Pleidooi voor scheiding van staat en landbouwlobby

Schermafbeelding van deel artikelWij, kiezers en belastingbetalers, worden met open ogen opgelicht door de veelobby‘ van Tim Reijsoo in de Volkskrant, 21 augustus 2022.

Mijn instemmende reactie op het opinie-artikel van Tim Reijsoo in de Volkskrant van 21 augustus 2022:

Eens met het commentaar. Zoals Tim Reijsoo opmerkt is het merkwaardig dat we de deconstructieve macht van de landbouwlobby kennen, maar die merkbaar niet terug kunnen dringen. De landbouwlobby heeft VVD en CDA vooral op regionaal niveau in de zak.

De agro-industrie zal haar verdienmodel van optimaal producerende melkveeboeren niet vrijwillig opgeven. Maar de politiek is onmachtig en heeft met het CDA een verrader van de algemene zaak in het kabinet om dat krachtig te veranderen. Hoewel minister Van der Wal voet bij stuk houdt.

Er zijn nog drie aspecten die genoemd hadden kunnen worden:

1) De media zitten ook steeds meer in de zak van de radicale boeren en de agro-industrie. Als de boeren een overleg hebben met Remkes dan besteedt het NOS Journaal daar zoveel zendtijd aan zonder enige kritische duiding dat het sterk lijkt dat de NOS promotie voor boeren en agro-industrie maakt. De publieke omroep laat zich intimideren en houdt de rug uit lafheid niet langer recht. Als de natuur- en milieuorganisaties een week later ook zo’n overleg hebben met Remkes dan doet het NOS Journaal dat af in 30 seconden.

2) De invloed van de boeren en boerenorganisaties doet zich op het laagste democratische niveau vooral gelden in besturen van waterschappen die op ondemocratische wijze worden gekozen. Met zetels voor belangengroepen. Daar wordt beslist om het waterpeil in polders en weteringen laag te houden omdat dit de boeren dient, maar niet de burgers en Nederland als geheel. Zie de huidige lage waterstand die daar mede een gevolg van is.

3) De Nederlandse boeren werken voor meer dan 75% voor de export. De voedselvoorziening van Nederland komt met het reduceren van de veestapel met 50% dus niet in gevaar. Duurzaam producerende boeren zouden meer steun van politiek, media en publieke opinie moeten krijgen. Ze geven het voorbeeld voor de toekomst van de Nederlandse landbouwsector: kwaliteit boven kwantiteit. Het bovenproportioneel beslag dat vooral de melkveeboeren leggen op de grond is onhoudbaar en niet meer van deze tijd in een zich ontwikkelend Nederland (Ruimtelijke Ordening) waar woningbouw, infrastructuur, bedrijven en natuur en ontspanning hun plek moeten kunnen vinden.

NOS Journaal mist het nieuws. Wat zeggen de fouten en wat moeten we ermee?

Henk Bleker in het bulletin van 20.00 uur van het NOS Journaal van 5 augustus 2022.

I. Mijn misnoegen over de in mijn ogen tekortkomingen van het NOS Journaal heb ik hier vaker geuit. Ik weet niet goed of dat gerechtvaardigd is. Dat ik het NOS Journaal een gebrek aan context verwijt kan ook mijn tekortkoming zijn. Mijn gebrek aan context en relativering.

Want hoe eerlijk is het om de hoge standaard van de top van de westerse journalistiek, zoals ik die vooral ken van Britse en Amerikaanse media, te projecteren op het NOS Journaal? Dat heeft onvoldoende middelen voor zo’n hoge standaard. Er is blijkbaar te weinig budget en het ontbreekt aan voldoende hoog gekwalificeerde journalisten en bureauredacteuren om zo’n standaard hoog te houden.

Toch was ik ondanks die bedenkingen gisteren ontdaan over de eerste twee items van het bulletin van 20.00 uur van het NOS Journaal van 5 augustus 2022 die naar mijn idee zelfs een middelmatige standaard niet haalden. Wat moet de Nederlandse nieuwsconsument met dit NOS Journaal?

De eerste twee items die de opening vormden misten in mijn ogen het overzicht, het politieke inschattingsvermogen en de stoot, de punch die er een volwaardig journalistiek Item van had gemaakt. 

Deze items bleven in mijn ogen hangen in halfslachtigheid en de niet ingeloste belofte van zorgvuldige verslaggeving en analyse van het nieuws. Ik vond het niet goed.

Daarnaast had ik vooral bij het eerste item bedenkingen over de politieke invalshoek die de redactie en verslaggevers van het NOS Journaal kozen. Ik kreeg de indruk dat het NOS Journaal zo bevreesd is om door radicaal-rechts gestigmatiseerd te worden als staatsomroep dat het doorsloeg naar de andere kant en zich tot woordvoerder van radicaal-rechts maakte. Dit NOS Journaal is niet links, maar rechts.

Hoe de hoofdredactie van NPO Nieuws kan menen dat dit bulletin in verslaggeving en politieke analyse de nieuwsconsument volledig informeert is het raadsel waar ik mee bleef zitten.

II. Het eerste item ging over het stikstofoverleg In Utrecht. Dat werd voorgesteld als een sportwedstrijd tussen de regering inclusief bemiddelaar Johan Remkes aan de ene kant en de boerenorganisaties aan de andere kant. Het vermogen van het NOS Journaal ontbrak om dit overleg in een context te plaatsen. 

Niet alleen kreeg voormalig CDA-landbouwstaatssecretaris Henk Bleker ruimte om het boerenbelang naar voren te brengen en af te geven op de regering waar hij 10 jaar geleden nog deel van uitmaakte, maar zijn rol en functie in dit dossier werd in het verslag niet belicht.

Juist door toenmalige CDA’ers als Bleker die jarenlang elke hervorming van het landbouwbeleid blokkeerden en niet opereerden als dienaar van de publieke zaak, maar als lobbyist voor de agro-industrie, de Rabobank en de landbouwsector zitten Nederland en de boeren nu met een stikstofprobleem opgezadeld dat niet tijdig aangepakt is. Nu positioneert Bleker zich als deel van de oplossing, terwijl hij deel van het probleem is. Maar het NOS Journaal stipt zijn vroegere blokkerende rol niet eens aan. Waarom niet?

Een andere onevenwichtigheid was dat in het item elke verwijzing naar natuur- en milieuorganisaties en wetenschappers ontbrak. Dat had in de afronding van het item gekund, maar dit tegengeluid ontbrak volledig. Deze organisaties en wetenschappers waarschuwen ervoor dat het regeringsbeleid van 50% stikstofreductie niet afgezwakt kan worden.

Als de bureauredactie van het NOS Journaal beter had nagedacht of meer politieke durf had getoond om objectief te zijn, dan had het grofweg drie posities geschetst: de boeren die voor afzwakking van het regeringsbeleid gaan en de invoering van maatregelen willen vertragen, het regeringsbeleid en de natuurorganisaties die het regeringsbeleid als een minimum zien waar niet aan gemorreld kan worden. 

