Den Haag krijgt kritiek van Stadspartij voor stelen initiatief Instagram Museum. Wordt het debat erover goed gevoerd?

Peter Bos van de Haagse Stadspartij heeft in de raad vragen gesteld over een Instagram Museum dat de gemeente Den Haag in de binnenstad zou willen realiseren. Op dit moment zijn de vragen nog niet officieel gepubliceerd, maar wel al op de site van de Stadspartij te lezen. Lachwekkend is vraag 3: ‘Is het juist dat het college in mei 2021 een Projectleider InstaExperience City of The Hague heeft aangesteld? Zo nee, waarom niet?’ Wat is hier aan de hand? 

In een bericht op  Dagblad070 noemt Bos het een boevenstreek van de gemeente omdat het concept gestolen zou zijn van ‘twee jonge Haagse ondernemers die eerder een plan hadden ingediend voor een soortgelijk museum in de Binckhorst’. Dat deel van de stad waar jaarlijks de kunstbeurs Art The Hague in de voormalige Fokker Terminal plaatsvindt. 

De zorgen van Bos zijn terecht, maar gaan voorbij aan de kern van de zaak. Hij neemt het op voor ondernemers en dat past blijkbaar bij het profiel van zijn partij, maar daarmee wordt het zicht ontnomen op de hamvraag. Die is waarom de gemeente Den Haag marketing inzet en de concepten museum en kunst ermee oprekt en beschadigt

In de video wordt aan de hand van de Berlijnse WOW!-Gallery de vraag gesteld of een Instagram Museum een echt museum of spel is. De toelichting bij de video zegt: ‘We willen ingaan op de vraag in hoeverre de culturele meerwaarde van het selfiemuseum erkend moet worden. Daarbij verscherpen we de focus op de thema’s museumcultuur, het begrip van kunst en zelfportretten in de context van onze digitale samenleving’.

Museum is geen beschermd begrip en kan voor alles gebruikt worden. Commerciële bedrijven rekken dat voor eigen gewin op en doorgaans doorzien bezoekers deze opzet wel. Ze begrijpen dat het niet serieus genomen moet worden. Maar als een officiële instantie als de gemeente Den Haag de naam verbindt aan zo’n pseudo-museum, dan wordt het verwarrend.

Wat bezielt de gemeente Den Haag om op het snijvlak van commercie, stadsmarketing en populaire cultuur met gemeenschapsgeld een Instagram Museum te willen realiseren?

Is dat een poging om de vermaledijde kunsten op te leuken, te verbreden en onder het bereik van nieuwe doelgroepen te brengen? Dat kan een instrument met publicitaire en economische waarde zijn, maar als het nog weinig met kunst te maken heeft dan kan het beter ronduit genoemd worden wat het is: een commercieel project.

De vraag is of een gemeente ondernemer moet spelen. Zo zijn we terug bij de kritiek van Peter Bos. Of de gemeente Den Haag gaat de fout in doordat het een initiatief van ondernemers steelt of doordat het onder het mom van kunst of cultuur haar naam verbindt aan een commercieel initiatief.

Burgers moeten afbraak publieke omroep halt toeroepen. Frans Kleins schoten in eigen voet bieden kansen voor nieuw omroepbestel

Frans Klein, 7 mei 2021 in Nieuwsuur. © NPO

In de recente uitspraken van directeur video van de NPO Frans Klein valt op dat hij het nooit echt over de inhoud heeft en hij alles beredeneert vanuit de kijkcijfers en het marktaandeel. Hij is verantwoordelijk voor de programmering van NPO 1, 2 en 3, NPO Start, ZAPP en Zappelin. 

Klein redeneert vanuit marketing. Hij bevestigt telkens het idee dat programma’s niet een hoger doel dienen, maar instrumenteel zijn voor een ander doel. Namelijk het behalen van marktaandeel of het aantrekken van specifieke doelgroepen. Zoals de middengroep van 20 tot 49 jaar.

In dit denken gaat het mis. Klein bevestigt het failliet van de omroeppolitiek dat gericht is op kijkcijfers en niet op inhoud. Dat valt hem niet persoonlijk aan te rekenen omdat hij een functionaris is die bestaand beleid uitvoert. Het beleid dat hij invult is echter krakkemikkig en slecht doordacht.

Waarom het in Nederland zo mis gaat met de omroeppolitiek omschreef ik in 2016 in het commentaarHoofd Klara wordt netmanager VRT. Waarom kan zoiets niet in Nederland?’ dat ik hieronder herhaal omdat het raakt aan de kern van het probleem van de Nederlandse omroeppolitiek en nog even actueel is als vijf jaar geleden. Namelijk het ontbreken van de focus op inhoud en de koudwatervrees om kwaliteit te maken die eeen deel van het publiek afstoot. Ik zoomde in op kunst, maar dat geldt precies zo voor zware informatie. Niet te verwarren met het lichte soort waarmee de NPO kosmetisch opinieprogramma’s tot journalistiek omkat, maar serieuze journalistiek zoals onderzoeksjournalistiek, gedegen historische documentaires en diepgravende interviews met opinieleiders die de tijd krijgen om te reflecteren op samenleving, politiek en wetenschap:

