Gedachte bij foto [Every soul is a circus]

Iets kan mooi van lelijkheid zijn. Dat heeft te maken met het onvolmaakte. Dat wordt geïllustreerd door een schoonheidsvlek, een tâche de beauté. De afwijking benadrukt de schoonheid. Het gaat om de verhouding tussen het een en ander. Is lelijk echt lelijk volgens onze esthetische normen of slechts een vergezochte afwijking die als opzet heeft om het mooie te onderstrepen?

Deze foto roept bij mij vragen op. Behalve met het onvolmaakte heeft het ook te maken met pretentie. Komt de opzichtige glitter geloofwaardig over? Of wordt het onaannemelijk doordat de schijn van waarheid tekortschiet?

Is de voorstelling op de foto nou mooi van lelijkheid of lelijk van mooiheid? Of blijft het ergens in het midden hangen? Ik kom er niet uit. Ik kan het niet thuisbrengen terwijl ik dat uitvergrote en bevroren idioom van de theaterfoto wel meen te kennen. Dat er iets niet klopt aan wat ik zie leidt in mijn ogen tot de slotsom het een waanvoorstelling te noemen. Dat is niet negatief bedoeld als verbeelding en illusie positief opgevat worden. Zie ik het wel goed of staat mijn esthetische en historische antenne verkeerd afgesteld? Dan ga ik lelijk de mist in.

Foto: [Every soul is a circus], Collectie: Library of Congress.

De schaduwmacht van de Rotterdamse kunstpolitiek beschadigt bewust de kunstsector en de kunstprofessionals

Wat voor kunstpolitiek denkt het Rotterdamse college van GroenLinks, VVD, D66, PvdA, CDA en CU-SGP in hemelsnaam uit te voeren? Hoe kunnen de wethouders nog in de spiegel kijken? Gelukkig hebben Rotterdamse kunst- en museumliefhebbers Ruud van der Velden (PvdD) die de belangen van de kunst een warm hart toedraagt. Maar een kleine partij maakt niet het verschil.

De strafexercities tegen de Rotterdamse museumsector staan in schril contrast met wat in andere grotere gemeenten gebeurt. Daar wordt de kunst- en museumsector zoveel mogelijk ontzien. Wat zijn de progressieve partijen in het college nog waard (GroenLinks, PvdA en D66) die de mond vol hebben van kunst, maar als het erop aankomt de kunst laten vallen?

In Nederland bestaat binnen de politiek nauwelijks liefde voor de kunst. Dat is een terugkerend thema. Kunst wordt gezien als een verplicht nummer, als een hobby die bij economische tegenwind makkelijk in de steek kan worden gelaten. De politiek beseft niet wat de functie van kunst is of het beseft dat wel, maar wil alleen kunst steunen die een verlengde van amusement is en getemd, onschadelijk en controleerbaar is. Politiek wil vooral kunst steunen die geen kunst meer is, maar een verlengde van de eigen politiek doelstellingen.

De schaduwmacht doet in Rotterdam buiten alle democratische controle om een greep naar de macht en het college laat het gebeuren onder meer door een onmachtige D66-kunstwethouder. Die schaduwmacht bestaat zowel uit de RRKC (Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur) die adviezen geeft als legitimatie voor korting door het college als de filantropische stichtingen van de familie Van der Vorm die met als zetbaas Wim Pijbes en met het oog op fiscale aftrekposten en onroerend goed onderonsjes met de gemeente een parellelle structuur proberen op te bouwen die de gevestigde kunstinstellingen en dan met name de musea naar de marge duwen. En de functie van kunst om aan te scherpen, de macht uit te dagen en kunstinstellingen onafhankelijk te laten zijn wil inperken.

Zo vinden in perfecte harmonie een nieuwe private partij die voor eigen gewin en uit persoonlijke belang in Rotterdam een nieuwe parallelle kunststructuur wil opbouwen en een schaduwmacht wil vestigen én een weinig ambitieus politiek establishment dat de kunstinstellingen hun autonomie wil ontnemen elkaar. Hun gemeenschappelijke emotie is rancune jegens de gevestigde museumsector waar ze in willen breken. Op een afwijkende wijze geldt dat ook voor het Wereldmuseum dat in een aangenomen motie een Rotterdamse signatuur was beloofd, maar dat door het management van de NMVW (Nationaal Museum van Wereldculturen) is gekoloniseerd en alle autonomie ontnomen is. Maar ook daar vinden Rotterdamse politiek en NMVW elkaar. De Rotterdamse raad heeft geen historisch geheugen en laat het Wereldmuseum dat niet eens een directeur of locatiehoofd heeft vallen.

