Fluxus. Gedachte bij de foto ‘Fluxus-performance by the German artist Wolf Vostell at art gallery Monet, Amsterdam (1962)’

Hans de Boer, Fluxus-performance by the German artist Wolf Vostell at art gallery Monet, Amsterdam (1962). Collectie: Nederlands Fotomuseum.

Van 1962 tot 1966 bestond Galerie Monet op het Rokin 97 te Amsterdam, volgens informatie van de RKD. Joop (J. P.) Smid was de galerist. De datum van de foto is 5 oktober 1962. De kunstenaar is Wolf Vostell die een ‘Fluxus-performance’ geeft. Maar op de foto zien we niet Vostell, maar een vrouw die op de tafel danst die diende als basis voor Vostells optreden. Zo te zien met Kleenex-tissues in haar handen van de performance. Zij is deel van de show.

Is dat het Fluxus idee? Een performance die wordt toegeschreven aan Wolf Vostell waar hij uit gewist is? Maar hoe zit het dan met de beschrijving? Ook het vlottende moet toch nauwkeurig beschreven worden door het te omcirkelen? Of is dat deel van de performance die 60 jaar later nog doorwerkt? Ik weet het niet. Misschien is het oprekken van grenzen wel het ultieme Fluxus idee. Niet zozeer vergeten, maar voorbijgegaan in het geheugen van Nederland. Nagelaten in dubbel opzicht.

In herinnering. Galeriehouder Henk Logman onverwachts overleden

Gisteren 10 maart 2021 is Henk Logman op 57-jarige leeftijd overleden. Hij leidde sinds 31 mei 2019 galerie LOGMAN in de Nobelstraat in Utrecht. De vermoedelijke oorzaak voor zijn overlijden is zijn hart. In zijn familie komt een erfelijke hartkwaal voor. Henk woonde in Amersfoort. Hij was samen met Johan Buurke die hem ruimhartig steunde in het realiseren van zijn droom. Namelijk het runnen van een galerie voor hedendaagse kunst.

Gisteren was Henk onderweg toen hij bij een tankstation tegen een andere auto botste. Hij werd uit de auto gehaald. De reanimatie bij het tankstation noch de hulp in het UMC waar hij heen werd gebracht mochten baten. Hoewel het er in het ziekenhuis even naar uitzag dat het beter ging heeft Henk het niet gered. Zijn hart had het begeven.

Henk was een geestverwant. Ik zal hem missen. Samen met hem en m’n partner Lydia van Oosten hadden we in de galerie of bij ons thuis lange gesprekken. Over het Utrechts kunstklimaat, cultuurpolitiek, kunstenaars, politiek en in het bijzonder D66 waar Henk in Amersfoort aan verbonden was geweest, theater en uiteraard de galerie. Meningen en voorgestelde verbeteringen ervan werden met plezier en waardering voor de ander uitgesproken en tegengesproken.

Henk was loyaal in zijn vriendschappen en laat vele vrienden en kunstenaars aangeslagen achter door zijn onverwachte dood. Henk was hartelijk, genereus en behulpzaam. Zijn levensvreugde straalde positief op zijn omgeving af. Het zwarte randje was de hartkwaal waar hij mee moest leven, hem soms aan het tobben zette en hem fataal is geworden.

Zijn galerie werd in minder dan twee jaar een ankerplaats voor vriendschap, een ruimte voor het tonen van goede kunst en een gespreksplatform waar het argument telde, de kwinkslag werd gewaardeerd en de markt weliswaar niet kon worden genegeerd, maar toch niet de programmering dicteerde. Henk die zelf een weg zocht in de beeldende kunst was tegelijk een mentor voor jonge kunstenaars en vond dat een van de aardigste aspecten van zijn werk.

Henk hield van het experiment en durfde dat te tonen. Vooral in de kelderruimte kregen kunstenaars carte blanche om hun ideeën ten uitvoer te brengen. Met soms verrassende resultaten. Henk had nog zoveel plannen die nu niet uitgevoerd kunnen worden.

