George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘CDA

Bedenkingen bij de verbolgen toon én de opvattingen van het CDA Utrecht over kunst, de openbare ruimte en marketing

with one comment

Aldus een passage uit een artikel op de site van het CDA Utrecht. De vorm van de tekst is exemplarisch voor de inhoud. Het ziet er chaotisch, onsamenhangend en slordig uit. De titel maakt dat duidelijk: ‘Waarom kunst júist zichtbaar moet zijn in de stad’. Daar valt geen chocola van te maken. Wat wordt hier bedoeld?

Het CDA Utrecht meent dat ‘kunst omwille van de kunst zeker een waarde heeft’, maar … En dan komt het grote ‘maar’ dat dat eerste standpunt onderuit haalt en de grond inboort. Een wijziging maakt duidelijk hoe normatief de uitspraak is: ‘Religie omwille van de religie heeft zeker een waarde, maar als gemeente moeten we ook kijken hoe religie voor onze inwoners een meerwaarde kan hebben’. Ik vermoed niet dat religieuze organisaties dit zouden pikken onder verwijzing naar hun soevereiniteit in eigen kring. En gelijk hebben ze. Maar het CDA Utrecht wil die soevereiniteit die het voor religie claimt blijkbaar niet geven aan de kunst en de organisaties werkzaam in de kunstsector. Kunst moet in de visie van CDA Utrecht dienstbaar, zichtbaar en afhankelijk zijn. En vooral niet zichzelf. Het CDA Utrecht creëert daarnaast met een paternalistische houding tegenover kunst ook nog eens een tegenstelling die niet noodzakelijkerwijze  bestaat. Want waar concludeert het CDA Utrecht uit dat ‘kunst omwille van de kunst’ geen meerwaarde voor de inwoners van Utrecht heeft?

In het artikel geeft het CDA Utrecht het standpunt van DENK over kunst in de openbare ruimte verkeerd weer als het zegt dat DENK tegen het plaatsen van schilderijen in de openbare ruimte is. CDA Utrecht bedoelt daar ongetwijfeld de afbeelding van iconische schilderijen van oude meesters mee. Het wordt lastig met het oog op behoud en verzekering om schilderijen van oude meesters aan gevels in de wijken Overvecht en Kanaleneiland op te hangen. Aanleiding zijn schriftelijke vragen die door DENK-fractiemedewerker en kunsthistoricus Jelle Bouwhuis zijn geformuleerd en ingaan tegen de visie van het CDA Utrecht om ‘Utrechtse Meesters een gezicht’ in de openbare ruimte te geven. In een commentaar van 23 november 2018 besteedde ik aandacht aan deze aanvaring tussen DENK en het CDA. DENK lijkt echter niet zozeer tegen het voorstel om afbeeldingen van schilderijen in de openbare ruimte te plaatsen, maar wil daar wel de bewoners inspraak in geven en voorwaarden aan het soort afbeeldingen stellen opdat ze zinvol zijn voor alle inwoners van de stad.

Wat is er aan de hand als het CDA Utrecht op verbolgen wijze opmerkt: ‘En Utrecht Marketing krijgt op de kop omdat ze geschikte schilderijen selecteren’. Het kan toch nooit de taak van een uitvoerende dienst als Utrecht Marketing zijn om geschikte schilderijen voor een afbeelding te selecteren? Dat behoort toch op beleidsniveau te gebeuren door beleidsmakers op het snijvlak van openbare ruimte, cultuur en wijkgerichte participatie? Utrecht Marketing heeft 57 medewerkers met als expertise citymarketing, communicatie en het signaleren van ontwikkelingen. CDA Utrecht laat zich kennen omdat niet iedereen haar voorstel voor de Utrechtse Meesters in de openbare ruimte omarmt en verzet zich zelfs tegen de VVD dat ‘opeens’ het voorstel wel omarmde.

Het wordt er nog merkwaardiger op als het CDA zegt: ‘Het achterhoedegevecht van DENK en de VVD moeten ze lekker samen uitvechten, ik hoop dat veel inwoners en culturele organisaties met ons meedenken over hoe we onze cultuurgeschiedenis en toekomstig talent een mooie plek in het straatbeeld kunnen geven.’ Dit soort kinderachtige uitspraken over tamelijk ondergeschikte onderwerpen is er precies de reden voor dat burgers afstand van de politiek nemen en er vervreemd van raken. CDA Utrecht claimt voor zichzelf in de avant-garde van de kunst te opereren omdat het verder wenst te kijken dan kunst omwille van de kunst. CDA Utrecht is de artistieke spookrijder die de meerwaarde voor kunst vooral bij zichzelf legt. Hoe het CDA Utrecht meent door het realiseren van afbeeldingen van oude meesters in de openbare ruimte het ‘toekomstig talent’ een mooie plek in het straatbeeld te geven is illustratief voor het onzorgvuldig en lui denken van het CDA Utrecht.

