Petitie ‘Kabinet, blijf weg uit theater, concertzaal, museum na heropening cultuursector’ beantwoordt minachting van politiek met minachting voor politiek

Deel van petitieKabinet, blijf weg uit theater, concertzaal, museum na heropening cultuursector’ op Petities.nl.

Dit is een petitie met een grimlach. Kwaadaardig en ironisch tegelijk. Het is een reactie op de minachting die minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge (CDA) tentoonspreidde toen hij de Nederlanders adviseerde thuis een DVD’tje op te zetten omdat het kabinet de sportscholen, bordelen, dierentuinen en caféterrassen wel opende, maar de kunstsector niet. De Jonge begreep vermoedelijk niet hoe onnozel zijn opmerking was en hoe geringschattend dat klonk. Overigens voegde De Jonge zich hiermee in een reeks bewindslieden die kunst niet serieus neemt en als een luxeproduct of amusement ziet dat gemist kan worden.

Het is de vraag of De Jonge en zijn politieke collega’s bewust of onbewust voorbijgaan aan de functie van kunst. Het ontregelt, zet op scherp en is niet te vangen. Vooral dat laatste vinden politici vervelend. In hun regelzucht en streven naar controle begrijpen politici de functie van kunst niet echt omdat ze het niet kunnen sturen en voorspellen. Overigens sloeg De Jonge de afgelopen 1,5 jaar in de projecties over het verloop van de pandemie en de bestrijding ervan zo vaak de plank mis en verkocht hij zo vaak leugens die hem om onbegrijpelijke redenen niet zijn functie kostten dat de kunst die zich aan beteugeling onttrekt erbij in het niet viel.

Vanuit het perspectief van een sturende overheid was de dynamiek van de pandemie kwalijker dan de dynamiek van de kunsten. Dat laatste zou de politici tot enige relativering over de vermeende onvoorspelbaarheid van de kunst moeten brengen. Bij nader inzien is de kunstsector niet zo uniek als politici menen. Wat er in China, de Russische Federatie, de bankwereld of de multinationals gebeurt is niet minder onvoorspelbaar en stuurbaar dan wat er in de kunstsector gebeurt. Waarom dan toch die koudwatervrees voor de kunsten?

Tegelijk is het zo dat kabinetsleden graag de praal en schittering van de meer sexy aspecten van de kunsten op zich af willen laten stralen. Dan zijn ze niet te beroerd om in het middelpunt van de belangstelling te staan naast een ster uit de cinema, de beeldende kunst of design, de klassieke of populaire muziek. De oproep van de petitie snijdt daarom hout. ‘Leden van dit kabinet zijn daarom niet langer welkom in theaters, concertzalen, musea’ zegt de petitie.

Er zijn twee kanttekeningen bij te plaatsen. De petitie zou uitgebreid moeten worden tot leden van de regering, zodat ook de koning en indirect zijn echtgenote hier onder vallen. De koninklijke familie kwam afgelopen jaren herhaaldelijk negatief in het nieuws door hun omgang of verkoop van beeldende kunst waarvan het de vraag was of het er wel de eigenaar van was. Deze familie heeft zich hiermee laten kennen als hebzuchtig ten koste van de kunst en het algemeen belang. Hun houding tegenover kunst rechtvaardigt niet dat ze publiekelijk optreden als ambassadeurs ervoor.

Daarnaast is het de vraag of het principe van oog om oog, tand om tand werkt. Als dat de kloof tussen politiek en kunst nog meer verdiept, dan zijn zowel de kunstsector als de politiek daarmee niet geholpen. De symboliek van de petitie is weliswaar duidelijk doordat het de minachting van het kabinet voor de kunstsector beantwoordt met de minachting van de kunstsector voor de politiek, maar wijzer worden ze er niet van.

Een petitie die op zou roepen om de huidige politieke klasse verplicht bij te scholen over kunst zou een constructiever antwoord zijn. Leden van de Tweede Kamer hebben doorgaans overal een mening over, maar weten feitelijk niet altijd echt iets over het onderwerp waarover ze een mening verkondigen. Bij de kunst lijkt die kloof van onkunde bij politici nog groter dan bij andere onderwerpen. Ook van kabinetsleden kan aangenomen worden dat ze niet echt weten waarover ze praten als ze het over kunst hebben.

Overigens is een gemis van de petitie dat het spreekt over ‘de cultuursector’. Dat is fout. Kunst en cultuur staan haaks op elkaar en hebben tegengestelde functies. In de titel had moeten staan ‘de kunstsector’.

Debilisering NPO van Songfestival gaat gelijk op met schoffering van kunstsector door kabinet

Afgelopen weken besteedden de Nederlandse media veel aandacht aan het Eurovisie Songfestival waarvan vanavond 22 mei 2021 de finale in Rotterdam wordt gehouden. Ook de geschreven pers deed daar volop aan mee. Tekenend was dat NRC op 8 mei een special van 14 pagina’s maakte over het Songfestival en er daarna bijna dagelijks ruim aandacht aan besteedde. Ok, het is een interessant fenomeen, maar verdient het echt zoveel aandacht?

