De stille dood van het kunstbeleid. Waarom haalt de politiek de begrippen kunst en cultuur mentaal, beleidsmatig en budgettair niet uit elkaar?

Paragraaf ‘Cultuur‘ als standpunt van de VVD.

I. Robbert Dijkgraaf is de beoogde minister van OCW. Het ligt in de rede dat zijn beleidsterreinen Hoger Onderwijs, Wetenschap en Wetenschappelijk Onderzoek zullen zijn. Maar de verdeling van de beleidsterreinen op dit departement zijn nog niet bekend. 

Daarnaast komen er op dit departement een minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs en een staatssecretaris Cultuur en Media. Die laatste functie wordt opnieuw ingevoerd (na Aad Nuis, Rick van der Ploeg, Cees van Leeuwen, Medy van der Laan) nadat die in 2007 was afgeschaft. Het is dus niet waarschijnlijk dat Dijkgraaf de eerst verantwoordelijke bewindspersoon voor Cultuur wordt. 

Interessanter is de vraag of D66 een kunstenaar tot staatssecretaris Cultuur en Media maakt. 

II. Het is verhullend om bij dit staatssecretariaat over Cultuur te praten terwijl Kunst wordt bedoeld. Cultuur omvat het bloemencorso, het carnaval, de braderie, het buurtfeest, het oliebollenkraam, de lokale sportwedstrijd en allerlei verbindende aspecten in de samenleving.

Kunst heeft andere functies, doelen en bestaansredenen dan Cultuur, hoewel er overlap bestaat. Waarom blijft de politiek zo aan de verhullende paraplu-term Cultuur hangen? Wat is de logica daarvoor? Waarom maakt de politiek geen knip tussen Kunst en Cultuur? Nu wordt Kunst achter of in de Cultuur verstopt. Ook budgettair. 

Het zou duidelijker zijn voor zowel Kunst als Cultuur om ze ‘mentaal’ en beleidsmatig te scheiden en bij verschillende departementen onder te brengen zoals dat trouwens voorheen het geval was.

Dan zouden we weer kunnen spreken over een Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zoals dat van 1918 tot 1965 bestond en een Ministerie van Cultuur, Recreatie, Identiteit en Maatschappelijk Werk (CRIM) zoals dat in de voorganger CRM van 1965 tot 1982 bestond. 

Het is interessant voor auteurs, onderzoekers en kritische geesten om te beredeneren wat de sociale en politieke overwegingen waren in de jaren 1960 tot 1980 om Kunst en Cultuur op een hoop te gooien. En wat de politieke en sociale overwegingen zijn in 2021/2022 om die hoop te laten bestaan.

III. De VVD is de kwade genius van het kunstbeleid. Al in de jaren 1950 spraken vertegenwoordigers van de VVD neerbuigend over kunst. VVD-kamerlid Thierry Aartsen zette deze traditie binnen deze partij voort en had vanaf 2018 cultuur (o.a. Erfgoedinspectie, Bibliotheek en letterenbeleid, monumenten), Media, Arbeidsomstandigheden, Inspectie & toezicht in zijn portefeuille.

Wat de VVD onder ‘Cultuur’ of ‘Kunst’ verstaat wordt uit bovenstaande cultuurparagraaf niet duidelijk. Van een politieke partij die dat onderscheid niet maakt en beide begrippen door elkaar heen gebruikt valt te vrezen dat het niet wil dat wij weten wat het verschil tussen kunst en cultuur is. Het is waarschijnlijk dat de VVD om politieke redenen bewust beide begrippen door elkaar heen gebruikt om onduidelijkheid te zaaien en de Kunst te knechten.

Zo is het volstrekt onbegrijpelijk wat er in de tweede alinea staat. De zinnen hangen als los zand aan elkaar zonder dat er een oorzakelijk verband tussen bestaat: ‘Wij vinden dat kunst en cultuur toegankelijk horen te zijn voor iedereen. Subsidies moeten dus niet alleen naar Amsterdam gaan, maar verspreid worden over het hele land. De overheid stelt zich daarbij neutraal op, want volkscultuur is ook cultuur. Zo kunnen bijvoorbeeld festivals ook in aanmerking komen voor subsidie‘. Wat is het verband tussen een neutrale overheid die overigens per definitie niet bestaat en volkscultuur? Bedoelt de VVD met cultuur (=kunst) en met volkscultuur (= cultuur)? Want cultuur is altijd volkscultuur. Hoe dan ook zorgt de VVD in deze cultuurparagraaf voor onduidelijkheid en goochelt het met de begrippen Kunst en Cultuur die het verhullend gebruikt.

