Waarom wijzigt eindredactie NRC achteraf kop bij artikel over Afrika Museum?

Schermafbeelding van deel artikel Met de collectie wordt ‘onzorgvuldig omgegaan: Wat gebeurt er straks met het Afrika Museum?‘ van 23 april 2022 in NRC met gewijzigde kop. In de browser staat ‘onenigheid-over-de-koers-bedreigt-afrika-museum‘.

Op 23 april 2022 plaatste ik het commentaarElementen voor een vervolg op een artikel in NRC over Afrika Museum‘ naar aanleiding van een artikel in NRC van die dag van Marit Willemsen over het Afrika Museum. Ik vond dat Marit Willemsen vele kansen had laten liggen en niet erg diep op dit onderwerp was ingegaan. In mijn commentaar beredeneerde ik wat zij ongenoemd had gelaten. Het commentaar sloot ik af met de volgende woorden:

Schermafbeelding van deel commentaarElementen voor een vervolg op een artikel in NRC over Afrika Museum‘ van George Knight, 23 april 2022.

Nu is de kop die op 23 april 2022 luidde ‘Onenigheid over de koers bedreigt Afrika Museum‘ veranderd in ‘Met de collectie wordt ‘onzorgvuldig omgegaan: Wat gebeurt er straks met het Afrika Museum?‘. De kop van de papieren versie van 25 april 2022 luidde weer anders: ‘Ruzie bedreigt het Afrika Museum‘.

De beslissende rol van de eindredactie van NRC valt op. Die doet meer dan het monteren van teksten, maar geeft daar ook kleuring aan. Die rol stopt blijkbaar niet op en kort voor 23 april 2022, maar gaat ook na publicatie in papier en online nog door.

Sleutelen achteraf aan koppen door eindredacties moet terughoudend gebeuren. Want de archieffunctie van een medium wordt erdoor verstoord. Wat was er volgens de eindredactie van NRC fout aan de eerste kop ‘Onenigheid over de koers bedreigt Afrika Museum‘? Is de hoofdredactie van NRC door een van de betrokkenen na publicatie van het artikel van Marit Willemsen aangesproken door een van de twee in het artikel genoemde betrokken organisaties en heeft die druk gezet om de kop te wijzigen? Het hoeft niet zo te zijn, maar de wijziging roept deze optie over zich af.

De wijziging van de kop roept de vraag op waarom er een nieuwe kop is gekomen. Werd achteraf de kop van 23 april 2022 niet goed bevonden door iemand die de eindredactie die de eerste kop maakte heeft teruggefloten? Het is moeilijk in te schatten omdat het niet bij het artikel met de nieuwe kop wordt gemeld. Zodat het lijkt alsof de tweede kop de oorspronkelijke kop was. Het melden van wijzigingen in een artikel is blijkbaar bij NRC geen gebruik. Bij veel Angelsaksische media is dat wel zo. Zij melden dit soort wijzigingen nauwgezet.

De tweede kop is dubbelzinnig en minder duidelijk dan de eerste kop. Verwarrender dus. Het woord ‘onzorgvuldig’ wordt tussen enkele aanhalingstekens geplaatst. Dat kan betekenen dat het om een citaat gaat. Maar het kan ook betekenen dat het om een gefingeerd citaat gaat. Van wie blijkt niet uit de kop.

Het lijkt er sterk op dat de eindredactie van NRC zelf behoefte heeft aan eindredactie. In elk geval legt de wijziging van de kop opnieuw de focus op de onenigheid tussen het NMVW en de Congregatie van de Heilige Geest over het Afrika Museum.

Schermafbeelding van deel artikel ”Onenigheid over de koers bedreigt Afrika Museum‘ in NRC, 23 april 2022. Met kop die achteraf door NRC is gewijzigd. Via commentaar van George Knight, 23 april 2022.

Elementen voor een vervolg op een artikel in NRC over Afrika Museum

NRC heeft geprobeerd om in een artikel over het Afrika Museum nuances aan te brengen en suggestieve opmerkingen achterwege te laten. Het geschil tussen het NMVW (Nationaal Museum van Wereldculturen) en de Congregatie van de Heilige Geest over het Afrika Museum in Berg en Dal ligt gevoelig. De Congregatie heeft de huurovereenkomst met het NMVW per 1 januari 2025 opgezegd. Tegen welke achtergrond speelt de controverse? Deze reactie probeert de basis voor een onderzoeksartikel te leggen dat oordeelt op basis van feiten en cruciale omstandigheden.

Schermafbeelding van deel artikelOnenigheid over de koers bedreigt Afrika Museum‘ van Marit Willemsen in NRC, 23 april 2022.

Moralisme

Het NMVW moraliseert. Dat is een prima verdedigingslinie om politiek en media op afstand te houden. Ze breken er niet doorheen of missen het besef dat dit een kwestie is. Gemoraliseer is een gevaar als het afleidt van het passende antwoord. Of liever gezegd van het stellen van de goede vragen. Daar gaat het artikel mank aan.

NRC-correspondent Oost-Nederland Marit Willemsen laat in haar artikelOnenigheid over de koers bedreigt Afrika Museum‘ van 23 april 2022 de woordvoerder van het NMVW praten en citeert geen antwoorden op scherpe vragen die ze hem stelt. Zodat men hieruit mag afleiden dat ze die vragen niet heeft gesteld.

Moralisme is niet waar het geschil over het Afrika Museum tussen het NMVW en de Congregatie over gaat. Het gaat over geld en macht.

Tussen de abstractie van mooie woorden die niet te verifiëren zijn en de macht van het geld dat zich grotendeels achter de ambtelijke en politieke schermen afspeelt kan een museum getoetst worden aan professionaliteit. Opvallend is dat beide partijen vinden dat het daar bij de ander aan schort. Kan het allebei waar zijn?

Gebrek aan professionalisme en strijd om geld

Het gebrek aan professionalisme van het NMVW dat in 2020 17,5 miljoen euro via regelingen van OCW ontving om een professionele museale organisatie op te bouwen zou door twee vragen die in het artikel onvoldoende aandacht krijgen bevraagd kunnen worden.

De eerste vraag is waarom het NMVW in het beleid mensen centraal stelt en objecten afwaardeert. Of attributen zoals toenmalig directeur Stijn Schoonderwoerd in 2019 zegt. Wat is de rol van de kunstobjecten in de collectie? Ze lopen het lot om tot een plaatje bij een praatje dat het NMVW wil verkondigen te verworden. Dat roept de vraag op waar de drie musea voor staan die samenwerken in de koepel NMVW en wat voor zelfbeeld degenen hebben die het beleid bepalen.

Zijn het kunstmusea die uitgaan van de objecten of eerder historiserende musea die aan de hand van de objecten een verhaal vertellen? Vanzelfsprekend is de keuze voor het laatste niet. Integendeel. Buitenlandse etnografische musea als het Duitse Hombuld Forum zetten de objecten centraal in hun presentatie. Dat hoeft per definitie ook weer niet, maar aanvaardt het evenmin als vanzelfsprekendheid dat objecten niet centraal worden gesteld.

De andere vraag die niet gesteld wordt is of het NMVW standaard volgens de geldende museale normen werkt. Dat zou een vanzelfsprekendheid moeten zijn voor musea die zijn aangesloten bij het Museumregister en de Museumvereniging. Daarbij komt dat het NMVW een budget van 24 miljoen euro heeft (2020). Zo’n bedrag brengt verplichtingen over de verantwoording van de werkwijze en de besteding met zich mee. Aanleiding voor twijfel voor de juiste besteding van het budget zijn herhaaldelijk optredende onregelmatigheden met klimatisering, brandveiligheid en slordige behandeling van objecten. Dat moet in kaart gebracht worden.