Maar de coronacrisis gooide zoals bij vele galeries roet in het eten. Henk improviseerde begin 2020 de groepstentoonstelling ‘Boven de Bank’ in elkaar die hij samen met Lydia maakte. Het werd een succes. Door het aanbieden van timeslots die online gereserveerd konden was LOGMAN ook voor andere Nederlandse galeries een voorbeeld hoe ze weer bezoekers konden ontvangen. Hij hielp met zijn advies anderen hoe ze dat konden realiseren. Zo zette Henk de omstandigheden naar zijn hand.

De actuele tentoonstelling met de onheilspellende titel KORTSLUITING die gepland staat tot 5 april 2021 is nog op vrijdag en zaterdag op afspraak te zien. Reserveren van een timeslot van 45 minuten kan hier. Met werk van Ronald Zuurmond, Julius Stibbe en Matthijs Hannink. Deze tentoonstelling is exemplarisch voor waar LOGMAN voor stond. Een combinatie van gelouterd, jong en experimenteel zonder dat het een formule wordt. Opgefrist, niet platgetreden of behaagziek.

Verdriet is niet te meten en in het aantal tranen uit te drukken. De enige gepaste opmerking erover is dat verdriet bestaat. Verloren vrienden komen niet terug. Ze drukken je op de eigen sterfelijkheid. Met de innemende persoon Henk Logman is voor velen een stukje van henzelf heengegaan.

Utrecht verliest met LOGMAN een energieke en unieke galerie voor hedendaagse kunst die goede perspectieven had en steeds meer waardering kreeg uit de kunstsector. Johan Buurke kan troost putten uit de omstandigheid dat Henk voor velen een bijzonder mens was. Ze zullen hem hun leven lang missen. En koesteren in herinnering.

NB: In een eerdere versie werd gezegd dat Henk Logman zijn auto wist te verlaten en toen in elkaar zakte. Dat is onjuist. Hij werd door anderen uit de auto gehaald. Tevens werd gezegd dat de oorzaak nog niet duidelijk was. Dat is het nu wel. Dat was zijn hart.

Foto 1: Henk Logman en Lydia van Oosten in LOGMAN tijdens tentoonstelling ‘Boven de Bank’, 26 maart 2020. Foto: Arnoud van Mosselveld.

Foto 2: Henk Logman in zijn galerie tijdens de tentoonstelling ‘BY INVITATION ONLY’ 2020. Met negen gastconservatoren: Credits: LOGMAN.

Kritiek op culturele toe-eigening is onnozel. Het voorbeeld ‘Charlie Parker with Strings’

De autoriteit op het gebied van de muziek van altsaxofonist Charlie ‘Bird’ Parker (1920-1955) is Phil Schaap. Omdat zijn programma ‘Birdflight’ op WKCR is opgeschort wegens technische problemen van de zender (’the house of technical difficulties’ noemt Schaap het gekscherend) worden er momenteel herhalingen uitgezonden. Schaap heeft een eigen website waar sommige herhalingen ook zijn terug te horen. Zijn programma’s inclusief interviews met musici zijn getuigenissen die door reconstructie van het verleden dienen als archief van een langzaam verdwijnende Amerikaanse muziektraditie. Niet dat de Jazz verdwijnt, maar de verschijningsvorm van toen bestaat niet meer.

Schaap benadert de muziek vanuit verschillende invalshoeken. De Swing of Jazz van de jaren 1930 tot 1955 ziet hij als de popmuziek van toen. Een jazzmusicus als Charlie Parker was de Elvis Presley of The Beatles van zijn tijd. Dat valt voor een hedendaags publiek niet meer voor te stellen. Door Parkers samenwerking met klassieke musici, in de wandeling ‘With Strings’ genoemd bereikte Parker eind jaren 1940 en begin 1950 een aanzienlijke populariteit bij het grote publiek.

Parker is het voorbeeld ervan dat het debat over acculturatie en toe-eigening in de kunst onzinnig is en nergens toe leidt. Het is een nieuw soort apartheid dat etiketten plakt, schuttingen opricht en grenzen sluit tussen culturen. Daar heeft de kunst niets aan omdat in de kunsten ontleningen, bewerkingen en citaten zuurstof en inspiratie geven. Doorgaans wordt dat debat door niet-kunstenaars aangesneden die het niet om die kunst te doen is, maar om een politieke agenda. Als het over culturele toe-eigening (‘cultural appropriation’) gaat dan worden daar meestal witte kunstenaars mee bedoeld die zich elementen uit niet-witte culturen zouden toe-eigenen.

