door Utrechtse en landelijke kunstinstellingen, en Utrechtse en landelijke kunst- en vermogensfondsen. Als enkelen daarvan, zoals het K.F. Hein Fonds, het Fentener van Vlissingen Fonds, het Carel Nengerman Fonds, het Elise Mathilde Fonds, het Prins Bernhard Cultuurfonds Utrecht en het VSBfonds de komende maanden publiekelijk verklaren om Kunsthal De Zon te steunen, dan kan een projectcommissie de details uitwerken, een Stichting oprichten en aan de slag gaan.

Opmerking: de alinea over de huurprijs per etage is op 27 januari 2023 toegevoegd.

NB: Dit stuk is een reactie op het verdienstelijke pleidooi van Jeroen Wielaert in De Nuk van 22 januari 2023.

Advertentie

Pleidooi voor bundeling van architectonische iconen in Utrecht: Rietveld Schröderhuis, Erasmuslaan 9 en Huis Van Ravesteyn

A.J. van der Wal, ‘Overzicht voorgevel en rechter zijgevel blok van vier geschakelde herenhuizen‘ [architect Gerrit Rietveld], 2000. Collectie: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

In twee commentaren had ik in 2022 kritiek op het in mijn ogen haperende Utrechtse kunstklimaat en de ‘beschamende onkunde’ van Utrecht Marketing.

Ik omschreef mijn kritiek in het commentaarBeschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?‘ van 16 augustus 2022 en in het vervolgOpnieuw: het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat en de rol van Utrecht Marketing‘ van 21 augustus 2022.

De kern van mijn kritiek is dat Utrecht als vierde stad van het land te weinig ambitie toont om zich op het gebied van musea en beeldende kunst te profileren. Een en ander wreekt zich in slechte voorwaarden voor een dynamisch kunstklimaat. Er zijn volop initiatieven van kunstenaars en kunstinstellingen ondanks het gemeentebestuur, het in zichzelf gekeerde Centraal Museum en andere instellingen op het gebied van kunst, architectuur en cultureel erfgoed. Het lijkt dat iedereen op de ander wacht. En er daarom te weinig gebeurt.

De onderwaardering voor kunst en culturele erfgoed lijkt onbegrijpelijk in een stad waar GroenLinks en D66 de belangrijkste partijen zijn. Maar dat is tevens de verklaring voor de patstelling. Politiek gerichte projecten op het gebied van diversiteit krijgen aandacht en fondsen, en lijken de aflaat om zich om de rest mentaal en voorwaardenscheppend niet te bekommeren.

Gisteren bezocht ik rijksmonument Erasmuslaan 5 te Utrecht waar architectenbureau Asnova is gevestigd. Architect Ronald Willemsen ontving me en mijn partner allerhartelijkst. Kunstgalerie Bos Fine Art houdt er exposities van voornamelijk geometrische kunst.

Willemsen woont op Erasmuslaan 9 waar tot voor kort een modelwoning met objecten van Gerrit Rietveld was gevestigd. Eigenaar van dat rijksmonument is de Vereniging Hendrick de Keyser en tot voor kort was het Centraal Museum de beheerder. Maar die heeft er om financiële redenen de handen van afgetrokken. De objecten van Rietveld zijn weggehaald.

Honderd meter verder ligt op Prins Hendriklaan 50 het beroemde Rietveld Schröderhuis dat door de Stichting Rietveld Schröderhuis en het Centraal Museum wordt beheerd. In dezelfde straat ligt op Prins Hendriklaan 112 het Huis Van Ravesteyn van ‘spoorwegarchitect‘ Sybold van Ravesteyn uit 1932 dat ook in bezit is van Vereniging Hendrick de Keyser. Dat huis kan voor 170 euro per nacht worden gehuurd om te overnachten. Dat lijkt een noodgreep van Hendrick de Keyser om geld te genereren. Huis Van Ravesteyn kan ook bezocht worden als museumhuis.

Waarom de Utrechtse kunst-, architectuur- en erfgoedinstellingen als Oud Utrecht (commissie Cultureel Erfgoed) en architectuurcentrum aorta, private partijen als Asnova, de afdeling Culturele Zaken van de gemeente Utrecht, de Vastgoedorganisatie Utrecht, het Centraal Museum en Vereniging Hendrick de Keyser hun krachten niet bundelen is een raadsel. Laten ze om de tafel gaan zitten om afspraken te maken. Liefhebbers die dit tandenknarsend aanzien zijn er genoeg, maar het lijken vooral de gemeente Utrecht en het Centraal Museum die op de rem staan.

Wat staat bundeling in de weg? Is het een strijd over competenties en geld of valt het te verklaren vanuit apathie en gebrek aan ambitie?

Vele geïnteresseerden die het internationaal befaamde Rietveld Schröderhuis bezoeken en meer willen zien -en die belangstelling tot ver over de grens is aangetoond- zouden op loopafstand de modelwoning Erasmuslaan 9 met objecten van Rietveld en Huis Van Ravesteyn kunnen bezoeken.