Identiteit

Willemsen praat direct met de Engelssprekende Jamaicaan Wayne Modest over Afrika en vertegenwoordiger Carel Verdonschot van de Congregatie mag daar op reageren. Het is de vraag of dat een evenwichtige journalistieke opstelling is. Daarbij komt dat het lijkt alsof van Modest vanwege zijn persoonlijke achtergrond wordt gedacht dat hij meer recht van spreken heeft. Maar heeft hij daarover meer te vertellen dan de paters van de Congregatie die betrokken zijn bij het Afrika Museum? Terwijl de laatsten daar gewoond en gewerkt hebben en het nog maar de vraag is of Modest ooit in Afrika is geweest.

Dat is het mechanisme van identiteit waardoor het artikel uit het lood komt te staan. Door die oppervlakkige laag vernis over identiteit weten tot nu toe alle artikelen over het NMVW niet tot de kern door te dringen. Ze graven niet dieper, maar blijven aan de oppervlakte van de vernislaag hangen. Dat proberen te bewerkstelligen is een defensieve strategie van het NMVW.

Identiteit die ons reduceert tot een enkel hokje is een belediging voor ons denken. ‘We zijn méér dan man, vrouw, wit, zwart, lesbisch of hetero‘, zegt Kwame Anthony Appiah. Journalisten die er stilzwijgend van uitgaan dat een enkel hokje veel, zo niet alles verklaart bezondigen zich aan lui denken.

Huidskleur is precair om te benoemen en behoort in positief noch in negatief opzicht een verschil te maken over de inhoud. Het NMVW zet het via het optreden van Modest bewust in als joker en verbindt het direct met uitspraken over kolonialisme of slavernij die daarmee geabsolveerd worden en niet meer open ter discussie kunnen worden gesteld.

Journalisten zijn terecht huiverig om daar verdere vragen over te stellen omdat ze dan raken aan de identiteit van de woordvoerder. Hun kompas wordt stuk gemaakt. De roze olifant in de kamer is in dit geval zwart. Wat niet wordt gezegd over het NMVW wordt zo interessanter dan wat wel wordt gezegd.

Pure overtuiging

Het artikel is interessant vanwege de impliciete claim van het NMVW op de meest pure overtuiging. Dat is als vanouds het voorrecht van religieuze organisaties als de paters van de Congregatie. Dat voorrecht betwist het NMVW door er haar eigen ietsistisch moralisme tegenover te zetten.

Zo ontstaat een onuitgesproken ideeënstrijd tussen de spiritualiteit van het NMVW die een combinatie is van marketing, zingeving, linksige politiek en claims op eigentijdsheid en moderniteit, en de traditionele godsdienst van de Congregatie die in eeuwen binnen marges is vastgelegd.

Deze claims en verschillen voeden het onbegrip tussen beide partijen. De vaagheid van het NMVW geeft deze organisatie manoeuvreerruimte en onduidelijkheid, terwijl de fixatie van de Congregatie traditie en voorspelbaarheid geeft.

Het is verre van verwonderlijk dat het NMVW beter bij de tijdgeest aansluit en vertegenwoordigers van de media zich daar beter mee kunnen identificeren. Zonder het volledig te hoeven begrijpen. Dit wordt versterkt doordat het NMVW door de gezochte vaagheid van overtuiging die brede marges opzoekt en zo bijna iedereen een mentale plaats biedt, terwijl het katholicisme van de paters strikter bepaald is en die manoeuvreerruimte mist.

Door sluimerende misbruikschandalen binnen de katholieke kerken hebben katholieke organisaties ook nog eens een slechte pers gekregen. Wat uiteraard niets met deze kwestie te maken heeft. Maar het bepaalt de beeldvorming. Van publiek en journalistiek.

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Missiepartners‘ van het NMVW op site Afrika Museum. Met tekst: ‘Mission first. Wij zijn een missiegedreven organisatie. Ons doel is te inspireren tot een open blik op de wereld en bij te dragen aan wereldburgerschap. In Nederland en ook elders in de wereld. Wij vertalen die missie door in al onze activiteiten, ook zakelijk. Onze partners delen die visie. Ook voor hen geldt: mission first. Dat betekent dat samenwerking meer zal opleveren dan geld alleen.

Slag in de media

Het NMVW profileert zich in de media met linksig identitair denken en ietsistisch moralisme waarvan journalisten in hun achterhoofd denken dat ze het met goed fatsoen niet tegen kunnen spreken. Omdat dat ongepast is en omdat de overtuiging van het NMVW zo vaag is dat het weinig om het lijf heeft. Daarmee heeft het NMVW de slag in de media al gewonnen.

Die slag houdt in dat het niet meer over de inhoud gaat. Dat het niet concreet en verifieerbaar wordt. Dat het museale professionalisme van het NMVW niet ter discussie wordt gesteld. Dat de rol van de kunstobjecten niet centraal staat. Wat het NMVW beweert blijft vaag en abstract. Wereldburgerschap, eigentijdsheid. diversiteit, dekolonisatie. Vul maar in, het claimt van alles en zegt niks. Geen journalist die voldoende doorvraagt.

Achter die vaagheid zit een bewuste strategie van het NMVW dat jaarlijks dus 17,5 miljoen euro overheidssubsidie ontvangt en dat veilig wil stellen. Binnen het ministerie van OCW heeft het NMVW niet onpartijdige medestanders die de openbaarheid en verantwoording uit de weg gaan, maar zich wel vanachter de schermen in de kwestie blijven mengen. Is het een wonder dat de Congregatie door OCW niet wordt aanvaard als serieuze gesprekspartner?

Vervolg: een duurzaam artikel

Het Afrika Museum van voor de fusie van 2014 werd in de jaren daarvoor positief beoordeeld door de Raad voor Cultuur en visitatierapporten. Is het omgekeerde waar dat de huidige bedrijfsvoering van het Afrika Museum door het NMVW aan kwaliteit heeft ingeboet? Dat zou nader onderzocht moeten worden. Waarom begrijpt Modest niet dat hij met de verwijzing naar de in 2007 ingerichte ‘duistere’ eerste verdieping feitelijk zijn eigen NMVW een brevet van onvermogen geeft?

Het artikel vraagt óf om een antwoord met detaillering door een deskundige met kennis van zaken over het reilen en zeilen van het NMVW én het Afrika Museum óf om een vervolg dat het perspectief van de Congregatie beter doet uitkomen dan deze poging van Marit Willemsen. Ook de rol van OCW kan in zo’n artikel nader uitgewerkt worden.

Wellicht kan de onderzoeksredactie van NRC helpen om door factcheck de feiten en claims op moraliteit van NMVW en Congregatie op een rijtje te zetten voor de basis van een duurzaam artikel dat zich niet laat leiden door oppervlakkigheden die afleiden van de zaak. Niet in het minst over geld en macht. Hard geld gaat voor slappe praatjes. De lezer verdient beter dan een impressie.

Het Wereldmuseum heeft geen Rotterdams karakter, geen Rotterdams profiel en geen eigen identiteit. Dat is in strijd met de afspraken. De Rotterdamse politiek ziet het, maar handelt niet

In het Wereldmuseum te Rotterdam is tot en met 27 maart 2022 de tentoonstelling ‘What a Genderful World’ te zien. Uit een toelichting blijkt dat de tentoonstellingsmakers als hoger doel zien ‘dat mensen zelf bepalen wie ze zijn’. Dat staat haaks op het idee dat de mens een sociaal wezen is dat door de omgeving wordt gevormd. Het Wereldmuseum heeft de laatste twee weken tot nu toe op haar YouTube-kanaal zes video’s van 1 minuut met ‘Jamaal’ geplaatst die op straat mensen interviewt (Voxpop) over identiteit en gender.

