Antwoord aan Henk Slechte. Rotterdam moet meer ambitie tonen dan het fuseren van musea

Schermafbeelding van deel artikelFuseer drie Rotterdamse musea en verhuis naar Maritiem‘ van Henk Slechte in NRC, 1 juli 2021.

I. Ik moet even kauwen op het opinie-artikel van Henk Slechte (oud-hoofd collecties van het Maritiem Museum) in NRC. Het bevat aardige aanzetten, maar is onvoldragen in de uitwerking. Het is ook de vraag of het combineren van drie musea past bij de ambitie van de tweede stad van Nederland. Want hoe dan ook is dat vaandelvlucht waarbij de museumsector van Rotterdam inlevert en de aftocht blaast.

Slechte stelt voor om drie verwante thematische musea samen te voegen: het stadsmuseum, het Wereldmuseum en het Maritiem Museum. Hij stelt voor om die instelling te vestigen in het grote, centraal gelegen pand van het Maritiem Museum aan de Leuvehaven.

II. Slechte lijkt de musea niet te waarderen op hun situatie nu, maar achterom te kijken en verkeerd in te schatten. Anders is zijn opmerking niet te verklaren als hij over het Wereldmuseum zegt dat het eerder kritiek kreeg vanwege de commerciële koers. Dat is allang een omgeslagen bladzijde en niet meer relevant voor de huidige situatie.

Directeur Stanley Bremer is al sinds april 2015 verdwenen en het Wereldmuseum is praktisch geen zelfstandig, Rotterdams museum meer, maar sinds eind 2016 losjes opgenomen in het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMvW). Het is niet meer de commerciële koers van Bremer, maar de politiek-populistische koers van het NMvW waaronder het Wereldmuseum nu lijdt.

Die ideologisering is vermoedelijk nog lastiger te bestrijden in de publieke opinie dan de duidelijke disfunctionerende vercommercialisering van het Wereldmuseum onder Bremer die velen op de been bracht. Want alleen de radicaal-rechtse partijen van toen steunden Bremer, terwijl de centrum-linkse coalitie van nu er met de hand op de knip vrede mee heeft dat het linksige MNvW vanuit Amsterdam de koers van het Wereldmuseum bepaalt.

De koers van het NMvW bestaat eruit dat kunst en kunstobjecten ondergeschikt zijn aan een vage linksige politieke ideologie. Het NMvW laat zich kennen door een gebrek aan professionalisme in de uitvoering en laat het Wereldmuseum daarom onder zijn mogelijkheden presteren. De door de raad in 2016 in een motie geëiste Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum is vijf jaar later een papieren werkelijkheid geworden.

Slechte zou gelijk hebben als hij zou beweren dat het Wereldmuseum uit de omarming van het NMvW moet worden bevrijd om haar Rotterdamse signatuur te herwinnen, maar het helpt wel als hij daarbij zijn feiten actualiseert en niet vanuit een situatie van zes jaar terug redeneert en nieuwe problemen ongenoemd laat.

III. Opvallend aan de opinie van Slechte is dat hij het landverhuizersmusuem dat Wim Pijbes namens de Stichting Droom en Daad in de Fenix loods realiseert buiten beschouwing laat. Wie een plan voor een nieuwe structuur uitwerkt kan dat niet ongenoemd laten. Thematisch werkt Droom en Daad in dat nieuwe museum samen met Stadsarchief Rotterdam, Maritiem Museum, Museum Rotterdam, Nederlands Fotomuseum en Wereldmuseum.

Behalve dat landverhuizersmuseum noemt Slechte evenmin andere belangrijke Rotterdamse musea, zoals het Nederlands Fotomuseum, de Kunsthal Rotterdam en de presentatie-instellingen TENT en Kunstinstituut Melly.

IV. Maar het grootste bezwaar tegen Slechtes voorstel is het gebrek aan ambitie dat het toont. Is dat de ambitie die past bij de tweede stad van Nederland en de grootse havenstad van Europa? Slechte gaat mee in de realiteit die de Rotterdamse politiek schept door de museumsector stiefmoederlijk te bedelen. Terwijl Amsterdam daarin investeert, staat Rotterdam op de rem van de museumsector. Het politieke gekissebis over de verbouwing van Museum Boijmans is exemplarisch en beschamend.

Rotterdam verdient goede musea die op zichzelf kunnen bestaan en bestaansrecht hebben. Wat de gemeente aan deze musea vooral kan bieden is goede en goedkope huisvesting. Er staan genoeg geschikte gebouwen leeg die musea kunnen huisvesten. Maar daartoe moet de wil van college en gemeenteraad aanwezig zijn. Mede door de scherpe rechts-links tweedeling in de stadspolitiek ontbreekt die wil tot nu toe in Rotterdam omdat musea tot strijdpunten worden gemaakt. Het voorstel van Slechte is het paard achter de wagen spannen door mee te gaan in het gebrek aan ambitie en goede wil van college en raad. Rotterdam verdient meer.

