Bestuur van Bij1 wil evenwicht tussen soorten zichtbare diversiteit

Per tweet geeft Bij1 een liverslag van de ALV die in het teken staat van het royement van de nummer twee op de kieslijst: Quincy Gario. Dat er onrust was over zijn positie was afgelopen week via Trouw gelekt. Uit het verslag valt op te maken dat voor dit lek niet het bestuur, maar iemand uit de omgeving van Gario verantwoordelijk is.

Het bestuur die zichzelf als betrokkene zag vond het niet verstandig om de klachten over Gario zelf te onderzoeken en besteedde dat onderzoek uit aan advocatenkantoor Van Overbeek de Meyer. Volgens het bestuur was er in Nederland geen meer divers bureau te vinden die dit onderzoek kon uitvoeren. Het rapport concludeerde over Gario:

Het bestuur zegt dat het onjuist is dat het bestuur Gario geen kans gaf om zijn verhaal te doen. Het is andersom, Gario ging niet in op de uitnodiging van het bestuur om zijn verhaal te doen. Daarna heeft het bestuur op 10 juli aan hem laten weten dat het had besloten om zijn lidmaatschap op te zeggen. Toen hij door het bestuur nogmaals werd uitgenodigd voor een gesprek ging Gario daar niet op in.

Het bestuur zegt prioriteit te hebben willen geven aan degenen binnen de partij die hadden geklaagd over Gario. Het bestuur gaf prioriteit aan het beschermen van de veiligheid, privacy en rechten van deze 16 ‘signaalindieners’. Er blijkt volgens het bestuur door 16 uiteenlopende individuen over Gario geklaagd te zijn.

Wat is hier nou eigenlijk aan de hand? Er lijkt een strijd om diversiteit binnen Bij1 te zijn ontstaan. Want er bestaan verschillende soorten diversiteit waarvan de vertegenwoordigers binnen organisaties claimen dat die van hen het belangrijkste is. Ofwel, hun diversiteit is het waar het om moet draaien en andere diversiteiten zouden daar ondergeschikt aan moeten zijn.

Soorten diversiteit zijn: huidskleur, gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd. Omdat de zichtbare kenmerken van diversiteit een duidelijk middel tot profilering zijn, duwen die in het publieke debat de onzichtbare kenmerken naar de marge.

De realiteit is dat opdrachtgevers, maar ook politieke partijen die zich willen profileren als voorstander van diversiteit eerder zullen kiezen voor een zichtbaar kenmerk omdat dit een signaal naar de buitenwereld afgeeft dat de instelling serieus werk maakt van diversiteit. Ook lijken activisten zich politiek beter langs de lijnen van zichtbare diversiteit te hebben georganiseerd en weten ze de instellingen politiek onder druk te zetten. Die laten zich maar al te graag onder druk zetten omdat ze worstelen met het onderwerp diversiteit en zelf niet goed weten wat ze ermee moeten. Het gevolg is dat instellingen nauwelijks aandacht besteden aan de onzichtbare kenmerken van diversiteit, zoals sociaaleconomische status en opleidingsniveau.

Voor Bij1 lijkt te gelden dat er al vanaf het begin spanning was tussen de feministische en zwarte vleugel. Die tweedeling is niet absoluut, maar relatief. Want er zijn binnen Bij1 veel zwarte vrouwen. De concurrentie gaat erom welke soort diversiteit het zwaarste dient te wegen. Quincy Gario komt in de berichtgeving met zijn ‘mannelijke dominantie’ duidelijk naar voren als een representant van de zwarte vleugel die niks met de feministische vleugel heeft.

Het bestuur lijkt voor een evenwichtige mix tussen de verschillende soorten zichtbare diversiteit te kiezen. In die mix was niet langer plaats voor Gario. Naast het feit dat hij geen teamspeler is, geen politicus als de nummer 2 van een politieke partij. maar een activist.

Het lijkt binnen Bij1 de Franse revolutie. Het eet de eigen kinderen op. Het oproer in Bij1 geeft aan hoe complex het kan zijn om verschillende vleugels binnen een radicale partij te verenigen. Het gaat bij velen in deze partij blijkbaar eerder om het profileren van de eigen zichtbare diversiteit, dan om het uitdragen van de juiste politieke overtuiging en het realiseren van beleid. Partijleider Sylvana Simons heeft zich de laatste tijd succesvol geprofileerd als links-radicale politicus en beseft met het bestuur dat politiek vakmanschap een voorwaarde is die de strijd om de identiteit omvat.

Gesprek op de Mont Absurd. Moet op universiteiten kunst worden gecontroleerd?

