Waarom de vraag of mode kunst is niet van belang is

Schermafbeelding van deel artikelZó zijn kunst en mode met elkaar verbonden‘ in Bazaar, 20 september 2022.

Is mode kunst, vraagt journaliste Sanne van Rij zich af. Om de vraag goed te kunnen beantwoorden moet men eerst definiëren wat de functie van kunst is. Als dat aanscherpen, ter discussie stellen, reflectie en dwarsdenken of naast de werkelijkheid kijken zonder direct nut is, dan is mode geen kunst. Dan valt mode zelfs op te vatten als het tegenovergestelde van kunst. 

Als kunst performance, individuele interactie, zelfexpressie of maatschappelijke reflectie is, dan is mode kunst. Van Rij stipt in haar artikel niet zozeer aan of mode kunst is, maar wat kunst (nog) is.

Schermafbeelding van deel artikelZó zijn kunst en mode met elkaar verbonden‘ in Bazaar, 20 september 2022.

In het artikelZó zijn kunst en mode met elkaar verbonden‘van 20 september 2022 in de rubriek ‘Mode & Juwelen‘ redeneert Sanne van Rij naar de conclusie toe dat mode kunst is. Het verschijnt in Harper’s Bazaar dat uitlegt welke terreinen het bestrijkt: ‘intelligente nieuwtjes, inspirerende interviews met bijzondere vrouwen, interessante longreads en slimme tips op het gebied van stijl, beauty, carrière, cultuur en reizen. Met veel liefde voor mode, stijliconen en royals‘.

Schermafbeelding van deel artikelZó zijn kunst en mode met elkaar verbonden‘ in Bazaar, 20 september 2022.

Of bij mode kunstenaars betrokken zijn of mode en kostuums opgenomen zijn in museumcollecties is niet het criterium. Dat moet niet verward worden met autonome kunstenaars die gebruik maken van mode, kostuums of textiel. Mode is dan niet hun eindproduct, maar een halffabricaat. Het gaat erom wat de functie van mode is en hoe die zich verhoudt tot de functie van kunst.

Van Rij concludeert uit wat zij als ‘verbintenis’ of verbondenheid tussen mode en kunst ziet, dat mode daarom kunst is. Dat is een indirect betoog dat de vraag vanaf de buitenkant benadert. Van Rij cirkelt om het onderwerp heen en meent door stapeling van associaties de vraag positief te kunnen beantwoorden dat mode kunst is. Maar precies wordt ze niet. De kern van de vraag of mode kunst is laat zij ongemoeid.

Schermafbeelding van deel artikelZó zijn kunst en mode met elkaar verbonden‘ in Bazaar, 20 september 2022.

Van Rij verwijst in haar stuk naar design dat ze als onderdeel van kunst ziet als ze zegt: ‘De stap naar design, of in bredere zin kunst‘. Maar het is ook de vraag of design kunst is. Bij het beantwoorden van de vraag of design kunst is draait het opnieuw om de vraag hoe kunst gedefinieerd wordt en welke functie het maatschappelijk-politiek toebedeeld krijgt.

Wat doet het er toe of mode en design wel of niet opgevat worden als kunst? Eigenlijk niets. In het maatschappelijke en politieke debat wordt nauwelijks nog een onderscheid gemaakt tussen kunst en cultuur. Terwijl ze verschillende functies hebben. Grofweg gezegd, a-maatschappelijk aanscherpen tegenover maatschappelijk verbinden. Juist daarom is cultuur favoriet bij de politiek omdat het daarvan in het verlengde ligt, terwijl kunst er haaks opstaat. In het publieke debat heeft kunst door uitholling haar autonome eigenheid verloren en is allang ondergeschikt gemaakt aan cultuur.

Men kan allen maar gissen naar de vastberadenheid van Van Rij om aan te willen tonen dat mode kunst is. Een vraag die niet van belang is omdat cultuur kunst heeft ingelijfd. Mode is cultuur. Indirect is mode kunst.

Waarschijnlijk bestaat in het achterhoofd van Van Rij nog een idee dat het aanzien van kunst, of wat daar voor doorgaat, positief afstraalt op mode. En indirect op een tijdschrift als Harper’s Bazaar waarvoor ze werkt en dat wil laten zien dat het niet helemaal van de straat is. Blijkbaar creëert het schrijven over stijl, beauty, carrière, cultuur, reizen en royals de behoefte aan meer. Wat dat dan ook is.

Hoe komt het dat kunst doet wat religie nalaat?