De schaduwmacht van de Rotterdamse kunstpolitiek beschadigt bewust de kunstsector en de kunstprofessionals

Update 21 december 2020: Het artikel ‘‘Boijmans Modern’ in Rotterdam-Zuid blijft slechts een droom’ in NRC van Rotterdam-redacteur Eppo König bevat geen fouten, maar dringt evenmin door tot de essentie. Daarom is het een gemiste kans om duidelijkheid te bieden. Vraag blijft wie van de drie partijen, te weten Museum Boijmans met directeur Sjarel Ex, de filantropische stichtingen van de familie Van der Vorm met Wim Pijbes of de gemeente Rotterdam met Ahmed Aboutaleb de meeste steken heeft laten vallen bij de renovatie of nieuwbouw van Museum Boijmans. Met stagnatie in de bouw en een patstelling in de relatie tussen Ex en Pijbes tot gevolg. Feitelijk speelt de gemeente een te verwaarlozen rol en valt af als actieve, geloofwaardige partij. Daar gaat het fout. 

König lijkt de zwarte piet bij Boijmans en Ex neer te leggen, maar hij vergeet de context te benoemen van een cultuurbeleid waarin filantropische stichtingen om fiscale redenen de hoofdrol opeisen en de gemeente vanwege een krap budget daar nog in meegaat ook. Een zelfbewust gemeentebestuur had de stichtingen van Van der Vorm allang de deur gewezen. Of in elk geval hun invloed ingeperkt. Want het is een hellend vlak om zich als gemeente afhankelijk te laten maken van Pijbes die met geld van zijn baas directeurtje mag spelen. Het is tenenkrommend dat het gemeentebestuur dat niet doorziet, maar Boijmans voor de geldhaaien gooit. Hoe kan het ermee instemmen om de (ooit nog) democratische benoemde directeur van Boijmans op vage, onduidelijke redenen op termijn te laten vervangen door Pijbes die met geld van zijn baas een positie koopt? Wat zegt dat over de ethische antenne van Aboutaleb en wethouder Said Kasmi? Moet niet eens duidelijk gezegd worden dat Wim Pijbes de raadgever is van maffiabaas of havenbaron Martijn van der Vorm? 

NRC ziet de context niet of wat erger is stemt in met het principe dat particuliere partijen met geld macht kunnen kopen. Niet dat dat in Nederland geen staande praktijk is, maar het is nog een stap verder om dat vervolgens een stempel van goedkeuring te geven. Of durft NRC de waarheid niet te zeggen? Als het dat niet ondubbelzinnig wil, dan kan het de kritiek wellicht gieten in een maatschappelijk debat over de macht in de cultuurpolitiek. Te beginnen in Rotterdam. 

Wat voor kunstpolitiek denkt het Rotterdamse college van GroenLinks, VVD, D66, PvdA, CDA en CU-SGP in hemelsnaam uit te voeren? Hoe kunnen de wethouders nog in de spiegel kijken? Gelukkig hebben Rotterdamse kunst- en museumliefhebbers Ruud van der Velden (PvdD) die de belangen van de kunst een warm hart toedraagt. Maar een kleine partij maakt niet het verschil.

De strafexercities tegen de Rotterdamse museumsector staan in schril contrast met wat in andere grotere gemeenten gebeurt. Daar wordt de kunst- en museumsector zoveel mogelijk ontzien. Wat zijn de progressieve partijen in het college nog waard (GroenLinks, PvdA en D66) die de mond vol hebben van kunst, maar als het erop aankomt de kunst laten vallen?

In Nederland bestaat binnen de politiek nauwelijks liefde voor de kunst. Dat is een terugkerend thema. Kunst wordt gezien als een verplicht nummer, als een hobby die bij economische tegenwind makkelijk in de steek kan worden gelaten. De politiek beseft niet wat de functie van kunst is of het beseft dat wel, maar wil alleen kunst steunen die een verlengde van amusement is en getemd, onschadelijk en controleerbaar is. Politiek wil vooral kunst steunen die geen kunst meer is, maar een verlengde van de eigen politieke doelstellingen.