In de tentoonstelling en de video’s met ‘Jamaal’ komen op z’n best allerlei misverstanden en op z’n slechtst bewust gemaakte foute keuzes samen. Ze komen op het volgende neer: 1) een inhoudelijke koers die bestaat uit weinig aandacht voor kunstobjecten en dominantie van ‘een maatschappelijke programmering‘; 2) populisme in de marketing en de programmering; 3) aanhaken bij politiek activisme om identiteit leidend te laten zijn in de marketing en programmering en 4) een achtergestelde positie en een flets profiel van het Wereldmuseum in de koepel het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMvW). In 2016 beloofde het NMVW in een persbericht dat het Wereldmuseum ‘een zelfstandig Rotterdams museum‘ zou blijven.

Het onderliggende, niet opgeloste probleem dat zich manifesteert in het huidige populisme van het NMvW is een brutale ontkenning van het niet uitvoeren van de in november 2016 in de Rotterdamse gemeenteraad aangenomen motie ‘Behoud Rotterdamse signatuur Wereldmuseum’ van de Partij voor de Dieren. Hiermee heeft de raad zich gecommitteerd aan ‘een Rotterdams karakter’ en ‘Het Rotterdamse profiel van het Wereldmuseum als onderdeel van de samenwerkende musea’.

Het Wereldmuseum lijkt de laatste jaren in een niemandsland beland te zijn tussen gelatenheid van de Rotterdamse raad die beseft dat de motie over de Rotterdamse signatuur niet wordt uitgevoerd, maar daar geen gevolgen aan verbindt, en een management van het NMvW dat het als haar opdracht ziet om ‘maatschappelijke’ verhalen te vertellen over wereldburgerschap, kolonialisme en identiteit. Deze abstractie die vervliegt in vaagheid en schimmigheid staat haaks op het vertellen van het concrete Rotterdamse verhaal. Essentieel is dat de door het NMvW aan het Wereldmuseum gegeven afspraak nageleefd wordt en de Rotterdamse politiek dat controleert. Maar dat gebeurt niet.

De ontwikkelingen richting populisme en abstractie van het NMvW verhouden zich slecht tot de motie over het Rotterdams karakter en het Rotterdamse profiel van het Wereldmuseum en het persbericht van het NMvW dat stelt dat het Wereldmuseum ‘een zelfstandig Rotterdams museum’ blijft.

Het is populisme van het management van het NMvW om kunstobjecten ten koste van een politiek doel in de mal van een ‘maatschappelijk’ verhaal te willen dwingen. Kunst laat zich daar per definitie niet toe dwingen. Zoals er geen katholiek voetbal bestaat, is er evenmin sprake van zwarte kunst of gender kunst. Wel van goede en slechte of relevante en niet-relevante kunst.

Het wordt er ronduit beschamend op als in genoemde video’s met ‘Jamaal’ het debat over identiteit het volledig overneemt. Er is geen enkele verwijzing naar de tentoonstelling ‘What a Genderful World‘. Laat staan naar Rotterdam. ‘Jamaal’ krijgt van het management van het NMvW alle ruimte om de boel op te leuken met deze als cabaretesk bedoelde video’s die niet oppervlakkiger en vluchtiger hadden kunnen zijn. Dat dit gebeurt valt deze ingehuurde acteur niet te verwijten, maar wel het management van het NMvW dat het communicatie- en tentoonstellingsbeleid formuleert.

Het NMvW negeert niet alleen de Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum, maar stuurt het in de marketing en programmering ook nog eens richting simplisme, populisme en politiek activisme. Dat is een serieus museum onwaardig. De eenduidigheid van het multiculturalisme strandt in koekoek éénzang waar steeds opnieuw hetzelfde voorgeprogrammeerde verhaal wordt verteld en interne pluriformiteit door het management niet wordt toegestaan.

Niet de identiteit van de geïnterviewden op straat of in een tentoonstelling dient ter discussie te staan, maar de identiteit van het Wereldmuseum. Want als we het dan toch over identiteit moeten hebben, dan geeft het persbericht uit 2016 de duidelijkheid die nu is vervaagd en waar geen van de betrokkenen uit 2016 zich nog sterk voor lijkt te willen maken: ‘het Wereldmuseum, met behoud van eigen identiteit‘. Waar is de toekomst van het Wereldmuseum gebleven? Het is de hoogste tijd dat Rotterdamse raad en gemeentebestuur zich daar opnieuw helder over uitspreken.

Christenen moeten beseffen dat er weinig overblijft van hun geloof als het gekaapt wordt door onbarmhartige, rechts-radicale hardliners

Schermafbeelding van deel artikelLieve, snoeiharde christelijke reageerders, wil je echt dat jouw ideeën werkelijkheid worden?‘ van Dick Schinkelshoek in het ND, 4 februari 2022.

Het is niet allesbepalend of iemand christelijk is. Het gaat erom hoe iemand in het leven staat en omgaat met anderen. Mensen hebben meerdere identiteiten. Hun geloof of levensovertuiging is er daar één van. Maar daar behoort het niet mee op te houden. Het is ongelukkig dat een allesbepalende identiteit alle andere identiteiten van een persoon bepaalt. Daarmee doet een individu zichzelf tekort en perkt het het menszijn onnodig in.

Dick Schinkelshoek is chef redactie geloof & kerk van het Nederlands Dagblad. Hij houdt in het opinie-artikelLieve, snoeiharde christelijke reageerders, wil je echt dat jouw ideeën werkelijkheid worden?‘ van 4 februari 2022 een pleidooi voor medemenselijkheid binnen het Nederlandse christendom. Hij laat een redelijk geluid horen.

Dat is moedig binnen de gepolariseerde protestante reformatorische kringen waar veel gelovigen zijn gepolitiseerd en onder de invloed van ofwel orthodoxie, ofwel conservatisme, ofwel rechts-radicalisme, ofwel rechts-extremisme zijn geraakt.

Ze doen wat Schinkelshoek signaleert, namelijk snoeihard zijn en niet naar andersdenkenden luisteren. Zelfs als die anderen uit eigen kring komen, maar een ‘mildere’ opstelling kiezen. In de VS verlaten deze ‘mildere’ of meer progressieve, voornamelijk jongere gelovigen de witte evangelische kerken die zich naar hun idee hebben overgeleverd aan het meedogenloze racistische denken van het Trumpisme. In Nederland bestaan contacten tussen de rechts-extremistisch partij FvD en conservatieve christenen in de theocratische SGP. (Overigens ben ik van mening dat onderzocht moet worden of deze beide partijen ontbonden kunnen worden).

Schinkelshoek voert een somberende vriend op die zegt: ‘Soms lijkt het dat na alle kerkverlating alleen nog gekkies in de kerk zijn achtergebleven‘. Schinkelshoek voegt toe dat hij ‘ernstig hoopt dat hij ongelijk heeft, dat de kerk ook vandaag meer te bieden heeft dan schreeuwende fundi’s en liefdeloze radicalo’s’, maar hij beseft dat hij ongelijk heeft. De vraag stellen is de vraag beantwoorden. Gekkies hebben de overhand gekregen binnen de kerken. Die zijn gekaapt door schreeuwerds en liefdelozen.