Sparren en Mont-Blanc

Het is een nauw pad de berg Mont Absurd op. Het massief ligt diep verscholen in het academische departement. Het is een tocht tussen het wegwerken van ongelijkheid en het beperken van vrijheid. De overmaat van het een betekent een tekort van het ander. Het woord dat de reis karakteriseert is behoedzaamheid. Er dient voorzichtig te worden gelopen.

Gesprek op den Drachenfels (1835) van Jacob Geel is in de Nederlandse literatuur het voorbeeld van een tweegesprek tussen twee uiteenlopende meningen. In dit geval tussen het classicisme en de romantiek. Een Gesprek op de Mont Absurd zou een tweegesprek tussen een vertegenwoordiger van de totale vrijheid en identiteitspolitiek kunnen zijn.

Een routebeschrijving voor de tocht de Mont Absurd op is de ‘Handreiking voor het opstellen van een gendergelijkheidsplan‘ van de Adviescommissie Divers en Inclusief Hoger Onderwijs en Onderzoek die onder leiding van VU-rector Vinod Subramaniam is geschreven. Universiteiten staan onder druk van de EU om eisen over diversiteit door te voeren, al is het planmatig. Sanctie is een stop om deel te nemen aan Europese programma’s, zoals Horizon Europe, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie. In Nederland is het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de intermediair tussen EU en universiteiten.

De ‘Handreiking‘ leest als een inventarisatie en bundeling van journalistieke verslagen en notities die losjes met elkaar samenhangen. Het is een aanzet tot een aanzet. Het is een verkennend stuk over een onderwerp in ontwikkeling. In dit geval gendergelijkheid. De TomTom is niet ingeschakeld omdat het terrein nog niet in kaart is gebracht. Er hangt dikke mist die het zicht beperkt. Het is blindvaren op een nieuwe radar die nog niet gekalibreerd is. Botsingen en ontsporingen zijn niet uitgesloten.

Schermafbeelding van deel ‘Handreiking voor het opstellen van een gendergelijkheidsplan‘ van de Adviescommissie Divers en Inclusief Hoger Onderwijs en Onderzoek, 15 juni 2021.

Een voorbeeld van het voorlopige en verwarrende karakter van de handreiking is het aandachtspunt ‘Controleren van de fysieke omgeving‘. Daar wordt ook kunst genoemd. Er wordt verwezen naar de Engelstalige versie van het verslagDiversere beelden van de universitaire geschiedenis‘ van de Universiteit Leiden. Overigens is dat ‘Diversere‘ in de titel geen gangbaar Nederlands, hoewel dat mogelijk een Leidse variant van het Nederlands is.

Dat verslag van de Universiteit Leiden noemt drie initiatieven om een meer divers beeld van de academische geschiedenis te geven. Een ervan heeft met kunst te maken: twee sculpturen van vrouwelijke wetenschappers, astrofysicus Ewine van Dishoeck en classicus Ineke Sluiter.

Schermafbeelding van deel artikelDiversere beelden van de universitaire geschiedenis‘ van de Universiteit Leiden, 4 februari 2021.

Het toont onschuldig bij de Universiteit Leiden. De inzet is dat er meer vrouwen in beeld dienen te worden gebracht. Dat gaat niet ten koste van mannen of andere gendercategorieën, maar corrigeert een maatschappelijke ongelijkheid. Het is lastig om geen sympathie te hebben voor dit voorbeeld dat iets rechtzet.

Wie echter teruggaat naar de ‘Handreiking‘ die spreekt over ‘kunst’ bij het aandachtspunt ‘Controleren van de fysieke omgeving‘ en dat letterlijk neemt weet niet wat de bedoeling is. Dat ‘Controleren van de fysieke omgeving’ roept een beeld op van controleurs in dienst van een autoritaire leider die met hun telefoon door universiteiten lopen om foto’s te nemen van kunst die volgens hen niet door de beugel kan. Of door de beugel van de EU, het ministerie van OCW en de betreffende universiteit.

Slordigheid, ongelijksoortigheid en het ontbreken van fijngevoeligheid zijn het gevaar van dit soort verkennende notities. Ze geven voeding aan kwaadwillenden door niet zorgvuldig te werk te gaan. Deels is dat onvermijdelijk omdat het een inventarisatie betreft, maar deels is het onnozel om niet te beseffen hoe politiek gevoelig het debat over identiteit ligt. Zeker als het wordt gecombineerd met de sector kunst die als vanouds bekendstaat als een maatschappelijke vrijplaats waar per definitie sturing van bovenaf ongewenst is en afgewezen wordt.