Foto’s 1 en 2: Schermafbeelding van deel artikelWaarom kunst júist zichtbaar moet zijn in de stad’ van het CDA Utrecht, 27 november 2018.

Foto 3: Realisering van de afbeelding van een schilderij van een Utrechtse meester (Dirck van Baburen, De luitspeler) aan een gevel van een flat op Kanaleneiland, Utrecht; eigen foto 30 november 2018.

Advertenties

Hoe gepast is realisatie door het bestuur van christelijke werken in de openbare ruimte? DENK stelt vragen aan Utrechts college

with 4 comments

Utrechtse raadsleden willen Utrechtse meesters een gezicht geven. Bovenstaande motie 51 van 29 juni 2017 die werd ingediend door GroenLinks, CDA en Student&Starter verzocht het college mogelijkheden te onderzoeken ‘voor het permanent onder de aandacht brengen van enkele oude Utrechtse meesters in de binnenstad’. In een commentaar van 3 september 2018 had ik daar kritiek op. Ik schreef: ‘Laten de Utrechtse meesters niet ondergeschikt gemaakt worden aan de stadspromotie en de marketing van Utrecht. Een Utrechtse meester past per definitie niet in dat frame. Het surplus van een culturele icoon is niet te vangen. Dat moet daarom niet geprobeerd worden. Ook als de poging goedbedoeld en welgemeend is. Het wringt.’

Ook DENK dat in de raad met 2 zetels vertegenwoordigd is heeft twijfels over het idee om de Utrechtse meesters in de openbare ruimte te promoten met het oog op cultuureducatie en publieksbereik. Het lijkt er trouwens op dat gaandeweg de werking van de openbare ruimte is verruimd van de binnenstad uit motie 51 naar andere delen van de stad. Uit het antwoord op bovenstaande schriftelijke vragen van 18 oktober 2018 van DENK (‘Eerdere vragen Geef Utrechtse Meesters een Gezicht’) bleek al dat een partij die vragen stelt over het vanzelfsprekende dat niet zo vanzelfsprekend is een heel eind kan komen. Want het college stelt in haar antwoord weliswaar dat de Utrechtse meesters ‘Utrechtse iconen voor álle bewoners van Utrecht zijn’, maar het is nog maar helemaal de vraag of dat zo is, hoe dat aangetoond kan worden, of dat zo door alle inwoners ervaren wordt en het etnisch, cultureel en kunsthistorisch wel klopt. Het lijkt er sterk op dat het college met het volgen van motie 51 (2017) met ogen open het mijnenveld van de identiteitspolitiek in is gelopen.

Op 22 november heeft DENK opnieuw schriftelijke vragen gesteld (‘Geef Utrechtse Meesters een Gezicht’) die inzoomen op de openbare ruimte van Kanaleneiland en Overvecht. DENK merkt op over het antwoord van het college op de vragen van 18 oktober: ‘Hierin werd duidelijk dat het Centraal Museum en Utrecht Marketing enkele monumentale wandschilderingen willen realiseren in de wijken Kanaleneiland en Overvecht, bij wijze van publiciteit voor de aanstaande overzichtstentoonstelling van Caravaggisten in het Centraal Museum.’ Op 16 december 2018 opent de tentoonstellingUtrecht, Caravaggio en Europa’ in het Centraal Museum. DENK stelt vragen ‘over de aard van deze werken, en de informatie erover naar de Raad en de buurtbewoners’ en vraagt zich in het bijzonder af hoe gepast het is dat ‘instellingen ( ..) monumentale werken met religieuze thematiek realiseren in de openbare ruimte’. De schilderijen van de Caravaggisten staan bij uitstek bekend om ‘de Christelijke, bijbelse thematiek’ zo stellen deze vragen met kunsthistorische invalshoek. DENK meent dat het gemeentebestuur hierover ‘duidelijk’ de raad moet informeren ‘aangezien het gaat om religieuze uitingen in de openbare ruimte die buiten het domein staan van religieuze instellingen en gebouwen’.

Deze vragen stellen op een demonstratieve wijze dat deze religieuze uitingen niet neutraal of onpartijdig zijn in een stad als Utrecht waar de grote meerderheid van de inwoners vrijdenker of niet-christen is. Het tonen van wandschilderingen met christelijke, bijbelse thematiek in Overvecht en Kanaleneiland mag dan marketing zijn voor een lokale tentoonstelling en verkocht worden als promotie voor de kunst en cultuur van Utrecht, maar valt tevens op te vatten als religieuze propaganda voor het christendom in de openbare ruimte. Dat is ongewenst. De principiële vraag die DENK stelt is volgens welk grondrecht het gemeentebestuur dit meent te kunnen doen of waarom het een uitzondering op dit grondrecht meent te kunnen maken. Deze vragen gaan over heel wat meer dan marketing en stadspromotie alleen. Ze gaan er ook over van wie de stad is en hoe gewenst en neutraal de realisatie van ‘culturele’ werken met religieuze thematiek in de openbare ruimte is.

