Christian Boltanski is overleden. Wat was zijn werk waard? Zal de kunstkritiek daar over na gaan denken?

Schermafbeelding van deel artikelNecrologie;
Christian Boltanski (76), de macabere kunstenaar, is overleden
‘ van Toef Jager in NRC, 14 juli 2021.

Over de doden niks dan goeds. De Franse kunstenaar Christian Boltanski is overleden op 76-jarige leeftijd. Bij een bepaald segment van het publiek was deze autodidact immens populair.

Maar ik kon zijn kunst niet anders zien dan smieren in het theater. Boltanski speelde sterk op effect. Te sterk. Hij vertoonde kunstjes zodat zijn werk raakte aan sentimentaliteit, sensatiezucht en gladheid. Hij was een poseur.

Boltanski maakte namaakkunst waarvan hij wist dat die vooral om politieke redenen en door politieke dekking goed lag bij een breed publiek. Boltanski handelde in cliché’s. Boltanski maakte kunst niet vanuit een innerlijke noodzaak, maar om een façade op te trekken van schijnkunst.

Maar dat is nog geen reden om hem af te schrijven. Want vele hedendaagse kunstenaars handelen door herhaling tot vervelens toe uitsluitend vanuit de anekdote zoals Boltanski deed. Dat staat vernieuwing in de weg. Daarom zou aan de norm voor wat een kunstenaar is toegevoegd moeten worden dat hij of zij streeft naar vernieuwing door zich op onbekend terrein te begeven. Al is het door incidentele uitstapjes.

Boltanski deed het omgekeerde en herhaalde het voor hem bekende. Hij deed dat gewiekst doordat hij dat verbond aan het in stand houden van de herinnering, zodat nader inzicht nodig was om het naar waarde te schatten. Hij verhulde slim zijn eigen zwakte als kunstenaar.

Een minimalist als Daniel Buren heeft het overigens makkelijker om zich te herhalen door strepen te zetten in zijn kunst, dan Boltanski door met zijn kunst te strepen in de geschiedenis.

Dat een deel van het publiek hem in de armen sloot kon ik begrijpen, maar dat een deel van de kunstkritiek dat ook deed vond ik altijd onbegrijpelijk. Hoewel, kunstkritiek is uiteindelijk even subjectief en slecht onderbouwd als elke individuele mening. Het is geen wetenschap, maar een persoonlijke beschouwing.

Zo wordt de dood van Boltanski een scheiding der geesten. Niet zozeer de geest van Boltanski die definitief afscheid van de wereld neemt, maar het debat tussen voor- en tegenstanders over de waarde van zijn werk. Want het valt te voorzien dat nu hij er niet meer is de tegenstanders zich vrijer voelen om zich uit te spreken. Een overlijden is daar de geëigende gelegenheid voor.

De kunstkritiek komt overvallen door de actualiteit er voorlopig niet aan toe en steekt een verplicht verhaaltje af dat de gebeurtenissen van Boltanski’s leven op een rijtje zet alsof het de punten van een kindertekening met elkaar verbindt. Braaf en netjes. Maar wat de tekening zelf zegt weet het niet of kan het voorlopig nog niet beseffen.

Deze kunstkritiek heeft onvoldoende tijd gehad om na te denken wat de waarde van het werk van Boltanski is. Dat is deels begrijpelijk, want het tempo is hoog. De kunstkritiek wordt al jarenlang opgejaagd door de kunsthandel, de publiciteit en manifestaties als Documenta’s en Biënnales die de publiciteit van kunstenaars aanwenden om hun eigen belang te benadrukken. Overdenking of beoordeling is het sluitstuk geworden. De necrologie van de kunstenaar is het praalgraf waarop de feiten staan genoteerd, maar de betekenis nog ontbreekt.

Vandalisme teistert Alkmaarse buitenexpositie #TIERGARTEN. Aanval op kunst is door VVD voorbereid

Schermafbeelding van delen van artikel KUNST BOLWERK OPNIEUW VERNIELD: “STOERE MANNEN HEBBEN HET IN VIJF MINUTEN KAPOTGETRAPT” in Alkmaar Centraal, 14 juli 2021.

Waar komt de haat tegen kunst in de openbare ruimte vandaan? In Alkmaar vragen de organisatoren van de expositie #TIERGARTEN het zich af. Het werk ‘Muur!’ van Catinka Kersten is zelfs al twee keer vernield. In het weekend van 17 juli zal het voor de derde keer terug worden geplaatst op Het Bolwerk. Van de elf werken in de buitenexpositie werden er zes gestolen of beschadigd.

Een verklaring is dat de vandalen oogsten wat door VVD’ers als Han ten Broeke en Halbe Zijlstra is gezaaid. Lees ‘Manifestaties van de vrijheid des geestes: een liberale kijk op cultuur en sport’ (2012) van de Teldersstichting. Dat is het wetenschappelijk bureau van de VVD. Kunst wordt daarin beschouwd als vermaak en vrije tijd en moet terug in het hok. Getemd, tandeloos en onschadelijk gemaakt.