De ‘Handreiking‘ zet als vertegenwoordiger van identiteitspolitiek argeloze passen de Mont Absurd op door kunst in te bedden in het aandachtspunt ‘Controleren van de fysieke omgeving‘. De opzet is goed, maar de framing is fout.

Het misplaatste beroep op identiteit van een christelijke propagandist

Ook christenen haken in hun beeldvorming aan bij het huidige debat over identiteit. Dat is handige marketing. Deze nieuwe apartheid sluit mensen uit, sluit mensen op en sluit mensen in.

Christelijke propagandisten gebruiken de nieuwe apartheid om medestanders ‘in eigen kring’ voor te spiegelen dat ze hun identiteit ontlenen aan hun verbondenheid met Jezus. Wie iemand is wordt volgens deze propagandisten bepaald door Jezus. De persoon die het betreft lijkt er zelf niet meer over te kunnen beslissen. Die persoon treedt in met als gevolg dat de beslissing over identiteit wordt afgestaan en overgaat naar de organisatie die voortaan de identiteit beheert.

Dit reclamepraatje van een christelijke propagandist maakt duidelijk dat identiteit een goed middel is voor gesloten gemeenschappen om leden te rekruteren, te motiveren en aan zich gebonden te houden. In de Fondsenwerving praat men over het upgraden van donors. Dat gebeurt hier. Leden van de doelgroep worden naar binnen getrokken met de opzet om ze zo lang mogelijk vast te houden. Ze vergroten door hun aantal het belang van de gemeenschap en zijn potentiële geldschieters die voor allerlei deeldoelen kunnen worden aangesproken. Zijdelings vergroot het aanpraten van een christelijke identiteit de financiële armslag van de gesloten gemeenschap.

Deze propagandist beheerst het modieuze taalgebruik tot in de toppen van zijn vingers. Hij zegt: ‘Omdat ik zoveel christenen om me heen zie die niet wandelen in de kracht en autoriteit die ze van God hebben ontvangen. Als ik kijk naar het boek Handelingen, zie ik daar christenen in die kracht wandelen‘. Kortom, christenen worden door deze propagandist geacht in de kracht van God te wandelen. Dat roept een beeld op van weleer. Een beeldtaal die aansluit bij de voormalige protestante zuil van wandeltochten met vaandels, gezangen en ingehouden blijdschap die dynamiek, energie, flinkheid, macht en massa uitstralen.

Waarom zou iemand zich over leveren aan een gesloten gemeenschap door de identiteit af te geven? Dat laat de persoon wiens identiteit ontnomen wordt zonder beslissingsbevoegdheid om het eigen lot te bepalen. Of te veranderen door een andere weg te kiezen.

Identiteit is meervoudig. Zelfs als men niet meedoet aan de modieuze race van uitsluiting van en afrekening met anderen of zelfprofilering gebruikt als middel van emancipatie ten koste van anderen door zich tegen hen af te zetten.

Ik weiger deel te nemen aan die polarisatie. Ik zie meer nadelen dan voordelen in die nieuwe apartheid. Wat doet het ertoe of ik wit ben en man als dat niet alles zegt over wat ik denk en wat mijn opvattingen zijn? Ik sta me er niet op voor en wil er evenmin op aangesproken worden.

Eenzijdigheid is het gevaar én de beperkende kracht die op termijn tot fragmentatie kan leiden voor gesloten gemeenschappen die op basis van een specifiek aspect van identiteit dat op dat moment in de mode is (religie, huidskleur, gender) leden binnenhengelen van wie het de vraag is hoe hun opvattingen zijn. En hoe andere -minder trendy- aspecten van identiteit (beperking/handicap, leeftijd, sociaaleconomische status) daarbij passen. Want hun identiteit bepaalt dat niet.

Daarom is het debat over identiteit een doodlopende weg in het publieke debat waar we blijkbaar doorheen moeten. Op een gegeven moment zullen we met z’n allen aan het eind van die weg om moeten keren. Maar zover is het nog niet. In de tussentijd maken vlotte voorvechters gretig gebruik van hun eenzijdige claim op identiteit om personen in hun netten te vangen.

Joop vermengt feiten en meningen. Het ontwaart een ‘racistisch’ verbod van een badmuts

Schermafbeelding van deel artikelZwembond overweegt ‘racistisch’ verbod op afro-badmuts terug te draaien‘ op Joop, 5 juli 2021.

Toen ik de kop van dit artikel van Joop (VARA/BNN) las dacht ik dat het satire was. De Speld of The Onion

Waar bestaat een ‘racistisch’ verbod op een badmuts uit? De zogenaamde ‘Soul Cap’ die Britse zwemmers gebruiken. Dat Joop het ook niet zeker weet blijkt uit het verschil tussen de tekst en de verwijzing ernaar op FB. In de kop van de tekst wordt het begrip racistisch gerelativeerd door het tussen aanhalingstekens te zetten. Op FB doet Joop dat niet. Wat is het, Joop? 

