Tropenmuseum gaat in tentoonstelling ‘Plastic Crush’ voor duurzaamheid. Frame A Story maakt er video’s van

Wat is een duurzame tentoonstelling? Niemand die het weet, maar alle betrokkenen bij het Tropenmuseum weten dat ze een duurzame tentoonstelling zouden willen maken. Of dan nou de huidige of de volgende tentoonstelling is.

Om dat te benadrukken ‘bedenkt, produceert en maakt Frame A Story van Olga Tops videocontent’. Dat telt tot nu toe op tot 18 video’s over het maken van ‘Plastic Crush‘ die op het YouTube-kanaal van Frame A Story zijn gezet. Het is te hopen dat de marketing via deze video’s klimaatneutraal is.

Toelichting van het Tropenmuseum bij de tentoonstelling ‘Plastic Crush‘.

De sfeer op de video is losjes, dat wel: ‘Hebben jullie nog hulp nodig, mannen?‘, zegt Marieke Meijer. Interessant dat een tentoonstellingsmaker de mannen van de technische dienst aanbiedt om te helpen klussen. Daar zitten ze ongetwijfeld op te wachten.

De tentoonstelling ‘Plastic Crush‘ in het Tropenmuseum heeft blijkbaar twee doelen. Een tentoonstelling maken over duurzaamheid aan de hand van het materiaal plastic en een tentoonstelling maken die duurzaam is en zomin mogelijk materiaal verspilt. Dat laatste is lastig.

Het is hoe dan ook een mooi streven. In de uitleg komt tentoonstellingsmaker Marieke Meijer met weinig opzienbarends dat in andere musea niet wordt toegepast. Muren worden opnieuw geverfd. Ach. Sokkels wordt opnieuw gebruikt. Ach. Vitrines worden opnieuw gebruikt. Ach. Maar het vele plastic, ook daar heeft het Tropenmuseum nog geen oplossing voor.

In een vacature voor een tentoonstellingsmaker bij Tropenmuseum | Afrika Museum | Museum Volkenkunde wordt het woord duurzaamheid niet genoemd of wordt er op enigerlei wijze aandacht besteed aan dit thema.

Advertentie

Gedachten bij foto ‘Groepsfoto van de familie bij het vertrek van pater A. Dupont naar de missie op Flores’ (1953)

Groepsfoto van de familie bij het vertrek van pater A. Dupont naar de missie op Flores, 1953. Collectie: Stadsarchief ‘s-Hertogenbosch.

Dit zijn de Aardappeleters van Vincent van Gogh. Met het verschil dat het niet 1885, maar 1953 is en er aan tafel en onder de lamp geen aardappels worden gegeten, maar Gods woord. Dat is eten met de mond dicht, maar de geest open. Ofschoon dat laatste niet te controleren valt.

Dit is een typische foto van het toenmalige Rijke Roomse Leven in Nederland. Dat vooral in Brabant en Limburg opgang maakte. De oudste zoon wordt missionaris in een gebied overzee om de blijde boodschap te verspreiden. Hij neemt in dit tafereel een centrale plaats in.

De jonge pater A. Dupont met kruis op de borst neemt afscheid van zijn familie voor zijn vertrek naar het Indonesische Flores in voormalig Nederlands-Indië. Tot 1859 was dit eiland Portugees, vandaar waarschijnlijk de opvatting dat de rooms-katholieke missie er goede grond kan vinden.

Iedereen kijkt ernstig met de lippen strak op elkaar. Bewust van het gewicht van de situatie. De meesten ontmoeten direct de blik van de fotograaf van persbureau Het Zuiden. Wat anders in zo’n kleine kamer?

Het interieur bestaat uit solide stoelen à la Hendrik Wouda, het typische Smyrna-achtige Desso-tafelkleed, het toestel van de radiodistributie en de lamp boven tafel. Dat is het Nederland van voor de welvaartsgolf van de jaren 1960.