Voor de VVD speelt kunst dezelfde wedstrijd als de fanfare van amateurmusici of het bloemencorso. Kamerlid Thierry Aartsen ventte dat standpunt afgelopen jaren als toenmalig woordvoerder cultuur uit en was er nog trots op. Het is alsof burgers een politieke partij gelijkschakelen met een ontmoetingsplek voor wijnliefhebbers, een naaikransje, een familie die een verjaardagspartijtje viert of een kroeggesprek tussen vrienden. Die beeldvorming is een doordachte aanpak van de VVD om kunst te verhinderen om de functie op te eisen die het voor zichzelf als logisch en natuurlijk ziet.

De VVD heeft vanaf de jaren 1950 (Willem Carel Wendelaar: Jan Hanlo) de geesten rijp gemaakt om de positie van kunst in te perken. De partij heeft voor vandalen de lat laag gelegd om te keer te gaan tegen kunst. Hun gebrek aan respect voor kunst is een gevolg van de publiekelijk geuite minachting van kunst door VVD’ers.

Terwijl deze vermoedelijk jeugdige vandalen niet beter weten, weten de door de wol geverfde VVD’ers wel beter. Hun heksenjacht tegen kunst als zogenaamde linkse hobby is bewust beleid om kunst verdacht te maken, het draagvlak ervoor in de Nederlandse samenleving aan te tasten en ondergeschikt te maken aan de economische orde. De tragiek is dat andere partijen, onder wie de linkse, die agenda hebben overgenomen en de kunst en de kunstenaars geestelijk en financieel niet meer ruimhartig willen bijstaan.

Die sinds de jaren 1950 afgenomen vanzelfsprekendheid om kunst te steunen en als essentieel te zien heeft vermoedelijk te maken met de sinds die tijd veranderde achtergrond van politici. De democratiseringen van de jaren 1960 en de nasleep ervan hebben geleid tot een verminderd begrip voor Bildung als belangrijk ideaal voor de algemene vorming van burgers. In Duitsland en Frankrijk bestaat dat begrip van Bildung nog wel bij de politieke en bestuurlijke klasse, of wordt het hooggehouden, en staat de functie van kunst niet of minder ter discussie. Laat staan dat de politieke klasse in het openbaar minachtende uitspraken over kunst en kunstenaars doet om er electoraal mee te scoren. Het dramatisch gevolg van dit kunstonvriendelijke beleid is dat de burgers er bewust van worden weggehouden.

De VVD is de kwade genius van het Nederlandse cultuurbeleid. Het heeft de weg bereid voor populistische, rechts-radicale partijen als PVV en FvD die tegen kunst schoppen. Het kunstje van het dingen naar de volksgunst over de rug van de kunst hebben ze geleerd van de VVD. In Nederland heeft kunst geen positie, geen sterke vertegenwoordigers, geen maatschappelijke steun en geen aanzien. Dankzij de VVD die de kunst haat.

Het vandalisme tegen de kunstwerken van de expositie #TIERGARTEN in het Alkmaarse Bolwerk komt niet uit de lucht vallen. Het is geen toeval, maar is door de politiek voorbereid. Door initiator VVD die stilzwijgend andere partijen heeft meegekregen. Om te variëren op de laatste woorden van kolonel Kurtz in Apocalypse Now: ‘The hate, the hate‘.

Kunstenaars roepen op subsidie te stoppen van Centrum voor Chinese hedendaagse kunst (CFCCA) in Manchester dat racistisch ‘wit’ zou zijn

Artist Residency Studio during an open studio session. Photo by Arthur Siuksta. Credits: CFCCA, Manchester.

Identiteitspolitiek in de kunst biedt voor allen opties om stelling te nemen. Voor of tegen. Identiteitspolitiek gaat onlosmakelijk samen met beschuldigingen. Tegen de aantijging ‘racisme’ is geen verdediging mogelijk als de beschuldiging niet omschreven, laat staan onderbouwd wordt. In de praktijk wordt de beschuldiging nonchalant tegen de muur gegooid en overgenomen door sociale media. Dat is doorgaans voldoende om in de publiciteit de zaak te winnen en een beschuldigd individu of instelling te beschadigen of zelfs uit de kunstsector te verbannen.

Nuance wordt niet gezocht, verbinding wordt uitgesloten, verschillen mogen niet bestaan en intolerantie is immens. De identiteit van de kunstenaar verdringt de identiteit van de kunst.

Neem het geval in het Engelse Manchester van het Centre for Chinese Contemporary Art (CFCCA). In september 2020 heeft de CFCCA zeven kunstenaars benoemd tot lid van een werkgroep om kwesties rond gelijkheid en inclusie aan te pakken. De instelling heeft vele beleidsstukken geproduceerd over deze aspecten. De zeven kunstenaars met Chinese wortels beschuldigen nu in een open brief deze instelling van racisme. Of erger nog ‘institutioneel racisme’. Wat ze eronder verstaan is onduidelijk. Ze preciseren niet wat hun opvatting van racisme is.

Ook roepen de kunstenaars de subsidiegever op om de subsidie in te trekken. Dat is feitelijk een oproep om het bestaan ervan te beëindigen. Zie hier een artikel in The Guardian voor de details.

Identiteitspolitiek bijt steeds vaker in de eigen staart. Een feminist hoeft geen vrouw te zijn, iemand die opkomt voor een etnische of seksuele minderheid hoeft geen lid van die minderheid te zijn en iemand die opkomt voor de Chinese zaak hoeft niet van Chinese afkomst te zijn. Ofschoon de meest radicale actievoerders daar anders over denken. Ze menen in hun denken dat opvallend overeenkomt met de uitgangspunten van de historische apartheid dat grenzen tussen groepen niet vloeiend zijn en groepen zich niet moeten en kunnen vermengen.