IV. Cultuur is de weerslag van de samenleving. De waarde van kunst is dat het zich deels ontworsteld heeft aan de macht, weerstand biedt aan onderwerping en haaks op de samenleving staat. Het heeft voor kunstenaars die de kunst instromen een vrijplaats bevochten.

Kunstenaars staan niet zozeer op de schouders van een traditie zoals in de Renaissance over de Grieken werd gezegd, maar op de schouders van een toevallige bundeling van omstandigheden die lang geleden genoeg opgestart is om nu stand te kunnen houden. Of af te worden gebroken door de politiek.

Dat tekent de paradox van kunst die cultuur niet heeft. Kunst moet ver genoeg van politieke en maatschappelijke krachten blijven om er vrij en onbevreesd op te kunnen spiegelen, maar moet ook weer niet te veel afstand nemen om ‘voor eigen bestwil’ in een reservaat te eindigen. Kunst valt op te vatten als aanscherping en verbijzondering van cultuur. Het verbindende aspect is bijkomend in kunst. Door kunst ook dat aspect toe te meten wordt kunst een functie opgelegd die er niet de kern van is, maar er om oneigenlijke, politieke redenen opgeplakt wordt.

V. Wat de VVD met kunst wil wordt uit de beschrijving duidelijk. De VVD gunt het kunst niet om een vrijplaats te zijn. De VVD wil die vrijplaats afbreken. De VVD wil kunst maken tot weerslag van de samenleving, goochelt daarom met de begrippen kunst en cultuur, en zaait bewust verwarring. De VVD heeft in de cultuurparagraaf niet het lef om kunst frontaal aan te vallen, maar probeert de functies en doelen ervan slinks te smoren in begripsverwarring. Namelijk door kunst te vervangen door het bredere en met de samenleving samenvallende begrip cultuur. Zodat kunst van scherpte en autonomie ontdaan wordt.

Zo is de missie van de VVD geslaagd, zonder dat we doorhebben dat de kunst in het beleid doelbewust van haar scherpte wordt ontdaan. Een progressieve partij als D66 vindt het vermoedelijk op dit moment niet de moeite waard of mist de macht om daar tegenin te gaan en een speciale positie voor Kunst op te eisen. Zo wordt Kunst indirect getemd en vervangen door en verborgen achter het begrip Cultuur. Noodgedwongen neemt D66 genoegen met een staatssecretaris van Cultuur.

VI. Wat ooit als emancipatiebeweging in de jaren 1960 begon is 50 jaar later geëindigd in een wisseltruc waardoor de Kunst verdwijnt. Zonder dat iemand het merkt en er een punt van maakt. Dat is de stille dood van het kunstbeleid. Maar taal doet ertoe. Het is de hoogste tijd om ons er bewust van te worden en er iets aan te veranderen. Laat dat onze garantie voor de toekomst zijn.

Normalisatie van een anti-democraat: 1Twente Enschede geeft FvD’er Pepijn van Houwelingen ruimte voor het verspreiden van zijn ultrarechtse denkbeelden. Is dat journalistiek?

Pepijn van Houwelingen is kamerlid van FvD. Hij schreef in 2010 onder het pseudoniem Vossius het boek ‘Oneigentijds‘. Hierover schreef ik in een commentaar uit 2016 onder verwijzing naar een boekbespreking in NRC: ‘De persoon ‘Vossius’ die deels samenvalt met Van Houwelingen wil volgens Hecks en Stokmans de democratie afbreken: ‘In het boek staat ook dat Europa verziekt en verzwakt is door „het mekkeren” over mensenrechten als vrijheid en gelijkheid. En er staat ook dat het Derde Rijk te verkiezen is boven onze samenleving, omdat het, hoe grotesk ook, tenminste nog een hoger doel diende, en daarmee vitaliteit en kracht losmaakte.’

In een reactie bij deze video van 1Twente Enschede plaatste ik de volgende reactie: ‘Veelzeggend dat 1Twente Enschede de ultrarechtse Pepijn van Houwelingen een podium biedt en kritiekloos laat interviewen. Heeft 1Twente Enschede een pro-democratisch of anti-democratisch beleid?