Nog levendig staat me een openbaar debat uit 2017 voor ogen in Galerie Sanaa dat werd gemodereerd door conservator Alexandra van Dongen waar kunstenaar Paul Bogaers (toen Tilburg, nu Amsterdam) door sommigen uit het publiek fel wel aangesproken over zijn gebruik van Afrikaanse elementen in zijn werk. Enkelen vonden het onaanvaardbaar wat hij deed. Zie hier mijn commentaar. Vorig jaar had ik het er nog met de kunstenaar over en de conclusie is dat het een brisant onderwerp is waar de kleinste misstap of de perceptie bij een deel van het publiek van een misstap tot een ontploffing in dat mijnenveld kan leiden. Kunstenaars voelen zich geïntimideerd door deze politieke activisten en zien er soms van af om die ‘andere’ elementen nog te gebruiken. Dat is verlies voor de kunst en winst voor de hokjesgeest.

Minder kritiek klinkt op ‘zwarte’ kunstenaars die uit de witte cultuur lenen. Hoewel wel degelijk in zwarte kringen het begrip ‘bounty’ opduikt, zwart van buiten en wit van binnen. Maar dan is de kritiek niet zozeer gericht op de toe-eigening van elementen uit een andere, vaak witte cultuur door de zwarte kunstenaar, maar om het verraad van de eigen cultuur.

Het is onbegrijpelijk waarom sommigen zo moeilijk doen over culturele toe-eigening en slagbomen in de kunst willen oprichten. Parker was een musicus in de traditie van de Amerikaanse jazz en blues, maar had tevens respect voor witte, Europese componisten als Igor Stravinsky en Edgar Varèse. Met zijn project ‘Charlie Parker with Strings’ doorbrak hij grenzen en werkte hij samen met witte klassieke musici als hoboïst Mitch Miller en waren de songs afkomstig van witte, vaak Joodse componisten uit de zogenaamde Tin Pan Alley songtraditie, zoals Cole Porter, Vernon Duke of George Gershwin.

Op een bijna identieke wijze zette in de jaren 1950 zangeres Ella Fitzgerald een nieuwe stap in haar carrière door de Songbooks van die Tin Pan Alley componisten en tekstschrijvers op de plaat te zetten. In een artikel noemt Jay Weiser de kritiek saai (‘vapid’) dat ze haar vocale stijl zou ‘witten’. Tegen het verwijt van psychologische acculturatie kan een kunstenaar zich moeilijk verdedigen omdat het vragen zet bij iemands motieven. Daarmee wordt de kunstenaar de kunst uitgezet.

De kritiek gaat in het voorbeeld van de populaire Amerikaanse muziek en de jazz ook voorbij aan het ontstaan ervan. Jazz is in New Orleans in de tweede helft van de 19e eeuw ontstaan door de samensmelting van Europese, Afrikaanse en Amerikaanse elementen. Dat is de ultieme weerlegging van het verbod op culturele toe-eigening. Drummer Pierre Courbois vatte dat ooit zo samen: ‘Jazz is multiculturele wereldmuziek, waarvoor de Europese ingrediënten net zo onmisbaar zijn geweest als de Afrikaanse kok’. Daarom is het logisch dat iemand als Charlie Parker de Europese elementen succesvol kon benadrukken zonder de jazz of zijn eigen opvatting ervan te verloochenen of te buiten te gaan.

Kunstvormen zijn doorgaans breder, samengestelder, gelaagder en gevarieerder dan politieke activisten in hun spookbeeld van uniformiteit en monotonie claimen. Daarom moeten kunstenaars van die dreigende, afkeurende kritiek uit politiek-activistische hoek zich geen snars aantrekken en gewoon over culturele grenzen gaan. Dat is namelijk de essentiële functie van kunst.

Foto: William P. Gottlieb, [Portrait of Charlie Parker, Carnegie Hall, New York, N.Y., ca. 1947]. Collectie: Library of Congress.

