Opnieuw: het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat en de rol van Utrecht Marketing

Bart Lunenburg, Ashes (2022).

In het opinie-artikelBeschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?‘ van 16 augustus 2022 vroeg ik me af wat het achterblijvende beeldende kunstklimaat van Utrecht verklaart. Toch de vierde stad van het land met 362.000 inwoners. Dit commentaar is een vervolg op dat artikel.

I. Een begin van een antwoord zag ik in de stadspromotie en de marketing die een papieren werkelijkheid schept die de echte werkelijkheid vervangt. Utrecht, de stad van het surrealisme.

Hoe kan het dat Utrecht Marketing in haar promotie initiatieven die geen museum zijn als museum beschouwt? ExBunker, Kunstliefde, Domtoren, DOMunder, BAK en IMPAKT zijn geen musea, maar volgens Utrecht Marketing wel. Kan in stadspromotie of marketing alles gezegd worden dat afwijkt van de geldende definities? En ook: wie roept Utrecht Marketing tot de orde? 

De directeur van Utrecht Marketing is idolaat van sport en houdt zich voornamelijk daar mee bezig. De adjunct van deze Cor Jansen is Ronald Besemer die de kunst mag doen, maar geen aantoonbaar gevoel, betrokkenheid of inzicht toont. Zo kennen we de vlotte mannen van de marketing. Besemer lijkt de Utrechtse beeldende kunst als halfproduct voor Utrecht Marketing te beschouwen.

In Utrecht probeert Utrecht Marketing kunst in het frame van sport of stadspromotie van het stationsgebied te stoppen. Dat werkt niet. Utrecht Marketing is niet dienstbaar aan de beeldende kunst, maar meent dat de kunst dienend moet zijn aan de marketing van de stad, zoals uitgevoerd door Utrecht Marketing.

Kortom, het is duidelijk waar dit Utrecht Marketing in de kern mee bezig is. Namelijk proportioneel veel aandacht voor sport. Kunst past niet in het format. Godsamme in een college waar GL en D66 de grootste partijen zijn. Het management van Utrecht Marketing lijkt mentaal te ongeïnspireerd en niet fijngevoelig genoeg om kunst te begrijpen en in de marketing een volwaardige plek te geven.

De beeldende kunst met zijn rafelranden, onvoorspelbaarheid, niet direct maatschappelijk nut en spotten met hiërarchie en autoriteit staat dwars op het denken van Utrecht Marketing dat gaat voor direct maatschappelijk nut, voorspelbaarheid en langlopende projecten, bevestiging van de status quo en aansluiting zoeken bij de economische macht van ondernemers.

3D-tekening van Aziz Elgart als project van Utrecht Marketing ter ere van La Vuelta 2022 in Utrecht. DUIC citeert Utrecht Marketing: ‘De vier 3D-tekeningen brengen niet alleen een ode aan de wielerkoers, maar vestigen ook de aandacht op de vele culturele en sportieve activiteiten die rondom de Vuelta in stad en regio Utrecht plaatsvinden‘.

II. Het ontbreekt naar mijn idee in Utrecht aan samenwerking tussen de onderdelen van de beeldende kunst. Geen synergie dus. Terwijl dat er in de muzieksector wel is. Het opvallende is dat Utrecht een beeldende kunst traditie heeft. Denk aan Erich Wichmann, Pyke Koch, Joop Moesman en ook Gerrit Rietveld. Er is wel zoiets als belangenbehartiger Art Utrecht dat voor de gemeente dient als loket, en voor de kunst en kunstenaars als documentatie, uithangbord en platform, maar dat heeft beperkte draagwijdte als de omgeving hapert.

Er dient geïnjecteerd te worden in de beeldende kunstsector. Dat was de conclusie van enkelen die reageerden op mijn opinie. Laten we het de nieuwe verslaving noemen.

III. Velen verwezen naar kunstbeurzen en festivals om de kunstsector een extra zetje te geven. Of dat werkt zou per kunstdiscipline bekeken moeten worden. Het kan, maar een garantie is er niet. De ondergrond, de humus moet aanwezig zijn om van bovenaf geparachuteerde initiatieven in vruchtbare grond te laten vallen. Zo niet, dan ontbreekt het effect op de langere termijn om het beeldende kunstklimaat op een hoger peil te brengen.

Elke gemeente houdt wat financiële steun betreft van kortlopende projecten en niet van losse eindjes. Een gemeente wil controle hebben omdat het overzichtelijk en bestuurlijk eenduidig is. Het is makkelijker om een festival te steunen dan de exploitatie van een kunstinstelling.

We zagen dat bij het jaren op het randje van faillissement balancerende MOA (Museum Oud Amelisweerd) waarvan al bij aanvang duidelijk was dat het niet levensvatbaar was. De Utrechtse raad had in een motie beslist om er geen exploitatiesubsidie aan toe te kennen. Het MOA ging mede hierdoor, maar ook om vele andere redenen failliet. Dat is ook het Utrechts kunstklimaat, namelijk een project om politieke redenen ontwikkelen met eenmalig vastgoedgeld om daarna de steun te stoppen.

IV. De gemeente zou een te afwachtende houding aannemen om de beeldende kunst te helpen. Soms verschuilt de afdeling CZ (Culturele Zaken) zich achter regelgeving en komt er niet aan toe om een creatieve oplossing voor een gerezen probleem te helpen vinden. De achtereenvolgende gemeentebesturen laten sinds de PvdA-wethouders (Kees Pot, Paulien van der Linden) weinig ambitie zien die uit een diepe politieke overtuiging volgt. Ze lijken kunst op zijn best op te vatten als inbreng voor andere doelen. Of de verantwoordelijke wethouders krijgen binnen het college onvoldoende steun om kunst ondubbelzinnig te promoten.

Beeld van tentoonstelling met onder andere Max Kisman in Moving Gallery te Utrecht. Via Art Utrecht.

V. Het handvol artistiek belangrijke Utrechtse galerieën (Sanaa, Larik, Moving Gallery, KUUB) hebben doorgaans hoge huren. Ze verdienen niet veel en kunnen met moeite het hoofd boven water houden. Toch worden ze door de gemeente als commerciële ondernemingen beschouwd. Maar dat zijn ze slechts ten dele.