Uiteraard zal zo’n programma een investering vragen, maar het zal zich in (internationale) aandacht en prestige voor de gemeente Utrecht ruimschoots terugbetalen. Des te meer omdat op het gebied van architectuur Utrecht weinig te bieden heeft. Dat geeft nog meer de noodzaak weer om de architectonische parels die er wel zijn optimaal te presenteren.

Wie maakt zich in Utrecht binnen de gemeentediensten of het gemeentebestuur sterk voor het initiatief dat zo voor de hand ligt? Namelijk de bundeling van de drie huizen als voorbeeld van architectuur die is gebaseerd op De Stijl. In een sterk programma waar Utrecht Marketing goede sier mee zou kunnen maken. Wie trekt dit project vlot?

Waarom garandeert Utrecht rust en stilte niet beter voor haar inwoners?

Schermafbeelding van deel artikelBinnenstadbewoners Utrecht willen discussie over geluidsoverlast aanwakkeren’ van 12 december 2022 in de DUIC.

Het is een terugkerend gespreksonderwerp én steen des aanstoots: overlast in (binnen)steden. Dat kan uit allerlei soorten overlast bestaan die samenhangen met stank, fijnstof, onveiligheid of drugs, maar geluidsoverlast of geluidshinder wordt door bewoners als meest hinderlijk ervaren.

Uit het artikelBinnenstadbewoners Utrecht willen discussie over geluidsoverlast aanwakkeren’ van 12 december 2022 in de DUIC blijkt dat een groep Utrechtse binnenstadsbewoners ‘de discussie over geluidsoverlast wil aanwakkeren’. Woordvoerder Frank van Eijkern van belangengroep Binnenstad030 beseft goed dat geluidsoverlast de hele stad betreft. Zijn conclusie is dat de maatregelen van het gemeentebestuur om de geluidsoverlast terug te dringen langzaam worden ingevoerd.

In mijn reactie bij het artikel steun ik volmondig het streven van de groep bewoners. Naar mijn idee handelt het Utrechtse gemeentebestuur onnodig traag om de leefbaarheid van de stad te vergroten en handelt het uit politieke of commerciële belangen er soms tegengesteld aan.

Waar een wil is, is een weg, luidt het gezegde. Maar de eensgezindheid van het centrumlinkse gemeentebestuur om met elkaar ferm die weg te bewandelen lijkt te ontbreken. De wil ontbreekt of is niet zichtbaar. In een koehandel mogen partijen af en toe hun liefdesbaby koesteren, maar het ontbreekt aan goed doordacht en doelmatig integraal beleid om geluidsoverlast terug te dringen. Dat kan met betrekkelijk simpele ingrepen beter.

In 2013 pleitte ik in een commentaar voor een ambassadeur tegen geluidshinder. ik concludeerde: ‘Nodig is een revitalisatie of actualisering van de doelstelling van Stichting BAM. Om die met de middelen van 2013 op te pakken. Zoals Hieke Jippes schrijft: ‘(..) het hoort zo te zijn, en het was ook altijd zo, dat een overheid zijn burgers juist beschermt in zoiets basaals als het genot van rust en stilte. In veel opzichten doet zij dat ook al: beperkt geroep van de top van de moskee, gematigd luiden van de kerkklok, stiltecoupés in de trein zijn daarvan allemaal voorbeelden.’ Wie wordt in Nederland de eerste ambassadeur voor de stilte?

Mijn reactie:

De geluidsoverlast in binnensteden is niet uit te bannen, maar wel terug te dringen. Op dat laatste zou ingezet moeten worden. 

Handhaving in de openbare ruimte door de Utrechtse politie is hoe dan ook al jarenlang een stiefkindje. Denk aan de zichtbare fietsenoverlast in de binnenstad die evenredig groter wordt met de niet uitgevoerde voornemens van de politiek om het aan te pakken. Op straat is dat niet terug te zien. Het gemeentebestuur lijkt de chaos te accepteren en de handhaving af te schalen. 

Hoe kan de overlast wel teruggebracht worden? Geen muziek in horeca en winkels die buiten te horen is. Verkeersluw maken van de binnenstad door het versneld weren van auto’s. Vroegere sluitingstijd van de horeca. Geen vergunningen meer voor (vergrote) horeca-terrassen. Minder vergunningen voor evenementen met versterkt geluid. Stoppen met het beleid om meer toeristen te trekken en het terugschroeven van de autonomie van Utrecht Marketing dat oncontroleerbaar opereert. Serieuze monitoring van SSH van wat er in haar huizen gebeurt met sancties als uiterste middel.

In Utrecht spelen vele belangen. Die moeten met elkaar in evenwicht worden gebracht. Bewonersbelangen moeten ernstig worden genomen. Feitelijk zijn de politieke partijen er voor en niet tegen de bewoners. 

De belangen van de horeca en het bedrijfsleven worden obsessief door de verrechtse coalitiepartij D66 nagejaagd. Maar ook de linkse partijen bijten niet echt door om de stad leefbaarder te maken. 