Uit de gezichten met de ronde neuzen valt het gezin Dupont af te leiden. Zo te zien twee zonen en drie dochters. De koude kant poseert zoals het hoort. Klik.

Gedachten bij foto ‘Antropoloog Gustaf Retzius tijdens het meten van het hoofd van de Härjedal Sami Fjellstedt, in het kader van raciaal biologisch onderzoek’ (1870-1890)

Antropologen Gustaf Retzius i färd med att mäta härjedalssamen Fjellstedts huvud, inom ramen för den rasbiologiska forskningen. Retzius till vänster i bild är klädd i kostym och håller ett skjutmått i ena handen medan han läser ur en bok. Framför honom står Fjellstedt iförd traditionell samisk dräkt, 1870-1890. Collectie: Nordiska museet.

De vertaling uit het Zweeds van de toelichting bij deze foto zegt: ‘Antropoloog Gustaf Retzius tijdens het meten van het hoofd van de Härjedal Sami Fjellstedt, in het kader van raciaal biologisch onderzoek. Retzius links op de foto is gekleed in een pak en houdt een schuifmaat in één hand terwijl hij voorleest uit een boek. Voor hem staat Fjellstedt in traditionele Samische klederdracht.’

Härjedalen is een streek in het midden van West-Zweden. Samisch is een taal en bevolkingsgroep van nomaden in Midden- en Noord-Zweden en Noorwegen, Noord-Finland en het Russische Kola-schiereiland.

Gustaf Retzius was volgens een toelichting bij een foto uit 1895 van Canadese indianen (vertaald): ‘Arts, anatoom, antropoloog en journalist. Hoogleraar histologie en anatomie aan het Karolinska Institutet 1877-1890. Lid van de Zweedse Academie vanaf 1901. Samen met zijn vrouw Anna Hierta-Retzius was R. 1884-1907 eigenaar van Aftonbladet. In de jaren 1884-87 was R. hoofdredacteur van de krant, die onder zijn leiding steeds conservatiever werd op cultureel gebied.’

In de 19de eeuw beweerde de Italiaanse criminoloog Cesare Lombroso dat er geboren criminelen bestaan. Via metingen van lichamelijke kenmerken zou kunnen worden vastgesteld wie een geboren crimineel was, die een misdadiger aanduiden als wild of atavistisch. Dat laatste betekent dat eigenschappen van voorouders onvermijdelijk later in de bloedlijn opduiken.

Een artikel over Lombroso zegt: ‘Hoewel Lombroso een slechte naam kreeg binnen de wetenschap had hij vanuit zijn gedachtegoed juist ook een humane benadering. Gezien zijn idee dat criminaliteit is aangeboren geloofde hij dat je er dus niet helemaal zelf verantwoordelijk voor kan worden gehouden en pleitte hij bijvoorbeeld voor afschaffing van lijfstraffen en voor de resocialisatie van gevangenen.’

Lombroso’s standpunt is wat onvermijdelijkheid en voorbestemming betreft vergelijkbaar met dat van hersenonderzoeker en neurobioloog Dick Swaab die meent dat het brein de baas is. Bij Lombroso waren de biologische eigenschappen de baas.

Dat de conservatieve Gustaf Retzius in de tweede helft van de 19de eeuw een niet-Zweed onderzoekt op biologische kenmerken is voorspelbaar en geeft zo’n 150 jaar later een akelig gevoel van misplaatste hegemonie. In Zweden werden tussen 1935 en 1946 42.000 niet-Zweedse vrouwen gedwongen gesteriliseerd omdat ze ‘minderwaardig‘ of van ‘armoedige of gemengde raciale kwaliteit‘ zouden zijn. Dat is het terrein van de pseudo-wetenschap Eugenetica.