De schaduwmacht doet in Rotterdam buiten alle democratische controle om een greep naar de macht en het college laat het gebeuren onder meer door een onmachtige D66-kunstwethouder. Die schaduwmacht bestaat zowel uit de RRKC (Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur) die adviezen geeft als legitimatie voor korting door het college als de filantropische stichtingen van de familie Van der Vorm die met als zetbaas Wim Pijbes en met het oog op fiscale aftrekposten en onroerend goed onderonsjes met de gemeente een parellelle structuur proberen op te bouwen die de gevestigde kunstinstellingen en dan met name de musea naar de marge duwen. En de functie van kunst om aan te scherpen, de macht uit te dagen en kunstinstellingen onafhankelijk te laten zijn wil inperken.

Zo vinden in perfecte harmonie een nieuwe private partij die voor eigen gewin en uit persoonlijk belang in Rotterdam een nieuwe parallelle kunststructuur wil opbouwen en een schaduwmacht wil vestigen én een weinig ambitieus politiek establishment dat de kunstinstellingen hun autonomie wil ontnemen elkaar. Hun gemeenschappelijke emotie is rancune jegens de gevestigde museumsector waar ze in willen breken. Op een afwijkende wijze geldt dat ook voor het Wereldmuseum dat in een aangenomen motie een Rotterdamse signatuur was beloofd, maar dat door het management van het NMVW (Nationaal Museum van Wereldculturen) is gekoloniseerd en alle autonomie ontnomen is. Maar ook daar vinden Rotterdamse politiek en NMVW elkaar. De Rotterdamse raad heeft geen historisch geheugen en laat het Wereldmuseum dat niet eens een directeur of locatiehoofd heeft vallen.

Het raadsel in deze hele strafexercitie tegen de Rotterdamse museumsector zijn echter niet de RRKC met oud-bankier Jacob van der Goot als voorzitter of de stichting Droom en Daad die redeneren vanuit de financiën en waar nodig geld inzetten als drukmiddel, maar het Rotterdamse college dat zich simpelweg laat overbluffen en intimideren zonder dat het goed beseft waarmee het bezig is en wat het allemaal kapotmaakt. En daarbij nog rancuneus is naar de instellingen die voor zichzelf opkomen en het algemeen belang dienen en niet naar de pijpen van Pijbes willen dansen.

Waarom het college zo diep gezonken is en zich onnodig afhankelijk heeft gemaakt van het grote geld van een private partij valt niet makkelijk te beantwoorden. De macht van de havenbaronnen op het gemeentebestuur is een terugkerende constante in de Rotterdamse politiek. Daar moet de politiek dus verstandig in meebuigen zonder te breken. Het valt niet in te zien dat Wim Thomassen, André van der Louw of Bram Peper zich zo onder druk zouden laten zetten zoals Ahmed Aboutaleb (in een weliswaar duaal systeem met nog nauwelijks macht) dat nu laat doen. Zijn kienheid lijkt niet te strekken tot de hoogste sociale regionen en de financiële sector. Wat het college ook parten speelt zijn allerlei integriteitskwesties waardoor een machtige wethouder als Adriaan Visser moest aftreden en een college met liefst 10 wethouders van zes partijen de macht zo verdeelt dat het zichzelf heeft uitgekleed.

De kunstpolitiek in Rotterdam wordt dus in grote lijnen bepaald door drie zetbazen die zich onttrekken aan democratische controle. Jacob van der Goot (RRKC), Wim Pijbes (Droom en Daad) en Ahmed Aboutaleb (burgemeester) zijn vertegenwoordigers van een systeem dat doet denken aan een parallelle structuur van de onderwereld. Deze hoofdpersonen mogen op bestuurlijke stoelen gaan zitten waar ze niet thuishoren of ze zitten op hun bestuurlijke stoel waar ze hun werk niet doen. De professionele bestuurders in de Rotterdamse kunstsector hebben het nakijken en kunnen nergens aankloppen (behalve bij Ruud van der Velden) om deze parallelle structuur -die uiteraard door deze schaduwmacht wordt ontkend- aan te spreken. Ze kunnen maar beter verhuizen naar Amsterdam, Den Haag, Utrecht of werk in een andere dan de museumsector zoeken.

Het motto van de huidige Rotterdamse kunstpolitiek is: ‘Niet lullen, maar elke authenticiteit wegpoetsen’.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelDirecteur Paul van de Laar vertrekt bij Museum Rotterdam’ van Stéphan Reket in het AD, 26 november 2020.

Filantropische stichtingen van de familie Van der Vorm en het afwachtende Rotterdamse college krijgen fundamentele kritiek

Naar aanleiding van een artikel in Vers Beton met de omineuze titel ‘Hoe de steenrijke familie Van der Vorm macht en invloed koopt in Rotterdam’ plaatste ik gisteren onderstaande reactie op Facebook die ik vanwege het belang van deze kwestie hier herhaal. Want het opkopen van vastgoed en het ‘redden’ van Rotterdamse kunstinstellingen zoals Museum Rotterdam door een filantropische stichting moet per onmiddellijk een halt worden toegeroepen.