Het raadsel in deze hele strafexercitie tegen de Rotterdamse museumsector zijn echter niet de RRKC met oud-bankier Jacob van der Goot als voorzitter of de stichting Droom en Daad die redeneren vanuit de financiën en waar nodig geld inzetten als drukmiddel, maar het Rotterdamse college dat zich simpelweg laat overbluffen en intimideren zonder dat het goed beseft waarmee het bezig is en wat het allemaal kapotmaakt. En daarbij nog rancuneus is naar de instellingen die voor zichzelf opkomen en het algemeen belang dienen en niet naar de pijpen van Pijbes willen dansen.

Waarom het college zo diep gezonken is en zich onnodig afhankelijk heeft gemaakt van het grote geld van een private partij valt niet makkelijk te beantwoorden. De macht van de havenbaronnen op het gemeentebestuur is een terugkerende constante in de Rotterdamse politiek. Daar moet de politiek dus verstandig in meebuigen zonder te breken. Het valt niet in te zien dat Wim Thomassen, André van der Louw of Bram Peper zich zo onder druk zouden laten zetten zoals Ahmed Aboutaleb (in een weliswaar duaal systeem met nog nauwelijks macht) dat nu laat doen. Zijn kienheid lijkt niet te strekken tot de hoogste sociale regionen en de financiële sector. Wat het college ook parten speelt zijn allerlei integriteitskwesties waardoor een machtige wethouder als Adriaan Visser moest aftreden en een college met liefst 10 wethouders van zes partijen de macht zo verdeelt dat het zichzelf heeft uitgekleed.

De kunstpolitiek in Rotterdam wordt dus in grote lijnen bepaald door drie zetbazen die zich onttrekken aan democratische controle. Jacob van der Goot (RRKC), Wim Pijbes (Droom en Daad) en Ahmed Aboutaleb (burgemeester) zijn vertegenwoordigers van een systeem dat doet denken aan een parallelle structuur van de onderwereld. Deze hoofdpersonen mogen op bestuurlijke stoelen gaan zitten waar ze niet thuishoren of ze zitten op hun bestuurlijke stoel waar ze hun werk niet doen. De professionele bestuurders in de Rotterdamse kunstsector hebben het nakijken en kunnen nergens aankloppen (behalve bij Ruud van der Velden) om deze parallelle structuur -die uiteraard door deze schaduwmacht wordt ontkend- aan te spreken. Ze kunnen maar beter verhuizen naar Amsterdam, Den Haag, Utrecht of werk in een andere dan de museumsector zoeken.

Het motto van de huidige Rotterdamse kunstpolitiek is: ‘Niet lullen, maar elke authenticiteit wegpoetsen’.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelDirecteur Paul van de Laar vertrekt bij Museum Rotterdam’ van Stéphan Reket in het AD, 26 november 2020.

Filantropische stichtingen van de familie Van der Vorm en het afwachtende Rotterdamse college krijgen fundamentele kritiek

Naar aanleiding van een artikel in Vers Beton met de omineuze titel ‘Hoe de steenrijke familie Van der Vorm macht en invloed koopt in Rotterdam’ plaatste ik gisteren onderstaande reactie op Facebook die ik vanwege het belang van deze kwestie hier herhaal. Want het opkopen van vastgoed en het ‘redden’ van Rotterdamse kunstinstellingen zoals Museum Rotterdam door een filantropische stichting moet per onmiddellijk een halt worden toegeroepen.