Het raciaal biologisch onderzoek waarmee Gustaf Retzius zich bezighield kan als wegbereider voor grootschalige 20ste eeuwse eugenetische campagnes gezien worden. Retzius werkte eraan mee om het idee te verspreiden dat er een ras bestaat dat ‘zuiver’ moet worden gehouden en door lichamelijke kenmerken kan worden gemeten. Tegenwoordig wordt steeds meer betwist dat een ras meer is dan een politiek-cultureel standpunt.

Als raciale biologie nu nog ergens landt, dan is het in ultra-rechtse kringen. Dat is begrijpelijk omdat deze rechts-radicalen graag de 19de eeuw willen herbeleven. Wetenschappelijk is het allemaal niet. Het risico is dat dat door velen niet begrepen wordt en ze denken ‘meten is weten‘. De vraag die gesteld moet worden is wat men dan eigenlijk meet. Meer dan het idee van eigen voortreffelijkheid?

Wat representeert het schilderij van Rein Dool voor het college van bestuur van de Universiteit Leiden?

Rein Dool, schilderi van leden Universiteisbestuur, 1976.

Afgelopen weken was er de merkwaardige en nog steeds onopgehelderde verwijdering uit een vergaderzaal in het Academiegebouw van een portret door Rein Dool uit 1976 van witte mannelijke bestuurders van de Universiteit Leiden.

Het college van bestuur reageerde bij monde van voorzitter Annetje Ottow in een verklaring van 15 november 2022 op de kwestie. De verklaring maakt niet duidelijk waarom het schilderij uit de vergaderzaal is verwijderd. Het college heeft zichzelf met deze kwestie in de hoek gemanoeuvreerd.

Het schilderij van Rein Dool wordt door drie medewerkers ‘tijdens een spontane actie’ verwijderd uit een vergaderkamer van de Leidse universiteit. Drie andere medewerkers kijken toe. Een zevende medewerker neemt de foto.

Het portret werd eerst verwijderd na een klacht van anonieme ‘medewerkers’ en daarna na brede maatschappelijke kritiek (‘veel commotie en vragen‘) weer teruggehangen. Al dan niet tijdelijk. Van alles is er intussen over gezegd.

De verwijdering raakte een maatschappelijke open zenuw omdat het aansluit bij het debat over cancelcultuur en identiteitspolitiek en als voorbeeld van een uitwas van identiteitspolitiek werd gezien. Het is het idee van een ‘veilige ruimte’ waar niemand geconfronteerd mag worden net tegenspraak. Juist dat verbod hoort niet thuis op een universiteit waar een open debat gevoerd moet kunnen worden en tegengeluid moet kunnen klinken. Een college van bestuur moet de voorwaarden daartoe garanderen en opgewassen zijn tegen radicale denkbeelden.

In de media werd ook door welwillende journalisten op neerbuigende toon gesproken over ‘Witte, oude en rokende mannen‘ terwijl notabene drie van de zes mannen op het schilderij niet roken en leeftijd een relatief begrip is. Keken de journalisten goed naar het schilderij? Ook is de witheid van de mannen minder onomstreden dan het lijkt. Voorzitter is de Joodse Dolf Cohen. Door antisemitische rechts-extremisten (en links-extremisten) worden joden niet als wit beschouwd. In Charlottesville in 2017 scandeerden ze ‘Jews will not replace us’.

Het huidige college van bestuur van de Leidse universiteit beriep zich erop dat het verwijderen uit de vergaderzaal een ironische actie was. Om een ‘actie met een knipoog maar ook met een serieuze ondertoon‘. Eeeeh, wat? Het beroep op ironie is het vaste antwoord van FvD-politicus Thierry Baudet als hij door kritiek in het nauw komt. Dat is een zwak argument van een bestuursvoorzitter van een belangrijke Nederlandse universiteit. Tegelijk beweerde Rein Dool juist dat zijn schilderij ironisch bedoeld was. Had Ottow dat gemist? Hoeveel soorten ironie kan een kwestie aan?