Kunst als lifestyle in de media. Desinformatie van de goede bedoelingen

Het is veelzeggend als iemand bewust een verkeerde indruk van een onderwerp geeft om dat vervolgens te nuanceren of corrigeren. Dat wordt ook wel een stropop of stropopredenering genoemd. Er wordt iets weerlegd dat niet overeenkomt met de realiteit of door de aangesprokene beweerd wordt. De lezer of kijker wordt zo op het verkeerde been gezet doordat het een schijnwereld ingetrokken wordt.

Het Vlaamse HLN biedt daarvan een voorbeeld in een artikel over het kopen van kunst. Dat is een subgenre in de sector lifestyle die af en toe in dit soort algemene publicaties verschijnen en aanhaken bij het prestige van beeldende kunst zonder dat er veel kennis van beeldende kunst uit blijkt.

HLN doet in een artikel dat journalistiek en reclame vermengt een onjuiste claim over de prijs van kunstwerken die de toon ervan bepaalt. Het betreft onder verwijzing naar aanbieders van kunst een advertorial, ofwel een advertentie in de vorm van een redactioneel artikel. Het merkwaardige is dat dit valse beeld vervolgens in de beschrijving van de verschillende aanbieders van kunst wordt rechtgezet. Het lijkt er niet op dat het artikel niet de opzet heeft om te informeren, maar jammergenoeg vinden de goede bedoelingen geen ondersteuning in een evenwichtige voorlichting.

Er staat: ‘Maar kunst is meestal ook prijzig. Je moet al snel een paar duizenden tot tienduizenden euro’s neertellen voor een werk. Tenzij… je je tot een van deze bijzondere alternatieven wendt.’ Dit is klinkklare onzin. Tekeningen of kleine schilderijen kosten bij galerieën doorgaans minder dan € 1000 euro en zeker minder dan € 2000.

Galerieën of kunstinitiatieven hanteren voor het bepalen van de prijs van een kunstwerk de zogenaamde factor. Die prijs wordt berekend aan de hand van lengte + breedte van het werk x een factor die overeenkomt met de ervaring en het belang van de kunstenaar. Grofweg kun je zeggen dat een beginnende kunstenaar een factor 4 heeft, een kunstenaar die enkele jaren van de academie af is een factor 10 en een mid term kunstenaar een factor 20 of (veel) hoger.

Zo kost een schilderij van 50 x 35 cm van een kunstenaar met een factor 10 of 11 omgerekend € 890. Als je als koper dan nog handig onderhandelt, mits die ruimte er is, dan kun je vaak nog een korting van 10 of 15% bedingen. Dan kom je voor dit werk uit op iets onder de € 800.

Vaak is er geen peil op te trekken hoe de prijs tot stand komt. De hoogte van de factor representeert ook het prestige van de kunstenaar en sluit kunstenaars soms op een niveau op waar ze economisch geïsoleerd komen te staan. Zeker als de kunstmarkt in een dip zit. Zo wordt de factor die de marktwaarde van de kunstenaar weergeeft een belemmering voor de verkoopbaarheid van betreffende kunstenaar. Het bedingen van korting die geheim wordt gehouden kan dan een oplossing bieden zonder dat de factor officieel naar beneden hoeft te worden bijgesteld.

Neem de collage van de overleden autodidact Thierry Renard wiens werk in de jaren 1990 in de Amsterdamse huiskamergalerie van Benno Premsela en Friso Broeksma werd getoond. Nu worden door Kunstinhuis.be waarnaar in het artikel wordt verwezen twee bijna gelijksoortige collages van hem berekend met een verschillende factor, 8 en 6,5. Uiteraard kan ook meespelen dat het niet een van de betere werken betreft. Maar het werk van een dode kunstenaar hoeft niet meer te concurreren met nog te maken werk dat verkocht moet worden zodat de factor niet opgekrikt hoeft te worden.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelStart to art: 6 manieren om kunst in huis te halen zonder je blauw te betalen’ op HLN, 18 februari 2021.

