Aandacht voor Amerikaanse verkiezingen: Nederlandse publieke omroep lijdt aan de paradox van de geprojecteerde verwachting

Het is de paradox van de buitenlandverslaggeving op televisie over een land met een taal die de Nederlanders redelijk machtig zijn. Door internet en kabeltelevisie met talloze buitenlandse zenders openbaart zich een tweedeling. Goed geïnformeerde en taalvaardige nieuwsconsumenten richten zich direct op de primaire bronnen en zijn in specifieke kwesties beter en meer up-to-date geïnformeerd dan de Nederlandse televisiejournalisten die het Nederlandse publiek moeten informeren. Als deze nieuwsconsumenten daarnaast ook nog voldoende inzicht hebben in de geschiedenis en de politieke realiteit van zo’n land, dan kunnen ze zelf tot een afgewogen oordeel komen. Dat is de hink-stap-sprong die de publieke omroep parten speelt.

Net als de dagbladjournalistiek zou de Nederlandse publiek omroep zich moeten concentreren op het geven van achtergrondinformatie (getuigenissen in het veld, interviews met hoofdrolspelers, analyses met historische diepte à la Ian Buruma). Maar het niveau van de vaste gasten is bedroevend. Zoals Clingendael-medewerker Willem Post die in november 2016 notabene in een opinieartikel in NRC onder de geruststellende titel ‘Het zal wel meevallen met Trumps dwaze avonturen’ debiteerde dat Trump wel ingetoomd zou worden door de instituties. Het was ook toen al aantoonbare onzin. Of die buiksprekende, eendimensionale Raymond Mens die in talkshows zijn boek mag promoten en vanwege de ‘evenwichtigheid’ mag opdraven als supporter van Trump. Zo maakt de Nederlandse televisie van zilver geen goud, maar blik. Dat is geen kennersblik.

Tegelijk ontkomt de televisiejournalistiek er niet aan om verslag te doen van kwesties die zich in real time afspelen. Het dient volgens de opdracht die het heeft het Nederlandse publiek te informeren. We zullen het vanavond weer zien. Niemand die zich diepgaand interesseert voor de Amerikaanse verkiezingen heeft wat te winnen door te kijken naar de Nederlandse televisie. Dat is slaapwandelen in dubbel opzicht. We kunnen beter slapen in bed, dan voor de slaapverwekkende Nederlandse televisie die voor een onmogelijke taak staat.

Het is de paradox van geprojecteerde verwachting. Landen en conflicten waar nieuwsconsumenten moeizaam informatie uit open bronnen over krijgen laat de Nederlandse televisie grotendeels liggen. Denk aan Nagorno-Karabach, Binnen-Mongolië, Kashmir of Burkina Faso. Aan landen en conflicten waar nieuwsconsumenten via internet en kabeltelevisie al overvloedig over geïnformeerd worden besteedt de Nederlandse televisie ook overvloedig aandacht. Dat is het patroon: het herhaalt wat we al weten en veronachtzaamt wat we niet weten.

De uitslag van de Amerikaanse verkiezingen kunnen we toch al uittekenen? Biden wint makkelijk van Trump en de Democraten winnen de meerderheid in de Senaat en vergroten die in het Huis met circa 10 zetels. (Gesteld dat de verkiezingen regelmatig verlopen en de stem van de kiezers de uitslag bepaalt).

Foto: Schermafbeelding van het programmaNOS Amerika Kiest‘ van de Nederlandse publieke omroep NOS, 3 november 2020.

Scientology Kerk Nederland laat op sociale media met aanval op media van zich horen. Het verdedigt zich met algemeenheden

De Nederlandse tak van de Scientology Kerk heeft de afgelopen maand talloze video’s met Gerbrig Deinum op haar YouTube-kanaal geplaatst. Zij doet de publiciteit van de Nederlandse Scientology Kerk en treedt veel op in de media. Deinum praat handig en vlot, maar wel in algemeenheden die niet controleerbaar zijn. Daarom is haar verhaal over de relatie van de Scientology Kerk met de media toch niet overtuigend. Daarbij sluit ze de mogelijkheid uit dat de kritiek die de Kerk krijgt gerechtvaardigd is. Opvallend is dat Deinum in een andere video aandacht besteedt aan de documentaire Going Clear: Scientology & the Prison of Belief van Alex Gibney die uit 2015 dateert. Ook hier wordt Deinum niet concreet en heeft ze geen steekhoudende argumenten.

De Scientology Kerk heeft in tegenstelling tot gevestigde godsdiensten geen ANBI-status omdat het onder meer niet kan voldoen aan het criterium van de Belastingdienst dat het ‘zich voor minstens 90% inzet voor het algemeen nut’. Dat bepaalde in 2015 het Gerechtshof Den Haag in een uitspraak. Daardoor hebben donateurs en organisatie geen recht op belastingvoordelen over giften en donaties en moet de kerk schenk- en erfbelasting daarover betalen. De Scientology Kerk zet zich dus niet voldoende in voor het algemeen nu, maar men kan zich terecht afvragen of andere religieuze instellingen dat wel doen. Dat betwijfel ik. In een commentaar van mei 2015 schreef ik dat er vermoedelijk met twee maten wordt gemeten. Hiermee pleit ik zeker de Scientology Kerk niet vrij, maar betoog eerder het omgekeerde. Namelijk dat alle godsdiensten onterecht een streepje voor hebben boven andere maatschappelijke instellingen en goede doelen stichtingen:

Dat 90%-criterium is een harde grens waarvan onduidelijk is hoe die bewaakt wordt. Wanneer voldoet een religieuze instelling voor 90% aan het algemeen belang en hoe wordt dat kwalitatief en kwantitatief getoetst? Wordt dat in de praktijk getoetst of is er consensus tussen politieke partijen dat het 90%-criterium niet wordt getoetst? Overwegingen om te betwijfelen of er in de praktijk getoetst wordt en te vermoeden dat religieuze instellingen niet voldoen aan dit criterium volgt uit het kenmerk van religie zoals religieuze instellingen dat vertegenwoordigen. Religie bestaat uit twee componenten die zijn te omschrijven als intern en extern gericht. Dat eerste omvat zingeving en troost en is op de gelovige gericht, en dat laatste omvat belangenbehartiging, het bedrijven van machtspolitiek en charitatieve doelstellingen. Dit maakt religieuze instellingen zo divers en onoverzichtelijk dat niet op voorhand valt te zeggen dat ze voor 90% het algemeen belang dienen. Of anders gezegd, het niet op voorhand uitgesloten kan worden dat ze voor meer dan 10% hun eigen belang dienen.

Met een braaf, achterhaald en onvolledig verslag over marketing normaliseert RTL Z Trump. Media verzaken hun taak in commissie

Er bestaat een eiland dat Marketing heet. Niet Marken. Rondom dat eiland gebeurt van alles, maar tot het eiland dringt het niet of slechts mondjesmaat door. Zo trots als het op zichzelf is, vol eigendunk. Zakenzender RTL Z doet trouwhartig verslag. Vanaf eiland Marketing dat het als een in zichzelf gesloten wereld beschouwt.

Daarbij komt nog eens dat het eiland gesplitst wordt door een diep kanaal. Aan de ene kant worden de gelden uit de officiële partijkassen besteed en aan de andere kant de gelden van de onregelmatige campagnes van PAC’s en projectmatige organisaties als The Lincoln Project of Republican Voters Against Trump. Deze laatste twee timmeren aan de weg en hebben veel invloed in de media. Maar tot het halve eiland Marketing waar RTL Z verslag doet dringt het niet door. RTL Z heeft een draaiboek uit 1990 uit de kast gehaald en probeert daar de situatie van 2020 in te passen. Als een vierkant dat door een rond gat moet worden geduwd.

Argeloosheid gaat zo over in domheid. Daarin is RTL Z niet het enige medium. Ze verzaken in commissie. Het verhaal over Marketing is niet onjuist, maar wel achterhaald. Het is niet van belang voor de huidige situatie. Daarbij normaliseert het president Trump door hem in het frame van een tweestrijd met de Democraten te plaatsen, terwijl de essentie van de huidige situatie is dat Trump zich aan die tweestrijd en dat frame onttrekt.

Trump heeft afgelopen week gezegd dat hij bij een nederlaag de verkiezingsuitslag niet erkent. Hij heeft door rampzalige peilingen de hoop opgegeven om de meeste stemmen te halen of de meeste kiesmannen van het Electoral College achter zich te vergaren. Trump ligt nu zelfs achter in Arizona, Florida, Noord-Carolina en Ohio. Georgia en Iowa dreigen voor de Democratische presidentskandidaat Joe Biden te kiezen.

Trump kan alleen winnen door de verkiezing te stelen en bereidt zich daar met zijn medestanders zoals justitieminister Bil Barr op voor. Dat is de actualiteit van nu. Marketing dat gaat over een regelmatig proces is irrelevant geworden. Het is wonderlijk dat dat niet tot de media doordringt en ze in hun automatisme en gemakzucht met uitgekauwde verhalen blijven komen. En zelfs het beeld van normalisatie van Trump in de lucht blijven houden. Zo is hun berichtgeving niet alleen irrelevant, maar werkt het ook nog eens averechts.

Vandaag schreef ik op Facebook het volgende commentaar bij het artikel ‘‘This is how you normalize a madman’: Scholars, press watchdogs call on corporate media to treat Trump like the authoritarian threat he is’ van Common Dreams op RawStory:

‘Het is onthutsend. Na 3,5 jaar Trump weten de Amerikaanse media nog steeds niet wie hij is om daar nauwgezet verslag van te doen. Namelijk een anti-democratische kracht die zich niks aantrekt van grondwet en politieke gebruiken. Trump geeft overduidelijk aan dat hij de verkiezingen wil stelen.

Trump is te dom en te ongeduldig om zijn intenties te verbergen. Hij handelt in volle openheid. Hij leest als een open boek. Maar nog durven of willen de media hem frontaal aanvallen. Of worden ze daar door hun hoofdredactie en hun economische belangen in beperkt.

Zo verzaken de Amerikaanse media hun taak als venster op en van de democratie. Ze hebben dat venster met hun eigen non-berichten dichtgeplakt en duiken voor het nemen van verantwoordelijkheid. Ze redden niet de democratie, maar hun eigen hachje. De media zijn bang.