Zomaar een bericht in het Vlaamse nieuws. Deze keer niet over islamitische terreur en bomaanslagen in Brussel, maar over cultuur. Chantal Pattyn is netmanager van het Vlaamse Klara en wordt hoofd cultuur van de Vlaamse publieke omroep VRT.  Na de inkrimping en het bewust om zeep helpen om interne omroeppolitieke redenen in 2006 van de Nederlandse Concertzender en de infantilisering van Radio 4 is Klara nog de enige nationale culturele zender van niveau in het Nederlandse taalgebied die het beluisteren waard is.
Het cliché is waar, Vlamingen vinden cultuur belangrijk. Dat heeft met hun emancipatiestrijd te maken en het besef dat taal en kunst ertoe doen. En de overeenstemming over partijen heen dat het de nationale identiteit versterkt. In Nederland doen VVD en PVV die eveneens zeggen nationale identiteit belangrijk te vinden het omgekeerde: ze breken bewust de publieke omroep en de kunsten af. Maar ook in Vlaanderen moeten kunst en cultuur voor de poorten van de hel worden weggesleept. Ook daar moet telkens weer de liefde voor kunst op de politiek bevochten worden. Niets komt vanzelf. De loyaliteit van de bestuurders in de cultuursector lijkt het verschil te maken. De Vlaamse cultuurminister Sven Gatz (‘kunst dient nergens toe’) haalde in 2014 met terugwerkende kracht dezelfde shockdoctrine van cultuurbezuinigingen als Halbe Zijlstra uit de liberale kast.
Kunst is kunst, maar ook een wapen waarmee de strijd tegen terreur die van buiten komt en onverschilligheid die van binnen komt gewonnen kan worden. Het is de strijd om de harten en geesten van de eigen bevolking die telt en een positieve impuls kan geven. Media kunnen daarin een opbouwende rol spelen. Niet omdat het educatief is of doelgroepen emancipeert, maar omdat het kunst als voorbeeld voorhoudt. Juist dat patroon is in Nederland uitzondering geworden. Onder het uitroepen van ‘zie ons eens aan kunst doen’ wordt kunst naar aparte reservaten verbannen of slachtoffer van popup en populariteitsdenken. Wat Nederland mist is die positieve, vanzelfsprekende grondhouding tegenover kunst en cultuur die in een samenleving tamelijk breed gedragen wordt. In elk geval in omroepkringen die een kunsthistoricus tot netmanager benoemen. Klasse. 

In 2018 kondigde Frans Klein al aan om te willen bezuinigen op journalistieke programma’s. In zijn NPO’s Newspeak noemde hij dat ‘vernieuwen‘. Hij zei toen in een interview met NRC’s Wilfred Takken dat journalistieke programma’s een steeds kleiner publiek bereiken en daarom een andere vorm moesten krijgen. Dit gaf toen ook al aan dat Klein niet redeneert vanuit de programma’s, de inhoud of een hoger doel als democratie of spreiding van kennis, maar vanuit de marketing. In het commentaarNPO-directeur Klein komt met ongeloofwaardige ‘vernieuwingen’, na kritiek op hem te korten op journalistieke programma’s‘ uit 2018 schreef ik:

De argumentatie van Frans Klein dat de kijker van Tegenlicht al ‘zeer goed bediend wordt door de publieke omroep’ zodat er gekort kan worden op Tegenlicht is onjuist. Tegenlicht en ook Andere Tijden zijn unieke programma’s die niet vervangen kunnen worden door andere programma’s.
Daarnaast maakt Klein nog een andere denkfout. Jongeren, maar ook ouderen kijken niet meer vanzelfsprekend lineair naar televisie. Uiteraard weet Klein dat. Waarom hij dan toch tot de gedachtensprong komt dat hij televisie voor jongeren wil maken is de vraag. Het lijkt onzinnig om krampachtig televisie voor jongeren te willen maken. Daar trappen jongeren niet in. Het gaat erom goede programma’s te maken die zowel ouderen als jongeren kunnen bedienen.
Het Nederlandse omroepbestel is gefragmenteerd en lijkt in die versplintering te weinig soortelijk gewicht te hebben. De noodzaak tot hervorming wordt versneld door extra bezuinigingen. Frans Klein is het symbool van een ouderwets zuilensysteem met levensbeschouwelijke omroepen dat zichzelf heeft overleefd. Hij is geen deel van de oplossing, maar van het probleem.
Klein helpt kwalitatief journalistieke programma’s om zeep, beschermt de omroepen, doet aan wensdenken en beseft onvoldoende dat de traditie van broadcasting niet meer gerevitaliseerd kan worden in de vorm die hij ons voorspiegelt. Dat tijdperk ligt achter ons. Ook in Hilversum. De winst van zijn interventie is dat hij zich ermee zo onmogelijk maakt in potsierlijkheid en wereldvreemdheid dat hij er onbewust een punt voor de tegenpartij mee maakt.
Namelijk voor degenen die de omroepen willen omvormen en afslanken tot productiehuizen en een nationale omroep willen optuigen. Klein bewijst met zijn manier van denken het Nederlandse publiek een grote dienst. Zijn schot in eigen voet biedt volop kansen voor de toekomst met een levensvatbaar omroepbestel zonder de omroepen zoals we die nu (nog) kennen. Dan is het definitief geen 1925 meer in Hilversum.