Het Rotterdamse college moet ervan bewust worden gemaakt dat het verkeerd is om met deze partij en haar stichtingen De Verre Bergen en Droom en Daad in zee te gaan als het betekent dat het zich er afhankelijk van laat maken. Dat lijkt aan de orde te zijn. Voor de duidelijkheid: Martijn van der Vorm woont in Monaco, betaalt geen belasting in Nederland, maar zijn filantropie is wel van de belasting aftrekbaar. Zijn zetbaas Wim Pijbes kan hiermee Sinterklaas spelen om het belastingvoordeel voor zijn baas verder op te pimpen. Vraag is hoe zich dat verhoudt tot de codes die in de Nederlandse culturele sector gangbaar zijn:

Inzichtelijk en belangrijk overzichtsartikel van Maurice Geluk voor Vers Beton en OPEN Rotterdam over de invloed van de Stichting Droom en Daad en ex-museumdirecteur Wim Pijbes in Rotterdam. De gemeente Rotterdam trekt zich terug en laat het initiatief aan deze filantropische stichting. Een en ander roept de vraag op of Droom en Daad en het Rotterdamse college onder een hoedje spelen bij het verdelen van vastgoed en de kunstsector.

Na lezing kan er maar een conclusie zijn. De greep naar de macht van Droom en Daad, de familie Van der Vorm en directeur Wim Pijbes die als een royale Sinterklaas met andermans geld in Rotterdam cadeautjes uitdeelt onderschrijft het standpunt van Anand Giridharadas over het redder complex van bedrijven. Zie: https://www.cigionline.org/big-tech/anand-giridharadas-how-taxes-not-philanthropy-will-change-world

Giridharadas ziet een gevaar in de combinatie van een afwachtende en machteloze overheid die zich laat overbluffen en de bravoure van zakenmensen die zich presenteren als doelmatig en ‘wereldwijs’. Dat is blijkbaar genoeg om de overheid op sleeptouw te nemen. Dit is wat zich nu in Rotterdam afspeelt.

De oplossing is simpel, bedrijven moeten verplicht worden om meer (of: hun rechtmatig deel) belasting te betalen zodat de overheid niet langer onderdanig hoeft te zijn en te wachten totdat een bedrijf of een filantropische stichting de portemonnee trekt. Laat het geld rechtstreeks naar zo’n overheid stromen.

Het redder complex van zo’n filantropische stichting die de macht grijpt is ongepast, ongewenst en pervers. Het verstoort het evenwicht binnen een gemeenschap. Pijbes wilde via de stichting waarbij hij in dienst is feitelijk directeur spelen van Boijmans. Nadat hem de voet was dwarsgezet trok Droom en Daad een bijdrage van 40 miljoen euro terug. Pijbes werd ondanks de negatieve publiciteit gehandhaafd door de familie Van der Vorm.

Het is ongelukkig dat de gemeente Rotterdam afhankelijk wordt van een filantropische stichting en lamgeslagen meegaat in de greep naar macht die zo’n filantroop opeist in culturele instellingen of maatschappelijke projecten.

Als Rotterdam Sinterklaas wil spelen, dan zou het daar Pijbes of Droom en Daad niet voor nodig moeten hebben. Deze schaduwmacht zou een goed functionerende overheid niet nodig moeten hebben. Maar de realiteit van 2020 is dat Rotterdam niet meer zonder kan. Als een verslaafde die aan een cultureel infuus ligt.

Op 19 november 2020 heeft raadslid Ruud van der Velden van de Rotterdamse Partij voor de Dieren raadsvragen ‘Invloed filantropie op college’ gesteld over de macht en de machinaties van Pijbes en de familie Van der Vorm in Rotterdam. Van der Velden vraagt onder meer naar de fiscale en economische achtergronden van het kapitaal waaruit de filantropische stichtingen putten:

16. Ziet u het oprichten van stichtingen die vervolgens een ANBI-status aanvragen en zijn vrijgesteld van schenkbelasting bij onderlinge transacties als belastingontwijking? Indien nee, waarom niet?

17. Weet u waar het kapitaal van Stichting De Verre Bergen en alle onderliggende stichtingen vandaan komt? En weet u ook of dit kapitaal belast is en/of dat er bij de totstandkoming inkomstenbelasting over is afgedragen? Indien ja, in welk rechtsgebied is er belasting afgedragen?