Galerieën zouden juridisch opgedeeld moeten worden in een commercieel en niet-commercieel deel. Onder dat laatste zou dan talentontwikkeling van jonge kunstenaars en presentatie van experimentele, moeilijk verkoopbare, kunst kunnen vallen. Dat zou voor de gemeente de belemmering wegnemen die uit de regelgeving volgt en het onmogelijk maakt om galerieën financieel te steunen. De gemeente zou juridisch kunnen adviseren over de splitsing. Galerist Henk Logman probeerde dat idee van kweekvijver enkele jaren geleden uit en wilde die tweedeling in zijn galerie doorvoeren, maar heeft het door zijn vroegtijdig overlijden niet af kunnen maken.

Een algemene vraag is wat de rol van galerieën in tijden van sociale media en narrowcasting van kunstenaars die hun eigen ondernemer zijn nog kan zijn. Ze zitten in een overgangsfase, maar kunnen nog steeds een constructieve bijdrage aan een lokaal kunstklimaat leveren als ze niet te veel concessies aan de markt doen. Maar zoals gezegd, galerieën zitten met hun hybride rol tussen commercie en kunst in een lastige positie. Het valt de gemeente niet te verwijten dat het daar volgens de regelgeving niets aan kan doen, hoewel in de marges wel wat meer financiële steun geboden zou kunnen worden.

VI. Kunst lijkt in Utrecht niet autonoom te mogen zijn. Veel kunstenaars zijn verzameld in Kunstliefde, maar dat is de afgelopen jaren door omstandigheden (verhoogde huur, dreigende verhuizing over 5 jaar) vooral met zichzelf bezig. Hoewel er mooie presentaties waren. Jongere kunstenaars zijn gegroepeerd rond de Nijverheid waar veel activiteiten zijn, maar de marges zijn klein en in de profilering staat het optrekken met andere geledingen van de kunstsector niet centraal.

Daarnaast zijn er kunstenaarsinitiatieven van onderop nodig. Die zijn er in Utrecht en nog steeds trekken groepen kunstenaars samen op in een soort creatieve gemeenschap (Soesterberg, Bernardus Baldus, Caz Egelie en co in Overvecht). De gemeente helpt soms met het vinden van tijdelijke atelierruimte. De invloed van deze kunstenaarsinitiatieven op het kunstklimaat is aanwezig, maar blijft beperkt.

Alain Teister, installatie met bed, paspoppen, stoel, hout en verf (1973-74). © Centraal Museum, Utrecht / Ernst Moritz.

VIII. Conclusie. De politiek kan de boel vlot trekken door hier en daar een helpende hand toe te steken. Zodat van onderop de galerieën en kunstenaarsinitiatieven kunnen groeien. Ook door te voorzien in atelierruimte waardoor kunstenaars niet de stad verlaten. De Kersenboomgaard in Leidsche Rijn is een succesvol voorbeeld. De breed gevoelde mening is dat het Centraal Museum met de rug naar de kunstenaars van de stad staat. Het biedt weliswaar ruimte aan hedendaagse Utrechtse kunst, maar dat wordt als onvoldoende ervaren. Waarom heeft het Centraal Museum geen stadsconservator die actief het contact onderhoudt met Utrechtse kunstenaars en galerieën, en op openingen, bijeenkomsten en gespreksavonden aanwezig is?

Waarom stellen de cultuurwoordvoerders in de raad van GL, PvdA en D66 geen raadsvragen over de verkeerd uitpakkende macht van Utrecht Marketing en het haperende beeldende kunstklimaat? Melody Deldjou Fard (GL), Dirk-Jan van Vliet (D66), Hester Assen (PvdA) of andere raadsleden, duik eens in dit onderwerp en stel er raadsvragen over.

Beschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Musea Utrecht‘ van Ontdek Utrecht.

Afgelopen jaren heb ik vele mensen in en buiten de Utrechtse beeldende kunstsector de vraag gesteld wat de reden is dat het ontbreekt aan een Utrechts beeldende kunstklimaat dat past bij de vierde stad van het land. Niemand heeft een sluitend antwoord.

Utrecht presteert slecht op het gebied van de beeldende kunst. Zelfs het Centraal Museum deelt in de malaise en lijkt op een enkele tentoonstelling na vooral nog met zichzelf en de eigen bedrijfsvoering bezig. Het is in de eigen schulp gekropen. Is dat het wat het Utrechtse kunstklimaat verklaart?

Wat schort eraan in Utrecht? Is het de nabijheid van Amsterdam? Is het de ‘zwarte’, katholiek-surrealistische onderstroom die nog steeds als een geestelijke domper werkt? Is het gebrek aan ambitie en zelfvertrouwen? Is het het doelgroepenbeleid in Leidsche Rijn (Raum) dat als aflaat dient om verder geen initiatieven te ondernemen en verder te denken?

Is het het gebrek aan initiatief en creativiteit van de afdelingen Culturele Zaken of Economische Zaken van de gemeente om kunstgalerieën en kunstinitiatieven een start te geven?

Als er galerieën ontstaan (Larik), dan gebeurt dat niet dankzij, maar ondanks de gemeente. In de bioscoopwereld gebeurde afgelopen jaren hetzelfde toen Jos Stelling als particulier ondernemer met Bioscoop Slachtstraat (en met medewerking van het Utrechtse Monumentenfonds) een nieuwe bioscoop realiseerde dat het door de gemeente gesubsidieerde ’t Hoogt niet voor elkaar kreeg.

Kan de malaise in de beeldende kunstsector verklaard worden door het zware accent van de gemeente op marketing en stadspromotie, zodat inhoud er minder toe doet? In dat Utrecht is de schone schijn van marketing een doel op zichzelf. Toch weer dat surrealisme. Niemand die het doorprikt. Niemand die doorvraagt. Niemand die het nog op waarde schat. Zo ontstaat geen publiek debat over dit onderwerp.