Schermafbeelding van deel artikelKunst doet wat religie nalaat‘ van Hizir Cengiz in de Kanttekening, 14 september 2022.

Volgens columnist Hizir Cengiz is kunst de geslaagde en succesvolle versie van religie. Religie zou blijven hangen in verstarring. Kunst zou doen wat religie nalaat. Ik ben het met hem eens.

Maar dan moeten we religie en kunst wel eerlijk vergelijken. Want kunst kent vele varianten die ook lijden aan verstarring. En religie kent nieuwe, levendige, eigentijdse varianten, zoals de tegen de satire aanleunende Kerk van het Vliegend Spaghettimonster.

Die nieuwe godsdiensten worden trouwens door de gevestigde godsdiensten en de verdedigers ervan niet tot de religiemarkt toegelaten. Daar worden zelfs de hoogste juridische middelen van de staat voor uit de kast gehaald.

Die verdedigende reflex ontstaat om de belangen van de traditionele godsdiensten te beschermen en het vooroordeel te onderstrepen dat een godsdienst belegen is en zich in de tijd bewezen moet hebben. Wellicht speelt ook mee dat de verdedigers van traditionele religie menen dat conventies en regels onmisbare pijlers onder de samenleving zijn.

De verklaring waarom kunst slaagt waar religie faalt ligt voor de hand. Kunst en religie putten uit dezelfde bron van het drama en de rituelen. Het zijn menselijke, creatieve constructies die proberen de zinloosheid, de leegte en de eindigheid van het leven op afstand te houden. Kunst slaagt daar beter in omdat het meegaander en buigzamer is. Kunst hoeft immers zichzelf niet te bestendigen.

Kunst is veelgelaagd en gefragmenteerd en kan zich voortdurend vernieuwen. Stromingen volgen elkaar op en kunstenaars becommentariëren elkaars werk. Er bestaan weliswaar kunstinstellingen die hun eigen voortbestaan belangrijk vinden, maar die bepalen niet wat de veelgelaagde kunst is.

Het tweeledig doel van de beeldbepalende monotheïstische godsdiensten verklaart grotendeels de verstarring. Want naast zingeving (‘de binnenkant‘) moeten godsdiensten door belangenbehartiging, het uitschakelen van rivalen, fondsenwerving, en marketing en publiciteit continu werken aan hun eigen voortbestaan (‘de buitenkant‘). Met ook nog eens het risico dat de buitenkant door wereldse leiders wordt gekaapt. Dat gevecht om continuering leidt tot starheid en verstijving. 

Schermafbeelding van deel artikelKunst doet wat religie nalaat‘ van Hizir Cengiz in de Kanttekening, 14 september 2022.

Cengiz eindigt zijn commentaar met de persoonlijke noot dat hij nimmer vraagtekens bij zijn religie mocht plaatsen, want dat was ‘des duivels, bijna blasfemie‘. Dat is een juiste constatering van hem. Verstarring is onlosmakelijk verbonden met traditionele godsdienst. Het is er zelfs een bestaansvoorwaarde van. De vraag naar eigen ontstaan en herkomst is binnen traditionele religies een taboe. Die vraag mag niet gesteld worden. Terwijl in de kunst per definitie geen enkele vraag taboe is. Dat verklaart het verschil tussen kunst en religie.

In februari 2022 stelde ik in het commentaarOmarm secularisatie. Beschouw kerken als culturele instellingen. In ruil voor subsidie kunnen ze hun politiek-maatschappelijke claim op de samenleving inruilen‘ over wegkwijnende kerken die door de ontkerkelijking niet meer onderhouden kunnen worden dat religieuze organisaties voortaan opgevat zouden moeten worden als culturele organisaties.

Het verschil tussen kunst en religie is historisch, dramatisch en functioneel minder groot dan het lijkt. Door de eeuwenlange dominantie van religie zijn ze uit elkaar gegroeid en is de overeenkomst uit zicht geraakt. Nu in West-Europa het belang van religie afneemt en kunst zich dynamisch handhaaft is het moment gekomen om ze weer als twee kanten van dezelfde medaille te gaan beschouwen.

IMPAKT is weg kwijt en presenteert wijnproeverij als kunst

Schermafbeelding van aankondiging door IMAKT van het evenement ‘INTERNATIONAL ART & WINE TASTING EVENT; Hybride ervaring met wijnliefhebbers uit zes Europese landen‘ op 21 september 2022 in landhuis Oud Amelisweerd.