Er is een gezegde dat aan Joseph de Maistre wordt toegeschreven dat zegt: ‘Elk land heeft de regering die het verdient’. Een variant daarop is ‘elk volk krijgt de leiders die het verdient’ dat naar allerlei sectoren kan worden uitgebreid. Dat is een fatalistisch standpunt dat suggereert dat macht een land overkomt. Vertaald naar de publieke omroep luidt dat: ’Nederland krijgt de directeuren van de NPO die het verdient’.

Maar dat is onzin. Het Nederlandse volk hoeft het marktdenken van de publieke omroep dat wordt gepersonifieerd door omroepbobo Frans Klein die macht naar zich heeft toegetrokken niet voor zoete koek aan te nemen. Want zijn argumentatie is zwak en eenzijdig. Gezien de kritiek op Kleins plannen in 2018 en nu weer in 2021 vinden veel Nederlanders de plannen van de NPO die hij presenteert slecht en ongepast. Klein is een zetbaas die beleid uitvoert waar veel betrokken burgers het niet mee eens zijn. Welnu, laten ze niet Klein daarop aanvallen, maar degenen die er de oorzaak van zijn dat Klein dit dient uit te voeren. Te weten de politieke partijen.

De marges zijn smal, maar de Nederlandse publieke omroep moet geen aansluiting zoeken bij de markt omdat dit een doodlopende weg is die teruggaat naar de 20ste eeuw en de laatste restjes kwaliteit inlevert, zodat er bij de volgende aankondiging van Klein of zijn opvolgers in 2024, 2027 of 2030 niks van kwaliteit meer is om in te leveren. Daarnaast is Nederland als markt te klein om in internationaal verband een vuist te maken.

Klein en degenen die hem zijn standpunten influisteren moeten nu teruggefloten worden in hun idee van meer van hetzelfde en minder van kwaliteit. Hun afbraak van de publieke omroep is ongewenst en strijdig met het grondidee van een publieke omroep. Dat is niet het populisme en het marktdenken dat Klein probeert te verkopen, maar algemeen nut zoals de watervoorziening of het elektriciteitsbedrijf. Dat kan uit principe niet vermarkt worden.

Hoe is progressiviteit te verenigen met religieuze orthodoxie? Kauthar Bouchallikht en GroenLinks leggen niet uit waar ze echt voor staan

Schermafbeelding van deel interview ‘‘Ik moet steeds uitleggen waar ik écht voor sta’ met Kauthar Bouchallikht in NRC, 29 maart 2021.

Een interview in NRC met de titel ‘Ik moet steeds uitleggen waar ik écht voor sta’ wekt bij de lezer de verwachting na lezing te weten dat de geïnterviewde is gevraagd waar zij echt voor staat en zij daar een goed antwoord op heeft gegeven. Het gaat om het kamerlid voor GroenLinks Kauthar Bouchallikht die vandaag in de Tweede Kamer wordt geïnstalleerd. De interviewer is Mark Lievisse Adriaanse.

Maar de titel maakt het niet waar. Na lezing weet de lezer nog steeds niet waar Bouchallikht nou echt voor staat. Ja, ze zou uit een ‘conservatieve omgeving’ komen, maar is dat de hele verklaring als zij verbonden was aan de islamistische Moslimbroederschap en het nationalistisch-conservatieve islamitische Milli Görüş? Dat is heel wat anders dan een conservatieve omgeving, dat is de omgeving van de politieke islam.

Mark Lievisse Adriaanse doet zijn best, maar komt er niet echt doorheen. Zo wordt het vooral een human interest verhaal over een jonge vrouw die zoveel mogelijk haar eigen verleden wegschoffelt omdat zij daar geen raad mee weet.

Het zou wat anders zijn als Bouchallikht zou toegegeven dat ze vanuit haar familieachtergrond in de politieke islam verzeild raakte en daar achteraf afstand van neemt. Dan zou haar een nieuwe start gegund zijn omdat haar nieuwe inzichten een duidelijke breuk met haar verleden vormen. Maar dat doet ze niet. Het blijft nu hangen in algemeenheden dat ze een ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ze valt haar verleden en haar familie niet af. Daarom wordt niet duidelijk wie de echte Kauthar Bouchallikht is. Tegelijk heeft iedereen recht op een tweede kans. Maar zij en GroenLinks maken het de radicaal-rechtse critici wel erg makkelijk door geen goede verklaring te geven. Zou blijft deze identiteitspolitiek zeuren die afleidt van de echte problemen. Dat valt haar tegenstanders, maar ook GroenLinks te verwijten.

Tegelijk is Bouchallikht verbaasd over de kritiek die ze krijgt. Maar die verbazing is verbazingwekkend. Zo zegt ze te strijden voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, maar gaf ze bij Milli Görüş een training waar mannen en vrouwen gescheiden zaten. Daar neemt ze achteraf geen afstand van.

