Kleine musea hebben kritiek op duur programma met sneltesten dat niet op hun lijf geschreven is

Terwijl de pandemie nog woedt zijn er initiatieven om de samenleving weer van het slot te krijgen. Er wordt 700 miljoen euro uitgetrokken voor een tijdelijk project met sneltesten. Dat is veel geld. Hoe de kosten verdeeld zijn en of de rijksoverheid daar uiteindelijk volledig voor opdraait of dat de instellingen die bij het project betrokken zijn ook moeten gaan meebetalen is onduidelijk, zo blijkt uit een artikel in de Volkskrant.

Het lijkt er sterk op dat dit project dient als ventiel voor de oplopende maatschappelijke ontevredenheid met de coronamaatregelen. Het is een mix van maatschappelijke en economische belangen. Om burgers én ondernemers tevreden te stellen. Hoe het bestuurlijk tot stand is gekomen is en wie het initiatief ertoe heeft genomen is onduidelijk. Opvallend is dat Testen Voor Toegang een initiatief is van de Stichting Open Nederland onder aanvoering van oud-generaal Tom Middendorp. Het is een tijdelijke samenwerking van commerciële en niet-commerciële partijen.

Pikant is dat officieus de krijgsmacht wordt ingeschakeld door generaal Middendorp erbij te betrekken, terwijl de kritiek op het niet erg succesvolle Nederlandse vaccinatieprogramma is dat dit een militaire operatie noodzaakt, zoals in het Verenigd Koninkrijk. Waarom wordt Middendorp niet ingeschakeld om met ondersteuning van medische experts leiding te geven aan het vaccinatieprogramma zodat de politiek een stapje terug kan doen?

De instellingen die meedoen aan Testen Voor Toegang zijn divers en omvatten monumenten, dierentuinen, café’s, casino’s en speelhallen, sportaccommodaties, poppodia, theaters en musea.

Er is kritiek op dit initiatief vanuit de museumsector zoals uit de video met de vertegenwoordiger van het Noordelijk Scheepvaartmuseum blijkt. Kleine musea vinden dat ze niet kunnen profiteren van het project met de sneltesten. Vergelijkbare galeries kunnen wel bezoekers ontvangen zonder sneltest. Ze menen ook dat de 700 miljoen euro voor sneltesten weggegooid geld is en in geen verhouding staat tot de ongeveer even grote noodsteun die de kunstsector van de rijksoverheid heeft ontvangen. Dat is echter een ongelukkige vergelijking, want het betreft bij Testen Voor Toegang zeker niet uitsluitend kunstinstellingen. Dat is niet het geval zoals een overzicht verduidelijkt.

Zo zegt directeur Paul Baltus van Amersfoort-in-C die de regeling verwerpt in een FB-posting van 10 april 2021: ‘Mijn oproep: open cultuur in de volle breedte op een moment dat het verantwoord is. En op basis van bewezen, goed werkende 1,5 m protocollen. Besteed het uitgespaarde geld aan mooie producties, tentoonstellingen en concerten; aan een gezonde, toekomstbestendige cultuursector.’ Maar het lijkt er sterk op dat de regering nu daadkracht en hoop op verbetering wil uitstralen. Daar past geen geduld, laat staan ruime besteding van overheidsgeld aan kunst bij. Dat is zorg voor later, wat in de praktijk nooit betekent.

Gedachte bij foto ‘Art class. Provincetown’s reputation as an art center provides ample income for several art schools. Outdoor classes are likely to pop up anywhere. Massachusetts’ (1940)

Art class. Provincetown’s reputation as an art center provides ample income for several art schools. Outdoor classes are likely to pop up anywhere. Massachusetts’, 1940 . Collectie: Library of Congress.

Het gaat in de titel om het begrip ‘reputatie’. De titel zegt: ‘De reputatie van Provincetown als kunstcentrum biedt voldoende inkomsten voor verschillende kunstacademies. Buitenklassen zullen waarschijnlijk overal opduiken’. Provincetown is een toeristische plaats op het uiterste puntje van schiereiland Cape Cod in Massachusetts.

