George Knight

Debat tussen links en rechts

Archive for the ‘Maatschappij’ Category

Intelligente domheid of domme intelligentie zit vooral radicaal-rechts in de weg. Matthijs van Boksel revisited

leave a comment »

Mensen worden steeds dommer. De onderbouwing van deze stelling valt hier hier na te lezen. Matthijs van Boxsel heeft zo zijn gedachten over domheid: ‘Domheid is het handelen tegen beter weten in. Domheid is kortom geen gebrek aan kennis of intelligentie. Sterker: domme mensen zijn vaak gevaarlijk omdat ze intelligent zijn. En hoe intelligenter ze zijn, hoe rampzaliger de gevolgen van hun domdaad.’ En zegt Van Boxel: ‘Let wel: de dwaling is het product van intellectuele arbeid, niet van luiheid. Het gaat ook niet om het wagen van een gokje. Je moet werken voor je dwalingen. Je moet falen om de kennis te vergaren waarmee je je falen kunt herkennen. Kennis draait kortom om herziening, vertraging, tegen jezelf indenken.’

Toen ik het bovenstaande las en er in 2013 een commentaar over schreef met de titel ‘Intelligente domheid zit kabinet Rutte in de weg’ moesten Trump en de rechts-radicalen nog komen. Intelligente dommeriken als Thierry Baudet, Boris Johnson of Steve Bannon moesten toen nog hun opgang maken. Door die voorbeelden begrijp ik nu de bewering van Van Boxsel beter dan 6,5 jaar geleden. Het heeft handen en voeten gekregen.

We worden dagelijks geconfronteerd met intelligente domheid. Ergo, het heeft de wereld overspoeld. Degenen die claimen intelligent en niet dom te zijn begrijpen dat niet. Radicaal-rechtse politici denken tegen het belang van hun land in omdat ze niet dom genoeg zijn om tegen zichzelf in te denken. Ze gaan met zichzelf en hun cyclische, stationaire denken op de loop en komen niet verder. Domme mensen zijn intelligent, we zien het dagelijks in de politiek. Hadden ze maar kennis en durf om zichzelf te herzien. Maar dat zit er niet in.

Foto: ‘Bobby Fischer and Mikhail Tal (from page 41 of XIV. Schach-Olympiade Leipzig 1960)’

Geradicaliseerde boer: ‘behandeling van de boeren lijkt op die van de jodenvervolging’ (in de Tweede Wereldoorlog)

with 3 comments

Woordvoerder Mark van den Oever van Farmers Defence Force (FDF) meent dat de behandeling van de boeren lijkt op die van de jodenvervolging. Volgens Den Oever is de vergelijking gerechtvaardigd omdat de boeren ook deel uitmaken een kleine bevolkingsgroep die systematisch in de hoek gedrukt wordt. Hij geeft toe dat het ‘gelukkig’ niet om massamoord gaat. Wat moeten we uit deze vergelijking concluderen die kant noch wal raakt omdat de vergelijking in de verste verte niet overeenkomt met de historische feiten? Dat het schort aan het historisch besef van deze geradicaliseerde boer? De vraag waarom Van den Oever de vergelijking maakt is interessant. Wil hij provoceren omdat hij weet dat de Holocaust bij velen in Nederland een open zenuw raakt?

De radicale boeren passen in het model van het rechts-radicalisme van Trump dat zich niks van de waarheid aantrekt. Trump ontkent de feiten en blijft het tegendeel beweren van wat uit onderzoeken blijkt en door overheidsdiensten wordt gezegd. Van den Oever doet hetzelfde. Hij bluft en liegt de waarheid, probeert zijn tegenstanders te intimideren en de publieke opinie te bespelen. Het is een wonder dat de media hem zo uitgebreid aan het woord laten om zijn waandenkbeelden te verspreiden. Hij vecht een verloren strijd. De landbouw, en dan met name de veeteelt, zorgt voor ruim 40% van de stikstofuitstoot en moet een stap terugdoen. Van de Raad van State en de politiek. De veestapel moet met 50% (kippen, varkens) of met 20% (runderen) inkrimpen. De boer is de keerl, maar Van den Oever gedraagt zich als een sneeuwvlok die zichzelf overschat en opblaast tot belangrijkheid, geëmotioneerd is, zich in hoge mate benadeeld voelt en niet in staat is om met tegengestelde meningen om te gaan. Daar komt nog eens een ongepaste vergelijking met de jodenvervolging bij. Geradicaliseerde boeren zijn op dit moment succesvol in het verspelen van de volksgunst.