Het in Utrecht gevestigde IMPAKT [Centrum voor Mediacultuur] claimt een ‘kritische en creatieve kijk op de hedendaagse mediacultuur en op innovatieve audiovisuele kunsten in een interdisciplinaire context‘ te bieden. Maakt het dat waar?

Het houdt op 21 september 2022 een ‘INTERNATIONAL ART & WINE TASTING EVENT; Hybride ervaring met wijnliefhebbers uit zes Europese landen‘. Dit evenement roept de vraag op hoe ‘een kritische en creatieve kijk op de hedendaagse mediacultuur‘ zich verhoudt tot het proeven van wijn. Wat hebben wijn en kunst met elkaar te maken?

Is volgens directeur Arjon Dunnenwind en het bestuur dat bestaat uit Claas Hille, Frank Coolen en Imar de Vries het proeven van wijn een vorm van kunst? Wie is trouwens de secretaris in het bestuur?

Wat moet er verstaan worden onder een ‘informeel hybride kunstevenement‘ zoals IMPAKT het in de eigen publiciteit noemt? IMPAKT claimt ook dat het evenement onderdeel van een ‘reeks experimenten‘ met ‘nieuwe, hybride formats‘ is. Maken volgens IMPAKT ‘wijngerelateerde presentaties van kunstenaars‘ een evenement dat draait om het proeven van wijn tot kunst?

De onzinnige beweringen van IMPAKT buitelen over elkaar heen. De aankondiging van de wijnproeverij lijkt satire, maar is serieus.

Het modieuze jargon van IMPAKT is een belediging voor het gezond verstand. Kunst wordt er aan de haren bijgesleept. Dit evenement draait om cultuur, gezelligheid, wijn en het leggen van verbinding. Dat is prima, maar noem het dan eerlijk wat het is. Plak er geen verkeerd etiket op.

Kunstliefhebbers kunnen de presentatie van dit evenement door IMPAKT al te makkelijk opvatten als onnozel. Tegelijk tekent het het koersloos drijven van directeur en bestuur van IMPAKT dat voor 25 euro kaartjes aanbiedt voor de ‘hybride ervaring‘ van het ‘INTERNATIONAL ART & WINE TASTING EVENT‘.

De aankondiging van dit evenement door IMPAKT geeft aan hoe kunstinstellingen de weg kwijt kunnen zijn na de schade die door de corona-epidemie is aangebracht. Zodat ze niet meer beseffen wat hun doelstelling en kerntaak is en waarvoor ze eigenlijk opgericht zijn.

Om te variëren op een toneelstuk van Pirandello: ‘IMPAKT is op zoek naar focus‘. Wellicht moet IMPAKT zichzelf maar eens onder het vergrootglas leggen en met een ‘kritische en creatieve kijk‘ onderzoeken waar het mee bezig is en hoe het afgedwaald is van kerntaak en doelstelling.

Overpeinzing bij Documenta 15

De Documenta 15 in Kassel heb ik (nog) niet bezocht, dus ik heb weinig recht van spreken. Op eerdere edities was ik wel aanwezig. Kassel is een niet erg mooie stad in een prachtige omgeving. Wie verstandig is kiest daarom verblijf aan de rand van de stad. Het openbaar vervoer is uitstekend. Een overpeinzing moet kunnen.

Wat ik niet begrijp van organisatie én Indonesische curatoren ruangrupa is het gekozen radicalisme. Het is goed verdedigbaar om de masculiene, witte westerse dominantie in kunstsector, -handel en wereld frontaal aan te vallen. Dat uit zich in het programmeren van het tegendeel daarvan. Je zou kunnen zeggen dat dat het tijd werd dat dat gebeurde.

Vraag is of de manier waarop door organisatie en curatoren de westerse canon wordt uitgedaagd slim is of weerstand oproept die afleidt van dat streven. En de meer traditionele tegenstanders onnodige munitie geeft. Want Documenta blijft een kunstmanifestatie ook als men de kunst wil relativeren.

Het lijkt er sterk op dat Documenta 15 in chaos is gestort. Dat dient niemand. Ook niet ruangrupa en de deelnemende kunstenaars die eindelijk de kans hebben om op dit podium gezien te worden. Maar aan Documenta 15 valt weinig eer te behalen op een cv als ontslagen, afhaken, rellen en politisering van kunst de hoofdmoot vormen.

In mijn hoofd sluimert het idee dat de uitgangspunten van de cancelcultuur en de identiteitspolitiek van het laatste decennium zijn ingehaald door de reactie daarop. Dat is in mijn ogen de dieperliggende oorzaak dat Documenta 15 is klem komen te zitten.