Schinkelshoek komt tot zijn gedachten na het zien van het eerste seizoen van de serieThe Handmaid’s Tale‘ (2017- ….) dat is gebaseerd op het boek van de Canadese schrijfster Margaret Atwood. Het speelt zich af in de christelijke dictatuur Gilead die de Amerikaanse republiek heeft verdrongen. Bij gebrek aan geboorten worden dienstmaagden met een beroep op God door hoge functionarissen, ‘commandors’, verkracht met als opzet om kinderen te baren. Dat is het systeem.

Sterk aan de eerste twee seizoenen van ‘The Handmaid’s Tale‘ is het uitvergroten van christelijke hypocrisie die kan bestaan binnen een structuur waar godsdienst, politiek, schijnheiligheid en dictatuur samengaan. De latere seizoenen wisselen kritiek op dit christelijke (waarden)systeem in voor de individuele ontwikkeling van hoofdpersoon June en verliest daardoor aan zeggingskracht.

De christenen of pseudo-christenen van Gilead praten met zalvende woorden hun snoeiharde, onmenselijke gedrag goed. Tot en met moorden en verkrachtingen. De serie ‘The Handmaid’s Tale’ laat goed zien dat godsdienst die in verkeerde handen valt en wordt gekaapt door gepolitiseerde kerkleiders een sterk wapen is waar verzet tegen moeilijk is. Dat is het duale gebruik van godsdienst. Het kan goed én verkeerd ingezet worden. Als het laatste het geval is, dan komt er een ongekende kracht vrij die in eeuwen opgebouwd is.

Hoe bestrijdt men een vermeende hogere macht die onbereikbaar en anoniem is, beschermd wordt door traditie en voor verkeerde doeleinden wordt ingezet? Mijn reactie op de FB-pagina van het Nederlands Dagblad bij Schinkelshoeks artikel:

Still uit ‘The Handmaid’s Tale‘, 2017 (eerste seizoen). Credits: HULU/BARBARA NITKE.

Compassie is voor vele conservatieve christenen niet weggelegd. Het is nog kwalijker, ze zoeken aansluiting bij extreem-rechts. Dus bij een politieke stroming die een gedachtenwereld heeft die haaks staat op het evangelie van Jezus. Dat schuurt. 

Net zoals Nederlandse moslims wordt gevraagd om afstand te nemen van het islamisme, zouden Nederlandse christenen gevraagd moeten worden om afstand te nemen van dat christelijk rechts-extremisme. Dat gebeurt niet. Er wordt echter wel een poging gedaan om een godsdienst te kapen en in radicaal politiek vaarwater te brengen. 

Komt die terughoudenheid van christelijke kerkleiders door een gebrek aan zelfreflectie, gebrek aan durf, onderlinge verdeeldheid, een verkeerde opvatting over wat christenheid is of door het verkeerd begrijpen van de eigen tijd? 

Nederlandse gelovigen hebben het moeilijk omdat ze met steeds minder zijn, hun macht afneemt en hun vanzelfsprekende voorrechten van voorheen geleidelijk verdwijnen. 

Het geloof is steeds meer vergelijkbaar met kunst: een culturele uiting. Dat besef kan christenen bevrijden van de ratrace om macht uit te oefenen. Ze kunnen terugkeren naar de kern van hun geloof: zingeving, troost en het zoeken van verbinding in eigen kring. Dat is de bevrijding die voor Nederlandse christenen een zegen in vermomming kan zijn. Verdieping in plaats van verbreding. 

Hoe onbelangrijker in maatschappelijke zin het christendom wordt, hoe belangrijker het in de kern kan zijn. Daar ligt de winst. Niet in het najagen van doelen die door demografische en culturele ontwikkelingen zijn afgesloten. Tel je zegeningen, christenen, en doe het goede wat binnen je bereik is. Laat je niet opjagen en uit elkaar spelen door rechte extremisten die alleen maar het geloof willen kapen voor eigen doeleinden. 

Niet-joodse Helen Mirren krijgt kritiek van joodse Maureen Lipman vanwege haar filmrol van de joodse Golda Meir

Schermafbeelding van deel artikelMaureen Lipman attacks casting of Helen Mirren as former Israeli PM Golda Meir‘ in The Guardian, 5 januari 2022.

De joodse actrice Maureen Lipman zet vraagtekens bij het feit dat de niet-joodse Helen Mirren in een film van de Israëlische regisseur Guy Nattiv gecast wordt als de joodse voormalige Israëlische premier Golda Meir. The Jewish Chronicle besteedt er in een artikel van 3 januari 2022 aandacht aan.

Lipmans argument is ‘dat de joodsheid van Meirs personage “integraal” is’. Wat ze daar precies mee bedoelt is onduidelijk. Het lijkt ermee te maken te hebben dat volgens Lipman Mirren haar rol niet voldoende ‘doorleefd’ kan hebben. Lipman zet geen vraagtekens bij Mirren als actrice en vermoedt dat ze geweldig zal zijn in de rol van Meir.

De essentie van het acteren is dat een acteur door te ‘doen alsof’ geloofwaardig in de huid van een ander kruipt. Maar blijkbaar wordt dat ‘doen alsof’ niet meer voldoende geacht door politieke activisten die menen dat het bij acteren niet meer draait om zo goed mogelijk ‘doen alsof’, maar om het feit van ‘het zijn’. Het acteren, ofwel de kunst wordt zo ondergeschikt gemaakt aan een politiek-maatschappelijk doel.

De opvatting van Lipman betekent een teruggang naar stereotypering. Naar een opvatting dat een rol wat de belangrijkste kenmerken betreft moet samenvallen met de acteur. Het is een pleidooi voor de herleving van oerbeelden die zijn wat ze zijn en niets meer of minder. In deze opvatting wordt de eendimensionele tronie de norm. Dat staat haaks op wat acteren in de kern is.

Het activisme dat uitgaat van eigenheid zal de casting van rollen in film of theater bemoeilijken als de kenmerken van rollen overeen moeten komen met de kenmerken van de acteurs. Als de geest uit de fles is wacht een onoplosbare puzzel van verschillen wat etniciteit, religie, regionaliteit, leeftijd, seksuele oriëntatie, beperking, sociaal-economische status en opleidingsniveau betreft. Hoever kan de herverkaveling gaan voordat de casting vastloopt?

In dit verband is het begrip ‘Jewface‘ gemunt, dat zowel een claim op gelijke rechten als een openlijke toe-eigening van joodse rollen door joodse acteurs is. De uiterste consequentie van deze claim is dat joodse acteurs voortaan geen rollen van niet-joodse karakters meer toebedeeld kunnen krijgen.

De herverkaveling en afscherming van rollen is begrijpelijk vanuit het oogpunt van politiek activisme, maar onbegrijpelijk op het niveau van de verbeelding, de creativiteit en het slechten van grenzen tussen groepen.

Wat is het eigenlijk dat Lipman tot haar kritiek op de casting van de niet-joodse Mirren als de joodse Golda Meir brengt? Haar beweegredenen kunnen divers zijn: kinnesinne, profileringsdrang als actrice of als politiek activiste, werkgelegenheid of een meningsverschil. De kritiek past in elk geval in de huidige golf van identiteitspolitiek die de kunsten heeft bereikt en nieuwe grenzen optrekt en ‘cultuurdragers’ uitsluit vanwege een vermeend verkeerde identiteit.

De nieuwe apartheid richt met verwijzing naar emancipatie en representatie nieuwe scheidslijnen op tussen groepen. Dat kan zinvol zijn voor activisten en voor de positie van een benadeelde minderheidsgroep die de toegang tot een specifieke kunstdiscipline structureel wordt ontzegd, maar het is rampzalig en contra-productief voor de kunst. Het valt overigens te betwijfelen of joodse acteurs tot een structureel benadeelde minderheidsgroep behoren.