De reputatie van Provincetown als kunstcentrum maakt het dus waarschijnlijk dat overal buitenklassen opduiken. Zoals op de foto op het witte strand van Provincetown. Maar dit roept allerlei vragen op. Wat zijn dat voor buitenklassen die meeliften op de reputatie van een stadje als kunstcentrum? De vervolgvraag is of deze buitenklassen de reputatie helpen verzwakken of versterken. Hoe lopen professionele en niet-professionele kunst door elkaar en hoe hebben ze invloed op elkaar via het scharnierbegrip ‘reputatie’?

Het is maar een kleine vraag bij deze intrigerende, documentaire foto van Edwin Rosskam. Kunst als bezigheid van toeristen en zingeving voor een vakantie. Het is augustus 1940. Op hetzelfde ogenblik wordt er gevochten in Europa. Dagjesmensen komen met de boot uit Boston. De ferry ‘Steel Pier’ ligt in de achtergrond gemeerd aan de pier. Portugese vissers hebben hun vis aan land gebracht. Op het strand van Provincetown is het tekenles. Dat tekent de sfeer. Ontspannen, artistiekerig en aanhakend bij vermaardheid. Zo terloops als het leven zelf.

Madam Lillian en de ‘girlie show’. Foto’s van de Rutland Fair, Vermont (1941)

Uit deze foto uit 1941 blijkt niet dat het storm liep bij Madam Lillian in Rutland, Vermont die het verleden, het heden en de toekomst vertelt. Zo staat het op het bord: ‘She tells the past, present & future’. Dat is niet niks. Het sluit mooi aan bij een zinsnede als ‘om je de waarheid te vertellen’. Het betekent eerder zoiets als ‘uitleggen’ dan ‘voorspellen’. Hiermee lijkt Madam Lillian veilig aan de kant van de redelijkheid te blijven. De titel van de foto ‘Fortune teller’, dus ‘waarzegster’ stelt Madam Lillian anders voor dan ze zelf doet. Hoewel het een ingewikkeld spel is omdat ze natuurlijk wel suggereert dat ze de toekomst kan voorspellen. Maar zeggen doet ze het niet met zoveel worden.

Over mensen die Madam Lillian bezoeken moet niet laatdunkend worden gedaan. Ze hebben behoefte aan een verhaal. Daar is niks mis mee. Madam Lillian en haar klanten weten dat het nep is. Het is amusement zoals dat hoort op een kermis.

Bij de attractie Dames, ofwel ‘a “girlie” show’ op dezelfde kermis is het stukken drukker. De meisjes staan op een verhoging en de voornamelijk mannen en jongens kijken tegen de meisjes op. Als het woord mannelijke ‘blik’ (gaze) in 1941 nog niet bestond, dam had het hier uitgevonden kunnen worden. Men kan zich alleen maar afvragen wat er te zien is in de ‘girlie show’. Waar Madam Lillian voor het innerlijk gaat, gaat deze ‘girlie show‘ voor het uiterlijk.

Deze attractie was onderdeel van de ‘World of Mirth Show’ die langs de Oostkust van de VS en Canada heen en weer reisde. Ooit werden de attracties met meer dan 50 treinwagons verplaatst. De Rutland Fair was dan ook meer dan een gewone kermis. Het was freak show, paardenrace, circus, kermisattractie en jaarmarkt ineen.

Fotograaf van deze intrigerende foto’s van de Rutland Fair is Jack Delano. De serie kwam tot stand in het kader van de Farm Security Administration dat het leven op het platteland en steden in de jaren 1935 tot 1944 documenteerde. Dat is niet toevallig de regeerperiode van president Roosevelt die met zijn New Deal project de recessie bestreed en de economie weer op gang probeerde te krijgen. Fotografen legden hierbij vast hoe boeren op gang geholpen werden met overheidsgeld. Later werd de onderwerpkeuze verbreed. Omdat de New Deal mede de opzet had om kunstenaars aan het werk te helpen sneed met deze fotoreportages het mes aan twee kanten.

