George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘D66

Wiegel gaat in formatie Zuid-Holland uit van FvD en VVD. Maar wie helpt deze combinatie aan een meerderheid?

with 2 comments

In Zuid-Holland is VVD’er Hans Wiegel de informateur die door de grootste partij FvD is gevraagd om een college te smeden. In een brief van 1 april liet Wiegel weten een college na te streven waarin de twee grootste partijen vertegenwoordigd zijn: FvD en de VVD. Bij een totaal van 55 zetels heeft een college 28 zetels nodig voor een meerderheid. FvD (11) en VVD (10) hebben 21 zetels. Waar halen ze de resterende 7 zetels vandaan?

Het programmatisch dicht tegen FvD aanleunende PVV heeft 4 zetels. Gesteld dat de linkse partijen (GL, PvdA, SP, PvdD, CU, DENK) en de middenpartij D66 niet in een college met FvD én PVV gaan zitten, resteren 50+ (2) en SGP (2). Zo ontstaat een rechts college van FvD, VVD, PVV, SGP en 50+. Zoals uit bovenstaande tweet blijkt antwoordt CDA-Statenlid Meindert Stolk ontkennend op mijn vraag of het CDA zitting neemt in een college met FvD, VVD en PVV. Hij zegt dat het CDA niet aan die coalitie zal meewerken. Dat laat alleen de weg open voor een vijfpartijen-coalitie van FvD, VVD, PVV, SGP en 50+. Maar dat lijkt een verre van stabiele combinatie.

Uiteraard zijn er ook combinaties mogelijk zonder PVV. Want het is niet gezegd dat de onderhandelaar van de FvD zich sterk zal maken voor de PVV als dat de kansen van FvD verkleint. Informateur Wiegel verwijst in zijn brief niet toevallig naar ‘partijen, die zo’n 4 of 5 Statenleden hebben‘. Dat zijn naast de PVV: CDA (4), GL (5), PvdA (4), D66 (5). Met twee van deze partijen ontstaat ook een meerderheid in de Provinciale Staten ZH.

Het wordt spannend welke twee partijen in een college met FvD en VVD willen stappen. Gezien de animositeit met FvD lijken GL en D66 zo goed als uitgesloten en het meest onwaarschijnlijk. Dat laat het CDA en PvdA over. Ik heb CDA Zuid-Holland de combinatie FvD, VVD, CDA, PvdA niet voorgelegd, dus wie weet. De inschatting van de partijleiding van het CDA en de PvdA zal zijn hoe hun achterban daarop reageert. Zeker voor de opkrabbelende PvdA zal een college met drie rechtse partijen een hele opgave zijn om te verkopen.

Wat dan? VVD, D66, GL, CDA en PvdA komen ook aan 28 zetels. Met 6 gedeputeerden, 2 voor de VVD en 1 voor de anderen. Ook een vijfpartijen-coalitie. Wordt het deze uitkomst en hoelang moeten we erop wachten?

Foto: Tweet van Meindert Stolk (lid Provinciale Staten ZH voor het CDA) als antwoord op mijn tweet, 3 april 2019.

Advertenties

Onduidelijkheid over plan Jetten om vermogens boven € 1 miljoen zwaarder te belasten. Wat betekent dat voor de middeninkomens?

with 2 comments

Dit is een passage uit de Kerdijklezing die de fractievoorzitter van D66 Rob Jetten vandaag hield. De partij kondigt het aan als ‘zijn eerste grote binnenlandse toespraak als fractievoorzitter’. Deze passage kreeg volop aandacht in de media. AD kopte: ‘Jetten wil miljonairstaks’ en De Telegraaf zegt: ‘D66 pleit voor miljonairstaks’. Deze koppen slaan behoorlijk de plank mis, want nu lijkt het net alsof dit een nieuw soort belasting is en miljonairs op dit moment geen belasting betalen. Dat is niet zo. Jetten heeft zijn plannen nog niet uitgewerkt en het is onduidelijk hoe ze precies luiden. Daarom valt er nog totaal niks over te zeggen.