Ik vraag me af wat de redactie van 1Twente Enschede bezielt om Van Houwelingen gratis publiciteit te bieden en of er binnen die redactie geen weerstand bestaat tegen dit beleid om anti-democraten zonder overtuigend weerwoord de democratie te laten beschadigen. Wat voor journalistiek denkt 1Twente Enschede eigenlijk te bedrijven? Is het naïef of kwaadaardig?

Het interview kabbelt door en weet door de controverses te omzeilen waardoor Van Houwelingen de afgelopen jaren in het nieuws is gekomen hem en zijn partij te normaliseren. Het is bloedeloze Blut und Boden retoriek die de regionale kaart trekt. Van Houwelingen kan onweersproken zeggen dat FvD niet radicaal is, maar het politieke midden wel

Dit leidt niet alleen tot een onbenullig interview dat niet doorbijt en geen follow-up vragen kent en de kijker onvolledig informeert, maar vooral tot het bieden van een platform aan een anti-democraat die volop in de gelegenheid wordt gesteld om te scoren. De interviewer geeft Van Houwelingen voorzet na voorzet. Uit de reacties bij de video blijkt hoe dat uitpakt. Het overgrote merendeel is positief over Van Houwelingen, FvD en de denkbeelden die hij vertegenwoordigt. Dankzij de redactie van 1Twente Enschede die hier willens en wetens voor heeft gekozen.

Het is de hoogste tijd dat de democratie zich weerbaar opstelt en zich ten volle bewust wordt van de intenties van types als Pepijn van Houwelingen, Thierry Baudet of Geert Wilders. Onder het verhullen van hun ware intenties duiken ze weg, suggereren speelsheid, onschuldigheid en belangeloosheid en menen in een vacuüm te kunnen opereren waarin ze onaantastbaar zijn en alles kunnen beweren zonder persoonlijk verantwoordelijk te worden gesteld voor hun opereren. De strijd om het hart van de Nederlandse democratie is wellicht ontbrand, maar niet bij 1Twente Enschede.

De beste strategie om radicale populisten als Thierry Baudet en Pepijn van Houwelingen in de media aan te pakken is om ze van repliek te dienen als daarvoor goede argumenten gepresenteerd kunnen worden of ze in andere gevallen niet te noemen en geen aandacht te geven. De Nederlandse media hebben te lang Baudet en zijn radicale partijgenoten kritiekloos publiciteit gegeven zodat ze zichzelf op het schild konden hijsen dankzij de aandacht in de media. In de Nederlandse media lijkt sinds Baudets toespraak over de boreale wereld en de Uil van Minerva in maart 2019 het besef te zijn ontstaan dat FVD en zijn medestanders deconstructieve krachten zijn die bewust de democratie willen ontmantelen.

De onbenullige naïviteit van 1Twente Enschede valt uit de toon. Het legt er een eer zijn om een anti-democraat, racist en fascist een podium te bieden. Het lijkt hoognodig dat de redactie van 1Twente Enschede in de spiegel kijkt, beseft welke krachten het ondersteunt en in welke samenleving het opereert.

Gedachte bij de foto ‘Ceremonies (Vasilitsa): Vasilitsa participants raising their twigs, ca. 1932’

Joseph Obrebski, ‘Ceremonies (Vasilitsa): Vasilitsa participants raising their twigs, ca. 1932‘. Collectie: University of Massachusetts Amherst.

De collectie van de openbare Universiteit van Massachusetts Amherst bevat een uitgebreide collectie etnografische foto’s van Joseph Obrebski genomen in Macedonische dorpen in 1932-1933. Zij leggen dood, viering, ziekte, genezing en rituelen vast. Kortom, belangrijke gebeurtenissen in een mensenleven. De natuur is op vele foto’s nadrukkelijk aanwezig.

Vasilitsa is nu een Grieks skiresort in de provincie West-Macedonië. De waarde van foto’s voor de etnografie kan betwijfeld worden als de beschrijving pover is.

Waarom houden de kinderen de takken in de lucht? Op een populistische site wordt dit ritueel uitgelegd: ‘Dit ritueel creëert een bezem van een van de heksenbossen’. Ik zie het nog niet echt voor me. Maar het doel van het ritueel lijkt duidelijk: het bezweren van het kwaad dat uit de bossen komt door de heksen in een ceremonie gunstig te stemmen. Onschuldige kinderen worden daar blijkbaar de beste uitvoerders voor geacht.