Fluxus. Gedachte bij de foto ‘Fluxus-performance by the German artist Wolf Vostell at art gallery Monet, Amsterdam (1962)’

Hans de Boer, Fluxus-performance by the German artist Wolf Vostell at art gallery Monet, Amsterdam (1962). Collectie: Nederlands Fotomuseum.

Van 1962 tot 1966 bestond Galerie Monet op het Rokin 97 te Amsterdam, volgens informatie van de RKD. Joop (J. P.) Smid was de galerist. De datum van de foto is 5 oktober 1962. De kunstenaar is Wolf Vostell die een ‘Fluxus-performance’ geeft. Maar op de foto zien we niet Vostell, maar een vrouw die op de tafel danst die diende als basis voor Vostells optreden. Zo te zien met Kleenex-tissues in haar handen van de performance. Zij is deel van de show.

Is dat het Fluxus idee? Een performance die wordt toegeschreven aan Wolf Vostell waar hij uit gewist is? Maar hoe zit het dan met de beschrijving? Ook het vlottende moet toch nauwkeurig beschreven worden door het te omcirkelen? Of is dat deel van de performance die 60 jaar later nog doorwerkt? Ik weet het niet. Misschien is het oprekken van grenzen wel het ultieme Fluxus idee. Niet zozeer vergeten, maar voorbijgegaan in het geheugen van Nederland. Nagelaten in dubbel opzicht.

Kunst is machtig. Kunstenaars kunnen muren doen instorten als ze dat willen

De illustraties van Eric Drooker zijn soms wat zoet, wellicht ligt dat aan de opdrachtgevers, maar vaak treffen ze de roos. Zoals Jericho. Het Bijbelse verhaal van De verovering van Jericho waarin de Israëlieten op de zevende dag zeven keer om de stad lopen en op hun ramshoorns blazen. De muren stortten in, tumbling down. De ramshoorn is ingewisseld voor een saxofoon.

Musici spelen vaker in de openlucht omdat dat in hun eigen woning lastig is vanwege geluidsoverlast. Denk aan Sonny Rollins die oefent op de Williamsburg brug. Drookers illustratie is een beeld voor de kracht van kunst dat muren kan doen instorten. Daar gaat het om. Om het zelfbewustzijn van kunstenaars. Dat moeten kunstenaars beseffen. Ze kunnen muren laten instorten als ze dat willen.

Godsdiensten zijn minder uniek dan christelijke randdebielen en bollebozen suggereren. Het rechtvaardigt geen uitzondering voor kerkdiensten

The second drama premiere of the 63rd Dubrovnik Summer Festival, Euripides’ ancient Greek tragedy Medea directed by Tomaž Pandur and realized in | ‘Medea’s demonic aria’ on Fort Lovrjenac till 7th August | Just Dubrovnik

Het is duidelijk: de randdebielen zijn onder ons. Ze zijn van orthodox-religieuze, protestante signatuur en wonen in steden als Urk of Krimpen a/d IJssel. Ze kunnen wellicht alles van de bijbel weten en gezag hebben in eigen kring, maar hebben geen historisch besef en politiek benul. Maar ze staan niet alleen. Ze krijgen rugdekking van christelijke bollebozen.

Hoe wereldvreemd is het niet om te zeggen dat de SS vriendelijker handelde in de oorlog dan journalisten die verslag doen van de kerkgang? Terwijl heel Nederland op slot zit. Dit is rugwind voor religiecritici die kritisch zijn op religieuze instellingen en tragisch voor de meerderheid van goedwillende gelovigen die zich voorbeeldig gedragen en zien hoe deze protestante hardliners alle godsdiensten in een kwaad daglicht zetten. Deze christelijke randdebielen hebben in 48 uur meer schade aan het christendom aangericht dan vrijzinnigen en religiecritici in 48 jaar.

