Things to Come (1936)

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 7 januari 2012. Licht gewijzigd.

De Britse science-fiction film Things to Come blinkt uit in ontwerp. Geen wonder omdat de beroemde set-designer William Cameron Menzies (1896-1957) de regisseur is. Kunstenaars Fernand Léger en László Moholy-Nagy en architect Le Corbusier werken mee. Producent is de Britse tycoon Alexander Korda. Rond die tijd ontwerpt Norman Bel Geddes op de New York World Fair voor het paviljoen van General Motors een kruising in de stad van de toekomst. De toekomst leeft.

Affiche voor Things to Come (1936). Credits: Heritage Auction Galleries.

De film toont optimisme en is gebaseerd op toekomstvisioenen van schrijver H.G. Wells die naar 2036 verwijzen. Wetenschap wordt positief beoordeeld in antwoord op Metropolis (1927) van Fritz Lang. Wat zien we? Dertig jaar slopende oorlog, honger en ziekte teistert Everytown. In de toekomst wordt de stad herbouwd en kondigt zich een tijdperk van vooruitgang aan. De dreigende ‘echte’ oorlog die in 1939 uitbreekt maakt de film niet tot een succes.

Set voor Things to Come (1936).

Beschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Musea Utrecht‘ van Ontdek Utrecht.

Afgelopen jaren heb ik vele mensen in en buiten de Utrechtse beeldende kunstsector de vraag gesteld wat de reden is dat het ontbreekt aan een Utrechts beeldende kunstklimaat dat past bij de vierde stad van het land. Niemand heeft een sluitend antwoord.

Utrecht presteert slecht op het gebied van de beeldende kunst. Zelfs het Centraal Museum deelt in de malaise en lijkt op een enkele tentoonstelling na vooral nog met zichzelf en de eigen bedrijfsvoering bezig. Het is in de eigen schulp gekropen. Is dat het wat het Utrechtse kunstklimaat verklaart?

Wat schort eraan in Utrecht? Is het de nabijheid van Amsterdam? Is het de ‘zwarte’, katholiek-surrealistische onderstroom die nog steeds als een geestelijke domper werkt? Is het gebrek aan ambitie en zelfvertrouwen? Is het het doelgroepenbeleid in Leidsche Rijn (Raum) dat als aflaat dient om verder geen initiatieven te ondernemen en verder te denken?

Is het het gebrek aan initiatief en creativiteit van de afdelingen Culturele Zaken of Economische Zaken van de gemeente om kunstgalerieën en kunstinitiatieven een start te geven?

Als er galerieën ontstaan (Larik), dan gebeurt dat niet dankzij, maar ondanks de gemeente. In de bioscoopwereld gebeurde afgelopen jaren hetzelfde toen Jos Stelling als particulier ondernemer met Bioscoop Slachtstraat (en met medewerking van het Utrechtse Monumentenfonds) een nieuwe bioscoop realiseerde dat het door de gemeente gesubsidieerde ’t Hoogt niet voor elkaar kreeg.

Kan de malaise in de beeldende kunstsector verklaard worden door het zware accent van de gemeente op marketing en stadspromotie, zodat inhoud er minder toe doet? In dat Utrecht is de schone schijn van marketing een doel op zichzelf. Toch weer dat surrealisme. Niemand die het doorprikt. Niemand die doorvraagt. Niemand die het nog op waarde schat. Zo ontstaat geen publiek debat over dit onderwerp.

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Over Ons‘ op Ontdek Utrecht.

Schrijnend is de promotie van Ontdek Utrecht (deel van Utrecht Marketing) waar allerlei instellingen die geen musea zijn musea worden genoemd. Of culturele instellingen in Bunnik, Amersfoort of Soest door de gemeente Utrecht worden geclaimd als Utrechts. Zijn Bunnik, Soest en Amersfoort zonder dat we het weten geannexeerd door de gemeente Utrecht? Daar lijkt het niet op. Utrecht Marketing doet aan desinformatie.

Het is duidelijk dat Ontdek Utrecht en Utrecht Marketing geen idee hebben waarover ze praten. Wat is hun expertise en wie is er binnen het gemeentebestuur verantwoordelijk voor voor wat ze naar buiten brengen? Is Utrecht Marketing onderhand zo losgezongen van de realiteit dat het alles kan zeggen en niemand het meer kan schelen of de inhoud klopt? Ontdek Utrecht en Utrecht Marketing weten blijkbaar niet wat een museum is en krijgen alle ruimte om dat te verkondigen.