18. Weet u of het onderliggende kapitaal van Stichting De Verre Bergen en alle onderliggende stichtingen is ondergebracht in niet-coöperatieve rechtsgebieden, zoals benoemd door de Europese Unie en zoals verwoord in de overwegingen van voornoemde motie? Indien ja, welke rechtsgebieden? Indien nee, bent u bereid dit na te gaan in het kader van afdoening van voornoemde motie?

Foto: Schermafbeelding van deel artikelHoe de steenrijke familie Van der Vorm macht en invloed koopt in Rotterdam’ van Maurice Geluk in Vers Beton, 18 november 2020.

RTV Rijnmond stelt kunst en sport, Museum Boymans en Feyenoord City tegenover elkaar in een kader. Is dat zinvol en verhelderend?

De toelichting bij de video op het YouTube-kanaal van RTV Rijnmond luidt: ‘De gemeenteraad van Rotterdam trekt veel makkelijker de portemonnee voor Museum Boijmans Van Beuningen dan voor een nieuw Feyenoordstadion. Het museum krijgt 168,5 miljoen voor een grote renovatie, terwijl over een veel lager bedrag voor een nieuw stadion veel langer gesteggeld wordt. In het programma De Zoekmachine van RTV Rijnmond wordt de vraag gesteld waarom dat zo is.’ Op toelichting en reportage valt nogal wat aan te merken.

Een bezwarend aspect komt aan het eind aan de orde als raadslid Gerben Vreugdenhil van Leefbaar Rotterdam (portefeuille ‘Majeure Projecten’) uitlegt dat Stadion Feyenoord/  Feyenoord City en Museum Boijmans verschillende soort ondernemingen zijn. Vreugdenhil: ‘Publiek geld naar publiek bezit geldt hier [= Boymans]. Voor Feyenoord City geldt: Publiek geld gaat naar een privaat initiatief’. Maar dat ligt genuanceerder, want Museum Boymans is in 2006 geprivatiseerd. Weliswaar zijn een deel van de collectie en het gebouw eigendom van de gemeente Rotterdam gebleven, maar is het geen gemeentelijk museum zoals het commentaar zegt. Het museum kan op de markt als ‘creatieve ondernemer’ opereren en heeft dat sinds 2006 succesvol gedaan. De gemeente staat echter meer op afstand dan deze vermeende tweedeling suggereert, hoewel het een feit is dat de gemeente verantwoordelijk is voor het onderhoud van het gebouw. Zoals sommige geïnterviewden opmerken hebben de kosten zich opgestapeld doordat de gemeente Rotterdam renovatie heeft uitgesteld.

Raadslid Ruud van der Velden van de Partij voor de Dieren merkt op dat het hem niet duidelijk is waarom bij Museum Boijmans voor de zogenaamde ‘ambitievariant’ is gekozen. Maar die terechte kritiek lijkt niet zozeer met Museum Boijmans te maken te hebben, maar meer met het opereren van de Rotterdamse coalitie en de tekortschietende voorlichting en transparantie. Zoals VVD’er Jan-Willem Verheij opmerkt en Van der Velden overigens ook al suggereert is het bij Boijmans net als bij Stadion Feyenoord evenmin snel gegaan. In beide gevallen gaat het om langlopende processen. Wat uiteindelijk de zin van de kritiek op de ‘ambitievariant’ is als het verschil van 55 miljoen euro niet door de gemeente Rotterdam, maar door andere private of publieke partijen wordt opgebracht is de vraag. Overigens trok de Stichting Droom en Daad afgelopen week haar aanbod voor de schenking van ‘een substantieel deel’ van die 55 miljoen euro in omdat het blijkbaar geen ’stoel aan tafel’ kreeg die het had opgeëist. Het overleg erover kan echter weer vlotgetrokken worden.

Een gemeente trekt de portemonnee voor van alles: stadspromotie en -marketing, burgerzaken en bestuur, voorlichting en communicatie, grondexploitatie, bouwen, onderwijs, zorg, transport, sociale uitkeringen, veiligheid en inderdaad ook sport en cultuur. Het grootste punt van kritiek op de reportage is het tegenover elkaar in hetzelfde kader plaatsen van sport en kunst. Kunnen die op zo’n simpele wijze vergeleken worden?

Dat begint al met de vraag van sportpresentator Peter van Drunen die werkzaam is voor RTV Rijnmond. Zijn vraag wordt als volgt verwoord: ‘Waarom trekt Rotterdam veel makkelijker de portemonnee voor museum Boijmans dan voor een nieuw stadion?’ Dat is een veelgelaagde vraag waarin allerlei elementen samenkomen. Ze worden in de reportage  beantwoord (privaat/publiek, slimmer lobbyen door Boymans dan door Feyenoord City, steeds weer veranderende projectplannen van Feyenoord City op verschillende plekken terwijl die van Boymans redelijk continu zijn), op het aspect na wat het verschil is van de functie van kunst en een museum (Museum Boymans) en de functie van professionele sport en een evenementenlocatie (City Feyenoord).

