Het misplaatste beroep op identiteit van een christelijke propagandist

Ook christenen haken in hun beeldvorming aan bij het huidige debat over identiteit. Dat is handige marketing. Deze nieuwe apartheid sluit mensen uit, sluit mensen op en sluit mensen in.

Christelijke propagandisten gebruiken de nieuwe apartheid om medestanders ‘in eigen kring’ voor te spiegelen dat ze hun identiteit ontlenen aan hun verbondenheid met Jezus. Wie iemand is wordt volgens deze propagandisten bepaald door Jezus. De persoon die het betreft lijkt er zelf niet meer over te kunnen beslissen. Die persoon treedt in met als gevolg dat de beslissing over identiteit wordt afgestaan en overgaat naar de organisatie die voortaan de identiteit beheert.

Dit reclamepraatje van een christelijke propagandist maakt duidelijk dat identiteit een goed middel is voor gesloten gemeenschappen om leden te rekruteren, te motiveren en aan zich gebonden te houden. In de Fondsenwerving praat men over het upgraden van donors. Dat gebeurt hier. Leden van de doelgroep worden naar binnen getrokken met de opzet om ze zo lang mogelijk vast te houden. Ze vergroten door hun aantal het belang van de gemeenschap en zijn potentiële geldschieters die voor allerlei deeldoelen kunnen worden aangesproken. Zijdelings vergroot het aanpraten van een christelijke identiteit de financiële armslag van de gesloten gemeenschap.

Deze propagandist beheerst het modieuze taalgebruik tot in de toppen van zijn vingers. Hij zegt: ‘Omdat ik zoveel christenen om me heen zie die niet wandelen in de kracht en autoriteit die ze van God hebben ontvangen. Als ik kijk naar het boek Handelingen, zie ik daar christenen in die kracht wandelen‘. Kortom, christenen worden door deze propagandist geacht in de kracht van God te wandelen. Dat roept een beeld op van weleer. Een beeldtaal die aansluit bij de voormalige protestante zuil van wandeltochten met vaandels, gezangen en ingehouden blijdschap die dynamiek, energie, flinkheid, macht en massa uitstralen.

Waarom zou iemand zich over leveren aan een gesloten gemeenschap door de identiteit af te geven? Dat laat de persoon wiens identiteit ontnomen wordt zonder beslissingsbevoegdheid om het eigen lot te bepalen. Of te veranderen door een andere weg te kiezen.

Identiteit is meervoudig. Zelfs als men niet meedoet aan de modieuze race van uitsluiting van en afrekening met anderen of zelfprofilering gebruikt als middel van emancipatie ten koste van anderen door zich tegen hen af te zetten.

Ik weiger deel te nemen aan die polarisatie. Ik zie meer nadelen dan voordelen in die nieuwe apartheid. Wat doet het ertoe of ik wit ben en man als dat niet alles zegt over wat ik denk en wat mijn opvattingen zijn? Ik sta me er niet op voor en wil er evenmin op aangesproken worden.

Eenzijdigheid is het gevaar én de beperkende kracht die op termijn tot fragmentatie kan leiden voor gesloten gemeenschappen die op basis van een specifiek aspect van identiteit dat op dat moment in de mode is (religie, huidskleur, gender) leden binnenhengelen van wie het de vraag is hoe hun opvattingen zijn. En hoe andere -minder trendy- aspecten van identiteit (beperking/handicap, leeftijd, sociaaleconomische status) daarbij passen. Want hun identiteit bepaalt dat niet.

Daarom is het debat over identiteit een doodlopende weg in het publieke debat waar we blijkbaar doorheen moeten. Op een gegeven moment zullen we met z’n allen aan het eind van die weg om moeten keren. Maar zover is het nog niet. In de tussentijd maken vlotte voorvechters gretig gebruik van hun eenzijdige claim op identiteit om personen in hun netten te vangen.

Vernietigende, vergaande commentaren over Nederlands elftal: ‘Nederland is identiteit helemaal kwijt!’

Op de terugweg van Rotterdam naar Utrecht liet mijn medereiziger op haar telefoon de uitslag van de wedstrijd van Nederland tegen Tsjechië zien: 0 – 2. Mijn eerste reactie was: ‘Godzijdank’. Niet omdat ik het Nederlands elftal en de supporters geen feestje gun, maar omdat de Oranjegekte, het nationalisme en de zelfoverschatting over de eigen kansen weer langzaam bezit van de Nederlandse publieke opinie begon te nemen. Dát ontstemde me. Ik was blij dat dát stopte en me in supermarkt, straten en televisie (eindeloze praatprogramma’s over voetbal) niet nog twee weken bleef achtervolgen.

Van voetbal heb ik geen verstand. Het interesseert me weinig. Wel zie ik topsport als een interessant maatschappelijk fenomeen waar commercie, publiciteit. politiek, emotie en volksaard samenkomen. Het citaat van Sky Sports bij bovenstaande video van VoetbalPrimeur is in mijn ogen veelzeggend: ‘Nederland is identiteit helemaal kwijt!‘. Welk Nederland wordt hier bedoeld?

Het commentaar van VoetbalPrimeur baseert zich op de krantencommentaren die vernietigend zijn voor het Nederlands elftal. De spelers zouden slecht gespeeld hebben en geen karakter en vechtlust hebben getoond en coach Ronald de Boer zou foute beslissingen hebben genomen en niet hebben geïnspireerd. Het is mogelijk, ik heb de wedstrijd niet gezien, dus kan er niet over oordelen. En als ik de wedstrijd wel had gezien had ik er nog niet over kunnen oordelen.