Foto 1: Schermafbeelding van motie 51 (2017) ‘Geef Utrechtse meesters een gezicht’ van Reinhild Freytag (Student & Starter), Steven de Vries (GroenLinks) en Marloes Metaal-Froon (CDA) in gemeenteraad Utrecht, 29 juni 2017.

Foto 2: Schermafbeelding van deel schriftelijke vragen (met antwoord) 140 (2018) ‘Eerdere vragen Geef Utrechtse Meesters een Gezicht’ van College  B&W aan Mahmut Sengur (DENK) in gemeenteraad Utrecht, 18 oktober 2018.

Foto 3: Caravaggio, De graflegging van Christus (‘Deposizione’), 1602-04. Collectie: Pinacoteca Vaticana, werk wordt getoond op tentoonstellingUtrecht, Caravaggio en Europa’ in het Centraal Museum (16 december 2018 – 24 maart 2019).

Foto 4: Schermafbeelding van schriftelijke vragen 160 (2018) ‘Geef Utrechtse Meesters een Gezicht’ van Mahmut Sengur (DENK) in gemeenteraad Utrecht, 22 november 2018.

Anne Applebaum en Joshua Livestro willen het politieke midden laten herleven. Bestrijdt fraude en corruptie, niet de islam

with 5 comments

Twee recente opinie-artikelen zijn een pleidooi voor een nieuwe politiek van het politieke midden en een waarschuwing voor samenwerking met radicale partijen, vooral die van rechts. De Amerikaanse journaliste Anne Applebaum geeft in The Washington Post met het artikelWant to revive the political center? Fight corruption’ een omvattende checklist, ofwel programma waaraan centrumpartijen moeten voldoen om weer het initiatief naar zich toe te trekken. De conservatieve denker Joshua Livestro stelt aan de hand van de kwestie Blok in het artikelAffaire-Blok moet VVD en CDA wakker schudden’ in NRC dat de centrum-rechtse VVD en CDA hun ziel hebben verkocht door op te schuiven in de richting van de radicaal-rechtse PVV en FvD.

Livestro illustreert dat aan de hand van de controversiële uitspraken van de minister van Buitenlandse Zaken Blok die de retoriek en agenda van radicaal-rechts overneemt. Dat acht hij contra-productief en ongewenst. Livestro verwijst naar het begrip ‘ideological collusion’ – dat hij vertaalt als ‘ideologische samenspanning’ – van de Amerikaanse politicologen Steven Levitsky en Daniel Ziblatt dat inhoudt dat centrumpartijen in de samenwerking met radicale partijen de retoriek en agenda van die randpartij overnemen. Minister Blok is er het levende bewijs van, hij neemt de doembeelden over immigratie van radicaal-rechts over en centrum-rechtse partijen als VVD en CDA ondermijnen ermee hun eigen gedachtengoed. In bovenstaand citaat licht hij toe dat ze zich hiermee overbodig maken. Gevraagd wordt een nieuwe bewustwording bij de centrumpartijen en een koerswijziging weg van de retoriek en het gedachtengoed van radicaal-rechts. De samenspanning met de randpartijen of het buigen in hun richting brengt niets goeds. Noch electoraal, politiek of maatschappelijk.

Applebaum constateert dat de rechtse randpartijen van energie barsten en het ‘oude’ centrum-links of centrum-rechts uitgeblutst toont. De oude partijen zijn op zoek naar een programma dat ze niet kunnen vinden. Zij waarschuwt net als Livestro voor het aanhaken bij radicaal-rechts (‘Some aretrying to peddle milder versions of the far right’s racism‘). Applebaum doet een poging dat programma te formuleren. Haar alternatief bestaat eruit dat de centrumpartijen om te beginnen de agenda moeten wijzigen en het niet langer over immigratie, ras en de islam moeten hebben: ‘Change the subject. Centrists, and genuine democrats, should stop talking about immigration, race and Muslims, all issues blown well out of proportion by tabloids.’