Ze komt met een onnavolgbaar verhaal over dwang en vrije keuze. Daarbij gaat ze voorbij aan de sociale dwang voor vrouwen om zich stilzwijgend aan te passen aan hun omgeving. Alsof die vrouwen hun kritiek in een nationalistisch-conservatieve islamitische omgeving kenbaar kunnen maken. Zo vlucht Kauthar Bouchallikht weg in vreemde verklaringen die niks met de werkelijkheid te maken hebben. Dat roept vragen op over haar vermeende wereldwijsheid.

Dat ze vrouw is, een hoofddoek draagt en feministisch zegt te zijn is niet waar het om gaat. Daar mag ze niet op aangevallen worden, maar daar kan ze zich evenmin achter verschuilen als certificaat voor haar goede bedoelingen. Men kan zich alleen maar afvragen of de kandidatencommissie van GroenLinks moeite heeft gedaan om te achterhalen wie zij echt is.

Wat Bouchallikht heeft te zoeken bij GroenLinks is een ander aspect. GroenLinks bleef ondanks kritiek achter haar kandidatuur staan. Die kritiek kwam niet alleen van buitenaf, maar ook van binnenuit. Zo zegde het voormalig TK-lid Zihni Özdil in december 2020 mede vanwege de kandidatuur van Kauthar Bouchallikht zijn lidmaatschap op de partij op. Partijprominent Meindert Fennema gaf aan bij de verkiezingen van 17 maart 2021 niet op zijn partij te stemmen vanwege Bouchallikht.

Zij zijn niet de enigen binnen GroenLinks die kritiek hebben op de hoge plaats van Bouchallikht op de kandidatenlijst die trouwens te laag was om rechtstreeks verkozen te worden. In een interview voor het seculier-progressieve Vrij Links botst Nevin Özütok, de nummer 17 op de kandidatenlijst van GroenLinks met de kandidatuur van Bouchallikht. Op de vraag ‘Hoe komt het dat een progressieve politicus die GroenLinks 100 procent zou moeten omarmen, zo laag staat?’ antwoordt Nevin Özütok: ‘Echt begrijpen doe ik de kandidatencommissie ook niet.’

NRC zou er evenwichtig aan doen om een vervolg te geven aan dit interview met Bouchallikht door critici van haar als Zihni Özdil, Meindert Fennema en Nevin Özütok hun mening over haar kamerlidmaatschap en de koers van GroenLinks te vragen. Dat kan de lezer helpen om te begrijpen wat hier nou echt speelt. Het is trouwens opvallend dat die kritiek vanuit GroenLinks op Bouchallikht in het interview niet wordt genoemd. Het blijft bij het plichtmatig noemen van kritiek vanuit de hoek van De Telegraaf, terwijl de interne kritiek vanuit GroenLinks interessanter was geweest om naar te vragen. Dat is een gemiste kans.

GroenLinks heeft een slechte campagne gevoerd en zes van de 14 zetels verloren. De partij wilde graag regeren en kreeg daardoor een vaag profiel. Kauthar Bouchallikht lijkt onderdeel te zijn geweest van de reeks inschattingsfouten die het campagneteam en de partijtop hebben gemaakt. Marketing bepaalde de inhoud. Weliswaar is zij verkozen met voorkeurstemmen, maar tegelijk lijken door haar kandidatuur de grootsteedse seculier-progressieve kiezers weggejaagd te zijn richting D66. Men zou verwachten dat GroenLinks daar uitleg over geeft.

Het ondraaglijke opportunisme van de marketing van GroenLinks: Kauthar Bouchallikht of Nevin Özütok?

Voor mij viel eind vorig jaar GroenLinks definitief af als partij om op te stemmen toen deze partij op nummer 9 van de kandidatenlijst Kauthar Bouchallikht zette. Ik heb niks met religieuze politiek. Haar beeldmerk is de hoofddoek en via haar achtergrond en overtuiging is ze gelieerd aan de islamistische Moslimbroederschap. Ik vind dat niet passen bij partijpolitiek en al helemaal niet bij GroenLinks dat zich profileert als seculier en progressief. Je zou het zelfs schijnheilig kunnen noemen.

In een commentaar van december 2020 vermoedde ik dat het de linkse partijen ontbreekt aan een goede antenne om kandidaten met een allochtone achtergrond te screenen zoals ze dat bij andere kandidaten doen. Maar dat weet ik drie maanden later niet meer zo zeker. Ik denk dat er met de kandidatuur van Bouchallikht iets anders aan de hand is. GroenLinks heeft bewust gekozen om haar te gebruiken om de aantrekkingskracht bij kiezers buiten de eigen achterban te vergroten. Tegelijk loopt de partij hiermee het risico dat kiezers afhaken vanwege de kandidatuur van Bouchallikht.

GroenLinks bleef ondanks kritiek achter haar kandidatuur staan. Die kritiek kwam niet alleen van buitenaf, maar ook van binnenuit. Zo zegde het voormalig TK-lid Zihni Özdil in december 2020 mede vanwege de kandidatuur van Kauthar Bouchallikht zijn lidmaatschap op de partij op. Partijprominent Meindert Fennema gaf aan bij de verkiezingen van 2021 niet op zijn partij te stemmen vanwege Bouchallikht. Zij zijn niet de enigen binnen GroenLinks die kritiek hebben op de hoge plaats van Bouchallikht op de kandidatenlijst.