Hoe dan ook zullen ze straks afgerekend worden op hun laffe gedrag van nu. Dan zullen ze net als na de invasie van Irak in 2003 spijt betuigen en opnieuw verklaren dat ze zich door de regering hebben laten misleiden. Dat is prietpraat en ongeloofwaardig.

De conclusie kan niet anders zijn dan dat de gevestigde media rechts zijn, en niet links. Maar we wisten al lang dat in newsrooms de hypocrisie regeert. Dat wordt nu opnieuw bevestigd. Het is een onaangenaam gezicht.’

 

Ruth Ben-Ghiat waarschuwt voor Trump en concludeert dat de VS geen democratie is. Gevestigde journalistiek negeert dat goeddeels

Al in 2016 waarschuwde hoogleraar geschiedenis John McNeill voor het fascistische gehalte van Trump. Later herhaalde hoogleraar Timothy Snyder die waarschuwing. President Trump was volgens hem opgeschoven van tovenaarsleerling naar een autoritaire leider die zich boven de wet verheven voelt en de waarheid verdraait. Trump zet anderen op dat pad van autoritarisme en het herschrijven van de geschiedenis. Door de recente inzet van ongeregelde, anonieme federale troepen in Portland (tegen de wens van de lokale autoriteiten in) en dreigementen dat in Seattle of Chicago te herhalen scoort Trump extra langs de fascistische meetlat.

Het kan het publiek niet meer ontgaan. In 3,5 jaar tijd is Trump geëvolueerd van een semi-fascist naar een volbloed fascist. In augustus 2017 schatte ik aan de hand van de kenmerken van McNeill in een commentaar Trump nog in als een driekwart-fascist. Ik merkte toen op: ‘Tegelijk blijft Trump aan de passieve kant wat het gebruik van binnenlands geweld betreft. Hij keurt het niet af, maar propageert het evenmin actief.’ Dat is veranderd sinds de inzet van ongeregelde, federale troepen met het gebruik van traangas tegen geweldloze demonstranten in Lafayette Park in Washington DC op 1 juni 2020.

De verwijzing naar het fascisme wordt gebruikt om te waarschuwen voor een tweede termijn van Trump die kwalijke gevolgen zal hebben voor de Amerikaanse democratie. Zo publiceerde journalist Jonathan Greenberg op 10 juli 2020 een artikel met de onheilspellende titel ‘Twelve signs Trump would try to run a fascist dictatorship in a second term’. Het is de hoogste tijd voor de inventarisatie van Trumps kwade bedoelingen.

Weer een andere hoogleraar geschiedenis Ruth Ben-Ghiat gebruikt voor Trumps optreden in een interview met Salon het begrip ‘fascistic’ om de hedendaagse verschijningsvorm te onderscheiden van de historische. Dat gebruikt ze om te zeggen dat wat Trump en zijn medestanders nu doen gerelateerd is aan de kenmerken van het fascisme maar er niet mee samenvalt. Want er zijn verschillen. De VS onder Trump zijn geen eenpartijstaat en er is nog steeds een vrije pers. Hedendaags fascisme manifesteert zich anders en is daarmee niet minder omvattend en schadelijk. Opvallend is het dat historici als McNeill of Ben-Ghiat die het Italiaanse fascisme hebben bestudeerd of Snyder die een expert is op het gebied van het Sovjet-autoritarisme met een waarschuwing komen. Zij zijn door hun historische expertise in staat om te zien wat het Amerikaanse publiek, journalistiek en politiek niet ziet. Namelijk dat onder Trump de VS is opgeschoven richting autoritarisme.

De journalistiek krijgt opvallend genoeg de meeste kritiek in de vraag van Chauncey Devega aan Ben-Ghiat. Interviewer en geïnterviewde verwijten de gevestigde journalistiek onvoldoende inzicht te hebben in de stand van zaken van de Amerikaanse democratie en Trumps intenties. Tegen alle feiten in blijven ze hoop uitventen en concentreren ze zich op de competitie tussen Trump en Biden, Republikeinen en Democraten. Waarbij ze geen aandacht voor en besef hebben voor de rode lijn achter de verschijnselen: het toenemende autoritaire karakter van de Amerikaanse democratie. Kunnen ze per definitie de ‘fascistic’ tendenzen niet onderscheiden?

Zelfs Nederland kent zo’n goedprater die de ernst van de situatie in de VS negeert. De aan kennisinstituut Clingendael verbonden commentator Willem Post sust met bezwerende praatjes het televisiepubliek in slaap. In een commentaar van november 2016 viel ik hem aan naar aanleiding van een in mijn ogen naïef artikel in NRC waarin hij stelde dat het wel mee zou vallen met Trump. Ik antwoordde daarop: ‘Het gaat vreselijk worden. Het zou ook de Nederlandse media sieren dat ze de berichtgeving over Trump niet normaliseren. Of sussende opinies zoals die van Willem Post die volgen uit een fikse portie wensdenken niet publiceren zonder disclaimer. Media moeten niet meegaan in de suggestie dat ‘het allemaal wel zal meevallen’ met president Trump. Het gaat naar alle waarschijnlijkheid niet meevallen, maar tegenvallen.’ Kortom, onnozelheid alom.