De stille dood van het kunstbeleid. Waarom haalt de politiek de begrippen kunst en cultuur mentaal, beleidsmatig en budgettair niet uit elkaar?

Paragraaf ‘Cultuur‘ als standpunt van de VVD.

I. Robbert Dijkgraaf is de beoogde minister van OCW. Het ligt in de rede dat zijn beleidsterreinen Hoger Onderwijs, Wetenschap en Wetenschappelijk Onderzoek zullen zijn. Maar de verdeling van de beleidsterreinen op dit departement zijn nog niet bekend. 

Daarnaast komen er op dit departement een minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en een staatssecretaris Cultuur en Media. Die laatste functie wordt opnieuw ingevoerd (na Aad Nuis, Rick van der Ploeg, Cees van Leeuwen, Medy van der Laan) nadat die in 2007 was afgeschaft. Het is dus niet waarschijnlijk dat Dijkgraaf de eerst verantwoordelijke bewindspersoon voor Cultuur wordt. 

Interessanter is de vraag of D66 een kunstenaar tot staatssecretaris Cultuur en Media maakt. 

II. Het is verhullend om bij dit staatssecretariaat over Cultuur te praten terwijl Kunst wordt bedoeld. Cultuur omvat het bloemencorso, het carnaval, de braderie, het buurtfeest, het oliebollenkraam, de lokale sportwedstrijd en allerlei verbindende aspecten in de samenleving.

Kunst heeft andere functies, doelen en bestaansredenen dan Cultuur, hoewel er overlap bestaat. Waarom blijft de politiek zo aan de verhullende paraplu-term Cultuur hangen? Wat is de logica daarvoor? Waarom maakt de politiek geen knip tussen Kunst en Cultuur? Nu wordt Kunst achter of in de Cultuur verstopt. Ook budgettair. 

Het zou duidelijker zijn voor zowel Kunst als Cultuur om ze ‘mentaal’ en beleidsmatig te scheiden en bij verschillende departementen onder te brengen zoals dat trouwens voorheen het geval was.

Dan zouden we weer kunnen spreken over een Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zoals dat van 1918 tot 1965 bestond en een Ministerie van Cultuur, Recreatie, Identiteit en Maatschappelijk Werk (CRIM) zoals dat in de voorganger CRM van 1965 tot 1982 bestond. 

Het is interessant voor auteurs, onderzoekers en kritische geesten om te beredeneren wat de sociale en politieke overwegingen waren in de jaren 1960 tot 1980 om Kunst en Cultuur op een hoop te gooien. En wat de politieke en sociale overwegingen zijn in 2021/2022 om die hoop te laten bestaan.

III. De VVD is de kwade genius van het kunstbeleid. Al in de jaren 1950 spraken vertegenwoordigers van de VVD neerbuigend over kunst. VVD-kamerlid Thierry Aartsen zette deze traditie binnen deze partij voort en had vanaf 2018 cultuur (o.a. Erfgoedinspectie, Bibliotheek en letterenbeleid, monumenten), Media, Arbeidsomstandigheden, Inspectie & toezicht in zijn portefeuille.

Wat de VVD onder ‘Cultuur’ of ‘Kunst’ verstaat wordt uit bovenstaande cultuurparagraaf niet duidelijk. Van een politieke partij die dat onderscheid niet maakt en beide begrippen door elkaar heen gebruikt valt te vrezen dat het niet wil dat wij weten wat het verschil tussen kunst en cultuur is. Het is waarschijnlijk dat de VVD om politieke redenen bewust beide begrippen door elkaar heen gebruikt om onduidelijkheid te zaaien en de Kunst te knechten.

Zo is het volstrekt onbegrijpelijk wat er in de tweede alinea staat. De zinnen hangen als los zand aan elkaar zonder dat er een oorzakelijk verband tussen bestaat: ‘Wij vinden dat kunst en cultuur toegankelijk horen te zijn voor iedereen. Subsidies moeten dus niet alleen naar Amsterdam gaan, maar verspreid worden over het hele land. De overheid stelt zich daarbij neutraal op, want volkscultuur is ook cultuur. Zo kunnen bijvoorbeeld festivals ook in aanmerking komen voor subsidie‘. Wat is het verband tussen een neutrale overheid die overigens per definitie niet bestaat en volkscultuur? Bedoelt de VVD met cultuur (=kunst) en met volkscultuur (= cultuur)? Want cultuur is altijd volkscultuur. Hoe dan ook zorgt de VVD in deze cultuurparagraaf voor onduidelijkheid en goochelt het met de begrippen Kunst en Cultuur die het verhullend gebruikt.

IV. Cultuur is de weerslag van de samenleving. De waarde van kunst is dat het zich deels ontworsteld heeft aan de macht, weerstand biedt aan onderwerping en haaks op de samenleving staat. Het heeft voor kunstenaars die de kunst instromen een vrijplaats bevochten.

Kunstenaars staan niet zozeer op de schouders van een traditie zoals in de Renaissance over de Grieken werd gezegd, maar op de schouders van een toevallige bundeling van omstandigheden die lang geleden genoeg opgestart is om nu stand te kunnen houden. Of af te worden gebroken door de politiek.

Dat tekent de paradox van kunst die cultuur niet heeft. Kunst moet ver genoeg van politieke en maatschappelijke krachten blijven om er vrij en onbevreesd op te kunnen spiegelen, maar moet ook weer niet te veel afstand nemen om ‘voor eigen bestwil’ in een reservaat te eindigen. Kunst valt op te vatten als aanscherping en verbijzondering van cultuur. Het verbindende aspect is bijkomend in kunst. Door kunst ook dat aspect toe te meten wordt kunst een functie opgelegd die er niet de kern van is, maar er om oneigenlijke, politieke redenen opgeplakt wordt.

V. Wat de VVD met kunst wil wordt uit de beschrijving duidelijk. De VVD gunt het kunst niet om een vrijplaats te zijn. De VVD wil die vrijplaats afbreken. De VVD wil kunst maken tot weerslag van de samenleving, goochelt daarom met de begrippen kunst en cultuur, en zaait bewust verwarring. De VVD heeft in de cultuurparagraaf niet het lef om kunst frontaal aan te vallen, maar probeert de functies en doelen ervan slinks te smoren in begripsverwarring. Namelijk door kunst te vervangen door het bredere en met de samenleving samenvallende begrip cultuur. Zodat kunst van scherpte en autonomie ontdaan wordt.

Zo is de missie van de VVD geslaagd, zonder dat we doorhebben dat de kunst in het beleid doelbewust van haar scherpte wordt ontdaan. Een progressieve partij als D66 vindt het vermoedelijk op dit moment niet de moeite waard of mist de macht om daar tegenin te gaan en een speciale positie voor Kunst op te eisen. Zo wordt Kunst indirect getemd en vervangen door en verborgen achter het begrip Cultuur. Noodgedwongen neemt D66 genoegen met een staatssecretaris van Cultuur.

VI. Wat ooit als emancipatiebeweging in de jaren 1960 begon is 50 jaar later geëindigd in een wisseltruc waardoor de Kunst verdwijnt. Zonder dat iemand het merkt en er een punt van maakt. Dat is de stille dood van het kunstbeleid. Maar taal doet ertoe. Het is de hoogste tijd om ons er bewust van te worden en er iets aan te veranderen. Laat dat onze garantie voor de toekomst zijn.

Tot wat leidt spanning in de Code Diversiteit en Inclusie?

Schermafbeelding van een deel van de FB-paginaCode Diversiteit & Inclusie‘, 27 oktober 2021.