Zoals bij islamitisch geweld de ‘gewone’ moslims door voornamelijk rechtse segmenten van de samenleving daar op aangesproken worden (zelfs als zij of hun ouders niet eens moslim zijn maar een islamitisch land als land van herkomst hebben) zo zouden nu de ‘gewone’ christenen ter verantwoording moeten worden geroepen voor de daden en woorden van deze orthodoxe christenen.

Het is een geluk bij een ongeluk dat het orthodoxe christendom zich uitspreekt en haar ware aard toont. Want daarover bestaat onduidelijkheid. Veel Nederlanders in de grote steden denken dat deze orthodoxe christenen redelijk en niet veel anders zijn. Dat kun je vermoeden van gelovigen waarmee je nooit in aanraking komt. Dat is het misverstand. De basis voor die zelfgekozen segregatie van de orthodoxe christenen is de angst om het eigen karakter te verliezen. Daarom houden ze krampachtig aan elkaar vast en gijzelen ze in zekere zin elkaar. Op hun beurt hebben ze weer een verkeerd beeld van andersdenkenden. Dat leidt tot radicalisering in eigen kring. Dat is bij orthodoxe gelovigen van andere godsdiensten niet anders.

Het AD maakt in een artikel met als aanleiding de actualiteit van schoppende kerkgangers een rondgang langs docenten en hoogleraren theologie/ godsdienstwetenschappen waarvan er vermoedelijk in Nederland honderden zijn. Afwijkende geloofsrichtingen, gemeenschappen, stromingen en godsdiensten leiden tot afwijkende meningen over wat geloof is. Daarmee worden ook de valse tegenstellingen geïntroduceerd om het geloof te verdedigen. De bollebozen nemen het ‘genuanceerd’ op voor de randdebielen. Zo suggereren ze in hun wijsheid.

Schermafbeelding uit artikel ‘Volle kerken leiden tot onbegrip: ‘Kerkdienst is echt iets anders dan een festival’’, AD, 30 maart 2021.

Hoogleraar praktische theologie Hans Schaeffer zegt in de hierboven geplaatste schermafbeelding uit dat artikel in het AD dat ‘een kerkdienst is daarmee echt iets anders dan een voetbalwedstrijd of een festival. Eeuwenlang was het christendom in Nederland het dominante verhaal en het besef dat religie wat hogers is, vanzelfsprekend. Sinds de verlichting wordt het geloof steeds meer achter de voordeur teruggedrongen.

Dat is een valse tegenstelling. Natuurlijk is een kerkdienst iets anders dan een voetbalwedstrijd of een festival. Maar daarmee is niet gezegd dat het waardevoller is en de vrijheid van godsdienst een grondrecht is dat meer bescherming moet krijgen dan andere grondrechten. Dat suggereert Schaeffer hiermee. Het feit dat eeuwenlang een situatie heeft bestaan wil niet zeggen dat dat een juiste situatie was. De geschiedenis kent genoeg wantoestanden als kinderarbeid, slavernij of feodale verhoudingen die eeuwenlang hebben bestaan en in hun tijd vanzelfsprekend waren, maar waarvan het toch beter is dat ze niet meer bestaan.

Godsdienst is historisch ook zo’n relict uit vroeger tijden. Het christendom is een sekte van twee millennia oud. De leeftijd van het christendom is dus eerder een argument tegen voor de legitimiteit en het bestaan ervan. De ondergeschikte positie van vrouwen binnen godsdiensten is een teken van die achterhaaldheid.

Schaeffer is selectief door een kerkdienst te vergelijken met een voetbalwedstrijd of festival. Hij kan het ook vergelijken met een tentoonstelling in een openbaar museum van het werk van Mark Rothko (zoals de Rothko Chapel in Houston) of een Griekse tragedie van de grote drie tragedieschrijvers Aechylus, Sophocles en Euripides. Vooral van de eerste is duidelijk dat hij in vorm en inhoud uit dezelfde bron put van de rituelen en een mensbeeld met noodlot, zondeval en Goden als de ons nu bekende godsdiensten. Er zijn meer voorbeelden uit de kunsten, van Bach tot Marc Mulders die tegenspreken dat kerkdiensten principieel anders zijn. Dat zijn ze niet. Kunst raakt in presentaties ervan ook het diepste wensen van de mens. Daarin is religie niet uniek.