Praten over voetbal of topsport in het algemeen is bijna altijd achteraf praten of het doen van voorspellingen die achteraf niet worden gecheckt. Dat doet VoetbalPrimeur hier ook. Dat maakt voetbalcommentaar per definitie vrijblijvend en zweverig. Het wordt samengevat in de dooddoener: ‘De bal is rond‘. Dat maakt voetbal ook zo populair en goed inzetbaar in massamedia omdat de analyse altijd klopt omdat die alleen naar zichzelf verwijst. Voetbalcommentaar is een in zichzelf gesloten wereld dat daarbuiten geen betekenis heeft. Dus onschadelijk voor de macht.

De UEFA begreep dat uitgangspunt goed door het verbod op het vertonen van de regenboogkleuren in het stadion van München tijdens de wedstrijd Duitsland – Hongarije. Het ontbreken van maatschappelijke en politieke relevantie is de hoofdregel van voetbal. Dat is de afspraak. Het is wel een instabiel evenwicht omdat in vele gevallen voetbal en politiek nauw samenhangen en voetbal wordt doordrenkt met politiek. Kijk naar het WK van 1978 in Argentinië dat moest dienen om de machtsbasis van het regime te verbreden. Maar dan is voetbal geen voetbal meer, zeg een belangrijke bijzaak, maar wordt het een politiek bijproduct.

De beeldvorming over sport kan zo gek niet zijn of ik wil het geloven. Wat me opvalt is dat het Nederlands elftal na drie gewonnen wedstrijden in de poule tegen zwakkere ploegen de hemel in werd geschreven, terwijl nu het omgekeerde gebeurt. De spelers en de begeleiding worden de grond in geboord. Is dat niet twee keer buiten proportie? Wat zeggen die overdreven reacties over de identiteit van Nederland?

In politiek opzicht is Nederland in Europa het grootste land van de kleinen of als men het welwillend oprekt het kleinste land van de groten. Met voetbal lijkt het niet anders. Het Nederlands elftal blijft net als de Nederlandse staat steken tussen servet en tafellaken.

Het voordeel, of zo men wil nadeel, van voetbal is dat uitschieters naar boven of beneden vaker plaatsvinden dan in de politiek. Hoewel Nederland afgelopen jaren talloze politiek nederlagen heeft geleden, zoals Zwarte Maandag in 1991. Toenmalig Premier Lubbers en minister van Buitenlandse Zaken Van den Broek dachten dat ze een akkoord hadden over een verdragstekst voor de Europese Politieke Unie, maar bijna alle EU-lidstaten veegden het van tafel. Nederland had het niet zien aankomen. Dat kwam door een slechte voorbereiding. Waarschuwingen werden genegeerd. Die politieke tik op de vingers heeft jaren nagedenderd.

Typeren zelfoverschatting en onderschatting van de tegenstander de Nederlandse identiteit? Ik weet het niet. Er zijn genoeg uitzonderingen. Wellicht gaat het eerder over de identiteit van de massamedia en sociale media die erg snel hun evenwicht verliezen. Als men al kan bepalen of ze welbeschouwd ooit in evenwicht zijn. Dat komt omdat voetbal zoals gezegd in zichzelf geen maatschappelijke en politieke relevantie heeft.

Iets dat gewichtsloos is kan als een ballon hoog stijgen, maar ook diep naar beneden storten. Dat laatste heeft een groot deel van het Nederlandse publiek op zondag 27 juni 2021 ondervonden en daar praten de massamedia nu eindeloos over na omdat hun favoriete betoog de cirkelredenering is. Ze hebben achteraf altijd gelijk. Daarmee is het nauw verbonden met het voetbalcommentaar. Dat is een eindeloos gesprek over niets. Voetbal vult de existentiële leegte met hanteerbare leegte.

CBS gaat stoppen met gebruik van begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’. Dat is een goede zaak

Schermafbeelding van deel artikel ‘CBS gaat stoppen met begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’ van Wilmer Heck in NRC, 19-20 april 2021.

NRC meldde in een bericht van 19 april 2021 dat het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) op termijn stopt met de vermelding van de aanduidingen ‘westers’ en ‘niet-westers’.

Aan dit besluit ligt mede een advies van de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) ten grondslag. Volgens de WRR is het onderscheid niet-wetenschappelijk onderbouwd en roept het “negatieve associaties” op. Een andere steen des aanstoots is de Barometer Culturele Diversiteit van het CBS. Daarmee wilden universiteiten onder wie de Universiteit Utrecht de diversiteit onder medewerkers in kaart brengen. Ze worden ingedeeld in Nederlandse, westerse en niet-westerse migratieachtergrond. Daar kwam in Utrecht veel kritiek op.

Radicaal-rechtse politici als Geert Wilders en Derk Jan Eppink (‘We krijgen statistieken zoals ooit in de DDR’) zien het afschaffen van deze begrippen als poging om de schaduwzijde van de multiculturele samenleving onder het tapijt te vegen.

Het is goed dat deze begrippen worden afgeschaft. Ten eerste is de afbakening ervan verwarrend en is die toevallig tot stand gekomen. Zo worden migranten uit landen als Japan en Indonesië als westers beoordeeld en migranten uit grenslanden daarvan als niet-westers. Ten tweede werkt het stigmatiserend en houdt het migranten gevangen in een (oude) identiteit waar ze moeilijk aan kunnen ontsnappen. Ten derde is door de globalisering het begrip ‘westers’ politiek en cultureel van betekenis veranderd en niet meer zo eenduidig als het tot 1991 tijdens de Koude Oorlog was.