Nederland kent een vermogensrendementsheffing van 1,2% boven een drempel van ongeveer €60.000 (met fiscale partner). Bezwaren: de middengroepen worden het zwaarst belast omdat de laagvermogenden geen vermogen hebben om te belasten en de hoogvermogenden de rendementsheffing grotendeels ontwijken. Elk belastingplan zonder een krachtige aanpak van belastingontwijking is zinloos en oneerlijk, en vooral politieke marketing. Verder voelen degenen die aangeslagen worden enige onrechtvaardigheid omdat de effectieve rente op rentedragende rekeningen lager is dan het door de overheid opgevoerde virtuele rendement van 4%. De rente is nu 0 of hooguit 0,2%. Het is de vraag in welke mate Jetten de kleine spaarders wil ontzien.

De Franse econoom Thomas Piketty die heeft gepubliceerd over inkomensongelijkheid pleit voor 0% heffing op vermogens tot 1 miljoen euro, 1% op vermogens tussen de 1 en 5 miljoen euro, en 2% op vermogens daarboven. Is het toeval dat Jetten een bedrag van 1 miljoen noemt? Hij lijkt de vermogenrendementsheffing voor kleine spaarders niet af te willen schaffen zoals Piketty, maar te willen verminderen. Want Jetten zegt de kleine spaarders meer te willen ontzien. Stel dat hij de vermogensrendementsheffing van 1,2% voor vermogens beneden de € 1 miljoen verlaagt naar 1% boven het heffingsvrij vermogen van € 60.000 (2018; met fiscale partner), dan leidt dat tot de volgende belastingdruk voor vermogens:

…..100.000 euro: Piketty: € 0;  Jetten: €400
…..300.000 euro: Piketty: € 0; Jetten: €240
…. 600.000 euro: Piketty: € 0; Jetten: €5400
…1.000.000 euro: Piketty: € 0; Jetten: €9400
…5.000.000 euro: Piketty: € 50.000; Jetten: € 49.940 + extra belasting

Dit voorbeeld leert dat ook bij een vermogen van € 5 miljoen de heffing van Piketty op vermogen nog lager is dan bij Jetten. Het is nog onduidelijk welk belastingmodel Jetten voor ogen heeft, maar hij lijkt nog steeds vooral de middengroepen te belasten. Welk probleem meent hij aan te pakken? Met de voorstellen van Piketty die de middengroepen buiten schot laat en vooral de hoogvermogenden aanpakt hoeft men het niet eens te zijn, maar dat heeft wel karakter en doet wat het zegt te doen. Piketty probeert immers tot een structurele herverdeling van vermogen te komen. Dat is bij Jetten nog maar de vraag. Nogmaals, wat het doel is van Jetten is onduidelijk. De beeldvorming in de pers dat D66 onder Jetten een ruk naar links zou maken met dit plan is afhankelijk van hoe het er precies komt uit te zien. Als het plan voor vermogens onder de € 1 miljoen min of meer ongewijzigd blijft dan belast Jetten de middeninkomens bijna nog even zwaar als nu het geval is.

Foto: Schermafbeelding van deel Kerdijklezing door Rob Jetten, 4 maart 2019.

Terugblik op mislukken Museum Oud-Amelisweerd. Wat kunnen de openbare besturen van Utrecht en Amersfoort nog leren?

with one comment

Onderstaande reactie schreef ik op 22 januari 2011 bij de plaatsing van het ‘De Wegh der Weegen; Armando Museum in Landhuis Oud Amelisweerd. Een Rapportage Haalbaarheidsonderzoek.’ Denk ik er meer dan acht jaar later anders over nu de exploitant Stichting MOA in 2018 failliet is gegaan en het bestuur van de gemeente Utrecht een onderzoek heeft toegezegd naar de verhuizing van het antieke Chinese behang? Voor erfgoed- en museumdeskundigen een gruwel, zelfs een no-go area, maar blijkbaar voor delen van de Utrechtse politiek een begaanbare weg om met opoffering van cultureel erfgoed uit het bestuurlijke doolhof te ontsnappen. Omdat deskundigen hierover de wethouder vermoedelijk niet positief zullen adviseren valt overigens niet te verwachten dat het plan meer dan een proefballon wordt. Nee, ik denk er acht jaar later nog hetzelfde over. De oorzaak van de mislukking is terug te voeren tot de tunnelvisie, kortom een te smal perspectief. Inmiddels zouden Utrechtse raadsleden kunnen weten dat ze er een kwestie bij hebben. Als hun voorgangers in 2011 niet hadden zitten slapen en de waarschuwingen hadden opgepikt dan was dat niet het geval geweest. Maar acht jaar is een eeuwigheid in de politiek. Jammer is wel dat de politiek van Utrecht en Amersfoort hiervan niet wil leren. In Amersfoort wordt een voorstel van Amersfoort2014 voor een onderzoek afgewezen. In Utrecht lijkt zelfs dat besef niet door te dringen dat deze kwestie wel eens een onderzoek waard zou kunnen zijn. Dit gaat uiteindelijk niet over een rijksmonument in Bunnik, maar om de haperende kwaliteit van het openbaar bestuur. En dat is pas echt zorgelijk voor wie in Amersfoort of Utrecht woont.