De reportage van RTV Rijnmond is journalistiek niet onzorgvuldig, maar doet door het niet logisch achter elkaar zetten van de feiten en het niet benadrukken van de verschillen tussen sport en kunst toch aan het creëren van een tegenstelling die extra wordt uitvergroot. Dat is ongelukkig en ongewenst. Het weerlegt misverstanden over deze ‘Majeure Projecten’ niet, maar houdt ze in de lucht zonder ze afdoende te duiden. Duiden is de functie van goede journalistiek. RTV Rijnmond kiest halfslachtig voor een debat dat als open wordt gepresenteerd, maar laat te veel essentiële elementen ongenoemd om het debat af te kunnen sluiten.

Mislukte aankoop Rembrandts roept vragen op over daadkracht kabinet

Net als Rudi Wester in Nieuwsuur is kunsthandelaar Willem Baars voor Van Liempt Live (RTL Z) negatief over de opstelling van het Nederlandse kabinet inzake de aankoop van twee schilderijen van Rembrandt in Frankrijk.

De ‘oplossing’ is dat Nederland de twee Rembrandts van de familie Rothschild samen met Frankrijk koopt. Elk land betaalt 80 miljoen euro en de schilderijen worden afwisselend samen gepresenteerd. Baars en Wester constateren dat minister Jet Bussemaker zich heeft laten intimideren door de Fransen en te voorzichtig, te omslachtig en te weinig zelfbewust heeft geopereerd. Nederland had door moeten pakken en de Fransen die eerst helemaal ging belangstelling voor de twee Rembrandts hadden voor voldongen feiten moeten plaatsen.

Kritiek op de mislukte afhandeling van de twee Rembrandts door het Nederlandse kabinet gaat niet over het cultuurbeleid, de schilderijen van Rembrandt, directeur Wim Pijbes en het Rijksmuseum of over de relatie tussen Nederland en Frankrijk, maar over de slechte coördinatie en het gebrek aan durf en zelfvertrouwen van het kabinet. De mislukte aankoop baart zorgen omdat het een diepgaand gebrek aan daadkracht openbaart.

SAIL en Gay Pride zijn niet verplicht. Eraan ontsnappen mag!

th

Je moet en maar van houden. Van massale evenementen als de Gay Pride of SAIL. Met boten en verklede mensen die zo ontzettend graag willen laten merken dat ze zich uitstekend vermaken. Hoofdzaak is de ander dat te laten zien. Ach, het hoeft niet. Niemand hoeft eraan mee te doen. Dat idee geeft enorme rust. Toch?

CM78ggCXAAEjcIv

Foto 1: Tweet van Tim Hofman, 19 augustus 2015.

Foto 2: Tweet van Wim Pijbes, 21 augustus 2015.

Bussemaker antwoordt Bergkamp over aankoop Rijksmuseum

unnamed

Kamervragen zijn voor politieke partijen vaak een makkelijk middel om zich te positioneren. Free publicity. In de gevallen dat partijen de publiciteit zoeken doen de antwoorden er niet meer toe. Van de andere kant kan een minister of staatssecretaris een antwoord weer gebruiken om zich te positioneren. Zodat een schaduwspel van vraag en antwoord wordt gespeeld waarbij de kwestie die de aanleiding voor de vraag is uit zicht raakt.

Op 8 mei 2015 stelde Vera Bergkamp (D66) kamervragen aan minister Bussemaker (OCW) over kunstaankopen op de veilingmarkt. Aanleiding was de verwerving door de Rijksmuseum op de TEFAF (13-22 maart 2015) van een schilderij van Jan Asselijn voor 1.200.000 euro terwijl het werk op 3 december 2014 bij Sotheby in Londen werd geveild voor 760.355 euro (= 602.500 GBP). De kwestie waar het om draait is of de directie van het Rijksmuseum adequaat heeft gereageerd op het aanbod op de veilingmarkt, heeft zitten slapen en daarom 439.000 euro teveel betaald heeft voor het werk of er zelfs sprake is van zakelijke belangenverstrengeling.