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Over Ons‘ op Ontdek Utrecht.

Schrijnend is de promotie van Ontdek Utrecht (deel van Utrecht Marketing) waar allerlei instellingen die geen musea zijn musea worden genoemd. Of culturele instellingen in Bunnik, Amersfoort of Soest door de gemeente Utrecht worden geclaimd als Utrechts. Zijn Bunnik, Soest en Amersfoort zonder dat we het weten geannexeerd door de gemeente Utrecht? Daar lijkt het niet op. Utrecht Marketing doet aan desinformatie.

Het is duidelijk dat Ontdek Utrecht en Utrecht Marketing geen idee hebben waarover ze praten. Wat is hun expertise en wie is er binnen het gemeentebestuur verantwoordelijk voor voor wat ze naar buiten brengen? Is Utrecht Marketing onderhand zo losgezongen van de realiteit dat het alles kan zeggen en niemand het meer kan schelen of de inhoud klopt? Ontdek Utrecht en Utrecht Marketing weten blijkbaar niet wat een museum is en krijgen alle ruimte om dat te verkondigen.

Dat opnemen in een publiekscampagne is niet zozeer een devaluatie van het begrip museum, maar van de marketing van Utrecht. Kunst en de musea worden niet zozeer gepromoot en serieus genomen, maar tot halfproduct gemaakt van een hybride marketing waarin vele partners meepraten en de waarheid blijkbaar een compromis tussen alle betrokkenen is geworden.

Met de Utrechtse Potemkin-façade is de kous af en hoeft er niet nagedacht te worden over de vraag wat past bij het ambitieniveau van de vierde stad van het land. De promotie ervan neemt de plaats in. Dat is toch lekker makkelijk en ook nog eens goedkoper?

Wat verklaart het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat? Ik weet het antwoord nog steeds niet. De conclusie van veel van mijn gesprekspartners is wel dat de gemeente Utrecht eerder een sta-in-de-weg is dan een kracht die verder kijkt dan marketing en eigen promotie.

Commerciële en politieke marketing van het Gansu Provincial Museum

Is er een grens aan de marketing van musea? Wanneer is het dienend om de traditionele functies van musea te ondersteunen en wanneer schiet het zijn doel voorbij in merchandising en gezochte zichtbaarheid op sociale media?

De strategie van het Gansu Provinciale Museum in het noordwesten van China is om antiek speelgoed met hedendaags speelgoed te promoten. Maar waar gaat het nog om? Wordt de merchandising geen doel op zichzelf dat voor het museum komt te staan?

Je kunt het ook nog anders zien, namelijk commerciële marketing als afleiding voor ‘moeilijke’ politieke onderwerpen. Neem het berichtBetter education being provided for China’s ethnic groups‘ op de site van het Gansu Provinciale Museum dat een schijn van vrijheid in China voor etnische groepen suggereert die niet bestaat.

Schermafbeelding van deel artikelBetter education being provided for China’s ethnic groups‘ van 4 juli 2022 van het Gansu Provincial Museum.

Dit is propaganda of politieke marketing die nog onaangenamer voelt dan de flutterige commerciële marketing van dit museum. ‘Education in Tibet is advancing with each passing day. A complete modern education system has been established there‘, zegt de Chinese wetenschapper Wang Yanzhong, directeur van het ‘Institute of Ethnology and Anthropology‘ van de Chinese Academy of Social Sciences. Je kunt je afvragen voor wie dit bericht is bedoeld en wie in het Westen het zal geloven.

Hoe dan ook gaat dit museum de realiteit uit de weg en leent het zich ervoor om een vals beeld van China en zichzelf op te hangen. Dat tast de integriteit van zo’n museum aan. Kortom, tweemaal niks.

Russische propaganda volgens DW

De Duitse publieke omroep DW doet een knip-en-plak-poging om uit te leggen wat de strategie achter de staatspropaganda van het Kremlin is. In het Westen bestaat het idee dat het Kremlin buiten de eigen grenzen op dit moment geen poot aan de grond krijgt om de invasie van Oekraïne te rechtvaardigen. Dat het wegzakt in tegenstrijdigheden door de aantijgingen over nazisme van Oekraine met haar joodse president.

De strategie van desinformatie bestaat uit verschillende aspecten: verwarring zaaien door een veelheid van informatie inclusief leugens aan te bieden, het bedrijven van pseudo-journalistiek die de vormgeving, maar niet de inhoud van Westerse media imiteert, niet ingaan op beschuldigingen door een inhoudelijke debat aan te gaan, maar de aanval zoeken door leugens of irrelevante wetenswaardigheden aan te bieden in de context van een continu herhaald ‘verhaal’ vol onwaarheden over de bedreiging van de Russische Federatie en analogieën met de Tweede Wereldoorlog. Een en ander beheerst de Russische propaganda goed.

In de slag om de binnenlandse markt lijkt de Russische propaganda nog steeds geen concurrentie te duchten, maar die om de buitenlandse markt heeft het verloren. Ook door Oekraïne, Polen en Baltische landen die de Sovjet-mentaliteit in het Kremlin goed kennen en weten te counteren.

Dat de Russische propaganda in het Westen aan aantrekkingskracht verliest is interessant. DW gaat daar in de reportage aan voorbij en doet net alsof het nog 2016 of 2021 is. Dat is zowel voor de analyse als de weergave van de stand van zaken een gemiste kans. Zoals de Russische krijgsmacht dat jarenlang claimde superieur te zijn in Oekraïne door het ijs is gezakt door ondermaatse prestaties zo geldt dat ook voor de propaganda van de Russische Federatie. Die is ontmaskerd als vooral over zichzelf te gaan en naar zichzelf te verwijzen.

Over marketing gaat de vuistregel dat een goed product zichzelf verkoopt, maar dat een slecht product veel lastiger te verkopen is. Zo is het ook met Russische propaganda. Nu in Oekraïne aangetoond is dat het Kremlin een slecht product (slechte krijgsmacht, slechte politieke leiding, slechte informatievoorziening) aanbiedt valt dat nauwelijks nog te slijten aan de westerse publieke opinie die uit vele producten kan kiezen.