Foto 1: ‘Yes man: mask of Mussolini on the façade of the Fascist Part Headquarters, Rome, 1934.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelRuth Ben-Ghiat on Trump and the bitter American truth: “We do not have a real democracy”’ in Salon, 23 juli 2020.

Pleidooi voor een debat over financiële ondersteuning van galeries

Een vraag aan kunstenaars, kunstliefhebbers, kunstprofessionals, galeriehouders en openbare bestuurders om mee te denken over de financiering van galeries. In gesprekken met vele galeriehouders in verschillende gemeenten zijn me het afgelopen half jaar zaken opgevallen die me tot de volgende observaties brengen:

1) Galeriehouders voelen zich miskend omdat ze menen geen waardering te krijgen van de overheid. Ze kunnen niet aankloppen voor steun omdat ze als commercieel bedrijf worden gezien. Maar ze beschouwen zichzelf helemaal niet als commercieel. De kosten zijn hoog, met een huur in de grote steden van doorgaans rond de 2000 euro per maand. Vele galeries hebben sinds april 2020 nauwelijks nog inkomsten gehad.

2) De meerderheid van Nederlandse galeries draait verlies of heeft incidenteel een kleine overschot. De meeste kunnen alleen bestaan doordat ze financieel gesteund worden door partners, familie of een bedrijf of instelling dat aan productsponsoring doet.

3) Als er al een contact is van een galerie, of een lokale koepel van galeries die hun krachten gebundeld hebben, met een gemeente verloopt dat doorgaans via de afdeling culturele zaken. Dat is begrijpelijk omdat galeries bijdragen aan het kunstklimaat van gemeentes. Ze zijn de schakel tussen kunstenaar en consument en een belangrijke, zichtbare exponent van dat kunstklimaat. Maar voor een doorbraak naar structurele ondersteuning is het onbegrijpelijk omdat de afdeling economische zaken meer vuurkracht en mogelijkheden heeft om bedrijven te steunen. Ofwel, als een galerie echt als een commercieel bedrijf moet worden beschouwd, dan is het binnen die logica rechtlijnig om het contact primair via economische zaken te laten lopen. De spreekwoordelijke cultuurwethouder of de account-manager van culturele zaken is een aanspreekpunt die geen budget, geen zakelijk denken en geen besluitvaardigheid heeft.

4) Een bijkomstige moeilijkheid is waar de ‘ondergrens’ ligt om galeries te ondersteunen. Het is duidelijk welke galeries kwaliteit bieden en idealiter steun zouden verdienen. Sommige galeries hebben een museale ambitie en doen feitelijk hetzelfde wat een plaatselijk museum doet dat doorgaans miljoenen euro’s subsidie per jaar krijgt. Dat verschil wordt als te groot ervaren door de ambitieuze galeriehouders.

5) Er zijn galeries die de kwaliteit niet bieden en waar het belang van de kunst en de kunstenaar niet centraal staan. Volgens welke criteria dient de lijn tussen de ‘museale galerie’ en de ‘puur commerciële’ galerie getrokken te worden? Deelname aan kunstbeurzen als Art Rotterdam, Art The Hague, de KunstRAI of This Art Fair wordt soms als voorwaarde voor subsidie gesteld, maar dat heeft weer als nadeel dat het de status quo bevriest en experimentele toetreders uitsluit. Hetzelfde onoplosbare probleem doet zich gelden als galeries binnen een gemeente of regio zich in een koepel-achtige constructie verenigen. Hoe wordt het kaf van het koren gescheiden? Het is een taboe dat uit de weg wordt gegaan, maar wel de kracht en eenheid van de ‘museale galeries’ verzwakt.

6) Te bedenken valt dat het aantal serieuze galeries dat steun verdient betrekkelijk klein is. Voor Rotterdam en Den Haag kan dat ingeschat worden op zeven galeries, voor Utrecht op vier en voor Groningen op drie. Een inventarisatie voor heel Nederland (exclusief Amsterdam) komt waarschijnlijk uit op enkele tientallen galeries. Bij een steun van pakweg 25.000 euro per galerie per jaar is dat een totaalbedrag van maximaal zo’n 1 miljoen euro per jaar voor heel Nederland.

7) Uiteraard zijn er via cultuurfondsen tegemoetkomingen in de kosten voor galeries om zich op buitenlandse beurzen te presenteren. Ook hebben galeries gebruik kunnen maken van de zogenaamde NOW-gelden als gevolg van de coronacrisis. Maar dat zijn incidenten. Waar het om gaat is om een structurele basis te leggen onder het voortbestaan van Nederlandse galeries.

8) Als het vanuit het perspectief van het openbaar bestuur niet mogelijk is om individuele galeries met structurele subsidie financieel te ondersteunen, dan kan generieke steun voor de galeriesector uitkomst bieden. Winkels of cafés krijgen evenmin overheidssubsidie. Generieke steun via de tegemoetkoming in de kosten aan de media vanwege een maatschappelijke functie kan hier als model dienen voor de galeriesector. Hoe dan ook lijken de voorwaarden om galeries te ondersteunen minder rigide dan uit de beeldvorming blijkt. Met enige goede wil van het openbaar bestuur kunnen er geitenpaadjes bewandeld worden.