Foto: Still uit videoMark van den Oever over de aangekondigde harde acties tegen het bedrijfsleven’ van Omroep Brabant, 13 december 2019.

Als ik geen theïst, atheïst, agnost of apatheïst ben, dan ben ik een secularist die betrokken is bij én kritisch op religie en hun goden

with 2 comments

Van de term ‘apatheisme’ had ik nog nooit gehoord totdat ik het voorbij zag komen in de online versie van het opinie-artikelApatheïsten verder weg dan atheïsten’ van Wim Kranendonk in het Reformatorisch Dagblad. De term is een samentrekking van ‘apathie’ en ‘theïsme’.  Het perspectief ervan is religieus, want het idee is dat de aanhangers ervan onverschillig of gevoelloos tegenover het bestaan van God staan. Kranendonk citeert enkele Amerikaanse christelijke auteurs die claimen dat er ook apatheïsten in christelijke kerken zijn. In mijn reactie bij het artikel op de FB-pagina van het Reformatorisch Dagblad antwoord ik de auteur en constateer ik dat de kenmerken die hij geeft van een apatheïst niet op mij van toepassing zijn. Ik sta namelijk helemaal niet onverschillig tegenover religie of God, maar ben er evenmin een aanhanger van. Ik val in geen van de vier categorieën die Kranendonk schetst en voeg daarom noodgedwongen een vijfde categorie toe:

Het is merkwaardig dat in de afsluitende alinea de auteur het apatheïsme een probleem noemt. Hiermee laat hij zich kennen als normatief en onverdraagzaam. Hij trapt in de val die hij zelf de atheïsten verwijt die volgens hem het geloof in God zouden minachten. Het is trouwens kort door de bocht om dit atheïsten te verwijten. Zij kunnen ook andere bezwaren hebben tegen religie en de macht van de religieuze instellingen. Hun kritiek betreft dan niet zozeer de ‘binnenkant’ van religie, maar de ‘buitenkant’ ervan. Dus niet de zingeving of insluiting in een religieus gedachtegoed, maar de machtsvorming en morele claims. Het is een feit dat dominante religieuze organisaties nog steeds een voorkeursbehandeling genieten en voorrechten hebben in onze samenleving. De auteur onderschat hoeveel weerstaand dat in de samenleving oproept.

Wim Kranendonk minacht de apatheïsten. Die geringschatting komt voor zijn rekening. Het is een gevolg van zijn kerkpolitieke opstelling. Waar de apatheïsten hun schouders ophalen over religieuze organisaties met hun dogmatiek van een opperwezen, zo maakt een christen als Wim Kranendonk zich druk dat er mensen zijn die in geestelijk opzicht afstand nemen van de dogmatiek van het christendom. Hij begrijpt het niet. Apatheïsten gunnen gelovigen hun geloof en inspiratie, Kranendonk lijkt apatheïsten geen redelijke positie te gunnen.

Ik betwijfel of de auteur het verschijnsel van het apatheisme doorgrondt. Hij kijkt niet met een open blik, maar met een blik die de religie verdedigt en in bescherming neemt. Laat ik dat uitleggen aan de hand van mijn eigen positie. Ik neem geen van de drie posities in die Kranendonk in het artikel schetst, te weten de categorie van de theïsten (mensen die de overtuiging hebben dat er een opperwezen is), atheïsten (mensen die de overtuiging hebben dat er geen opperwezen is) of agnosten (mensen die twijfelen tussen de overtuiging of er wel of niet een opperwezen is). Maar ben ik dan een apatheïst of is er nog een vijfde restcategorie?