Foto 2:  Thierry Renard – Happy day. Collage te koop bij Kunstinhuis.be voor € 1590

Kritiek op kunstwerk ‘Americana’ van Eric Bui dat politiegeweld zou aanmoedigen leidt tot verwijdering en roep tot inperking van kunst

Begin december 2020 werd het kunstwerk ‘Americana’ van Eric Bui verwijderd van de tijdelijke tentoonstelling ‘Holding the Moment’ op de luchthaven van het Californische San Jose. Aanleiding waren klachten van het publiek dat het geweld tegen de politie zou aanmoedigen. Het was een gezamenlijk project van stad en luchthaven. Het zou op 5 december in deze tentoonstelling worden afgewisseld met werk van andere kunstenaars.

Bui ontkent dat hij geweld tegen de politie wil aanmoedigen, maar zegt tegelijk dat iedereen een eigen interpretatie over zijn werk kan geven. Hij beweert dat zijn werk een reactie is op het buitensporig politiegeweld dat de VS treft. Zoals in mei 2020 tot uiting kwam in de moord op George Floyd door een politieagent.

Eric Bui’s reactie op de kritiek uit onder meer politiekringen is autonoom: ‘Het belangrijkste voor mij is om niet te reageren op de zorgen van mensen door ze weg te poetsen, maar eerder te luisteren naar waarom mijn kunstwerken en het onderwerp in het algemeen zo’n sterke reactie van hen oproepen’.

Deze controverse maakt duidelijk dat kunst er toe kan doen en geen franje of amusement hoeft te zijn. Kunst scherpt aan, kunst stelt ter discussie. Tegelijk lijkt het ook of (een deel van) het publiek weinig kan hebben en niet goed weet hoe het met kritische kunst die inhaakt op een actueel thema om dient te gaan.

Of het stadsbestuur van San Jose verstandig heeft gehandeld door dit kunstwerk van de tentoonstelling te verwijderen na kritiek van luchthavenmedewerkers, leden van een politievakbond en leden van het publiek en mee te gaan in de interpretatie dat ‘Americana’ geweld tegen de politie aanmoedigt valt te bezien.

Opvallend in de mediaberichten die deze kwestie berichten is de invalshoek die gekozen wordt. Die kan toch niet anders dan als onevenwichtig worden beoordeeld. De grote aandacht voor de kritiek uit politiekringen op het werk benadrukt de maatschappelijke macht die de politie in de VS inneemt. Een weerwoord uit de kunstsector, een universiteit of museum dat de vrijheid van expressie en de autonomie van kunst benadrukt ontbreekt. Hoewel Eric Bui zijn zaak goed bepleit laten de media hem geïsoleerd staan in zijn verdediging. Dat is veelzeggend en roept daarenboven de vraag op of Amerikaanse media zich onder druk laten zetten door de wetshandhavingsinstanties.

De klap op de vuurpijl van deze controverse is de rancuneuze en weinig succesvolle petitie op Change.org die dateert van na de verwijdering van het werk en als boter na de vis onder meer eist dat het proces voor het kiezen van kunst wordt gecontroleerd en aangepast om ervoor te zorgen dat ‘geen enkele toekomstige artistieke vertoning geweld of discriminatie bevordert of iemand in gevaar brengt’. Dat is een verregaande en onmogelijke eis. De petitionaris roept niet op tot een open debat met de kunstenaar of degenen die de tentoonstelling hebben ingericht, maar wil het debat erover eenzijdig verbieden en de verantwoordelijken bij stad en Culturele Zaken straffen.

De mentaliteit die uit deze petitie spreekt is angstaanjagend en plaatst kunst en allen die kunst een warm hart toedragen buiten de orde en ontneemt kunst de vrijheid van meningsuiting of expressie. Te weten het in de VS bijna onaantastbare Eerste Amendement van de Grondwet. Dat is een on-Amerikaanse wijze van denken die in bepaalde segmenten van de Amerikaanse samenleving steeds meer ingang vindt vanwege de rugwind van Trumps presidentschap. Deze kwestie is van belang als teken van de intolerantie en de poging tot knechting van de kunst.

Foto 1: Informatie over ‘Americana’ van Eric Bui door de City of San Jose voor de tentoonstelling ‘Holding the Moment’ op San Jose Airport.  Het werk zou tentoongesteld worden van 1 november tot 5 december 2020.

Foto 2: Schermafbeelding van deel petitieSan José: Government Should Not Encourage Violence Against Our Police’ van Jonathan Fleming op Change.org, vermoedelijk gepost op 8 of 9 december 2020.