Na lezing van het artikel weet ik dat de vorm van de badmust niet zozeer slechts zijdelings met racisme te maken heeft, maar wel met onevenwichtige verslaggeving en stemmingmakerij. Joop zet bevolkingsgroepen tegen elkaar op. 

Joop maakt er een journalistieke warboel van door feiten en meningen te vermengen. Dat is opinie noch een feitelijk verslag. Het is een hybride en hysterische vorm van gestook.

De kern van het debat over de ‘Soul Cap‘ gaat om iets dat Joop niet uit de internationale media overneemt. Want daar baseert het zich duidelijk op en ontleent argumenten aan. Namelijk het gebruik van materiaal in de topsport dat aan strenge voorwaarden dient te voldoen omdat het door innovatie of veranderingen atleten voordeel kan opleveren.

De sportwereld is per definitie conservatief om veranderingen door te voeren. Denk aan de klapschaats of het gewicht of de stroomlijn van fietsen of Formule-1 racewagens. Consensus is dat veranderingen tijdig aangekondigd moeten worden zodat alle atleten zich erop voor kunnen bereiden om er desgewenst gebruik van te maken. Het is kort dag om de ‘Soul Cap‘ nog voor de Olympische Spelen in Tokio door te voeren die al op 23 juli 2021 beginnen. Bij de internationale zwembond FINA zijn 209 landen aangesloten.

Wat doet Joop? Het kiest selectief uit de argumenten en overwegingen die de internationale media opsommen en slaat automatisch aan op de termen inclusie en diversiteit. Dat is een aangeleerde Pavlovreactie als er ook maar een suggestie van achterstelling aan de horizon wordt verondersteld.

Internationale media als USA Today en The Guardian hebben verslag gedaan van de overwegingen van de FINA over genoemde badmuts. Maar geen van deze media noemt een verbod racistisch of ‘racistisch’. Ze sommen de nadelen op voor zwarte atleten die het moeten doen met de traditionele badmuts die hun Afro-kapsel niet kan bergen. Maar geen ervan zegt met zoveel woorden dat dat nadeel een gevolg van een racistisch verbod is. Dat is een bespreekpunt dat vooral in het hoofd van Joop en de Joop-gezinden bestaat.

CBS gaat stoppen met gebruik van begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’. Dat is een goede zaak

Schermafbeelding van deel artikel ‘CBS gaat stoppen met begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’ van Wilmer Heck in NRC, 19-20 april 2021.

NRC meldde in een bericht van 19 april 2021 dat het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) op termijn stopt met de vermelding van de aanduidingen ‘westers’ en ‘niet-westers’.

Aan dit besluit ligt mede een advies van de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) ten grondslag. Volgens de WRR is het onderscheid niet-wetenschappelijk onderbouwd en roept het “negatieve associaties” op. Een andere steen des aanstoots is de Barometer Culturele Diversiteit van het CBS. Daarmee wilden universiteiten onder wie de Universiteit Utrecht de diversiteit onder medewerkers in kaart brengen. Ze worden ingedeeld in Nederlandse, westerse en niet-westerse migratieachtergrond. Daar kwam in Utrecht veel kritiek op.

Radicaal-rechtse politici als Geert Wilders en Derk Jan Eppink (‘We krijgen statistieken zoals ooit in de DDR’) zien het afschaffen van deze begrippen als poging om de schaduwzijde van de multiculturele samenleving onder het tapijt te vegen.

Het is goed dat deze begrippen worden afgeschaft. Ten eerste is de afbakening ervan verwarrend en is die toevallig tot stand gekomen. Zo worden migranten uit landen als Japan en Indonesië als westers beoordeeld en migranten uit grenslanden daarvan als niet-westers. Ten tweede werkt het stigmatiserend en houdt het migranten gevangen in een (oude) identiteit waar ze moeilijk aan kunnen ontsnappen. Ten derde is door de globalisering het begrip ‘westers’ politiek en cultureel van betekenis veranderd en niet meer zo eenduidig als het tot 1991 tijdens de Koude Oorlog was.

Met de afschaffing van de begrippen worden programma’s van positieve discriminatie of de uitvoering van codes diversiteit & inclusie bemoeilijkt. Dit maakt de kritiek erop door radicaal-rechts tamelijk onbegrijpelijk. Want als niet meer geregistreerd wordt wie welke achtergrond heeft, dan wordt het opzettelijk bevoordelen van bepaalde bevolkingsgroepen bij de toelating tot opleidingen of arbeidsplaatsen eveneens lastiger. Radicaal-rechts zou ook kunnen beredeneren dat de afschaffing van de termen het belang van witheid consolideert en niet verder versneld afbreekt.