In een interview voor het seculier-progressieve Vrij Links (zie fragment hierboven) botst Nevin Özütok, de nummer 17  op de kandidatenlijst van GroenLinks met de kandidatuur van Bouchallikht. Op de vraag ‘Hoe komt het dat een progressieve politicus die GroenLinks 100 procent zou moeten omarmen, zo laag staat?’ (en wordt impliciet gevraagd, de niet zo progressieve Bouchallikht zo hoog) antwoordt Nevin Özütok: ‘Echt begrijpen doe ik de kandidatencommissie ook niet.’

Nou, ik begrijp de kandidatencommissie van GroenLinks goed. De kandidatuur van Bouchallikht draait niet om ideologie of principes, maar om politieke marketing en electorale strategie. Want partijen kunnen dan wel trouw vasthouden aan hun overtuiging door uitsluitend kandidaten te nomineren die daarmee in lijn zijn, maar de kiezers die daar afstand van hebben worden dan niet bereikt. Verbreding van de lijst kan dus nut hebben om kiezers buiten de natuurlijke achterban te trekken. Dat is hier aan de hand.

Ik woon in Utrecht en kreeg afgelopen dagen bovenstaande flyer van GroenLinks in de bus. Daarop staan prominent twee foto’s van twee kandidaten afgebeeld. Een ervan is Kauthar Bouchallikht met haar foto met hoofddoek. Zij is geboren in Amsterdam en woont daar naar verluidt nog steeds. Waarom moet de Amsterdamse nummer 9 van de kandidatenlijst die geen bijzondere band met Utrecht heeft worden afgebeeld op een flyer die in Utrecht wordt verspreid?

De bedoeling lijkt duidelijk, namelijk via de marketing van Bouchallikht die met haar hoofddoek wordt gepresenteerd als moslim probeert GroenLinks kiezers te trekken buiten de eigen achterban van groen-links-seculier-progressieve kiezers. Zoals vroeger deze kiezers automatisch op de PvdA stemden zonder dat ze het partijprogramma kenden. Utrecht kent veel Marokkaanse-Nederlanders en migranten uit islamlanden. Dat partijen in een kieskring regionale of etnische aspecten mee laten spelen is niet ongebruikelijk, maar dat wordt het wel als een kandidaat op de lijst wordt gezet van wie talloze kaderleden zich afvragen wat die bij de partij te zoeken heeft omdat de kandidaat niet bij het DNA ervan past,

Naar mijn idee tekent de kandidatuur van Bouchallikht het morele failliet, het gebrek aan overtuiging en de doorgeslagen marketingstrategie van GroenLinks. Toegegeven, partijen halen in een verkiezingscampagne in paniek of als noodgreep soms vreemde streken uit die moeilijk te rijmen zijn met hun uitgangspunten of overtuiging, maar bij GroenLinks is het omgekeerde waar. De partij koerste er, zo vermoed ik nu, vanaf eind 2020 bewust op af om Kauthar Bouchallikht in te zetten voor haar politieke en electorale marketing. De flyer is er het bewijs van.

Wie ondanks alles toch overweegt om op GroenLinks te stemmen en zeker wil weten dat de stem terecht komt bij een seculier-progressieve kandidaat met een vrijzinnig hart en liefde voor de kunst weet nu welke naam wel aangekruist kan worden: Nevin Özütok, nummer 17 van GroenLinks.

Foto 1: Eigen afbeelding van flyer van GroenLinks die begin maart 2021 in Utrecht werd verspreid.

Foto 2: Schermafbeelding van deel interviewNevin Özütok (GroenLinks): “Het is echt alle hens aan dek’ met Nevin Özütok op Vrij Links, 6 maart 2021.

Onnozelheid van Ye Visual: ‘Een museum of tentoonstelling saai? Niet met interactiviteit!’

Deze promotievideo van het Belgische Ye Visual (‘Ye Visual creëert interactieve narrowcasting-oplossingen die uw ruimte transformeren in een interactieve ervaring’) raakt aan de kern van de onrust, de nervositeit, het ongenoegen en het zich opgejaagd voelen van velen die daardoor onzeker worden. Ye Visual werkt mee aan het accentueren van het belang van de snelle bevrediging. The quick fix. Met als hoger doel de eigen kwartaalcijfers.

Het gevolg is dat bedrijven als Ye Visual zich uit eigenbaat verklaren tot vijanden van de inhoud en de degelijkheid. Een dik boek, een moeilijke opera, een kunstzinnige film of een vernieuwende tentoonstelling worden bij het oud vuil gezet door ze als gedateerd af te schilderen. Ze menen dat het publiek bij de hand, hun hand, genomen moet worden om de inhoud nog te kunnen begrijpen. Het publiek wordt als onmachtig en onnozel beschouwd dat niet meer zelf kan nadenken.

Het gevolg van dit marketing denken van al die Ye Visuals die de kunstsector overspoelen is dat door het valse voorwendsel dat het om interactiviteit draait het publiek juist afgesneden wordt van de authentieke ervaring die enkel en alleen de echte inhoud biedt.