Het Rotterdamse college moet ervan bewust worden gemaakt dat het verkeerd is om met deze partij en haar stichtingen De Verre Bergen en Droom en Daad in zee te gaan als het betekent dat het zich er afhankelijk van laat maken. Dat lijkt aan de orde te zijn. Voor de duidelijkheid: Martijn van der Vorm woont in Monaco, betaalt geen belasting in Nederland, maar zijn filantropie is wel van de belasting aftrekbaar. Zijn zetbaas Wim Pijbes kan hiermee Sinterklaas spelen om het belastingvoordeel voor zijn baas verder op te pimpen. Vraag is hoe zich dat verhoudt tot de codes die in de Nederlandse culturele sector gangbaar zijn:

Inzichtelijk en belangrijk overzichtsartikel van Maurice Geluk voor Vers Beton en OPEN Rotterdam over de invloed van de Stichting Droom en Daad en ex-museumdirecteur Wim Pijbes in Rotterdam. De gemeente Rotterdam trekt zich terug en laat het initiatief aan deze filantropische stichting. Een en ander roept de vraag op of Droom en Daad en het Rotterdamse college onder een hoedje spelen bij het verdelen van vastgoed en de kunstsector.

Na lezing kan er maar een conclusie zijn. De greep naar de macht van Droom en Daad, de familie Van der Vorm en directeur Wim Pijbes die als een royale Sinterklaas met andermans geld in Rotterdam cadeautjes uitdeelt onderschrijft het standpunt van Anand Giridharadas over het redder complex van bedrijven. Zie: https://www.cigionline.org/…/anand-giridharadas-how…

Giridharadas ziet een gevaar in de combinatie van een afwachtende en machteloze overheid die zich laat overbluffen en de bravoure van zakenmensen die zich presenteren als doelmatig en ‘wereldwijs’. Dat is blijkbaar genoeg om de overheid op sleeptouw te nemen. Dit is wat zich nu in Rotterdam afspeelt.

De oplossing is simpel, bedrijven moeten verplicht worden om meer (of: hun rechtmatig deel) belasting te betalen zodat de overheid niet langer onderdanig hoeft te zijn en te wachten totdat een bedrijf of een filantropische stichting de portemonnee trekt. Laat het geld rechtstreeks naar zo’n overheid stromen.

Het redder complex van zo’n filantropische stichting die de macht grijpt is ongepast, ongewenst en pervers. Het verstoort het evenwicht binnen een gemeenschap. Pijbes wilde via de stichting waarbij hij in dienst is feitelijk directeur spelen van Boijmans. Nadat hem de voet was dwarsgezet trok Droom en Daad een bijdrage van 40 miljoen euro terug. Pijbes werd ondanks de negatieve publiciteit gehandhaafd door de familie Van der Vorm.

Het is ongelukkig dat de gemeente Rotterdam afhankelijk wordt van een filantropische stichting en lamgeslagen meegaat in de greep naar macht die zo’n filantroop opeist in culturele instellingen of maatschappelijke projecten.

Als Rotterdam Sinterklaas wil spelen, dan zou het daar Pijbes of Droom en Daad niet voor nodig moeten hebben. Deze schaduwmacht zou een goed functionerende overheid niet nodig moeten hebben. Maar de realiteit van 2020 is dat Rotterdam niet meer zonder kan. Als een verslaafde die aan een cultureel infuus ligt.

Op 19 november 2020 heeft raadslid Ruud van der Velden van de Rotterdamse Partij voor de Dieren raadsvragen ‘Invloed filantropie op college’ gesteld over de macht en de machinaties van Pijbes en de familie Van der Vorm in Rotterdam. Van der Velden vraagt onder meer naar de fiscale en economische achtergronden van het kapitaal waaruit de filantropische stichtingen putten:

16. Ziet u het oprichten van stichtingen die vervolgens een ANBI-status aanvragen en zijn vrijgesteld van schenkbelasting bij onderlinge transacties als belastingontwijking? Indien nee, waarom niet?

17. Weet u waar het kapitaal van Stichting De Verre Bergen en alle onderliggende stichtingen vandaan komt? En weet u ook of dit kapitaal belast is en/of dat er bij de totstandkoming inkomstenbelasting over is afgedragen? Indien ja, in welk rechtsgebied is er belasting afgedragen?

18. Weet u of het onderliggende kapitaal van Stichting De Verre Bergen en alle onderliggende stichtingen is ondergebracht in niet-coöperatieve rechtsgebieden, zoals benoemd door de Europese Unie en zoals verwoord in de overwegingen van voornoemde motie? Indien ja, welke rechtsgebieden? Indien nee, bent u bereid dit na te gaan in het kader van afdoening van voornoemde motie?