The Oresteia of Aeschylus – Leader of the Chorus

Kerkdiensten zijn op dit moment in Nederland slechts op één aspect anders. Ze genieten voorrechten die vergelijkbare theatervoorstellingen en museumprestaties niet genieten omdat ze op last van de rijksoverheid zijn stilgelegd. Dat bergt een onverklaarbare ongelijkheid in zich.

Schaeffer constateert terecht dat het geloof sinds de verlichting steeds meer achter de voordeur is teruggedrongen. Dat is er een gevolg van dat de meerderheid van de Nederlanders verklaart zich niet door een godsdienst te laten inspireren en het christendom haar dominante grip op de samenleving is kwijtgeraakt. Binnen het secularisme heeft het christendom nu dezelfde positie als andere geloven en levensovertuigingen. Ermee is het recht van de christenen niet verdwenen om zich te verenigen in kerken, maar alleen hun traditionele voorrecht waar Schaeffer nostalgisch naar terug lijkt te verlangen. De episode van de kerkdiensten tijdens de pandemie verduidelijkt dat zelfs dit voorrecht van het christelijke geloof niet definitief is verdwenen. Dat is het naijl-effect van christenen die zich in de politiek hebben verschanst en met een beroep op de voortreffelijkheid en bijzonderheid van hun geloof dat aloude voorrecht als natuurlijk opeisen.

Cancel culture in kunst. CBS: ‘Cancelled culture: Reconsidering the art of controversial artists’

Een voorspelbaar item van een groot Amerikaans network over cancel culture. Verdient het werk van kunstenaars het om te worden geannuleerd vanwege hun gedrag, positie of politieke overtuiging? Het schema is duidelijk: een voorstander (Aruna D’Souza) en tegenstander (Richard Peña) en iemand (Loretta Ross) met een tussenpositie die het laatste woord mag hebben.

De opstelling van Aruna D’Souza vermengt verschillende aspecten. Ze zegt dat bepaalde kunstenaars in musea en media veel aandacht krijgen en zelfs door die aandacht legitimiteit. Daar heeft ze gelijk in, maar dat is iets van alle tijden en heeft meer met de kunstmarkt, carrièreplanning van kunstenaars en de achterstelling van minderheidsgroepen en niet-westerse kunst te maken, dan dat het specifiek is voor cancel culture. Dus haar argumenten slaan dood. Het omgekeerde is trouwens ook waar, namelijk dat demonstranten tegen de status quo in de kunst carrière proberen te maken door zich te beroepen op cancel culture en vermeende uitsluiting van henzelf.

De associatie met Woody Allen die door de rechter nooit veroordeeld is voor kindermisbruik, maar door de media wel (ook hier weer) tekent de dubbelzinnigheid van de media die in dit debat altijd meer deelnemer dan scheidsrechter waren en daarom nu zelf legitimiteit missen. Ofwel, is een controversiële kunstenaar pas controversieel als de media dat bepalen en verslag van doen?

De benadering van CBS is voorzichtig, maar begrijpelijk omdat het gericht is op een breed publiek dat nog van weinig weet. Dit is op eieren lopen voor een redactie omdat het onderwerp zo gevoelig ligt. Verhelderend is de relativerende Loretta Ross die concludeert dat kunst en kunstenaar niet van elkaar gescheiden moeten worden, maar in een context moet worden gezet. Dus geen verbod of uitsluiting van kunstenaars. Zij zegt niet naar Griffith’s ‘The Birth of a Nation‘ of ‘Gone With the Wind’ gekeken te hebben. Daardoor kan ze zich er ook niet aan ergeren of druk over maken. Dat is een volwassen opstelling.