Psychic Source beschuldigt Blanche of Saint André van bedrog. Waarom waarschuwen overheden niet voor paranormale kwakzalvers?

Schermafbeelding van homepage van (Nederlandse versie) Blanche van St. André.

Er zijn op internet volop sites met waarzeggers,Tarot-lezers, handopleggers, astrologen, piskijkers, helderzienden, helderhorenden, heldervoelenden, Reiki healers, numerologen, psychische media, wichelroede-lopers, Derde Oog-openers, kristal-lezers, kortom kwakzalvers van de geestelijke gezondheidszorg die de boel flessen.

De opzet van deze sites is niet om mensen te helpen, maar om ze geld af te troggelen. Het bedrog ligt er zo dik bovenop dat men wel al heel ver weg moet zijn om daar nog in te trappen. Maar juist psychisch instabielen die professionele hulp het meest nodig hebben en niet rationeel kunnen oordelen behoren tot de doelgroep die door deze bedriegers wordt gezocht, om niet te zeggen nagejaagd. Dat het gebeurt en een lucratieve handel is doet de veelheid aan sites vermoeden. Er is een markt voor.

Schermafbeelding van deel paragraafBlanche of Saint Andre Review‘ op Psychic Source.

Het wordt er meelijwekkend op als de ene commerciële paranormale bedrogsite waarschuwt voor de andere commerciële paranormale bedrogsite. Het geeft aan hoe hard de concurrentie is. Psychic Source probeert zichzelf legitimiteit te geven door te waarschuwen voor het in het Zwitserse Zug geregistreerde Blanche of Saint André die in Nederland marketing bedrijft onder de naam Blanche van St. André.

Het tragische is dat Psychic Source die tientallen paranormale medewerkers voor 1 dollar per minuut telefonisch contact in de aanbieding heeft de waarheid over zichlef op Blanche of Saint André projecteert: ‘Onze conclusie, Blanche of Saint André is weer een andere nep-oplichter. Blanche of Saint André is geen legitieme website, het is weer een oplichter. Net als alle andere oplichtingssites. Ze werken op een vergelijkbare manier en gebruiken e-mail om u te manipuleren om uw geld te overhandigen. We raden u aan om tijd, moeite, emotie en geld te besparen. Zoek in plaats daarvan een echte paranormaal begaafde zoals die hieronder.’ Met een verwijzing naar Psychic Source en Keen.

Schermafbeelding van deel homepage Keen.

Het is vanuit de logica van het bedrog logisch dat betere, meer professionele bedriegers als Keen of Psychic Source menen schade te ondervinden van een opzichtige, amateuristische bedrogsite als Blanche of Saint André. Want die laatste bezoedelt het imago van de paranormale bedrogsite omdat het zo overduidelijk bedrog is. Dat straalt negatief af op de professionele bedrogsite. Ongewild grappig is dat de ene bedrogsite waarschuwt voor de andere bedrogsite.

Overigens is het onbegrijpelijk dat dit soort sites ongehinderd goedwillenden die psychische of paranormale hulp zoeken zo makkelijk op internet in de val kunnen lokken. Is er geen rol voor overheden weggelegd om in samenwerking met techbedrijven, supranationale instellingen als de EU en de WHO voorwaarden te stellen aan dit soort sites?

Op z’n minst zouden deze bedrogsites vergezeld moeten gaan van de disclaimer dat het een commerciële site betreft die zich begeeft op het terrein van het amusement en niet op dat van de geestelijke gezondheidszorg. Wie dan nog wil betalen om erin geluisd te worden door een kwakzalver is in elk geval gewaarschuwd. Is dat niet de minimumplicht van overheden?

Schermafbeelding van paranormale Carla op Psychic Source.

Overwegingen bij een kop in het Friesch Dagblad. De functie van kunst is niet het zorgen voor verbinding en sociale cohesie

Schermafbeelding van deel artikel ‘Kunst en cultuur verbinden en zorgen voor sociale cohesie die zo ver te zoeken is, stelt directeur van De Harmonie Marijke van der Woude: ‘Ik mis de ambassadeurs die een goed woordje doen voor de kunsten” in het Friesch Dagblad, 26 december 2021.

Met de kop bij een artikel in het Friesch Dagblad ben ik het oneens, maar ik kan het artikel niet lezen omdat het achter een betaalmuur staat.

