Petitie ‘Behoud W139 in het hart van Amsterdam’ verdient steun

‘Dit is een oproep uit de armoe-straat… want dat wordt ’t als W139 hier weg moet. De binnenstad verzuurt onder monocultuur. Authentieke Amsterdamse plekken verdwijnen of moeten verhuizen naar de periferie. Ook het voortbestaan van W139 wordt bedreigd en zo de artistieke vrijheid in de binnenstad.’

Aldus de petitieBehoud W139 in het hart van Amsterdam’. Het gaat om het belang van het alternatieve circuit een de institutionalisering van de kunstsector. Hoe wordt dat in de verdeling van overheidsgeld afgewogen?

Het lijkt er sterk op dat de min of meer anarchistische tegenstemmen door de overheid geen volwaardige plek in de kunstsector worden gegund. Of dat is omdat een overheid daarmee geen raad weet of dat ze bewust getemd moeten worden is de vraag. Hoe dan ook is dat niet alleen jammer, maar ook contra-productief omdat die tegenstemmen noodzakelijk zijn om de kunstsector levendig, bij de tijd en veelzijdig te houden.

Uiteraard is het goed dat musea steun van landelijke en gemeentelijke overheden krijgen. Ze beheren unieke en waardevolle collecties die ons erfgoed vormen en ze maken interessante publieksprestaties. Maar musea zijn in de programmering van hun tentoonstellingen én hun organisatie conservatief. Mentaal verkeren ze vaak nog in de 20ste eeuw. Logisch omdat musea nu eenmaal conserveren en per definitie behoudzuchtig zijn. Maar onlogisch waar het hun ‘vrije ruimte’ betreft om de vinger aan de pols van de tijd te houden.

Die ruimte wordt nauwelijks benut. Het is ook niet niks wat van musea verwacht wordt. Ze hebben moeite om zich op de juiste manier te verhouden tot hun eigen tijd. Ook vanwege die dubbelzinnige opdracht die ze hebben om te behouden en te signaleren. Musea zijn de plekken van de dood en van hen wordt ook verwacht dat ze de plekken van het leven zijn. Die tegenstrijdigheid wringt en kan zelfs leiden tot een verkeerd soort popularisering die volgt uit de wens om publiek en politiek te behagen met voorbijgaan aan de functie om naast verbreding ook te verdiepen. Dat laatste is het product waar het om draait, zelfs als een museum afdaalt naar het fenomeen van beleving en ervaring. Nog erger: het museum wordt borrelcircuit in een clichésituatie.

Initiatieven als W139 geven zuurstof aan de kunstsector en helpen eraan mee om de lat voor de presentatie van musea hoger te leggen én ze richting, houvast en actualiteit te geven. Weg van de kunsthandel. Soms met tentoonstellingen die het aanzien niet waard zijn en als interessante mislukking gekenschetst kunnen worden, vaak met presentaties die nergens anders te zien zijn en een verrijking voor iedereen zijn. Met video’s in een Caraïbisch bomenlandschap, een kermisbaan, een Belgisch restaurant om te proeven of met experimenten die bijtend commentaar geven op de kunstgeschiedenis. Het Stedelijk Museum ontvangt jaarlijks ruim 19 miljoen euro van de gemeente Amsterdam, W139 zit verlegen om 200.000 euro. Dat moet toch te regelen zijn?

Foto: Schermafbeelding van deel petitie ‘Behoud W139 in het hart van Amsterdam’ op Petities.nl. Ondertekenen kan hier.