Uiteraard zal de wens van bepaalde activistische groeperingen om de voorrechten terug te dringen van groepen die zich baseren op hun witheid hiermee niet stoppen. Maar het afschaffen van de begrippen maakt het bedrijven van identiteitspolitiek en in het verlengde daarvan de cancelcultuur waardoor mensen op onduidelijke gronden worden uitgesloten anders doordat de sociale identiteit van een bepaalde groep en de door deze groep gedeelde ervaring van maatschappelijk onrecht minder scherp afgebakend kan worden.

Het verzachten van de felheid van de identiteitspolitiek die de laatste jaren voor maatschappelijke verdeeldheid en onrust heeft gezorgd kan daarom een positief neveneffect zijn van de afschaffing van de begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’. Ofschoon naast etnische achtergrond waar het hier om gaat ook nog de identiteiten seksuele gerichtheid, gender, regionale identiteit of religieuze identiteit bestaan en aangegrepen kunnen worden voor positieve discriminatie om via strijd emancipatie te bereiken. Want de kist van activisten bevat vele middelen om aan de weg te timmeren.

Een te verwachten effect kan daarom zijn dat de identiteitsstrijd over etniciteit of witheid zich geleidelijk zal verplaatsen naar een overigens nu ook al bestaande strijd over gender of religie. Maar ook is mogelijk dat het accent komt te liggen op identiteiten die binnen samenlevingen bestaan en nu mede door het luidruchtig links-radicaal activisme en het ‘culturele’ rechts-radicale antwoord erop buiten beeld blijven en nauwelijks met identiteitspolitiek worden geassocieerd en in de politiek en media onderbelicht zijn: sociaal-economische achtergrond en opleidingsniveau.

Dan kan het debat over maatschappelijke ongelijkheid eindelijk gevoerd worden zoals het de afgelopen decennia niet gevoerd kan worden door allerlei afleidingsmanoeuvres van zowel links als rechts. Als de afschaffing van de begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’ daar een bijdrage aan kan leveren, dan is dat de winst.

Van Gogh Museum wil inclusiever gevonden worden en associeert daarom Vincent van Gogh met mensen met biculturele achtergrond

Succesvolle kunst wordt ingelijfd voor allerlei doeleinden. Dat is niet altijd aangenaam om te zien. Dat het Van Gogh Museum onder maatschappelijke én politieke druk inclusiever wil worden is begrijpelijk. Om te bewijzen dat het inclusiviteit een warm hart toedraagt. Hoe een museum zichzelf en de kunst die het presenteert kan uitventen kent grenzen. Vincent van Gogh wordt met terugwerkende kracht van 150 jaar een biculturele achtergrond aangemeten. Dat gaat de grens van geloofwaardigheid over. Dat is des te onbegrijpelijker omdat het museum groot belang hecht aan gedegen wetenschappelijk onderzoek. Deze kunsthistorische reductie is tenenkrommend. Voor een marketingcampagne wordt het perspectief van Van Gogh gelijkgeschakeld met dat van de biculturele Beeldbrekers. Ja, musea moeten relevant zijn voor jongeren en ja, musea kunnen inclusiever zijn. Nee, dat wordt er niet geloofwaardigers op door Van Gogh met terugwerkende kracht te associeren met een biculturele achtergrond. Deze campagne is niet zozeer Beeldbreken, maar een Beeldenstorm waar het Van Gogh Museum de marketeers van Veryrare Agency groen licht geeft om de (kunst)geschiedenis te verdraaien. Heiligt het doel van meer bereik en acceptatie door de politiek dan echt alle marketingmiddelen van musea?

Klaus-Dieter Lehmann: ‘Kunst moet vrij zijn’. Hoe verhoudt zich dat tot de eis van diversiteit die overheden aan de kunstsector stellen?

Klaus-Dieter Lehmann is president van het Duitse culturele Goethe Institut. Hij houdt een toespraak bij de aankondiging van de uitreiking van de jaarlijkse Goethe-Medailles op 28 augustus 2020 aan Zukiswa Wanner, Elvira Espejo Ayca en Ian McEwan. Ze worden namens de Duitse staat uitgereikt. Het motto van 2020 is ‘Verdraag tegenspraak – de opbrengst van tegenspraak’ (Widerspruch ertragen – der Ertrag des Widerspruchs).