Met de afschaffing van de begrippen worden programma’s van positieve discriminatie of de uitvoering van codes diversiteit & inclusie bemoeilijkt. Dit maakt de kritiek erop door radicaal-rechts tamelijk onbegrijpelijk. Want als niet meer geregistreerd wordt wie welke achtergrond heeft, dan wordt het opzettelijk bevoordelen van bepaalde bevolkingsgroepen bij de toelating tot opleidingen of arbeidsplaatsen eveneens lastiger. Radicaal-rechts zou ook kunnen beredeneren dat de afschaffing van de termen het belang van witheid consolideert en niet verder versneld afbreekt.

Uiteraard zal de wens van bepaalde activistische groeperingen om de voorrechten terug te dringen van groepen die zich baseren op hun witheid hiermee niet stoppen. Maar het afschaffen van de begrippen maakt het bedrijven van identiteitspolitiek en in het verlengde daarvan de cancelcultuur waardoor mensen op onduidelijke gronden worden uitgesloten anders doordat de sociale identiteit van een bepaalde groep en de door deze groep gedeelde ervaring van maatschappelijk onrecht minder scherp afgebakend kan worden.

Het verzachten van de felheid van de identiteitspolitiek die de laatste jaren voor maatschappelijke verdeeldheid en onrust heeft gezorgd kan daarom een positief neveneffect zijn van de afschaffing van de begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’. Ofschoon naast etnische achtergrond waar het hier om gaat ook nog de identiteiten seksuele gerichtheid, gender, regionale identiteit of religieuze identiteit bestaan en aangegrepen kunnen worden voor positieve discriminatie om via strijd emancipatie te bereiken. Want de kist van activisten bevat vele middelen om aan de weg te timmeren.

Een te verwachten effect kan daarom zijn dat de identiteitsstrijd over etniciteit of witheid zich geleidelijk zal verplaatsen naar een overigens nu ook al bestaande strijd over gender of religie. Maar ook is mogelijk dat het accent komt te liggen op identiteiten die binnen samenlevingen bestaan en nu mede door het luidruchtig links-radicaal activisme en het ‘culturele’ rechts-radicale antwoord erop buiten beeld blijven en nauwelijks met identiteitspolitiek worden geassocieerd en in de politiek en media onderbelicht zijn: sociaal-economische achtergrond en opleidingsniveau.

Dan kan het debat over maatschappelijke ongelijkheid eindelijk gevoerd worden zoals het de afgelopen decennia niet gevoerd kan worden door allerlei afleidingsmanoeuvres van zowel links als rechts. Als de afschaffing van de begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’ daar een bijdrage aan kan leveren, dan is dat de winst.

Hoe moeten we de zinsnede ‘Identiteit is zeker in het linkse Nijmegen een vies woord’ opvatten?

Museum Het Valkhof is voorlopig gered met een bijdrage van de gemeente Nijmegen van 16 miljoen euro. Op termijn vloeit dat bedrag terug naar de gemeente, zo is het idee. Mede door achterstallig onderhoud gaat het dit museum al jarenlang slecht. Afhankelijk van geldschieters is het een probleemgeval geworden dat onderwerp van onderzoek, interim management en grootste plannen is. Conservatoren werden wegbezuinigd zodat het de vraag is wat de kunsthistorische kurk nog is waar dit museum op kan drijven.

Er wordt nu van alles beweerd, geclaimd en geschetst over de toekomst van dit museum. De Gelderse journalist René Arendsen zegt in een column voor Omroep Gelderland onder meer het volgende. Het heeft slechts zijdelings met het onderwerp te maken, maar mijn oog bleef er aan haken.

Arendsen breekt een lans voor de kunst en meent dat links in Nijmegen niks met identiteit heeft. Nu ken ik links in Nijmegen niet, maar links buiten Nijmegen heeft alles met identiteit te maken. Links buiten Nijmegen is identiteit. Het wordt zelfs als reden gegeven waarom links de steun van de witte ‘arbeiders’ verloren heeft omdat het de sociaal-economische onderwerpen, zeg de klassenstrijd die voltooi zou zijn, ingewisseld heeft voor het opkomen voor de emancipatie van vrouwen, homoseksuelen, migranten en welke minderheid dan ook en het bestrijden van het onrecht dat deze groepen zouden ervaren. Behalve de ‘arbeiders’.

Maar is dat dezelfde identiteit die Arendsen bedoelt? Wat bedoelt Arendsen als hij zegt dat identiteit in het linkse Nijmegen een vies woord is? Is het niet net andersom? Namelijk dat links in Nijmegen zoals elders sinds de jaren 1990 te veel is opgekomen voor een abstract idee van identiteit en daarom de gewone brood-en-boter onderwerpen heeft verwaarloosd inclusief de doelgroepen die belang hadden bij de aandacht ervoor? En spreekt hij zichzelf niet tegen omdat regionale identiteitspolitiek in Nijmegen springlevend is?

Het kan zijn dat Arendsen bedoelt dat links in Nijmegen niks heeft met kunst, erfgoed en culturele identiteit en hij stilzwijgend veronderstelt dat wij eten dat links alles heeft met de identiteitspolitiek van de sociale identiteit van bepaalde groepen, maar dat is een loze bewering omdat dit voor de hele politiek van Nederland geldt.