Het is lastig om een stad van de grootte van Utrecht zo te besturen dat iedereen ermee tevreden is. Maar waar simpele maatregelen achterwege blijven om de geluidsoverlast in te perken en het college zelfs in bepaalde gevallen het tegendeel bewerkstelligt zou men kunnen spreken van onzorgvuldig bestuur.

Een Marokkaanse Nederlander spuugt in eigen bron

Schermafbeelding van deel artikel ‘Feestelijke Utrechtse sfeer na WK-stunt Marokko slaat compleet om: ME veegt de Kanaalstraat leeg‘ in het AD, 10 december 2022.

Mijn vader had een uitspraak die hij af en toe gebruikte. Waarschijnlijk had hij die ooit ergens gelezen. De uitspraak luidde: ‘Een Arabier spuugt niet in eigen bron’. 

Het heeft te maken met barre omstandigheden en schaarste aan water. Allen beschermen de waterbronnen omdat iedereen ervan afhankelijk is. Dat is het algemeen belang.

Anders is het met de relschoppers die zwaar vuurwerk afsteken en de politie belagen in Nederlandse binnensteden. Met als aanleiding een voetbalwedstrijd. Ze spugen in eigen bron. 

Het Utrechtse gemeentebestuur had zich naar eigen zeggen goed voorbereid op de rellen die onvermijdelijk zouden komen. Utrecht heeft een grote Marokkaans-Nederlandse gemeenschap. 

Gemeente en politie hebben zich ook dit keer voorbereid en moskeeën, theehuiseigenaren en jongerenwerkers werken samen, gaf Dijksma al aan.

De interessante vraag is wat de relschoppers bezielt. Onzekerheid, frustratie, bandeloosheid of een onduidelijke identiteit? De uitleg van sociologen zal zijn: straatcultuur. Maar dat verklaart nog steeds het gedrag niet. 

De rellen kunnen in negatieve termen begrepen worden. De relschoppers beschadigen door hun gedrag het aanzien van de eigen gemeenschap. Een positieve verklaring kan zijn dat ze zich emanciperen en juist aan de regels en dwang van hun gemeenschap willen onttrekken. Dat gebeurt dan op een botte manier omdat dat de enige wijze is waarop ze zich kunnen uiten.

Jeugdstorm voor de oorlog

Fotodienst NSB, Sinterklaasfeest van de Jeugdstorm [Sinterklaasfeest voor leden van de Jeugdstorm. Sinterklaas en Zwarte Piet staan in het midden omringd door leden, de meesten in uniform. Het feest wordt gehouden in de Werfkelder van het “Kringhuis” van de Jeugdstorm in Utrecht], 1935-1940. Collectie: Rijksmuseum.

Het is een armoedige omgeving waar de Jeugdstorm van de NSB tussen 1935 en 1940 Sinterklaas viert. Een krakkemikkige Utrechtse werfkelder. Zwarte Piet laat zich zien. Rassenwetten komen pas later.

Het is duidelijk dat de NSB nog niet op het pluche zit en de mooiste gebouwen kan vorderen. Zoals in Utrecht Dudoks Stadsschouwburg die in april 1942 ter beschikking wordt gesteld aan de Nationale Jeugdstorm.

NSB, Vijf jongens in plusfour, Jeugdstormers? [Jongens van de Jeugdstorm? niet in uniform maar allen in plusfour poseren buiten voor de fotograaf], oktober 1934-1935. Collectie: Rijksmuseum.

Van de onderste foto is de interpretatie niet zeker en uitsluitend af te leiden uit de verzameling waarin het was opgenomen. Passend in de serietitel Jeugdstorm. De jongens maken vermoedelijk deel uit van de Jeugdstorm. Maar aan uiterlijk of uniform valt dat niet af te leiden.

De titel is nog om een andere reden onzeker: ‘Vijf jongens in plusfour‘. Er staan zeven jongens naast elkaar die alleen een plusfour dragen. Ofwel een pofbroek die reikt tot ongeveer 4 duim (circa 10 cm) onder de knie. Dus: Plus four.

Bij de drie linker jongens valt de pofbroek veel verder over de knie. Ze dragen weliswaar een plusfour, maar waarschijnlijk eentje die ze hebben geleend van een ouder iemand. Wijst dat op hun benarde economische situatie?

Een andere titel bij deze foto lijkt daarom geschikter: ‘Zeven jongens in plusfour of ‘Vier jongens in plusfour‘. Ofschoon het de vraag blijft hoe een plusfour genoemd moet worden die als lange broek gedragen wordt. En of de jongen in het midden nog een jongen is of al een jongvolwassene. Die enige jaren later ongetwijfeld naar het Oostfront mag vertrokken. In uniform.

Oproep aan Utrechtse raad om de versnelde toewijzing van sociale huurwoningen aan statushouders te evalueren. En gemaakte fouten in de uitvoering te herstellen

Schermafbeelding van artikel 490 statushouders hebben versneld sociale huurwoning gekregen; onderzoek of maatregel wel eerlijk is‘ in de DUIC, 26 augustus 2022.