Foto: Schermafbeelding van deel artikelHoe de steenrijke familie Van der Vorm macht en invloed koopt in Rotterdam’ van Maurice Geluk in Vers Beton, 18 november 2020.

Gedachte bij titelloze foto [Artist Anna Upjohn] uit 1915-1920

Iedereen heeft voorkeuren. Ik ben gespitst op beeldmateriaal dat het creatieve proces van een beeldend kunstenaar laat zien. We kennen de cinematografische voorbeelden: Picasso door Henri-Georges Clouzot, Karel Appel door Jan Vrijman, Sarkis door Sarkis. En er is veel meer dan dat. Het is romantische onzin om te beweren dat met een beeldverslag een mysterie wordt onthuld. Of juist opgetrokken met zweverige orakeltaal.

Een kunstenaar is geen spirituele priester op het altaar van de hoge kunst, maar eenvoudigweg een professional die een vak beoefent. Vaak hardwerkend en gedreven tot op het bot. Een kunstwerk kan niet verklaard worden en hoeft ook niet verklaard te worden. Analyses en recensies over het werk van kunstenaars zeggen in de gunstigste gevallen vooral iets over de subjectiviteit van de beschouwer die iets wil vertellen over het hoofd van de kunstenaar heen. Vaak aardig om te lezen, maar doorgaans nutteloos voor nader begrip van de kunstenaar. Dat is niet te vangen.

Uitlegkunde of hermeneutiek is asymptotisch. Het benadert het begrip, maar valt er per definitie nooit mee samen. De poging ertoe is het maximale streven. Uitlegkunde is geen wiskunde en evenmin theologie. Dus geen meten van, achter en tussen de regels. Uitlegkunde is het vatten in woorden van het zien in het besef dat dit een bezigheid is die hoe dan ook het doel zal missen. Uitlegkunde is daarom evengoed het afzien van het zoeken naar betekenis.

De Amerikaanse Anna Upjohn werkte jarenlang voor het Rode Kruis als illustrator. Ze tekent een jongetje dat buiten beeld rechts naast de man op de foto zit. Of we mogen aannemen dat het jongetje daar zit. Naast een man die zijn grootvader kan zijn in een Servisch of Grieks dorp. In de Servische campagne van 1915 werd Servië vermorzeld. Het stond aan de kant van de Entente, met onder meer Frankrijk, Groot-Brittannië en het Russische keizerrijk. Het leed van leger en bevolking was immens. Verzachten van leed is de harde kern van het Rode Kruis.

Uitleg van een voorstelling is besmettelijk. Het is beter om te stoppen om mezelf niet al te zeer tegen te spreken.

Foto: [Artist Anna Upjohn], 1915-1920. Collectie: Library of Congress.

Een klassieke Japanse film: ‘An Autumn Afternoon’ (1962) van Yasujiro Ozu

An Autumn Afternoon (Samma no Aji) is een film uit 1962 van de Japanse regisseur Yasujiro Ozu. Een van de grootmeesters van de Japanse cinema. Is dit zo’n film die we denken te hebben gezien, maar toch bij nader inzien niet hebben gezien?

Donald Richie schrijft in zijn monografie ‘Ozu’ over deze film: ‘A company auditor, widowed and getting on in years, lives with his son and daughter and has as friends a few men his own age. From one of them he hears of the marriage of yet another friend’s daughter. This sets him thinking about his own daughter. He decides that she should marry, and eventually arranges it with a young man recommends by his friends. The event goes off as planned. Again he meets with his friends. They all drink together once more, and he realises that he is getting old, and that he is alone.

Een humanistische film over familie, loslaten, ouder worden, weemoed en het leven zelf. Een onopgesmukte film met de kwaliteit van de eenvoud. Een klassieker, deze laatste film van Ozu waar de letterlijke vertaling van is De Smaak van Makreel. Met hoofdrolspeler Chishu Ryu als vader. Tijdens de opnames van deze film stierf Ozu’s moeder. Een jaar later stierf Ozu zelf aan kanker kort voor zijn 60ste verjaardag. De overgang van de late herfst in de winter is voor de maker niet vrijblijvend.