Geen enkele politieke partij in Nederland maakt zich op een vanzelfsprekende, oprechte en niet hijgerige manier hard voor kunst en benadrukt dat de Nederlandse taal, kunst, cultuur, wetenschap en geschiedenis onlosmakelijk samenhangen en het verdienen om bevorderd, gesteund en onderhouden te worden. Zelfs nationalistische partijen doen dit niet, hoewel het omgekeerde het geval lijkt als ze praten over Wilhelmus, Gouden Eeuw, VOC-mentaliteit of de joods-christelijke cultuur. Maar dat is beeldvorming en politieke marketing die niet door beleid wordt gevolgd.

Symbolische incidenten als de oprichting van een Nationaal Historisch Museum die door onder meer de SP werd geïnitieerd en steeds mislukten door interne verdeeldheid benadrukken het ontbreken van visie van de partijpolitiek op de nationale identiteit van Nederland. Alleen als men ermee kan scoren door het binnenhalen van een locatie voor zo’n museum wordt het belangrijk geacht. Of als partijen het kunnen invoegen in hun programma, bijvoorbeeld door het onderscheid met niet-Nederlandse elementen ermee te vergroten.

Het erin opgesloten idee dat nationale identiteit van Nederland met geschiedenis, taal, kunst en wetenschap telt en essentieel is en het verdient om vanuit de eigen verdiensten bevorderd te worden ontbreekt bij zowel de linkse als rechtse politiek. Identiteit wordt door de politiek altijd voor het eigen karretje gespannen. Omdat identiteit die identiteit is zich juist daar per definitie aan onttrekt is dat een zinloze en uitzichtloze poging tot inlijving. Waarschijnlijk bedoelt Arendsen het ook zo, maar hij zegt het anders.

Foto 1: Kabinetsfoto G. Korfmacher Nijmegen.

Foto 2: Schermafbeelding van deel columnMuseum Het Valkhof moet durven kiezen het mooiste verhaal van Nederland te vertellen’ van René Arendsen op Omroep Gelderland, 3 maart 2021.

Duiden van identiteit in de kunst wordt valkuil als dat onzorgvuldig gebeurt. Commentaar op het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’

Daar gaan we weer. Identiteit in de kunst en het scheve beeld dat de media ervan geven. Deze keer zijn Teylers Museum en de 19e eeuwse Frans-Amerikaanse ornitholoog, natuuronderzoeker, vogelschilder en werkgever van slaven John James Audubon aan de beurt. Op touw staat de tentoonstelling ‘Vogelpracht’ die dit museum in juni 2021 hoopt te openen.

Journalist Jean-Pierre Geelen identificeert zich in het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ in de Volkskrant bij voorbaat met de oppositie die Audubon oproept. Hij noemt het ‘hoogst explosief materiaal’. De toon is gezet. De eindredactie maakt van een bezitter van slaven voor het gemak een ‘racistische vogelschilder’. De 21e eeuw wordt rechtstreeks in het vat van de 19de eeuw gekieperd alsof in twee eeuwen alles bij hetzelfde is gebleven.

Geelen maakt een knip door het te verbinden aan de Code Diversiteit & Inclusie die Teylers Museum onderschrijft. Alsof dat bijzonder is. De hele museumsector onderschrijft immers deze Code. Hij geeft een citaat uit de code dat staat onder het kopje ‘Artistiek en inhoudelijk: inclusief werken is een verrijking voor kwaliteit’ dat aldus eindigt: ‘Jouw organisatie moet een veilige plek zijn waar iedereen zich thuis voelt om zich in een ander perspectief te verplaatsen’. Ok, redelijk, maar wat heeft het feit dat Audubon twee eeuwen geleden slaven in bezit had te maken met een veilige werkomgeving van een museum in 2021?

Rekt Geelen dit aspect van de Code niet oneigenlijk op en maakt hij er wat anders van dan het behelst? Daar lijkt het sterk op. Probeert Geelen nou te suggereren dat de werkomgeving er voor medewerkers onveilig op wordt als in een tentoonstelling een schilderij van een 19de eeuwse vogelschilder annex slavendrijver wordt getoond en medewerkers zich daardoor niet meer thuis zouden voelen in dat museum? Welk probleem helpt Geelen hier creëren? Is dat allemaal niet te simpel gedacht en met hoeveel slagen tegelijk probeert Geelen thuis te komen in zijn eigen bubbel?

Het is toch juist de taak van een historisch kunstmuseum als Teylers Museum om objecten uit de kunstgeschiedenis in de juiste context voor een breed publiek te tonen?

Jazeker, Audubon had slaven in bezit en jazeker, dat wordt nu terecht afgewezen en jazeker, dat feit moet in zijn levensbeschrijving niet ongenoemd blijven en jazeker, dat ligt politiek op dit moment uiterst gevoelig, maar welnee, dat betekent niet dat ter discussie staat dat zijn schilderijen niet in een museum getoond kunnen worden. Als dat zo zou zijn, dan zou zijn werk in geen enkel museum meer getoond kunnen worden. Dan gaat het politieke aspect volledig het kunsthistorische aspect overheersen. Mogen musea daar alstublieft zelf over beslissen? Ze hebben er geen politieke activisten of activistische journalisten voor nodig om hen op hun verantwoordelijkheid en gedragsregels te wijzen.

Geelen lijkt meer bezig met het aanscherpen van maatschappelijke verschillen dan met het geven van duiding. Waarom stelt hij iets ter discussie dat niet ter discussie moet worden gesteld? Zoals alle musea probeert Teylers Museum dit passend op te lossen zonder al te veel weerstand in de samenleving op te wekken. Maar dat is toch geen kwestie van worstelen, maar van gewoon professioneel handelen?