Volgens Applebaum moeten centrumpartijen zich verenigen rond de echte thema’s die onze politiek en economie verstoren zoals ‘politieke corruptie, het witwassen van geld, en de belastingparadijzen en lege vennootschappen (‘Shell companies’) die een paar mensen toestaan veel geld uit onze landen weg te sluizen en het, soms letterlijk, op Caribische eilanden te verbergen. Hoewel dit allemaal afzonderlijke onderwerpen zijn, zijn ze verbonden.’ Volgens Applebaum moet dat gecorrumpeerd financieel systeem aangepakt worden omdat het de gewone mensen beschadigt en in de armen van de radicaal-rechts dwingt. Feitelijk leidt de heroriëntatie van de centrumpartijen tot twee vliegen in één klap: het maakt deze partijen weer relevant en ontneemt de randpartijen hun vijver van ontevreden burgers om in te vissen en electoraal mee te scoren.

Applebaum zegt dat het Westen initiatief moet nemen en terug moet naar de ideologie van vóór premier Thatcher en president Reagan die in de jaren 1980 de overheden terugtrokken en de vrije markt aan hun lot overlieten. Met als gevolg het neoliberalisme waarin politiek is geëconomiseerd, zwakkeren onbeschermd achterblijven en de staat nog slechts op een waakvlam opereert. Applebaum is niet de eerste dit dit zegt en daarom is het lastig in te zien hoe de geest weer terug in de fles kan. Een krachtige bestrijding tussen landen van belastingontwijking en corruptie, en het terugdringen van de macht van het internationaal opererende bedrijfsleven en de financiële instellingen is een eerste stap. Dit omvat overigens ook de bestrijding en bestraffing van autoritaire landen als de Russische Federatie die met corrupt geld in het Westen politici en radicaal-rechtse partijen kopen. Dat laten gebeuren ondermijnt het eigen zelfbeeld en het idee van moraliteit.

Applebaum schetst een blauwdruk voor centrumpartijen. In Nederland zijn dat partijen als de VVD, CDA, D66, GroenLinks en PvdA die in de kern voldoende overeenkomsten hebben om programmatisch samen te werken. Als ze ook nog eens gezamenlijk afstand nemen tot de randpartijen en zich in hun retoriek en agenda niet meer laten leiden door deze partijen met hun spookbeelden over immigratie, ras en islam dan kunnen ze in samenwerking hun eigen relevantie hervinden en hun onderlinge verbinding verder versterken. Dat werkt door van partijpolitiek naar democratie. Door de hervonden oriëntatie en focus van de centrumpartijen kunnen de democratie en de rechtsstaat overeind gehouden worden. Nodig is dan wel dat met name de centrum-rechtse partijen als VVD en CDA zowel duidelijk afstand nemen van die retoriek over immigratie en islam als de lef en durf vinden om zich te ontworstelen aan de grip van het bedrijfsleven en de financiële instellingen door de macht ervan terug te dringen. Een helder signaal om de nieuwe start van Nederland te vieren zou het ontslag van minister Blok en het niet schrappen van de dividendbelasting voor buitenlandse aandeelhouders zijn.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelAffaire-Blok moet VVD en CDA wakker schudden’ van Joshua Livestro in NRC, 31 augustus 2018.

Foto 2: Schermafbeelding van deel artikelWant to revive the political center? Fight corruption’ van Anne Applebaum in The Washington Post, 31 augustus 2018.

Geef Utrechtse meesters geen gezicht dat verdwijnt achter marketing en stadspromotie

with one comment

Het is moeilijk om niet lacherig te doen over deze schriftelijke vragen van 30 augustus 2018 van CDA’er Sander van Waveren  in de Utrechtse raad. Het gaat om het een gezicht geven van Utrechtse meesters. Daarmee worden culturele iconen bedoeld zoals Pyke Koch, Abraham Bloemaert, Jan van Scorel, Jan Engelman, Joop Moesman, Hendrik Marsman, Gerrit Rietveld of Theo van Doesburg. Op zich is er niks mis met aandacht voor deze meesters, ze hebben hun sporen verdiend. Maar de aap komt uit de mouw als de vragen verwijzen naar Utrecht Marketing dat als doel heeft: ‘Utrecht wereldwijd op de kaart zetten als slimme, creatieve, gezonde en talentvolle stad. Samen dragen we het verhaal van Utrecht uit.’ De schrijvers en schilders moeten eraan helpen om ‘Utrecht op de kaart te zetten’. Maar dat gaat ten koste van die Utrechtse meesters.

Dat is een prima idee, met echter één fundamenteel probleem. Want Utrechtse meesters zijn daarvoor niet geschikt en voor de hand liggend. Want wie op de kaart wordt gezet door de stad wordt tegelijk tam, onschuldig en dood gemaakt. Iedereen die op de kaart wordt gezet, wordt dood verklaard. Niet alleen fysiek, maar ook geestelijk. En dat laatste moet de Utrechtse meesters niet aangedaan worden. Laten de Utrechtse meesters niet ondergeschikt gemaakt worden aan de stadspromotie en de marketing van Utrecht. Een Utrechtse meester past per definitie niet in dat frame. Het surplus van een culturele icoon is niet te vangen. Dat moet daarom niet geprobeerd worden. Ook als de poging goedbedoeld en welgemeend is. Het wringt.