Wat Ottow zegt roept vooral vragen op: ‘Niet iedereen voelt zich door dit beeldbepalende werk gerepresenteerd. Zoals het nu hangt ontbreekt de context ook. De spontane actie stemt tot nadenken. Inclusiviteit is een van onze belangrijke opdrachten. Maar in de discussie waarop we straks als college ons besluit op baseren, betrekken we vanzelfsprekend ook de historische waarde van het schilderij. Uitgangspunten zijn ook respect voor oud-bestuurders die zijn afgebeeld en voor de kunstenaar die het werk maakte. We luisteren naar al die geluiden.

Uiteraard zal niet iedereen zich door dit ‘beeldbepalende werk‘ gerepresenteerd voelen. Moet dat dan? Voor elk kunstwerk geldt dat niet iedereen zich erdoor gerepresenteerd voelt. Katholieken, protestanten, monarchisten, Republikeinen, vrouwen, mannen, homo’s, hetero’s, Hollanders, plattelanders, autochtonen, inwijkelingen, progressieven en conservatieven, iedereen heeft een individuele kijk op de Nederlandse geschiedenis en cultuur die door de eigen achtergrond kleur krijgt.

Als het zo is dat als niet iedereen zich door een kunstwerk gerepresenteerd voelt, dat werk dan verwijderd moet worden uit de openbaarheid, dan kunnen openbare collecties voorgoed achter slot en grendel uit het zicht van burgers die zich er niet door gepresenteerd voelen.

Ook de verwijzing naar inclusiviteit van Ottow is ongelukkig. Suggereert ze hiermee dat witte mannen die worden gepresenteerd op een kunstwerk uit 1976 er tegenwoordig niet meer bij horen? Wie mormelt aan de lezing van de geschiedenis om die te herschrijven heeft niks op een universiteit te zoeken. Zo mag men hopen.

Ironie van kinderkunstprogramma ‘Moonriders’ schept verwarring over begrippen ‘kunst’ en ‘museum’

Schermafbeelding van deel artikelKinderkunst hoort in een museum, desnoods op het toilet, vindt Moonriders‘ in Het Parool, 26 november 2022.

Het artikelKinderkunst hoort in een museum, desnoods op het toilet, vindt Moonriders‘ in Het Parool van 26 november 2022 is meer dan een aankondiging van het VPRO kinderkunstprogramma Moonriders. Het artikel gaat mee in allerlei claims van programmamaker en kunstenaar Aukje Dekker die waarschijnlijk goed bedoeld zijn, maar toch verkeerd uitpakken.

In een toelichting zegt Moonriders: ‘In dit tweede seizoen Moonriders breekt kunstenaar Aukje Dekker samen met kinderen en kunstenaars ’s nachts in bij musea om kunst te maken. Want waarom hangt daar nooit kunst van kinderen? Daar brengen de Moonriders verandering in, al hangen ze maar op de wc!

Schermafbeelding van deel artikel ‘Kinderkunst hoort in een museum, desnoods op het toilet, vindt Moonriders‘ in Het Parool, 26 november 2022.

Dekker maakt het nog gecompliceerder als ze niet alleen vraagtekens zet bij wat onder kunst verstaan moet worden, maar ook bij wat de functie van een museum is. Moet een museum volgens Dekker ‘kunst’ van willekeurige kinderen op zaal of wc hangen? Zelfs als Dekker het uitdagend, emanciperend, democratisch en ironisch bedoeld, dan nog schept ze begripsverwarring.

De mentaliteit achter deze claim is waarschijnlijk dat grenzen geslecht moeten worden. Alles moet kunst genoemd kunnen worden. Alles is kunst, kunst is alles. Kunst is zo een onduidelijk en verwarrend begrip geworden omdat iedereen er wat anders onder kan verstaan. Kunst is een onbeschermde term en daarom vogelvrij.