Dit conflict tussen drie posities werd door het NOS Journaal gereduceerd tot een conflict tussen twee posities. Dat is geen informatie van de nieuwsconsument, maar desinformatie. Het NOS Journaal gaf volop ruimte aan vier zich radicaal uitende vertegenwoordigers van boerenorganisaties, maar liet geen enkel geluid horen uit de natuur- en milieuorganisaties of de wetenschap.

Wie er nader over nadenkt zal moeten constateren dat de invalshoek van het NOS Journaal absurd is. Radicale tegen het binnenlands terrorisme aanleunende boerenleiders en opportunisten als Bleker krijgen zonder enig woord van kritiek gratis zendtijd, terwijl de stem of visie van natuurorganisaties en wetenschappers niet worden verwoord.

III. Over het tweede item zal ik kort zijn. Dat ging over de uitkomsten van het proces dat enkele nabestaanden van de slachtoffers van de schietpartij in de VS in 2012 op de Sandy Hook-school tegen de radicaal-rechtse complotdenker Alex Jones (Infowars) hadden aangespannen.

Jones moest degenen die hem hadden aangeklaagd niet alleen 4,1 miljoen dollar schadevergoeding betalen en verloor dus deze zaak, maar Jones’ advocaten lekten per vergissing zijn toenmalige telefoonverkeer aan de tegenpartij. Het NOS Journaal bracht netjes deze feiten, maar vergat om de zaak in een bredere context te zetten.

De zaak zorgde de afgelopen dagen voor opschudding in de VS omdat complotdenker Jones tijdens de Trump-jaren een centrale rol had in de radicaal-rechtse beweging en contact had met belangrijke mensen daarin. Zoals Trumps adviseur Roger Stone. Die contacten zelf dreigen nu door de onthulling van Jones’ telefoonverkeer in gevaar te komen. 

De essentie van de Alex Jones-zaak noemde het NOS Journaal niet. Namelijk dat zowel de 6 Januari-commissie van het Huis en federale onderzoekers de telefoongegevens van Jones hebben opgevraagd om daar mee aan de slag te gaan en mogelijk types als Stone aan te klagen. De essentie van de rechtszaak tegen Jones was dus niet zozeer zijn veroordeling, maar het onthullen van feiten over Jones’ contacten in Trumpiaanse radicaal-rechtse kring.

IV. Het lijkt ongepast om te hard te oordelen over dit NOS Journaal en NPO Nieuws. Het ontbreekt zichtbaar aan middelen en kwaliteit. Dat uit zich trouwens ook in de vele technische storingen om via NPO Start online terug te kijken. Met de melding ‘failed to retrieve the server certificate‘ geeft de publieke omroep zich publiekelijk een brevet van onvermogen. De techniek is niet op orde en de klachten daarover worden op sociale media breed gedeeld. Dat stoot potentiële kijkers af.

Als het NOS Journaal met Nieuwsuur het paradepaardje van de nieuwsvoorziening van de publieke omroep wil zijn, dan heeft het ondanks verzachtende omstandigheden (vakantie, klein land) een standaard hoog te houden. Ik betwijfelde gisteren of die werd gehaald. Ik meende zelfs dat de redactie van het NOS Journaal aan de promotie van radicaal-rechtse praatjes deed. Het NOS Journaal wekte sterk de indruk voor complotdenkers te buigen.

Het is de samenleving die bepaalt of het NOS Journaal en NPO Nieuws de middelen krijgen om volgens een hoge journalistieke standaard te werken en wat zelfbewuster, ambitieuzer en kwalitatiever te opereren. De constatering dat dit niet lukt is niet bedoeld om de publieke omroep niet serieus te willen nemen, maar om die juist wel serieus te nemen. Versterk de nieuwsvoorziening van de publieke omroep en maak er een bastion van kwaliteit van.

Beeldreligie

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 12 mei 2011.

Amerikaans militair kijkt televisie met zijn gezin, 1954.

Op 4 januari 1964 zond het VARA-programma Zo is het toevallig ook nog ‘ns een keer een sketch over Beeldreligie uit. Het was gebaseerd op een Engels voorbeeld en maakte de opmars van de televisie in bijbelse termen belachelijk. Kerkleiders en christelijke politici protesteerden, maar de VARA-leiding liet het gebeuren. In 1966 kwam er een einde aan Zo is het ..vanwege een sketch over rellen in Amsterdam.

Sinds die tijd smacht Nederland naar een politiek satirisch programma dat dicht op de actualiteit zit. Toen het eigenlijk niet kon was het er, en nu het wel kan is het er niet. Misschien de ware voedingsbodem voor satire.

Hedendaags cabaret mist urgentie. Kluchtig en boertig, pruik en aangeplakte snor, liedje en grapje, maar ingebed in een format dat het bij voorbaat onschadelijk maakt. Na het literair-absurde Zo is het .. kwam het politiek-cabarateske radioprogramma In de Rooie Haan dat overging in het cabareteske Spijkers met Koppen. Het VPRO-programma Van Kooten en de Bie kwam ver, maar ontspoorde door typetjes die de macht overnamen. 

De avant-garde van weldenkend Nederland werd vervangen door inwisselbare programmamakers. Zoals voor de hele Nederlandse omroep geldt. Het wachten is op narrowcasting dat oude scherpte terugbrengt.  

Verzuiling maakte Zo is het .. mogelijk. De VARA bood een vrijplaats voor kritische schrijvers, journalisten en acteurs. Zuilen wilden zich onderscheiden. Nu worden restanten van dezelfde verzuiling krampachtig bij elkaar gehouden. Elke poging tot onderscheid wordt door het systeem gefrustreerd. Programma’s zijn ondergeschikt. We zien het elke dag.

Stukjes van ‘George Knight Kort’ worden overgezet

Schermafbeelding van site George Knight Kort en deel van de blogpost Tin Tan en de Mambo (1950-1951).

Behalve dit blog (eigenlijk ‘George Knight Lang‘) dat gaat over politiek, religie, kunst en cultuurpolitiek, en maatschappelijke onderwerpen is er het blog ‘George Knight Kort‘ (GKK). Het bevat meer dan 300 stukjes (vandaar ‘Kort‘) over wat men doorgaans licht amusement en populaire cultuur noemt.

Rond 1990 hoorde ik de Surinaams-Nederlandse schrijver Edgar Cairo in het vrijdagprogramma ‘Het Gebouw‘ van VPRO-radio de vraag stellen waarom er geen of nauwelijks muziek werd uitgezonden. Waarom het allemaal zo bloedserieus was. Daar had de strenge presentator, was het Djoeke Veeninga of Harmke Pijpers?, geen antwoord op.