Foto: Schermafbeelding van raadsvragen SV 2018, nr. 112 ‘Geef Utrechtse meesters een gezicht (stand van zaken)’ van het CDA’er Sander van Waveren, 30 augustus 2018. Gemeente Utrecht.

Written by George Knight

3 september 2018 at 19:21

Rob de Wijk brengt met zijn claim op eigen morele superioriteit en ‘beschaving’ ten koste van Wilders de rechtsstaat in gevaar

with 7 comments

Rob de Wijk speelt de zedenmeester en biedt lariekoek in zijn Trouw-columnWat Wilders deed was ordinaire opruiing, geframed als vrijheid van meningsuiting’ van 31 augustus 2018. Het gaat over de nasleep van Wilders’ afgelaste cartoonwedstrijd. De Wijk heeft het over ‘een zeker gevoel van beschaving’ en suggereert dat Wilders dat niet en hij wel in zich heeft. Dat klinkt hooghartig, schijnheilig en selectief. Dat past in een christelijke traditie van betweters die zich superieur achten aan andersdenkenden. Doorgaans weten de slimmeriken het beter te verbergen dan De Wijk hier doet. Ook in dat opzicht valt hij door de mand.

De Wijk begrijpt niet waar het om gaat of doet net alsof hij het niet begrijpt. Geert Wilders mag binnen de Nederlandse rechtsstaat een cartoonwedstrijd houden. Wat is er onschuldiger dan een cartoon? Wat is er meer bevrijdend dan satire? Het is vooralsnog ook totaal niet duidelijk wat de inhoud van de cartoons zou zijn. We zullen het nu echter niet weten omdat de wedstrijd door Wilders is afgeblazen.

Radicale soennitische moslims ageerden in Pakistan tegen Wilders’ cartoonwedstrijd met als argument dat de islamitische profeet niet afgebeeld mag worden. Maar dat verbod binnen de islam is minder strikt dan De Wijk suggereert. Shiieten en Soefi-moslims kennen een schriftelijke traditie waarbij de profeet wel afgebeeld wordt. En wat hebben niet-moslims sowieso met een halfslachtig verbod van een andere godsdienst te maken?

Het is een loze claim van Rob de Wijk dat Wilders met een cartoonwedstrijd de rechtsstaat in gevaar heeft gebracht. Het is eerder andersom, De Wijk brengt met zijn claim op eigen morele superioriteit ten koste van Wilders de rechtsstaat in gevaar. Daarbij kan de rechtsstaat pas spankracht bewijzen als hij onder druk staat.

Wilders is een voor vele Nederlanders verderfelijke en te radicale politicus die ongenuanceerde meningen over de islam verkondigt. Maar Geert Wilders heeft juridisch die vrijheid zolang hij binnen de wet opereert. In het geval van de cartoonwedstrijd valt niet in te zien dat hij buiten de kaders van de wet zou zijn getreden. Hoe onzuiver Wilders’ motieven ook zijn. Daar gaat De Wijk zomaar vanuit zonder dat te onderbouwen. Om onze eigen tolerantie te waarborgen moeten we boven de ongenuanceerde meningen van Wilders én De Wijk staan.

De Wijk zegt het aan Voltaire toegeschreven adagium ‘Je ne suis pas d’accord avec ce que vous dites, mais je me battrai jusqu’au bout pour que vous puissiez le dire’ (‘Ik ben het niet eens met wat u zegt, maar ik zal tot het einde vechten om het u te laten te zeggen’) te volgen, maar doet in de praktijk het omgekeerde. Juist als het moeilijk wordt haakt hij af. Hij vecht helemaal niet tot het einde voor Wilders’ vrijheid van meningsuiting.

Dat De Wijk daarbij verwijst naar beschaving en fatsoen maakt het er nog ondraaglijker op. Het is het fatsoen dat de lezers van Trouw blijkbaar hongerig en gretig vreten. De impliciete claim is dat De Wijk en de Trouw-lezers beschaafd en fatsoenlijk zijn en gezamenlijk op de bres staan voor de beschaving, en Wilders en zijn achterban dat niet zijn. Fatsoen, die typische ongerijmdheid uit het christelijke gruwelkabinet dat Nederland eeuwenlang geteisterd heeft. De Wijk duwt zijn soort fatsoen listig over de uiterste houdbaarheidsdatum.