Aardig detail, de militaire mars die in de bar klinkt (41’) klinkt ook in de fenomenale opening van de Chinese film ‘Devils on the Doorstep’ (2000) van Wen Jiang. Zie hier voor betreffend fragment op YouTube. Relativeert die andere blik het Japanisme van Ozu’s film?

NB: Voor Engelse ondertitels van ‘An Autumn Afternoon’: klik op wieltje en vervolgens op Ondertiteling Engels.

Bob Ross in het museum

Is het schilderen van uw eigen Bob Ross een trend? Of is het de marketing van een tentoonstelling in Museum MORE in Gorssel die niet tijdig afgelast is vanwege de nieuwe COVID-19 maatregelen? Musea moeten immers de komende twee weken dicht. Of was het omdat de burgemeester van Lochem de kans niet wilde laten lopen?

Hoe dan ook, het opent perspectief voor hobbyisten en liefhebbers. Orkestreer uw eigen James Last. Schrijf uw eigen Bouquet-reeks boek. Fluit uw eigen Berdien Stenberg. Zing uw eigen Frans Bauer. Acteer uw eigen soap.

Of klinkt dat uit de hoogte? Moeten we het dan maar niet hebben over de functie van kunst? Voor je het weet wordt kritiek op een tentoonstelling van Bob Ross in een museum uitgelegd als arrogant. Ik zeg niks meer.

Tim Boin vertelt met wartaal zijn verhaal over interactieve kunst

Dit is bij nader inzien een bedroevende video. Goedbedoeld, maar volkomen leeg van inhoud. Voor degene die achter de realiteit wil kijken blijft in het midden of dit serieus bedoeld is of opgevat moet worden als satire.

Tim Boin van Tim Boin Art zegt dat hij in geometrie gelooft. De vraag voor de kijker van deze video is of hij of zij in de praatjes en de opvatting van Tim Boin over kunst gelooft. Ook goede satire moet een zekere mate van geloofwaardigheid (‘vraisemblance‘) hebben om te overtuigen. Vraag is of Boin niet overdrijft in zijn spot en het gebruik van Engelstalig jargon. De uitspraak ‘the medium is the message’ is van toepassing op deze video. De communicatie drukt niet zozeer een beslissend stempel op de betekenis, maar drukt deze volledig uit beeld. Want wat is de betekenis van wat Boin probeert te zeggen? De beste omschrijving ervoor is wartaal.

Hoe Tim Boin het wiel opnieuw uitvindt, maar het buskruit nog niet heeft uitgevonden blijkt uit het slot als hij een eeuwenlange praktijk van interpreteren van kunst met zijn storytelling als nieuw probeert te pitchen: ‘Het leuke aan het vertellen van story’s met installaties en kunst is dat je triggert mensen om hun eigen invulling naar te geven en vervolgens gaan ze daar naartoe om die bevestiging te zoeken dus kijk gaat het hier over dus je creëert een bepaalde interactie met je publiek en ik denk dat dat ook wel de nieuwe manier van storytelling is.’ De verwondering die resteert is waarom niemand Tim Boin tegen zichzelf beschermd heeft.

NB: ‘Zo kan het ook’ dat in de video aandacht besteedt aan Tim Boin en zijn bedrijf is een programma van RTL dat ‘bedrijven in kaart brengt die een creatieve en vernieuwende blik hebben op het ondernemen, productontwikkeling, service en leiderschap’.

Maakt marketing in kunsthandel en kunstsector de kunst kapot?

Kunsthandel is een een slim marketingplan. Dat is geen opzienbarend nieuws, maar al vaak beweerd. Wie dat nu nog niet weet heeft zitten slapen. In een grappige, maar ook wel wat karikaturale aflevering van truTV wordt uitgelegd hoe het werkt. Neveneffect en onderschrijving van die marketing is dat de gevestigde media de veilingprijzen voor kunstwerken gelijkstellen met de kwaliteit of het belang ervan. Maar evenmin als bij films de toekenning van Oscars het ultieme oordeel is over de kwaliteit ervan geldt dat in de beeldende kunst.