Het Goethe Institut geeft een toelichting over de toekenning en de laureaten. Lehmann ziet de coronacrisis meer dan een virologisch probleem als hij zegt: ‘Het verandert samenlevingen door wederzijds isolement, desinformatie en tegenstrijdigheden. We willen deze ontwikkeling trotseren en niet afzien van de uitreiking van de Goethe-medaille. We versterken wat hen verbindt met een grensoverschrijdend digitaal netwerk van cultuur en zullen zo nieuwe alternatieven en processen krijgen als gevolg van de tegenstrijdigheid.’

Interessant is dat Lehmann stelt dat kunst vrij moet zijn en niet onderworpen aan externe beperkingen. Wie die lijn doortrekt stuit echter op een tamelijk nieuwe tegenstelling. Want de politiek of cultuurfondsen die van overheidsgeld afhankelijk zijn leggen tegenwoordig kunstinstellingen normen op over diversiteit en inclusie. Weliswaar formeel vrijblijvend, maar praktisch gedwongen gezien de economische afhankelijkheid van de kunstsector van overheidssubsidies. Zonder dat hij dat ondubbelzinnig zegt, kan uit Lehmanns woorden afgeleid worden dat de eis van diversiteit een ongewenste externe beperking van de kunst vormt. Dat is de tegenstrijdigheid waar hij omheen praat. Zoals alle hedendaagse beleidsmakers zich over deze eisen aan de kunstsector van de domme houden omdat ze beseffen dat eisen over diversiteit en inclusie afbreuk doen aan de vrijheid van de kunst. De eisen vergroten zelfs de grip van de overheid op de kunstsector. Kunstenaars hebben daar kritiek op, maar zijn machteloos om zich ertegen te verzetten omdat ze afhankelijk van overheidssubsidies kunnen zijn. Dat terwijl Lehmann een pleidooi voor diversiteit houdt en dat tot uiting komt in de toekenning aan drie ‘tegensprekende’ kunstenaars uit drie continenten. Hoe dan ook houdt Lehmannn een mooi humanistisch verhaal dat de noodzaak van kunst benadrukt. Met tegenstrijdigheden en tegenspraak.

Afrika Museum staakt marketingcampagne na kritiek. Het toont de beperkte houdbaarheid van het management van het NMVW

Update 4 januari 2021: Positief nieuws voor het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMVW): directeur Stijn Schoonderwoerd vertrekt naar Nationale Opera & Ballet waar hij per 1 februari 2021 algemeen directeur wordt. Dat geeft zicht op een nieuwe koers, weg van het populisme en de politieke correctheid die tijdens Schoonderwoerds directoraat werden doorgevoerd. Met als gevolg dat het NMVW afgelopen jaren in coma is geraakt.

Zijn vertrek geeft ruimte aan museumprofessionals en professioneel handelen bij het NMVW waar het afgelopen jaren zo aan heeft ontbroken. Voorwaarde is wel dat Schoonderwoerd niet opgevolgd wordt door een meeloper die nu al in dienst is, maar door een krachtige buitenstaander die schoon schip maakt. Niet een softe wereldverbeteraar als Schoonderwoerd die het niet om de kunst gaat, maar een (kunst)historicus met ruime museale ervaring. Maar of de Raad van Toezicht  schoon schip durft maken is zeer de vraag. 

Een teken aan de wand dat de huidige koers wordt voortgezet is de benoeming van Wayne Modest tot inhoudelijk directeur, aldus een bericht van het Tropenmuseum. Volgens Schoonderwoerd is door de benoeming van Modest de ‘continuïteit in de directie na mijn vertrek verzekerd. Ik vertrek dan ook met een gerust hart, in de wetenschap dat met Wayne als inhoudelijk directeur ons beleid wordt voortgezet.’ Maar dat is juist wat niet moet gebeuren. Vraag is hoe Modest er zelf over denkt. Dat is de onzekere factor, naast het feit wie er tot algemeen directeur wordt benoemd en hoe de Raad van Toezicht denkt. De twee ‘Rotterdamse’ leden in de Raad van Toezicht kunnen hun kans grijpen om te eisen dat de onder Schoonderwoerd verwaarloosde Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum serieus wordt genomen. Dat kunnen ze als eis aan de nieuwe algemeen directeur stellen. 