Het lijkt er sterk op dat deze zeven kunstenaars het feit dat witte mensen het management van het CFCCA vormen al een blijk van racisme vinden. Terwijl het vermoedelijk eerder een gevolg van een traditionele kunstpolitiek is in een land waar een witte meerderheid het eeuwenlang voor het zeggen heeft gehad. Dat sijpelt door in de kunsten. Dát moet hervormd worden om de kunst bij de tijd te brengen, zonder dat grove middelen als de beschuldiging van racisme ingezet hoeven te worden. Die overigens de emancipatie van minderheden eerder vertragen dan versnellen. Hoewel enige politieke druk de verandering kan dienen. Maar onredelijke druk roept weerstand op en leidt af van de zaak.

Juist daarom is de vraag wat de intentie van activisten is. Wat willen ze bereiken? Als de emancipatie van de groep waarvoor ze zeggen te spreken de hoofdzaak is, dan valt te betwijfelen of ze de meest doelmatige methode gebruiken om die emancipatie dichterbij te brengen.

De gevoeligheden zijn groot. De tenen zijn erg lang. Ineens gaat het niet meer over kunst, maar over de identiteit van de kunst. En ineens gaat het zelfs niet meer over de identiteit van de kunst, maar over de identiteit van de kunstenaars.

Net zoals beleidsmakers kunst voor hun karretje willen spannen als ze plannen laten maken over stedelijke ontwikkeling, stadspromotie, emancipatie, sociale cohesie, propaganda, vercommercialisering en alle verschijningsvormen die kunst niet als autonoom erkent zo spannen de doorgaans links-radicale kunstenaars, pseudo-kunstenaars, studenten of beroepsactivisten kunst voor hun karretje. Ze eigenen zich de kunst toe alsof ze er eenzijdig het laatste woord over hebben.

Beleidsmakers die de status quo vertegenwoordigen en activisten die de status quo willen wijzigen zijn twee kanten van dezelfde medaille. De politisering van de kunst door links-radicale activisten is even ongewenst als de aanwending van kunst als politiek instrument door beleidsmakers.

Hoewel de negatieve effecten van de identiteitspolitiek in de kunst doorsijpelen in de publieke opinie doen de media daar terughoudend verslag van. Dat verlengt de grip van de activisten op de kunst en is ongewenst. Mede omdat het indirect een vrijbrief geeft aan de beleidsmakers om de autonome positie van de kunst verder uit te kleden. Het beschadigt de positie van de kunst van twee kanten.

Slovenië annuleert tentoonstelling in Brussel vanwege kritiek op regering. Welke werken de reden daarvoor zijn is onduidelijk

Ideologije prikaza’ (2008) van Jasmina Cibic. Kunstcollectie van heet Europees Parlement.

Op zijn FB-pagina schrijft de Sloveense kunstenaar Arjan Pregl over de regering van zijn land: ‘We worden bestuurd door een fascistische falanga, dronken door de autoriteiten’. Dat is een niet ideale vertaling uit het Sloveens, maar de bedoeling is duidelijk. Pregl heeft het niet zo op premier Janez Janša, een voormalige communist die zich telkens herprofileert om aan de macht te blijven. Hij is meermalen van corruptie beschuldigd. Slovenië is lid van de EU.

Aanleiding voor Pregls reactie is het afgelasten door de regering Janša van een tentoonstelling in Brussel. Een artikel op Euroactiv geeft de bijzonderheden. Van 1 juli tot en met 31 december 2021 is Slovenië roulerend voorzitter van de EU. Het is gebruik dat dan in Brussel een tentoonstelling wordt ingericht om dat voorzitterschap te vieren en te benadrukken.

Maar de Sloveense cultuurminister Vasko Simoniti heeft de tentoonstelling afgelast. Hij geeft als reden dat het Europese Parlement haar eigen kunstcollectie heeft dat het in de tentoonstelling wilde voegen. Daar kon Simoniti volgens EuroActiv niet mee instemmen: ‘Slovenië is een onafhankelijk en soeverein land dat zelf zal beslissen wat het zal tentoonstellen […] Geen enkele stafmedewerker zal voorwaarden stellen. Ze kunnen ze instellen en ik kan weigeren ze te accepteren.’

Het wordt er absurd op als de minister antwoordt op een vraag waarom hij vooraf geen kennis had van het concept van de tentoonstelling: ‘Omdat ik niet op de hoogte ben. Nou, omdat ik niet geïnteresseerd ben’. Deze openhartigheid geeft aan hoe de Sloveense overheid tegen kunst aankijkt. Dit past in een patroon van regeringen om kunst te kleineren. Ook in Nederland zijn er telkens bewindslieden die zich erop voorstaan geen verstand van kunst te hebben en zich er niet voor te interesseren. Zoals toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra die er prat op ging geen verstand van kunst te hebben. Dat komt in andere sectoren niet voor, daarin is kunst uniek.