Het succes van de propaganda in de Russische Federatie toont vooral aan dat er in dat land geen keuze is. De Russische propaganda vertelt als vanouds een tegenverhaal dat van wit zwart maakt en van zwart wit, maar kan nu het nodig is geen eigen verhaal aanbieden. Dat aspect mist de reportage van DW. Wat is dat toch met al die te late Duitse reacties op wat er nu gebeurt in de Russische Federatie en Oekraïne?

OCW wil geen aandacht voor eigen rol bij Afrika Museum en NMVW

Schermafbeelding van deel vacatureOnline Marketeer‘ van het NMVW op Jobs by Workable. Geplaatst op 1 april 2022.

I. Wat het belang van publiciteit en marketing is voor het NMVW (Nationaal Museum van Wereldculturen) valt uit een vacature voor een ‘Online Marketeer’ af te lezen.

In de vacature zegt het NMVW over zichzelf: ‘Momenteel zijn wij van de sector Publiek & Partners sterk aan het groeien binnen het team Digitale Communicatie & Online en zijn wij eraan toe om een nieuwe stap te zetten. Ben jij de nieuwe allround Online Marketeer die de handen uit de mouwen steekt om onze tentoonstellingen, evenementen en digitale content via onze verschillende online kanalen bekend te maken onder onze doelgroepen?‘.

Opvallend is de opmerking over ‘de emailmarketing van de vier musea‘. Tot nu toe deed het NMVW het in de publiciteit voorkomen dat het Wereldmuseum theoretisch een autonome rol had. Dat was in lijn met een motie van de Rotterdamse raad die voor samenwerking van het Wereldmuseum met het NMVW als voorwaarde een Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum eiste. Dat was gekoppeld aan de financiering. In 2016 beloofde het NMVW in een persbericht dat het Wereldmuseum ‘een zelfstandig Rotterdams museum‘ zou blijven. Hetzelfde geldt voor het Afrika Museum dat evenmin een eigen signatuur wordt gegund door het management van het NMVW. Maar dat was wel toegezegd.

II. De schijn van autonomie wordt door het NMVW in de vacature losgelaten en komt naar buiten. Dat is in strijd met genoemde Rotterdamse motie. De vacature benadrukt het belang van de centrale sturing vanuit het NMVW. Dat is er een teken van dat het management van het NMVW de autonomie van de vier musea niet belangrijk acht.

Dat raakt behalve aan de ondergeschikte rol van het Wereldmuseum ook aan die van het Afrika Museum. Verschil is dat het Wereldmuseum geen officiële fusiepartner is en het Afrika Museum wel. De vacature ondersteunt indirect de kritiek van de paters en broeders van de Congregatie dat het Afrika Museum binnen de koepel van het NMVW geen eigen rol kan spelen. In dit verband is het ook belangrijk om te vermelden dat de vier musea geen eigen directeur of locatiehoofd hebben die genoemde autonomie kan waarborgen.

Die autonomie bestaat alleen in een papieren werkelijkheid die het NMVW met actieve medewerking van de Directie Erfgoed en Kunsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in stand houdt. Het NMVW en OCW zijn mentaal verstrengeld.

III. In een commentaar van 13 februari 2022 formuleerde ik de bezwaren tegen het NMVW als volgt: ‘1) een inhoudelijke koers die bestaat uit weinig aandacht voor kunstobjecten en dominantie van ‘een maatschappelijke programmering‘; 2) populisme in de marketing en de programmering; 3) aanhaken bij politiek activisme om identiteit leidend te laten zijn in de marketing en programmering en 4) een achtergestelde positie en een flets profiel van het Wereldmuseum in de koepel het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMvW).‘ Wat geldt voor het Wereldmuseum geldt ook voor het Afrika Museum.  

Het NMVW gebruikt in de eigen publiciteit en in interviews met de managers altijd mooie woorden waarvan het weet dat die politiek goed liggen bij ministerie, politiek en media en waarvan het ook weet dat ze abstract en niet toetsbaar zijn. Kortom, vrijblijvend.

Daar komt het NMVW nu al jaren mee weg. Critici binnen de organisatie worden gemaand om te zwijgen of worden eruit gewerkt. De doofpot blijft gesloten. Het gevaar voor het management van het NMVW is dat het overmoedig wordt. Daar lijkt deze vacature een teken van te zijn. Zijdelings.

IV. Media prikken niet door het laagje vernis van politiek correcte linksigheid met praatjes over wereldburgerschap en dekolonisatie van het NMVW én de verstrengeling van OCW en NMVW waarin de instandhouding van de jaarlijkse overheidssubsidie van meer dan 10 miljoen euro centraal staat én het gebrek aan museaal professionalisme van het NMVW.

Media gaan tot nu toe niet op zoek naar de werkelijke gang van zaken bij het NMVW. Media laten zich met een kluitje in het riet sturen.

V. Het Afrika Museum plukt daar nu de wrange vruchten van. Dat gaat zelfs zover dat de Directie Erfgoed en Kunsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het Afrika Museum uitsluit van een open gesprek over subsidie en meent dat het het belang van het NMVW moet dienen, terwijl het notabene claimt dat het onpartijdig is. Wat de adviserende rol van de Raad voor Cultuur dan nog kan zijn is onduidelijk.

De komedie die het directoraat van OCW in dit dossier speelt is grotesk. Het wil de eigen rol uit de publiciteit houden. Die is sturend is en gaat verder dan het scheppen van voorwaarden voor musea uit de museumsector. Vandaar dit commentaar dat opteert voor transparantie over het NMVW en de rol van OCW in deze kwestie.

Vooruit Nederlandse media, laat je niet om de tuin leiden door het NMVW en de Directie Erfgoed en Kunsten van het Ministerie van OCW en ga uit op onderzoek. Vooruit woordvoerders cultuur in de Tweede Kamer, duik in dit dossier en stel vragen aan de bewindslieden van OCW.

Vragen bij een promotievideo van Museumkaart voor de Nationale Museumweek. Wat voor beeld denkt het te geven van een museum?