De term ‘kunst’ is aan herdefinitie toe. Kunst ligt van verschillende kanten (publiek, media, politiek) onder druk en wordt zelfs een eigen naam onthouden. Vaak verdwijnt kunst achter het begrip ‘cultuur‘ dat het tegenovergestelde van kunst betekent. Kunst scherpt aan en cultuur verbindt.

Iedere amateur kan zich kunstenaar noemen en dat gebeurt dan ook veelvuldig. De macramé-handwerker, de fotograaf die plaatjes schiet, de smart phone-filmer, de zanger in een amateurkoor, de gelegenheidsdichter, de violist in een vriendenkwartet en het kind dat tekent als een COBRA-kunstenaar, ze kunnen zich kunstenaar noemen en probleemloos claimen dat ze kunst maken.

Als programmamaker Aukje Dekker en journalist Jan Pieter Ekker daar hun volle gewicht achter zetten, dan wint het idee van gedemocratiseerde, maar tandeloos gemaakte kunst aan geloofwaardigheid.

Kunst als hobby of vermaak of thema van een tv-programma of omweg voor het omploegen van investeringen heeft een andere functie dan de opvatting dat kunst op scherp stelt, het vanzelfsprekende bevraagt en mensen naast de werkelijkheid laat kijken en ze probeert te verrijken.

Conclusie is dat kunst die ertoe doet zich beweegt op het middenterrein waar de gevestigde orde kritisch of juist afstandelijk, maar scherpzinnig en onafhankelijk wordt gevolgd. Tussen het hobbyisme van amateurs en de belangen van politiek, bedrijfsleven en media die kunst in gijzeling hebben genomen en als middel gebruiken.

Programmamaker en kunstenaar Aukje Dekker is een voorbeeld van iemand die kunst gebruikt om ons anders naar haar en haar programma Moonriders te laten kijken. Professionele kunstenaars en kunstinstituten zouden in een gezamenlijke campagne over de grenzen van disciplines heen hun claim op het begrip kunst terug moeten veroveren en uit handen van hobbyisten, ondernemers, programmamakers, journalisten en politieke zwendelaars moeten redden.

Dat levert de duidelijkheid op wat de functie van kunst is of behoort te zijn zodat het debat erover scherper, meer omlijnd en inhoudelijker kan worden gevoerd.

Daarbij moet beseft worden dat belanghebbenden er belang bij hebben dat de begripsverwarring in stand blijft en de begrippen (kunst-cultuur en hobbyisme-kunst) door elkaar heen gebruikt worden. Vaagheid ontneemt kunst scherpte.

Herdefinitie en nieuwe afbakening van het begrip kunst vergt economische en politieke strijd waarvan het de vraag is of sectorinstituten en kunstenaars ertoe in staat zijn om zo’n campagne op te zetten, laat staan tot een goed einde te brengen. Want politiek houdt niet van kunst die vrijzinnig, autonoom, dwars en niet onderhorig is. Dat is de gijzeling die kunst gevangenzet.

Raoul Dufy en La Fée Electricité (1937)

François Kollar, Raoul Dufy exécutant un grand panneau décoratif sur l’électricité, 1937. Collectie: Musée d’art moderne de la ville de Paris.

Registraties bestaan van kunstenaars aan het werk, maar zijn niet dik gezaaid. Daarom zijn de foto’s van de Franse kunstenaar Raoul Dufy uit 1937 interessant. Gemaakt door fotograaf François Kollar. Dufy werkt aan een paneel voor de licht gebogen muur in de hal van het Palais de la Lumière et de l’Électricité. Van 600 m2.

Met volgens de toelichting de geschiedenis van elektriciteit en haar toepassingen en de portretten van honderdtien wetenschappers en uitvinders die hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van elektriciteit. Waarschijnlijk is Dufy hier bezig om een wetenschapper te schilderen aan de hand van het model dat rechts op het schavot staat.