Ye Visual is de tolk die veinst kunst bereikbaar te maken door kunst met de grond gelijk te maken zodat iedereen er gelijkvloers in kan lopen. Beseft Ye Visual echt niet dat het dan niet meer over kunst gaat die als functie heeft om te ontregelen en aan te scherpen, maar over een getemde en klein gemaakte afleiding ervan die alles reduceert tot de snelle bevrediging van de toeschouwer?

Ye Visual rolt met brutale bravoure de eigen marketing instrumenten uit en verklaart zonder onderbouwing dat inhoud per definitie saai is en dat het draait om ervaring. Volgens Ye Visual kan inhoud het op zichzelf niet redden omdat het geen ‘echte ervaring’ biedt.

Dit soort intermediaire bedrijven die zich binnen de kunstsector opdringen en pretenderen onmisbaar te zijn gaan in hun potsierlijkheid voor de inhoud staan en menen dat enkel zij inhoud bieden door die te moeten ‘vertalen’. Ze beseffen met hun simplisme niet hoe onnozel ze zijn met hun opdringerige interactiviteit. Ye Visual tekent de schade die de kunst wordt toegebracht door die om te zetten naar een niveau waar kunst niet leeft.

Musea zouden er goed aan doen om Ye Visual buiten de deur te zetten en (weer) te vertrouwen op de inhoud, de kunstobjecten zelf. Want de interactiviteit met objecten kan nooit de inhoud vervangen. Het onderschat daarbij het publiek dat wordt teruggebracht tot kleuterniveau. Ye Visual is in dit hele verhaal de saaie en overbodige schakel.

Foto: Still uit videoEen museum of tentoonstelling saai? Niet met interactiviteit! – Ye Visual’ van Ye Visual op YouTube.

Antwoord aan de ‘Islamitische Reminder’ Mikaeel Hasan die de vrijheid van meningsuiting belastert

De Islamitische Reminder Mikaeel Hasan steekt een betoog af over de vrijheid van meningsuiting. Hij stelt dat het een marketingtool is. Dat is blijkbaar de marketingtool van een Islamitische Reminder die de publiciteit zoekt.

Zover is het gekomen met feitenontkenners. Ze liegen dat het gedrukt staat en keren de feiten om. Nieuws noemen ze nepnieuws. Nepnieuws noemen ze nieuws. Een waarde noemen ze marketing. Hun marketing noemen ze een overtuiging. Hasans onwaarheid presenteert hij als waarheid. Smaldenker Hasan presenteert zich als ruimdenker.

Deze video roept de vraag op of Hasan zo dom is als uit zijn betoog blijkt of dat hij net doet alsof hij dom is. Hij kan met alle Nederlanders weten dat de enige beperkingen aan de vrijheid van meningsuiting worden gedicteerd door de wet. Oproepen tot haat of geweld mag niet.

De werking van de nationale rechtsstaat wordt door de staat bepaald. Hasan concludeert uit het feit dat de staat niet neutraal is dat daarom de vrijheden niet neutraal zijn. Of kunnen zijn. Dt is onjuist. De rechtsstaat gaat over de relatie van de staat met de burgers. Kern is dat alle burgers dezelfde rechten hebben. De staat die dat ‘van bovenaf’ bepaalt kan per definitie niet neutraal zijn. De staat dat zijn we zelf zoals we dat hebben vastgelegd in wetten en instituties die voor allen in gelijke mate gelden. Zo moet de vrijheid van meningsuiting begrepen worden.

Wat Hasan doet is opzichtig. Het is de methode van de populist. Hij probeert zijn islamitische waarden op te waarderen door de rechtsstatelijke waarden af te breken. Maar omdat hij dat niet intelligent doet strandt die poging in retoriek. Of zoals hij het zelf over anderen zou noemen, in marketing.

In Nederland is het spotten met een godsdienst of levensovertuiging toegestaan. Of het verkondigen van een scherpe mening over wat dan ook. Hasan bewijst dit met zijn video waarin hij het recht heeft om in vrijheid alles te beweren en hij tegelijk dat recht anderen probeert te ontzeggen. Dat is tegenstrijdig en getuigt niet van een rechtsstatelijke geaardheid.

Hasan heeft ongelijk dat er ‘zoveel tegenstrijdigheid over de vrijheid van meningsuiting is’. Dat is niet zo. Dat verzint hij en tovert hij uit zijn islamitische hoed. Hij maakt het er nog bonter op door te beweren dat mensen die de vrijheid van meningsuiting propageren er zelf niet in geloven. Ook dat is klinklare onzin. Het gaat niet om propaganda voor een religieuze organisatie of een geloof, maar om een universele waarde die voor allen geldt.

Niemand staat boven de wet, hoezeer gelovigen ook claimen dat zij meer rechten hebben dan mensen die zich niet laten inspireren door een geloof. Vooral in orthodox-religieuze kring (christendom én islam) proberen gelovigen vanwege religieuze redenen de vrijheid van meningsuiting in te perken. Ze hebben ongelijk om als lobbygroep te kunnen bepalen waar anderen zich aan te houden hebben. Het is de nationale rechtsstaat die dat bepaalt.