Instellingen huren soms externe vormgevers in die weinig verstand hebben van het product dat ze moeten verkopen. Als dan ook de afstemming tussen de opdrachtgevers in een stuur- of projectgroep van genoemde instelling en de vormgevers niet optimaal is, dan is dat de aankondiging van een ramp.

Het gevaar bestaat dan immers dat er een product aangeboden wordt dat alleen in de fantasie van de vormgevers bestaat, maar weinig te maken heeft met het werkelijke product dat verkocht moet worden. De leden van de stuur- of projectgroep hebben zitten slapen of hebben bewust iets laten passeren dat niet overeenkomt met de realiteit.

Marketing ontspoort zo in droombeelden. Er wordt een beeld gevormd dat van een afstand aardig toont, maar bij nader inzien niet klopt omdat het een verre afgeleide is van het product dat moet worden gepromoot. Hier is het product museumbezoek.

Bij deze video op YouTube van de Museumkaart voor de Nationale Museumweek van 4 t/m 10 april 2022 staat de volgende tekst: ‘Tijdens de Museumweek roepen we werkgevers op hun medewerkers #MuseumVrij te geven, zodat ze kunnen onthaasten en nieuwe inspiratie opdoen in een van de 450 musea: een win-winactie!

De opstellers van de tekst bij de video haken aan bij het begrip ‘win-win-situatie’. Dat betekenteen onderhandelingssituatie waarin beide partijen voordeel kunnen hebben van onderhandelen en samenwerken. De winst van de een hoeft niet ten koste te gaan van de ander.’

Wat het voordeel is van werkgevers om hun medewerkers naar het museum te sturen om te onthaasten en nieuwe inspiratie op te doen is onduidelijk. Als de medewerkers door dat bezoek al onthaasten en nieuwe inspiratie opdoen, wat nog maar helemaal de vraag is.

Als het museum en de medewerker hier al winst uit halen, dan valt lastig in te zien wat de winst voor de werkgever is. Is dat een onthaaste medewerker die gelouterd uit het museum komt na een bezoekje? Werkt dat zo snel?

Wat is de nieuwe, bewezen inspiratie die de medewerker meebrengt voor de werkgever? Welke bevlogenheid, bezieling, inblazing of ingeving kan dat zijn? Maakt een werk van Jan Schoonhoven duidelijk dat de medewerker voortaan zijn of haar bureau moet opruimen? Vertelt een stoel van Gerrit Rietveld dat men rechtop moet zitten? Inspireert een abstract werk van Piet Mondriaan een medewerker tot nieuwe vergezichten en dwarsverbanden? Werkt inspiratie zo direct? Of wordt dat door de makers van de video verondersteld zonder dat het aangetoond kan worden?

Werkt overdracht in een museum volgens de Museumkaart terloops en succesvol?

Het meest in strijd met elementaire museale voorschriften is dat bezoekers noch met rugzakken, noch met tassen of ademluchttoestellen op hun rug op zaal worden toegelaten. Dat geeft een te hoog risico op beschadiging van kunstobjecten.

Bezoekers zo tonen is wereldvreemd. Het heeft niks met de realiteit van museumbezoek te maken. Daarnaast zet het toekomstige bezoekers op het verkeerde been. Wat denken ze straks in het museum op hun rug te kunnen dragen?

Still uit de videoMuseumVrij’ van Museumweek op YouTube, 29 maart 2022.

Het is bizar dat de vrouw met de rode helm zich met de immense tas op haar rug vlak voor het schilderij omdraait. Als zij al zover was gekomen, zou dat voor de bewaking van een normaal museum reden zijn om haar te verzoeken om de tas op haar rug onmiddellijk af te doen en in bewaring te geven bij de entree.

Of moeten we dit soort marketing van Museumkaart niet serieus nemen en op de koop nemen dat het een fantasiebeeld schetst van museumbezoek waarvan we weten dat het niks met de werkelijkheid te maken heeft? Maar wat is dan nog de waarde ervan? Of hebben de leden van de stuur- of projectgroep toch zitten slapen en de vormgevers te veel vrijheid gegeven wat heeft geleid tot een onrealistisch beeld? Het antwoord valt niet makkelijk te geven.

Wat de video oproept is verwondering. Maar dan een ander soort verwondering dan de makers beogen. Wat voor beeld denken ze eigenlijk te geven van een museum?

Naschrift:

Tweet van Robert Busschots en reactie, 2 april 2022.

Museum in wording: immersieve projecties in Almere

Schermafbeelding van deel artikelAlmere krijgt een immersief museum, maar wat is dat?‘ van Omroep Flevoland, 28 februari 2022.

Daar is het weer. Het teistert periodiek de publieke opinie. Namelijk een bericht uit Almere over de plannen voor een museum van internatione allure, groter dan het Stedelijk Museum. Wat is dat?

Matchmakers, cultuurmanagers, wethouders die de wereld over reizen om zich te oriënteren en allerlei ingehuurde project-achtige beleidsmakers zijn al sinds 2013 bezig om een museum in Almere ‘op de kaart te zetten’. De woestijn in de polder is op zoek naar een oase. Dat duurt dus al negen jaar.

Niet toevallig is 2013 het jaar dat Almere Museum De Paviljoens sloot zonder te beseffen dat wat het in de jaren erna in een zoektocht ging zoeken al binnen de gemeentegrenzen had.

Kunt u nog volgen wat Almere bezielt? In de kern gaat het om een identiteitscrisis van Almere dat tussen servet en tafellaken op zoek is naar een nieuwe tafel. Dat is zielig voor de inwoners die steeds weer met groot- en breedspraak over een museum worden geconfronteerd.

Het is niet dat in Almere de (beeldende) kunstsector niet klopt. Want er zijn prachtige Land Art achtige projecten, zoals Marinus Boezems Groene Kathedraal. Maar dat is blijkbaar niet voldoende voor de managers, projectleiders en wethouders. Ze willen meer.

Daarom lezen we nu weer zo’n bericht met deze keer Denise de Boer. Ze is als manager betrokken bij kunstpaviljoen M. en ook bezig om de komst van het museum in Almere voor te bereiden.