Nicole Fritz praat over de systeemrelevantie van kunst. Waarom horen we dat zo weinig van directeuren van grotere tentoonstellingsruimten?

Frau Doktor Nicole Fritz is directeur van de Kunsthalle Tübingen. Kortgeleden kondigde ze aan dat de kunsthal jammergenoeg weer gesloten wordt vanwege COVID-19. Voorlopig tot 20 december 2020. Ze zegt ook dat kunst meer is dan amusement. Dat kan op twee manieren opgevat worden en het is onduidelijk wat ze bedoelt. Ze laat dat in het midden, Is kunst amusement en meer of is kunst alleen meer dan amusement?

Fritz verwees naar de functie van kunst om innerlijke tegenstand te mobiliseren en zou daarom juist nu systeemrelevant zijn. De kanttekening waarom kunst ‘juist nu’ systeemrelevant is en niet altijd roept haar uitspraak op. Toch is het goedbedoeld wat ze zegt. Het is verfrissend om een directeur van een kunsthal over de functie van kunst te horen praten en niet over bezoekcijfers, politiek, marketing met bekende namen, contacten met verzamelaars en kunsthandel, verbouwingen, en de tentoonstellingsruimte als evenement en plek voor beleving.

Directeur Fritz raakte de kern van wat de functie van kunst is. Of poogde die te raken. Zo boud uitgesproken is dat van directeuren van grotere tentoonstellingsruimten nauwelijks meer te horen. Dat reliëf biedt haar korte optreden.

Musea en kunstinitiatieven moeten afstand houden tot cancelcultuur. Emancipatiestreven eindigt vaak in intolerantie en nieuw vooroordeel

Ik moest bij lezing van een artikel in Het Parool over cancelcultuur in de kunsten met bovenstaand citaat van Raisa Blommestijn (docent en promovendus aan de rechtenfaculteit van de Universiteit Leiden) denken aan een observatie van Renate Rubinstein die Paul Scheffer in zijn NRC-column van 27 november 2020 noemt:

Rubinstein verwijst vanuit de vorige eeuw naar andere verschijnselen, maar het principe is hetzelfde. Wat zij constateert is afgelopen jaren gebeurd in de kunsten. Zoals zij het meer dan 30 jaar geleden voorzag. Men kan zich alleen maar afvragen waarom er in de publieke opinie geen Rubinstein 2.0 is opgestaan die met een scherpe analyse de promoters van de cancelcultuur alle hoeken van de kamer liet zien. Dat is het verschil met toen. Kritiek op de cancelcultuur was er wel, maar die bleef tamelijk onopgemerkt. Wellicht heeft dat te maken met de fragmentatie van de publieke opinie die in Rubinsteins tijd nog niet in die mate bestond. Nu kwamen actie en reactie uit de Angelsaksische wereld en waren de Nederlandse opinieleiders en kunstsector een tamelijk passieve partij. Tekenend was dat de Nederlands-Britse commentator Ian Buruma in de Nederlandse publieke opinie zich het felst uitsprak tegen de cancelcultuur. Mede omdat hij er persoonlijk het slachtoffer van was geworden.

Een groep die valt te omschrijven als links-radicaal en opkomt voor gelijkheid en streeft naar emancipatie is doorgeslagen en in haar tegendeel verkeerd. Tijdelijk kunnen best vanzelfsprekendheden worden opgeschort om achterstanden van minderheidsgroepen weg te werken, maar als dat een nieuwe structurele ongelijkheid introduceert dan schiet het zijn doel voorbij.

Ongelukkig is ook dat de kwetsbare, weerloze en kleine, maar oh zo sexy kunstsector het doelwit is. Waar heeft de kunst die onwelkome aandacht aan te wijten? Het tragische is dat vele Nederlandse kunstinstellingen zich niet goed weten te verhouden tot die doorgeslagen en niet meer te begrenzen emancipatie en in vele gevallen met open ogen in de fuik van de intolerantie lopen. Waarmee deze musea of kunstinitiatieven vooral zichzelf beschadigen en achter het verkeerde vaandel aanlopen. Als ze zich hiervan uiteindelijk bewust werden, dan moeten ze tot hun schrik constateren dat ze niet meer op hun schreden kunnen omkeren.