Dat geeft aan hoe kranten steeds commerciëler worden en zichzelf noodgewongen, maar bewust minder belangrijk maken voor de publieke opinie. Ze trekken zich terug op hun eigen archipel.

Ik begrijp het economisch belang van kranten die hard bezig zijn om te overleven en relevant te blijven, maar tegelijk schermen ze zich af. Dat baart zorgen.

De kop gaat over directeur Marijke van der Woude van stadsschouwburg De Harmonie in Leeuwarden die zegt: ‘Ik mis de ambassadeurs die een goed woordje doen voor de kunsten‘. Hoe komt het dat de ambassadeurs ontbreken?

Ieder goed doel of project tot op dorpsniveau in Nederland heeft ambassadeurs, maar ‘de kunsten‘ niet. Dat komt waarschijnlijk omdat ‘de kunsten‘ niet bestaan en niemand zich er voor kan inspannen. ‘De kunsten‘ zijn verkaveld en verdeeld over disciplines, stromingen en richtingen. De neuzen van ‘de kunsten‘ wijzen verschillende kanten op. Hoe moet een ambassadeur inhaken op die verdeeldheid?

Maar er is nog iets anders. Of het de functie is van kunst én cultuur om te zorgen voor sociale cohesie is te grof. Ze worden ook hier weer onterecht in één adem genoemd, terwijl ze onderling totaal verschillend zijn. Cultuur koppelt en verbindt, en kunst splitst en verdeelt. Ze staan in verband tot elkaar, maar kunnen niet gelijkgeschakeld worden.

De functie van cultuur is om maatschappelijk te verbinden en voor sociale cohesie te zorgen, maar de functie van kunst is anders. Kunst moet verdelen, aanscherpen en bestaande maatschappelijke vanzelfsprekendheden ter discussie stellen. Daarmee staat kunst haaks op de functie van cultuur.

Wellicht geeft Marijke van der Woude in de kop in het Friesch Dagblad al instinctief en zonder dat ze het zelf beseft antwoord op de vraag waarom er in Nederland geen ambassadeurs voor de kunsten zijn. Dat komt omdat kunst niet scherp afgebakend wordt en bij beleidsmakers in politiek en kunstsector de functie van kunst om te verdelen en de verbinding door te knippen vanuit onbegrip, lui denken, controlezucht en branchevervaging niet wordt erkend.

Niemand is vervolgens zo gek om in dit verkeerde frame te stappen om zich door bobo’s voor een verkeerd karretje te laten spannen. Daarnaast is de vraag tamelijk onnodig. Kunstenaars zijn op een terloopse wijze de ambassadeurs voor ‘de kunsten‘. Stilzwijgend kunnen zich daar goedwillenden ter ondersteuning per project of deeldiscipline bij aansluiten. Dat gebeurt gelukkig in grote mate, maar speelt uitsluitend op microniveau en is niet overkoepelend.

Wie kan dan nog ambassadeur zijn voor ‘de kunsten‘ als die in Nederland door instituties verkeerd wordt voorgesteld omdat de bobo’s in politiek en kunstsector de kunst willen temmen, kneden, beheersen en overheersen en in de mal van de cultuur gieten waar kunst per definitie niet in past?

Gedachte bij de foto ‘Weihnachtsfeier in der Faktorei Bonaku (Kam.). Miss. K. Fuchs, Besuch, Miss. K. Hoffmann. Faktorist v. d. Gesellsch. Nordw. Kam’ (1900-1904)

Johannes Leimenstoll, ‘Weihnachtsfeier in der Faktorei Bonaku (Kam.). Miss. K. Fuchs, Besuch, Miss. K. Hoffmann. Faktorist v. d. Gesellsch. Nordw. Kam.‘, 1900-1904. Collectie: International Mission Photography Archive, ca.1860-ca.1960.

Deze foto is niet zozeer een blijk van culturele toe-eigening, maar van het omgekeerde daarvan: cultureel imperialisme. Het is opvallend dat het hedendaagse debat over identiteit, witte dominantie en etnische minderheden zich concentreert op het verbod, of de claim op het verbod, om elementen van een cultuur door leden van een andere cultuur over te nemen.