Dat opnemen in een publiekscampagne is niet zozeer een devaluatie van het begrip museum, maar van de marketing van Utrecht. Kunst en de musea worden niet zozeer gepromoot en serieus genomen, maar tot halfproduct gemaakt van een hybride marketing waarin vele partners meepraten en de waarheid blijkbaar een compromis tussen alle betrokkenen is geworden.

Met de Utrechtse Potemkin-façade is de kous af en hoeft er niet nagedacht te worden over de vraag wat past bij het ambitieniveau van de vierde stad van het land. De promotie ervan neemt de plaats in. Dat is toch lekker makkelijk en ook nog eens goedkoper?

Wat verklaart het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat? Ik weet het antwoord nog steeds niet. De conclusie van veel van mijn gesprekspartners is wel dat de gemeente Utrecht eerder een sta-in-de-weg is dan een kracht die verder kijkt dan marketing en eigen promotie.

Transitie 1963

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 28 mei 2011.

John Kennedy Jr., 3 jaar oud, salueert als de kist van zijn vader St. Matthew’s Cathedral verlaat, Washington, DC; 25 november, 1963.

Kleine prins ontroert een wereld. Een kind salueert. De betovering door president Kennedy leeft voort, maar zijn welsprekendheid is gestopt.  Zijn opvolger presenteert de Great Society en zet een streep onder de progressie. De hoop die voelbaar werd is de bodem ingeslagen, maar krijgt vorm in welvaart. Ruimteschepen varen als ingeloste beloften door de lucht. Avontuur slinkt en is niet langer groot, maar gewoon.

Vietnam is een oorlog die voorbij is, maar alleen nog beëindigd moet worden. Jongens moeten vallen. De aristocraat Visconti schetst nog eenmaal in Il Gattopardo het verval van de oude macht. Andy Warhol maakt het alledaagse tot kunst in zijn fabriek en gunt iedereen wereldfaam. Jongeren vinden hun eigen wereld en The Beatles. De overgang heeft vorm gekregen. Kinderen voelen de verandering zonder te weten.

Kinderen en poppenkast, Parijs, 1963 door Alfred Eissenstaedt.

Vrijheid van meningsuiting rechtvaardigt het beledigen van godsdienst

Schermafbeelding van deel artikelIran: Salman Rushdie heeft aanval aan zichzelf te wijten‘ van de NOS, 15 augustus 2022.

Een woordvoerder van het Iraanse ministerie van Buitenlandse Zaken meent volgens bovenstaand bericht dat de vrijheid van meningsuiting het beledigen van een godsdienst niet rechtvaardigt. Dat is een bewering die gebaseerd is op een sjiitische projectie op de wereld. Dat is een ongeldige redenering. De vrijheid van meningsuiting rechtvaardigt het beledigen van een godsdienst. De Iraanse regeringswoordvoerder heeft het mis.

Rushdie noemde religie ooit een middeleeuwse vorm van onredelijkheid die in combinatie met moderne wapens een echte bedreiging voor onze vrijheden wordt. Hij ziet in wat in naam van de islam gebeurt een dodelijke mutatie in het hart van de islam. Met tragische gevolgen ook voor hemzelf. Het conservatief-islamitische Iraanse regime is daar het voorbeeld van.

De kern is wat Rushdie ooit zei over ‘het respect voor religie’. Dat is uitgegroeid tot en omgeslagen in ‘angst voor religie’. Ook in Nederland waar religie nog steeds een streepje voor heeft. Religies verdienen echter als alle andere ideeën en menselijke constructies kritiek, satire en onverschrokken gebrek aan respect.

De reactie op religie moet niet het terugdringen ervan zijn, maar wel het bekritiseren ervan en het duidelijk maken aan gelovigen of pseudo-gelovigen die in naam van religie geweld plegen en andersdenkenden proberen te intimideren dat ze niet boven of buiten de wet staan. Religie is net zo bijzonder als elke andere menselijke geestelijke constructie. Niet meer en niet minder.

De enige constructieve reactie op de framing door radicale ‘gelovigen’ zoals de Iraanse regeringswoordvoerder is een samenleving die eensgezind religie erkent als idee dat gelovigen inspireert, maar tegelijk religie niet als iets erkent dat vanuit een hoger beroep meer respect verdient dan willekeurig ieder andere menselijke constructie, gedachtengoed of levensbeschouwing. Religie verdient het om beledigd te worden.