9) Zo zou een gemeente, provincie of de rijksoverheid waar galeries nog niet dik gezaaid zijn (dus Amsterdam uitgezonderd) en er nog ruimte is voor nieuwkomers aan beginnende galeries een ontwikkelsubsidie kunnen verlenen. Daarnaast zou een gemeente een subsidieloket open kunnen stellen voor galeries die een website, een publicatie of een bijzonder project (symposium, presentatie met dure transporten) willen ontwikkelen.

10) Samenvattend kan gezegd worden dat het gezien de positie van galeries die op een commerciële markt opereren begrijpelijk is dat er op dit moment geen generieke steun voor galeries bestaat. Tegelijk kan gezegd worden dat het onbegrijpelijk is waarom die steun niet bestaat omdat met betrekkelijk weinig geld galeries gericht en effectief ondersteund kunnen worden. Het is nodig dat het debat hierover op gang wordt gebracht.

Foto: Peter Koole, ‘On Behalf of All’, 2019. Op de presentatie ‘25 jaar Srebrenica herdacht in Laurenskerk’ in Rotterdam, te bezoeken van 18 juli 2020 t/m 29 augustus 2020.

Politie waarschuwt voor nepnieuws over coronavirus. Maar zonder media-educatie kan de nieuwsconsument dat niet onderscheiden

Politie Amsterdam ziet het blijkbaar als haar taak om met enkele vuistregels te waarschuwen tegen nepnieuws over het coronavirus. Mede omdat het de gezondheid in gevaar kan brengen. Het roept op om voorzichtig te zijn in de verspreiding ervan. Maar de video laat de olifant in de kamer ongenoemd. Want hoe kunnen mensen checken wat nepnieuws is? In bepaalde gevallen is dat duidelijk en daar wijst deze video op. Maar in andere gevallen is het voor de gemiddelde nieuwsconsument nauwelijks te doen om in te schatten wat nepnieuws is.

De olifant in de kamer is het ontbreken van media-educatie. Dat dient ervoor te zorgen dat informatie beter op waarde geschat wordt. De burger moet geholpen worden zich te wapenen tegen desinformatie en misleiding. Nederland verdient goed geïnformeerde burgers. Maar media-educatie wordt op Nederlandse scholen niet onderwezen. Zo’n video van de Politie Amsterdam is een aardige poging, maar komt te laat om nog iets aan de gebrekkige media-kennis te veranderen. Dus hoe kan verwacht worden dat Nederlandse nieuwsconsumenten het onderscheid kunnen maken tussen echt nieuws en nepnieuws? Dat kunnen ze niet.

Media-educatie is de blinde vlek van de Nederlandse sociale media. Gebruikers hebben meestal geen idee van de basisregels van de journalistiek (Code van Bordeaux), de beginselen van de argumentatieleer (Model van Toulmin) en de logica, de beginselen van de film-, media-, en televisietheorie en -geschiedenis, de beginselen van de narratologie (vertelwijze), de beginselen van de communicatieleer en de informatie-analyse. Aangevuld met elementaire historische kennis, historisch besef, politieke en juridische kennis, talenkennis en algemene ontwikkeling. Zo’n cursus kan niet teveel eisen, het gaat om het bijbrengen van elementaire kennis van genoemde vakgebieden in de hoop dat het niveau van de uitingen op sociale media ietwat toeneemt.

Media-educatie heeft meerdere doelstellingen. Het leert passief de omgang met media en het begrijpen en op waarde schatten van informatie die op ons aankomt en ons vaak overvalt en dreigt te laten verdrinken door de veelheid. Hoe kunnen we het kaf van het koren scheiden? Het leert actief om wat men op sociale media wil vertellen in een passende vorm te gieten. En het leert om daarbij verder te kijken dan onze neus lang is met als doel om maatschappelijk zinvol te opereren. Zodat de burgerzin toeneemt. Een effect van media-educatie is dat het publieke debat op een hoger peil wordt gebracht en de hufterigheid wordt teruggebracht. Vaak een gevolg van zich buitengesloten voelen en uit onmacht gewoonweg niet de juiste bewoordingen weten te vinden voor wat men wil zeggen. Uit gebrek aan nuancering grijpt men dan naar te zware bewoordingen.

Bernie Sanders wint Nevada in race die verder gevorderd is dan het lijkt

MSNBC’s host Chris Matthews maakt een opmerkelijke vergelijking als hij de Franse premier Paul Reynaud citeert die op 15 mei 1940 tegen de Britse premier Winston Churchill zei dat het over was toen de Duitse troepen door de Franse verdediging bij Sedan waren gebroken. Terwijl Frankrijk een indrukwekkend leger had en zo op het oog nog lang niet verslagen leek. Reynaud die strijdbaar was vroeg de Britten om ondersteuning.

Matthews maakt deze vergelijking om de opgang van Bernie Sanders te verduidelijken. Uiteraard is de gelijkenis van Sanders met de Duitse invasie van Frankrijk in 1940 ongelukkig. Het is geen neutrale associatie, hoewel het de vraag is of hij het kwaadaardig bedoelt. Maar Matthews heeft gelijk in zijn observatie dat terwijl op het oog de Democratische nominatie nog niet beslist lijkt, dat in werkelijkheid wel eens degelijk het geval zou kunnen zijn. Hij sluit hiermee aan bij een opinie-artikel van 21 februari 2020 van Tim Miller voor het conservatieve The Bulwark dat zegt dat de race verder gevorderd is dan het lijkt (les 1) en dat de verdeling in progressieve en gematigde ‘paden’ (lanes) een verzinsel is (les 2) omdat kiezers makkelijk van lane wisselen.