Dat kan positief met een beroep op zelfbescherming gezien worden als een logische stap van etnische minderheden in de strijd om emancipatie en gelijkwaardige behandeling. Negatief wordt het beschouwd als een rem op de individuele vrijheid en de expressie van kunstenaars en is het een teken van nieuwe apartheid door vanuit een defensieve reflex nieuwe grenzen op te richten.

Feitelijk is wat er op deze foto uit Kameroen van rond de vorige eeuwwisseling valt te zien bedenkelijker dan culturele toe-eigening zoals dat in het huidige debat wordt opgevat. In dat laatste valt immers ondanks alle kritiek waardering voor een andere cultuur te herkennen, al is het volgens de beschermers ervan door ontlening, kopiëren, jatwerk of verdringing.

Kameroen was tot 1914 een Duitse kolonie en de kolonisator exporteerde de Duitse cultuur, ‘Duitsheid’ en het christendom naar dit West-Afrikaanse land vlak boven de evenaar. ‘Weihnachten in Kamerun‘ is daar het resultaat van. Twee Duitse missionarissen en hun bezoeker in het midden vieren kerstmis. In de titel worden de drie zwarte personen niet genoemd.

Cultureel imperialisme steelt niet van andere culturen, maar legt via dwang een andere cultuur een dominante cultuur op die vreemd is. Dat leidt tot een kerstboom in de tropen die door de kolonisator via instituties als missionarissen als normaal wordt opgelegd. Het is voor de gedomineerde cultuur een kwestie van aanpassing en overleving om hierin mee te gaan. Tegenwoordig zouden we in negatieve zin spreken over de lange arm van het christendom.

NB. De collectie van de internationale missie die is opgenomen in de Digitale Bibliotheek van de University of Southern California is een goudmijn met foto’s uit de periode 1860 tot 1960 over het cultureel imperialisme dat via missionarissen en christendom aan andere volkeren werd opgelegd.

Antwoord op pleidooi van Hanco Jürgens: vervang humanisme door secularisme

Schermafbeelding van deel artikelAtheïsme in Nederland mist smoel‘ van Hanco Jürgens in NRC, 22 december 2021.

In een opinie-artikel in NRC vraagt Hanco Jürgens zich af hoe het kan dat in Nederland waar de meerderheid van de bevolking zich niet tot een godsdienstige of levensbeschouwelijke groep rekent het atheïsme geen overtuigend, verbindend verhaal weet te vertellen. Een verklaring zoekt Jürgens in het feit dat een wereld zonder God in Nederland zo vanzelfsprekend is geworden dat ‘weinigen er nog om malen‘, terwijl het antwoord op belangrijke levensvragen ‘geboden‘ is. Hij komt uit bij het humanisme dat mensen houvast kan bieden.

Jürgens vervolgt: ‘De vraag wat nu het cement is dat onze seculiere samenleving bijeenhoudt wordt steeds prangender. Mensen hebben het gevoel dat onze samenleving uiteenvalt, dat iedereen in zijn eigen bubbel blijft zonder nog te weten wat er in andere bubbels gebeurt. Juist nu de democratie onder druk staat hebben we een strijdbare cultuur nodig met een aantal heldere uitgangspunten, maar het is nog helemaal niet zo makkelijk om die uitgangspunten helder te krijgen (..). Veel interessanter is de vraag waarom ook ongelovige mensen behoefte voelen om te geloven, waarom het delen van tradities en sociale bindingen belangrijk zijn, waarom mensen behoefte hebben aan houvast.

Ik ben het eens met de vragen die Jürgens stelt en het zoeken naar zingeving buiten de monotheïstische godsdiensten om, maar vindt het kader waarin hij ze plaatst verwarrend. Het is in mijn ogen ongelukkig dat Jürgens begrippen als atheïsme, humanisme, vrijdenken en secularisme bijna inwisselbaar gebruikt, terwijl ze onderling verschillen en niet hetzelfde beogen.

Jürgens houdt een pleidooi voor het humanisme en laat de kans verloren gaan om de kwestie van houvast en zingeving die hij aankaart naar een hoger abstractieniveau te tillen. Ofwel, het humanisme is één van de levensovertuigingen binnen het secularisme, zodat Jürgens niet de kans grijpt om een pleidooi voor het secularisme te houden.