Naast dit schema dat leidend is voor het bovenste segment van de kunsthandel is er in de kunstsector in volle breedte de actuele marketing van kunstenaars die niet minder kwalijk is en op andere uitgangspunten is gebaseerd. Niet commercieel, maar politiek. Van die marketing heeft het brede publiek minder benul. Mede omdat de gevestigde journalistiek zich daar niet over durft uit te spreken, in tegenstelling tot de karikatuur over de top van de kunsthandel. Ook dat maakt het lastig om kwaliteit van waardering te onderscheiden.

Neem de huidige golf van aandacht voor minderheden die door de kunstsector spoelt als een tsunami van emoties en in te lossen schuld die zo snel mogelijk hersteld moet worden. Kunstinstellingen zijn bevreesd om in die ‘emancipatie’ achter te blijven bij collega’s. Museumdirecteuren, conservatoren en curatoren buitelen over elkaar heen om de boot niet te missen. Met het risico dat ze in hun haast de verkeerde boot nemen.

Bezoek een museum met hedendaagse kunst en zie hoe huidskleur, sekse en etniciteit in het kielzog van identiteitsdenken en de #MeToo-beweging in korte tijd de nieuwe normen zijn geworden voor aankoop en presentatie. Een kunstenaar met de politiek correcte ‘juiste’ identiteit heeft tegenwoordig een streepje voor.

Dat is niet erg, als daarmee nieuwe kwaliteit aangeboord zou worden. Dat zou een verrijking voor de kunst zijn. Maar net als bij de kunsthandel die truTV beschrijft zijn het bij die actuele marketing doorgaans de meest handige en onbescheiden, maar niet altijd de beste kunstenaars die doorbreken. Dat is het probleem.

Akwasi is zo vaag, politiek en algemeen in zijn kritiek op het Afrika Museum (NMVW), dat hij feitelijk aan het falen ervan niet toekomt

Akwasi Owusu Ansah, artiestennaam Akwasi, is een Nederlandse rapper en acteur van Ghanese afkomst. Hij heeft geen specifieke deskundigheid op het gebied van Erfgoed, (Etnografische) beeldende kunst en kunstgeschiedenis of Museologie. Toch doet hij op het Erfgoedfestival Gelderland verregaande uitspraken over het reilen en zeilen van het Afrika Museum in Berg en Dal. Dat is onderdeel van het Nationaal Museum voor Wereldculturen (NMVW) waar ook het Tropenmuseum (Amsterdam) en het Museum Volkenkunde (Leiden) onderdeel van uitmaken. Het Wereldmuseum Rotterdam is formeel zijdelings verbonden aan het NMVW.

Het Erfgoedfestival noemt bij deze video op YouTube Akwasi’s betoog ‘oprecht en kritisch’. Akwasi meent dat het Afrika Museum niet inspireert en op de schop moet, maar volop kansen heeft om in de toekomst iets te bieden. Dat is een verwijt aan het management van het NMVW. Via onderzoeker en vice-directeur van het NMVW Wayne Modest reageert dit museum met een kort commentaar in een andere video van het Erfgoedfestival. Modest neemt de houding aan om Akwasi’s betoog te omarmen zonder inhoudelijk op de kritiek in te gaan. De paradox is dat het politiek correcte denken van Akwasi en het NMVW op één lijn zitten en ze hierin weinig van elkaar verschillen, maar eerstgenoemde toch fundamentele kritiek op het Afrika Museum heeft. Dat wringt. Hoe kan Modest Akwasi’s kritiek omarmen die haaks staat op het beleid van het NMVW? Modest buigt met de kritiek mee zonder die op zijn eigen organisatie te willen of durven betrekken.

Het raadsel is waarom Akwasi is uitgenodigd om hierover te praten omdat dat meer vanwege zijn identiteit, dan vanwege zijn vakinhoudelijke kennis over het Afrika Museum beredeneerd lijkt. Hoewel het prima is en iedereen hierover een mening kan uiten, blijft het onduidelijk waarom het Erfgoedfestival vindt dat Akwasi hierover een platform moet worden geboden. In zijn verhaal leidt Akwasi uit enkele voorbeelden van bevooroordeeld, wit denken over Afrika en Afrikanen een algemene regel af. Hij schuwt hierbij de karikatuur niet. Zijn regel is dat het Afrika Museum gedekoloniseerd moet worden. Door verwijzingen naar God, de heilige geest en ‘de Congregatie’ refereert hij aan de ontstaansgeschiedenis van dit museum dat vanaf 1954 uit de verzamelingen van de paters en broeders van de Congregatie van de Heilige Geest is ontstaan.