Welk werk uit de collectie van het Europees Parlement de aanleiding voor de Sloveense cultuurminister was om de tentoonstelling in Brussel af te gelasten is onduidelijk. De digitale registratie van de kunstcollectie kent slechts één werk van een Sloveense kunstenaar: ‘Ideologije prikaza’ (2008) van Jasmina Cibic. Google vertaalt het met ‘Representatie-ideologieën’. Maar het is onduidelijk of deze registratie actueel is.

EuroActiv wijst naar een bericht van de publieke omroep RTV Slovenija dat zegt dat een werk van Arjan Pregl de aanleiding is. De reden daarvoor zou zijn dat hij ‘de laatste tijd een prominente criticus van de regering is geworden en een van de meest zichtbare voorstanders is geweest van wekelijkse protesten tegen de regering in Ljubljana’. Maar of dit klopt en om welk werk het gaat is onduidelijk. Hoe dan ook is de paradox dat door onderdrukking het belang van kunst wordt benadrukt, maar het kunstwerk uit het publieke domein wordt verbannen.

COMMENTARY #2 | ARJAN PREGL | PRECARIOUS DAY

Evides dreigt op locatie Kralingen kunstwerk van André Volten te verwijderen en architectuur van Wim Quist aan te tasten

Schermafbeelding van deel artikelEnsemble Wim Quist verminkt, kunstwerk André Volten verwijderd?’ van Kees van der Hoeven op architectenweb, 12 mei 2021.

In een overtuigend artikel op architectenweb gaat architect Kees van der Hoeven in op een kwestie die speelt rond het Rotterdamse drinkwaterleidingcomplex Kralingen. Volgens hem dreigt een kunstwerk van de gerenommeerde beeldhouwer André Volten te veranderen in een parkeerplaats en dreigt een gebouw van de even gerenommeerde architect Wim Quist aangetast te worden door aanbouw die de toets der kritiek niet kan weerstaan.

Wat is er aan de hand? De kwade genius is het waterleidingbedrijf Evides dat opereert in Zeeland, West-Brabant en de omgeving van Rotterdam. Evides heeft een nieuw hoofdkantoor gepland en daarvoor moeten blijkbaar alle normen van redelijk en collegiaal overleg wijken. De inmiddels 90-jarige architect Quist die voor de voorloper van Evides ook de wonderschone functionele gebouwen op de locatie Berenplaat in Spijkenisse ontwierp is niet geraadpleegd door Evides. Van der Hoeven: ‘Quist protesteert en eist overleg met Evides over de plannen. We hebben contact over de zaak; ik besluit hem te steunen en onderzoek te doen naar het gevolgde proces’.

Op geen enkele manier wordt Quist echter door Evides bij de plannen voor het hoofdkantoor (studies, schetsen) betrokken, terwijl dat in Nederland goed gebruik is in dit soort situaties. Een ontwerp dat Quist in maart 2021 maakt wordt door Evides terzijde geschoven. Het bedrijf gaat niet serieus in gesprek met Quist en zegt volgens Van der Hoeven dat ‘haar cliënt met het nieuwe hoofdkantoor geen enkele aantasting veroorzaakt (aan de reputatie en de rechten van architect Quist). Want: ‘iedereen kan zien dat de nieuwe aanbouw niet van zijn hand is’. Van der Hoeven vindt dit een drogreden omdat de redenering dan is dat een verminking van een architectonisch waardevol gebouw geen verminking mag worden genoemd als het herkenbaar van een andere architect is. Dat maakt de weg vrij voor elke flagrante verminking van architectuur.

Alle liefhebbers van beeldende kunst en architectuur zouden zich gealarmeerd moeten voelen door dit nieuws dat Van der Hoeven noodgedwongen naar buiten brengt omdat overleg met Evides volgens hem niet meer werkt. Hij sluit zijn betoog alsvolgt af: ‘Vandaar dat ik, vanwege de actuele impasse in het overleg, deze casus nu publiek maak, eerst bij de architectengemeenschap, maar ook bij de Welstandscommissie Rotterdam. En aansluitend bij de aandeelhouders van Evides en de (regionale) dagbladpers. Deze kwalijke combinatie van macht en ondeskundigheid mag zo niet tot uitvoering komen’.

Beschrijving van Zonder titel (1976) van André Volten op BKOR
(Beeldende Kunst & Openbare Ruimte Rotterdam)

De tijd dringt omdat deze week de aanvraag voor ‘het bouwrijp maken’ van de locatie wordt ingediend. Zoals gezegd, ook een belangrijke sculptuur uit het wereldberoemde oeuvre van André Volten dreigt verwijderd te worden. De sculptuur is in opdracht van de gemeente Rotterdam in 1976 gerealiseerd en gefinancierd en men vraagt zich af of Evides het nu eenzijdig zonder overleg met de voormalige opdrachtgever kan verwijderen. Volgens Van der Hoeven is er geen vertrouwen meer dat Evides met respect voor het ensemble van Quist zorgvuldig zal handelen. Een brandbrief aan president-commissaris van Evides Kohsiek werd al niet eens meer beantwoord, zo zegt hij. Evides heeft het overleg dichtgedraaid als een waterkraan die wordt afgesloten.

Het is nu vooral aan de Rotterdammers op op te komen voor dit waardevolle culturele erfgoed in hun gemeente. Er is nog niks verloren als er nu gehandeld wordt en de top van Evides tot het inzicht kan worden gebracht dat het op de verkeerde weg zit en niet naar eigen goeddunken kan doen wat het wil met een kunstwerk van Volten en architectuur van Quist.