Tolerantie, humanisme, gematigdheid en spreiding kan door organisatie en curatoren als luxe zijn beschouwd waaraan men door de ervaren ernst van scheefgroei, wantoestanden in kunstsector en wereld én de unieke kans om op een prestigieus podium het woord te nemen niet wilde toegeven.

Waarom nam ruangrupa geen beduidend contingent van kritische, progressieve westerse kunstenaars op? Door een strikte houding van groepsdenken werd de brug naar andere wereldbeelden neergehaald en gingen procedures, cultuurpolitiek en publicitair gedoe de inhoud overschaduwen. Ook inhoud die primair politiek gericht is wordt dan slachtoffer. Had de organisatie dat vooraf niet kunnen bedenken?

Men kan beredeneren dat de organisatie van de Documenta 15 wilde veranderen om bij de tijd te blijven. Dat uitgangspunt is prima, maar als het schort aan de uitvoering die te ver uit de pas loopt met wat kunstsector en publiek kunnen verstouwen, dan past die verandering niet meer binnen de normale bandbreedte die curatoren gegeven wordt. Zij wijken altijd af van de vorige editie, maar blijven binnen de marges.

Wie buiten de marges van de slaande pendule gaat tast het uitgangspunt van de Documenta aan die uit haar rol scharniert. Ook dat kan als noodzakelijk achterstallig onderhoud worden opgevat. Misschien is het na 67 jaar de hoogste tijd dat de Documenta met pensioen gaat. Net als Art Basel, Biënnale Venetië en die andere prestigieuze kunstmanifestaties wier uitgangspunt in andere tijden ligt. Dan is het de verdienste van ruangrupa om dat aangetoond te hebben.

Gedachten bij foto ‘Alkoholiliike’ (1937)

Alkoholiliike, 1937. [A branch store of Oy Alkoholiliike Ab (Finnish national alcoholic beverage retailing company) in the Weckman house at Sepänkatu 9 in Oulu on May 10, 1937. The store’s staff standing behind the counter]. Collectie: Finnish Heritage Agency.

Een onderwerp waarover men nooit uitgepraat raakt is hoe kunst en samenleving elkaar beïnvloeden. Tamelijk bekend is de wisselwerking tussen de Amerikaanse maffia en films als ‘The Godfather‘-cyclus van Francis Ford Coppola. Het is een dubbele identificatie heen en weer. De echte gangsters van de jaren 1970 zagen het filmbeeld van hun broederschap als zelfbevestiging. En gingen zich ernaar gedragen. Alsof ze pas echt bestonden toen hun leven werd gefictionaliseerd. Met als cadeau een gratis geïnternaliseerd zelfbeeld. Tegenwoordig onderzoeken sociaal-psychologen de beïnvloeding van ons gedrag door ‘nudging‘.

Stuart Kaminsky formuleert dat in het hoofdstuk ‘The White-Hot Violence of the 1970s‘ in zijn boek ‘American Film Genres‘ (1984) zo (p. 107) : ‘And in some way, the viewing of the violence in an aesthetic context contributes to one’s understanding of the action‘. Dat geldt in algemene zin voor het brede publiek, maar in het voorbeeld van ‘The Godfather‘ ook voor de mobsters. Dat is een effect van kunst, of in dit geval films met een artistieke ambitie. Films die zijn bedoeld om te amuseren hebben dat effect niet.

Voorbeelden van films die doorsijpelen naar de samenleving zijn talrijk. Dat loopt van kijkers die zich zo identificeren met hun filmheld dat ze gedrag en uiterlijkheden imiteren tot films die succesvol een onderwerp of een misstand aansnijden die de politiek besluitvorming beïnvloedt.

Still uit ‘Toivon tuolla puolen‘ [The Other Side of Hope], (2017) van Ari Kaurismäki.

Het is niet lastig om het ‘raamwerk’ van de foto uit 1937 van de Finse alcoholwinkel in toneelbeeld en gereserveerd acteren te koppelen aan de films van de Finse regisseur Ari Kaurismäki. Het is dezelfde droge, uitgebeende absurditeit met trieste ondertoon van de films van Wes Anderson en Alex van Warmerdam. Of het toneel van Samuel Beckett. Alfred Jarry, Harold Pinter of Eugène Ionesco. In het beste geval meer dan een opeenvolging van tableaus.