In 2016 was ik een aanhanger van Sanders omdat ik in hem, zijn achterban en programma meer hart en energie zag dan in de gedoodverfde Hillary Rodham Clinton die uiteindelijk smadelijk van Trump verloor. In 2020 is de belangrijkste opdracht voor de Democraten om president Trump te verslaan. De reden is duidelijk: Trump zorgt voor onrust, chaos, verdeeldheid en corruptie, en beschadigt het aanzien en de nationale veiligheid van de VS, de westerse alliantie en is tot een marionet van de Russische president Poetin gemaakt.

Elke Democraat die de essentiële paarse staten (waar de blauwe Democraten en de rode Republikeinen min of meer in evenwicht zijn) wint, wordt de volgende president. Als blijkt dat Bernie Sanders de Democratische kandidaat is die meeste kans heeft om die paarse staten te winnen, dan hoop ik dat hij de uitdager van Trump wordt. Als dat toch Joe Biden of een andere kandidaat is, dan hoop ik dat die de uitdager wordt.

Hoe dan ook is Bernie Sanders met een indrukwekkende race bezig en blijkt dat hij een beweging ‘on the ground‘ heeft die goed georganiseerd, gedisciplineerd en enthousiast is. Hoopgevend voor Sanders is dat de demografische gegevens over Nevada aangeven dat hij bij alle kiezersgroepen hoog scoort. Sanders treedt buiten de doelgroepen die doorgaans met hem worden geassocieerd, zoals studenten, jeugdigen en progressieve of zeer progressieve kiezers. Voor het establishment van de Democratische partij is de opgang van Sanders lastig te verteren. Als Sanders het momentum volhoudt en op Super Tuesday 3 maart in staten als Texas, California en Noord Carolina goed scoort, dan is hij niet meer te stoppen. Omdat in vele staten al gestemd kan worden (early voting) wordt het effect van een winnende Sanders op dit moment al versterkt.

Omdat kandidaten in de voorverkiezingen radicaliseren om hun opponenten af te troeven, valt van Sanders te verwachten dat als hij op de Democratische conventie in Milwaukee in juli 2020 genomineerd wordt, hij daarna richting centrum beweegt. Al is het maar om de partij te verenigen en zoveel mogelijk Democratische en Onafhankelijke kiezers achter zich te krijgen. Hoewel dit bij Trump niet is gebeurd en ik daarover in een commentaar van 17 november 2016 al twijfels had toen Willem Post met de observatie kwam dat Trump zou normaliseren en als president zijn bizarre gedrag dat hij tijdens de campagne vertoonde achter zich zou laten.

Het valt te bezien hoe Sanders reageert op een mogelijke nominatie. Want er zijn gelijkenissen tussen de bewegingen van Trump en Sanders met hun eigen, krachtige dynamiek. Hoe dan ook moet voor de verbreding van zijn draagvlak het misverstand de wereld uit dat Sanders een ‘socialist’ zou zijn, terwijl hij een ‘sociaal-democraat Europese snit’ is die binnen de contouren van het kapitalisme blijft. Hervorming kapitalisme: ja, afschaffing ervan: nee. Het is essentieel dat Sanders’ campagneteam zijn radicale aanhangers tot de orde roept die met hun pleidooi voor socialisme en agitatie tegen het kapitalisme Trump wind in de zeilen geven.

Gevestigde media behartigen belangen van economische elite en gevestigde orde. Ze leunen tegen de macht aan en zijn rechts

Er is geen beginnen aan om rechtse complotdenkers die suggereren dat de media links zijn te corrigeren. Want de media zijn rechts. Zowel in Nederland als de VS. Media hebben economische belangen en zijn onderdeel van grote concerns of bezit van miljardairs. Op uitzonderingen als The Guardian na. De media leunen tegen de macht en zijn ermee verstrengeld. Ze vertegenwoordigen het establishment en de status quo. Ze praten de zittende macht naar de mond. Op z’n best klinkt in een column, in een commentaar of op een geïsoleerde redactie een kritisch geluid. De opstelling van de hoofdredacteur, eigenaar of het bestuur is rechts. Dat bepaalt de politieke richting. Niet alleen tot de rechtse complotdenkers wil niet doordringen wat het ware karakter van de gevestigde media is omdat ze door de media wijsgemaakt worden dat de media links zijn. Een meer succesvolle misleiding om het ware karakter van de gevestigde media te verbergen bestaat niet. Media maskeren zichzelf. Maar ook linkse critici zijn gaan denken dat media als The New York Times links zijn. Hoe kan het dat ook zij het zo bij het verkeerde eind hebben? Er is geen beginnen aan om het beeld te corrigeren dat de media niet links zijn. De media zijn rechts. Zullen we dat voor eens en altijd afspreken?

Foto’s: Schermafbeeldingen van delen uit het artikelFired from The New York Times over Trump’ van Carlos Cunha in Salon, 24 november 2019.