Geloof is bedoeld voor intern gebruik. Het belijden van een godsdienst kun je anderen niet dwingend opleggen. Achting ervoor is het hoogst haalbare en daartoe zijn de meeste andersdenkenden wel te porren. Religie is een fictief verhaal, een mythologisering die niet gelijk gesteld kan worden aan historische feiten. Op een religieuze constructie kan geen eis aan anderen afgedwongen worden die gelijk is aan historische feiten omdat de basis van religie denkbeeldig is. Godsdienst is niet alleen een menselijke constructie, maar ook een constructie die beperkt geldig is voor gelovigen alleen.

Men kan beweren dat door belediging een godsdienst sterk wordt. Gedwongen wordt om uit de schulp te kruipen om in gesprek te gaan met andersdenkenden. Het is sterker om goede tegenargumenten op een belediging te formuleren dan verbolgen en agressief te reageren en op te roepen tot het uitschakelen van degene die beledigt.

Such Sweet Thunder (1957/58)

Dit stukje verscheen op George Knight Kort op 26 mei 2011. Licht gewijzigd.

It! The Terror From Beyond Space van Edward L. Cahn, 1958. Het monster met Shirley Patterson.

Het monster werpt schaduwen. De film past in een Shakespeare-decor zonder details. Haaks op realisme. Uit het theater loopt een lijn van Henrik Ibsen, Adolphe AppiaGordon Craig en Norman Bel Geddes naar deze B-film. En de cinema voegt daar Duits Expressionisme en Film Noir aan toe. Belichting is ruimte. In vaktermen low-key lighting.

It! The Terror From Beyond Space wordt geproduceerd door United Artists. Weinig middelen en een snelle productie zijn het achterliggende idee. Deze genrefilm gaat nergens over, nou een soort Journey into Space dan. De Sprong in het Heelal kluistert volksstammen aan de radio.

In 1958 heerst in filmstudio’s nog vakmanschap dat de santekraam goed laat uitkomen. Shirley Patterson op de schouder van een Marsiaan. Om je dood te schrikken. Maar niet echt. In 1957 maakt Duke Ellington de op Shakespeare gebaseerde suite Such Sweet Thunder. Hoge en lage cultuur spelen haasje-over.

Aanval op Salman Rushdie toont intolerante kant van de islam

Het is hier vaker gezegd, religie kent een dubbel gebruik. Dat maakt religie gevaarlijk en onberekenbaar. Het kan oproepen tot verbondenheid, tolerantie en vrede, maar met hetzelfde gemak tot het omgekeerde: verdeeldheid, intolerantie en geweld. Dat laatste gebeurt vooral als de geestelijke leiders de controle over hun godsdienst hebben verloren en politici zo’n godsdienst kapen. Dat is de afgelopen decennia vooral met de islam gebeurd.

Het debat om zo’n godsdienst aan voorwaarden te verbinden zou gevoerd moeten worden. Nu staat religie boven de wet. Dat is ongewenst. Dat geldt uiteraard niet alleen voor de intolerante versie van de islam, maar voor alle godsdiensten: christendom, jodendom, hindoeïsme enz.

De laatste aanval op Slaman Rushdie is niet alleen het failliet van de vrijheid van expressie van een schrijver, maar vooral het failliet van de islam die zich van haar intolerante kant laat kennen. De dader is de 24-jarige Hadi Matar met Iraanse connecties. Hoe het incident heeft kunnen gebeuren en waar de veiligheidsmaatregelen uit bestonden wordt verder onderzocht.

Gedachten bij de foto ‘Kleiner Hafen’ (1929/30)

Else Seifert,’Kleiner Hafen‘ [Vlissingen], 1929/30. Collectie: Deutsche Fotothek.

Eén stoomboot is niet meer in beeld, maar net naar links gevaren. Dus richting Oost de Westerschelde op. Naar Terneuzen, Antwerpen of een andere bestemming. De stoom hangt nog in de lucht. Iets is aanwezig zonder aanwezig te zijn.

Het geldt ook voor de foto. Het presenteert iets wat niet meer aanwezig is. Een havenhoofd. Een loodsboot. Een handelsvloot. Het is ‘water onder de brug‘. Iets uit het verleden is niet langer belangrijk of de moeite waard om over te praten. Het kan wel een plaatje zijn dat iemand aan het hart gaat.