Oud-presentator Hans van Willigenburg heeft het in een stuk voor TPO over de debilisering van de publieke omroep NPO die de organisator is van het Songfestival. De titel van zijn artikel (achter betaalmuur) leest als een analyse van de psychische gesteldheid van de media en van de huidige stand van zaken van Nederland: ‘Debilisering NPO bereikt hoogtepunt tijdens de week van het Eurovisie Songfestival; Talkshowtafels worden uitstalkasten van prietpratende BN-ers en afzichtelijke zelfpromotie.’

Wat is hier aan de hand en wat verklaart de aandacht voor het Songfestival door de Nederlandse media die gerust buitenissig genoemd kan worden? Dat betreft zowel populaire als serieuze media.

Deskundigen met verstand van muziek geven toe dat muzikaal het Songfestival weinig voorstelt. Er wordt vals gezongen door zangers die niet zoals in de studio digitaal gecorrigeerd kunnen worden zodat het nog wat lijkt, een live orkest ontbreekt en in een poging om op te vallen wordt het streven naar goede muziek vaak vervangen door het streven naar extravagantie. Het Songfestival is de viering van de middelmaat. Het is voorspelbaar, ongevaarlijk, makkelijk en inwisselbaar. Dat verklaart wellicht de omarming ervan.

In een ingezonden brief in NRC vroeg een briefschrijver naar aanleiding van die vele aandacht voor het Songfestival of dat nog wel in proportie is. Hij vond van niet en zette dat af tegen het ontbreken van aandacht in de Nederlandse media voor de Koningin Elisabethwedstrijd in België waar dit jaar pianisten strijden om de eer. De finale is komende week van 24 tot 29 mei. De Vlaamse radiozender Klara besteedt er dagelijks van 20.00 tot 22.00 uur aandacht aan. Bij de laatste 12 halve finalisten was ook de Nederlander Aidan Mikdad. Een prima resultaat. Maar zelfs voor de chauvinistische Nederlandse media was dat onvoldoende om er aandacht aan te besteden.

Feit is dat Nederlandse media vele malen meer aandacht hebben voor het Songfestival dan voor het kwalitatief hoogstaande Koningin Elisabethwedstrijd waar een Nederlander hoge ogen gooide zonder dat het in Nederland wordt opgemerkt. Ook niet door de kwaliteitsmedia.

Ik beweer niet dat het Eurovisie Songfestival geen aandacht verdient. Het voldoet aan een behoefte en het is begrijpelijk dat mensen en media snakken naar verbindende evenementen. Dat verklaart wellicht mede de buitenissige aandacht na een periode van stilstand. Ik stel wel vragen bij de evenredigheid van de aandacht die in mijn ogen abnormaal is.

Het is vooral de NPO die financieel en programmatisch zwaar heeft ingezet op het Songfestival en het als zelfpromotie is gaan gebruiken om het eigen merk te promoten. Dit gaat niet meer over het Songfestival, dit gaat over de NPO die zichzelf op de borst klopt. Het Songfestival wordt door de publieke omroep tot aan de laatste druppel uitgeperst. Het lijkt er sterk op dat de andere media zich door deze opgeklopte gekte hebben laten meeslepen.

Het gaat verder dan de aandacht voor de competitie zelf en waaiert uit naar eindeloze achtergrondverhalen, talkshows over het Songfestival en Rotterdam dat deze week vanuit Hilversums perspectief als het centrum van de wereld wordt beschouwd.

Dat schrijnt omdat de publieke omroep die steeds commerciëler wordt dit tegen beter weten in ontkent. Het bewijs is de aandacht voor het Songfestival die niet verklaard kan worden door het belang van het Songfestival.

Hans Galesloot maakt korte metten met de schijnheiligheid en de leugens van de NPO in een ingezonden brief in NRC waarmee hij reageert op NPO-directeur Frans Klein die ontkent dat de NPO wordt gedreven door geld. Galesloot: ‘De NPO is een hybride omroep, die jaarlijks op het hoofdveld NPO1 150 tot 200 miljoen euro moet verdienen als onderdeel van de omroepfinanciering. (..) De wens om het bereik in de doelgroep 20-49 te vergroten heeft dus alles te maken met de financiering van de NPO. Het is hypocriet van Klein om dat feit te ontkennen. Hij moet wel degelijk een groot gedeelte van zijn zendtijd verkopen om de financiering van de NPO veilig te stellen.’ Het is niet onwillekeurig dat de NPO het Songfestival aangrijpt om de doelgroep 20-49 jaar ‘erbij te trekken’.

Het is geen toeval dat in de weken dat het kabinet de kunstsector achter aan liet sluiten bij het openen van de samenleving, door afzwakking van maatregelen om de pandemie te bestrijden, de publieke omroep buitenissige aandacht besteedt aan het Songfestival en de Koningin Elisabethwedstrijd zo goed als negeert. Zoals Van Willigenburg constateert heeft uit zelfpromotie en eigenbelang de debilisering de Nederlandse publieke omroep in bezit genomen. Om dat te verhullen liegen de NPO-bobo’s over de ware aard ervan en wisselen ze journalistiek en kunst in voor amusement dat kijkers die geld opbrengen bindt. Maar het is erger dan dat, de debilisering wordt door media en politiek de samenleving opgelegd.