Het Afrika Museum in Berg en Dal betuigt spijt over bovenstaande video die onderdeel is van een marketingcampagne. Na een ‘storm van kritiek’ uit de zwarte gemeenschap is de campagne ingetrokken, aldus een bericht van Omroep Gelderland. Het museum is onderdeel van het NMVW (Nationaal Museum van Wereldculturen) dat centralistisch geleid wordt. Als er fouten zijn gemaakt dan moeten die toegerekend worden aan de directie van de NMVW. In dit geval directeur Stijn Schoonderwoerd, adjunct-directeur John Sijmonsbergen en hoofd marketing Nienke Bloemers. De drie musea van het NMVW hebben geen locatiehoofd en kunnen niet autonoom programmeren of een eigen marketingbeleid voeren. Deze museum zijn naast het Afrika Museum, Museum Volkenkunde in Leiden en het Tropenmuseum in Amsterdam. Het Rotterdamse Wereldmuseum is sinds 2017 formeel een samenwerkingspartner van de NMVW, maar is in de praktijk net zo gelijkgeschakeld als de andere drie musea onder het straffe management van de koepel NMVW.

De ontspoorde marketingcampagne van het Afrika Museum is des te opmerkelijker omdat het NMVW een politiek correcte koers vaart. Het combineert een linksig-humanistisch wereldbeeld met een populistische programmering en marketing. Dat leidt tot thema’s die het bij de politiek goed doen en waaraan het NMVW zich geen buil kan vallen. Dat het met de marketingcampagne voor Dagje Ghana is misgegaan wekt dan ook verbazing. De voormalige tentoonstellingsmaker Richard Kofi heeft het volgens Omroep Gelderland over een ‘ridiculicerende’ campagne. De sleutel van wat er bij het NMVW aan de hand is zit in zijn volgende opmerking: ‘Een klap in het gezicht van iedereen die tijd, geld en energie heeft gestoken in dat museum.’ Door de afstand tussen de werkvloer inclusief de museale en inhoudelijke deskundigen én het management van het NMVW dat fysiek en mentaal in een ivoren toren op afstand staat kunnen dit soort bedrijfsongelukjes blijkbaar gebeuren.

Het management van het NMVW is een overwegend witte organisatie met een zwarte (Wayne Modest) en negen witte stafleden waar de theorie de praktijk bepaalt. Dat spoort met de kritiek van ‘de zwarte gemeenschap’ op de campagne volgens Omroep Gelderland: ‘Uit de reacties op de campagne blijkt dat het om meer dan de campagne alleen gaat. Het museum wordt algeheel als ‘te wit’ ervaren. Afrika wordt nog te veel bezien vanuit een wit perspectief en bij het museum werken volgens de critici te weinig mensen met een Afrikaanse achtergrond. Juist een museum over een continent als Afrika zou veel bewuster bezig moeten zijn om zaken als diversiteit en inclusie te verankeren in het dna van de organisatie, luidt de kritiek.’ Dat is terechte kritiek die in het bericht van Omroep Gelderland verkeerd geadresseerd wordt. Organisatorisch bestaat er geen Afrika Museum. Het is directeur Stijn Schoonderwoerd die eigenmachtig vanuit de koepel NMVW de lijnen uitzet en bepaalt. Nu het mis gaat houdt hij zich om begrijpelijke redenen onzichtbaar.

Aspha Bijnaar van ‘Musea Bekennen Kleur’ meent dat fondsen en overheden via subsidies musea veranderingen op kunnen leggen

NRC besteedt in een artikel van Lucette ter Borg aandacht aan het initiatief van het platform ‘Musea Bekennen Kleur’ dat vandaag gelanceerd wordt. Het heeft als doel om ‘de culturele diversiteit duurzaam te verankeren in het dna van de Nederlandse museale sector’ volgens coördinator Aspha Bijnaar van dit platform. Erin zijn onder meer het Rijksmuseum, het Stedelijk Museum, het Van Gogh Museum, het Zeeuws Museum, het Van Abbe Museum, het Bonnefanten en het Centraal Museum vertegenwoordigd. Het is een prima initiatief, maar de uitleg van coördinator Aspha Bijnaar zoals uit bovenstaand citaat blijkt roept fundamentele vragen op.

Men kan het moeilijk oneens zijn met het uitgangspunt dat musea of kunst de samenleving moeten representeren. Inclusiviteit en diversiteit zijn de begrippen die dan opklinken. Bijnaar lijkt inclusiviteit als verlengde van diversiteit te zien, wat het niet is. Het betreft de vertegenwoordiging van hoogbejaarden, jeugdigen, gehandicapten, mensen met een verstandelijke beperking, chronisch zieken of etnische minderheden. Maar men kan het moeilijk eens zijn met het feit dat de inhoud van presentaties of collecties in musea via overheidssubsidie dwingend opgelegd of afgedwongen moet worden. Dat suggereert Bijnaar.

De valkuil is dat bepaalde minderheden beter in de mode liggen dan andere en de overheid uitsluitend voor een specifieke minderheidsgroep geld beschikbaar stelt en musea daar amechtig achteraan hollen. Richting geldpotten en programmageld. Minderhedenbeleid is nu eenmaal modieus en verandert per kabinetsperiode.