Foto: Reactie aan Helena bij artikel ‘Onderzoek Armando Museum roept vragen op’. Andere commentaren op dit blog over Museum Oud-Amelisweerd kunnen opgeroepen worden door rechts bovenin de marge ‘Zoek op dit blog’ zoektermen als ‘Armando’, ‘Amelisweerd’ of ‘Amersfoort’ in te tikken. 

Wethouder Utrecht zegt onderzoek toe om antiek Chinees behang uit landhuis Oud-Amelisweerd te verwijderen. Is dat realistisch?

with 6 comments

Op 23 januari 2019 stelde het Utrechtse raadslid Ellen Bijsterbosch (D66) raadsvragen aan wethouder Anke Klein (D66) over landhuis Oud-Amelisweerd waarbij ze vroeg om te verkennen of het antieke Chinese behang verwijderd kan worden om elders ondergebracht te worden. Op 19 februari 2019 heeft Klein geantwoord.

Het antwoord van de wethouder bevat een raadselachtige passage als het beweert: ‘De keuze voor dit klimaatsysteem is vier jaar geleden expliciet gemaakt met de komst van MOA.’ Dat is 2015, terwijl het MOA officieel op 21 maart 2014 opende nadat het na een verbouwing geschikt was gemaakt voor een museale bestemming. In jaarrekening 2013 van het MOA valt te lezen: ‘In 2013 is verder gewerkt aan de restauratie en herbestemming van landhuis Oud Amelisweerd tot MOA IMuseum Oud Amelisweerd’ en ‘Eind november werd de voltooiing van de restauratie van het Chinees behang gevierd met een feestelijk programma’. In november 2013 werd de voltooiing van de restauratie van het Chinees behang feestelijk gevierd, terwijl wethouder Klein in haar antwoord aan Ellen Bijsterbosch beweert dat pas in 2015 ‘expliciet’ werd gekozen voor het principe van ‘conservation heating’. Het MOA ontving al in maart 2014 bezoekers.

Uit de haalbaarheidsstudie De Weg der Weegen valt af te leiden dat al eind 2010 bekend was dat in voorjaar 2011 waarschijnlijk een klimaatinstallatie zou worden geïnstalleerd volgens het principe van ‘conservation heating’. Het draait om dit beginsel van ‘conservation heating’ (dat in het antwoord ‘conservational heating’ wordt genoemd) waarover ik in een commentaar van 13 december 2010 het onderstaande schreef en wat in het citaat precies bedoeld wordt met ‘expliciet’. Als dat een term is die bedoelt te zeggen dat formeel-bestuurlijk pas in 2015 gekozen werd voor een klimaatsysteem dat uitging van het principe van ‘conservation heating’ dan is het gebruik ervan in het antwoord verwarrend omdat het de suggestie wekt dat voor 2015 dat principe niet werd gevolgd of uitgangspunt zou zijn voor het klimaatsysteem. Maar als randvoorwaarde was ‘conservation heating’ vanaf 2010 publiekelijk bekend voor de klimaatbeheersing in het landhuis.

In haar antwoord zegt wethouder Klein bereid te zijn om de verhuizing van het antieke Chinese behang naar een andere locatie te onderzoeken en daar ook in gesprek over te zullen gaan met het Centraal Museum. Wat zo’n onderzoek precies betekent en omvat is onduidelijk, maar zou kunnen bestaan uit het administratief raadplegen van een publicatie van het RCE over historisch papierbehang dat zegt: ‘Oud behang versterkt de beleving van authenticiteit in het interi­eur van een historisch gebouw. Sommige behangsels zijn inmid­dels uiterst zeldzaam. Behang verschaft bovendien kennis van het soort vertrek en de inrichting, de modernisering ervan, de heer­sende mode, en de persoonlijke smaak en financiële draagkracht van de bewoners.