In dramatisch effect slaat de foto uit 1937 het absurdisme van de grootmeesters van de cinematografie en het theater. Het beeld van de sobere drankwinkel met de drie medewerkers als paspoppen verbeeldt Finse melancholie. De treurnis van de weemoed. Portugese saudade in het hoge Noorden. Door deze reflectie erop wordt de relatie tussen kunst en samenleving verder verstevigd.

Still uit ‘Kauas pilvet karkaavat‘ [Drifting Clouds], (1996) van Ari Kaurismäki.

3D-reproducties zijn geen gevaar voor de kunsten, maar kunnen die niet redden

Schermafbeelding van deel opinie-artikelOpinie: ‘3D-reproducties zijn geen gevaar voor de kunsten, maar kunnen die juist redden’ van Liselore Tissen in Het Parool, 16 juni 2022.

I. Vroeger was ik een fervente bioscoopbezoeker. De toenmalige directeur van het Utrechtse filmhuis ’t Hoogt noemde mij en mijn vriendin ooit zijn trouwste bezoekers. 

Ik was dol op films van wat nu klassieke regisseurs genoemd worden. Of regisseur svan de klassieke film. Jean Renoir, Jean Vigo, Roberto Rossellini, Federico Fellini, Valerio Zurlini, François Truffaut, Jean-Luc Godard, Ingmar Bergman, Andrei Tarkovski, Alfred Hitchcock en talloze Taiwanese, Indiase en Japanse regisseurs die in het artcircuit werden gedraaid. 

Dat was in de tijd van de celluloid-film. Met de beschadigingen van kabels, kleurverschillen tussen de ene en de andere acte en andere imperfecties van het dragende materiaal. Maar celluloid had voor mij iets magisch. 

Toen kwam de digitale film in de bioscoop. In het begin was dat van een slechte kwaliteit. Vaak klopte de beeldverhouding, de ratio niet. Het was niet om aan te zien. Ik haakte af. Later werd de digitale projectie van een superieure kwaliteit. 

De inhoud van films waardoor ik me aangesproken voelde veranderde niet, maar het materiaal wel. 

Dat verklaart waarom ik een fan van de films van de kunstenaars Tacita Dean of Stan Brakhage ben. Die zijn van celluloid. Er zijn vele digitale kunstenaarsfilms van goede kwaliteit. Maar ze raken me niet. Niet in mijn hart en niet in mijn hoofd. Ik weet het, ik heb mezelf ermee, maar het is niet anders. 

II. Nu is er een pleidooi voor 3D-reproducties in musea. Deels beredeneerd vanuit educatie en publieksbereik. In een opinie voor Het Parool zegt buitenpromovendus technische kunstgeschiedenis Liselore Tissen die daar voorstander van is: 

‘In tegenstelling tot Benjamins claim, lijkt de ‘mechanische’ 3D-reproductie niet voor ‘de dood van kunst’ te zorgen, maar juist een remedie te zijn tegen het volledig verdwijnen van originele kunstwerken.’

Dat is me een te technische uitleg. Ik ben het er niet mee eens. Kunstwerken zijn niet voor de eeuwigheid bedoeld. In musea wordt hun houdbaarheidsdatum oneigenlijk opgerekt. Het is onvermijdelijk dat ze verdwijnen als origineel werk. Dat is naar mijn idee niet erg. Dat moeten we aanvaarden. We moeten ons ermee verzoenen

III. Theodor Adorno schrijft in Valéry Proust Museum (vertaald): Het Duitse woord ‘museale’ heeft nare ondertonen. Het beschrijft voorwerpen tot wie de toeschouwer niet langer een vitale relatie heeft en die een stervingsproces ondergaan. Ze danken hun behoud meer aan de historische context dan aan de behoeften van het heden. Museum en mausoleum hebben meer gemeen dan een fonetische overeenkomst. Musea zijn de familiegraven van kunstwerken.

De documentatie van kunstwerken in catalogi, boeken, films en foto’s kan ervoor zorgen dat de herinnering eraan, en studie en educatie ervan wordt behouden. Maar dat is een leven na de dood. Dat is niet de kunst zelf. Die aanzet tot denken, aanscherpen en naast de realiteit kijken.

Tissen pleit dat kunst recht in de realiteit kijkt. Dat is plat wat materiaal en functie betreft. Zij wil iets behouden dat niet is bedoeld om te behouden. Men kan zich afvragen of dat wat zij wil behouden nog kunst is. Ik denk het niet. Wat zij wil behouden is een echo van de kunst. Maar dat kan nooit het kunstwerk zelf zijn. 