De les voor Nederlandse musea en kunstinitiatieven is dat een afkoelingsperiode moeten inlassen. De verstandige en goed bestuurde instellingen hebben dat ook gedaan. Ze moeten zich even stilhouden en pas op de plaats maken. Niks doen. Ze moeten zich niet op laten jagen door een radicale minderheid en de veiligheid inbouwen dat die niet het interne debat overnemen en gaan domineren.

Musea en kunstinstellingen moeten zich niet onder druk laten zetten door een vaak van buiten de Nederlandse grenzen opererende kosmopolitische links-radicale lobby. Hoe sympathiek en lovenswaardig hun uitgangspunten ook zijn. De actievoerders zijn vaak niet eens goed op de hoogte van de situatie in de Nederlandse kunstsector, of worden uitsluitend voorgelicht door selectieve ’tolken’ die de internationale agenda weer met hun Nederlandse agenda en eigenbelang combineren. De projecties en dwarsverbanden zijn eindeloos en werken verwarrend, ook wat de herkomst ervan betreft.

Mikpunt zijn naïeve bestuurders die zich laten intimideren. Dieptepunt was het debat in het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With met een bestuur dat zich onder druk liet zetten door een radicale minderheid en een nieuwe generatie die de kans rook om een voet tussen de deur te krijgen. Zo grijpen incidentele en structurele wetmatigheden in elkaar. Dat is van alle tijden. Zoals de ontsporingen van emancipatiebewegingen die in hun tegendeel verkeren en de roep om gelijkheid en tolerantie inwisselen voor een houding van ongelijkheid en intolerantie en dat ook zijn. De kunstsector is gewaarschuwd om alert en niet al te naïef te zijn. Meegaan met een bevrijdingsstrijd is in beginsel niet verkeerd, maar omdat je nooit weet waar het eindigt valt het toch af te raden.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelCancelcultuur in de kunstwereld: hoe compromisloos kan kunst nog zijn?’ van

Foto 2: Schermafbeelding van deel columnWie bij zichzelf te rade gaat is nooit vrij van angst’ van Paul Scheffer in NRC, 27 november 2020.

Tim Boin vertelt met wartaal zijn verhaal over interactieve kunst

Dit is bij nader inzien een bedroevende video. Goedbedoeld, maar volkomen leeg van inhoud. Voor degene die achter de realiteit wil kijken blijft in het midden of dit serieus bedoeld is of opgevat moet worden als satire.

Tim Boin van Tim Boin Art zegt dat hij in geometrie gelooft. De vraag voor de kijker van deze video is of hij of zij in de praatjes en de opvatting van Tim Boin over kunst gelooft. Ook goede satire moet een zekere mate van geloofwaardigheid (‘vraisemblance‘) hebben om te overtuigen. Vraag is of Boin niet overdrijft in zijn spot en het gebruik van Engelstalig jargon. De uitspraak ‘the medium is the message’ is van toepassing op deze video. De communicatie drukt niet zozeer een beslissend stempel op de betekenis, maar drukt deze volledig uit beeld. Want wat is de betekenis van wat Boin probeert te zeggen? De beste omschrijving ervoor is wartaal.

Hoe Tim Boin het wiel opnieuw uitvindt, maar het buskruit nog niet heeft uitgevonden blijkt uit het slot als hij een eeuwenlange praktijk van interpreteren van kunst met zijn storytelling als nieuw probeert te pitchen: ‘Het leuke aan het vertellen van story’s met installaties en kunst is dat je triggert mensen om hun eigen invulling naar te geven en vervolgens gaan ze daar naartoe om die bevestiging te zoeken dus kijk gaat het hier over dus je creëert een bepaalde interactie met je publiek en ik denk dat dat ook wel de nieuwe manier van storytelling is.’ De verwondering die resteert is waarom niemand Tim Boin tegen zichzelf beschermd heeft.

NB: ‘Zo kan het ook’ dat in de video aandacht besteedt aan Tim Boin en zijn bedrijf is een programma van RTL dat ‘bedrijven in kaart brengt die een creatieve en vernieuwende blik hebben op het ondernemen, productontwikkeling, service en leiderschap’.