Het is de eenzijdigheid om iedereen in dezelfde mal te willen stoppen die steekt. Bij de publieke omroep die commercieel handelt én de politiek. Het economisch denken is zo dominant geworden dat de inhoud eronder lijdt en er geen keuze is om uit te wijken naar kunst. Nieuwsconsumenten moeten uit diverse bronnen hun aanbod zelf bij elkaar hosselen.

 

Is de middelmatigheid van Hugo de Jonge nodig?

Minister De Jonge grapt over gebaar voor hamsteren tijdens persconferentie, april 2020.

Het is een cliché. maar alles is relatief. Neem nou de politiek. Hugo de Jonge is als minister van Volksgezondheid een voorbeeld van een middelmatig politicus. Zijn opereren in de COVID-19 is niet overtuigend. Zijn taalgebruik is omslachtig, niet precies en zit vol met slechte gewoonten. Een originele en autonome geest is daar niet achter te vinden.

Als Hugo de Jonge wordt doorgesneden, dan toont zich een leegte die wordt verhuld door gele Post-it notities met kreten die op zoek zijn naar betekenis die ze nooit zullen vinden.

Vorige week dinsdag kwam daar op een persconferentie over de pandemie De Jonge’s uitspraak bij dat Nederland wel ‘een dag zonder’ theaters en musea kan. De kunstsector vatte dat terecht op als een dolksteek in de rug. Ofwel, een aanval met woorden die minachting voor de kunst verraadt. In zijn middelmatigheid had deze minister vermoedelijk niet in de gaten welke betekenis zijn woorden hadden en hoeveel schade hij ermee aanrichtte. Vooral aan zijn eigen aanzien. Zijn rivalen zullen gesmuld hebben van zoveel onhandigheid.

Toch kan het nog slechter dan zo’n minister die als een stoethaspel onhandig over zijn eigen woorden struikelt en geen controle heeft over zijn beleidsterrein. Want zoals gezegd, alles is relatief. We hoeven maar naar rechts te kijken om types als voormalig president Donald Trump of het zelfbenoemde genie Thierry Baudet te zien die angstwekkender zijn dan een middelmatige minister. Zij zijn tegendraads, uitsluitend op zichzelf gericht en de rede voorbij. Ze laten zich kennen als vijanden van de democratie. Continu maken ze fouten zonder dat toe te geven. Want de fout ligt bij de ander, zo vertellen ze.

De subversie van Trump of Baudet is geen reden om de middelmatigheid van De Jonge niet publiekelijk te benoemen. Of de middelmatigheid van minister Ingrid van Engelshoven (D66) die zegt voor de kunsten op te komen zonder voor de kunst op te komen. Aftreden was haar redding geweest om geloofwaardig te zijn, maar dat lef miste zo. Zoals ze op al haar beleidsterreinen lef mist. De reeks middelmatige ministers in het demissionaire kabinet Rutte III is groot. Voor de volledigheid hun namen: Ollongren, Blok, Bijleveld, Van Nieuwenhuizen, Dekker en Grapperhaus.

Interessant is de vraag waarom er zoveel middelmatige ministers zijn. Hoe komt dat? Waren ze hun hele leven al middelmatig of zijn ze dat pas geworden door de gietvorm van de partijpolitiek waardoor ze misvormd zijn? Of doet het er niet toe? Moet de conclusie zijn dat een zeker volume aan middelmatigheid het noodzakelijke smeermiddel van het politieke bedrijf is? Als je de middelmaat weghaalt, dan verliest de constructie het verband.

Middelmaat kan daardoor opgevat worden als een noodzakelijke voorwaarde voor politiek. Het is het cement én het stootkussen dat zelfbenoemde genieën die met zichzelf op de loop gaan op afstand houdt. Wetenswaardig is om te beredeneren wat de optimale mix is van middelmatigheid die nodig is om net zoveel cement te bieden dat de constructie houdt, terwijl niet te veel wordt ingeboet aan kwaliteit. Een advies aan de informateur voor een volgend kabinet is om het met ietsjes minder middelmatigheid te doen. Want Hugo de Jonge is nogal verregaand middelmatig. Hij overdrijft het.

Wat verklaart de apathie van de kunstsector? Gedachte bij foto [Man working in museum display], 1931

Harris & Ewing, [Man working in museum display], 1931. Collectie: Library of Congress.

Bij de opheffing van de restricties als gevolg van de bestrijding van de COVID-19 pandemie mag de kunstsector achter aansluiten. Minister Hugo de Jonge gaf de kunst een trap na door te concluderen dat we een DVD-tje op kunnen zetten vanwege dichte theaters. De reactie daarop van kunstbobo’s was fel, maar ik miste de beste reactie om deze neerbuigende houding van de CDA-minister te weerleggen. Namelijk waarom zouden kerken open moeten zijn als gelovigen thuis de bijbel kunnen lezen? Kerken waren vanaf het begin uitgezonderd van de strenge maatregelen. Godsdienst wordt door het kabinet als essentieel gezien en kunst niet. De kunstsector staat wel te kijk in de etalage.