Cairo had gelijk. Ernst en luim versterken elkaar. Niemand moet zichzelf te serieus nemen. Maar af en toe ontspannen en het bestaan relativeren. Zonder dat de zware onderwerpen vergeten worden.

Als de betreurde Cairo nu nog had geleefd, zo heb ik achteraf wel eens gedacht, dan zou zijn kritiek waarschijnlijk andersom zijn. Waarom is het op de Nederlandse radio allemaal zo lichtvoetig met muzikaal behang die de muziek niet serieus neemt, maar per strekkende meter uitrolt over de luisteraar die evenmin serieus wordt genomen? De zwaarte van 1990 is doorgeschoten naar een nietszeggende vlinderachtigheid van nu.

Ik weet niet meer of de woorden van Cairo in mijn achterhoofd meespeelden toen ik in mei 2011 begon met GKK. Maar ik besefte wel dat zware en lichte onderwerpen samen een evenwichtig pakket bieden. Ik verdeelde dat over twee blogs, mede vanwege de vormgeving van GKK die was gebaseerd op de vormtaal van ontwerper Saul Bass en me overrompelde.

Toen ik gisteren op zoek naar een bepaald onderwerp GKK na lange tijd weer eens bekeek zag ik dat ik die verwaarloosd heb. Vele verwijzingen naar YouTube-filmpjes zijn dood. Ik ben van mening dat er vele waardevolle stukjes of mijmeringen op staan, maar dat die lastig te vinden zijn. Dat is jammer omdat ze me aan het hart gaan en ik ze graag wil delen. Uiteindelijk zal ik het gemuteerde GKK niet sluiten, maar laten voortbestaan.

Vanaf nu wil ik de stukjes van GKK overzetten naar dit blog. Weliswaar in een andere vormgeving, maar met dezelfde inhoud. Of met niet meer dan een lichte wijziging. Dan zal ik tevens proberen om de dode verwijzingen te herstellen. Als dat niet lukt, dan vallen ze af. Andere stukjes zullen afvallen omdat ik ze niet meer zo sterk vind of omdat ze niet tijdloos genoeg zijn, maar te veel zijn gebonden aan de datum van ontstaan. In 2011, 2014 of 2017. Over de stukjes in concept die nog niet zijn geplaatst op GKK overweeg ik om ze te zijner tijd hier te plaatsen.

Bedenk dat het korte overpeinzingen zijn die uitgaan van de populaire cultuur van voor en na de Tweede Wereldoorlog. Ik heb het niet precies nagegaan, maar de verwijzingen lopen tot in de jaren 1960. Soms hebben ze weinig om het lijf, soms zit er achter de glitter een waarheid verborgen. De stukjes van GKK die ik hier de komende tijd plaats zal ik onderscheiden van de reguliere stukken door ze te voorzien van het kenmerk GKK en de originele datum van plaatsing.

VPRO Gids: Blinde vlek over secretaresses

Schermafbeelding van deel aankondiging van de documentaire ‘Good Ol’ Freda’ in VPRO Gids 24; 2022 van 16 juni 2022.

Al jaren lees ik de VPRO Gids. Of liever gezegd, ik krijg de papieren gids in de bus. Ik lees de artikelen en artikeltjes zelden. Het is me uitsluitend om de uitzendschema’s te doen en het steunen van omroep VPRO. Het grootste deel van de VPRO Gids is naar mijn idee ruis en aantoonbare onzin waarvan de relevantie doorgaans betwistbaar is. Het zit tussen mediawetenschap die dieper graaft en oppervlakkig amusement in. Dat is een onmogelijke positie om lezers passend te informeren.

Neem een tekst op donderdag 16 juni 2022 van Hans van Wetering over de documentaire ‘Good Ol’ Freda‘ uit 2013 van Ryan White over Freda Kelly. Zij wordt voorgesteld als de secretaresse van The Beatles die krenterig zou zijn bedeeld door de vier popmiljonairs.

Over deze documentaire schrijft Van Wetering in het stukje met de titel ‘Krenterige Kevers‘: ‘Het is misschien de eerste documentaire ooit over een secretaresse. Het leven van een secretaresse spreekt nu eenmaal weinig tot de verbeelding‘. 

Hèh? 

De eerste bewering is ook voor een doorsnee nieuwsconsument onzin ondanks de slag om de arm die Van Wetering maakt met dat lekker makkelijke ‘misschien‘ en de tweede bewering is dubieus en laatdunkend. Waarom zou het leven van een secretaresse ‘nu eenmaal‘ weinig tot de verbeelding spreken? Van Wetering schept verwarring en doet aan desinformatie.

Van iemand die over televisie, media en film schrijft in een omroepblad mag enig verstand van zaken én een mening die is gestoeld op mensenkennis en een uitgekristalliseerd, evenwichtig wereldbeeld verwacht worden. Van Wetering lijkt zowel niet aan het een als het ander te voldoen.

Hoe zo’n laatdunkende houding over secretaresses bij de linksige VPRO past is de vraag. Niet alleen schrijft Van Wetering in opdracht, maar de eindredactie van de VPRO Gids, te weten Robert-Jan Breeman, Martin ten Broek en Jos Schöttelndreier legitimeert de stukjes door ze te plaatsen. Beseft de VPRO Gids de eigen vooringenomenheid niet? Of geldt voor het linksige liberalisme van de VPRO dat moralisme en arbeiderisme vermeden moeten worden en alles gezegd moet kunnen worden? Mist het in dat linksige wereldbeeld past.

Iedereen met kennis van zaken in de omroepwereld kent de documentaire over Traudl Junge, de secretaresse van Hitler. Op haar memoires werd de filmDer Untergang‘ (2004) gebaseerd. Met een ontketende Bruno Ganz als de Duitse dictator in zijn laatste dagen in de bunker onder de Reichstag.

Schermafbeelding van aankondiging ‘Hitlers Sekretärin: Im toten Winkel‘ voor VPRO Cinema op VPRO Gids, waarschijnlijk 2013.

Traudl Junge werkte mee aan de documentaireHitlers Sekretärin: Im toten Winkel‘ die in 2002 werd uitgebracht. Het was een initiatief van André Heller en regisseur was Othmar Schmiderer. Deze documentaire wordt notabene op de site van de VPRO Gids besproken. 

Er bestaat blijkbaar een Oostenrijks subgenre over secretaresses van Nazi-kopstukken die door hun blinde vlek in een dode hoek zijn beland, want in 2016 verscheen de documentaireEin Deutsches Leben‘ over Brunhilde Pomsel, de secretaresse van Joseph Goebbels. Wellicht is het een idee voor de VPRO om te proberen dat subgenre te duiden in een programmareeks die televisie- en filmtheorie, politiek, geschiedenis, psychologie, waarheidsvinding en uitlegkunde (‘hermeneutiek’) combineert.

Schermafbeelding van deel artikelGoebbels’ secretary claimed she ‘knew nothing of Nazi crimes‘ van juli 2016 op DW.