Details zitten zoals altijd in de uitvoering. Daar moet de maatregel van het Utrechtse gemeentebestuur om sociale huurwoningen versneld toe te wijzen aan statushouders op beoordeeld worden. Niet op goede bedoelingen of op politieke overtuiging.

Ik ben van mening dat door de dwang van bovenaf de uitvoering door de woningcoöperaties onnodig is bemoeilijkt. Het gemeentebestuur heeft politiek gescoord en de problemen bij de woningcoöperaties over de schutting gegooid. Men kan zeggen dat de woningcoöperaties voor zichzelf betere voorwaarden hadden moeten bedingen. Maar of het inzicht bij de woningcoöperaties ontbrak of ze niet op konden tegen de politieke druk van het gemeentebestuur is de vraag,

Het was praktisch beter geweest als er een langere looptijd genomen was om de totale groep van statushouders een sociale huurwoning te bieden zodat de tijdsdruk minder klemmend was geweest, Zodat de woningcoöperaties beter maatwerk hadden kunnen bieden. Dat konden ze door de tijdsdwang nu niet in alle gevallen. Dat slaat negatief terug op de statushouders, de omwonenden en de woningcoöperaties zelf.

De gemeente maakte met de woningcoöperaties een afspraak om statushouders versneld te huisvesten. Des statushouders waren in de meeste gevallen niet sociaal of economisch gebonden aan de gemeente of regio Utrecht. Ze werden gedwongen om op korte termijn te verhuizen naar de gemeente Utrecht waar het tekort aan sociale woningen al groot is. De statushouders hadden evenmin in alle gevallen voldoende financiële middelen om hun woning behoorlijk in te richten.

Degelijke uitvoering en een partijpolitiek statement van het gemeentebestuur zijn vermengd geraakt en lopen door elkaar heen.

Utrechtse woningcoöperaties konden niet in alle gevallen maatwerk bieden en werden door de afspraak met de gemeente gedwongen concessies te doen aan hun eigen normen. Hiermee werden de woningcoöperaties door de gemeente in de richting van de politiek gestuurd, terwijl ze een andere, sociale missie hebben, namelijk: goede en passende woonruimte bieden tegen redelijke voorwaarden. Dat geldt niet alleen de nieuwe, maar ook de al langer in een woning van een woningcoöperatie wonende huurders.

Het niet kunnen bieden van passende woningruimte aan statushouders op korte termijn deed zich kennen in het tekort aan woningen voor grote gezinnen. Met als gevolg dat deze grote gezinnen in sommige gevallen tegen hun zin in te kleine woningen werden ondergebracht. Dat was een direct gevolg van de politieke druk van het gemeentebestuur dat binnen de woningcoöperaties vanuit de directie doorsijpelde naar de uitvoerende dienst die onder politieke druk werd gezet om de eigen normen op te rekken.

Een en ander heeft drie gevolgen.
1) Statushouders zijn ontevreden met hun in hun ogen te kleine nieuwe woning. Maar ze hebben in hun kwetsbare positie en dwang van overheden om snel te verhuizen geen middel om ertegen te protesteren.

2) Omwonende huurders van sociale woningen worden ineens geconfronteerd met een woning waar normaal twee of drie personen wonen waar ineens zeven personen worden ondergebracht. Dat zorgt voor ongenoegen en onrust bij omwonenden. Dat is niet gericht tegen de statushouders, maar tegen de woningcoöperaties die dit erdoor drukken en met de omwonenden elk gesprek uit de weg gaan en niet wensen te communiceren omdat ze geen argumenten hebben om het goed uit te leggen. Door de dwingende afspraak inclusief tijdsdruk met de gemeente moesten de woningcoöperaties concessies doen aan hun eigen normen. Wat toewijzing van woningen en communicatie met huurders betreft.

3) De Utrechtse woningcoöperaties beschadigden in een relatieve korte tijd door het uit de weg gaan van het ‘normale’ gesprek en de controversiële besluitvorming om grote gezinnen met statushouders in te kleine woningen onder te brengen de relatie met hun huurders die doorgaans in jaren is opgebouwd. Het sociaal contract tussen woningcoöperatie en omwonende huurders wordt beschadigd. Dat verstoort niet alleen de relatie tussen woningcoöperatie en huurder, maar beschadigt ook het zelfbeeld van een woningcoöperatie die altijd probeerde het goede te doen voor de huurders.

Wat is de les van goede bedoelingen en de in sommige gevallen minder goede uitvoering? Hoe is de relatie tussen gemeentebestuur en woningcoöperatie verlopen door het plan van het gemeentebestuur om 490 statushouders versneld onder te brengen in sociale woningen van Utrechtse woningcoöperaties?