De Code Diversiteit en Inclusie in de culturele sector (april 2021) werpt een schaduw over de kunsten. Het Mondriaan Fonds hanteert deze gedragsregel. Veelzeggend is een opmerking in een vacature van dit Fonds voor een adviseur diversiteit en inclusie: ‘Daarbij word je nadrukkelijk gevraagd om je eigen perspectief mee te nemen naar de vergadertafel. Wel vragen we je over je eigen voorkeuren heen te kijken en een moreel of politiek oordeel te vermijden‘.

Uit deze twee zinnen blijkt spanning. Het is de vraag hoe reeël het is om van een adviseur met een ‘eigen perspectief‘ te verlangen om werkzaam te zijn zonder ‘een moreel of politiek oordeel‘ en wat dit zegt over het beleid dat het Mondriaan Fonds nastreeft. Ofwel, vraagt het Fonds het onmogelijke van adviseurs en hoe goed is het in staat om beleid door te voeren als bijna onmogelijke eisen aan de eigen medewerkers worden gesteld? Wat zegt dat over de status van de Code Diversiteit en Inclusie?

Spanning is het woord dat in de Code Diversiteit en Inclusie zit. Immers toch een grabbelbak van ongelijkheid waarin het compromis tussen belangen valt te herkennen. Spanning speelt op het vlak van de verschillende vormen van verschil in diversiteit en inclusie die afzonderlijk niet evenveel aandacht krijgen of even belangrijk worden geacht door de beleidsmakers en op het vlak van zichtbaarheid van verschillen van diversiteit die tot een hiërarchie leidt waarbij zichtbaarheid politieke steun op het hoogste niveau krijgt. Etniciteit en gender hebben de hoogste aandacht.

Onderstaande reactie plaatste ik op de FB-pagina ‘Code Diversiteit & Inclusie‘ omdat daarin de spanning valt te herkennen tussen de vormen van diversiteit en inclusie. Omdat die reactie op deze pagina nauwelijks of niet terug te vinden is, plaats ik die ook hier. Ik meen dat de mensen achter deze pagina moeite doet om het ‘breed’ te houden, maar er toch niet goed in slagen. Of dat komt door gebrek aan content, door een politiek of moreel vooroordeel van henzelf, door een gebrek aan urgentie of door een beleid van hogerhand dat selectiviteit oplegt vraag ik me af:

Schermafbeelding van deel brochureCode Diversiteit & Inclusie in de culturele sector‘.

De Code Diversiteit en Inclusie zegt op p. 6: ‘De code is van origine gericht op culturele diversiteit. Daarnaast geeft de code ruimte aan meer vormen van verschil, zoals gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd‘.

Ofwel, deze versie van de Code Diversiteit en Inclusie is divers en dient breed geïnterpreteerd en uitgevoerd te worden. Maken deze FB-pagina en de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie dat waar?

Daar lijkt het niet op. Het lijkt er sterk op dat de coördinatoren van de FB-pagina ‘Code Diversiteit & Inclusie‘ weinig ruimte geven aan ‘meer vormen van verschil’. Na het scrollen van de FB-pagina resteert een eenzijdig beeld van diversiteit in de culturele sector. Na lezing van de FB-pagina lijkt dat diversiteit en inclusie in de kunsten vooral over zwart/wit en gender gaat. 

Zoals gezegd, dat roept de vraag op of het in lijn is met de eigen definitie die als richtlijn voor het beleid kan worden gezien. Anders gezegd, maakt deze FB-pagina de claim waar dat het werkt ‘aan een gelijkwaardige sector voor iedereen’?

Is het erg dat de FB-pagina ‘Code Diversiteit & Inclusie’ diversiteit niet divers maar beperkt opvat? Want dat lijkt hier toch wel aan de orde te zijn en uit de gekozen focus voor enkele vormen van diversiteit en inclusie geconcludeerd te kunnen worden.

Waar laat dat de claim dat er door de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie gewerkt wordt aan een gelijkwaardige sector voor iedereen? In het debat over diversiteit en inclusie lijken tot nu toe de aandacht voor sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd zo goed als te ontbreken.

Men kan zich afvragen hoe beleid met zo’n eenzijdige focus heeft kunnen ontstaan die aantoonbaar in strijd is met de eigen uitgangspunten. Wat is hier aan de hand?

Het kan zijn dat de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie en de gelijknamige FB-pagina voornamelijk verslag doen van wat er in de kunsten gebeurt. Ze volgen en kunnen er niet meer van maken dan wat ze tegenkomen in het culturele veld. Als daar nauwelijks aandacht is voor sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd, dan doen ze daar nauwelijks verslag van. De keerzijde daarvan is dat ze de politiek populaire onderwerpen juist veel aandacht geven omdat daar in de media en bij instellingen veel aandacht voor is.

Hoe verhoudt zich dat tot de claim dat de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie werken aan een gelijkwaardige sector voor iedereen? Wat betekent iedereen als iedereen aantoonbaar niet iedereen is? Waarom wordt de claim over iedereen en de vele vormen van diversiteit en inclusie gehandhaafd als die in de praktijk niet gehandhaafd wordt?

Kan de claim dat er aan een gelijkwaardige sector voor iedereen gewerkt worden voor de duidelijkheid en de eerlijkheid dan niet beter losgelaten worden? Dat is beter dan de pretentie van diversiteit en inclusie die bij nader inzien niet lijkt te kunnen worden waargemaakt. Dat geeft een façade van schone schijn waarachter de genoemde vormen sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd verdwijnen. Het is zelfregulering met een valse noot die niet harmonieus kan klinken.

Ik ga uit van de goede bedoelingen van alle mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie. Ik beschouw ze als onderaannemers van een beleid dat nog niet goed uitontwikkeld is. Dus beterschap is mogelijk. Mijn overwegingen komen niet voort uit kritiek op de wat ik als bovenmatige aandacht zie voor de vormen van diversiteit waar nu zoveel aandacht aan wordt besteed. Zoals de zwart/wit en gender aangelegenheid. 

Mijn zorg is anders. Ik constateer dat sociaaleconomische status en opleidingsniveau in Nederland in het debat over diversiteit en inclusie in de kunsten onzichtbaar zijn en zo goed als ongenoemd blijven. Er lijkt evenmin een tendens te zijn die op verbetering wijst. Deze ongelijkheid in aandacht voor verschillende vormen van diversiteiten en inclusie wordt door de aandacht voor de Code Diversiteit en Inclusie niet doorbroken, maar juist behouden. Zo beredeneerd lijkt het er sterk op dat de Code Diversiteit en Inclusie averechts werkt.

Aandacht voor sociaaleconomische status en opleidingsniveau in de kunsten lijkt een taboe dat culturele instellingen uit de weg gaan. Juist dan lijkt er een taak weggelegd voor het ministerie van OCW, het ministerie van SZW, het Mondriaan Fonds en alle in de Code Diversiteit en Inclusie samenwerkende brancheverenigingen en de publiciteitsmedewerkers die namens hen werkzaam zijn en de FB-pagina vullen met berichten over diversiteit en inclusie om diversiteit zo breed op te vatten zoals het bedoeld is. Zodat niet in theorie, maar in praktijk gewerkt wordt aan een gelijkwaardige sector voor iedereen.

Over Nederlandsheid

Mijn reactie bij bovenstaande videoOver Nederlanderschap en Wij/Zij denken‘ uit 2016. Zihni Ozdil in gesprek met RTL Z. De reactie kon echter niet geplaatst worden, zodat hij hier staat:

Wat is Nederlandsheid? Zihni, je weet wellicht dat George Orwell in zijn latere jaren voortdurend in conflict was met zowel de conservatieven die hem wilden claimen als met de socialisten die hem niet begrepen. Jij lijkt ook in zo’n onbegrepen tussenpositie te verkeren.