Het secularisme is een politieke filosofie die alle godsdienstige en levensbeschouwelijke stromingen gelijk waardeert en bescherming biedt onder de nationale rechtsstaat. Het secularisme is niet anti-godsdienstig of pro-atheïstisch. Het secularisme is onpartijdig en neutraal jegens alle godsdienstige en levensbeschouwelijke stromingen. De paradox is dat Jürgens ondanks een andere intentie hetzelfde beweert als orthodoxe gelovigen, namelijk dat het secularisme pro-atheïstisch of anti-godsdienstig is. Dat misverstand laat Jürgens met zijn pleidooi bestaan.

Een betere kop bij Jürgens’ pleidooi zou zijn: ‘Secularisme in Nederland mist smoel‘. Een rechtstreeks pleidooi voor het secularisme zonder te blijven hangen in een pleidooi voor het humanisme zou beter aansluiten bij zijn opmerking dat onze seculiere samenleving cement mist.

De eigenlijke vraag die gesteld moet worden is waarom het secularisme in Nederland smoel mist. Zo zelfs dat iemand als Jürgens er verwarrende opmerkingen over maakt en niet goed uitlegt wat secularisme is. Dat is jammer want hij zit op het goede spoor met zijn opmerkingen over houvast, zingeving en cement van de samenleving. Want niet het atheïsme, maar het secularisme is succesvol.

Dat Jürgens met de goede kaarten in handen toch het doel mist heeft ook te maken met zijn taalgebruik. Dat uit zich in het gebruik van de term ‘ongelovigen’, waar hij ‘ongebondenen’ of ‘niet aangeslotenen’ (unaffiliated) bedoelt. Door zijn gebruik van de term ongelovigen blijft hij een meerderheid van de bevolking indirect binden aan het geloof waar ze juist afstand van zeggen te nemen. Dat kan opgelost worden door deze groep naar een hoger abstractieniveau te tillen en ‘secularisten’ te noemen. Daarmee wordt de traditie van het geloof teruggebracht tot wat het is: één van de stromingen binnen het secularisme, maar niet langer het kader van het geestelijk leven zelf zoals het dat vroeger was.

Het is in Nederland niet fundamenteel of iemand gelovig, ongelovig, humanist, atheïst, vrijdenker of wat dan ook is. Dat gaat om een individuele keuze voor een godsdienst of levensovertuiging. Die keuze vindt plaats binnen het kader van het secularisme die iemand de vrijheid biedt om uit eigen vrije wil aansluiting te vinden bij een geestelijke stroming.

Als Jürgens’ pleidooi voor zingeving, cement en een verbindend verhaal omgekat wordt van het atheïsme/ humanisme naar het secularisme, dan spreekt hij meer mensen aan, neemt in de theorievorming afstand van het geloof, tilt zijn betoog naar een hoger abstractieniveau en maakt zich van deelnemer die pleit voor het humanisme tot een voorstander van het secularisme. Waarbinnen uiteraard het humanisme kan floreren.

Gedachte bij foto ‘La Nuit’ (1951) van Marcel Louchet

Marcel Louchet, ‘La Nuit‘ [Gaumont 58 Champs-Élysées, Paris], waarschijnlijk november of december 1951.

Artprecium dateert deze foto op 1948-1950, maar dat is onwaarschijnlijk omdat de film die hier in de bioscoop Colisée-Gaumont op de Parijse Champs-Élysées wordt aangekondigd volgens IMDb op 14 november 1951 in première ging.

Het gaat om de film ‘Une Historie d’Amour‘ van regisseur Guy Lefranc met topacteur Louis Jouvet in de rol van inspecteur Ernest Plonche. Zijn kop met de gebruikelijke doordringende, scherpzinnige blik staat centraal in de foto. Een blik vanuit het graf. Het was immers de laatste film van Jouvet die drie maanden voor de première in augustus 1951 aan een hartaanval was overleden.

Parijs werd de lichtstad genoemd. Bekende Parijse fotografen als Willy Ronis, Pierre Jahan, Robert Doisneau, de broers Séeberger of Roger Schall legden Parijs ’s avonds of ’s nachts vast. Met de werking van licht, schaduw, spiegelingen en contouren die er al snel iets sprookjesachtig aan gaf. Duisternis houdt het gewone leven op afstand en maakt er een abstracte versie van. Nacht geeft ruimte aan oningevulde, lege plekken en roept een raadsel op met de suggestie van bovenzinnelijkheid.