Er is sinds 2010 niets veranderd in het denken over cultureel erfgoed. Het enige motief voor een beslissing over de verhuizing van het Chinese behang is politiek. Anders gezegd, de deskundigen op het gebied van erfgoed zullen niet anders dan in 2010 denken, namelijk dat het historisch behang ‘in situ’ de waarde ervan optimaal dient. Maar de bestuurders van toen die dat idee ondersteunden worden wellicht met terugwerkende kracht overruled door de bestuurders van nu die beseffen dat de randvoorwaarden voor een middelgroot museum in een landhuis met kwetsbaar antiek behang zeer lastig, om niet te zeggen onmogelijk zijn.

De Stichtse politiek is in 2011 met de keuze voor exploitant Stichting MOA voor Oud-Amelisweerd een doodlopende weg ingeslagen en lijkt nu pas tot het volle besef te komen wat dat inhoudt. Het bezint zich nu op een list. Maar het is een merkwaardige list die bedrieglijk aanvoelt als het met veel expertise, energie, geld en betrokkenheid gerestaureerde antieke Chinese behang alsnog zou moeten verhuizen naar een andere locatie. Waarom is die beslissing niet in 2011 genomen en in de haalbaarheidsstudie van 2010 voorgesteld? Maar die haalbaarheidsstudie kiest juist expliciet voor behoud: ‘De aanwezigheid van de antieke (Chinese) behangsels vormt een belangrijke factor waarmee rekening moet worden gehouden in het gebruik. Het behang is onlosmakelijk verbonden met het landhuis en dient goed geconserveerd en beschermd te worden (ook tegen extra licht en warmte van lampen). De verantwoordelijkheid en deskundigheid ten aanzien hiervan ligt hier bij het Centraal Museum. De behangsels hebben een hoge, onvervangbare educatieve en esthetische waarde. Ze zeggen iets over de plek waar ze definitief zijn geplaatst, te weten het park, het bos en het huis.

Foto 1: Schermafbeelding van deel BEANTWOORDING SCHRIFTELIJKE RAADSVRAGEN 2019, NUMMER 13 door wethouder Anke Klein, gemeenteraad Utrecht, 19 februari 2019.

Foto 2: Schermafbeelding van deel commentaarOnderzoek Armando Museum roept vragen op’ van George Knight, 13 december 2010.

Coalitie overweegt om reclame op publieke omroep te schrappen. Adverteerders begrijpen het niet en beweren de kwaliteit te dienen

leave a comment »

Volgens een bericht in De Telegraaf van 16 februari onderzoeken de coalitiepartijen VVD, CDA, D66 en CU het ‘compleet schrappen’ van de Ster-reclame. Een reclamevrije publieke omroep levert een gat op van zo’n 150 tot 180 miljoen euro. Het budget van de NPO is 740 miljoen euro. De reclameinkomsten lopen al jaren terug. De coalitie zoekt naar een structurele oplossing. Die zou eruit kunnen bestaan door het derde televisienet NPO 3 of radiozenders te schrappen. Hoe dan ook staat het denken over de publieke omroep niet stil. Dat kan goed, maar ook verkeerd uitpakken als bijvoorbeeld wordt gekozen voor de samenwerking van commerciële of maatschappelijke partijen met de omroepen. Amusementsprogramma’s lijken op termijn onherroepelijk te verhuizen naar de commerciële omroepen. Hoe levensvatbaar een publieke omroep is die zich terugtrekt op de kerntaken informatie, kunst en cultuur en nationale evenementen is de vraag die niet makkelijk is te beantwoorden. Des te meer omdat de coalitiepartijen elk verschillende eindpunten in gedachten hebben.