Laat ik het checken aan de hand van de kenmerken en stellingen die Kranendonk van de apatheïsme geeft.
1) De groep die totaal niet geïnteresseerd is in de vraag naar het bestaan van God. Check: Dat klopt niet. Ik ben indirect geïnteresseerd in de vraag naar het bestaan van God omdat ik geïnteresseerd ben in andere mensen die menen dat er een God bestaat. Mij interesseert het als fenomeen hoe mensen in een zich ontkerkelijkende omgeving zich laten inspireren. Om Harry Kuitert te parafraseren: ‘Hoe kan het dat mensen de bewering geloven dat het spreken dat van beneden komt van boven komt? Waarom geloven mensen dat een menselijke constructie geen menselijke constructie is en weven ze die verdichting in het ontstaan van hun geloof? De interesse in die vraag die raakt aan de verhaalleer, de dramatiek, de mythologie en het stelsel van rituelen bindt me aan de gelovigen. Niet de vraag of er wel of niet een God of vele Goden met hun aparte godsdienst bestaan. Dat laatste kunnen gelovigen beter zelf binnen hun gesloten wereldbeeld beantwoorden.
2) De apatheïst negeert het geloof. Check: Dat klopt niet. Ik respecteer het geloof en de gelovigen en wil me er iets van aantrekken omdat de gelovigen mijn medemensen zijn.
3) Het apatheïsme is typerend voor onze huidige tijd. Check: Dat klopt. Het past in de politieke filosofie van het secularisme waarin alle godsdiensten en levensovertuigingen in gelijke mate gewaardeerd, gegarandeerd en door de wet beschermd worden.

Conclusie is dat ik volgens de kenmerken die Kranendonk geeft en die hij baseert op het nieuwe boek van de christelijke geloofsverdediger Kyle Beshears zowel geen theïst, atheïst, agnost als apatheïst ben. Het probleem van Kranendonks opstelling en van de christelijke auteurs Beshaers en Thomas Kidd waarop hij zich baseert is dat hij claimt een objectief beeld van de keuze van mensen voor een godsdienst of levensovertuiging te geven, maar intussen alles door een christelijke bril ziet en definieert. En dat laatste ook nog eens vanuit het perspectief van prediking en zieltjes winnen. Hierdoor scherpt Kranendonk onnodig aan en mist hij de nuance. Hij trapt in de valkuil van vele christenen, namelijk dat andersdenkenden ondanks alle afstand toch moeten worden beschouwd als een verlengde van hun godsdienst. Of dat nou in positieve of negatieve zin is. De achterliggende gedachte is dat ze afgedwaalde gelovigen zijn die op het rechte pad moeten worden gebracht.

Kranendonk mist de positie van iemand die geïnteresseerd is in religie en religieuze organisaties en onder de motorkap ervan wil kijken voorbij het cosmetische beeld dat religieuze organisaties zelf naar buiten brengen. Dat gaat om de functie van fictie in brede zin, inclusief noties van fantasie, inbeelding, zelfbedrog, waan en mythologisering. Kranendonk mist de bekommernis van mensen die niet in het religieuze domein willen worden getrokken en de claim op unieke moraliteit van gelovigen buitensporig en onterecht vinden, maar in beginsel anderen die positie royaal gunnen. Kranendonk mist de ontwikkeling van een Nederland waarin de meerderheid van de bevolking zich niet laat inspireren door religie of het christelijk-culturele gedachtegoed.

Neem ik dan de vijfde positie in? Die van de voorstander van het secularisme die in alle (aanhangers van) religies en levensovertuigingen in gelijke mate geïnteresseerd is en ze een identieke positie gunt en slechts één overwegende tegenwerping heeft tegen de opstelling van religieuze opinieleiders, namelijk dat ze andersdenkenden ondanks alles als een verlengde of een fantoomledemaat van hun godsdienst willen zien.

Foto: Schermafbeelding van het artikelApatheïsten verder weg dan atheïsten’ van Wim Kranendonk in het Reformatorisch Dagblad, 7 december 2019.

Het kringgesprek, de armoede, de verontwaardiging & de huichelarij

with one comment

Mijn tijd op de basisschool, die in die jaren lagere school genoemd werd, ligt achter me. Ik heb in het onderwijs nooit een kringgesprek gehad over mijn persoonlijke omstandigheden (‘wat heb jij in het weekend gedaan?’). Evenmin op de kleuterschool die ik ervoor bezocht of op de middelbare school of de universiteit die ik erna bezocht. Uiteraard waren er wel groepsgesprekken, maar die gingen over het lesmateriaal of het onderwijs. Niet over persoonlijke omstandigheden. Als dat ter sprake moest komen, dan gebeurde dat in een vertrouwelijk gesprek. De naam ‘kringgesprek’ alleen al doet me griezelen. Wat ben ik met terugwerkende kracht blij dat ik als 7-jarige mijn persoonlijke omstandigheden niet hoefde te delen met een leerkracht of klasgenootjes. Daar komen naar mijn idee ouders, broers en zusjes of vriendjes eerder voor in aanmerking.