Komt er in de gevestigde media langzaam een tegenbeweging op gang tegen de cancel culture? Dat valt niet te verwachten, ofschoon de accentuering ervan kan verschuiven en de scherpe kantjes eraf gevijld kunnen worden. Was het in het verleden dichter Ezra Pound die ervan beschuldigd werd een verkeerde fascistische politieke overtuiging te hebben, daarna Woody Allen die botste met het puriteinse Amerikaanse klimaat en werd recent huidskleur de waterscheiding voor polemiek en vergelding (alle drie de geïnterviewden hebben een niet-witte achtergrond), straks zal vermoedelijk weer een ander criterium dat past bij de toekomstige tijdgeest als reden aangevoerd worden om kunstenaars te annuleren. Tot in het oneindige.

Gedachte bij de foto ‘Miss Hera Roberts posing on the deck of HNLMS JAVA’ (1930)

Hera Roberts poseert in 1930 op het dek van het Hare Majesteit Java. In de haven van Sydney tijdens een vlootbezoek van de Koninklijke Marine aan Australië. Schilder en socialite Roberts is een van de gasten die op 10 oktober de Java bezoekt. Op de achtergrond wappert de Nederlandse driekleur in zwart-wit.

Zijn een lichte kruiser en mode een onlogische combinatie, of raken ze elkaar juist sterk? Is het de opzet dat levenslust en doodsdrift, Eros en Thanatos, elkaar raken? Enfin, het ging toen waarschijnlijk vooral om de goede indruk die Nederland in Australië wilde maken. Blijkbaar was 90 jaar geleden een oorlogsschip geen ‘schuldige’ omgeving.

Uit de toelichting op Flickr bij deze foto uit de Samuel J. Hood Studio collectie die wordt beheerd door het Australian National Maritime Museum blijkt dat dit museum veel onderzoek doet naar de details van de foto’s in haar collectie. Iedereen met waardevolle informatie is welkom.

Na vlootbezoeken aan talloze landen wordt de Java in 1942 tijdens de Slag om de Javazee door de Japanse Keizerlijke Marine door een torpedo tot zaken gebracht. Er zouden 491 van de 512 opvarenden om het leven zijn gekomen. De dood had het gewonnen.

Foto: Sam Hood, ‘Miss Hera Roberts posing on the deck of HNLMS JAVA’. 1930.

Beeldrijm. Gedachten bij foto ‘Charbonnier au 208 rue Raymond-Losserand’ (1973)

Beeldrijm wordt op een technische fotosite omschreven als ‘een zich herhalend beeldaspect dat zeer bepalend is voor de ordening’. Verder in dit stukje wordt gewaarschuwd voor het gebruik van beeldrijm: ‘Het is natuurlijk het leukste als de rijm niet al te veel voor de hand ligt’.

Hoe moet de waarschuwing voor beeldrijm dat te veel voor de hand ligt worden opgevat? Op welk niveau speelt dat? Verstoort opzichtig beeldrijm de terloopsheid van de fotografie die suggereert dat het leven wordt betrapt, de sturende rol van de fotograaf die beelden ‘vangt’ of zelfs de autonomie van de fotokunst die zou lenen van andere disciplines?

De naam van de fotograaf is Robert Doisneau (1912-1994). Deze Fransman legde het straatleven van Parijs vast. Omdat hij zich daarin onderdompelde noemde hij zich een ‘beeldenvisser’ en geen ‘beeldenvanger’, zo maakt zijn lemma op Wikipedia duidelijk. Maar dat lijkt niet meer dan een woordspelletje. Doisneau was een befaamde documentaire fotograaf en zijn foto’s geven een tijdsbeeld van een verdwenen Frankrijk.