Als het de taak van een journalist is om zich te identificeren met een politieke zaak en het publiek te informeren onder het mom van een evenwichtig enerzijds-anderzijds verslag, dan zijn we gewaarschuwd. Ook voor journalisten is identiteitsdenken een valkuil waar ze met open ogen in kunnen stappen. Het advies voor zolang het duurt: hou het simpel en maak het niet ingewikkelder en wijsneuziger dan het is. Daar is niemand mee geholpen. De museumsector nog het minst.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ van Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant, 3 maart 2021.

Gedachte bij foto [Peasants being photographed for identity cards, headdress removed], 1934-1939

Een fotograaf die een andere fotograaf fotografeert is een subgenre. Je zou het in dramaturgische termen episch en Brechtiaans kunnen noemen. Ofwel, het bewust scheppen van afstand om het publiek inzicht te geven. Het tot stand komen van de foto wordt niet weggemoffeld en zelfs deel van het onderwerp.

Doorgaans wordt in de verhalende traditie van de 19de eeuwse roman en de filmindustrie van Hollywood de montage uitgevlakt. De schijn wordt gewekt dat het verhaal zich als het ware zelf vertelt. Onzin uiteraard. Is deze traditie de reden dat er zo betrekkelijk weinig registraties zijn van beeldende kunstenaars in hun creatieve proces?

Dit is een beeld uit Palestina in de jaren 1930. Boeren worden gefotografeerd voor hun identiteitsbewijs. De hoofdbedekking wordt verwijderd. Het gaat over identiteit en het vastleggen ervan. En het vastleggen van het vastleggen. Nou, dat ligt behoorlijk vast. Tot welk leed dat kan leiden weten we uit de geschiedenis. Dat is weer een ander onderwerp. Terwijl van dit onderwerp nog niet eens duidelijk is waar het over gaat: fotografie, identiteit of de politiek van het Midden-Oosten? Of alles tegelijk en door elkaar?

Foto: [Peasants being photographed for identity cards, headdress removed], 1934-1939. Collectie: Library of Congress.

Pleidooi om Code Diversiteit & Inclusie breed op te vatten. Aan de hand van het man-vrouw perspectief van Alina Lupu

Het artikelCALL-OUT CULTURE / CANCEL CULTURE’ van Alina Lupu op Platform BK is een aardige poging tot een analyse. Het gaat over de kwestie Erik Kessels en BredaPhoto. Maar het onttrekt zich niet aan de valkuilen die het probeert te vermijden. Zo’n valkuil is het feit dat er meer tweedelingen zijn dan die tussen mannen en vrouwen. Deze analyse reduceert het geschil tot dat specifieke verschil en probeert daar vervolgens iets over te zeggen. Maar dat schiet per definitie tekort. Op 20 september 2020 sprak ik me in een commentaar uit over deze kwestie.

De Code Diversiteit & Inclusie die in de Nederlandse kunstsector wordt gebruikt (onder andere door het Mondriaan Fonds) en over culturele diversiteit en identiteitsvorming gaat noemt naast ‘gender’ de volgende verschillen: ‘beperking, seksuele oriëntatie, religie, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd’.

Men zou hopen dat auteurs die zich uitspreken over culturele diversiteit zich ‘breed’ opstellen en meerdere verschillen tegelijk in beschouwing nemen. Op dit moment zijn de man-vrouw en het wit-zwart verschil leidend in het debat over diversiteit en identiteit in de kunst. Deze aspecten domineren dientengevolge dit debat omdat de protagonisten ervan zich het best hebben georganiseerd en zich meest radicaal opstellen.

Dat is echter geen intrinsieke waarde die uit het onderwerp zelf volgt, maar een bijkomstige toevalligheid die wordt ingegeven door secundaire elementen als organisatiegraad, politieke radicaliteit en de kennis van (sociale) media. Het gevolg is dat de uitsluiting van mensen (cancel culture) vanwege hun politieke stellingname die raakt aan die verschillen van gender of etniciteit ook een zekere bijkomstige toevalligheid bevatten.

Het is gewenst dat het debat in de Nederlandse kunstsector snel verbreed wordt en onder meer ook sociaaleconomische status en opleidingsniveau dezelfde aandacht krijgen die nu de man-vrouw en wit-zwart verschillen krijgen. Alleen dan kan er sprake zijn van een evenwicht debat. Nu is dat theorie, maar nog geen praktijk.

Een en ander zou in het geval van Erik Kessels en zijn project ‘Destroy my Face’ voor BredaPhoto wel eens tot een andere conclusie kunnen leiden dan waar de auteur onder de schijn van onpartijdigheid tot komt. Welk opleidingsniveau en sociaaleconomische status hebben de betrokkenen die in dit artikel worden genoemd en wat betekent dat voor hun opstelling en de diversiteit in de kunstsector?

Anders gezegd, het aloude klasseverschil tussen sociale klassen verdwijnt onterecht naar de achtergrond als alles wordt gereduceerd tot een man-vrouw of wit-zwart identiteit. Zeker zijn laatstgenoemden ondervertegenwoordigd en moet dat gecorrigeerd worden,  maar de introductie van culturele diversiteit verandert in kortzichtigheid als niet alle verschillen tussen mensen in gelijke mate binnen de kunstsector aandacht krijgen. Het kan niet zo zijn dat om bijkomende, politieke redenen dit debat uit het lood komt te staan en de positie van degenen die zich mede vanwege hun achtergrond het minst laten horen veronachtzaamd wordt.