De aanleiding waarom de kringgesprekken worden gestopt is schrijnend: armoede. Maar die los je niet op met een kringgesprek. Dat ze gestopt worden maakt weinig uit voor het wegnemen van de oorzaak van armoede. Eer de bewustwording bij de leerlingen van de basisschool zich heeft vertaald in maatschappelijke verandering is Nederland 40 jaar verder in de tijd. Nog schrijnender, om niet te zeggen potsierlijker is het feit dat een PVV’er en een VVD’er lippendienst bewijzen aan de aanpak van de armoede zonder dat hun partijen zich in hun beleid ook maar in het minst inspannen voor armoedebestrijding of de aanpak van sociaal-economische ongelijkheid. Ze vergroten juist doelbewust de ongelijkheid. Tijd voor een kringgesprek in de Tweede Kamer?

Written by George Knight

10 december 2019 at 16:56

Het concept van een banaan kan niet opgegeten worden. Over het kunstwerk ‘Comedian’ van Maurizio Cattelan

with 4 comments

De tegen de muur met ducttape geplakte banaan van Maurizio Cattelan op de kunstbeurs Art Basel Miami Beach getiteld Comedian die door de kunstenaar David Datuna werd opgegeten heeft tot een stroom berichten in de populaire media geleid die één aspect gemeen hebben. Namelijk dat de schrijvers weinig van conceptuele hedendaagse kunst begrijpen of geen moeite doen om het te begrijpen en deze gebeurtenis aanwenden om zichzelf te profileren. Door aandacht aan de banaan te besteden bereiken ze in hun kritische aandacht voor de in hun ogen perverse kunsthandel het omgekeerde van wat ze beogen. Ze praten het belang van Cattelans banaan omhoog. Dat is de paradox van kritiek. Het onderwerp wordt er belangrijker door.

Opeten van de banaan heeft niks met het kunstwerk te maken. Dat speelt op een ander vlak. Het kunstwerk gaat niet om de fysieke banaan, maar om het concept van een banaan die met ducktape tegen de muur is geplakt. Dat wordt in de kunsthandel gematerialiseerd door een COA (certificate of authenticity). In een bericht op Instagram zegt Cattelans vertegenwoordiger Emmanuel Perrotin van galerie Perrotin dat zonder een COA een conceptueel kunstwerk niets meer dan de materiële weergave is. Teruggebracht to de winkelwaarde van een banaan, van zeg pakweg 40 cent. De fysieke banaan kan opgegeten worden, maar het concept niet.

Het is de onmogelijkheid van David Datuna of al die andere critici en aandachtstrekkers die een graantje mee willen pikken van de hype rond Comedian. Zoals Perrotin in bovenstaand bericht zegt werd het werk gisteren 8 december al verwijderd vanwege de overweldigende en oncontroleerbare drukte van de bezoekers. Wat resteert is verdere vulgarisatie van een in de kern vulgair idee. De banaan daalt af tot straatniveau en spoelt weg op de stroom nieuws over wat kunst zou zijn. De banaan van Cattelan is geslaagde marketing. Als een kunstwerk zo groots de media haalt kan men er zeker van zijn dat het over de prijs of een modegril gaat.

.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelGeplakt aan de muur worden tomaat en paprika ineens héél duur’ op AGF, 9 december 2019.

Foto 2: Bericht op Instagram van Emmanuel Perrotin, 8 december 2019.

Foto 3: Schermafbeelding van deel artikelDUUR KUNSTWERK WORDT DOODLEUK OPGEGETEN DOOR ANDERE ARTIEST’ van Nadine van der Linden op HLN, 9 december 2019.

Gedachten bij de foto ‘Obstination’ met een koppige ezel (1896)

leave a comment »

Deze foto zou wel eens het idee van velen over onze eigen, verwarde tijd kunnen verbeelden. Het is een photogravure/heliogravure uit 1896 van de Franse fotograaf J. Mantélier, getiteld ‘Obstination’ ofwel koppigheid. Maar het kan ook vertaald worden als vasthoudendheid of volharding, en dan krijgt het gelijk een ander perspectief. De ezel is niet halsstarrig, maar eerder hardnekkig en standvastig. De ezel laat zich niet van de wijs brengen door wat mensen willen. Zo te zien een moeder en haar twee kinderen. En laten we nou realistisch zijn, de ezel zou wel gek zijn om zich in de richting van het water te laten trekken. Om wat te doen? Badderen, drinken of verdrinken? Het is trouwens heel wat dat er geen stokslagen aan te pas komen.