Bussemakers antwoorden roepen nieuwe vragen op. Bussemaker: ‘Ik heb begrepen dat het Rijksmuseum op de hoogte was dat dit werk eerder op de veiling is aangeboden. Ik heb ook begrepen dat het Rijksmuseum aanvankelijk heeft afgezien van een poging tot aankoop vanwege twijfels over de kwaliteit en de staat van dit werk. Pas na restauratie en nader onderzoek besloot het museum tot een poging om dit werk te verwerven.’

Dit antwoord is in lijn met de verklaring van het Rijksmuseum: ‘Na onderzoek door kunsthistoricus Jeroen Giltaij en restauratie werd het op deze editie van de TEFAF aangeboden door kunsthandelaar Bob Haboldt.’ De beschrijving van de gang van zaken geeft geen antwoord op de vraag of het Rijksmuseum optimaal opereerde. Het is merkwaardig dat een museum dat met onderzoek en restauratie in een werk investeert en samenwerkt met de handelaar deze als beloning een hogere prijs dient te betalen ondanks eigen inspanningen. Waarom wist het Rijksmuseum bij een winstmarge van 58% voor de handelaar geen lagere aankoopprijs te bedingen?

Bussemaker geeft dus geen antwoord op de vragen van Bergkamp. Omdat ze die niet kan geven. De minister heeft gelijk dat een aankoop de eigen verantwoordelijkheid van een museum is. Zelfs als ze zou menen dat het Rijksmuseum deze aankoop niet handig heeft aangepakt kan ze dat publiekelijk niet zeggen. Daarom kleden de ambtenaren van de minister met rituele herhaling de vragen aan met allerlei overbodige en zelfs onjuiste opmerkingen. Feit dat de Stichting Rijksmuseum Fonds is aangesloten bij het Centraal Bureau voor Fondsenwerving (CBF) met een CBF-Keur zegt absoluut niet dat ‘inrichting van de interne beslisprocessen aan strenge normen voldoet’. Toezichthouder van de goede doelen CBF toetst kwantitatief en niet kwalitatief.

Foto: Jan Asselijn, De doorbraak van de Sint Anthonisdijk in Amsterdam1651. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam.

Kamervragen van Bergkamp (D66) bij een aankoop van het Rijksmuseum

unnamed

Vera Bergkamp (D66) stelt kamervragen aan minister van OCW Jet Bussemaker. Het gaat over de aankoop op de TEFAF in maart 2015 door het Rijksmuseum van een werk uit 1651 van Jan Asselijn, De doorbraak van de Sint Anthonisdijk in Amsterdam. Bergkamp merkt op dat het schilderij voor 1.200.000 euro is aangekocht, terwijl er ‘slechts een paar maanden eerder 760.355 euro voor werd betaald op de veiling bij Sotheby’s in Londen, een verschil van 439.645 euro?’ Zij baseert zich op notities ‘In de kantlijn van de kunstmarkt’ van Robert-Jan van Ravensteijn in het Kunst en Antiek Journaal van mei 2015. Had dat anders gekund?

Vraag waar het om draait is of de directie van het Rijksmuseum adequaat heeft gereageerd op het aanbod op de veilingmarkt of heeft zitten slapen en daarom 400.000 euro teveel betaald heeft voor het werk. Bergkamp wil weten hoe vaak het voorkomt dat ‘een rijksmuseum een aankoop doet op bijvoorbeeld een kunstbeurs, terwijl dit aangekochte werk recentelijk nog voor een lagere prijs op een veiling werd aangeboden?’ Een zinvolle vraag waar de directeuren Wim Pijbes en Taco Dibbits sowieso een beredeneerd antwoord op dienen te geven. Met de vraag geeft de politiek het signaal dat het Rijksmuseum kritisch gevolgd wordt en zich geen buitencategorie kan beschouwen. Rijksbanken en rijksmusea staan tegenwoordig onder kritisch toezicht.

Foto: Jan Asselijn, De doorbraak van de Sint Anthonisdijk in Amsterdam, 1651. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam. 

Kunst is een madam zonder basis. Glans als cultuurpolitiek

Breitner GH 1890s model for painting

Financieel geograaf Ewald Engelen ziet in een column voor Het Parool de kunst als de hoer van de uitbater. Een pronkzuchtige madam die heeft afgerekend met haar verleden, de wereld is ingetrokken en op geen plek meer thuishoort. Hij is verheugd dat het Amsterdamse museumplein en de omringende musea er weer mooi bijliggen. Het Rijksmuseum, Stedelijk en Van Gogh pronken. De bouwputten zijn dicht, de steigers afgebroken en de zalen stijlvol ingericht. Alles glanst. Laat de toeristen maar komen met hun dikke portemonnee.