Kunst is als het leven. Dat bestaat alleen samen met de dood. Het oprekken van het leven van kunstwerken kan, maar dan wordt het niet meer dan een technische vertaling, een reproductie van wat ooit kunst was. Kunst die niet kwetsbaar is en streeft naar het eeuwige leven houdt op kunst te zijn. 

Antwoord aan Sergej Loznitsa. Eis voor verbod op Russische cultuur is in strijd om voortbestaan van staat, taal en cultuur van Oekraïne niet krankzinnig

Schermafbeelding van deel artikelVerbod op Russische cultuur eisen is immoreel en krankzinnig” van Sergej Loznitsa op Raam op Rusland, 24 mei 2022.

Mijn reactie op een artikel van de Oekraïense regisseur Sergej Loznitsa die een eis tot een verbod op Russische cultuur immoreel en krankzinnig vindt. In vertaling bij Raam op Rusland. Daar denk ik anders over. Maar wel onder voorwaarden:

Er is in de Russische Federatie vanuit het centrale gezag een campagne van Russificatie gaande. Die is gericht op etnische niet-Russen met ‘afwijkende’ talen, religies en culturen. De Russische Federatie is immers een veelvolkerenstaat.

In Oekraine is sinds 2014 een campagne van de-Russificatie gaande die door de recente Russische invasie extra is versneld. Niet in alle gevallen wordt dat van bovenaf opgelegd.

In die campagnes spelen iconen uit de kunst een rol. Door ze op de voorgrond te plaatsen en zo de eigen taal en cultuur als superieur te profileren of ze te verwijderen zodat de cultuur van de opponent als minderwaardig kan worden gezien. Want als Oekraïense iconen uit de kunst niet bestaan doordat ze niet worden genoemd of doordat ze geannexeerd zijn door de Russische cultuur, dan kan er ook niet naar verwezen worden. Dat ondermijnt weer de zelfbewustheid en het streven naar autonomie.

De context is dat de leiders in het Kremlin de Oekraïense staat met een eigen taal, kunst en geschiedenis niet erkennen en uit willen wissen. In 2014 werden Oekraïense boeken verbrand door pro-Russen in de Krim, zoals dat ook in Hitlers Duitsland in 1933 gebeurde.

Russificatie door het ontkennen van Oekraine was het doel van de huidige Russische invasie in Oekraïne. Die overigens tot nu toe slecht is gelukt en wat de positie van de Oekraïense taal en cultuur betreft tot een omgekeerd effect heeft geleid.

Het verbod op Russische of Oekraïense cultuur staat niet los van politieke en militaire strijd. Het verbod op de Russische cultuur in Oekraïne dat overigens geen regeringsbeleid van Kyiv is kan beschouwd worden als defensief, tijdelijk en noodzakelijk. Het is wellicht immoreel, maar niet krankzinnig omdat het raakt aan het zelfbehoud van Oekraïne dat ook op het culturele front vecht voor zelfbehoud. Hier hoort ook bij dat televisiezenders die propaganda uitzenden in het buurland worden verboden.

De luxe van een liberale houding om de vijand binnen de poorten te laten kan tijdens een oorlog die gaat om overleven van staat, taal en cultuur opgevat worden als risicovol en onrealistisch. Bij alle hens aan dek om de eigenheid te verdedigen hoort blijkbaar een houding die in normale tijden ongepast wordt geacht. Nood breekt wetten. Mits tijdelijk.

Antwoord op video ‘Stop Disney’s LHBT-indoctrinatie’ van het ultra-conservatieve katholieke CitizenGo

Mijn reactie bij de video van CitizenGo over de vermeende LHBT-indoctrinatie van Disney. Ermee sluit deze ultra-conservatieve katholieke organisatie aan bij de politieke standpunten van de Republikeinse gouverneur van Florida Ron DeSantis die als mogelijke uitdager van Trump het schoppen tegen Disney gebruikt om hem rechts in te halen en de cancel culture hoog op de agenda te houden en de conservatieve kiezers voor zich te winnen:

Het lijkt er eerder op dat orthodoxe christenen zoals die van CitizenGo geobsedeerd zijn door de LHBT-gemeenschap, dan dat Disney geobsedeerd is door de LHBT-gemeenschap. Christenen hebben de vrijheid van godsdienst om met elkaar hun geloof te belijden. Wat ze voor zichzelf aan rechten en vrijheden verworven hebben, zouden ze ook anderen moeten gunnen. Maar dat doen ze niet. Daarmee zijn ze in strijd met de kern van hun eigen leer.