Er is nog een lange en brede weg te gaan naar emancipatie, zo leert dit voorbeeld van een goedbedoelde auteur die met de pretentie van volledigheid een ‘probleem’ probeert te analyseren dat bij nader inzien niet het probleem is waar het om gaat. Dat blijven hangen in een schijnprobleem dat als definitief wordt voorgesteld en de aanspraak anderen daar iets over te kunnen leren vereist een andere aanname van wat culturele diversiteit is zodat een ander probleem kan worden opgelost. Namelijk dat van een brede, evenwichtige, gelijkmatige en gelijktijdige aanpak van verschillen van culturele diversiteit binnen de kunstsector.

Nederlandse kunstfondsen moeten het onderwerp van culturele diversiteit en identiteit breed interpreteren en de wijdte ervan even serieus gaan nemen zoals ze tot nu toe de enkele aspecten ervan serieus nemen en alle aandacht geven.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelCALL-OUT CULTURE / CANCEL CULTURE’ van Alina Lupu op Platform BK, 23 februari 2021.

Splendid isolation op een eiland: Verenigd Koninkrijk krijgt gevolgen van Brexit hard voor de kiezen

Het is geen nieuws, maar het kan niet voldoende herhaald worden. Er is iets mis met het zelfbeeld van de Britten, en dan vooral de Engelsen. Het is aannemelijk om te veronderstellen dat dit gebrek aan zelfkennis tot de Brexit heeft geleid. De Engelsen kennen hun plaats niet. Neem nou een artikel van Dan Snow in The Guardian dat onder meer over de Britten zegt: ‘We leven op een kleine archipel vlak voor de noordwestkust van Europa’ of ‘Er is geen eindtoestand in onze betrekkingen met Europa’. De suggestie dat die archipel geen deel van Europa is wordt bevestigd in de kop: ‘Brexit is not an end to Britain’s liaison with Europe. It’s just a new beginning’. Dat is een vreemde kop, want Groot-Brittannië is deel van Europa. Dus hoezo ‘contact met Europa’ als Groot-Brittannië zelf een onderdeel van Europa is? Als er gesproken werd over de EU of het continent was het begrijpelijk, maar nu is het onbegrijpelijk.

Of moeten we voor een verklaring voor een Europees volk dat zegt niet-Europees te zijn ons heil zoeken in verklaringen die ons geen steek verder helpen, maar in zichzelf ronddraaiend verwijzen naar de excentriciteit en de bizarre manier van denken van de Engelsen? Ook het idee van het imperium biedt geen voldoende verklaring, want Portugezen, Spanjaarden en Nederlanders waren ook ooit een wereldmacht, maar hebben vrede met hun verdwenen machtspositie. Ze beseffen dat hun landen deel van Europa zijn. Britten zijn met 67 miljoen inwoners in inwonertal het vijfde in Europa gelegen land, na de Russische Federatie, Duitsland, Turkije en Frankrijk, dus de grootte of omvang maakt evenmin het verschil. Andere eilandstaten als IJsland, Ierland of Malta (of het Britse Schotland) voelen zich Europees en geven niet het idee niet tot Europa te (willen) behoren.

De intentie van Dan Snow is goed. Hij is een internationalist en geen isolationist die zich wil afzonderen. Maar ook hij is het slachtoffer van een zelfbeeld dat uiteindelijk Groot-Brittannië positioneert tegenover Europa. Zelfs in zijn omarming van Europa neemt hij afstand van Europa. Dat kan tot niks goeds leiden. Overigens werkt het ook de andere kant op, want die vreemde snuiters op die Britse eilanden werden soms met tegenzin door Fransen en Duitsers geaccepteerd, zodat ze rechtvaardiging konden ontlenen aan die weerzin door zich mentaal apart te zetten. Maar wie zich afsluit creëert tegelijk een gevangenis voor zichzelf.

Britten kozen met een kleine meerderheid van zo’n 52% voor een Brexit. De uittreding uit de EU. Er zijn duizenden opmerkingen over te maken. Over economie, Britse politiek, media, populisme, globalisme, immigratie, Schotland, de EU en het zelfbeeld van de Britten. Er zit een neiging onder die de Britten heeft gestuurd.

Roland Barthes maakt enige opmerkingen over Pierre Poujade in een stuk over deze Franse populist in zijn Mythologieën. Poujade is de voorloper van types als Mogens Glistrup, Nigel Farage of Geert Wilders. Jean-Marine Le Pen begon in 1956 zijn politieke carrière als poujadist. Het stuk gaat over de kleinburgerlijke werkelijkheid die de wereld bezweert en terugbrengt tot ‘een bekrompen maar volledige orde zonder uitvluchten’. Een wereld die volledig naar zichzelf verwijst. Exact wat er in de pleitbezorgers van een Brexit gevaren is. Naast hun eigenbelang om de Brexit aan te grijpen om zichzelf te profileren en de eigen economische belangen te beschermen. Dit verklaart waarom de voorstanders om in de EU te blijven niet konden inbreken in dit beeld omdat het einddoel, middel en werkwijze tegelijk was: het Verenigd Koninkrijk dat naar zichzelf verwijst.

Het ‘gezonde verstand’ van de ‘kleine man’ waarnaar Poujade bij herhaling verwees neutraliseert elke uitleg die anders zegt. De analogie tussen Frankrijk 1956 en het Verenigd Koninkrijk 2016-20 is verbluffend. De waarschuwingen voor een teruglopende Britse economie, Schotland dat het Verenigd Koninkrijk opblaast of afnemende politiek Britse invloed zagen buitenstaanders als realistische opties die de Britse positie zouden verzwakken. Ze werden niet tegengesproken door de Leave-campagne, maar kwamen gewoon niet binnen.