Dat speelt in op een langlopend debat wat de ziel van Frankrijk is en of het minder moderniseert dan zich positioneert als openluchtmuseum. Dat is een debat vol misverstanden omdat Frankrijk wel degelijk verandert, maar waarschijnlijk het minste in de uiterlijkheden die de toerist in steden, stranden en iconische plekken aantreft. Dit soort foto’s bevestigen onbewust en zonder dat het de opzet was met terugwerkende kracht voor de kijker van nu de misvatting dat Frankrijk een conservatief land is dat niet wil veranderen.

De foto is iets voor 1974 genomen en heeft als titelCHARBONNIER AU 208 RUE RAYMOND-LOSSERAND’ ofwel ‘Kolenboer op de Rue Raymond-Losserand 208’. Dat is in het 14de arrondissement in Parijs onder Montparnasse.

Een ‘Café Charbon Mazout’ (‘Houtskool -stookolie’) combineerde de verkoop van drank, houtskool en stookolie. Maar het is nostalgie hoewel deze ‘bougnat’ enigszins gemoderniseerd nog in ere wordt gehouden om het zogenaamde authentieke Parijs te weerspiegelen. Het etablissement werd net als de handelaar bougnat genoemd die doorgaans uit de Auvergne kwam. Jacques Brel heeft een bougnat vereeuwigd in zijn lied ‘Mathilde’ uit 1966 als hij zingt: ‘Bougnat, je kunt je wijn houden’. Het betekent meer dan kastelein zoals een gemoderniseerde vertaling zegt.

Zo komen we tot twee soorten beeldrijm in deze foto die worden aangevuld met een tegenvoeter. Zo wordt poëzie gemaakt. In vorm door de herhaling én spiegeling van het uithangbord van de bougnat die kolen en drank aanbiedt met de kolenboer met de zak op zijn schouder die in tegengestelde richting loopt. In kleur met het zwart van uithangbord en kolenboer die scherp afsteken tegen de grijze, regenachtige omgeving. Dat wordt geaccentueerd door het formaat van de afdruk waarbij de hoogte tweemaal langer is dan de breedte. Het formaat ‘vangt’ het beeld nog eens extra. Dit is geen beeldrijm die voor de hand ligt.

De disharmonie zit in de tijd vanwege een veranderend Frankrijk dat zich in 1973 voor wat de energie betreft in een overgangsfase bevindt. Vanaf 1970 importeerde Frankrijk Nederlands aardgas uit Slochteren en in 1973 produceerden de Franse steenkoolmijnen nog 17,3 Mtoe (megaton olie-equivalent) steenkool wat tegen de 10% van de totale energiebehoefte van het land was. De foto is de aankondiging van twee vergeten beroepen: de kolenboer en de bougnat. Ze rijmen met elkaar tegen de moderne tijd.

Foto: Robert Doisneau, ‘Charbonnier au 208 rue Raymond-Losserand, reproduction d’une photographie de Doisneau’, ongeveer 1973. Collectie: ‘Musée Carnavalet, Histoire de Paris’.

In herinnering. Galeriehouder Henk Logman onverwachts overleden

Gisteren 10 maart 2021 is Henk Logman op 57-jarige leeftijd overleden. Hij leidde sinds 31 mei 2019 galerie LOGMAN in de Nobelstraat in Utrecht. De vermoedelijke oorzaak voor zijn overlijden is zijn hart. In zijn familie komt een erfelijke hartkwaal voor. Henk woonde in Amersfoort. Hij was samen met Johan Buurke die hem ruimhartig steunde in het realiseren van zijn droom. Namelijk het runnen van een galerie voor hedendaagse kunst.

Gisteren was Henk onderweg toen hij bij een tankstation tegen een andere auto botste. Hij werd uit de auto gehaald. De reanimatie bij het tankstation noch de hulp in het UMC waar hij heen werd gebracht mochten baten. Hoewel het er in het ziekenhuis even naar uitzag dat het beter ging heeft Henk het niet gered. Zijn hart had het begeven.