De tekst bijt heerlijk in zichzelf. Zoals een hond die de eigen staart najaagt zonder te beseffen wat dat ding is. Het geprojecteerde museum van Almere is als een staart van een hond. De hond blaft om de zoveel tijd en de media doen er netjes verslag van.

De Boer: ‘We hebben heel bewust gekozen voor een immersief museum, omdat dat er in Nederland nog niet is. Immersieve kunstwerken hebben veel ruimte nodig. Die ruimte is er niet genoeg in bestaande musea in het land, maar in Almere straks wel.‘ en ‘Bij ons wordt de ervaring echt gecreëerd door de kunstenaar. De maker wil je daarbij echt iets meegeven. Een surrealistische omgeving die echt wat met je doet.’

Je wordt stil van deze ronkende taal. Hoezo een ‘surrealistische omgeving‘? Hoezo ‘die echt wat met je doet‘? Wat is dat voor marketing waarmee deze manager de boer opgaat? Duidelijk is dat Almere aanhaakt bij de droom en de rationaliteit achter zich heeft gelaten. Almere dompelt zich onder.

Almere heeft in 2013 de geest uit de fles gelaten en is al negen jaar bezig om op spontane wijze een museum te realiseren dat zich van alles onderscheidt. Ook van Almere zelf.

Het artikel van Omroep Flevoland wordt er onbegrijpelijk op door de verwijzing van De Boer naar het werk Wachsraum (1992), een houtconstructie met bijenwas in een smalle gang van Wolfgang Laib (niet Leib) in De Pont. Dat werk wordt door De Boer ingedeeld bij immersieve kunst die de kijker onderdompelt in een ervaring. Het unique selling point in de marketing van Almere. De Boer gebruikt verwijzingen naar De Pont als legitimatie voor het eigen museum. Maar Laib gaat niet voor een surrealistische ervaring, maar voor sacraliteit, natuur en tijdloosheid.

De uitgebeende soberheid van De Pont is niet wat het museum in Almere nastreeft. Dat is tegelijk de sleutel om te begrijpen waarom het spaak loopt in Almere. De Pont is een particulier museum met nauwelijks personeel dat financieel onafhankelijk is en zich met marketing en schijnbewegingen niet in bochten hoeft te wringen voor subsidie- op opdrachtgevers. De Pont kan zichzelf zijn. In Almere praat iedereen mee, is de marketing leidend en worden de kunstobjecten niet geselecteerd op hun intrinsieke waarde, maar moeten ze passen in een masterplan over de ervaring van de bezoeker die wordt ondergedompeld in een opgeroepen schijnwereld. Intussen lijkt die schijnwereld de plannenmakerij opgeslokt te hebben.

Late kritiek in Rotterdam op Gergiev Festival

RaadsvragenAfstand nemen of einde Gergiev Festival‘ van Ruud van der Velden van de PvdD Rotterdam, 25 februari 2022.

Eindelijk wordt Rotterdam wakker. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Gergiev Festival hebben kritiek op dirigent Valery Gergiev die wegens zijn pro-Kremlin houding en vriendschap met president Poetin door de Russische inval in Oekraïne aan de verkeerde kant van de geschiedenis is beland. Ze vragen Gergiev om afstand van de invasie te nemen. Dat past in het patroon van een kunst- en sportboycot die nu Russische instellingen treft. 

De late kritiek in Rotterdam op Gergiev die in feite zelfkritiek is over een mislukte relatie komt zeker zes jaar te laat. In die stad waar zo hard gewerkt wordt kan nu eindelijk de rekening opgemaakt worden. Het is berekening om afstand te nemen van iemand die bij wijze van spreken op de grond ligt en het niet durven handelen toen hij als publiekstrekker op de bok stond.

Gergiev is passé, zoals Poetin een internationale paria is, en pas nu wordt Rotterdam wakker. Maar Gergiev was al die tijd al een smerige meeloper van het Poetin-regime. Dat wist het Rotterdamse establishment al jaren, maar het deed net alsof het dat niet wist. Het Rotterdamse establishment liet zich jarenlang van haar smoezelige kant zien. 

In het commentaarValery Gergiev is een propagandist voor het Kremlin. Maar wordt verafgood in Rotterdam. Tijd voor bewustwording. En protest‘ van mei 2016 schreef ik: ‘

Schermafbeelding van deel commentaarValery Gergiev is een propagandist voor het Kremlin. Maar wordt verafgood in Rotterdam. Tijd voor bewustwording. En protest‘ van 20 mei 2016.

In het commentaarGergiev Festival is klassieke porno voor bedrijfsleven, overheid en politiek van Rotterdam‘ van augustus 2020 scheef ik:

Schermafbeelding van deel commentaarGergiev Festival is klassieke porno voor bedrijfsleven, overheid en politiek van Rotterdam‘ van 13 september 2017.

Het Westen heeft sinds de invasie van 2008 in Georgië verkeerd gereageerd op Poetin en zijn zakenvrienden en meelopers. Het is daarom medeplichtig en heeft zelfs actief geholpen Poetins machtspositie op te bouwen. Het is daarom medeverantwoordelijk voor wat er nu in Oekraïne gebeurd. Anders was het nooit zover gekomen. Want Poetin heeft door de miljarden die hij met de verkoop van olie en gas in Europa verdiende zijn krijgsmacht kunnen moderniseren.

Dus al sinds 2008 was de ware aard van het leiderschap in het Kremlin voor iedereen duidelijk. Maar het Westen en met name Duitsland en Nederland deden alsof hun neus bloedde. Ook Nederland wilde een graantje meepikken als rotonde van het Russische gas en kneep daarom een oogje dicht. Ook na het neerschieten van de MH17 in 2014 bleven de economische banden van Nederland met de Russische Federatie intact.