Het gezegde luidt ‘Zo koppig als een ezel’. De ezel uit 1896 moest eraan geloven om dat te verbeelden. Een ezel wordt als dom voorgesteld. Maar zijn de vrouw en de twee kinderen niet nog dommer door zich voor de uitbeelding te lenen? Ten koste van de ezel die toch dom is en daarom niet beter kan weten. In onze eigen tijd symboliseert de ezel de voortgaande lijn van een ontwikkeling door de tijd heen. De ezel van 1896 is dezelfde ezel van 2019 of 1777. Als er in onze tijd trouwens nog ezels te vinden zijn in onze leefomgeving. De mensen en de omgeving verschillen. Zij maken het verschil. De ezel is de toetssteen van menselijk gedrag. Laten we de ezel eerbiedig in zijn waarde of niet? Waardigheid die we de ezel gunnen bepaalt onze eigen waardigheid.

Wederkerigheid is de les. Mensen, dieren en natuur zijn onderling verbonden. Om die relaties te omschrijven zijn grote woorden nodig. Het kan niet anders. We geven iets en we krijgen iets. Mensen trekken koppig de ezel door de tijd. Vraag is of de koppigheid van de ezel de reactie was op dat menselijk gedrag of er vooraf aan ging. In het eerste geval is de mens koppig en in het laatste geval de ezel. Onze tijd kent ontelbare ezels die uit het verleden overgeleverd zijn en waarvan onduidelijk is of ze oorzaak of gevolg van menselijk gedrag zijn. Ieder zal een favoriete ezel hebben. Natuur, saamhorigheid, democratie, bezinning, waarheid. Zijn wij koppig als we de ander koppig noemen? Het vergezicht van een 19de eeuwse foto die terloops een gezegde uitdrukt is de zienswijze van een standpunt dat vastgeroest lijkt maar bij nader inzien wankel is. Dat zijn wij. 

Foto: J. Mantélier, ‘Obstination’, photogravure/heliogravure uit 1896.

Written by George Knight

8 december 2019 at 16:22

Museum moet zich breed opstellen en niet tot deelnemer aan het publieke debat maken door standpunten van radicalen te steunen

with one comment

Sinterklaas en Zwarte Piet zijn dit jaar weer voorbij en kerstmis kondigt zich al aan op markten, in winkels en huiskamers. Dat is een passend moment om los van de actualiteit terug te kijken op bovenstaande tweet van 16 november 2019 van het Stedelijk Museum. Wat zegt het, wat beoogt het, wat zijn de voor- en nadelen ervan en hoe plaatst het een kunstmuseum in het publieke debat vol voetangels en klemmen?

Laat ik om te beginnen mijn positie duidelijk maken over deze tweet. Ik meen dat het SM die nooit had moeten plaatsen en ermee de fout is ingegaan. Ik vind het te ongenuanceerd, te vrijblijvend en het verkeerde medium. Het is te makkelijk gedaan zonder dat het museum als institutie er enige verantwoordelijkheid voor neemt. Het is lui denken die volgt uit een combinatie van politieke correctheid en marketing. Ermee neemt een museum op een pamflettistische wijze stelling in een maatschappelijke kwestie door aan te sluiten bij een radicale opvatting die in de samenleving leeft. Dat is onverstandig. Daarmee maakt het museum zich nodeloos kwetsbaar voor kritiek zoals wel blijkt uit de vele reacties bij de tweet. Dat verzwakt -opnieuw onnodig- de positie van het museum. Van dezelfde categorie domheid was naar mijn idee het afschaffen van de term ‘Gouden Eeuw’ door het Amsterdam Museum. Daarvan was de onderbouwing zelfs nog ezelachtiger en onzinniger dan uit deze tweet van het SM blijkt die van inhoud tamelijk neutraal is. Maar van intentie niet.