Akwasi heeft geen ongelijk als hij het management van het NMVW verwijt dat er in het Afrika Museum geen Afrikaanse stemmen en gezichten uit de Afrikaanse diaspora zijn. Dat is inderdaad ongeloofwaardig, maar heeft een andere oorzaak dan Akwasi vermoedt. Hij kijkt door de bril van het identiteitsdenken, kolonialisme en racisme en kijkt daarom niet verder naar andere oorzaken. Maar zo zal hij het antwoord op zijn vraag niet vinden. Dit geeft opnieuw aan dat Akwasi door zijn beperkte, activistische blik niet de meest voor de hand liggende persoon is om te reflecteren op het Afrika Museum. Zijn mening gaat voor de analyse uit. Wayne Modest is als betrokkene en degene die de kritiek ontvangt evenmin bereid om in dat antwoord te voorzien. Het antwoord is anders dan Akwasi suggereert. Het heeft slechts zijdelings met identiteit te maken.

Het NMVW is een directieve, verambtelijke organisatie waar de wetenschappelijke staf en de kunstobjecten naar de marge zijn verdreven door een usurperend management dat het vooral te doen is om de eigen functie te beschermen. In museaal Nederland staat het NMVW bekend als een in zichzelf gekeerde organisatie die niet volgens de geldende museale normen geleid wordt. Het middel dat het hiervoor gebruikt is politiek correct denken en het voorzichtig omarmen van de mode van de dag: identiteitspolitiek. Daarmee probeert het de landelijke en lokale politiek te behagen, als afleiding voor het eigen functioneren. De tragische figuur in dit verhaal is niet Akwasi die voor zijn politieke mening uitkomt en zijn kans grijpt of de witte personen waar hij een karikaturale schets van geeft, maar Wayne Modest. En met hem het NMVW. Ze hebben het geluk dat Akwasi nergens concreet wordt over een organisatie die hij zogenaamd kritisch bejegent, maar weg laat komen doordat hij in algemeenheden blijft hangen. Feitelijk dekt hij de onvolkomenheden van het NMVW toe.

Gedachte bij foto ‘Chaos 1, Jean Tinguely, the Commons, Columbus, Ind., 1974’

Velen denken zich tegenwoordig te voelen als ze menen dat deze man op de foto zich voelt. Verloren en ontredderd in een IKEA-bouwpakket zonder begrijpelijke handleiding en voldoende schroeven en moertjes. Teneergeslagen in een omgeving of een tijd, kortom een samenleving die een niet te ontwarren warboel is.

Dat is de verkeerde conclusie. De man op de foto is de Zwitserse kunstenaar Jean Tinguely (1925 – 1991) die hier in 1974 weliswaar werkt aan zijn sculptuur werk ‘Chaos 1’ of ‘Chaos No. 1’ voor The Commons in Columbia, Indiana, maar daarmee nog niet in wanorde vervalt. Integendeel. Tinguely gaat met zijn werk niet ten onder aan de chaos, maar bezweert die juist. Uit ordeloosheid schept hij orde. Hij probeert de chaos voor zich te laten werken. Zijn kinetische kunst trotseert de verbeelding, de zwaartekracht en onze verwachting.

Het is simpel om de rekening van de eigen tijd op te maken met de slotsom dat het nog nooit zo chaotisch, erg of verward is geweest. Onzin. Het nu is niet meer afschrikwekkend of gedesorganiseerd dan andere tijden.

Door dat te beweren begrijpt iemand zowel de eigen tijd als het verleden niet. Maar het grootste bezwaar aan zo’n opstelling is dat het wegvlucht in fatalisme en daardoor de toegang tot het levenslot uit handen geeft.

Foto: Balthazar Korab, ‘Chaos 1, Jean Tinguely, the Commons, Columbus, Ind., 1974’. Collectie: Library of Congress.