Passerende schepen op zee benadrukken hoe dan ook het thema van het voorbijgaan. De passage duurt een korte periode en zou niet de moeite waard zijn om serieus te nemen. Maar daar hoeft men geen genoegen mee te nemen. Belangstelling ervoor poetst de aandacht voor even op.

Doorvaart is het beeld van nostalgie en vergankelijkheid. Dat klinkt chic, maar is de verbintenis met alles dat door de tijd stroomt. Ach, dat is gangbaar stilstaan. Zo bijzonder is het niet.

P van Pigment

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 22 mei 2011.

Yves Klein, Arisponge (RE 11), 1960; natural sponges, pebbles and dry blue pigment in synthetic resin on panel 78 3/4 by 65 inches.

De P is de 16de letter. Onberispelijk kwadraat van het alfabet. Pigment komt uit de natuur in vele kleuren en korrels en blijft aan de oppervlakte. Kunstenaars die puur werken kwamen met pigment de schilderkunst redden. Zoals Yves Klein met zijn Klein Blue. Het beeld toont en wordt ervaren. Pigment sleepte de geest door het postmodernisme. Totdat het vierkant aan de oppervlakte weer een waarde in zichzelf kreeg. 

Politieman Rod Steiger en Sidney Poitier symboliseerden in 1967 de segregatie in In the Heat of the Night. Polen die afstoten vanwege een oppervlakte. Maar de P wordt misbruikt, want tegenpolen trekken elkaar juist aan. Dat moeten ze onderhuids door hun trots ontdekken. Pigment reflecteert het licht en lost niet op. De P kwadrateert als het kans krijgt. Op de vlucht naar een alfabet met 256 letters. Weg uit de ondiepte. 

Sidney Poitier (links) en Rod Steiger in In the Heat of the Night, 1967.

Bevroren film

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 20 mei 2011.

James Dean op de kermis. Details onbekend.

Film bevriest de tijd. Waar toneel voorbijgaat, wordt film gereproduceerd. Het geeft een idee van echtheid dat van niemand is.

Film voedt de massa die van toeschouwer deelnemer wordt. Dat is opperste promotie zoals nieuwe media tonen. Iedereen kan meedoen. Sommigen zien het als een stapje omhoog. Mensen worden naar de Apple-store geleid, zonder dat ze nog altijd begrijpen waarom.

Film is afleiding. De klassieke Hollywood-stijl maakt dat door montage onzichtbaar. Een stijl die de eigen making of uitwist. Tot op heden is verhalend realisme de norm. Het vertelt zichzelf in een lopend verhaal.

Mythe eindigt als acteurs voor de première sterven. Van dode levende tot levende dode worden. Zoals Heath Ledger. James Dean is het bekendste voorbeeld. Als acteurs tijdens de opname sterven wordt de film met speciale effecten afgemaakt. Anders betaalt de verzekering en stopt de boel.

Uiteindelijk sterven alle acteurs en blijven hun beeld en stem op film bewaard. Totdat ook de film vergaat.

Estate Violenta en Temptation

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 14 augustus 2011. Licht gewijzigd.

In Estate Violenta uit 1959 van de Italiaanse regisseur Valerio Zurlini klinkt tijdens een zomerse danspartij TemptationGezongen door Teddy Reno. De sfeer van verleiding in die gewelddadige zomer van 1943 wordt gevoelig getroffen. Jean-Louis Trintignant neemt als fascistische meeloper een voorschot op zijn rol in Il Conformista van 10 jaar later. Maar de ster is Eleonora Rossi Drago. Ze zou het als filmster nooit helemaal maken, ondanks optredens in films als Antonioni’s Le Amiche.

Jean-Louis Trintignant (links) en Eleonora Rossi Drago in Estate Violenta (1959) ofwel ‘Gewelddadige zomer’.

You came, I was alone
I should have known
You were temptation.

I’m just a slave, only a slave
to you, temptation
I’m your slave!

In Estate Violenta klinkt nog een verre echo van Bing Crosby die Tempation in 1933 naar bekendheid croont in Going Hollywood. Tegenover Marion Davies de protégé van William Randolph Hearst die Orson Welles inspireerde tot Citizen Kane. Het fragment lijkt voornamelijk het Koelesjov-effect te onderbouwen. Crosby legt het uit als een eerste poging om een lied in de stijl van een drama te maken. Monsterlijk raak.

Hier is op YouTube de volledige versie van Estate Violenta (1959) te zien.