Erger dan het radicalisme van Wilders is de schijnheiligheid van De Wijk die argumenten geeft die totaal de plank misslaan. Uiteraard is het Wilders om aandacht te doen. Maar voor welke politicus geldt dat niet? Dat Wilders een loopje neemt met de rechtsstaat betekent niet dat anderen precies hetzelfde moeten doen en hem daarin moeten volgen. Rob de Wijk valt in de morele valkuil die hij voor zichzelf heeft gegraven. De Wijk pretendeert te weten hoe de rechtsstaat werkt, maar geeft in zijn column aan er geen fluit van te begrijpen.

Foto: Schermafbeelding van deel columnWat Wilders deed was ordinaire opruiing, geframed als vrijheid van meningsuiting’ van Rob de Wijk in Trouw, 31 augustus 2018.

Voorbehoud bij verhoging NAVO-budget: Defensie is gepolitiseerd en geëconomiseerd, en moet hoognodig gemilitariseerd worden

leave a comment »

Er is onduidelijkheid over defensiebudgetten. Die kun je niet zomaar met elkaar vergelijken in de hoop op duidelijkheid. Dat komt niet alleen door de verschillen in prijspeil tussen landen, maar ook door het verschil in doelmatigheid, standaardisatie en overhead. Inzichtelijk is in dit verband een voorbeeld uit 1985 van asbakjes in een Amerikaans marinevliegtuig die per stuk 660 USD kostten. En er zijn meer van dit soort voorbeelden.

Het probleem is dat de defensie-industrie een in zichzelf gekeerde, niet open markt is. Er bestaat nauwelijks concurrentie op. Dat geldt trouwens niet alleen de Westerse, maar ook de Russische en Chinese defensie-industrie. De prijs/kwaliteit verhouding is niet stabiel. Defensie is ook een sector om gemeenschapsgeld rond te pompen en in de zakken van politici te laten verdwijnen buiten de controle van toezichtsinstanties om.

Voormalig president Juan Bosch van de Dominicaanse Republiek wees er in de jaren ’60 al op in zijn boek  ‘Pentagonismo, sustituto del imperialismo’ dat in het Engels werd vertaald als ‘Pentagonism’ en in die tijd redelijk invloedrijk was. Ik las het in de vroege jaren ’70. Hij zei dat in navolging van president Eisenhower die in zijn afscheidstoespraak van januari 1961 het begrip ‘militair-industrieel complex’ muntte. ‘Ike’ zag deze macht van de defensie-industrie en de besteding van militaire budgetten als niets meer dan ‘een verstoord gebruik van de middelen van de natie’. Omdat de hoogste geallieerde militair uit de Tweede Wereldoorlog met deze waarschuwing kwam, maakte dit in 1961 indruk. Nog voor de escalatie van de Vietnam-oorlog.

Een commentaar vat samen hoe het werkt. Het verklaart tevens waarom Europa geen defensie-industrie heeft die bij haar economische macht en statuur past: ‘But Europeans saw the whole effort as too much of a one-way street. The United States showed little inclination to accept European designs for cooperative production either in the United States or in other European countries, even when European designs were favored by those countries. According to one view expressed at the time, this situation was the natural result of American technological superiority and Yankee salesmanship. Another suggested that it was due at least in part to pressure by the U.S. government, which had been lobbied by its own defense industries.

Met als aanleiding het regeerakkoord schreef ik in een commentaar van oktober 2012 dat de nationale veiligheid van Nederland gaat over van alles en nog wat, maar nauwelijks over de territoriale verdediging van Nederland. In de afgelopen zes jaar en mede door de recente discussies over de NAVO-begroting ben ik nog meer in mijn mening gesterkt dat Defensie is gepolitiseerd en geëconomiseerd, en nodig gemilitariseerd dient te worden. Feitelijk zou militaire sterkte of slagkracht de enige norm voor de toewijzing van het defensie-budget moeten zijn. Dat is niet zo. Omdat het nog even actueel is als toen herplaats ik wat ik in 2012 schreef:

Wat is er aan de hand met het debat over de krijgsmacht? Het lijkt nog erger uit het lood te staan dan die krijgsmacht zelf. Aan Defensie zitten meerdere kanten en in de publieke opinie wordt er doorgaans maar één belicht, namelijk de hoogte van het budget. Hoe doelmatig dat besteed wordt, hoeveel waar voor het geld wordt verkregen en welke belangen bij de aanschaf van wapensystemen spelen, hoeveel er aan de strijkstok van het bedrijfsleven en lobbyisten blijft hangen, hoe urgent de keuzes zijn en wat de relatie tussen budget en kwaliteit is blijft onderbelicht. In het regeerakkoord (p. 49) wordt de krijgsmacht als een verlengde van de industrie beschouwd. Op zijn best worden het nationaal veiligheids- en het economisch belang gelijkgesteld.