Mikaeel Hasan geeft de indruk dat hij niet alleen niet weet waarover hij praat, maar ook Nederlanders tegen elkaar probeert op te zetten. Het is echter in de kern simpel. Hij als moslim heeft dezelfde vrijheid om anderen te bespotten in hun godsdienst of levensovertuiging als anderen zijn godsdienst mogen bespotten. Dat is de neutraliteit die hij niet zegt te begrijpen.

Hasan claimt als moslim een voorrecht door de innerlijke, leerstellige werking van zijn religie dwingend aan anderen buiten dat geloof op te willen leggen. Dat is onwerkbaar en brengt het publieke debat om zeep omdat het uitingen over anderen praktisch onmogelijk maakt. Dat is in strijd met het gezond verstand waar Hasan zich losjes op beroept, maar dat hij zoals uit zijn betoog lijkt nog niet in zich heeft opgenomen. Zijn wijsheid is nog onderweg.

Foto: Still uit videoVrijheid van meningsuiting is een marketingtool – Mikaeel Hasan’ op het YouTube-kanaal ‘Islamitische Reminders’, 16 november 2020.

Maakt marketing in kunsthandel en kunstsector de kunst kapot?

Kunsthandel is een een slim marketingplan. Dat is geen opzienbarend nieuws, maar al vaak beweerd. Wie dat nu nog niet weet heeft zitten slapen. In een grappige, maar ook wel wat karikaturale aflevering van truTV wordt uitgelegd hoe het werkt. Neveneffect en onderschrijving van die marketing is dat de gevestigde media de veilingprijzen voor kunstwerken gelijkstellen met de kwaliteit of het belang ervan. Maar evenmin als bij films de toekenning van Oscars het ultieme oordeel is over de kwaliteit ervan geldt dat in de beeldende kunst.

Naast dit schema dat leidend is voor het bovenste segment van de kunsthandel is er in de kunstsector in volle breedte de actuele marketing van kunstenaars die niet minder kwalijk is en op andere uitgangspunten is gebaseerd. Niet commercieel, maar politiek. Van die marketing heeft het brede publiek minder benul. Mede omdat de gevestigde journalistiek zich daar niet over durft uit te spreken, in tegenstelling tot de karikatuur over de top van de kunsthandel. Ook dat maakt het lastig om kwaliteit van waardering te onderscheiden.

Neem de huidige golf van aandacht voor minderheden die door de kunstsector spoelt als een tsunami van emoties en in te lossen schuld die zo snel mogelijk hersteld moet worden. Kunstinstellingen zijn bevreesd om in die ‘emancipatie’ achter te blijven bij collega’s. Museumdirecteuren, conservatoren en curatoren buitelen over elkaar heen om de boot niet te missen. Met het risico dat ze in hun haast de verkeerde boot nemen.

Bezoek een museum met hedendaagse kunst en zie hoe huidskleur, sekse en etniciteit in het kielzog van identiteitsdenken en de #MeToo-beweging in korte tijd de nieuwe normen zijn geworden voor aankoop en presentatie. Een kunstenaar met de politiek correcte ‘juiste’ identiteit heeft tegenwoordig een streepje voor.

Dat is niet erg, als daarmee nieuwe kwaliteit aangeboord zou worden. Dat zou een verrijking voor de kunst zijn. Maar net als bij de kunsthandel die truTV beschrijft zijn het bij die actuele marketing doorgaans de meest handige en onbescheiden, maar niet altijd de beste kunstenaars die doorbreken. Dat is het probleem.

Kunstmuseum Den Haag doet bewust of onbewust, gewild of ongewild aan marketing: ‘Study In The Hague’

Musea zijn sinds de strapatsen van toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra 2011 de markt opgejaagd. Dat werkt op twee manieren. Voor de fondsenwerving moeten ze ongeveer de helft van hun budget van de markt halen. Maar dat is inmiddels een overbeviste vijver geworden waar alle musea hun hengeltje uitwerpen. Daarnaast moeten ze met marketing en publieksacties op de populaire toer om het bereik te vergroten.

Sluitstuk van deze ontwikkeling is deze video van een Engelstalige dame die niet tot diepgravende uitspraken over de kunstobjecten komt en bedoeld is om de internationale studenten te bewegen om het Kunstmuseum Den Haag te bezoeken. Daarmee sluit het aan bij de campagne Study In The Hague van de gemeente Den Haag. Men kan alleen maar medelijden hebben met de afdeling communicatie van dit museum dat wordt opgezadeld met dit populisme. Een en ander is weer in strijd met de kritiek die van steeds meer kanten klinkt om het Nederlandse hogere onderwijs te internationaliseren of te verengelsen. Zo zei een woordvoerder van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb) enkele jaren terug: ‘Universiteiten doen er alles aan om zoveel mogelijk internationale studenten aan te trekken, maar houden geen rekening met de consequenties. We roepen de universiteiten op om een pas op de plaats te maken en hun strategie te doordenken’. Bewust of onbewust, gewild of ongewild kiest het Kunstmuseum Den Haag met deze video partij in deze kwestie.