We hebben er geen beeld van of dit plan per huurwoning en woningcomplex goed heeft uitgepakt. Nodig is een evaluatie door een onafhankelijke betrokkene die bij de in Utrecht in een sociale huurwoning geplaatste statushouders en de omwonenden inventariseert of de uitvoering van de plannen van het gemeentebestuur volgens de gebruikelijke normen van de woningcoöperatie zijn verlopen. En zoniet in hoeverre de normen zijn opgerekt, de uitvoering heeft gefaald en gemaakte fouten in de uitvoering door de woningcoöperatie alsnog hersteld kunnen worden.

Welke partij stelt hier in de Utrechtse raad raadsvragen over en verzoekt om zo’n onderzoek?

IMPAKT is weg kwijt en presenteert wijnproeverij als kunst

Schermafbeelding van aankondiging door IMAKT van het evenement ‘INTERNATIONAL ART & WINE TASTING EVENT; Hybride ervaring met wijnliefhebbers uit zes Europese landen‘ op 21 september 2022 in landhuis Oud Amelisweerd.

Het in Utrecht gevestigde IMPAKT [Centrum voor Mediacultuur] claimt een ‘kritische en creatieve kijk op de hedendaagse mediacultuur en op innovatieve audiovisuele kunsten in een interdisciplinaire context‘ te bieden. Maakt het dat waar?

Het houdt op 21 september 2022 een ‘INTERNATIONAL ART & WINE TASTING EVENT; Hybride ervaring met wijnliefhebbers uit zes Europese landen‘. Dit evenement roept de vraag op hoe ‘een kritische en creatieve kijk op de hedendaagse mediacultuur‘ zich verhoudt tot het proeven van wijn. Wat hebben wijn en kunst met elkaar te maken?

Is volgens directeur Arjon Dunnenwind en het bestuur dat bestaat uit Claas Hille, Frank Coolen en Imar de Vries het proeven van wijn een vorm van kunst? Wie is trouwens de secretaris in het bestuur?

Wat moet er verstaan worden onder een ‘informeel hybride kunstevenement‘ zoals IMPAKT het in de eigen publiciteit noemt? IMPAKT claimt ook dat het evenement onderdeel van een ‘reeks experimenten‘ met ‘nieuwe, hybride formats‘ is. Maken volgens IMPAKT ‘wijngerelateerde presentaties van kunstenaars‘ een evenement dat draait om het proeven van wijn tot kunst?

De onzinnige beweringen van IMPAKT buitelen over elkaar heen. De aankondiging van de wijnproeverij lijkt satire, maar is serieus.

Het modieuze jargon van IMPAKT is een belediging voor het gezond verstand. Kunst wordt er aan de haren bijgesleept. Dit evenement draait om cultuur, gezelligheid, wijn en het leggen van verbinding. Dat is prima, maar noem het dan eerlijk wat het is. Plak er geen verkeerd etiket op.

Kunstliefhebbers kunnen de presentatie van dit evenement door IMPAKT al te makkelijk opvatten als onnozel. Tegelijk tekent het het koersloos drijven van directeur en bestuur van IMPAKT dat voor 25 euro kaartjes aanbiedt voor de ‘hybride ervaring‘ van het ‘INTERNATIONAL ART & WINE TASTING EVENT‘.

De aankondiging van dit evenement door IMPAKT geeft aan hoe kunstinstellingen de weg kwijt kunnen zijn na de schade die door de corona-epidemie is aangebracht. Zodat ze niet meer beseffen wat hun doelstelling en kerntaak is en waarvoor ze eigenlijk opgericht zijn.

Om te variëren op een toneelstuk van Pirandello: ‘IMPAKT is op zoek naar focus‘. Wellicht moet IMPAKT zichzelf maar eens onder het vergrootglas leggen en met een ‘kritische en creatieve kijk‘ onderzoeken waar het mee bezig is en hoe het afgedwaald is van kerntaak en doelstelling.

Opnieuw: het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat en de rol van Utrecht Marketing

Bart Lunenburg, Ashes (2022).

In het opinie-artikelBeschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?‘ van 16 augustus 2022 vroeg ik me af wat het achterblijvende beeldende kunstklimaat van Utrecht verklaart. Toch de vierde stad van het land met 362.000 inwoners. Dit commentaar is een vervolg op dat artikel.

I. Een begin van een antwoord zag ik in de stadspromotie en de marketing die een papieren werkelijkheid schept die de echte werkelijkheid vervangt. Utrecht, de stad van het surrealisme.

Hoe kan het dat Utrecht Marketing in haar promotie initiatieven die geen museum zijn als museum beschouwt? ExBunker, Kunstliefde, Domtoren, DOMunder, BAK en IMPAKT zijn geen musea, maar volgens Utrecht Marketing wel. Kan in stadspromotie of marketing alles gezegd worden dat afwijkt van de geldende definities? En ook: wie roept Utrecht Marketing tot de orde? 

De directeur van Utrecht Marketing is idolaat van sport en houdt zich voornamelijk daar mee bezig. De adjunct van deze Cor Jansen is Ronald Besemer die de kunst mag doen, maar geen aantoonbaar gevoel, betrokkenheid of inzicht toont. Zo kennen we de vlotte mannen van de marketing. Besemer lijkt de Utrechtse beeldende kunst als halfproduct voor Utrecht Marketing te beschouwen.