Orwell die zich in zijn persoonlijk leven als een bourgeois Engelsman gedroeg benoemde de Englishness concreet: het groene plattelandsleven, vissen, tuinieren, de Engelse taal, een lekkere kop thee en vriendelijke mensen. 

Wat is de Nederlandse evenknie daarvan? Wat is Nederlandsheid? Ik gebruik niet het woord ‘Nederlanderschap’ want dat klinkt te juridisch, te politiek en te weinig cultureel. Nederlanderschap is een uitgekauwd begrip waar geen eer meer aan valt te behalen.

Zoals het voorbeeld van Orwell verduidelijkt kan het koesteren van Nederlandsheid niet per definitie gebonden worden aan links of rechts, conservatief of progressief. Nederlandsheid onttrekt zich daar juist aan. Maar in het publiek debat van de afgelopen jaren is het omgekeerde waar. Het begrip is herverkaveld en eenzijdig geclaimd. Zodat het debat erover niet van de grond komt omdat het politiek besmet is en op slot zit.

Nederlandsheid speelt op cultureel vlak. Wellicht op dat van de nostalgie. Met het verlangen naar een deels verdwenen verleden. Dat is evenmin partijgebonden, hoewel rechtse partijen via hun retoriek over nationalisme en een roemrijk verleden (Gouden Eeuw, VOC-mentaliteit, Wilhelmus) het alleenrecht op Nederlandsheid claimen.

Het is de fout van links als het dat niet begrijpt, zelfs afwijst en heeft ingewisseld voor begrippen als multiculturalisme of sociale identiteit van doelgroepen. Dat is een vlucht vooruit in vaagheid. Het is de fout van rechts als het dat gebruikt om mensen uit te sluiten. Dat is een vlucht in wraak en vergelding. Zowel links als rechts weten zich niet te verhouden tot het begrip Nederlandsheid.

Maxima zei ingefluisterd door een adviserende PvdA’ster in 2007 dat de Nederlandse identiteit niet bestaat, maar is daarmee ook gezegd dat Nederlandsheid niet bestaat? Enige variatie moet in de Nederlandsheid inbegrepen worden om het werkbaar te houden. Tussen de Amsterdammer en de Zeeuw, de Fries en de Tukker bestaan verschillen. Het is gratuit om te beweren dat de Nederlandse identiteit niet bestaat omdat het eerder een commentaar is op de bandbreedte van het eigen perspectief. Over het begrip Nederlandsheid zegt het niks.

Ik pleit voor een positieve benadering van het begrip Nederlandsheid. Zonder dat de woorden identiteit, nationalisme en Wij/Zij-denken in de verklaring worden aangewend. Want die geven vooral onduidelijkheid. Dat is van het niveau: fiets = rijwiel en rijwiel = fiets. Dat is de doodlopende weg van de invuloefening.

Wat is Nederlandsheid in culturele, niet-politieke zin? Laten we een poging doen, daarover nadenken en komen tot een formulering. Het heeft met de Nederlandse taal, geschiedenis, wetenschap, cultuur en kunst te maken. Dat zijn precies die sectoren waar geen enkele politieke partij zich eigenaar van voelt en verantwoordelijk voor wil zijn. Komt dat omdat het begrip Nederlandsheid door de voltallige politiek verkeerd begrepen wordt? 

Nu.nl maakt niet duidelijk in welke gevallen Utrecht wijzigen slavernij-achternaam zelf betaalt

Schermafbeelding van deel artikel Utrecht betaalt wijzigen achternaam met slavernijachtergrond desnoods zelf‘ van Nu.nl, 7 september 2021.

Het is een goed idee dat mensen die hun ‘slavernij-naam’ willen veranderen dat tegen ‘normale’, niet al te hoge kosten makkelijk kunnen doen. In de grote steden is daar debat over. Dat speelt tegen de achtergrond van het oplaaiende debat over slavernij, identiteit en diversiteit.

De gemeente Utrecht gaat volgens een bericht van nu.nl dat breed door andere media geciteerd wordt nog een stapje verder. Dat nieuwsmedium voert een anonieme bron namens de gemeente Utrecht op zonder te specificeren wie of wat dat is. De waarde van de uitspraak valt daarom niet te controleren omdat de naam van een woordvoerder of een gemeentelijke dienst of afdeling ontbreekt.

Nu.nl stelt dat ‘desnoods de gemeente op initiatief van de gemeenteraad de rekeningen voor de naamsverandering zelf betaalt’, zo zou de gemeente ‘zelf’ melden. Het is onduidelijk op welk initiatief van de gemeenteraad nu.nl doelt. Motie 185 vraagt uitsluitend om een verkenning om de rekening te betalen. Daarover straks meer.

Op de site van de gemeente Utrecht is over dit onderwerp de volgende motie van PvdA en DENK van 3 december 2020 te vinden die met de stemmen van ChristenUnie (2), D66 (10), GroenLinks(12), Partij voor de Vrijheid (1), SP (2), Stadsbelang Utrecht (1) en VVD (6) ruimschoots verworpen werd:

Schermafbeelding van Motie 427 ‘Ondersteun afstammelingen van tot slaaf gemaakte mensen bij hun naamsverandering’ in Utrechtse gemeenteraad, 3 december 2020.

Beide partijen pleitten ervoor om bij het Rijk te pleiten voor afschaffing van het psychische onderzoek en opperden te verkennen of de gemeente tegemoet kan komen in een deel van de kosten.

In de behandeling (klik op 19e raadsvergadering gemeenteraad 3 december 2020.doc en dan p.71) ontraadde wethouder Linda Voortman (GL) M427 ‘om financiële redenen’ en zei ze te kijken of de bijzondere bijstand een optie voor dekking zou zijn. In haar reactie zei fractievoorzitter Heleen de Boer van GL dat omdat de wethouder heeft gezegd ‘dat zij hierover in gesprek gaat’ en zij heeft uitgelegd dat zij gaat proberen een regeling te treffen voor de mensen die dat niet zelf kunnen betalen dat dat voor haar fractie voldoende was om ‘op dit moment’ tegen M427 te stemmen.

Motie 185Naamsverandering van nakomelingen van tot slaaf gemaakten‘ van juli 2021 die een doorstart van M427 is en met ruime steun werd aangenomen droeg het college op om samen met de drie grote steden bij het Rijk te pleiten ‘voor afschaffing van de kosten van een naamswijziging en voor afschaffing van het psychologisch onderzoek‘ en ‘te verkennen wat de mogelijkheden zijn om als gemeente Utrecht tegemoet te komen aan de kosten die Utrechtse nakomelingen van tot slaaf gemaakte mensen moeten maken om hun achternaam te veranderen‘.

Inhoudelijk is M185 een kopie van de eerder verworpen M427 van PvdA en DENK. Het verschil tussen beide moties is niet inhoudelijk, maar gaat over het wel of niet zwaar laten wegen van de financiële dekking. In de tweede motie M185 moet blijkbaar het toevoegen van de passage ‘afschaffing van de kosten van een naamswijziging‘ de draai voor de coalitiepartijen mogelijk maken, zodat ze niet meer gebonden zijn om die af te wijzen vanwege ontbrekende dekking. Een toezegging van het Rijk als gevolg van de onderhandelingen zou dat politiek haalbaar kunnen maken. Daarover zegt het bericht van nu.nl niets. Het is trouwens onzeker of het Rijk ooit met zo’n toezegging komt. Blijkbaar maakt dit voorschot op de toekomst de draai voor GL, D66, CDA, CU, PvdD, SP en Student & Starter mogelijk.