Reclame op radio en televisie is voor velen een bron van irritatie door de infantiliteit, de clichés, misleidende claims en het rolbevestigende karakter ervan. Daarbij komt de herhaling die het nog eens extra ergerlijk kan maken. Reclame gaat om marketing van producten of bedrijven. De BVA bond van adverteerders denkt daar in een reactie op het bericht in De Telegraaf anders over: ‘Onnodig en desastreus voor de kwaliteit van radio- en televisieprogramma’s bij de NPO’, zegt de BVA. Deze framing is lachwekkend. Het is opvallend dat de BVA suggereert dat reclame de kwaliteit van de radio- en televisieprogramma’s van de publieke omroep op een hoger peil brengt. Het schat de inkomsten uit reclame met 200 miljoen euro trouwens te hoog in. Die zijn zoals gezegd 150 tot 180 miljoen euro. De BVA meent dat de reclame-inkomsten er indirect aan meehelpen om kwaliteit te bieden. Dat is niet alleen een onbeholpen manier van redeneren, het is ook onjuist als het gat dat ontstaat door het schrappen van de reclame door alternatieve financiering wordt opgevuld. Of door het schrappen in de uitgaven, zoals een streep door NPO 3, of door het aanboren van andere inkomstenbronnen.

De BVA ziet een ander nadeel die te maken heeft met het bereiken van mogelijke bereikbare doelgroepen: ‘Via de publieke omroep kunnen adverterende organisaties specifieke doelgroepen bereiken. Doelgroepen die nauwelijks via andere media kunnen worden bereikt. Wanneer deze doelgroepen geen reclameboodschappen meer ontvangen, blijven zij verstoken van belangrijke (overheid)informatie over internetfraude, wijzigingen in ziektekostenverzekeringen of toeslagen en belastingen.’ Voor voorlichting door de overheid kan echter een uitzondering worden gemaakt in kleine advertentieblokken rond de belangrijkste journaals, zoals dat ook bij de Vlaamse VRT gebeurt. Als de publieke omroep de functie heeft om doelgroepen van overheidsvoorlichting te voorzien, dan gebeurt dat zelfs overzichtelijker en zonder ruis als commerciële reclame wordt geschrapt.

De BVA redeneert vanuit het belang, de werkgelegenheid en de winstgevendheid van de eigen sector en niet vanuit het belang van de publieke omroep. De BVA zegt als doel te hebben: ‘het bevorderen en bewaken van vrijheid van verantwoorde commerciële communicatie’. Wat het daarmee bedoelt is onduidelijk. Suggereert de BVA dat het met marketing de vrijheid bevordert van reclame? Hoe dan ook is dat een bedrijfsdoel dat niet in lijn is met het algemeen belang van de publieke omroep. Dat alleen al verklaart de onverenigbaarheid van de publieke omroep met de reclame door adverteerders. Het is dan ook voor de hand liggend dat de reclame door adverteerders op de publieke omroep compleet wordt geschrapt. Het is een wonder waarom de reclame daar ooit is binnengedrongen. De BVA mag tevreden zijn dat het decennialang toegestaan werd om winst te maken op de publieke omroep waar het ter zake dienend niks te zoeken had. De coalitie heeft de kans om een historische weeffout te herstellen door het schrappen van de reclame op de publieke radio en televisie.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘BVA vindt reclamevrije NPO ‘onbegrijpelijk’’ op Marketing Tribune, 18 februari 2019.

Written by George Knight

19 februari 2019 at 15:20

College Utrecht geeft filmtheater ’t Hoogt het voordeel van de twijfel. Ondanks onzekerheden over haalbaarheid en financiën

leave a comment »

Er zit enige beweging in de verhuizing van het ’t Hoogt. Op 31 december 2018 sloot het oudste filmtheater van het land de deuren in de Utrechtse binnenstad. In een commentaar van 13 april 2018 schreef ik: ‘Want hoe logisch is het dat een filmtheater dat al decennia niet meer kan voldoen aan de standaard van een gemiddeld filmtheater de hogere lat van een Podium voor Film en Beeldcultuur wel weet te halen? Of anders gezegd, waarom is die verdieping en verbreding de afgelopen jaren al niet op de huidige locatie voorbereid en uitgevoerd? Het valt dan ook te betwijfelen of een ‘reset’ voor ’t Hoogt de oplossing zal brengen. De beleidsmakers van de gemeente en de subsidiegevers dienen de juiste diagnose te stellen. Aan de hand van de geschiedenis en het karakter van ’t Hoogt kunnen ze proberen te begrijpen wat het scharnierpunt is. Ze kunnen dan ook antwoord op de vraag vinden of een ‘reset’ geen middel is om de huidige malaise te verhullen. Als daarnaast ook nog eens het centrum verlaten wordt waar in Utrecht het meeste publiek en de juiste atmosfeer te vinden is voor arthouses, dan kondigt zich een nieuwe ramp aan.’ In een raadsbrief van 5 februari 2019 geeft wethouder Klein ’t Hoogt het voordeel van de twijfel. Mijn reactie bij het artikel in DUIC:

Het is prima als een gemeentelijke culture instelling subsidie krijgt. Voor ’t Hoogt is dat geregeld in de cultuurnota 2017-2020. De subsidie bedraagt € 410.631 per jaar.