Zo resteert het beeld dat de nationale of territoriale veiligheid van Nederland niet de hoofdzaak is en op zichzelf staat, maar ondergeschikt is aan andere doelstellingen. Zoals het belang van de industrie of de relatie met bondgenoten, zoals de VS. Anders gezegd, de investeringen in Defensie dienen het militair-industrieel complex waarvoor de uitgaande president Eisenhower in zijn befaamde afscheidstoespraak van 17 januari 1961 waarschuwde: ‘In de overheidsdiensten moeten we waken tegen het gezocht of ongezocht verwerven van ongerechtvaardigde invloed door het militair-industriële complex.’ Dat complex strekt zich uit van wapenfabrikanten, krijgsmacht en inlichtingendiensten tot gevestigde media, wetenschap en partijpolitiek.

De aanschaf van 37 F-35 straaljagers van het grootste Amerikaanse defensieconcern ter wereld Lockheed Martin door Nederland voor naar schatting zo’n 5,2 miljard euro is een voorbeeld van de werking van het militair-industrieel complex. Lobbyisten onder wie veel voormalige CDA- en VVD-politici, de luchtmacht en de Nederlandse luchtvaartindustrie die zich richt op het binnenhalen van compensatieorders bepaalden de keuze. Maar zelfs dat economische argument dat niet volledig spoort met de nationale veiligheid is onjuist. De F-35 levert vooral banen op voor lobbyisten en ondernemers en niet voor Nederland. Evenmin dringt tot het Nederlandse publiek debat door dat militaire uitgaven de slechtste manier zijn om banen te scheppen, zoals uit een Amerikaanse studie blijkt. Niet het parlement, maar externe partijen beslisten over aanschaf. Daarbij komt dat al vanaf het begin vraagtekens werden gezet bij de prestaties in het luchtgevecht en de kosten van de F-35. In de testfase is de software kwetsbaar gebleken, waarschijnlijk ook nog eens gehackt door China.

Door gebrek aan munitie oefenen Nederlandse militairen door ‘poef poef poef’ te roepen. Zo is de persiflage én stand van zaken van de Nederlandse krijgsmacht. In een ideale wereld zou het de ultieme oplossing voor de beteugeling van agressiviteit zijn. Militairen die cowboytje spelen zoals kinderen het doen. Maar Nederland bevindt zich niet in een ideale wereld en moet zich serieus verdedigen tegen de agressie van andere actoren.

Nu heeft Nederland dat vermogen verloren. Het beeld van een onverdedigd Nederland alleen al tast de soevereiniteit aan en maakt een land kwetsbaar voor buitenlandse druk. Maar de verhoging van het budget met 1,5 miljard euro zegt niet alles. Als het wordt doorgesluisd naar buitenlandse wapenfabrikanten die te veel voor hun producten vragen, dan verhoogt dat de weerbaarheid van Nederland niet. Het debat over de nationale veiligheid van Nederland moet gaan over de kwaliteit van de krijgsmacht, inclusief de toetsing ervan, en de mate waarin Nederland door de eigen krijgsmacht en directe partners territoriaal, in cyberspace of op afstand verdedigd wordt. Het debat over de nationale veiligheid reduceren tot een budgettaire boekhoudsom is een valkuil die allen dient die andere belangen hebben en zich hierachter kunnen blijven verschuilen.

Foto: ‘Een Spandau M.25 op luchtdoelaffuit tijdens de mobilisatie in een versterkte positie langs de Nederlandse kust. FOTO Beeldbank NIMH

Campagne ‘De Frisse Wind’ van VVD Terneuzen roept vooral vragen op

leave a comment »

Als het aan de lokale VVD ligt moet er in de Zeeuwse havenstad waar ik ben geboren en opgegroeid ‘een frisse wind gaan waaien’. Het gaat om de gemeente Terneuzen dat vele kernen in en rond de kanaalzone omvat. Van Biervliet in het westen tot Axel in het oosten. De VVD is in Terneuzen een kleine partij met 2 van de 31 zetels in de raad. De lokale partij TOP/Gemeentebelangen domineert met 10 zetels. Met 5 zetels neemt het CDA ook een sterke positie in.  Het college wordt gevormd door de drie grootste partijen: TOP/ Gemeentebelangen, CDA en PvdA. De VVD kan dus frank en vrij op de aanval spelen. De nieuw benoemde fractieleider van de VVD is Jan Sips, eigenaar/directeur van Beheer- en beleggingsmaatschappij De Gouden Handdoek BV.