Barthes: ‘Het gezonde verstand is als het ware de waakhond van de kleinburgerlijke vergelijkingen: het sluit alle dialectische uitwegen af, verwoordt een wereld die homogeen is, waarin men thuis is, veilig voor de verwarringen en de uitvluchten van de ‘droom’ (dat wil zeggen een niet op rekenen gebaseerde zienswijze)’.

De Britten kunnen nu met en onder elkaar hun droom gaan najagen. Van een in zichzelf gesloten wereld met een gesloten wereldbeeld. In hun splendid isolation weten ze dat hun Europese en hun transatlantische partners (pro-Ierse president Joe Biden) geschoffeerd hebben en geen stapje extra zullen zetten om de Engelsen te helpen. Zij die anders zijn worden niet zozeer bestreden, maar door de zittende macht ontkend te bestaan. Britten kunnen nu met elkaar de verschillen ontkennen in de gelukzaligheid onder elkaar te verkeren. De Leave-campagne heeft de buitenwereld ziek verklaard met nationalisme en het opzetten van de kleine man tegen een elite die paradoxaal tegelijk de motor van de uittreding was. Dat is een publiek geheim op het eiland. Van deze versie van Britsheid die neigt naar eng populisme dat alleen nog naar zichzelf verwijst heeft de EU afstand genomen. De Engelsen zijn daar extra behulpzaam bij door zich extra apart te zetten en net te doen alsof het nog de 19de eeuw is. In hun gespeelde gekkigheid die ze zelf geweldig vinden. Als enigen.

Foto: Still uit film ‘Went the Day Well? (1942)’ met Leslie Banks.

Antwoord aan Tommy Wieringa: Duitse kunst wordt tot courtisane van de politiek gemaakt. Dat is geen voorbeeld voor Nederland

Mijn reactie op de FB-pagina van NRC bij de columnDe wereld van gisteren’ van Tommy Wieringa in NRC, 28 augustus 2020:

Wieringa laat zich misleiden door zich blind te staren op de Duitse cultuurpolitiek. Het is een verkeerd begrepen onderwerp dat Nederlandse opinieleiders telkens weer als tegenvoorbeeld hanteren. Wieringa kijkt selectief, hoewel hij uiteraard gelijk heeft dat het misnoegen van de complete Nederlandse politiek én de samenleving voor de kunst immens is. Dat verdient kritiek. Maar laat hem dat zeggen en het daar bij laten. Het is ongelukkig om dat reliëf te willen geven door de vergelijking met de Duitse cultuurpolitiek. Die wordt door het Nederlandse voorbeeld dat afkeuring verdient nog niet witgewassen.

Het kunstbeleid van zowel kanselier Merkel als de regionale Duitse politiek is behoudend en vooral gericht op het ondersteunen van gevestigde culturele instellingen. Merkel pleit uitsluitend voor steun die in lijn is met het overheidsbeleid. Zo maakt ze kunst ondergeschikt aan haar politieke doelen. Hoe royaal ze dat ook doet, het staat haaks op het ondersteunen van het experiment of de tegendraadsheid van de kunst. Merkel zet met haar steun in op het verder Salonfähig maken van de kunst.

Men zou zelfs de stelling kunnen verdedigen dat het beleid van Merkel de kunst meer beschadigt dan wat premier Rutte nalaat. Het is als een pianoleerling die zich door zelfstudie een verkeerde vingerzetting heeft aangeleerd. Dat is een slechtere uitgangspositie om een succesvolle pianist te worden dan iemand die nieuw moet beginnen. In Duitsland heeft zich een establishmentkunst gevestigd die slechts in enclaves in grote steden concurrentie krijgt van initiatieven van de kunstenaars zelf. Getalsmatig vertaald gaat dat om de establishment cultuurpolitiek van SPD en CDU/CSU tegenover de Groenen die uitgaan van de kunst en de kunstenaars.

Het gaat dus om de vrijheid van de kunst, of nog liever gezegd om de vraag wat de functie van kunst is. Of nog anders geformuleerd, kan kunst die getemd, gepamperd en ondergeschikt is gemaakt aan doelen van politieke partijen nog kunst genoemd worden? Of is die ‘kunst’ verworden tot een circusact van een paard dat eindeloos door de piste mag draven onder applaus van de politiek die zich ervoor zelfgenoegzaam op de borst klopt?

Wieringa doet er verstandig om een doorstart in zijn denken te maken over de Duitse cultuurpolitiek. Hij heeft uiteraard gelijk wat de aftandse stand van de Nederlandse cultuurpolitiek betreft. Hoofdfiguren als premier Mark Rutte, minister Eric ‘kunst is een hobby’ Wiebes en minister Ingrid van Engelshoven kunnen hun weerzin tegen de kunstsector niet verbergen. Op lokaal niveau tonen cultuurwethouders juist ongegeneerd hun weerzin door zich af te zetten tegen de kunst. In 2017 zei de Alphense cultuurwethouder Kees van Velzen (CDA) over een kunstwerk in de publieke ruimte dat hij het ‘foeilelijk’ vond en wilde vervangen door een werk dat ‘meer uitstraling en betekenis heeft voor de identiteit van de gemeente’. Dat is de kern waar het om gaat. Merkel wil de kunst inzetten voor de identiteit van Duitsland. Maar zijn we het er niet over eens dat kunst zich niet tot een lover boy of in het Duitse geval tot een deftige courtisane van de politiek moet laten maken?