Facebook krijgt kritiek omdat het in een beleidswijziging voortaan desinformatie van politieke advertenties toestaat

Algemeen directeur van Facebook Mark Zuckerberg hield op 17 oktober een lezing op de Georgetown University waarin hij betoogde dat politieke advertenties uitgesloten worden van factchecking. Dat betekent dat iemand als president Trump in de campagne van 2020 miljoenen dollars kan besteden aan aantoonbaar misleidende advertenties zonder dat Facebook ingrijpt. Dit is afwijkend van het beleid dat het bedrijf tot nu toe had om misleidende, politieke advertenties na controle door onafhankelijk factcheckers uit te sluiten. De Democratische presidentskandidaat Elizabeth Warren sprak in drie tweets haar zorg uit over die ontwikkeling:

De onderliggende vraag is wat Facebook voor een bedrijf is, een technisch, sociale media of een journalistiek bedrijf (= news business). In 2017 riep Media Matters Mark Zuckerberg uit tot de ‘misinformer‘ van het jaar 2017. De multinational die steeds weer beterschap belooft in het opkrikken van het journalistieke gehalte, het minimale doet om er mee door te kunnen door uitsluitend  het verwijderen van fake accounts, maar uiteindelijk te weinig levert. Facebook neemt onvoldoende journalistieke verantwoordelijkheid van een nieuws organisatie en wil daar onvoldoende op aangesproken worden. Facebook is de top verspreider van nepnieuws.

Waarom is de aanpak van nepnieuws zo moeizaam? Is het probleem van nepnieuws te groot om doelmatig aan te pakken of is de aanpak van Facebook te halfslachtig en onvoldoende? Of is het allebei waar? We kennen onderhand talloze analyses van deskundigen over de kwalijke rol van desinformatie en nepnieuws, zoals van Clingendael-deskundige Danny Pronk die voor de VPRO het probleem uiteenzet. Maar toch. We horen dit al zeker sinds 2016, maar de aanpak lijkt nog steeds onvoldoende. Van een probleem dat allang niet meer nieuw is, maar door velen nog op het niveau van bewustwording wordt gepresenteerd. Men zou toch in redelijkheid mogen verwachten dat nou eindelijk eens een doelmatige tegenstrategie wordt ontwikkeld en uitgevoerd.

Niet dus. Vanwaar dit gebrek aan vooruitgang en een doelmatige aanpak? Laat de duiding voortaan daar op focussen, namelijk op concrete tegenmaatregelen om de westerse democratie te beschermen. Herhaling van zetten is aardig, maar bewustwording bij opinieleiders en publiek is intussen voldoende aanwezig. Pleiters moeten de volgende stap zetten om overheden en bedrijven als Facebook tot doelmatig handelen te dwingen.

In een artikel voor Politico dat een opsomming van stagnatie en gemiste kansen geeft, citeert Mark Scott de voormalige Europarlementariër van D66 Marietje Schaake over digitale veiligheid: ‘Wetgevers hebben de bal laten vallen, we staan pas aan het begin van het begrijpen van de uitdagingen voor liberale democratieën.’ Waarom zijn drie kostbare jaren verloren gegaan door inertie? Waar blijft het Deltaplan om dit aan te pakken?

Dit debat waar Facebook makkelijk kan wegkomen heeft de gevestigde journalistiek deels aan zichzelf te wijten. Het heeft te maken met de obsessie van de journalistiek op neutraliteit die de meer belangrijke norm van objectiviteit beschadigt. Het ‘enerzijds – anderzijds’, ofwel hoor en wederhoor van de klassieke journalistieke code schiet tekort indien het tegenover een portie waarheid een even grote portie onwaarheid en leugens zet. De spanning tussen ‘eerbied voor de waarheid’ en ‘het recht op faire commentaar en kritiek’ staan in de gevallen van nepnieuws en desinformatie op gespannen voet met elkaar. De vraag is of dit niet ontaardt in naïviteit en nog houdbaar is als de mate van desinformatie via politieke advertenties de sociale media overspoelt. Het kan niet de opzet van journalistiek zijn die zegt te gaan voor de feiten en de waarheid om onwaarheid te verspreiden. Zo beredeneerd is de reactie van Facebooks Monika Bickert in gesprek met CNN’s Anderson Cooper in mei 2019 zelfs in dubbel opzicht tekortschietend en onjuist. Zij ontkent zowel dat Facebook een journalistieke organisatie is die inzet op objectiviteit en het nastreven van de waarheid aan de hand van de feiten als dat Facebook een organisatie is die onvooringenomen hoeft te zijn. Anything goes in haar optiek. Zo kan Facebook verwijzen naar de vrijheid van meningsuiting, zonder in te hoeven grijpen en de journalistieke verantwoordelijkheid van een nieuwsorganisatie te hoeven nemen. Het moment nadert dat het niet anders kan dan dat Facebook door de eigen inertie door het congres opgeknipt wordt omdat het achter de feiten blijft aanhollen en om commerciële redenen het eigen karakter van een nieuwsorganisatie ontkent.

Foto: Tweets van Elizabeth Warren, 18 oktober 2019.

Máxima krijgt kritiek vanwege haar gesprek met Mohammad bin Salman. Wat moet gedaan worden om herhaling te voorkomen?