De campagne van de VVD heet ‘De Frisse Wind; Gemeente Terneuzen’. Op sociale media wordt er verslag van gedaan: uitgebreid op website en Facebook, bescheiden op Twitter. Opvallend contrast is dat op de website elke verwijzing naar de VVD ontbreekt, maar op Facebook juist de VVD overvloedig wordt genoemd. Beide media ondersteunen elkaar niet. Op Facebook valt op dat er veel foto’s worden gepubliceerd waarin VVD-voormannen ballonnen ‘gevuld met frisse wind’ overhandigen aan sympathisanten. Doorgaans ondernemers. De symboliek ligt er duimdik bovenop. ‘Fris’ moet de associatie met onbevangen, opgewekt, schoon en zuiver oproepen. ‘Wind’ is de bries vanaf zee, vanaf de Westerschelde die dat realiseert. De slogan moet suggereren dat de VVD een frisse wind laat waaien door stoffig Terneuzen. Het komt neer op het spreekwoord ‘nieuwe bezems vegen schoon‘. Dat de verzinnebeelding van frisheid in Zeeland levend is blijkt uit een aankondiging over Land Art door de provinciale VVV: ‘Deze workshop is een feest voor wie houdt van avontuur en een frisse neus.’ Wellicht op de Waddeneilanden na waar het goed uitwaaien is wordt meer dan in andere provincies in Zeeland de associatie met frisse neuzen en frisse winden gemaakt om een positief gevoel op te roepen.

Maar het begrip ‘frisse wind’ heeft een keerzijde. Namelijk de associatie met een windbuil, een snoever en showbink die uitblinkt in praatjesmaken en opscheppen. Het is de winderige stijl van de bluf die opgeblazen en gezwollen is. Zeeuwen en kustbewoners in het algemeen weten als geen ander dat wind niet altijd positief ervaren wordt. Een briesje kan overgaan in storm en schade aanrichten aan landerijen en gebouwen. Hoe dan ook zorgt wind voor ongemak, al is het maar omdat men niet ongestoord op balkon, terras of het strand kan zitten omdat de wind stuift en warrelt. Associatie met wind is dus minder eenduidig en positief dan het lijkt.

Op de website draait de campagne ‘De Frisse Wind’ om stellingen waar men op kan stemmen. Ook kunnen inwoners zelf stellingen aandragen. De suggestie is dat hiermee iets gaat veranderen: ‘Door te stemmen op stellingen, maar ook door zelf iets te vinden, bepaal jij uit welke hoek de frisse wind gaat waaien!’ Hoe dat in de praktijk werkt en politiek vertaald wordt, wordt niet duidelijk gemaakt. De campagne is een balletje dat in de lucht wordt gegooid, maar nergens landt. Het wordt door de wind weggeblazen naar niemandsland. De gedachte is verfrissend dat vanaf de basis door burgers de politieke agenda wordt bepaald: ‘Zo bepalen we met elkaar de uitgangspunten, waar de nieuwe gemeenteraad mee aan de slag kan‘. Nadeel is echter dat dit proces niet gedefinieerd is en de burgers niet betrokken zijn bij de weging en verdediging van de stellingen.

Een aanzet om burgers op een volwaardige manier te betrekken bij het proces van besluitvorming vergt een andere manier van denken dan een benadering van bovenaf. De vraag blijft onbeantwoord of VVD Terneuzen met deze campagne vooral politieke marketing bedrijft of werkelijk het politieke systeem open wil gooien. Ofwel, wil VVD Terneuzen de stem van de kiezer of wil het de kiezer een stem geven? Gezien het karakter van de landelijke VVD die niet overloopt van vernieuwingsdrang van het politiek systeem en daar geen beleid op ontwikkelt, lijkt hier sprake van marketing in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart. Ondanks zo’n valse start staat VVD Terneuzen niets in de weg om de komende vier jaar in de Terneuzense gemeenteraad te pleiten voor vormen van directe democratie, zoals e-democracy en liquid democracy.

Foto 1: Schermafbeelding van een pagina op terneuzen.vvd.nl van de vijf soorten sociale media van VVD Terneuzen.

Foto 2: ‘De Frisse Wind in de zeilen voor ondernemend Sas van Gent — met Jens Hoogstad, Aswin Polmann en Vvd Terneuzen. Op Facebook-pagina ‘De Frisse Wind Terneuzen’, 19 november 2017. 

Foto 3: ‘De Frisse Wind in de zeilen voor ondernemend Terneuzen — met Jan Sips en Ingmar Vermeulen. Op Facebook-pagina ‘De Frisse Wind Terneuzen’, 19 november 2017. 

Foto 4: Schermafbeelding van paragraafJij mag het zeggen’ op `De Frisse Wind; Gemeente Terneuzen’ van VVD Terneuzen.