Foto: Schermafbeelding van deel columnDe wereld van gisteren’ van Tommy Wieringa in NRC, 28 augustus 2020

Amputeren van films om politieke denkbeelden is geen oplossing. Kunstenaars en kunstjournalisten moeten zich er tegen verzetten

De weg die NRC’s filmredacteur Coen van Zwol kiest is heilloos. Namelijk het wegpoetsen van vlekjes uit films om politieke redenen. Het valt te bezien of hij de gevolgen van zijn eigen betoog dat wat terloops en laconiek tot stand lijkt te zijn gekomen goed inschat. Er valt best iets voor te zeggen dat films opnieuw gemonteerd worden volgens de inzichten van de regisseur (directors cut) omdat dat past bij de integriteit van het werk, maar het gaan snijden in film wegens veranderende maatschappelijke en politieke ontwikkelingen is een zee om te drinken. Er komt geen einde aan. Dat leidt er namelijk toe dat bij elke maatschappelijke ontwikkeling werken van fictie door de veranderende omstandigheden aangepast moeten worden. Dat is onzinnig. Het was beter geweest als Van Zwol daar stelling tegen had genomen. Maar dat inzicht verwoordt hij niet. Daarnaast lijkt zijn kijk op deze kwestie te beperkt door al te makkelijk aan te haken bij de mode van het moment.

Opvallend aan Van Zwols betoog is dat hij de meest opvallende, controversiële film uit de Amerikaanse filmgeschiedenis niet noemt. Namelijk ‘The Birth of a Nation’ (1915) van D.W. Griffith dat bij de uitbreng al beschouwd werd als controversieel vanwege de politieke inhoud. De geschiedenis van de omgang met deze film is een voorbeeld hoe dat in de praktijk kan werken. Erin wordt de Ku Klux Klan verheerlijkt en het idee van witte suprematie aangehangen. De waardering van dit meesterwerk geeft aan hoe er met klassiekers omgegaan moet worden. Het wordt ondanks de bedenkelijke politiek inhoud beschouwd als een mijlpaal in de filmgeschiedenis vanwege onder meer de vernieuwing van de filmtaal. Het amputeren van deze film ontneemt het zicht op de ontwikkeling van de filmgeschiedenis. Dat is ongewenst, ongelukkig en onwetenschappelijk.

Van belang is dat de kritiek op deze film niet werd ingegeven door het recente antiracismedebat dat vanuit de VS is overgewaaid naar Europa, maar al 100 jaar bestaat. De paradox is dat dat de film heeft gered voor een simplistische lezing die nu allerlei films en tv-series treft die ervan worden beticht politiek niet correct te zijn. De promotie van een film tot wetenschappelijk belangrijk werk beschermt het tegen het publieke debat over populaire cultuur dat weinig stabiel en rechtlijnig is. De prijs daarvoor is dat ‘The Birth of a Nation’ ooit in het filmtheoretische debat van filmwetenschappers als David Bordwell of Kristin Thompson is geannexeerd en daardoor geïsoleerd is geraakt. Zeg, het circuit van verantwoorde vertoningen op universiteiten of filmclubs.

Dat staat ver af van de commerciële amortisatie die films nu treft op platforms als Netflix. Films moeten voor een breed publiek aanvaardbaar gemaakt worden door de controversiële aspecten ervan weg te snijden. Dat betreft niet alleen controversiële aspecten die nu onder invloed van het antiracisme en MeToo-debat centraal staan, maar ook gewone politieke standpunten die niet passen in het beleid van behoudzuchtige holdings. Een politiek aspect blijkt dus bij nader inzien ook, of zelfs uitsluitend, een commercieel aspect te zijn.

Essentie van de filmgeschiedenis is dat films in hun eigen tijd tot stand zijn gekomen en niet herschreven dienen te worden. Uiteraard kunnen ze zonodig achteraf in een context geplaatst worden door achtergronden bij de film te geven. Maar de film zelf moet niet gewijzigd worden door vermeende controversiële passages eruit te knippen. De erkenning dat een politiek verwerpelijke film of een film met politiek verwerpelijke passages samen kan gaan met de waardering ervoor vanwege andere kwaliteiten is het begin van een goede omgang met de film- en televisiegeschiedenis. In 1992 bestempelde het U.S. Library of Congress ‘The Birth of a Nation’ als “culturally, historically, or aesthetically significant” en nam het op in de National Film Registry. Het American Film Institute zette het op plek 44 van 100 belangrijke Amerikaanse films.

Waardering of gewoonweg achting voor een film wil niet zeggen dat ermee de politieke inhoud wordt erkend, maar dat de waarde van de film ondanks die politieke inhoud wordt erkend. Het huidige politiek debat over identiteit is een gevaar voor werken van fictie. De valkuil van dat debat is de gemakzucht ervan om kunst als wisselgeld voor politieke doeleinden te beschouwen. Dat tast de integriteit van kunstwerken aan. Daar moeten kunstenaars en kunstjournalisten zich teweer tegen stellen. Kunst die toch al zo kwetsbaar is wordt om politieke redenen onterecht verder in het verdomhoekje geplaatst. Hiermee verdwijnt de functie van kunst dat een venster op de tijd geeft waarin het gemaakt wordt uit zicht. Juist bij film is dat een belangrijke functie.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelDie film, kan dat eigenlijk nog wel?’ van Coen van Zwol in NRC, 18 augustus 2020.

Foto 2: Still uit The Birth of a Nation (1915) Van D.W. Griffith. Met Walter Long.