Er zijn twee voorwaarden om deze documentaires te kunnen maken. De secretaresses moeten een hoge leeftijd bereiken om door een jonge generatie filmmakers opgemerkt te worden. Welnu, Pomsel werd 106 en Junge 81 jaar oud. En ze moeten in zekere zin apolitiek zijn geweest om achteraf te kunnen uitweiden over eigen naïviteit, schuldgevoel en verantwoording om aan een moorddadig regime steun te hebben gegeven. Dat geeft spanning over wat de secretaresses wisten, wat ze deden en welke draai ze daar achteraf aan geven. Want het is onwaarschijnlijk dat ze van niks wisten en pas later tot het besef kwamen aan welke misdaden ze hadden meegewerkt.

Er zijn vele documentaires waarin secretaresses een belangrijke rol spelen omdat ze dicht op de macht zaten en daar achteraf direct of via hun getuigenis verslag van kunnen doen. Dat maakt dat deze secretaresses tot de verbeelding spreken. Denk bijvoorbeeld aan FDR’s secretaresse (en minnares?) Marguerite LeHand die in Ken Burns 7-delige documentaire serie The Roosevelts (2014) fungeert. Of de films over Leon Trotsky’s secretaresse Sylvia Ageloff wiens vriend Ramón Mercader deze opponent van Stalin in 1940 in Mexico vermoordde.

Zo zijn er vele secretaresses die op kantelpunten in de geschiedenis vooraan stonden bij politieke, culturele of maatschappelijke gebeurtenissen. En daar over kunnen vertellen. Ze waren zijdelings aanwezig bij belangrijke voorvallen of beraadslagingen waar geen andere getuigenis van is overgeleverd.

Niet over alle secretaresses zijn uiteraard documentaires gemaakt, maar de mogelijkheid voor film- en programmamakers is aanwezig om dat te doen. Mits de secretaresses willen meewerken en ze geen geheimhoudingsverklaring hebben ondertekend. Denk aan de secretaresse of secretaris van Donald Trump wat die zou kunnen vertellen.

De positie van secretaresses in de gangen van de macht (‘corridors of power‘) spreekt tot de verbeelding bij een hedendaags publiek. Deze secretaresses zijn de spreekwoordelijke ‘fly on the wall‘. Dat het aanspreekt heeft te maken met de authenticiteit van het putten uit de eerste bron, maar ook met de omgang met de macht van een secretaresse die halfweg in een ongebruikelijke positie vertoeft.

Avondshow van Arjen Lubach bekritiseert lintjesregen en monarchie

VPRO’s ‘De Avondshow met Arjen Lubach‘ is van maandag tot en met donderdag te zien op NPO1. Het lijkt te vaak te veel uitzendtijd voor de tekstschrijvers om constant een hoog niveau te handhaven. Zouteloosheid en gebrek aan scherpte is het gevaar.

Vooral de gesprekken aan het eind met cabaretiers, omroepcoryfeeën en VPRON’ers (Bekende Nederlanders voor een VPRO-publiek) zijn doorgaans nietszeggende invulling van de tijd. Waarom boekt het programma geen kunstenaars, wetenschappers en eigenzinnige individuen? Waarom moet dit gesprek in het frame van het cabaret of het lichte amusement gegoten worden?

Is het een voorwaarde van de netmanager om het populair en eenvoudig te houden zodat de gemiddelde NPO1-kijker het kan volgen? Mag als compromis tussen netmanager en de programmaleiding van de VPRO tijdens het hele programma de lat niet te hoog liggen om het brede publiek niet af te stoten? Het studiopubliek doet trouwens elke avond weer kritiekloos een poging om de applausmachine te verslaan, maar beseft onvoldoende dat het zo de nuance verslaat.

Te vaak ontbreekt de urgentie om naar het programma te kijken. Minder uitzenddagen zou raadzaam zijn zodat de kwaliteit op een hoger peil gebracht kan worden. Dat past blijkbaar niet in het format van NPO1. Er is geen tussenweg tussen marginale en brede programmering. Juist van die tussenweg zou gezien de niet onbegrensde middelen het team van Lubach kunnen profiteren. Er zouden daarom óf meer middelen moeten worden vrijgemaakt óf het tempo van de uitzendingen moet omlaag.

Ondanks die kritiek opereert presentator Arjen Lubach zienderogen met plezier en vergroot samen met zijn begeleidend team steeds meer het vakmanschap. Als het wel lukt en hij goede teksten en onderwerpen in de mond gelegd krijgt die perfect worden geserveerd, dan behoort De Avondshow tot het beste wat de Nederlandse omroep te bieden heeft.

Zo’n pareltje en voor Lubach en zijn team een terugkerend thema is het koningshuis. Mede gezien het profiel van een breed publiek van NPO1 zal het beseffen het niet te vaak te kunnen gebruiken. Maar het is een kernthema waarin het hart van Lubach en zijn team klopt.

Republikeinen zijn in opmars en de populariteit van het Nederlandse koningshuis neemt gestaag af. De nu beter dan sinds lange tijd goed georganiseerde Republikeinen hebben aan zelfvertrouwen gewonnen en demonstreren komende Koningsdag in Maastricht langs de route onder het motto ‘Willem de Laatste?‘, aldus een bericht van RTL Nieuws. Volgens voorzitter Floris Müller van Republiek zijn veel mensen klaar met het koningshuis. Uit een peiling van Ipsos in opdracht van de NOS bleek in 2021 nog maar 57 procent tevreden is met de Nederlandse monarchie.

Aanzwellende kritiek op het koningshuis geeft dit onderwerp rugwind en vindt nu daarom ook een steeds gewilliger oor bij een breed publiek. Juist dan kan De Avondshow zijn maatschappelijke nut bewijzen door te wijzen op aspecten die doorgaans op de publieke omroep een breed publiek niet in een kritische vorm bereiken. Dat is de winst van het compromis tussen verdieping en verbreding om in te spelen op een breed publiek.

Het is de hoogste tijd dat kritiek op het koningshuis op de publieke omroep klinkt omdat nog slechts een kleine meerderheid tevreden is met de Nederlandse monarchie. Dat is een kwestie van representatie van overtuiging. Weliswaar is de Oranjepropaganda nog de norm op media en in de publieke opinie. Het heeft nog steeds vele malen meer zendtijd en promotors die de monarchie verdedigen, dan de relativering van de waarde ervan.

Een kritische uitzending van De Avondshow maakt weinig verschil. Het tekent wel de geleidelijke wordende volwassenheid van de publieke omroep dat het ook kritiek op het koningshuis voor een breed publiek laat doorklinken. Eindelijk.

Meesterlijk is de afsluiting van het fragment over de Lintjesregen met een conclusie die dwingend, sluitend en onafwendbaar is: ‘Die hele lintjesregen is gewoon één grote PR-stunt voor het koningshuis. Het is heel goed om mensen in het zonnetje te zetten, maar daar hebben we die fucking koning toch niet voor nodig‘.