Begrip ‘controversiële kunst’ is slachtoffer van marketing. Banale penissen van Thompson Ferrier zijn afgrijselijk van lelijkheid

Kijk en huiver. Men houdt het voor onmogelijk dat deze wansmaak bestaat. Zilver- en goudkleurige penissen die met olie kunnen worden gevuld worden als kunst verkocht. ‘Controversieële kunst’ zelfs. Wat is er kunst aan deze decoratie voor in huis? Wie koopt nou zo’n prul als kunst? Vergeet de naam niet: Thompson Ferrier om snel de naam per omgaande te vergeten. Wordt door dit bedrijf dat zich ronkend als ‘luxe kaarsenmerk’ presenteert het effect beoogd dat dit product zo afgrijselijk lelijk is dat het er weer begeerlijk op wordt?

Met een braaf, achterhaald en onvolledig verslag over marketing normaliseert RTL Z Trump. Media verzaken hun taak in commissie

Er bestaat een eiland dat Marketing heet. Niet Marken. Rondom dat eiland gebeurt van alles, maar tot het eiland dringt het niet of slechts mondjesmaat door. Zo trots als het op zichzelf is, vol eigendunk. Zakenzender RTL Z doet trouwhartig verslag. Vanaf eiland Marketing dat het als een in zichzelf gesloten wereld beschouwt.

Daarbij komt nog eens dat het eiland gesplitst wordt door een diep kanaal. Aan de ene kant worden de gelden uit de officiële partijkassen besteed en aan de andere kant de gelden van de onregelmatige campagnes van PAC’s en projectmatige organisaties als The Lincoln Project of Republican Voters Against Trump. Deze laatste twee timmeren aan de weg en hebben veel invloed in de media. Maar tot het halve eiland Marketing waar RTL Z verslag doet dringt het niet door. RTL Z heeft een draaiboek uit 1990 uit de kast gehaald en probeert daar de situatie van 2020 in te passen. Als een vierkant dat door een rond gat moet worden geduwd.

Argeloosheid gaat zo over in domheid. Daarin is RTL Z niet het enige medium. Ze verzaken in commissie. Het verhaal over Marketing is niet onjuist, maar wel achterhaald. Het is niet van belang voor de huidige situatie. Daarbij normaliseert het president Trump door hem in het frame van een tweestrijd met de Democraten te plaatsen, terwijl de essentie van de huidige situatie is dat Trump zich aan die tweestrijd en dat frame onttrekt.

Trump heeft afgelopen week gezegd dat hij bij een nederlaag de verkiezingsuitslag niet erkent. Hij heeft door rampzalige peilingen de hoop opgegeven om de meeste stemmen te halen of de meeste kiesmannen van het Electoral College achter zich te vergaren. Trump ligt nu zelfs achter in Arizona, Florida, Noord-Carolina en Ohio. Georgia en Iowa dreigen voor de Democratische presidentskandidaat Joe Biden te kiezen.

Trump kan alleen winnen door de verkiezing te stelen en bereidt zich daar met zijn medestanders zoals justitieminister Bil Barr op voor. Dat is de actualiteit van nu. Marketing dat gaat over een regelmatig proces is irrelevant geworden. Het is wonderlijk dat dat niet tot de media doordringt en ze in hun automatisme en gemakzucht met uitgekauwde verhalen blijven komen. En zelfs het beeld van normalisatie van Trump in de lucht blijven houden. Zo is hun berichtgeving niet alleen irrelevant, maar werkt het ook nog eens averechts.

Vandaag schreef ik op Facebook het volgende commentaar bij het artikel ‘‘This is how you normalize a madman’: Scholars, press watchdogs call on corporate media to treat Trump like the authoritarian threat he is’ van Common Dreams op RawStory:

‘Het is onthutsend. Na 3,5 jaar Trump weten de Amerikaanse media nog steeds niet wie hij is om daar nauwgezet verslag van te doen. Namelijk een anti-democratische kracht die zich niks aantrekt van grondwet en politieke gebruiken. Trump geeft overduidelijk aan dat hij de verkiezingen wil stelen.

Trump is te dom en te ongeduldig om zijn intenties te verbergen. Hij handelt in volle openheid. Hij leest als een open boek. Maar nog durven of willen de media hem frontaal aanvallen. Of worden ze daar door hun hoofdredactie en hun economische belangen in beperkt.

Zo verzaken de Amerikaanse media hun taak als venster op en van de democratie. Ze hebben dat venster met hun eigen non-berichten dichtgeplakt en duiken voor het nemen van verantwoordelijkheid. Ze redden niet de democratie, maar hun eigen hachje. De media zijn bang.

Hoe dan ook zullen ze straks afgerekend worden op hun laffe gedrag van nu. Dan zullen ze net als na de invasie van Irak in 2003 spijt betuigen en opnieuw verklaren dat ze zich door de regering hebben laten misleiden. Dat is prietpraat en ongeloofwaardig.

De conclusie kan niet anders zijn dan dat de gevestigde media rechts zijn, en niet links. Maar we wisten al lang dat in newsrooms de hypocrisie regeert. Dat wordt nu opnieuw bevestigd. Het is een onaangenaam gezicht.’