Deze foto ‘La Nuit‘ is van Marcel Louchet. Als foto’s een romantisch beeld uitdragen, dan is voor de kijker de spanning er gauw af. De compositie lijkt pesterig onvolmaakt. Het licht van de luifel, de marquee overstraalt het beeld. Een auto ontneemt het zicht op de naam van de film die in de bioscoop draait. Een andere auto nog dichterbij het standpunt van de fotograaf wordt een onscherpe vage vlek.

Een liefdesverhaal in de conventionele filmfabriek is onvolmaakt omdat het ruimte kan geven aan verwikkelingen, vertragingen, afslagen en dwarsverbanden om uiteindelijk het verhaal ‘rond’ te maken in een afsluiting, de closure. Iedereen verlaat tevreden de bioscoop. De orde is hersteld. Deze foto schaduwt een ander liefdesverhaal: tussen de fotografen van weleer en Parijs bij nacht.

Circus (1930-1940)

Circus. Collectie: Billy Rose Theatre Collection van THE NEW YORK PUBLIC LIBRARY
DIGITAL COLLECTIONS
.

Er is niks bekend over deze foto behalve dat het onderwerp ‘Circus’ is. Omdat die opgenomen is in een Amerikaanse collectie betreft het waarschijnlijk een Amerikaans circus. De man links draagt een zoot suit die in de jaren 1930 en 1940 populair waren.

De twee mannen en vrouwen spelen op een xylofoon zonder resonator. Vermoedelijk een eigentijdse populaire melodie. de enscenering van het publiek op de achtergrond is fascinerend. Als backdrop voor de publiciteitsfoto. Een studie in zwart, met linksboven een man in een witte jas die afwijkt van de rest.

Het is een foto die een impressie geeft van een betoverende wereld die verdwenen is en nu nog net opgemerkt wordt. Ternauwernood. Vergeten, maar niet verloren. Of is het andersom: verloren, maar niet vergeten? Wat niet onthouden wordt is men kwijt. Het valt niet meer te redden. Veel valt er niet te vertellen over wat vroeger was.

Kremlin fantaseert over Amerikanse huurlingen in Oekraïne. De Russische Federatie gijzelt zichzelf en de eigen bevolking met negativisme

Mijn reactie bij de videoUS mercenaries are taking over Ukraine, supplying drones and chemical components – Shoigu‘ van RT, 21 december 2021:

Where does the inferiority complex of Kremlin leaders come from? The Russian Federation is the largest country in the world. It has large gas and oil reserves that make it a potentially rich country. But the economy of the largest country in the world is smaller than Italy’s. Except for the top in the Kremlin, ordinary Russians do not see their prosperity increasing. Pensions are being cut.

The Kremlin is not exploiting its own advantages. One could say that the government is incompetent and does not know how to develop the country and bring great prosperity and well-being to the population. That’s the positive explanation. The negative explanation is that the top in the Kremlin deliberately steals from ordinary Russians and robs from the state coffers. The judiciary has been politicized so that the justice system cannot correct it.

The tragedy of the Russian system is that there are no free elections and alternatives are kept out of the system. As a result, no improvement can occur within the current system.

This inability of President Putin and his supporters is compensated by distraction. It consists of nationalistic rhetoric about the past and about the illustrious achievements of a Russian world.

In Ukraine, everything comes together for the Kremlin: its own inability to develop the Russian Federation and satisfy the population, nationalist rhetoric and the inferiority complex. Ukraine is slowly moving towards democracy and the Kremlin sees that as a danger because it sets a good example for its own population that deserves to be followed. But the Russian system is stuck and cannot change.

Ukraine is an autonomous state that can decide for itself which way it wants to go. By international treaties ratified by the Soviet Union (Helsinki 1975: ‘The participating States will respect each other’s sovereign equality and individuality as well as all the rights inherent in and encompassed by its sovereignty, including in particular the right of every State to legal equality, to territorial integrity and to freedom and political independence‘) this right has been established.  Contradiction of this from the Kremlin is therefore unconvincing, lacks expressiveness and is only intended to give momentum to one’s own nationalist rhetoric. But it’s a dead end because by denying it, the Russian Federation presents itself as incomprehensible and a pariah.

The fantasy about American mercenaries is not serious politics, but belongs in the domain of the film studio. The Kremlin’s imagination could be better used to improve the economy for the Russians. But that doesn’t happen. This Kremlin fantasy has degenerated into a black fantasy that tends to the morbid and macabre of the living death. The negative about the other has become the negative of Russian political leadership. Their imagination is limited in negativity.