Pleidooi voor samenwerking tussen OCW, EYE Filmmuseum, universiteiten en publieke omroep om waardevol visueel cultureel erfgoed te ontsluiten en binnen bereik van Nederlands publiek te brengen

Deel van het script van de reisfilm ‘Carribean Dutch Treat‘ (1963) van Lisa Chickering en Jeanne Porterfield in de ‘Lisa Chickering and Jeanne Porterfield collection, 1954-2015‘ van de Smithsonian Institution in Washington DC.

Film is ook cultureel erfgoed. Dat wordt door de Nederlandse publieke omroep niet beseft. Of in elk geval niet voldoende genoeg om in actie te komen en buiten vaste, gebruikelijke denkkaders te gaan. Dat moet anders en kan beter.

Het is merkwaardig dat er geen enkele publieke omroep is die een rubriek of kanaal heeft of heeft gehad om voor Nederland waardevolle films en televisieproducties te ontsluiten en uit te zenden. Cultureel erfgoed dus. Ook de NTR, VPRO en HUMAN doen dit niet, hebben dit gedaan of hebben de ambitie dit te gaan doen.

Het is ook geen makkelijke taak in verband met rechten, verdwenen of moeilijk te vinden films en vaak het ontbreken van kwalitatief goede producties. Maar het is ook uitdaging om die op te sporen. Het schrijnende is dat het door de Nederlandse publieke omroep niet eens wordt geprobeerd. De ambitie ontbreekt. Het budget ontbreekt of liever gezegd het budget is wel aanwezig, maar wordt hier niet voor aangewend.

Zo laat de Nederlandse publieke omroep zich kennen als een organisatie zonder historisch geheugen en zonder wil om het publiek in aanraking te brengen met voor Nederlanders belangrijk filmerfgoed. Dat werkt door in een publiek dat onvoldoende op de hoogte wordt gehouden van het visuele culturele erfgoed van Nederland. Dat kunnen Nederlandse producties zijn of internationale producties over een Nederland onderwerp.

Het lijkt niet dat de kennis ontbreekt. Bij Eye Filmmuseum en studierichtingen Filmerfgoed en digitale filmcultuur, Film- en televisiewetenschap/Media, Art and Performance Studies of Art and Visual Culture bij respectievelijk universiteiten in Amsterdam, Utrecht en Nijmegen is voldoende expertise aanwezig.

Dat er op dit gebied niks van de grond komt omdat er geen samenwerking is en de opzet er niet op gericht is om voor Nederlanders waardevol filmerfgoed voor een breed publiek te ontsluiten. Waar het aan ontbreekt is coördinatie en een coördinator of intendant die de kar trekt.

Waar het aan ontbreekt is een programma waarin publieke omroep, Eye Filmmuseum en universiteiten met faculteiten die gericht zijn op of raken aan filmerfgoed samenwerken met als doel om gezamenlijk het voor Nederlanders belangrijke visuele culturele erfgoed te ontsluiten en binnen het bereik van een breed publiek te brengen. Het ministerie van OCW zou het voortouw moeten nemen en genoemde betrokkenen bij elkaar moeten roepen.

Omdat internationale zoektochten naar belangrijk visueel cultureel erfgoed lastig zijn en archieven niet altijd Engelstalig zijn zou er samenwerking gezocht kunnen worden met Russische, Chinese, Japanse of andere taal- en cultuurstudies aan Nederlandse universiteiten. Deze taalstudenten zouden in het kader van een stage inventariserend voorwerk kunnen verrichten door systematisch internationale digitale collecties door te pluizen.

De aanleiding voor bovenstaand pleidooi is het feit dat ik zoekend in het archief van het Amerikaanse Smithsonian Institution in Washington DC stuitte op de Lisa Chickering and Jeanne Porterfield collection. Deze twee documentaire filmmakers hebben in 1963 de reisfilm Carribean Dutch Treat uitgebracht die ze begin jaren 1960 draaiden. Uit het script blijkt dat alle zes de Antilliaanse eilanden die deel uitmaken van het Koninkrijk Nederland evenals Suriname in de film aan bod komen.

Guide to the Lisa Chickering and Jeanne Porterfield collection, 1954-2015.

Uit de documentatie blijkt dat er onder meer een DVD dateert die rond 2015 is gemaakt. Of die van goede kwaliteit is en of de reisfilm Carribean Dutch Treat van deze twee Amerikaanse filmmakers interessant is voor een Nederlands publiek of vooral een Amerikaans perspectief toont valt van een afstand niet te beantwoorden. Als de integrale film niet interessant genoeg is, dan zijn wellicht bepaalde delen ervan wel de moeite waard voor een Nederlands publiek.

Opvallend is dat in het script in de episode over Suriname het woord ‘negroes‘ op enkele plaatsen is doorgestreept. Zegt dat vooral iets over de rassenkwestie en de veranderingen in de VS van begin jaren 1960? Zo’n vraag zou in een interdisciplinair project dat als opzet heeft om een breed Nederlands publiek kennis te laten maken met voor hen belangrijk cultureel erfgoed als academische bijvangst beantwoord kunnen worden.

Deel van het script van de reisfilm ‘Carribean Dutch Treat‘ (1963) van Lisa Chickering en Jeanne Porterfield in de ‘Lisa Chickering and Jeanne Porterfield collection, 1954-2015‘ van de Smithsonian Institution in Washington DC.

WNL doet aan stemmingmakerij en slechte journalistiek door een verkeerd beeld te geven van de Code Diversiteit & Inclusie in de kunstsector. Het beticht overheid van sociale dwang

Journalistiek is soms om somber van te worden als het niveau door de bodem zakt. Je zou denken dat de opdracht van de journalistiek is om te informeren en niet om te desinformeren. Luidt immers niet het eerste aspect van de gedragscode voor journalisten, de Code van Bordeaux die de NVJ als voorbeeld beschouwt de eerbied voor de waarheid? Het publiek heeft recht op de waarheid. Maar in de praktijk blijft daar vaak niks van over. Het is een streven dat niet gehaald wordt.

Het gebazel van gasten in een radioprogramma van WNL toont aan hoe diep de journalistiek is gezonken. Presentator en gasten is het niet om de waarheid te doen, maar om wat anders. Wat dat is blijft in het midden, maar het lijkt erop dat het eerder slordigheid en gebrek aan inhoud is dan kwade wil. Ze corrigeren elkaar niet omdat ze geen kennis van zaken hebben over het onderwerp waar ze over praten en blijkbaar voor uitgenodigd zijn. Met als gevolg dat een gast de grootste onzin kan uitkramen zonder dat het wordt weerlegd. Het resultaat is desinformatie. De luisteraar wordt op het verkeerde been gezet.