Rotterdam als centrum van de Nederlandse economie negeerde alle politieke signalen over Poetin. Dat doet denken aan de positie van de Rotterdamse havenbaronnen die vanaf 1870 op het Duitse Ruhrgebied was gericht en nog tot in de Tweede Wereldoorlog een oogje dichtknepen voor het Duitse bombardement op hun eigen stad vanwege hun eigen in Duitsland verankerde belangen. Cynischer is niet mogelijk. Die grondhouding van opportunisme van het Rotterdamse establishment dat weliswaar internationaler is dan in 1870, 1914 of 1941 viel de laatste jaren te herkennen in de houding tegenover Poetin en Gergiev.

Het Gergiev Festival kreeg in het laatste Cultuuradviesplan toch al kritiek omdat het geen inbedding in de stad had en nu eindelijk durft de politiek zich uit te spreken. Raadslid Ruud van der Velden van de PvdD is de uitzondering, zoals ook weer uit bovenstanderaadsvragen van 25 februari 2022 blijkt. Hij maakte zich er de afgelopen jaren als enige lokale politicus sterk voor om het Gergiev Festival in het openbaar ter discussie te stellen. De rest inclusief burgemeesters Aboutaleb en gemeentebestuur keken lafhartig weg. Nu het tij gekeerd is springen lokale bestuurders op de wagen om aan te haken bij de kritiek op Poetin, volgens een bericht van RTV Rijnmond. 

Dat zijn de helden die zwegen toen het erop aankwam en zich nu opstellen als verzetsstrijders na de oorlog die zich met terugwerkende kracht beroepen op hun moedige daden die ze in werkelijkheid nooit verrichtten. Ze brengen in praktijk waar het in deze hele kwestie van een controversieel en obsceen Gergiev Festival jarenlang aan schortte: het menselijk tekort. Ofwel, ontbrekende persoonlijke moed van mensen in het Rotterdamse bedrijfsleven, politiek en de kunstsector. 

Gergiev is een smerige meeloper van Poetin en Rotterdam werd een smerige meeloper van Gergiev. Rotterdam had het niet door. Er was de schok van een invasie van Oekraïne van een ontketende Poetin voor nodig om het Rotterdamse establishment in de spiegel te laten kijken. Het mag over zichzelf oordelen.

Zie voor verdere commentaren over het Gergiev Festival in Rotterdam:

Het Wereldmuseum heeft geen Rotterdams karakter, geen Rotterdams profiel en geen eigen identiteit. Dat is in strijd met de afspraken. De Rotterdamse politiek ziet het, maar handelt niet

In het Wereldmuseum te Rotterdam is tot en met 27 maart 2022 de tentoonstelling ‘What a Genderful World’ te zien. Uit een toelichting blijkt dat de tentoonstellingsmakers als hoger doel zien ‘dat mensen zelf bepalen wie ze zijn’. Dat staat haaks op het idee dat de mens een sociaal wezen is dat door de omgeving wordt gevormd. Het Wereldmuseum heeft de laatste twee weken tot nu toe op haar YouTube-kanaal zes video’s van 1 minuut met ‘Jamaal’ geplaatst die op straat mensen interviewt (Voxpop) over identiteit en gender.

In de tentoonstelling en de video’s met ‘Jamaal’ komen op z’n best allerlei misverstanden en op z’n slechtst bewust gemaakte foute keuzes samen. Ze komen op het volgende neer: 1) een inhoudelijke koers die bestaat uit weinig aandacht voor kunstobjecten en dominantie van ‘een maatschappelijke programmering‘; 2) populisme in de marketing en de programmering; 3) aanhaken bij politiek activisme om identiteit leidend te laten zijn in de marketing en programmering en 4) een achtergestelde positie en een flets profiel van het Wereldmuseum in de koepel het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMvW). In 2016 beloofde het NMVW in een persbericht dat het Wereldmuseum ‘een zelfstandig Rotterdams museum‘ zou blijven.

Het onderliggende, niet opgeloste probleem dat zich manifesteert in het huidige populisme van het NMvW is een brutale ontkenning van het niet uitvoeren van de in november 2016 in de Rotterdamse gemeenteraad aangenomen motie ‘Behoud Rotterdamse signatuur Wereldmuseum’ van de Partij voor de Dieren. Hiermee heeft de raad zich gecommitteerd aan ‘een Rotterdams karakter’ en ‘Het Rotterdamse profiel van het Wereldmuseum als onderdeel van de samenwerkende musea’.

Het Wereldmuseum lijkt de laatste jaren in een niemandsland beland te zijn tussen gelatenheid van de Rotterdamse raad die beseft dat de motie over de Rotterdamse signatuur niet wordt uitgevoerd, maar daar geen gevolgen aan verbindt, en een management van het NMvW dat het als haar opdracht ziet om ‘maatschappelijke’ verhalen te vertellen over wereldburgerschap, kolonialisme en identiteit. Deze abstractie die vervliegt in vaagheid en schimmigheid staat haaks op het vertellen van het concrete Rotterdamse verhaal. Essentieel is dat de door het NMvW aan het Wereldmuseum gegeven afspraak nageleefd wordt en de Rotterdamse politiek dat controleert. Maar dat gebeurt niet.

De ontwikkelingen richting populisme en abstractie van het NMvW verhouden zich slecht tot de motie over het Rotterdams karakter en het Rotterdamse profiel van het Wereldmuseum en het persbericht van het NMvW dat stelt dat het Wereldmuseum ‘een zelfstandig Rotterdams museum’ blijft.

Het is populisme van het management van het NMvW om kunstobjecten ten koste van een politiek doel in de mal van een ‘maatschappelijk’ verhaal te willen dwingen. Kunst laat zich daar per definitie niet toe dwingen. Zoals er geen katholiek voetbal bestaat, is er evenmin sprake van zwarte kunst of gender kunst. Wel van goede en slechte of relevante en niet-relevante kunst.

Het wordt er ronduit beschamend op als in genoemde video’s met ‘Jamaal’ het debat over identiteit het volledig overneemt. Er is geen enkele verwijzing naar de tentoonstelling ‘What a Genderful World‘. Laat staan naar Rotterdam. ‘Jamaal’ krijgt van het management van het NMvW alle ruimte om de boel op te leuken met deze als cabaretesk bedoelde video’s die niet oppervlakkiger en vluchtiger hadden kunnen zijn. Dat dit gebeurt valt deze ingehuurde acteur niet te verwijten, maar wel het management van het NMvW dat het communicatie- en tentoonstellingsbeleid formuleert.