De schoffering van de kunstsector door de politiek heeft me afgelopen week beziggehouden. Niet in de zin van geamuseerd, maar van zorgen gebaard. Boosheid en onbegrip strijden om voorrang.

Een en ander roept vragen op. Aan museummensen en kunstenaars. Waar zijn het Mondriaanfonds en de Museumvereniging nu de kunstsector onder druk ligt en we ze nodig hebben? Ze geven niet thuis. Ze lijken mentaal en financieel te afhankelijk geworden van de rijksoverheid zodat als ze moeten spreken ze zwijgen. Of alleen wat plichtmatig en kosmetisch sputteren voor de bühne. Doorpakken en zich ferm uitspreken door het ondubbelzinnig op te nemen voor de kunstsector zit er niet in. Straks ligt niet alleen de kunstsector op zijn gat, maar hebben deze twee instellingen die dicht tegen de overheid aanleunen elke geloofwaardigheid verloren. Dan zijn de kunsten nog verder van huis. Dan is de missie van de politiek geslaagd om de kunst nog verder in te perken.

Tweet van Museumvereniging met eigen antwoord, 15 mei 2021.

Ik vermoed trouwens dat de Museumvereniging door het plotselinge overlijden van directeur Mirjam Moll op 16 maart 2021 onthoofd is. Ook het bestuur (Irene Asscher-Vonk, Erik van Ginkel e.a) laat zich echter publiekelijk niet horen. Of gaat de moeder van Lodewijk Asscher nu via haar zoon in gesprek mat PvdA-informateur Mariëtte Hamer?

Zelfreflectie van de kunstsector en de ondersteunende instellingen is nodig. Ze schitteren door afwezigheid in het publieke debat. Dat is bizar. Met als gevolg dat bordelen, horeca, sportscholen en de evenementenbranche in het kabinet door goede lobby naar voren zijn gedrongen en de kunstsector door apathie achter aan kan sluiten. Het is onverteerbaar dat een sector zich zo gewillig naar de slachtbank laat leiden.

De kunstsector moet in actie komen. Met harde acties die er niet om liegen. De politiek heeft de kunstsector zo geschoffeerd dat stilzitten overgave en het tekenen van het eigen doodsvonnis is. Is het dan toch waar dat culturele instellingen slecht bestuurd worden, hopeloos verdeeld zijn en vooral het kunstinstellingenbeleid van de overheid schragen? Nederland kent geen solide kunstbeleid omdat er gewoonweg geen steun voor kunst is. Het lijkt er sterk op. Alleen acties vanuit de kunstsector kunnen dat beeld rechtzetten. Nu.

Kunst heeft in Nederlandse politiek geen prioriteit. In het land der liegende politici is éénoog premier

Grete Stern: “Das Ewige Auge“, um 1950. Fotomontage, Silbergelatinepapier.

Het gebrek aan prioriteit dat het kabinet geeft aan de kunstsector is verbazingwekkend. De ons omringende landen hechten wel belang aan de kunst. Nederland niet. Waarom niet?

Het valt niet te begrijpen waarom het demissionaire kabinet Rutte III vindt dat musea en theaters achteraan de rij aan mogen sluiten bij het weer openen van de samenleving als gevolg van de COVID-19 pandemie. Het Parool bericht over de verwachte kabinetsbesluiten.


Dierentuinen, pretparken, sportscholen en verdere verruiming van de openingstijden van de al eerder geopende terrassen komen naar verwachting voor de openstelling van musea en theaters in de tweede helft van mei. Waarom is dat? Eerder waren de slijterijen en kerken open en de bibliotheken en musea dicht.

Hoeveel haat jegens de kunst kan een kabinet tonen en hoeveel haat jegens de kunst willen weldenkende burgers aanvaarden? Is de bodem onder een redelijke benadering van de kunstsector in het kabinetsbeleid al niet lang geleden weggevallen? Denk aan de botte bijl van toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD) die geen verbeelding aan de macht wilde, maar zelf last kreeg van zijn verbeelding toen hij loog bij president Poetin op bezoek te zijn geweest in diens buitenhuis. Liegen is de enige kunst die leden van de kabinetten Rutte zichzelf toestaan.

Collage, zonder titel of nadere gegevens.

Bij VVD, CDA en CU bestaat nu eenmaal weinig liefde voor kunst. Die partijen maken zich eerder sterk voor ondernemingen of kerken. Dat is begrijpelijk, dat zit in hun DNA. Maar waar blijft het zogenaamde kunstvriendelijke D66-smaldeel in het kabinet dat pretendeert het op te nemen voor de kunst? Ze zwijgen. De kunsten hebben op dit moment geen steun in het kabinet. De liefde ervoor ontbreekt daar ten enenmale.

Het is veelzeggend dat geen enkele Nederlandse politieke partij het ondubbelzinnig opneemt voor de kunstsector. Samen met restaurants en reisbranche zijn dat immers de door de pandemie zwaarst getroffen sectoren. Het kabinet Rutte III drukt vooral geestelijke armoede uit. Het interesseert zich als het erop aankomt geen lor voor de kunst. Het houdt van de overzichtelijkheid van de culturele woestijn.