Ik luister of kijk bijna nooit naar dit soort programma’s van de Nederlandse omroep. Talkshows op radio en televisie heb ik afgezworen omdat ze niet informeren, maar desinformeren. Vaak gaan ze over triviale zaken die niet relevant zijn. Het is op z’n best amusement in de vorm van journalistiek. Of journalistiek in de vorm van amusement. Op een enkele uitzending van Nieuwsuur of Buitenhof na.

Als het onderwerp me aan het hart gaat kijk ik achteraf terug. Dan zie je journalisten of deskundigen die weten waarover ze praten en ons feiten en inzicht in een specifieke kwestie geven. Dat is wat anders dan het vullen van de zendtijd met leeg geklets zoals WNL doet of het geven van rechtse meningen omdat het nu eenmaal bij het profiel van deze omroep past. Bij WNL kunnen de feiten uit de meningen volgen.

Hoe het anders kan en hoe in de hoeken van de Nederlandse journalistiek wordt geprobeerd om de standaard van de journalistiek hoog te houden bewijst het interview van Twan Huys met de Italiaanse onderzoeksjournalist en maffia-kenner Roberto Saviano in Buitenhof. Het kan gerust onthullend worden genoemd. In 11 minuten toont Saviano overtuigend aan hoe verrot Nederland is, hoe bewust disfunctioneel de Nederlandse politiek is en hoe dat vervolgens door de hele Nederlandse elite wordt genegeerd. Het merkwaardige is dat WNL hetzelfde wil aantonen, maar doorgaans blijft steken in vooroordelen en sjablonen en er dus niet in slaagt om te overtuigen.

Aanleiding is de uitweiding van Volkskrant-journalist Martin Sommer over diversiteit en inclusie in de kunsten. Hij beweert in zijn antwoord (vanaf 6′ 10”) dat de Raad voor Cultuur voor de kunstsector diversiteit en inclusivitiet als norm heeft gesteld. Dat is inderdaad zo, maar het zit anders in elkaar dan hij het voorstelt.

Er is een Advies van de Raad van juni 2020 voor de komende beleidsperiode 2021-2024 waarin het als kaders de toepassing van de codes voor governance, fair practice, diversiteit en inclusie hanteert. Hoe strikt die kaders zullen worden gehandhaafd is de vraag omdat ook in het verleden instellingen structureel subsidie kregen zonder zich volledig aan de code voor diversiteit en inclusie te houden. Ook bij een verkeerde opvatting door Sommer van deze code is het niet aantoonbaar dat instellingen die zich er niet aan houden geen subsidie krijgen zoals hij stellig beweert. Dat klopt niet omdat het in strijd met de praktijk is.

Sommer slaat de plank mis omdat hij niet weet wat de Code Diversiteit en Inclusie inhoudt. Hij associeert erover in clichés zonder kennis van zaken. Als politieke journalist maakt hij het politiek. Hij valt terug in zijn eigen niche omdat hij een ander perspectief niet (ver)kent. Sommer berijdt zijn stokpaardjes en vliegt uit de bocht.

Juist deze gedragscode is in een nieuwe versie verbreed om bezwaren tegen een te enge, politieke opvatting ervan tegen te gaan. Gezien het brede scala van deelnemende instellingen die betrokken was bij de formulering ervan is het ook logisch dat die verbreding de uitkomst is. In Nederland polderland wil iedereen die aan tafel meepraat immers de eigen doelstelling in het eindresultaat terugvinden. De Code Diversiteit en Inclusie is een compromis. Geen radicaal, maar een gematigd standpunt.

De Code Diversiteit & Inclusie in de culturele sector waarin de hele kunstsector samenwerkt heeft als normen gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd. Het zijn dus niet uitsluitend de actuele politieke identiteitsonderwerpen als huidskleur, etniciteit en sekse die alleenzaligmakend zijn zoals Sommer suggereert en zijn gasten en de moderator niet corrigeren. Niet alleen Sommer blijkt niet te weten wat de code inhoudt, zijn gasten weten het evenmin.

Dit radioprogramma is niet zozeer een belediging voor de intelligentie van de gasten en de programmakers, maar een belediging voor de intelligentie van de luisteraars. De pseudo-deskundigen gijzelen de ether en laten zich verleiden om uitspraken over onderwerpen te doen waar ze niets van afweten. Dat resulteert in gebazel.

Het werkt voor de publieke opinie averechts als een radioprogramma met journalistieke ambities er zo’n puinzooi van maakt. De onderwerpen identiteitspolitiek en cancelcultuur zijn te belangwekkend om ze voor een massamedium zo slordig en eenzijdig te behandelen. Bijkomend effect is dat de kunstsector en de kunstinstellingen worden weggezet als onzelfstandig en ondergeschikt aan politieke doeleinden, terwijl het juist dit radioprogramma is dat politiek bedrijft door de werking van de kunstsector verkeerd voor te stellen.

Debilisering NPO van Songfestival gaat gelijk op met schoffering van kunstsector door kabinet

Afgelopen weken besteedden de Nederlandse media veel aandacht aan het Eurovisie Songfestival waarvan vanavond 22 mei 2021 de finale in Rotterdam wordt gehouden. Ook de geschreven pers deed daar volop aan mee. Tekenend was dat NRC op 8 mei een special van 14 pagina’s maakte over het Songfestival en er daarna bijna dagelijks ruim aandacht aan besteedde. Ok, het is een interessant fenomeen, maar verdient het echt zoveel aandacht?

Oud-presentator Hans van Willigenburg heeft het in een stuk voor TPO over de debilisering van de publieke omroep NPO die de organisator is van het Songfestival. De titel van zijn artikel (achter betaalmuur) leest als een analyse van de psychische gesteldheid van de media en van de huidige stand van zaken van Nederland: ‘Debilisering NPO bereikt hoogtepunt tijdens de week van het Eurovisie Songfestival; Talkshowtafels worden uitstalkasten van prietpratende BN-ers en afzichtelijke zelfpromotie.’

Wat is hier aan de hand en wat verklaart de aandacht voor het Songfestival door de Nederlandse media die gerust buitenissig genoemd kan worden? Dat betreft zowel populaire als serieuze media.

Deskundigen met verstand van muziek geven toe dat muzikaal het Songfestival weinig voorstelt. Er wordt vals gezongen door zangers die niet zoals in de studio digitaal gecorrigeerd kunnen worden zodat het nog wat lijkt, een live orkest ontbreekt en in een poging om op te vallen wordt het streven naar goede muziek vaak vervangen door het streven naar extravagantie. Het Songfestival is de viering van de middelmaat. Het is voorspelbaar, ongevaarlijk, makkelijk en inwisselbaar. Dat verklaart wellicht de omarming ervan.