Voordat enkele jaren geleden de cancelcultuur over de wereld spoelde, was er eeuwenlang een kanselcultuur die dominant was in de westerse wereld. Ooit hadden georganiseerde godsdiensten een zinvolle, emanciperende rol die de samenleving hielp vormen. Ze hebben zelfs bouwstenen aangeleverd voor het rationalisme van de Verlichting. Historisch gezien is het verschil tussen de verschillende filosofieën niet zo groot.

Maar zoals met alles is er een tijd van komen en een tijd van gaan. De monotheïstische godsdiensten hebben hun nut bewezen, maar zijn van progressieve maatschappelijke krachten verworden tot behoudzuchtige krachten die op de rem van de ontwikkeling zijn gaan staan. Dat valt te betreuren. Dat uit zich erin dat ze tegen allerlei hedendaagse ontwikkelingen zijn. Zo is het christendom niet begonnen, maar lijkt het wel te eindigen.

Het christendom is waardevol als cultureel verschijnsel. Zoals Griekse of Shakespeariaanse tragedies of Middeleeuwse mirakelspelen dat ook zijn. Net als deze kunstvormen is religie een sterke uiting van de menselijke geest. Het is waardevol om dat cultureel erfgoed inclusief het christendom te bewaren en zelfs te koesteren. 

Het christendom verdient het om van de overheid subsidie te krijgen, zoals theater, beeldende kunst, literatuur of muziek ook subsidie van de overheid krijgen. Kunst en religie zijn menselijke uitingen waarin mensen troost, zingeving, diepte en scherpte vinden. 

Kunst en religie geven het menselijk leven diepte. Niet vanwege een vermeende hogere waarde die verticaal zou zijn, maar vanwege de horizontale waarde van de mens die zich in de beste momenten overtreft en andere mensen daarmee toont wat menselijkheid is.

Onverdraagzaamheid jegens anderen of andersdenkenden staat daar haaks op. Daarmee verengt een godsdienst zich tot een verlengstuk van de politiek. Dat is een vrije keuze, maar ermee prijst zo’n godsdienst zich wel uit de markt. Godsdiensten zouden beter dan nu moeten beseffen dat ze vanwege andere doeleinden en functies geen politieke partijen of lobbygroepen zijn die ageren tegen hedendaagse maatschappelijke ontwikkelingen, maar culturele organisaties die mensen troost, zingeving, diepte en scherpte geven.

Openluchtexpositie in Terneuzen (1968)

Schermafbeelding van artikel ‘Openluchtexpositie in Terneuzen’ in de PZC van 14 mei 1968. Via Krantenbank Zeeland.

Ik schreef in 2019 in een commentaar over de galerie J34 van Jan Juffermans in Terneuzen. Een woestijn waar kunst niet makkelijk groeit. Toch gebeurde er soms iets waarvan men pas achteraf constateert hoe bijzonder het was.

Bovenstaand stukje in de PZC van 14 mei 1968 over een opening in J34 met werk van Ben d’Armagnac en Gerrit Dekker is kostelijk. Er hangt op de tentoonstelling werk waar de kunstenaars ‘niet helemaal achter staan‘, maar die toch wordt getoond omdat het ‘hun ontwikkeling‘ duidelijk in beeld brengt. Dat is ruimhartig gedrag van deze kunstenaars.

Volgens inleider en toenmalig directeur van het Zeeuws Museum Piet van Daalen rekenen beide kunstenaars radicaal af met datgene wat ‘men’ onder kunst verstaat. Dat is een prikkelende gedachte. Kunst die afrekent met kunst. Kan dat eigenlijk wel?

Bouwwerk “houten huisje” van Gerrit Dekker‘, 1968. Collectie: Beeldbank Zeeland. Copyright: PZC.

De huisjes van D’Armagnac en Dekker werden op verschillende locaties in Terneuzen geplaatst. Hier aan de Guido Gezellestraat, hoek Zuidlandstraat. Liggend in horizontale toestand.

De foto is nog op een andere manier bijzonder omdat op de achtergrond de nieuwbouw van het Petrus Hondius Lyceum plus Schouwburg te zien is. Mijn middelbare school die uit de binnenstad werd verbannen. Want Terneuzen was een groeigemeente en moest groeien. Met huizen en huisjes.

Vragen bij een promotievideo van Museumkaart voor de Nationale Museumweek. Wat voor beeld denkt het te geven van een museum?