In Utrecht probeert Utrecht Marketing kunst in het frame van sport of stadspromotie van het stationsgebied te stoppen. Dat werkt niet. Utrecht Marketing is niet dienstbaar aan de beeldende kunst, maar meent dat de kunst dienend moet zijn aan de marketing van de stad, zoals uitgevoerd door Utrecht Marketing.

Kortom, het is duidelijk waar dit Utrecht Marketing in de kern mee bezig is. Namelijk proportioneel veel aandacht voor sport. Kunst past niet in het format. Godsamme in een college waar GL en D66 de grootste partijen zijn. Het management van Utrecht Marketing lijkt mentaal te ongeïnspireerd en niet fijngevoelig genoeg om kunst te begrijpen en in de marketing een volwaardige plek te geven.

De beeldende kunst met zijn rafelranden, onvoorspelbaarheid, niet direct maatschappelijk nut en spotten met hiërarchie en autoriteit staat dwars op het denken van Utrecht Marketing dat gaat voor direct maatschappelijk nut, voorspelbaarheid en langlopende projecten, bevestiging van de status quo en aansluiting zoeken bij de economische macht van ondernemers.

3D-tekening van Aziz Elgart als project van Utrecht Marketing ter ere van La Vuelta 2022 in Utrecht. DUIC citeert Utrecht Marketing: ‘De vier 3D-tekeningen brengen niet alleen een ode aan de wielerkoers, maar vestigen ook de aandacht op de vele culturele en sportieve activiteiten die rondom de Vuelta in stad en regio Utrecht plaatsvinden‘.

II. Het ontbreekt naar mijn idee in Utrecht aan samenwerking tussen de onderdelen van de beeldende kunst. Geen synergie dus. Terwijl dat er in de muzieksector wel is. Het opvallende is dat Utrecht een beeldende kunst traditie heeft. Denk aan Erich Wichmann, Pyke Koch, Joop Moesman en ook Gerrit Rietveld. Er is wel zoiets als belangenbehartiger Art Utrecht dat voor de gemeente dient als loket, en voor de kunst en kunstenaars als documentatie, uithangbord en platform, maar dat heeft beperkte draagwijdte als de omgeving hapert.

Er dient geïnjecteerd te worden in de beeldende kunstsector. Dat was de conclusie van enkelen die reageerden op mijn opinie. Laten we het de nieuwe verslaving noemen.

III. Velen verwezen naar kunstbeurzen en festivals om de kunstsector een extra zetje te geven. Of dat werkt zou per kunstdiscipline bekeken moeten worden. Het kan, maar een garantie is er niet. De ondergrond, de humus moet aanwezig zijn om van bovenaf geparachuteerde initiatieven in vruchtbare grond te laten vallen. Zo niet, dan ontbreekt het effect op de langere termijn om het beeldende kunstklimaat op een hoger peil te brengen.

Elke gemeente houdt wat financiële steun betreft van kortlopende projecten en niet van losse eindjes. Een gemeente wil controle hebben omdat het overzichtelijk en bestuurlijk eenduidig is. Het is makkelijker om een festival te steunen dan de exploitatie van een kunstinstelling.

We zagen dat bij het jaren op het randje van faillissement balancerende MOA (Museum Oud Amelisweerd) waarvan al bij aanvang duidelijk was dat het niet levensvatbaar was. De Utrechtse raad had in een motie beslist om er geen exploitatiesubsidie aan toe te kennen. Het MOA ging mede hierdoor, maar ook om vele andere redenen failliet. Dat is ook het Utrechts kunstklimaat, namelijk een project om politieke redenen ontwikkelen met eenmalig vastgoedgeld om daarna de steun te stoppen.

IV. De gemeente zou een te afwachtende houding aannemen om de beeldende kunst te helpen. Soms verschuilt de afdeling CZ (Culturele Zaken) zich achter regelgeving en komt er niet aan toe om een creatieve oplossing voor een gerezen probleem te helpen vinden. De achtereenvolgende gemeentebesturen laten sinds de PvdA-wethouders (Kees Pot, Paulien van der Linden) weinig ambitie zien die uit een diepe politieke overtuiging volgt. Ze lijken kunst op zijn best op te vatten als inbreng voor andere doelen. Of de verantwoordelijke wethouders krijgen binnen het college onvoldoende steun om kunst ondubbelzinnig te promoten.

Beeld van tentoonstelling met onder andere Max Kisman in Moving Gallery te Utrecht. Via Art Utrecht.

V. Het handvol artistiek belangrijke Utrechtse galerieën (Sanaa, Larik, Moving Gallery, KUUB) hebben doorgaans hoge huren. Ze verdienen niet veel en kunnen met moeite het hoofd boven water houden. Toch worden ze door de gemeente als commerciële ondernemingen beschouwd. Maar dat zijn ze slechts ten dele.