Maakt marketing in kunsthandel en kunstsector de kunst kapot?

Kunsthandel is een een slim marketingplan. Dat is geen opzienbarend nieuws, maar al vaak beweerd. Wie dat nu nog niet weet heeft zitten slapen. In een grappige, maar ook wel wat karikaturale aflevering van truTV wordt uitgelegd hoe het werkt. Neveneffect en onderschrijving van die marketing is dat de gevestigde media de veilingprijzen voor kunstwerken gelijkstellen met de kwaliteit of het belang ervan. Maar evenmin als bij films de toekenning van Oscars het ultieme oordeel is over de kwaliteit ervan geldt dat in de beeldende kunst.

Naast dit schema dat leidend is voor het bovenste segment van de kunsthandel is er in de kunstsector in volle breedte de actuele marketing van kunstenaars die niet minder kwalijk is en op andere uitgangspunten is gebaseerd. Niet commercieel, maar politiek. Van die marketing heeft het brede publiek minder benul. Mede omdat de gevestigde journalistiek zich daar niet over durft uit te spreken, in tegenstelling tot de karikatuur over de top van de kunsthandel. Ook dat maakt het lastig om kwaliteit van waardering te onderscheiden.

Neem de huidige golf van aandacht voor minderheden die door de kunstsector spoelt als een tsunami van emoties en in te lossen schuld die zo snel mogelijk hersteld moet worden. Kunstinstellingen zijn bevreesd om in die ‘emancipatie’ achter te blijven bij collega’s. Museumdirecteuren, conservatoren en curatoren buitelen over elkaar heen om de boot niet te missen. Met het risico dat ze in hun haast de verkeerde boot nemen.

Bezoek een museum met hedendaagse kunst en zie hoe huidskleur, sekse en etniciteit in het kielzog van identiteitsdenken en de #MeToo-beweging in korte tijd de nieuwe normen zijn geworden voor aankoop en presentatie. Een kunstenaar met de politiek correcte ‘juiste’ identiteit heeft tegenwoordig een streepje voor.

Dat is niet erg, als daarmee nieuwe kwaliteit aangeboord zou worden. Dat zou een verrijking voor de kunst zijn. Maar net als bij de kunsthandel die truTV beschrijft zijn het bij die actuele marketing doorgaans de meest handige en onbescheiden, maar niet altijd de beste kunstenaars die doorbreken. Dat is het probleem.

Gedachte bij foto ‘Chaos 1, Jean Tinguely, the Commons, Columbus, Ind., 1974’

Velen denken zich tegenwoordig te voelen als ze menen dat deze man op de foto zich voelt. Verloren en ontredderd in een IKEA-bouwpakket zonder begrijpelijke handleiding en voldoende schroeven en moertjes. Teneergeslagen in een omgeving of een tijd, kortom een samenleving die een niet te ontwarren warboel is.

Dat is de verkeerde conclusie. De man op de foto is de Zwitserse kunstenaar Jean Tinguely (1925 – 1991) die hier in 1974 weliswaar werkt aan zijn sculptuur werk ‘Chaos 1’ of ‘Chaos No. 1’ voor The Commons in Columbia, Indiana, maar daarmee nog niet in wanorde vervalt. Integendeel. Tinguely gaat met zijn werk niet ten onder aan de chaos, maar bezweert die juist. Uit ordeloosheid schept hij orde. Hij probeert de chaos voor zich te laten werken. Zijn kinetische kunst trotseert de verbeelding, de zwaartekracht en onze verwachting.

Het is simpel om de rekening van de eigen tijd op te maken met de slotsom dat het nog nooit zo chaotisch, erg of verward is geweest. Onzin. Het nu is niet meer afschrikwekkend of gedesorganiseerd dan andere tijden.

Door dat te beweren begrijpt iemand zowel de eigen tijd als het verleden niet. Maar het grootste bezwaar aan zo’n opstelling is dat het wegvlucht in fatalisme en daardoor de toegang tot het levenslot uit handen geeft.

Foto: Balthazar Korab, ‘Chaos 1, Jean Tinguely, the Commons, Columbus, Ind., 1974’. Collectie: Library of Congress.