Fluxus. Gedachte bij de foto ‘Fluxus-performance by the German artist Wolf Vostell at art gallery Monet, Amsterdam (1962)’

Hans de Boer, Fluxus-performance by the German artist Wolf Vostell at art gallery Monet, Amsterdam (1962). Collectie: Nederlands Fotomuseum.

Van 1962 tot 1966 bestond Galerie Monet op het Rokin 97 te Amsterdam, volgens informatie van de RKD. Joop (J. P.) Smid was de galerist. De datum van de foto is 5 oktober 1962. De kunstenaar is Wolf Vostell die een ‘Fluxus-performance’ geeft. Maar op de foto zien we niet Vostell, maar een vrouw die op de tafel danst die diende als basis voor Vostells optreden. Zo te zien met Kleenex-tissues in haar handen van de performance. Zij is deel van de show.

Is dat het Fluxus idee? Een performance die wordt toegeschreven aan Wolf Vostell waar hij uit gewist is? Maar hoe zit het dan met de beschrijving? Ook het vlottende moet toch nauwkeurig beschreven worden door het te omcirkelen? Of is dat deel van de performance die 60 jaar later nog doorwerkt? Ik weet het niet. Misschien is het oprekken van grenzen wel het ultieme Fluxus idee. Niet zozeer vergeten, maar voorbijgegaan in het geheugen van Nederland. Nagelaten in dubbel opzicht.

In herinnering. Galeriehouder Henk Logman onverwachts overleden

Gisteren 10 maart 2021 is Henk Logman op 57-jarige leeftijd overleden. Hij leidde sinds 31 mei 2019 galerie LOGMAN in de Nobelstraat in Utrecht. De vermoedelijke oorzaak voor zijn overlijden is zijn hart. In zijn familie komt een erfelijke hartkwaal voor. Henk woonde in Amersfoort. Hij was samen met Johan Buurke die hem ruimhartig steunde in het realiseren van zijn droom. Namelijk het runnen van een galerie voor hedendaagse kunst.

Gisteren was Henk onderweg toen hij bij een tankstation tegen een andere auto botste. Hij werd uit de auto gehaald. De reanimatie bij het tankstation noch de hulp in het UMC waar hij heen werd gebracht mochten baten. Hoewel het er in het ziekenhuis even naar uitzag dat het beter ging heeft Henk het niet gered. Zijn hart had het begeven.

Henk was een geestverwant. Ik zal hem missen. Samen met hem en m’n partner Lydia van Oosten hadden we in de galerie of bij ons thuis lange gesprekken. Over het Utrechts kunstklimaat, cultuurpolitiek, kunstenaars, politiek en in het bijzonder D66 waar Henk in Amersfoort aan verbonden was geweest, theater en uiteraard de galerie. Meningen en voorgestelde verbeteringen ervan werden met plezier en waardering voor de ander uitgesproken en tegengesproken.

Henk was loyaal in zijn vriendschappen en laat vele vrienden en kunstenaars aangeslagen achter door zijn onverwachte dood. Henk was hartelijk, genereus en behulpzaam. Zijn levensvreugde straalde positief op zijn omgeving af. Het zwarte randje was de hartkwaal waar hij mee moest leven, hem soms aan het tobben zette en hem fataal is geworden.

Zijn galerie werd in minder dan twee jaar een ankerplaats voor vriendschap, een ruimte voor het tonen van goede kunst en een gespreksplatform waar het argument telde, de kwinkslag werd gewaardeerd en de markt weliswaar niet kon worden genegeerd, maar toch niet de programmering dicteerde. Henk die zelf een weg zocht in de beeldende kunst was tegelijk een mentor voor jonge kunstenaars en vond dat een van de aardigste aspecten van zijn werk.

Henk hield van het experiment en durfde dat te tonen. Vooral in de kelderruimte kregen kunstenaars carte blanche om hun ideeën ten uitvoer te brengen. Met soms verrassende resultaten. Henk had nog zoveel plannen die nu niet uitgevoerd kunnen worden.

Maar de coronacrisis gooide zoals bij vele galeries roet in het eten. Henk improviseerde begin 2020 de groepstentoonstelling ‘Boven de Bank’ in elkaar die hij samen met Lydia maakte. Het werd een succes. Door het aanbieden van timeslots die online gereserveerd konden was LOGMAN ook voor andere Nederlandse galeries een voorbeeld hoe ze weer bezoekers konden ontvangen. Hij hielp met zijn advies anderen hoe ze dat konden realiseren. Zo zette Henk de omstandigheden naar zijn hand.

De actuele tentoonstelling met de onheilspellende titel KORTSLUITING die gepland staat tot 5 april 2021 is nog op vrijdag en zaterdag op afspraak te zien. Reserveren van een timeslot van 45 minuten kan hier. Met werk van Ronald Zuurmond, Julius Stibbe en Matthijs Hannink. Deze tentoonstelling is exemplarisch voor waar LOGMAN voor stond. Een combinatie van gelouterd, jong en experimenteel zonder dat het een formule wordt. Opgefrist, niet platgetreden of behaagziek.