Galerieën zouden juridisch opgedeeld moeten worden in een commercieel en niet-commercieel deel. Onder dat laatste zou dan talentontwikkeling van jonge kunstenaars en presentatie van experimentele, moeilijk verkoopbare, kunst kunnen vallen. Dat zou voor de gemeente de belemmering wegnemen die uit de regelgeving volgt en het onmogelijk maakt om galerieën financieel te steunen. De gemeente zou juridisch kunnen adviseren over de splitsing. Galerist Henk Logman probeerde dat idee van kweekvijver enkele jaren geleden uit en wilde die tweedeling in zijn galerie doorvoeren, maar heeft het door zijn vroegtijdig overlijden niet af kunnen maken.

Een algemene vraag is wat de rol van galerieën in tijden van sociale media en narrowcasting van kunstenaars die hun eigen ondernemer zijn nog kan zijn. Ze zitten in een overgangsfase, maar kunnen nog steeds een constructieve bijdrage aan een lokaal kunstklimaat leveren als ze niet te veel concessies aan de markt doen. Maar zoals gezegd, galerieën zitten met hun hybride rol tussen commercie en kunst in een lastige positie. Het valt de gemeente niet te verwijten dat het daar volgens de regelgeving niets aan kan doen, hoewel in de marges wel wat meer financiële steun geboden zou kunnen worden.

VI. Kunst lijkt in Utrecht niet autonoom te mogen zijn. Veel kunstenaars zijn verzameld in Kunstliefde, maar dat is de afgelopen jaren door omstandigheden (verhoogde huur, dreigende verhuizing over 5 jaar) vooral met zichzelf bezig. Hoewel er mooie presentaties waren. Jongere kunstenaars zijn gegroepeerd rond de Nijverheid waar veel activiteiten zijn, maar de marges zijn klein en in de profilering staat het optrekken met andere geledingen van de kunstsector niet centraal.

Daarnaast zijn er kunstenaarsinitiatieven van onderop nodig. Die zijn er in Utrecht en nog steeds trekken groepen kunstenaars samen op in een soort creatieve gemeenschap (Soesterberg, Bernardus Baldus, Caz Egelie en co in Overvecht). De gemeente helpt soms met het vinden van tijdelijke atelierruimte. De invloed van deze kunstenaarsinitiatieven op het kunstklimaat is aanwezig, maar blijft beperkt.

Alain Teister, installatie met bed, paspoppen, stoel, hout en verf (1973-74). © Centraal Museum, Utrecht / Ernst Moritz.

VIII. Conclusie. De politiek kan de boel vlot trekken door hier en daar een helpende hand toe te steken. Zodat van onderop de galerieën en kunstenaarsinitiatieven kunnen groeien. Ook door te voorzien in atelierruimte waardoor kunstenaars niet de stad verlaten. De Kersenboomgaard in Leidsche Rijn is een succesvol voorbeeld. De breed gevoelde mening is dat het Centraal Museum met de rug naar de kunstenaars van de stad staat. Het biedt weliswaar ruimte aan hedendaagse Utrechtse kunst, maar dat wordt als onvoldoende ervaren. Waarom heeft het Centraal Museum geen stadsconservator die actief het contact onderhoudt met Utrechtse kunstenaars en galerieën, en op openingen, bijeenkomsten en gespreksavonden aanwezig is?

Waarom stellen de cultuurwoordvoerders in de raad van GL, PvdA en D66 geen raadsvragen over de verkeerd uitpakkende macht van Utrecht Marketing en het haperende beeldende kunstklimaat? Melody Deldjou Fard (GL), Dirk-Jan van Vliet (D66), Hester Assen (PvdA) of andere raadsleden, duik eens in dit onderwerp en stel er raadsvragen over.

Beschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Musea Utrecht‘ van Ontdek Utrecht.

Afgelopen jaren heb ik vele mensen in en buiten de Utrechtse beeldende kunstsector de vraag gesteld wat de reden is dat het ontbreekt aan een Utrechts beeldende kunstklimaat dat past bij de vierde stad van het land. Niemand heeft een sluitend antwoord.

Utrecht presteert slecht op het gebied van de beeldende kunst. Zelfs het Centraal Museum deelt in de malaise en lijkt op een enkele tentoonstelling na vooral nog met zichzelf en de eigen bedrijfsvoering bezig. Het is in de eigen schulp gekropen. Is dat het wat het Utrechtse kunstklimaat verklaart?

Wat schort eraan in Utrecht? Is het de nabijheid van Amsterdam? Is het de ‘zwarte’, katholiek-surrealistische onderstroom die nog steeds als een geestelijke domper werkt? Is het gebrek aan ambitie en zelfvertrouwen? Is het het doelgroepenbeleid in Leidsche Rijn (Raum) dat als aflaat dient om verder geen initiatieven te ondernemen en verder te denken?

Is het het gebrek aan initiatief en creativiteit van de afdelingen Culturele Zaken of Economische Zaken van de gemeente om kunstgalerieën en kunstinitiatieven een start te geven?