Dat advies zegt: ‘De betekenis van ’t Hoogt komt voornamelijk tot uiting in de nicheprogrammering van kwetsbare films, die een aanvulling vormt op de programmering van commerciële bioscopen in Utrecht. Samen met de educatie-activiteiten en programma’s ontsluit ’t Hoogt op deze manier een bijzonder filmaanbod. Zonder het filmhuis zou een groot aantal films niet op een groot scherm toegankelijk zijn voor het Utrechtse publiek. De adviescommissie vindt dit een onmisbare component van het Utrechtse cultuuraanbod.

Volgens de adviescommissie zit de (meer)waarde van ’t Hoogt in het vertonen van ‘kwetsbare films’ op een groot scherm van een filmtheater. Maar zoals bekend heeft ’t Hoogt de deuren gesloten en is het (voorlopig) geen fysiek theater meer. Zoals dat heet, het is nomadisch en heeft tijdelijk geen vast onderkomen meer. Dat houdt in dat het op dit moment niet kan voldoen aan wat volgens de adviescommissie die tot de jaarlijkse subsidie van € 410.631 leidde de belangrijkste taak is.

Het is voor het draagvlak bij de Utrechtse bevolking niet goed als een culturele instelling subsidie krijgt voor een kerntaak waar het door omstandigheden (tijdelijk) niet aan kan voldoen.

Een en ander roept vragen op over de bestuurlijke kwaliteit van directie en bestuur van ’t Hoogt. Want de sluiting van ’t Hoogt op de locatie ’t Hoogt was al langer bekend en kwam niet uit de lucht vallen. Directie en bestuur hebben nagelaten daar op te anticiperen met een alternatieve, degelijke programmering. Vergelijkbaar met museum Boijmans die ook een bestaande locatie (voor wellicht 7 jaar) moet verlaten en dat zorgvuldig en tijdig heeft voorbereid in het programma ’Boijmans bij de Buren’.

Wie nu zoekt op de site van ’t Hoogt naar voorstellingen ziet dat er in februari 2019 geen en in maart 2019 slechts drie voorstellingen staan geprogrammeerd. Maar niet alleen de slechte voorbereiding van directie en bestuur wekt verwondering, ook de opstelling van het gemeentebestuur. In een raadsbrief van 5 februari 2019 zegt cultuurwethouder Klein over de adviescommissie: ‘De commissie constateert ook dat de organisatie nog stappen moet zetten om dé speler te zijn op het gebied van alle vernieuwende vormen van beeldvertoning en adviseert daar ook tijd voor te nemen in deze transitiefase.’

Tijd nemen? Maar ’t Hoogt heeft al zoveel tijd genomen. Of liever gezegd, tijd laten passeren. Voor een professionele culturele instelling die het eerste filmhuis van Nederland was en al 46 jaar bestaat wordt door het gemeentebestuur de lat wel erg laag gelegd. Waarom neemt het gemeentebestuur ’t Hoogt niet serieuzer?

Directeur Rianne Brouwers lijkt er vanuit te gaan -en dat is ook begrijpelijk vanuit haar functie- dat een haalbaarheidsstudie zal aantonen dat ’t Hoogt op een nieuwe locatie in het Werkspoorgebied levensvatbaar is. Maar als het een objectief, onafhankelijk onderzoek is waarvan het college de aanbevelingen serieus neemt, is het nog maar de vraag of er sluitend ondernemeningsplan uitrolt. Brouwers uitspraak dat de nieuw locatie ‘geografisch in het midden van Utrecht ligt’ doet het ergste vrezen over haar realiteitszin.