Het NMvW negeert niet alleen de Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum, maar stuurt het in de marketing en programmering ook nog eens richting simplisme, populisme en politiek activisme. Dat is een serieus museum onwaardig. De eenduidigheid van het multiculturalisme strandt in koekoek éénzang waar steeds opnieuw hetzelfde voorgeprogrammeerde verhaal wordt verteld en interne pluriformiteit door het management niet wordt toegestaan.

Niet de identiteit van de geïnterviewden op straat of in een tentoonstelling dient ter discussie te staan, maar de identiteit van het Wereldmuseum. Want als we het dan toch over identiteit moeten hebben, dan geeft het persbericht uit 2016 de duidelijkheid die nu is vervaagd en waar geen van de betrokkenen uit 2016 zich nog sterk voor lijkt te willen maken: ‘het Wereldmuseum, met behoud van eigen identiteit‘. Waar is de toekomst van het Wereldmuseum gebleven? Het is de hoogste tijd dat Rotterdamse raad en gemeentebestuur zich daar opnieuw helder over uitspreken.

Bevreemdende marketing van Das Konzpt: ‘Kunst is mijn religie’

Eyecandy Frankfurt is een project van ontwerper TÜLAY SANLAV. Das Konzpt is ‘an independent concept & branding agency based in Munich, Frankfurt and Istanbul‘. Dit gaat over marketing. Ofwel, het promoten van een product door middel van reclame en onderscheidende vormgeving.

Opvallend is dat het vormgevings- en marketingbureau niet in opdracht van een lokale organisatie optreedt, maar daartoe zelf het initiatief heeft genomen. Das Konzpt is haar eigen opdrachtgever. Creëert het een behoefte die bestaat of suggereert het dat die behoefte bestaat zonder dat dit zo is? Kortom, voor wie of wat is Das Konzpt eigenlijk werkzaam en welke doelen wil het realiseren behalve doelen die voortkomen uit het bestaan van het eigen bureau?

Das Konzpt zegt over het project ‘Eyecandy Frankfurt‘ (vertaald): ‘In maart 2021 startte de oprichter van “Das Konzpt” Tülay Sanlav het kunstenaarsplatform “Eyecandy Frankfurt”. Onder de filosofie “Mijn religie is kunst” verbindt ze kunstenaars uit alle genres. Schilders, tatoeëerders, muzikanten, auteurs, modeontwerpers, fotografen of dansers – de genres zijn divers, net als kunst, zegt de inwoner van Istanbul, en dit is precies hoe ze de diversiteit van de kunsten in een stad laat zien. Het is belangrijk dat kunstenaars “met elkaar – voor elkaar” staan. En zo bouwt de netwerker enerzijds bruggen tussen de kunstenaars en presenteert deze tegelijkertijd als een geheel aan kunstliefhebbers!’

Het is de ronkende taal van de marketing. Zoals altijd is de vraag hoe serieus die moet worden genomen, maar vooral hoe effectief die is in het realiseren van de beoogde doelen. Anders gezegd, als het in vormgeving en marketing gelikt uitziet, dan wil dat nog niet zeggen dat het werkt.

Daarnaast is er fundamentele kritiek mogelijk op de slogan ‘Meine Religion ist Kunst‘ of ‘Kunst is mijn religie‘ en de veelheid van doelstellingen die in dit project geformuleerd zijn. De slogan klinkt vals door de onterechte vergelijking van kunst met religie.

Das Konzept maakt de opvatting van kunst zo breed dat er niks meer overblijft omdat de functie verwatert. Dat Konzpt offert de kunst op het altaar van de marketing en vormgeving en beschadigt het aanzien van de kunst. Het maakt kunst ondergeschikt aan het modieuze onderwerp van de diversiteit. Maar dat gaat niet ongestraft. Door kunst te verbreden en uit te rekken naar het domein van tatoeëerders, modeontwerpers en fotografen houdt kunst op kunst te zijn. Das Konzept maakt door deze interpretatie een parodie van kunst.

Of dit bureau lijkt niet goed te beseffen waarmee het bezig is en planeert weg in oppervlakkigheid en versiering of het beseft dat wel, maar begrijpt onvoldoende de functie van kunst en probeert kunst ondergeschikt te maken en te framen in een sjabloon waarin kunst per definitie niet past.

Kunst is per definitie geen religie omdat het andere doelstellingen heeft en anders van karakter is. Religie sluit gelijkgestemden in en sluit andersdenkenden uit, en is gebaseerd op een menselijke constructie die suggereert niet-menselijk te zijn. Religie heeft als belangrijkste opzet om mensen te verbinden, en zo tevens de eigen macht en continuïteit te versterken, terwijl bij kunst dat aspect niet voorop staat. Kunst scherpt aan en stelt het vanzelfsprekende ter discussie zonder bezig te zijn met de eigen positie. Kunst is uitsluitend een constructie door mensen zonder verwijzing naar een wereld achter de kunst. Kunst is van deze wereld. en is wat het is. Religie claimt in de eigen geloofswaarheid dat het is ontstaan in een wereld achter deze wereld.

Het is belachelijk om kunst gelijk te stellen aan religie. De gelijkstelling haalt de functie van kunst naar beneden en ook van religie. Religie is religie, en kunst is kunst. Gelovigen hebben er een handje van om andersdenkenden te annexeren en zo de werking en het belang van hun religie op te rekken. Dan beweren ze dat atheïsme religie is of dat kunst religie is. Men kan zich alleen maar afvragen wat Tülay Sanlav bezielt door het kiezen van een slogan die zo aantoonbaar in strijd met de werkelijkheid is en kunst door de gelijkstelling met religie verkeerd voorstelt. Das Konzpt doet aan marketing met een leugen. Vraag is of de kunstscène van Frankfurt hier gelukkig mee is en op zit te wachten.

Schermafbeelding van paragraaf ‘Meine Religion is Kunst’ op eyecandyfrankfurt.com.