In een ingezonden brief in NRC vroeg een briefschrijver naar aanleiding van die vele aandacht voor het Songfestival of dat nog wel in proportie is. Hij vond van niet en zette dat af tegen het ontbreken van aandacht in de Nederlandse media voor de Koningin Elisabethwedstrijd in België waar dit jaar pianisten strijden om de eer. De finale is komende week van 24 tot 29 mei. De Vlaamse radiozender Klara besteedt er dagelijks van 20.00 tot 22.00 uur aandacht aan. Bij de laatste 12 halve finalisten was ook de Nederlander Aidan Mikdad. Een prima resultaat. Maar zelfs voor de chauvinistische Nederlandse media was dat onvoldoende om er aandacht aan te besteden.

Feit is dat Nederlandse media vele malen meer aandacht hebben voor het Songfestival dan voor het kwalitatief hoogstaande Koningin Elisabethwedstrijd waar een Nederlander hoge ogen gooide zonder dat het in Nederland wordt opgemerkt. Ook niet door de kwaliteitsmedia.

Ik beweer niet dat het Eurovisie Songfestival geen aandacht verdient. Het voldoet aan een behoefte en het is begrijpelijk dat mensen en media snakken naar verbindende evenementen. Dat verklaart wellicht mede de buitenissige aandacht na een periode van stilstand. Ik stel wel vragen bij de evenredigheid van de aandacht die in mijn ogen abnormaal is.

Het is vooral de NPO die financieel en programmatisch zwaar heeft ingezet op het Songfestival en het als zelfpromotie is gaan gebruiken om het eigen merk te promoten. Dit gaat niet meer over het Songfestival, dit gaat over de NPO die zichzelf op de borst klopt. Het Songfestival wordt door de publieke omroep tot aan de laatste druppel uitgeperst. Het lijkt er sterk op dat de andere media zich door deze opgeklopte gekte hebben laten meeslepen.

Het gaat verder dan de aandacht voor de competitie zelf en waaiert uit naar eindeloze achtergrondverhalen, talkshows over het Songfestival en Rotterdam dat deze week vanuit Hilversums perspectief als het centrum van de wereld wordt beschouwd.

Dat schrijnt omdat de publieke omroep die steeds commerciëler wordt dit tegen beter weten in ontkent. Het bewijs is de aandacht voor het Songfestival die niet verklaard kan worden door het belang van het Songfestival.

Hans Galesloot maakt korte metten met de schijnheiligheid en de leugens van de NPO in een ingezonden brief in NRC waarmee hij reageert op NPO-directeur Frans Klein die ontkent dat de NPO wordt gedreven door geld. Galesloot: ‘De NPO is een hybride omroep, die jaarlijks op het hoofdveld NPO1 150 tot 200 miljoen euro moet verdienen als onderdeel van de omroepfinanciering. (..) De wens om het bereik in de doelgroep 20-49 te vergroten heeft dus alles te maken met de financiering van de NPO. Het is hypocriet van Klein om dat feit te ontkennen. Hij moet wel degelijk een groot gedeelte van zijn zendtijd verkopen om de financiering van de NPO veilig te stellen.’ Het is niet onwillekeurig dat de NPO het Songfestival aangrijpt om de doelgroep 20-49 jaar ‘erbij te trekken’.

Het is geen toeval dat in de weken dat het kabinet de kunstsector achter aan liet sluiten bij het openen van de samenleving, door afzwakking van maatregelen om de pandemie te bestrijden, de publieke omroep buitenissige aandacht besteedt aan het Songfestival en de Koningin Elisabethwedstrijd zo goed als negeert. Zoals Van Willigenburg constateert heeft uit zelfpromotie en eigenbelang de debilisering de Nederlandse publieke omroep in bezit genomen. Om dat te verhullen liegen de NPO-bobo’s over de ware aard ervan en wisselen ze journalistiek en kunst in voor amusement dat kijkers die geld opbrengen bindt. Maar het is erger dan dat, de debilisering wordt door media en politiek de samenleving opgelegd.

Het is de eenzijdigheid om iedereen in dezelfde mal te willen stoppen die steekt. Bij de publieke omroep die commercieel handelt én de politiek. Het economisch denken is zo dominant geworden dat de inhoud eronder lijdt en er geen keuze is om uit te wijken naar kunst. Nieuwsconsumenten moeten uit diverse bronnen hun aanbod zelf bij elkaar hosselen.

 

Burgers moeten afbraak publieke omroep halt toeroepen. Frans Kleins schoten in eigen voet bieden kansen voor nieuw omroepbestel

Frans Klein, 7 mei 2021 in Nieuwsuur. © NPO

In de recente uitspraken van directeur video van de NPO Frans Klein valt op dat hij het nooit echt over de inhoud heeft en hij alles beredeneert vanuit de kijkcijfers en het marktaandeel. Hij is verantwoordelijk voor de programmering van NPO 1, 2 en 3, NPO Start, ZAPP en Zappelin. 

Klein redeneert vanuit marketing. Hij bevestigt telkens het idee dat programma’s niet een hoger doel dienen, maar instrumenteel zijn voor een ander doel. Namelijk het behalen van marktaandeel of het aantrekken van specifieke doelgroepen. Zoals de middengroep van 20 tot 49 jaar.

In dit denken gaat het mis. Klein bevestigt het failliet van de omroeppolitiek dat gericht is op kijkcijfers en niet op inhoud. Dat valt hem niet persoonlijk aan te rekenen omdat hij een functionaris is die bestaand beleid uitvoert. Het beleid dat hij invult is echter krakkemikkig en slecht doordacht.

Waarom het in Nederland zo mis gaat met de omroeppolitiek omschreef ik in 2016 in het commentaarHoofd Klara wordt netmanager VRT. Waarom kan zoiets niet in Nederland?’ dat ik hieronder herhaal omdat het raakt aan de kern van het probleem van de Nederlandse omroeppolitiek en nog even actueel is als vijf jaar geleden. Namelijk het ontbreken van de focus op inhoud en de koudwatervrees om kwaliteit te maken die eeen deel van het publiek afstoot. Ik zoomde in op kunst, maar dat geldt precies zo voor zware informatie. Niet te verwarren met het lichte soort waarmee de NPO kosmetisch opinieprogramma’s tot journalistiek omkat, maar serieuze journalistiek zoals onderzoeksjournalistiek, gedegen historische documentaires en diepgravende interviews met opinieleiders die de tijd krijgen om te reflecteren op samenleving, politiek en wetenschap:

Zomaar een bericht in het Vlaamse nieuws. Deze keer niet over islamitische terreur en bomaanslagen in Brussel, maar over cultuur. Chantal Pattyn is netmanager van het Vlaamse Klara en wordt hoofd cultuur van de Vlaamse publieke omroep VRT.  Na de inkrimping en het bewust om zeep helpen om interne omroeppolitieke redenen in 2006 van de Nederlandse Concertzender en de infantilisering van Radio 4 is Klara nog de enige nationale culturele zender van niveau in het Nederlandse taalgebied die het beluisteren waard is.
Het cliché is waar, Vlamingen vinden cultuur belangrijk. Dat heeft met hun emancipatiestrijd te maken en het besef dat taal en kunst ertoe doen. En de overeenstemming over partijen heen dat het de nationale identiteit versterkt. In Nederland doen VVD en PVV die eveneens zeggen nationale identiteit belangrijk te vinden het omgekeerde: ze breken bewust de publieke omroep en de kunsten af. Maar ook in Vlaanderen moeten kunst en cultuur voor de poorten van de hel worden weggesleept. Ook daar moet telkens weer de liefde voor kunst op de politiek bevochten worden. Niets komt vanzelf. De loyaliteit van de bestuurders in de cultuursector lijkt het verschil te maken. De Vlaamse cultuurminister Sven Gatz (‘kunst dient nergens toe’) haalde in 2014 met terugwerkende kracht dezelfde shockdoctrine van cultuurbezuinigingen als Halbe Zijlstra uit de liberale kast.
Kunst is kunst, maar ook een wapen waarmee de strijd tegen terreur die van buiten komt en onverschilligheid die van binnen komt gewonnen kan worden. Het is de strijd om de harten en geesten van de eigen bevolking die telt en een positieve impuls kan geven. Media kunnen daarin een opbouwende rol spelen. Niet omdat het educatief is of doelgroepen emancipeert, maar omdat het kunst als voorbeeld voorhoudt. Juist dat patroon is in Nederland uitzondering geworden. Onder het uitroepen van ‘zie ons eens aan kunst doen’ wordt kunst naar aparte reservaten verbannen of slachtoffer van popup en populariteitsdenken. Wat Nederland mist is die positieve, vanzelfsprekende grondhouding tegenover kunst en cultuur die in een samenleving tamelijk breed gedragen wordt. In elk geval in omroepkringen die een kunsthistoricus tot netmanager benoemen. Klasse. 

In 2018 kondigde Frans Klein al aan om te willen bezuinigen op journalistieke programma’s. In zijn NPO’s Newspeak noemde hij dat ‘vernieuwen‘. Hij zei toen in een interview met NRC’s Wilfred Takken dat journalistieke programma’s een steeds kleiner publiek bereiken en daarom een andere vorm moesten krijgen. Dit gaf toen ook al aan dat Klein niet redeneert vanuit de programma’s, de inhoud of een hoger doel als democratie of spreiding van kennis, maar vanuit de marketing. In het commentaarNPO-directeur Klein komt met ongeloofwaardige ‘vernieuwingen’, na kritiek op hem te korten op journalistieke programma’s‘ uit 2018 schreef ik:

De argumentatie van Frans Klein dat de kijker van Tegenlicht al ‘zeer goed bediend wordt door de publieke omroep’ zodat er gekort kan worden op Tegenlicht is onjuist. Tegenlicht en ook Andere Tijden zijn unieke programma’s die niet vervangen kunnen worden door andere programma’s.
Daarnaast maakt Klein nog een andere denkfout. Jongeren, maar ook ouderen kijken niet meer vanzelfsprekend lineair naar televisie. Uiteraard weet Klein dat. Waarom hij dan toch tot de gedachtensprong komt dat hij televisie voor jongeren wil maken is de vraag. Het lijkt onzinnig om krampachtig televisie voor jongeren te willen maken. Daar trappen jongeren niet in. Het gaat erom goede programma’s te maken die zowel ouderen als jongeren kunnen bedienen.
Het Nederlandse omroepbestel is gefragmenteerd en lijkt in die versplintering te weinig soortelijk gewicht te hebben. De noodzaak tot hervorming wordt versneld door extra bezuinigingen. Frans Klein is het symbool van een ouderwets zuilensysteem met levensbeschouwelijke omroepen dat zichzelf heeft overleefd. Hij is geen deel van de oplossing, maar van het probleem.
Klein helpt kwalitatief journalistieke programma’s om zeep, beschermt de omroepen, doet aan wensdenken en beseft onvoldoende dat de traditie van broadcasting niet meer gerevitaliseerd kan worden in de vorm die hij ons voorspiegelt. Dat tijdperk ligt achter ons. Ook in Hilversum. De winst van zijn interventie is dat hij zich ermee zo onmogelijk maakt in potsierlijkheid en wereldvreemdheid dat hij er onbewust een punt voor de tegenpartij mee maakt.
Namelijk voor degenen die de omroepen willen omvormen en afslanken tot productiehuizen en een nationale omroep willen optuigen. Klein bewijst met zijn manier van denken het Nederlandse publiek een grote dienst. Zijn schot in eigen voet biedt volop kansen voor de toekomst met een levensvatbaar omroepbestel zonder de omroepen zoals we die nu (nog) kennen. Dan is het definitief geen 1925 meer in Hilversum.

Er is een gezegde dat aan Joseph de Maistre wordt toegeschreven dat zegt: ‘Elk land heeft de regering die het verdient’. Een variant daarop is ‘elk volk krijgt de leiders die het verdient’ dat naar allerlei sectoren kan worden uitgebreid. Dat is een fatalistisch standpunt dat suggereert dat macht een land overkomt. Vertaald naar de publieke omroep luidt dat: ’Nederland krijgt de directeuren van de NPO die het verdient’.

Maar dat is onzin. Het Nederlandse volk hoeft het marktdenken van de publieke omroep dat wordt gepersonifieerd door omroepbobo Frans Klein die macht naar zich heeft toegetrokken niet voor zoete koek aan te nemen. Want zijn argumentatie is zwak en eenzijdig. Gezien de kritiek op Kleins plannen in 2018 en nu weer in 2021 vinden veel Nederlanders de plannen van de NPO die hij presenteert slecht en ongepast. Klein is een zetbaas die beleid uitvoert waar veel betrokken burgers het niet mee eens zijn. Welnu, laten ze niet Klein daarop aanvallen, maar degenen die er de oorzaak van zijn dat Klein dit dient uit te voeren. Te weten de politieke partijen.

De marges zijn smal, maar de Nederlandse publieke omroep moet geen aansluiting zoeken bij de markt omdat dit een doodlopende weg is die teruggaat naar de 20ste eeuw en de laatste restjes kwaliteit inlevert, zodat er bij de volgende aankondiging van Klein of zijn opvolgers in 2024, 2027 of 2030 niks van kwaliteit meer is om in te leveren. Daarnaast is Nederland als markt te klein om in internationaal verband een vuist te maken.

Klein en degenen die hem zijn standpunten influisteren moeten nu teruggefloten worden in hun idee van meer van hetzelfde en minder van kwaliteit. Hun afbraak van de publieke omroep is ongewenst en strijdig met het grondidee van een publieke omroep. Dat is niet het populisme en het marktdenken dat Klein probeert te verkopen, maar algemeen nut zoals de watervoorziening of het elektriciteitsbedrijf. Dat kan uit principe niet vermarkt worden.