Instellingen huren soms externe vormgevers in die weinig verstand hebben van het product dat ze moeten verkopen. Als dan ook de afstemming tussen de opdrachtgevers in een stuur- of projectgroep van genoemde instelling en de vormgevers niet optimaal is, dan is dat de aankondiging van een ramp.

Het gevaar bestaat dan immers dat er een product aangeboden wordt dat alleen in de fantasie van de vormgevers bestaat, maar weinig te maken heeft met het werkelijke product dat verkocht moet worden. De leden van de stuur- of projectgroep hebben zitten slapen of hebben bewust iets laten passeren dat niet overeenkomt met de realiteit.

Marketing ontspoort zo in droombeelden. Er wordt een beeld gevormd dat van een afstand aardig toont, maar bij nader inzien niet klopt omdat het een verre afgeleide is van het product dat moet worden gepromoot. Hier is het product museumbezoek.

Bij deze video op YouTube van de Museumkaart voor de Nationale Museumweek van 4 t/m 10 april 2022 staat de volgende tekst: ‘Tijdens de Museumweek roepen we werkgevers op hun medewerkers #MuseumVrij te geven, zodat ze kunnen onthaasten en nieuwe inspiratie opdoen in een van de 450 musea: een win-winactie!

De opstellers van de tekst bij de video haken aan bij het begrip ‘win-win-situatie’. Dat betekenteen onderhandelingssituatie waarin beide partijen voordeel kunnen hebben van onderhandelen en samenwerken. De winst van de een hoeft niet ten koste te gaan van de ander.’

Wat het voordeel is van werkgevers om hun medewerkers naar het museum te sturen om te onthaasten en nieuwe inspiratie op te doen is onduidelijk. Als de medewerkers door dat bezoek al onthaasten en nieuwe inspiratie opdoen, wat nog maar helemaal de vraag is.

Als het museum en de medewerker hier al winst uit halen, dan valt lastig in te zien wat de winst voor de werkgever is. Is dat een onthaaste medewerker die gelouterd uit het museum komt na een bezoekje? Werkt dat zo snel?

Wat is de nieuwe, bewezen inspiratie die de medewerker meebrengt voor de werkgever? Welke bevlogenheid, bezieling, inblazing of ingeving kan dat zijn? Maakt een werk van Jan Schoonhoven duidelijk dat de medewerker voortaan zijn of haar bureau moet opruimen? Vertelt een stoel van Gerrit Rietveld dat men rechtop moet zitten? Inspireert een abstract werk van Piet Mondriaan een medewerker tot nieuwe vergezichten en dwarsverbanden? Werkt inspiratie zo direct? Of wordt dat door de makers van de video verondersteld zonder dat het aangetoond kan worden?

Werkt overdracht in een museum volgens de Museumkaart terloops en succesvol?

Het meest in strijd met elementaire museale voorschriften is dat bezoekers noch met rugzakken, noch met tassen of ademluchttoestellen op hun rug op zaal worden toegelaten. Dat geeft een te hoog risico op beschadiging van kunstobjecten.

Bezoekers zo tonen is wereldvreemd. Het heeft niks met de realiteit van museumbezoek te maken. Daarnaast zet het toekomstige bezoekers op het verkeerde been. Wat denken ze straks in het museum op hun rug te kunnen dragen?

Still uit de videoMuseumVrij’ van Museumweek op YouTube, 29 maart 2022.

Het is bizar dat de vrouw met de rode helm zich met de immense tas op haar rug vlak voor het schilderij omdraait. Als zij al zover was gekomen, zou dat voor de bewaking van een normaal museum reden zijn om haar te verzoeken om de tas op haar rug onmiddellijk af te doen en in bewaring te geven bij de entree.

Of moeten we dit soort marketing van Museumkaart niet serieus nemen en op de koop nemen dat het een fantasiebeeld schetst van museumbezoek waarvan we weten dat het niks met de werkelijkheid te maken heeft? Maar wat is dan nog de waarde ervan? Of hebben de leden van de stuur- of projectgroep toch zitten slapen en de vormgevers te veel vrijheid gegeven wat heeft geleid tot een onrealistisch beeld? Het antwoord valt niet makkelijk te geven.

Wat de video oproept is verwondering. Maar dan een ander soort verwondering dan de makers beogen. Wat voor beeld denken ze eigenlijk te geven van een museum?

Naschrift:

Tweet van Robert Busschots en reactie, 2 april 2022.