Verdriet is niet te meten en in het aantal tranen uit te drukken. De enige gepaste opmerking erover is dat verdriet bestaat. Verloren vrienden komen niet terug. Ze drukken je op de eigen sterfelijkheid. Met de innemende persoon Henk Logman is voor velen een stukje van henzelf heengegaan.

Utrecht verliest met LOGMAN een energieke en unieke galerie voor hedendaagse kunst die goede perspectieven had en steeds meer waardering kreeg uit de kunstsector. Johan Buurke kan troost putten uit de omstandigheid dat Henk voor velen een bijzonder mens was. Ze zullen hem hun leven lang missen. En koesteren in herinnering.

NB: In een eerdere versie werd gezegd dat Henk Logman zijn auto wist te verlaten en toen in elkaar zakte. Dat is onjuist. Hij werd door anderen uit de auto gehaald. Tevens werd gezegd dat de oorzaak nog niet duidelijk was. Dat is het nu wel. Dat was zijn hart.

Foto 1: Henk Logman en Lydia van Oosten in LOGMAN tijdens tentoonstelling ‘Boven de Bank’, 26 maart 2020. Foto: Arnoud van Mosselveld.

Foto 2: Henk Logman in zijn galerie tijdens de tentoonstelling ‘BY INVITATION ONLY’ 2020. Met negen gastconservatoren: Credits: LOGMAN.

Kritiek op culturele toe-eigening is onnozel. Het voorbeeld ‘Charlie Parker with Strings’

De autoriteit op het gebied van de muziek van altsaxofonist Charlie ‘Bird’ Parker (1920-1955) is Phil Schaap. Omdat zijn programma ‘Birdflight’ op WKCR is opgeschort wegens technische problemen van de zender (’the house of technical difficulties’ noemt Schaap het gekscherend) worden er momenteel herhalingen uitgezonden. Schaap heeft een eigen website waar sommige herhalingen ook zijn terug te horen. Zijn programma’s inclusief interviews met musici zijn getuigenissen die door reconstructie van het verleden dienen als archief van een langzaam verdwijnende Amerikaanse muziektraditie. Niet dat de Jazz verdwijnt, maar de verschijningsvorm van toen bestaat niet meer.

Schaap benadert de muziek vanuit verschillende invalshoeken. De Swing of Jazz van de jaren 1930 tot 1955 ziet hij als de popmuziek van toen. Een jazzmusicus als Charlie Parker was de Elvis Presley of The Beatles van zijn tijd. Dat valt voor een hedendaags publiek niet meer voor te stellen. Door Parkers samenwerking met klassieke musici, in de wandeling ‘With Strings’ genoemd bereikte Parker eind jaren 1940 en begin 1950 een aanzienlijke populariteit bij het grote publiek.

Parker is het voorbeeld ervan dat het debat over acculturatie en toe-eigening in de kunst onzinnig is en nergens toe leidt. Het is een nieuw soort apartheid dat etiketten plakt, schuttingen opricht en grenzen sluit tussen culturen. Daar heeft de kunst niets aan omdat in de kunsten ontleningen, bewerkingen en citaten zuurstof en inspiratie geven. Doorgaans wordt dat debat door niet-kunstenaars aangesneden die het niet om die kunst te doen is, maar om een politieke agenda. Als het over culturele toe-eigening (‘cultural appropriation’) gaat dan worden daar meestal witte kunstenaars mee bedoeld die zich elementen uit niet-witte culturen zouden toe-eigenen.

Nog levendig staat me een openbaar debat uit 2017 voor ogen in Galerie Sanaa dat werd gemodereerd door conservator Alexandra van Dongen waar kunstenaar Paul Bogaers (toen Tilburg, nu Amsterdam) door sommigen uit het publiek fel wel aangesproken over zijn gebruik van Afrikaanse elementen in zijn werk. Enkelen vonden het onaanvaardbaar wat hij deed. Zie hier mijn commentaar. Vorig jaar had ik het er nog met de kunstenaar over en de conclusie is dat het een brisant onderwerp is waar de kleinste misstap of de perceptie bij een deel van het publiek van een misstap tot een ontploffing in dat mijnenveld kan leiden. Kunstenaars voelen zich geïntimideerd door deze politieke activisten en zien er soms van af om die ‘andere’ elementen nog te gebruiken. Dat is verlies voor de kunst en winst voor de hokjesgeest.

Minder kritiek klinkt op ‘zwarte’ kunstenaars die uit de witte cultuur lenen. Hoewel wel degelijk in zwarte kringen het begrip ‘bounty’ opduikt, zwart van buiten en wit van binnen. Maar dan is de kritiek niet zozeer gericht op de toe-eigening van elementen uit een andere, vaak witte cultuur door de zwarte kunstenaar, maar om het verraad van de eigen cultuur.

Het is onbegrijpelijk waarom sommigen zo moeilijk doen over culturele toe-eigening en slagbomen in de kunst willen oprichten. Parker was een musicus in de traditie van de Amerikaanse jazz en blues, maar had tevens respect voor witte, Europese componisten als Igor Stravinsky en Edgar Varèse. Met zijn project ‘Charlie Parker with Strings’ doorbrak hij grenzen en werkte hij samen met witte klassieke musici als hoboïst Mitch Miller en waren de songs afkomstig van witte, vaak Joodse componisten uit de zogenaamde Tin Pan Alley songtraditie, zoals Cole Porter, Vernon Duke of George Gershwin.