Uit het bericht van nu.nl wordt niet concreet hoe breed de categorie mensen is waarvoor de gemeente Utrecht de naamsverandering wil gaan betalen. Het oogt als een losse flodder of proefballonetje dat dient om druk te zetten op het Rijk. Als het gaat om de mensen die het niet zelf kunnen betalen en waarvoor een regeling wordt getroffen, dan reproduceert nu.nl het standpunt van 3 december 2020 van wethouder Voortman en fractievoorzitter De Boer. Het ‘desnoods’ in de uitspraak van de anonieme bron van de gemeente Utrecht duidt erop dat betalen door de gemeente alleen in specifieke gevallen geldt. Zoals voor mensen die het niet kunnen betalen. Maar dat wordt niet duidelijk gemaakt.

Als dit bericht van nu.nl klopt, wat de vraag is vanwege het anonieme karakter van de bron, dan valt de opstelling van het Utrechtse college en de coalitiepartijen te karakteriseren als politiek opportunisme of vertraagd inzicht. Niet alleen op het Binnenhof worden verschillen niet gemaakt door de inhoud, in Utrecht is het niet anders. De uitspraak van de anonieme bron van de gemeente Utrecht speelt op het niveau van de politieke marketing en de angst om door andere partijen overvleugeld te worden.

Is er een waarheid over ‘Who is afraid of Natasha?’ op Triënnale Brugge 2021?

Afgelopen week bezocht ik de Triënnale Brugge en het werk Who is afraid of Natasha? van het artistieke en relationele duo Joanna Malinowska & C.T. Jasper sprak me het meest aan. Vooral omdat het interessant is en perfect aansluit bij het thema Trauma dat de curatoren zelf omschrijven als een zoektocht ‘naar het verborgene en [hoe] balanceren we tussen droom en realiteit, privé en publiek’.

Het standbeeld van Natasha werd in 1949 gemaakt en stond van 1953 tot 1990 op een centrale plek in Gdynia. Deze Poolse havenstad vormt met Sopot en Gdansk de zogenaamde Driestad. Het is herplaatst in het Begijnhof dat ondanks een continue stroom toeristen een betoverende plek blijft.

Het beeld is van de Poolse beeldhouwer Marian Wnuk. Een beschrijving over de herplaatsing zegt: ‘Verder werd op de Sovjet-soldatenbegraafplaats [in Gdynia-Redłowo] een monument geplaatst, door Gdynians ‘Natasha’ genoemd. Dat is het Monument van Dankbaarheid. Gemaakt ​​in de jaren 50 stelt het een vrouw voor met een vaandel. Ze stond oorspronkelijk op een representatieve plaats op het Kościuszko-plein, tegenover het commandogebouw van de Marine. ‘Natasha’ is gemaakt door Marian Wnuk en is een typisch voorbeeld van kunst uit de periode van socialistisch realisme’.

Het valt te bezien hoe correct deze feiten zijn. Het beeld werd niet in de jaren 1950 gemaakt en of het een typisch voorbeeld van sociaal realistische kunst is staat 70 jaar later ter discussie. Al, of juist, in de weergave van de feiten dreigt de waarheid onder te sneeuwen.

Opvallend is dat in de publiciteit van de Triënnale de naam van de maker niet wordt genoemd, terwijl door alle betrokkenen die erop terugkijken het beeld als artistiek geslaagd wordt beschouwd. Dat gebeurt wel in de begeleidende film waar Wnuks zoon aan het woord komt. Hij vertelt dat zijn vader die docent was een student model liet staan voor ‘Natasha’. Zij werd zijn moeder. Martin Wnuk zou volgens de zoon geen communistische kunstenaar zijn geweest, maar juist kritiek op het toenmalige bewind hebben gehad.

Over wat het beeld voorstelt lopen de meningen sterk uiteen. ‘Natasha’ zou geen soldate zijn, zo draagt ze geen wapen, maar een symbool. Wat haar politiek minder beladen maakt en bij sommigen de vraag oproept waarom dit beeld in 1990 uit het stadscentrum moest worden verwijderd. Zoals gezegd was de officiële naam ‘Het Monument van Dankbaarheid’ en verwijst dat naar het Sovjetleger waarvan de toenmalige communistische uitleg was dat het Polen had bevrijd van het nazibewind, maar na 1990 de post-communistische uitleg is dat het Polen tegen de eigen wil had bezet.

Polen was een bijzonder geval omdat het een belangrijk onderdeel was van de geallieerde strijdkrachten, maar na de Tweede Wereldoorlog daar niet van profiteerde. Onder generaal Stanisław Maczek werd een groot deel van Zuid-Nederland bevrijd in de veldtocht van 1944-45. Standbeelden van deze generaal staan her en der in Nederland en vormen een diapositief van Natasha.

Verwijderen van standbeelden sluit aan bij de huidige golf van identiteitspolitiek en cancelcultuur waarbij kunstenaars om politieke redenen of een vermoeden van ongewenst gedrag worden geboycot of uit de openbaarheid verbannen. ‘Natasha’ werd als kunstwerk uitgesloten.

Culturele dwarsverbanden van dit project zijn talloos. Het staat in de Franse 19de eeuwse traditie van standbeelden en navolgers daarvan die door middel van krachtige vrouwen de strijd symboliseren. Marianne, de nationale personificatie van Frankrijk wordt Natasha. Recenter is de verwijzing naar een project van de Litouwse kunstenaar Deimantas Narkevičius die een beeld van Karl Marx uit Chemnitz van de Sovjet-kunstenaar Lev Kerbel naar de Sculptura 2007 in Münster wilde verplaatsten maar daar van de autoriteiten geen toestemming voor kreeg. Net als Malinowska en Jasper reflecteerde hij met een film op het werk van een andere kunstenaar en maakte daar een nieuw kunstwerk van door er een schil van betekenis omheen te weven en te verbinden met alles en nog wat.

De veelheid van betekenissen die de oude en nieuwe ‘Natasha’ oproepen laat zien hoe veranderlijk en vluchtig herinnering en geheugen van individuen zijn. De film bij uitstek die dat thematiseert is Rashomon (1950) van Akira Kurosawa dat een incident onderweg vanuit vier perspectieven vertelt die alle een eigen afgesloten geloofwaardige waarheid vormen. De kunst is buitengewoon geschikt om daar op te reflecteren en ons te wijzen op onze vergankelijkheid in tijd en bewustzijn.

Een citaat past op dit project Who is afraid of Natasha? De Frans-Turks/Armeense kunstenaar Sarkis verwijst naar een citaat van de Duitse auteur Alfred Andersch in diens essay ‘Alles Gedächtnis der Form‘ over regisseur Alain Resnais: ‘Het geheugen van de wereld bestaat uit enkele beelden, standbeelden, geluiden, gedichten, epische passages, waarin het lijden vorm krijgt’. Dat klinkt tamelijk christelijk. Onthouden wij het lijden het best? Hoe dan ook geven Malinowska en Jasper ons een steuntje om de wereld te registreren en in ons geheugen levendig te houden. Dankzij hen kijken we met frisse blik terug op Brugge, Gdynia en de 20ste eeuwse geschiedenis. Voor zolang het duurt.

Marian Wnuk, Pomnik wdzięczności of Monument van Dankbaarheid, (1949-1953), herplaatst op nieuwe sokkel en hernoemd als ‘ Who is afraid of Natasha?‘ door Joanna Malinowska & C.T. Jasper in Triënnale Brugge 2021 (eigen foto, augustus 2021).