De Utrechtse raad heeft vanaf 2010 geworsteld met een andere excentriek gelegen culturele instelling die het moest hebben van (inkomsten uit) bezoek waarvan onderzoeken aantoonden dat die door die ligging niet levensvatbaar was: landhuis Oud Amelisweerd waar het MOA werd gevestigd. College en raad sloegen de waarschuwingen in de wind. Of liever gezegd, ze hoopten dat door onvoorziene omstandigheden het tij zich ten goede zou keren. Maar dat gebeurde niet. In 2018 ging het MOA failliet en werden alle breed uitgemeten waarschuwingen bewaarheid.

Wensdenken kan het zicht op de realiteit vertroebelen. Het gebeurde met het MOA en kan met ’t Hoogt gebeuren. In elk geval als ’t Hoogt de kerntaak van het vertonen van kwetsbare films op een groot scherm wil blijven vervullen die de adviescommissie als onmisbaar ziet.

Het is aan het gemeentebestuur om een goede afweging te maken en de feiten eerlijk te wegen. Op dit moment zijn er nog veel onzekerheden over de levensvatbaarheid en haalbaarheid van ’t Hoogt als publieksinstelling in het Werkspoorgebied.

Weliswaar kan het gemeentebestuur ‘vertrouwen’ uitspreken in ’t Hoogt en hopen dat het de stappen die het nog moet zetten ook werkelijk en op de juiste manier zet, maar de beslissing moet niet bepaald worden door wensdenken, maar door de soliditeit van het ondernemingsplan, inclusief de sterkte van het weerstandsvermogen. Want met het schooien om geld aan het eind van het jaar vanwege een dreigend faillissement verspeelde het MOA bij alle partijen de goodwill die het had. Het zou verstandig zijn dat het college een bijkomende eis stelt en bedingt dat het ondernemingsplan van ’t Hoogt de opbouw van een duurzaam reservefonds vanuit de lopende inkomsten bevat.

Een financiële en bedrijfskundige toets moet daarbij niet alleen kritisch bekeken worden, maar in de politieke besluitvorming beslissend zijn. Het college moet zich in de tussentijd ‘mentaal’ en persoonlijk niet binden en de mentale en politieke afstand nemen voor zowel een negatief als een positief besluit over de subsidie van ’t Hoogt vanaf 2020. Als het haalbaarheidsonderzoek achteraf een wassen neus blijkt te zijn  geweest, of als het college de belangrijkste aanbevelingen ervan niet overneemt, dan beschadigt dat het draagvlak voor kunst en cultuur in Utrecht. Die geloofwaardigheid staat op het spel en gaat verder dan het belang van ’t Hoogt.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelFilmtheater ’t Hoogt verhuist naar pand Central Studios’ op DUIC, 5 februari 2019.

In Amersfoortse raad klinkt de roep om een diepgaand onderzoek naar het MOA. In de Utrechtse raad blijft het opvallend stil

with 4 comments

Het was vanaf eind 2010 uit openbare bronnen duidelijk dat het Armando Museum (later omgedoopt tot Museum Oud Amelisweerd; MOA) geen succes kon worden. De voorwaarden voor succes ontbraken aantoonbaar. Iedereen met ogen in de kop kon dat in het volle daglicht zien. Er waren ontelbare mensen die sinds die tijd gewaarschuwd hebben voor de gebrekkige levensvatbaarheid van het omgekatte Armando Museum in de bossen van Bunnik (Rini Dippel/ex SM, Paul van Vlijmen/ex-Spoorwegmuseum, Eymert-Jan Goossens/Huis Doorn, Jesper Rijpma/VVD UT, Xander van Asperen/D66 UT, SP, Nieuw-Rechts UT, SP UT, Burgerpartij A’foort, Ben Stoelinga/A2014 A’f, Ramón Smits Alvarez/PvdA A’f, Raphaël Smit/Vliet A’f, Simone Kennedy/CU A’f, Hiske Land/GL A’f, Ben van Koningsveld/CDA A’f), maar ze werden niet gehoord en hun argumenten werden weggepoetst. Daarnaast waren er nog mensen uit de museumsector die achter de schermen hun ongenoegen uitten, maar dit vanwege hun functie of positie niet in het openbaar konden zeggen. Het opknappen van het vastgoed sinds begin jaren ’90 onder leiding van Centraal Museum en gemeentelijke diensten van de gemeente Utrecht is overigens geen weggegooid geld en moet niet verward worden met de ongelukkige en mislukte doorstart van het Amersfoortse Armando Bureau in Bunnik.