In die glanzende oppervlakken ziet Engelen tegelijk een probleem. Het glanst te mooi: ‘Het plein is een geldmachine geworden: visueel aantrekkelijk en esthetisch genotzuchtig, houdt het de bezoeker aanminnig een fictief zelfbeeld voor van avant-gardistisch, elitair kosmopolitisme, die ook bijvoorbeeld non-plaatsen als Schiphol en de Zuidas uitstralen.‘ Het bevalt hem matig, op de koop toe om ouderwets gevonden te worden.

De ouderwetsheid van Engelen is een verwijzing naar Nederland van voor de crisis. Of liever gezegd, van voor de culturele kaalslag door de VVD, geholpen door PVV en niet tegengewerkt door PvdA en CDA. In de optiek van Engelen schuurt er iets op het museumplein. Maar dat valt de witte wijn en kreeft etende elite niet te verwijten. Of de in zwarte kledij met designbrillen vernissages aflopende elite-in-aantocht op weg naar meer.

Het gemis dat Engelen constateert en ervaart zonder het goed onder woorden te kunnen brengen is een direct gevolg van het verstoorde evenwicht van het kunstbeleid. Zoals de VVD dat op de rails heeft gezet om het onder parvenu-achtig leedvermaak integer te laten ontsporen. Het verwijt dat het Rijks, Stedelijk en Van Gogh zijn zoals ze zijn zou een dwaas verwijt zijn. Voor de duidelijkheid, dat zegt Engelen ook niet. Wat Nederland, Engelen en alle kunstliefhebbers van Nederland missen is een tegenwicht voor de grote kunstinstellingen.

In de cultuurbezuinigingen zijn de topinstellingen ontzien. Mede om het beeld van een creatief landje naar het buitenland toe in stand te houden en het toerisme te laten blijven draaien. Op witte wijn en kreeft. Richard Florida als onmisbare noot in cultuurpolitieke beleidstukken die een creatieve klasse in elke stad van het land als een overal opduikend spookleger een basis laat leggen onder elke overheidsinvestering. Grootheidsdenken heeft een keerzijde. Experiment en talentontwikkeling zijn even blingbling als het repareren van het riool. Pas na enkele regeringsperioden wordt zichtbaar dat het ontbreekt. Wie maalt daar nou om? Wie weet dan nog wie Zijlstra, Bussemaker of Rutte waren? Hedendaagse blingblingkapitalisten schuiven de toekomst van de kunst onbezonnen voor zich uit. Da’s het gemis van het museumplein. Onder de oppervlakte ontbreekt de basis.

Foto: George Hendrik Breitner, Schildersmodel, circa 1890.

Advies Asscher-Vonk over museumbestel mist urgentie

Het advies van het vandaag verschenen rapport ‘Musea voor Morgen‘ van de commissie Asscher-Vonk over de toekomst van het museumbestel stelt teleur. Of het komt door de vastgeroestheid van de sector, een gebrek aan verbeelding of interne verdeeldheid en hokjesgeest is de vraag. De commissie werd in juli ingesteld door de Nederlandse Museum Vereniging (NMV) en de Vereniging van Rijksmusea (VRM). Een zinsnede is typerend: ‘De museumsector moet zoeken naar nieuwe vormen van ..‘. In de uitwerking is het weinig verder gekomen dan de opdracht om kansen, samenhang, samenwerking en publieksbereik te onderzoeken. Om die begrippen worden een breedsprakig overzicht en wat intenties gegeven die steunen op slechts enkele bouwstenen.

Er wordt verwezen naar een Museumwet als middel om verantwoordelijkheid te nemen. En te delen. Want: ‘Voor de musea is het van belang dat er een stabiele en permanente basis ontstaat voor hun functioneren. Het gaat erom dat het museale erfgoed wordt beschermd, net zoals monumenten of archieven beschermd worden. Het vastleggen van verantwoordelijkheden en de consequenties daarvan in een Museumwet biedt voor de toekomst houvast aan alle betrokkenen en is een mogelijkheid die onderzocht moet worden.

Verder is het idee interessant dat ‘een groot museum een of meer kleinere satellieten in de regio onder zijn hoede neemt.’ Beide verenigingen zien de noodzaak tot samenwerking: ‘De commissie is van mening dat een verder samengaan van VRM en NMV noodzakelijk is om de rol van de museumwereld als gesprekspartner te kunnen versterken. Op dit moment wordt al veel samengewerkt tussen beide verenigingen. Integratie is een logische volgende stap.’ Het advies komt mogelijk te vroeg om concreet te kunnen zijn. Het is niet te hopen dat er eerst nog musea om moeten vallen voordat de urgentie tot resoluut handelen van de sector doorbreekt.

Foto: Neil Ellis als fietser. The 4th Plinth. Londen, 2010