Het gebrek aan liefde voor de kunst komt bovenop het stelselmatig liegen van premier Mark Rutte. Als hij zegt dat zijn liefde voor de kunst diep zit, dan weten we bij voorbaat dat hij liegt.

Het geluk voor de coalitie van VVD-CDA-D66-CU is dat de linkse en rechtse oppositie even ongeloofwaardig en richtingloos opereren en geen idee hebben hoe en met wie het de eigen prioriteiten kan realiseren. Het navelstaren en het continu met elkaar bezig zijn van de politieke partijen gaat ten koste van de samenleving. Niet in de laatste plaats van de kunstsector. In het land der liegende politici is éénoog premier.

Duiden van identiteit in de kunst wordt valkuil als dat onzorgvuldig gebeurt. Commentaar op het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’

Daar gaan we weer. Identiteit in de kunst en het scheve beeld dat de media ervan geven. Deze keer zijn Teylers Museum en de 19e eeuwse Frans-Amerikaanse ornitholoog, natuuronderzoeker, vogelschilder en werkgever van slaven John James Audubon aan de beurt. Op touw staat de tentoonstelling ‘Vogelpracht’ die dit museum in juni 2021 hoopt te openen.

Journalist Jean-Pierre Geelen identificeert zich in het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ in de Volkskrant bij voorbaat met de oppositie die Audubon oproept. Hij noemt het ‘hoogst explosief materiaal’. De toon is gezet. De eindredactie maakt van een bezitter van slaven voor het gemak een ‘racistische vogelschilder’. De 21e eeuw wordt rechtstreeks in het vat van de 19de eeuw gekieperd alsof in twee eeuwen alles bij hetzelfde is gebleven.

Geelen maakt een knip door het te verbinden aan de Code Diversiteit & Inclusie die Teylers Museum onderschrijft. Alsof dat bijzonder is. De hele museumsector onderschrijft immers deze Code. Hij geeft een citaat uit de code dat staat onder het kopje ‘Artistiek en inhoudelijk: inclusief werken is een verrijking voor kwaliteit’ dat aldus eindigt: ‘Jouw organisatie moet een veilige plek zijn waar iedereen zich thuis voelt om zich in een ander perspectief te verplaatsen’. Ok, redelijk, maar wat heeft het feit dat Audubon twee eeuwen geleden slaven in bezit had te maken met een veilige werkomgeving van een museum in 2021?

Rekt Geelen dit aspect van de Code niet oneigenlijk op en maakt hij er wat anders van dan het behelst? Daar lijkt het sterk op. Probeert Geelen nou te suggereren dat de werkomgeving er voor medewerkers onveilig op wordt als in een tentoonstelling een schilderij van een 19de eeuwse vogelschilder annex slavendrijver wordt getoond en medewerkers zich daardoor niet meer thuis zouden voelen in dat museum? Welk probleem helpt Geelen hier creëren? Is dat allemaal niet te simpel gedacht en met hoeveel slagen tegelijk probeert Geelen thuis te komen in zijn eigen bubbel?

Het is toch juist de taak van een historisch kunstmuseum als Teylers Museum om objecten uit de kunstgeschiedenis in de juiste context voor een breed publiek te tonen?

Jazeker, Audubon had slaven in bezit en jazeker, dat wordt nu terecht afgewezen en jazeker, dat feit moet in zijn levensbeschrijving niet ongenoemd blijven en jazeker, dat ligt politiek op dit moment uiterst gevoelig, maar welnee, dat betekent niet dat ter discussie staat dat zijn schilderijen niet in een museum getoond kunnen worden. Als dat zo zou zijn, dan zou zijn werk in geen enkel museum meer getoond kunnen worden. Dan gaat het politieke aspect volledig het kunsthistorische aspect overheersen. Mogen musea daar alstublieft zelf over beslissen? Ze hebben er geen politieke activisten of activistische journalisten voor nodig om hen op hun verantwoordelijkheid en gedragsregels te wijzen.

Geelen lijkt meer bezig met het aanscherpen van maatschappelijke verschillen dan met het geven van duiding. Waarom stelt hij iets ter discussie dat niet ter discussie moet worden gesteld? Zoals alle musea probeert Teylers Museum dit passend op te lossen zonder al te veel weerstand in de samenleving op te wekken. Maar dat is toch geen kwestie van worstelen, maar van gewoon professioneel handelen?

Als het de taak van een journalist is om zich te identificeren met een politieke zaak en het publiek te informeren onder het mom van een evenwichtig enerzijds-anderzijds verslag, dan zijn we gewaarschuwd. Ook voor journalisten is identiteitsdenken een valkuil waar ze met open ogen in kunnen stappen. Het advies voor zolang het duurt: hou het simpel en maak het niet ingewikkelder en wijsneuziger dan het is. Daar is niemand mee geholpen. De museumsector nog het minst.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ van Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant, 3 maart 2021.

Pleidooi om sociaal-economische status leidend te laten zijn in de Code Diversiteit & Inclusie

Sterk pleidooi van de Franse filosoof en romancier Pascal Bruckner in interview in het FD om diversiteit breder te interpreteren dan huidskleur. Sociaal-culturele onderwerpen als identiteit drukken de sociaal-economische onderwerpen (sociaal-economische status, opleidingsniveau) weg zonder dat dit goed beseft wordt. Dat is een ongewenste en eenzijdige situatie. Het lijkt een taboe dat zo sterk is dat het niet eens als probleem benoemd wordt.