Aldus NRC-columniste Carolien Roelants in haar Dwars-columnPers vogelvrij door Trumps geflikflooi en zwijgen Máxima’. Zij is boos zoals ze dat zelden is. Van boeven of autoritaire leiders kun je boevenstreken verwachten, maar iemand als koningin Máxima wekt hogere verwachtingen. Daarom valt zij dieper als ze boevenstreken vertoont. Dat deed ze in haar ontmoeting met de Saoedische kroonprins Mohammad bin Salman op de G20 in Osaka. Dat was meer dan een beetje dom, dat was oerstom van haar. Maar ook van de regering Rutte die dit onderhoud had goedgekeurd. Er was makkelijk een reden te vinden geweest om het gesprek niet door te laten gaan. Máxima is een amateur-politicus zonder officiële functie in de Nederlandse diplomatie. Maar als ze zich in een politiek wespennest steekt, dan speelt ze per definitie een politieke rol. Die rol past haar echter niet. Zij moet boven de partijen staan en geen partij kiezen in lopende conflicten. Dat heeft ze echter bewust gedaan door het gesprek met de kroonprins aan te gaan en niet af te zeggen.

Het bezwaar tegen het onderonsje met de kroonprins is niet dat Máxima de moord op journalist Jamal Khashoggi niet ter sprake bracht, maar dat dit gesprek nooit had moeten plaatsvinden. Volgens de Amerikaanse inlichtingendienst CIA heeft Mohammad bin Salman opdracht gegeven voor de moord op Khashoggi. Mocht Máxima of het ministerie van Buitenlandse Zaken dit rapport niet gelezen hebben, dan waren er in november 2018 talloze berichten in de media, zoals in The Washington Post die rapporteerden dat volgens de CIA de kroonprins opdracht tot de moord had gegeven. Naast de argumenten die Roelants aanvoert over vrouwenrechten waarvoor Máxima zegt op te komen terwijl die door de kroonprins met voeten worden getreden en het in diskrediet brengen van de vrije pers door met een moordenaar van een journalist van The Washington Post in gesprek te gaan is het de wereldvreemdheid van koningin Máxima die verbaast.

Het is dezelfde wereldvreemdheid die koning Willem-Alexander vertoonde toen hij tijdens de Olympische Spelen van Sochi in 2014 met president Putin een biertje dronk. Een fotomoment dat de media haalde en waar in de Nederlandse publieke opinie veel kritiek op kwam, onder meer van homo-activisten. Zoals Gordon die de kern raakte: ‘Ik schaam me diep als Nederlander dat mijn koning en mijn koningin daar vanavond handen staan te schudden met mensen die bloed aan hun handen hebben’. Op het moment dat in het Kremlin de invasie van de Krim werd voorbereid en vanwege controverses over de mensenrechtensituatie bijna alle Europese landen hun delegaties afwaardeerden, stuurde Nederland de zwaarste delegatie die mogelijk was.

Máxima herhaalt 5 jaar later de fout van Sochi door opnieuw in gesprek te gaan met iemand die bloed aan zijn handen heeft. Daarbij is essentieel dat zij een ceremoniële en geen officiële functie heeft in de Nederlandse diplomatie en niet van belang is voor het openhouden van contacten met autoritaire landen waar nu eenmaal contact mee moet worden onderhouden. Máxima kan gemist worden omdat haar rol niet onmisbaar is, maar slechts toegevoegd. De functie die Máxima uitoefent kan dus eenvoudig geschrapt worden. Professionals zijn minister Blok, premier Rutte of Nederlandse diplomaten die in Saoedi-Arabië of bij de VN zijn gestationeerd.

Of het nou wereldvreemdheid, naïviteit, amateurisme, een verkeerd afgestelde politieke antenne, argeloosheid of zelfoverschatting is van Máxima en koning Willem-Alexander, een beleidswijziging is nodig om te zorgen dat de ezels van Oranje zich niet voor de derde keer aan dezelfde steen stoten. Met goedkeuring van premier Mark Rutte die achteraf de fout die hij feitelijk gemaakt heeft door goedkeuring te geven weg moet lachen. Als Willem-Alexander of Máxima zichzelf belachelijk willen maken door met autoritaire leiders onnodige gesprekken of onderonsjes aan te gaan, dan moeten ze dat zelf weten. Maar Willem-Alexander heeft als staatshoofd van Nederland een rol die afstraalt op Nederland. Door zijn handelen kwam Nederland in 2014 negatief in de publiciteit. Dat is ongewenst. Nu in 2019 doet zijn echtgenote, die uiteraard geen staatshoofd is, maar wel gekoppeld wordt aan Nederland, hetzelfde. De conclusie kan geen andere zijn dan deze: Máxima dient al haar functies op te geven waarmee ze in politiek vaarwater terecht kan komen. Haar gesprek met de Saoedische kroonprins heeft aangetoond dat dit soort functies niet aan haar toevertrouwd kunnen worden.

Foto 1: Schermafbeelding van deel columnPers vogelvrij door Trumps geflikflooi en zwijgen Máxima’ van Carolien Roelants in NRC, 30 juni 2019.

Foto 2: Máxima in gesprek met Mohammad bin Salman in Osaka tijden G20, juni 2019.

Foto 3: Willem-Alexander en Máxima drinken een biertje met Putin in Sochi, februari 2014.