Als er galerieën ontstaan (Larik), dan gebeurt dat niet dankzij, maar ondanks de gemeente. In de bioscoopwereld gebeurde afgelopen jaren hetzelfde toen Jos Stelling als particulier ondernemer met Bioscoop Slachtstraat (en met medewerking van het Utrechtse Monumentenfonds) een nieuwe bioscoop realiseerde dat het door de gemeente gesubsidieerde ’t Hoogt niet voor elkaar kreeg.

Kan de malaise in de beeldende kunstsector verklaard worden door het zware accent van de gemeente op marketing en stadspromotie, zodat inhoud er minder toe doet? In dat Utrecht is de schone schijn van marketing een doel op zichzelf. Toch weer dat surrealisme. Niemand die het doorprikt. Niemand die doorvraagt. Niemand die het nog op waarde schat. Zo ontstaat geen publiek debat over dit onderwerp.

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Over Ons‘ op Ontdek Utrecht.

Schrijnend is de promotie van Ontdek Utrecht (deel van Utrecht Marketing) waar allerlei instellingen die geen musea zijn musea worden genoemd. Of culturele instellingen in Bunnik, Amersfoort of Soest door de gemeente Utrecht worden geclaimd als Utrechts. Zijn Bunnik, Soest en Amersfoort zonder dat we het weten geannexeerd door de gemeente Utrecht? Daar lijkt het niet op. Utrecht Marketing doet aan desinformatie.

Het is duidelijk dat Ontdek Utrecht en Utrecht Marketing geen idee hebben waarover ze praten. Wat is hun expertise en wie is er binnen het gemeentebestuur verantwoordelijk voor voor wat ze naar buiten brengen? Is Utrecht Marketing onderhand zo losgezongen van de realiteit dat het alles kan zeggen en niemand het meer kan schelen of de inhoud klopt? Ontdek Utrecht en Utrecht Marketing weten blijkbaar niet wat een museum is en krijgen alle ruimte om dat te verkondigen.

Dat opnemen in een publiekscampagne is niet zozeer een devaluatie van het begrip museum, maar van de marketing van Utrecht. Kunst en de musea worden niet zozeer gepromoot en serieus genomen, maar tot halfproduct gemaakt van een hybride marketing waarin vele partners meepraten en de waarheid blijkbaar een compromis tussen alle betrokkenen is geworden.

Met de Utrechtse Potemkin-façade is de kous af en hoeft er niet nagedacht te worden over de vraag wat past bij het ambitieniveau van de vierde stad van het land. De promotie ervan neemt de plaats in. Dat is toch lekker makkelijk en ook nog eens goedkoper?

Wat verklaart het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat? Ik weet het antwoord nog steeds niet. De conclusie van veel van mijn gesprekspartners is wel dat de gemeente Utrecht eerder een sta-in-de-weg is dan een kracht die verder kijkt dan marketing en eigen promotie.

Gedachten bij twee foto’s van Berit Wallenberg (1934)

Berit Wallenberg, Street in Utrecht, the Netherlands; Men with bikes in a street in Utrecht, with the “Domkerk” St. Martin’s Cathedral in the background, 17 juli 1934. Collectie: Swedish National Heritage Board – Riksantikvarieämbetet.

Het is 17 juli 1934 in Utrecht. Het is warm weer, dik boven de 20 graden. Ramen staan open en een zonnescherm is neergelaten. Ter hoogte van Achter de Dom 13 maken twee mannen zich gereed om op de fiets te stappen. Op de achtergrond is een deel van de Domkerk, de Sint-Maartenskathedraal te zien. Samen met de losstaande Domtoren het symbool van Utrecht.

Fotograaf is de Zweedse archeologe en kunsthistoricus Berit Wallenberg die op 17 juli 1934 foto’s nam in Utrecht en Amsterdam en in de week daarvoor in Den Haag. Daarvoor had ze België bezocht.

Berit Wallenberg, People in Blinde-Ezelstraat (Rue Juvée) street, Bruges, Belgium; People in Blinde-Ezelstraat (Rue Juvée) street, towards the Burg Square in Bruges, 3 juli 1934. Collectie: Swedish National Heritage Board – Riksantikvarieämbetet.

Wat kunnen we van de foto’s zeggen? Wallenberg doet veel kerken, monumenten en stadsgezichten in haar foto’s. Ze legt vast. Met haar ‘droge’, afstandelijke blik op de cultuurhistorie van stad of landschap verliest ze niet de blik op de mensen. Die mogen er zijn. Niet in detail, maar in totaalshot.

Mensen op deze foto’s zijn niet precies bijvangst, maar evenmin hoofdvangst. Het is terloops, in ’t voorbijgaan, inderhaast. Niet oppervlakkig, maar evenmin diepgaand.

Hoe dan ook lijken mensen in hun handelingen of beslommeringen gevat te worden. Die niet bijzonder zijn. Zo worden ze met terugwerkende kracht een staalkaart van de menselijke soort die in beeld geschoven komt. Dat is de verrassing van een onvoorzien voorval dat natuurlijk oogt tussen de vaststaande cultuurhistorie.