Op een bijna identieke wijze zette in de jaren 1950 zangeres Ella Fitzgerald een nieuwe stap in haar carrière door de Songbooks van die Tin Pan Alley componisten en tekstschrijvers op de plaat te zetten. In een artikel noemt Jay Weiser de kritiek saai (‘vapid’) dat ze haar vocale stijl zou ‘witten’. Tegen het verwijt van psychologische acculturatie kan een kunstenaar zich moeilijk verdedigen omdat het vragen zet bij iemands motieven. Daarmee wordt de kunstenaar de kunst uitgezet.

De kritiek gaat in het voorbeeld van de populaire Amerikaanse muziek en de jazz ook voorbij aan het ontstaan ervan. Jazz is in New Orleans in de tweede helft van de 19e eeuw ontstaan door de samensmelting van Europese, Afrikaanse en Amerikaanse elementen. Dat is de ultieme weerlegging van het verbod op culturele toe-eigening. Drummer Pierre Courbois vatte dat ooit zo samen: ‘Jazz is multiculturele wereldmuziek, waarvoor de Europese ingrediënten net zo onmisbaar zijn geweest als de Afrikaanse kok’. Daarom is het logisch dat iemand als Charlie Parker de Europese elementen succesvol kon benadrukken zonder de jazz of zijn eigen opvatting ervan te verloochenen of te buiten te gaan.

Kunstvormen zijn doorgaans breder, samengestelder, gelaagder en gevarieerder dan politieke activisten in hun spookbeeld van uniformiteit en monotonie claimen. Daarom moeten kunstenaars van die dreigende, afkeurende kritiek uit politiek-activistische hoek zich geen snars aantrekken en gewoon over culturele grenzen gaan. Dat is namelijk de essentiële functie van kunst.

Foto: William P. Gottlieb, [Portrait of Charlie Parker, Carnegie Hall, New York, N.Y., ca. 1947]. Collectie: Library of Congress.

Kunst als lifestyle in de media. Desinformatie van de goede bedoelingen

Het is veelzeggend als iemand bewust een verkeerde indruk van een onderwerp geeft om dat vervolgens te nuanceren of corrigeren. Dat wordt ook wel een stropop of stropopredenering genoemd. Er wordt iets weerlegd dat niet overeenkomt met de realiteit of door de aangesprokene beweerd wordt. De lezer of kijker wordt zo op het verkeerde been gezet doordat het een schijnwereld ingetrokken wordt.

Het Vlaamse HLN biedt daarvan een voorbeeld in een artikel over het kopen van kunst. Dat is een subgenre in de sector lifestyle die af en toe in dit soort algemene publicaties verschijnen en aanhaken bij het prestige van beeldende kunst zonder dat er veel kennis van beeldende kunst uit blijkt.

HLN doet in een artikel dat journalistiek en reclame vermengt een onjuiste claim over de prijs van kunstwerken die de toon ervan bepaalt. Het betreft onder verwijzing naar aanbieders van kunst een advertorial, ofwel een advertentie in de vorm van een redactioneel artikel. Het merkwaardige is dat dit valse beeld vervolgens in de beschrijving van de verschillende aanbieders van kunst wordt rechtgezet. Het lijkt er niet op dat het artikel niet de opzet heeft om te informeren, maar jammergenoeg vinden de goede bedoelingen geen ondersteuning in een evenwichtige voorlichting.

Er staat: ‘Maar kunst is meestal ook prijzig. Je moet al snel een paar duizenden tot tienduizenden euro’s neertellen voor een werk. Tenzij… je je tot een van deze bijzondere alternatieven wendt.’ Dit is klinkklare onzin. Tekeningen of kleine schilderijen kosten bij galerieën doorgaans minder dan € 1000 euro en zeker minder dan € 2000.

Galerieën of kunstinitiatieven hanteren voor het bepalen van de prijs van een kunstwerk de zogenaamde factor. Die prijs wordt berekend aan de hand van lengte + breedte van het werk x een factor die overeenkomt met de ervaring en het belang van de kunstenaar. Grofweg kun je zeggen dat een beginnende kunstenaar een factor 4 heeft, een kunstenaar die enkele jaren van de academie af is een factor 10 en een mid term kunstenaar een factor 20 of (veel) hoger.

Zo kost een schilderij van 50 x 35 cm van een kunstenaar met een factor 10 of 11 omgerekend € 890. Als je als koper dan nog handig onderhandelt, mits die ruimte er is, dan kun je vaak nog een korting van 10 of 15% bedingen. Dan kom je voor dit werk uit op iets onder de € 800.

Vaak is er geen peil op te trekken hoe de prijs tot stand komt. De hoogte van de factor representeert ook het prestige van de kunstenaar en sluit kunstenaars soms op een niveau op waar ze economisch geïsoleerd komen te staan. Zeker als de kunstmarkt in een dip zit. Zo wordt de factor die de marktwaarde van de kunstenaar weergeeft een belemmering voor de verkoopbaarheid van betreffende kunstenaar. Het bedingen van korting die geheim wordt gehouden kan dan een oplossing bieden zonder dat de factor officieel naar beneden hoeft te worden bijgesteld.