Musea moeten echter niet veranderen omdat de overheid voorwaarden aan de subsidie stelt, maar omdat ze overtuigd zijn van die verandering en dat in hun beleid organisch kunnen integreren. Wat coördinator Aspha Bijnaar zegt lijkt een kwalijke en ongewenste ontwikkeling. Ze verwart gevolg en oorzaak en blijft steken in haar waan van de dag. Musea zouden zich niet moeten laten leiden door dit modieuze en luie politiek denken.

Wat Bijnaar hier namens het platform ‘Musea Bekennen Kleur’ zegt is een echo van wat toenmalig premier Rudolf Thorbecke in 1863 zei: ‘De kunst is geene regeringszaak, in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst.’ Maar zoals Marita Mathijsen in een repliek op een stuk van Melle Daamen in 2014 opmerkte in haar uitleg over wat Thorbecke bedoelde over kunst is dat advies aan de huidige Nederlandse politici niet besteed: ‘Dat de overheid een taak in de kunsten had als iets publiek belang had en de macht van particulieren te boven ging, zag hij wel degelijk. Maar een Raad voor Cultuur, die in opdracht van de regering oordelen velt, daarvan zou hij gegruwd hebben.’ Nu wordt ook de museumsector daarin betrokken en laat het zich via een hellend vlak van inmenging op de inhoud door de overheid omlaag trekken.

Het kan zo zijn dat kunst en musea door bestuurders worden gebruikt voor het realiseren van politieke doelen, maar musea zouden daar afstand van moeten houden. Bijnaars woorden wijzen op het tegendeel.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘Twaalf musea bekennen kleur’ van Lucette ter Borg in NRC, 4 maart 2020.

Zalando’s onjuiste claim om met campagne afscheid te nemen van stereotyperingen die obstakels zijn voor diversiteit en vrijheid

De van oorsprong Duitse webshop voor schoenen, kleding en mode- accessoires Zalando heeft een nieuwe lentecampagne ‘Zerotypes. Het zegt hiermee naar eigen zeggen afscheid te nemen van stereotypes die het als ‘een van de grote obstakels voor diversiteit en vrijheid’ ziet. Dubbelzinnig is dat Zalando het vervolgens over verouderde stereotypering heeft met de suggestie dat er ook niet-verouderde stereotypering is.

Zalando pretendeert ons met deze lentecampagne in ‘een rijkere wereld van vrijheid te verwelkomen’. De stereotypering die de campagne van Zalando omschrijft zou eruit bestaan dat alleen vrouwen roze mogen dragen, kostuums alleen op kantoor gedragen worden en jurken uitsluitend voor vrouwen zijn. Maar de stereotypering waarvan Zalando zegt afscheid te nemen bestaat niet omdat die allang achter ons ligt.

De marketing van Zalando is hol omdat de feiten waarop de campagne gebaseerd zijn duidelijk onjuist zijn. Zoals van een commercieel bedrijf als Zalando mag worden verwacht speelt het op veilig door te claimen een idee van diversiteit en vrijheid te overstijgen dat allang overstegen is. Zalando staat niet op de barricades van de maatschappelijke verandering, maar pretendeert alleen daar te staan. Een enkeling als de Vlaamse rechtse politicus Theo Francken maakt zich er nog druk om als hij zegt dat mannen niet in een jurk gekleed moeten gaan. In de wereld van de marketing is het verschil tussen echt en nep niet bestaand. Marketing is een gesloten wereld zonder veel kritisch vermogen. Zo neemt het vakblad over reclame, marketing en media Adformatie in een bericht de claims van Zalando over vrijheid en diversiteit zonder enige kanttekening over.

Zalando’s campagnebeeld van zon, jong, mooi, vrolijk, zelfverzekerd en ‘op het randje’ die het met deze lentecampagne geeft roept nieuwe stereotyperingen op. De ‘Zerotypes’ wekken de indruk de vrijheid en diversiteit niet minder te beperken dan de oude stereotyperingen die Zalando claimt te bestrijden. Op z’n best kan van deze lentecampagne gezegd worden dat het de ene stereotypering voor de andere inwisselt. Dat is de wetmatigheid van stereotype’s die continu veranderen naargelang de samenleving verandert. Commerciële bedrijven volgen daarin met hun marketing. Zalando’s claim dat het met de campagne ‘Zerotypes’ een doorbraak forceert in het afscheid nemen van stereotyperingen is daarom om meerdere redenen lariekoek.

Foto: Campagnebeeld van Zalando’s lentecampagne 2020 ‘Zerotypes’.