Henk was een geestverwant. Ik zal hem missen. Samen met hem en m’n partner Lydia van Oosten hadden we in de galerie of bij ons thuis lange gesprekken. Over het Utrechts kunstklimaat, cultuurpolitiek, kunstenaars, politiek en in het bijzonder D66 waar Henk in Amersfoort aan verbonden was geweest, theater en uiteraard de galerie. Meningen en voorgestelde verbeteringen ervan werden met plezier en waardering voor de ander uitgesproken en tegengesproken.

Henk was loyaal in zijn vriendschappen en laat vele vrienden en kunstenaars aangeslagen achter door zijn onverwachte dood. Henk was hartelijk, genereus en behulpzaam. Zijn levensvreugde straalde positief op zijn omgeving af. Het zwarte randje was de hartkwaal waar hij mee moest leven, hem soms aan het tobben zette en hem fataal is geworden.

Zijn galerie werd in minder dan twee jaar een ankerplaats voor vriendschap, een ruimte voor het tonen van goede kunst en een gespreksplatform waar het argument telde, de kwinkslag werd gewaardeerd en de markt weliswaar niet kon worden genegeerd, maar toch niet de programmering dicteerde. Henk die zelf een weg zocht in de beeldende kunst was tegelijk een mentor voor jonge kunstenaars en vond dat een van de aardigste aspecten van zijn werk.

Henk hield van het experiment en durfde dat te tonen. Vooral in de kelderruimte kregen kunstenaars carte blanche om hun ideeën ten uitvoer te brengen. Met soms verrassende resultaten. Henk had nog zoveel plannen die nu niet uitgevoerd kunnen worden.

Maar de coronacrisis gooide zoals bij vele galeries roet in het eten. Henk improviseerde begin 2020 de groepstentoonstelling ‘Boven de Bank’ in elkaar die hij samen met Lydia maakte. Het werd een succes. Door het aanbieden van timeslots die online gereserveerd konden was LOGMAN ook voor andere Nederlandse galeries een voorbeeld hoe ze weer bezoekers konden ontvangen. Hij hielp met zijn advies anderen hoe ze dat konden realiseren. Zo zette Henk de omstandigheden naar zijn hand.

De actuele tentoonstelling met de onheilspellende titel KORTSLUITING die gepland staat tot 5 april 2021 is nog op vrijdag en zaterdag op afspraak te zien. Reserveren van een timeslot van 45 minuten kan hier. Met werk van Ronald Zuurmond, Julius Stibbe en Matthijs Hannink. Deze tentoonstelling is exemplarisch voor waar LOGMAN voor stond. Een combinatie van gelouterd, jong en experimenteel zonder dat het een formule wordt. Opgefrist, niet platgetreden of behaagziek.

Verdriet is niet te meten en in het aantal tranen uit te drukken. De enige gepaste opmerking erover is dat verdriet bestaat. Verloren vrienden komen niet terug. Ze drukken je op de eigen sterfelijkheid. Met de innemende persoon Henk Logman is voor velen een stukje van henzelf heengegaan.

Utrecht verliest met LOGMAN een energieke en unieke galerie voor hedendaagse kunst die goede perspectieven had en steeds meer waardering kreeg uit de kunstsector. Johan Buurke kan troost putten uit de omstandigheid dat Henk voor velen een bijzonder mens was. Ze zullen hem hun leven lang missen. En koesteren in herinnering.

NB: In een eerdere versie werd gezegd dat Henk Logman zijn auto wist te verlaten en toen in elkaar zakte. Dat is onjuist. Hij werd door anderen uit de auto gehaald. Tevens werd gezegd dat de oorzaak nog niet duidelijk was. Dat is het nu wel. Dat was zijn hart.

Foto 1: Henk Logman en Lydia van Oosten in LOGMAN tijdens tentoonstelling ‘Boven de Bank’, 26 maart 2020. Foto: Arnoud van Mosselveld.

Foto 2: Henk Logman in zijn galerie tijdens de tentoonstelling ‘BY INVITATION ONLY’ 2020. Met negen gastconservatoren: Credits: LOGMAN.