Een diepgaand onderzoek is nodig. Raadslid Ben Stoelinga van de Amersfoortse partij A2014 vindt dat de onderste steen boven moet komen over de gang van zaken van het MOA. Stoelinga is vooral geïnteresseerd in de financiële afwikkeling. Hij schetst twee scenario’s die in de raadsvergadering van 5 februari 2019 besproken worden: een onderzoek door externe onderzoekers of een raadsenquête. De laatste optie lijkt vanwege de transparantie en de mogelijkheid om betrokkenen, zoals ambtenaren en bestuurders onder ede te horen zijn voorkeur te genieten, zoals uit een notitie blijkt. Vanwege de werkdruk kunnen delen van de raadsenquête uitbesteed worden aan externe onderzoekers, zodat een combinatie van beide soorten onderzoeken wellicht het meest werkbaar is omdat het openheid en diepgang combineert met volledigheid.

Complicatie is de veelheid aan betrokken gemeenten (Utrecht, Amersfoort, Bunnik), de snelle wisseling van cultuurwethouders en de gefragmenteerde besluitvorming waardoor niemand zich blijkbaar verantwoordelijk voelt. Het is opvallend dat met Ben Stoelinga, maar ook met de langzittende raadsleden Hans van Wegen (BPA), Ben van Koningsveld (CDA) en Simone Kennedy-Doornbos (CU) het historisch geheugen in de Amersfoortse raad nog aanwezig is omdat deze raadsleden de beslissende debatten zelf hebben gevoerd en door hun dossierkennis weten waarover ze praten. In de Utrechtse gemeenteraad ontbreekt dat geheugen en die kennis op één uitzondering na, te weten SP’er Tim Schipper. In de Utrechtse raad is de omloopsnelheid zo groot dat bij de belangrijkste partijen in dit dossier, te weten D66 en VVD de woordvoerders elkaar in snel tempo hebben opgevolgd (D66: Xander van Asperen, Aline Knip, Ellen Bijsterbosch; VVD, Jesper Rijpma, André van Schie, Marijn de Pagter). Voor leden van de Utrechtse raad is de geschiedenis, besluitvorming en financiële complicatie van het MOA een ver-van-hun-bed-show waar ze geen persoonlijke betrokkenheid bij hebben. Dat is geen verwijt, maar een constatering. Daarom is het verklaarbaar dat de kritiek op het MOA uit de Amersfoortse en niet uit de Utrechtse raad klinkt. Terwijl laatstgenoemde er een groter belang bij en verantwoordelijkheid voor heeft omdat landhuis Amelisweerd eigendom van de gemeente Utrecht is.

De inzet van Ben Stoelinga is prima en vanuit zijn verantwoordelijkheid voorbeeldig te noemen, maar loopt ook tegen grenzen aan. Het kent nu eenmaal een Amersfoorts perspectief. En dat kan per definitie niet het hele perspectief zijn. Het is zoals gezegd verklaarbaar, maar ongelukkig dat de Utrechtse raad geen initiatief neemt voor een onderzoek van een project waarover jaren van tevoren met argumenten werd aangetoond dat het zou mislukken. Daarnaast is er ook de provincie Utrecht waar de statenleden Elly Broere, PVV en Truke Noordenbos, SP kritische vragen stelden, maar zij waren de uitzondering. Zijn het in de Utrechtse raad alleen het historisch geheugen en het gebrek aan kennis en affiniteit die ontbreken of is er meer aan de hand? De omstandigheid dat sinds 2010 alle grotere partijen bestuursverantwoordelijkheid hebben gedragen en boter op hun hoofd hebben in dit dossier MOA kan het zwijgen in de Utrechtse raad verklaren. Zodat geen van de grotere partijen happig is op een onderzoek dat met terugwerkende kracht de eigen bestuurders zou kunnen beschadigen. En de leden van de kleinere partijen (PvdD, DENK, S&S, PVV, Stadsbelang) leggen of andere prioriteiten of beseffen niet eens hoe slecht dit project vanuit het gemeentebestuur is uitgedacht en begeleid.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelOnderste steen boven rond faillissement MOA’ van Artwin Kreekel in het AD, 5 februari 2019.