Via een omweg krijgt Bruckner ook gelijk voor wat Nederland betreft. De kunstsector is er een duidelijk voorbeeld van hoe die eenzijdige aandacht voor huidskleur ontspoort. Bizar en tamelijk onverklaarbaar is dat in Nederland de kunstsector een Code Diversiteit en Inclusie als norm heeft ingesteld die allerlei soorten achterstelling van minderheidsgroepen in beschouwing neemt, waaronder sociaal-economische status. Naast gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie opleidingsniveau en leeftijd.

Maar in de media, de kunstjournalistiek, de kunstsector en de publieke opinie lijkt die brede opvatting van diversiteit niet door te dringen. Het wordt nog steeds weggemoffeld ten koste van het dominante debat over identiteit, huidskleur, ras, slavernij en kolonialisme dat door radicale groeperingen wordt gevoed. Als hun inzet begrijpelijk is, dan is die van de kunstjournalistiek of de kunstsector niet. Die laatste is lui en gemakzuchtig, en laat zich vooral kennen als -hier komt het scheldwoord- elitair.

Want het lijkt er sterk op dat hoogopgeleide kunstjournalisten en kunstbobo’s zich meer kunnen identificeren met buitenlandse, zwarte kunstenaars die doorgaans ook een goede opleiding hebben en uit de hogere middenklasse afkomstig zijn, dan met witte, Nederlandse kunstenaars met een sociaal-economische achterstandspositie, weinig netwerk en gebrekkige sociale vaardigheden. Het is de vraag of deze kunstjournalisten en kunstbobo’s hun eigen gebrekkige blik beseffen of dat ze die juist bewust in stand houden. Wat is trouwens kwalijker?

Hoe dan ook is het de hoogste tijd dat in het debat over achterstanden en de terecht oproep om die weg te werken de obsessie met huidskleur stopt en ophoudt de belangrijkste norm te zijn die bepaalt wat achterstand is. Hoewel zoals gezegd de leidende gedragscode in de kunstsector daar allang aan voorbij is gegaan. De sociaal-economische norm is belangrijker en omvangrijker en verdient het om dominant te zijn in het debat. In de praktijk zullen in veel gevallen trouwens identiteit en sociaal-economische achterstand samenvallen, zodat dit onderwerp niet uit het debat hoeft te verdwijnen. Maar het kader waarbinnen het besproken wordt verdient het om breder te zijn.

Het is niet zinvol om witte mensen in een achterstandspositie die er economisch en sociaal slecht voorstaan te verwijten dat ze lid zijn van een bevoorrechte klasse, terwijl zij of hun ouders en kinderen daar nooit van hebben geprofiteerd. Dat maakt mensen terecht opstandig en drijft ze in de armen van ultra-rechts. Als vervolgens (kunst)journalisten en kunstbobo’s de retoriek van links-radicale activisten overnemen en blijvend verkondigen, en de witte achterstandsgroepen verwijten ultra-rechtse sympathieën te hebben, dan wordt het misverstand versterkt en de kloof verder verbreed. Deze kunstjournalisten en kunstbobo’s maken zo een gevolg tot oorzaak en denken in hun dwaling zelfs dat ze het goede doen.

In het verlengde hiervan dient bij de collectievorming van musea beter beseft te worden dat kunst van witte Nederlandse kunstenaars met een lagere sociaal-economische status eveneens ondervertegenwoordigd is als kunst van andere achterstands- en minderheidsgroepen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelInteressant: alleen blanken worden gesommeerd diverser te zijn’’ in het FD, 29 januari 2021.

Musea en kunstinitiatieven moeten afstand houden tot cancelcultuur. Emancipatiestreven eindigt vaak in intolerantie en nieuw vooroordeel

Ik moest bij lezing van een artikel in Het Parool over cancelcultuur in de kunsten met bovenstaand citaat van Raisa Blommestijn (docent en promovendus aan de rechtenfaculteit van de Universiteit Leiden) denken aan een observatie van Renate Rubinstein die Paul Scheffer in zijn NRC-column van 27 november 2020 noemt:

Rubinstein verwijst vanuit de vorige eeuw naar andere verschijnselen, maar het principe is hetzelfde. Wat zij constateert is afgelopen jaren gebeurd in de kunsten. Zoals zij het meer dan 30 jaar geleden voorzag. Men kan zich alleen maar afvragen waarom er in de publieke opinie geen Rubinstein 2.0 is opgestaan die met een scherpe analyse de promoters van de cancelcultuur alle hoeken van de kamer liet zien. Dat is het verschil met toen. Kritiek op de cancelcultuur was er wel, maar die bleef tamelijk onopgemerkt. Wellicht heeft dat te maken met de fragmentatie van de publieke opinie die in Rubinsteins tijd nog niet in die mate bestond. Nu kwamen actie en reactie uit de Angelsaksische wereld en waren de Nederlandse opinieleiders en kunstsector een tamelijk passieve partij. Tekenend was dat de Nederlands-Britse commentator Ian Buruma in de Nederlandse publieke opinie zich het felst uitsprak tegen de cancelcultuur. Mede omdat hij er persoonlijk het slachtoffer van was geworden.