Dufy stond bekend om zijn herkenbare, kleurrijke lichte toets. Volgens de toelichting zijn Dufy’s favoriete thema’s zeilboten, zwermen vogels, dorsmachine en het nationale bal van de 14de juli opgenomen in de schildering. In 1960 werd de ‘monumentale decoratie’, door de Electricité de France geschonken aan het Musée d’Art Moderne de Paris en daar in 1964 geïnstalleerd.

De zwart-wit foto’s uit 1937 doen het kleurrijke werk van Dufy onrecht. De totstandkoming is interessant en vergde heel wat uitzoekwerk zoals de toelichting van het museum zegt: ‘De door Dufy gebruikte methode maakte een zeer snelle realisatie mogelijk (tien maanden sinds de conceptie), dankzij een medium ontwikkeld door de chemicus Jacques Maroger dat ook het picturale materiaal transparant maakt, zoals aquarel. Dit schijnbare gemak verbergt eigenlijk een belangrijke technische innovatie, tal van documentaire onderzoeken en langdurig werk (modellen naakt geschilderd en vervolgens in kostuums, tekeningen overgebracht naar calqueerpapier om de opstelling van de groepen te vinden en vervolgens levensgroot op de panelen geprojecteerd met behulp van een toverlantaarn).’

Raoul Dufy, La Fée Electricité, Collectie: Musée d’Art Moderne de Paris

Russische krijgsmacht plundert op grote schaal in Oekraïne. Wat zegt dat over moraal, discipline, ethiek en commandovoering van de Russen?

Tja, wellicht bestaat er in de optiek van de leiders van de Russische Federatie een cultuuroorlog met Oekraïne. Dat zou de diefstal van kunst- en erfgoedobjecten verklaren. Maar niet legitimeren. Want plunderen is plunderen.

Het is geen wonder dat de gewone Russische soldaten het voorbeeld van hun politieke en militaire leiding volgen. Ze roven wasmachines, auto’s. geld, juwelen, televisie, computers en alles wat ze in handen krijgen. Tot toiletpotten toe.

Dat plunderen van hoog en laag komt voort uit frustratie, jaloezie en hebzucht van Russische militairen. Dat soort plunderen is een teken van hun lage moraal, tekortschietende discipline, gebrekkige commandovoering en ontbrekende ethiek. En wellicht ook van de frustratie over beloofde, maar niet betaalde soldij. Kyiv werd niet in drie dagen veroverd. De Russische krijgsmacht heeft geen enkele van haar strategische doelen behaald na acht maanden oorlog.

Eigen tweet van 22 november 2022,

Hoe doelmatig kan een krijgsmacht zijn die het op een plunderen zet tijdens de strijd? Een krijgsmacht die toch al met grote logistieke problemen kampt? Hoe passen daar al die geroofde wasmachines in? Historisch is plunderen geen uitzondering. Maar dat was voorbehouden aan de overwinnaar die het voor het zeggen had nadat de strijd gewonnen was.

Het merkwaardige is dat de krijgsmacht van de Russische Federatie tot nu toe de verliezer in de Oekraïens-Russische oorlog is en de strijd nog niet beslist is. Alleen op het gebied van plunderen staan de Russen op voorsprong. Met hun gedrag verzorgen ze hun anti-Russische propaganda,

Voetballen met Oranje: 1947-1955

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 9 juni 2012. Licht gewijzigd.

KNVB-keuzecommissie (Pelikaan links, Hoolboom rechts) juichen en springen op bij het enige doelpunt (maker Dillens) van de interland Nederland-België in het Olympisch Stadion, Abe Lenstra (in het midden) blijft zitten, 3 april 1955. Credits: Ben van Meerendonk / AHF, collectie IISG, Amsterdam. 

Voetbal is oorlog. Voetbal is emotie. Voetbal is commercie. Voetbal is nationalisme. Voetbal is sport. Voetbal is kijken en luisteren. Voetbal is juichen. Voetbal is teleurstelling. Voetbal is mopperen. Voetbal is omhelzen of afstand nemen. Voetbal is wat ieder denkt dat het is.