De uitdaging voor een museum is om naar alle kanten kritisch en open te zijn. Zich niet te verbinden met een specifieke doelgroep. De uitdaging voor de staf van een museum is om de eigen persoonlijke voorkeur buiten het museumbeleid te houden. Het er niet direct in door te laten klinken. Want een museum als institutie is meer dan een persoonlijke mening van directeur, conservator of medewerker marketing of publiciteit. De verleiding voor het management van een museum is wellicht groot om de eigen persoonlijke mening op het beleid te drukken, maar aan die verleiding moet weerstand geboden worden. De eigen duim op het Twitter-account van het museum of de regie over het museale sociale medium moet niet tot ongebreideldheid, maar tot beheerstheid en terughoudendheid leiden.  De persoonlijke mening van een museummedewerker over de Gouden Eeuw of Zwarte Piet is van ondergeschikt belang en moet niet in het beleid doorklinken. Wat anders is het als een directeur of conservator zich op persoonlijke titel over een politieke kwestie uitspreken. Dat kan, maar dan moet duidelijk uit de context blijken dat het niet het standpunt van het museum is.

Over kwesties als slavernij, kolonialisme, inclusiviteit, diversiteit en identiteit wordt in de samenleving verschillend gedacht. Het zijn vooral degenen in de marge die zich het hardste roeren en het publieke debat hebben gekaapt. In Nederland laat radicaal-links zich voeden door het debat aan Amerikaanse universiteiten dat ten onrechte 1 op 1 naar Nederland wordt vertaald. Dat leidt tot aannames die de verschillen alleen maar vergroten. Het kan door de specifieke achtergronden van de harde Amerikaanse samenleving verdedigbaar zijn om Black Pete of Blackface in de VS als racistisch te beschouwen, maar het is vooralsnog niet zeker of dat voor Zwarte Piet in Nederland in dezelfde mate geldt. Ik betwijfel dat. Van de andere kant laat radicaal-rechts in Nederland zich ook door het Amerikaanse debat voeden en sturen. Met verbitterdheid, ongenuanceerdheid, felheid en gebrek aan een breed perspectief van dien. Ook het schema van Amerikaans nieuw rechts of alt right dat karakteristiek van aard en karakter is kan niet 1 op 1 naar de Nederlandse samenleving vertaald worden. Slotsom is dat het Nederlands is om afstand van zowel radicaal-rechts als radicaal-links te nemen.

In de Zwarte Piet discussie nemen sinds 2012 de laatste twee kabinetten Rutte, Rutte II en Rutte III, een bemiddelende positie in. Ze pleiten voor een geleidelijke overgang en afbouw van de meest racistische stereotyperingen. Dat is een verstandige opstelling die als voorbeeld kan dienen bij al deze identiteits-kwesties waarbij radicalen aan beide kanten van het politieke spectrum zich fel uitspreken en hard tegenover elkaar staan. De les is dat de regering, een democratische institutie of een met gemeenschapsgeld betaald museum zich niet tot deelnemer van dat debat moeten maken door partij te kiezen. Ze dienen zich op te stellen als neutraal en dienen weliswaar niet hetzelfde initiatief te nemen als regering of politieke partijen, maar moeten er wel op z’n minst voor zorgen dat ze deze beweging en voortgang niet verstoren.

Door vrijblijvend, makkelijk en eenzijdig partij te kiezen zoals in 2019 het Stedelijk Museum en Amsterdam Museum deden bereikten ze het omgekeerde van wat ze beoogden. Steunen van een politiek controversieel standpunt roept weerstand op en geeft het foute signaal af over betekenis en functie van een museum. Dat moet in ambitie hoger mikken, zodat het zelf buiten het politieke debat blijft en de eigen positie erbinnen niet ter discussie stelt. Een museum moet signaleren, presenteren en documenteren, zonder zich te reduceren tot een spreekbuis of pamflet van een (radicaal-)politieke stroming. Dat betekent overigens niet dat een museum op een tentoonstelling, symposium of in een publicatie geen standpunt kan innemen over politieke kwesties. Liever wel zelfs. Het verschil is de context, samenhang en onderbouwing. Als een museum zich als opdracht stelt om veelvormig voor een breed publiek of vele deelpublieken te zijn met een goede (kunst)historische onderbouwing, dan volgt daaruit vanzelfsprekend dat het over maatschappelijke kwesties als verlengde van die eigen tentoonstelling, symposium of publicatie uitspraken doet. Ingebed en niet persoonlijk of ongeremd.

Foto: Tweet van het Stedelijk Museum Amsterdam, 16 november 2019.