Een groep die valt te omschrijven als links-radicaal en opkomt voor gelijkheid en streeft naar emancipatie is doorgeslagen en in haar tegendeel verkeerd. Tijdelijk kunnen best vanzelfsprekendheden worden opgeschort om achterstanden van minderheidsgroepen weg te werken, maar als dat een nieuwe structurele ongelijkheid introduceert dan schiet het zijn doel voorbij.

Ongelukkig is ook dat de kwetsbare, weerloze en kleine, maar oh zo sexy kunstsector het doelwit is. Waar heeft de kunst die onwelkome aandacht aan te wijten? Het tragische is dat vele Nederlandse kunstinstellingen zich niet goed weten te verhouden tot die doorgeslagen en niet meer te begrenzen emancipatie en in vele gevallen met open ogen in de fuik van de intolerantie lopen. Waarmee deze musea of kunstinitiatieven vooral zichzelf beschadigen en achter het verkeerde vaandel aanlopen. Als ze zich hiervan uiteindelijk bewust werden, dan moeten ze tot hun schrik constateren dat ze niet meer op hun schreden kunnen omkeren.

De les voor Nederlandse musea en kunstinitiatieven is dat een afkoelingsperiode moeten inlassen. De verstandige en goed bestuurde instellingen hebben dat ook gedaan. Ze moeten zich even stilhouden en pas op de plaats maken. Niks doen. Ze moeten zich niet op laten jagen door een radicale minderheid en de veiligheid inbouwen dat die niet het interne debat overnemen en gaan domineren.

Musea en kunstinstellingen moeten zich niet onder druk laten zetten door een vaak van buiten de Nederlandse grenzen opererende kosmopolitische links-radicale lobby. Hoe sympathiek en lovenswaardig hun uitgangspunten ook zijn. De actievoerders zijn vaak niet eens goed op de hoogte van de situatie in de Nederlandse kunstsector, of worden uitsluitend voorgelicht door selectieve ’tolken’ die de internationale agenda weer met hun Nederlandse agenda en eigenbelang combineren. De projecties en dwarsverbanden zijn eindeloos en werken verwarrend, ook wat de herkomst ervan betreft.

Mikpunt zijn naïeve bestuurders die zich laten intimideren. Dieptepunt was het debat in het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With met een bestuur dat zich onder druk liet zetten door een radicale minderheid en een nieuwe generatie die de kans rook om een voet tussen de deur te krijgen. Zo grijpen incidentele en structurele wetmatigheden in elkaar. Dat is van alle tijden. Zoals de ontsporingen van emancipatiebewegingen die in hun tegendeel verkeren en de roep om gelijkheid en tolerantie inwisselen voor een houding van ongelijkheid en intolerantie en dat ook zijn. De kunstsector is gewaarschuwd om alert en niet al te naïef te zijn. Meegaan met een bevrijdingsstrijd is in beginsel niet verkeerd, maar omdat je nooit weet waar het eindigt valt het toch af te raden.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelCancelcultuur in de kunstwereld: hoe compromisloos kan kunst nog zijn?’ van

Foto 2: Schermafbeelding van deel columnWie bij zichzelf te rade gaat is nooit vrij van angst’ van Paul Scheffer in NRC, 27 november 2020.

Antwoord aan Tommy Wieringa: Duitse kunst wordt tot courtisane van de politiek gemaakt. Dat is geen voorbeeld voor Nederland

Mijn reactie op de FB-pagina van NRC bij de columnDe wereld van gisteren’ van Tommy Wieringa in NRC, 28 augustus 2020:

Wieringa laat zich misleiden door zich blind te staren op de Duitse cultuurpolitiek. Het is een verkeerd begrepen onderwerp dat Nederlandse opinieleiders telkens weer als tegenvoorbeeld hanteren. Wieringa kijkt selectief, hoewel hij uiteraard gelijk heeft dat het misnoegen van de complete Nederlandse politiek én de samenleving voor de kunst immens is. Dat verdient kritiek. Maar laat hem dat zeggen en het daar bij laten. Het is ongelukkig om dat reliëf te willen geven door de vergelijking met de Duitse cultuurpolitiek. Die wordt door het Nederlandse voorbeeld dat afkeuring verdient nog niet witgewassen.

Het kunstbeleid van zowel kanselier Merkel als de regionale Duitse politiek is behoudend en vooral gericht op het ondersteunen van gevestigde culturele instellingen. Merkel pleit uitsluitend voor steun die in lijn is met het overheidsbeleid. Zo maakt ze kunst ondergeschikt aan haar politieke doelen. Hoe royaal ze dat ook doet, het staat haaks op het ondersteunen van het experiment of de tegendraadsheid van de kunst. Merkel zet met haar steun in op het verder Salonfähig maken van de kunst.