Mannen bij de radio, uit een reportage van de voetbalwedstrijd Holland-Zwitserland, 21 september 1947. Credits: Ben van Meerendonk / AHF, collectie IISG, Amsterdam. 

De onvolprezen persfotograaf Ben van Meerendonk betrapt ‘Us‘ Abe Lenstra die op 3 april 1955 in het Olympisch Stadion onbewogen blijft zitten bij het enige Nederlandse doelpunt, terwijl keuzeheren juichen. Voetbal was toen radio en opzwepende stemmen, voetbal was de krant. Het spel is populair als belangrijkste bijzaak in het leven. En de bal is rond.

Chinese voetballers “lezen” de Voetbal Revue, september 1947. Credits: Ben van Meerendonk / AHF, collectie IISG, Amsterdam. 

Arriva Tazio

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 4 augustus 2011. Licht gewijzigd.

Trio Lescano werd gevormd door de Nederlandse zusjes Alexandra, Judith en Kitty Leschan die in de jaren 30′ en ’40 ongekend populair in Italië waren. Door hun joodse achtergrond kwam daar een abrupt einde aan. Dat toont de documentaire Tulip Time van Marco De Stefanis.

In Rimini van die jaren herinnert Federico Fellini zich in Amarcord de doorkomst van de zevende Mille Miglia van 1933, de 1000 mijl van Brescia, een 1600 kilometer lange stratenrace door Italië. In dat jaar dat Fellini vastlegt won Tazio Nuvolari. Naar zeggen van Ferdinand Porsche de grootste coureur van het verleden, het heden en de toekomst. 

In 1940 bezingen de zusjes Lescano Tazio in Arriva Tazio, een lied dat nog klinkt in Italië. Beide op het hoogtepunt van populariteit. Ongewis over de loop die de geschiedenis zou nemen. De messaggero di audacia e di valor is een boodschapper van durf en moed met in het hart een ontembare wil, indomabile volontá die altijd als eerste eindigt. Primo.

Arriva Tazio
messaggero di audacia e di valor.
Arriva Tazio
sempre primo tra i giganti del motor.

Arriva Tazio
e nel cuor un’indomabil volontá.
Arriva Tazio,
primo, primo e sempre primo arriverà.

Gedachten bij twee foto’s van Kasteel Hoensbroek van W.C.L.A Scheepens. Met jongetje (1925)

W.C.L.A Scheepens, Hoofdingang met poserende kinderen op de voorgrond, 1925. Collectie: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Fotograaf W.C.L.A. Scheepens (1865 – 1940) was een architectonisch tekenaar en architect bij het Rijksbureau (voor Kunsthistorische Documentatie). Op 6 augustus 1925 maakte hij foto’s van Kasteel Hoensbroek in Heerlen, zoals uit deze twee foto’s in de collectie van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed blijkt.

Tot zover niks bijzonders. Doorgaans zijn op dit soort foto’s van monumenten geen mensen te bekennen. Dat is hier anders. Op de bovenste foto is volgens de beschrijving een ‘jongetje met honden‘ te zien en op de onderste foto ‘poserende kinderen‘. Dat maakt de twee foto’s menselijk en afwijkend.

Het wordt er nog aardiger op als blijkt dat het ‘jongetje met honden’ ook voorkomt als een van de twee ‘poserende kinderen‘ op de onderste foto. Het gaat om het jongste jongetje met donkere kleding.

Wie het jongetje is weten we niet. Waarschijnlijk geen zoontje van de in 1925 60-jarige Scheepens. Wat het een zoontje van een vriend of kennis van Scheepens? Woonde het jongetje op Kasteel Hoensbroek of in de nabije omgeving? Was hij met zijn honden op pad toen hij Scheepens tegenkwam? We weten het niet. Het zou kunnen.

W.C.L.A. Scheepens, Hoofdingang met poserende kinderen op de voorgrond, 1925. Collectie: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.