Neem de collage van de overleden autodidact Thierry Renard wiens werk in de jaren 1990 in de Amsterdamse huiskamergalerie van Benno Premsela en Friso Broeksma werd getoond. Nu worden door Kunstinhuis.be waarnaar in het artikel wordt verwezen twee bijna gelijksoortige collages van hem berekend met een verschillende factor, 8 en 6,5. Uiteraard kan ook meespelen dat het niet een van de betere werken betreft. Maar het werk van een dode kunstenaar hoeft niet meer te concurreren met nog te maken werk dat verkocht moet worden zodat de factor niet opgekrikt hoeft te worden.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelStart to art: 6 manieren om kunst in huis te halen zonder je blauw te betalen’ op HLN, 18 februari 2021.

Foto 2:  Thierry Renard – Happy day. Collage te koop bij Kunstinhuis.be voor € 1590

Kritiek op kunstwerk ‘Americana’ van Eric Bui dat politiegeweld zou aanmoedigen leidt tot verwijdering en roep tot inperking van kunst

Begin december 2020 werd het kunstwerk ‘Americana’ van Eric Bui verwijderd van de tijdelijke tentoonstelling ‘Holding the Moment’ op de luchthaven van het Californische San Jose. Aanleiding waren klachten van het publiek dat het geweld tegen de politie zou aanmoedigen. Het was een gezamenlijk project van stad en luchthaven. Het zou op 5 december in deze tentoonstelling worden afgewisseld met werk van andere kunstenaars.

Bui ontkent dat hij geweld tegen de politie wil aanmoedigen, maar zegt tegelijk dat iedereen een eigen interpretatie over zijn werk kan geven. Hij beweert dat zijn werk een reactie is op het buitensporig politiegeweld dat de VS treft. Zoals in mei 2020 tot uiting kwam in de moord op George Floyd door een politieagent.

Eric Bui’s reactie op de kritiek uit onder meer politiekringen is autonoom: ‘Het belangrijkste voor mij is om niet te reageren op de zorgen van mensen door ze weg te poetsen, maar eerder te luisteren naar waarom mijn kunstwerken en het onderwerp in het algemeen zo’n sterke reactie van hen oproepen’.

Deze controverse maakt duidelijk dat kunst er toe kan doen en geen franje of amusement hoeft te zijn. Kunst scherpt aan, kunst stelt ter discussie. Tegelijk lijkt het ook of (een deel van) het publiek weinig kan hebben en niet goed weet hoe het met kritische kunst die inhaakt op een actueel thema om dient te gaan.

Of het stadsbestuur van San Jose verstandig heeft gehandeld door dit kunstwerk van de tentoonstelling te verwijderen na kritiek van luchthavenmedewerkers, leden van een politievakbond en leden van het publiek en mee te gaan in de interpretatie dat ‘Americana’ geweld tegen de politie aanmoedigt valt te bezien.

Opvallend in de mediaberichten die deze kwestie berichten is de invalshoek die gekozen wordt. Die kan toch niet anders dan als onevenwichtig worden beoordeeld. De grote aandacht voor de kritiek uit politiekringen op het werk benadrukt de maatschappelijke macht die de politie in de VS inneemt. Een weerwoord uit de kunstsector, een universiteit of museum dat de vrijheid van expressie en de autonomie van kunst benadrukt ontbreekt. Hoewel Eric Bui zijn zaak goed bepleit laten de media hem geïsoleerd staan in zijn verdediging. Dat is veelzeggend en roept daarenboven de vraag op of Amerikaanse media zich onder druk laten zetten door de wetshandhavingsinstanties.

De klap op de vuurpijl van deze controverse is de rancuneuze en weinig succesvolle petitie op Change.org die dateert van na de verwijdering van het werk en als boter na de vis onder meer eist dat het proces voor het kiezen van kunst wordt gecontroleerd en aangepast om ervoor te zorgen dat ‘geen enkele toekomstige artistieke vertoning geweld of discriminatie bevordert of iemand in gevaar brengt’. Dat is een verregaande en onmogelijke eis. De petitionaris roept niet op tot een open debat met de kunstenaar of degenen die de tentoonstelling hebben ingericht, maar wil het debat erover eenzijdig verbieden en de verantwoordelijken bij stad en Culturele Zaken straffen.

De mentaliteit die uit deze petitie spreekt is angstaanjagend en plaatst kunst en allen die kunst een warm hart toedragen buiten de orde en ontneemt kunst de vrijheid van meningsuiting of expressie. Te weten het in de VS bijna onaantastbare Eerste Amendement van de Grondwet. Dat is een on-Amerikaanse wijze van denken die in bepaalde segmenten van de Amerikaanse samenleving steeds meer ingang vindt vanwege de rugwind van Trumps presidentschap. Deze kwestie is van belang als teken van de intolerantie en de poging tot knechting van de kunst.

Foto 1: Informatie over ‘Americana’ van Eric Bui door de City of San Jose voor de tentoonstelling ‘Holding the Moment’ op San Jose Airport.  Het werk zou tentoongesteld worden van 1 november tot 5 december 2020.

Foto 2: Schermafbeelding van deel petitieSan José: Government Should Not Encourage Violence Against Our Police’ van Jonathan Fleming op Change.org, vermoedelijk gepost op 8 of 9 december 2020.