Men zou zelfs de stelling kunnen verdedigen dat het beleid van Merkel de kunst meer beschadigt dan wat premier Rutte nalaat. Het is als een pianoleerling die zich door zelfstudie een verkeerde vingerzetting heeft aangeleerd. Dat is een slechtere uitgangspositie om een succesvolle pianist te worden dan iemand die nieuw moet beginnen. In Duitsland heeft zich een establishmentkunst gevestigd die slechts in enclaves in grote steden concurrentie krijgt van initiatieven van de kunstenaars zelf. Getalsmatig vertaald gaat dat om de establishment cultuurpolitiek van SPD en CDU/CSU tegenover de Groenen die uitgaan van de kunst en de kunstenaars.

Het gaat dus om de vrijheid van de kunst, of nog liever gezegd om de vraag wat de functie van kunst is. Of nog anders geformuleerd, kan kunst die getemd, gepamperd en ondergeschikt is gemaakt aan doelen van politieke partijen nog kunst genoemd worden? Of is die ‘kunst’ verworden tot een circusact van een paard dat eindeloos door de piste mag draven onder applaus van de politiek die zich ervoor zelfgenoegzaam op de borst klopt?

Wieringa doet er verstandig om een doorstart in zijn denken te maken over de Duitse cultuurpolitiek. Hij heeft uiteraard gelijk wat de aftandse stand van de Nederlandse cultuurpolitiek betreft. Hoofdfiguren als premier Mark Rutte, minister Eric ‘kunst is een hobby’ Wiebes en minister Ingrid van Engelshoven kunnen hun weerzin tegen de kunstsector niet verbergen. Op lokaal niveau tonen cultuurwethouders juist ongegeneerd hun weerzin door zich af te zetten tegen de kunst. In 2017 zei de Alphense cultuurwethouder Kees van Velzen (CDA) over een kunstwerk in de publieke ruimte dat hij het ‘foeilelijk’ vond en wilde vervangen door een werk dat ‘meer uitstraling en betekenis heeft voor de identiteit van de gemeente’. Dat is de kern waar het om gaat. Merkel wil de kunst inzetten voor de identiteit van Duitsland. Maar zijn we het er niet over eens dat kunst zich niet tot een lover boy of in het Duitse geval tot een deftige courtisane van de politiek moet laten maken?

Foto: Schermafbeelding van deel columnDe wereld van gisteren’ van Tommy Wieringa in NRC, 28 augustus 2020

Klaus-Dieter Lehmann: ‘Kunst moet vrij zijn’. Hoe verhoudt zich dat tot de eis van diversiteit die overheden aan de kunstsector stellen?

Klaus-Dieter Lehmann is president van het Duitse culturele Goethe Institut. Hij houdt een toespraak bij de aankondiging van de uitreiking van de jaarlijkse Goethe-Medailles op 28 augustus 2020 aan Zukiswa Wanner, Elvira Espejo Ayca en Ian McEwan. Ze worden namens de Duitse staat uitgereikt. Het motto van 2020 is ‘Verdraag tegenspraak – de opbrengst van tegenspraak’ (Widerspruch ertragen – der Ertrag des Widerspruchs).

Het Goethe Institut geeft een toelichting over de toekenning en de laureaten. Lehmann ziet de coronacrisis meer dan een virologisch probleem als hij zegt: ‘Het verandert samenlevingen door wederzijds isolement, desinformatie en tegenstrijdigheden. We willen deze ontwikkeling trotseren en niet afzien van de uitreiking van de Goethe-medaille. We versterken wat hen verbindt met een grensoverschrijdend digitaal netwerk van cultuur en zullen zo nieuwe alternatieven en processen krijgen als gevolg van de tegenstrijdigheid.’

Interessant is dat Lehmann stelt dat kunst vrij moet zijn en niet onderworpen aan externe beperkingen. Wie die lijn doortrekt stuit echter op een tamelijk nieuwe tegenstelling. Want de politiek of cultuurfondsen die van overheidsgeld afhankelijk zijn leggen tegenwoordig kunstinstellingen normen op over diversiteit en inclusie. Weliswaar formeel vrijblijvend, maar praktisch gedwongen gezien de economische afhankelijkheid van de kunstsector van overheidssubsidies. Zonder dat hij dat ondubbelzinnig zegt, kan uit Lehmanns woorden afgeleid worden dat de eis van diversiteit een ongewenste externe beperking van de kunst vormt. Dat is de tegenstrijdigheid waar hij omheen praat. Zoals alle hedendaagse beleidsmakers zich over deze eisen aan de kunstsector van de domme houden omdat ze beseffen dat eisen over diversiteit en inclusie afbreuk doen aan de vrijheid van de kunst. De eisen vergroten zelfs de grip van de overheid op de kunstsector. Kunstenaars hebben daar kritiek op, maar zijn machteloos om zich ertegen te verzetten omdat ze afhankelijk van overheidssubsidies kunnen zijn. Dat terwijl Lehmann een pleidooi voor diversiteit houdt en dat tot uiting komt in de toekenning aan drie ‘tegensprekende’ kunstenaars uit drie continenten. Hoe dan ook houdt Lehmannn een mooi humanistisch verhaal dat de noodzaak van kunst benadrukt. Met tegenstrijdigheden en tegenspraak.