Gergiev Festival verdient geen steun met Rotterdams subsidiegeld om artistieke, maatschappelijke en politieke redenen

Het Gergiev Festival dat elk jaar in Rotterdam plaatsvindt wordt in het voortbestaan bedreigd. Het bestaat 25 jaar en dient als platform van de Ossetisch-Russische dirigent Valery Gergiev die verbonden was aan het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Het festival kreeg kritiek vanuit de marge. Opvallend was dat het protest op een festival dat is geconstrueerd rond een propagandist van het Kremlin met reactionaire opvattingen over onder meer homorechten zo goed als uitbleef in Rotterdam. Onder meer op dit blog is er herhaaldelijk tegen zowel het festival als dat uitblijvende protest geageerd. De titels van de commentaren gaven mijn weerzin weer: Gergiev Festival is klassieke porno voor bedrijfsleven, overheid en politiek van Rotterdam en Valery Gergiev is een propagandist voor het Kremlin. Maar wordt verafgood in Rotterdam. Tijd voor bewustwording. En protest. Mede naar aanleiding van dit laatste commentaar stelde raadslid Ruud van der Velden van de Rotterdamse Partij voor de Dieren in mei 2016 raadsvragen. In de antwoorden verschool het college zich achter Buitenlandse Zaken. De politieke toondoofheid bleef voortbestaan in het Rotterdamse establishment.

Waar het op neerkomt omschreef ik in een commentaar over de antwoorden van het college in juni 2016: ‘Valery Gergiev is dus meer dan een neutrale musicus die het alleen om zijn kunst te doen is. Wie Gergiev binnenhaalt, haalt ook zijn politieke voorkeuren binnen. Rotterdam biedt ook die een podium en een stempel van goedkeuring. Dat dient het Rotterdamse culturele, economische en politieke establishment terdege te beseffen. Het kan zichzelf wel voor de gek houden door net te doen alsof Gergiev geen propagandistisch uithangbord is voor het regime van president Putin, maar diep in het hart weet het dat hij dat wel is’.

Op de raadsvragen antwoordde het college bij de vragen 6 en 7 onder meer met een verwijzing naar de artistieke kwaliteiten van het festival. Het schip lijkt nu eindelijk de wal te keren. Als een politieke verwijzing naar het propagandistische karakter van Valery Gergiev en zijn festival niet mogelijk is, dan kan dat alleen met andere middelen. In het Cultuurplanadvies 2021-2024 van juni 2020 oordeelde de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (RRKC) negatief over het Gergiev Festival: ‘Het vierdaags festival speelt zich grotendeels af in de Doelen, maar heeft volgens de Raad verder nauwelijks inbedding in de stad. De formule van het festival is volgens de Raad uitgekristalliseerd. Door de beperkte innovatie blijft het een traditioneel festival dat nauwelijks nieuwe doelgroepen weet te bereiken.’ De RRKC adviseert de Rotterdamse gemeenteraad om het festival vanwege gebrekkige inbedding en het gebrek aan artistieke vernieuwing niet langer subsidie te geven.

Feit dat de petitie pas na ruim vijf weken na verschijning van het Cultuurplanadvies van de RRKC verschijnt is de bevestiging van de slechte inbedding van het Gergiev Festival. Het onderstreept het gelijk van de motivatie van de RRKC. Hoe anders was dat bij het eveneens negatieve advies over Museum Rotterdam waar gelijk een publieksactie op gang kwam. Het Gergiev Festival staat op zichzelf. Het staat zich er in de marketing op voor relaties een internationaal podium met een eigentijds aanbod van netwerkmogelijkheden te bieden en wordt vanuit de Rotterdamse economische elite gesteund. Het heeft Rotterdams gemeenschapsgeld niet nodig. Al is het vijf jaar te laat, toch kan hiermee de Rotterdamse politiek eindelijk zonder zelf vuile handen te maken afstand nemen van een festival dat een propagandist van het Kremlin met bedenkelijke opvattingen onverdiend in het zonnetje zet. Politiek en artistiek voldoet het Rotterdam Philharmonic Gergiev Festival niet.

Foto 1: Schermafbeelding van deel petitieRed het Gergiev Festival’ op petities.nl, 27 juli 2020. NB: Petitionaris Gea Plantinga is Manager Gergiev Festival van het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Foto 2: Schermafbeelding van deel antwoorden op raadsvragen over het Gergiev Festival van Ruud van der Velden (PvdD). In eigen commentaar van 22 juni 2016.

Foto 3: Schermafbeelding van de samenvatting van het advies van de RRKC over het Gergiev Festival, juni 2020.  In: Cultuurplanadvies 2021-2024.

Anti-racisme beweging moet niet doorslaan in intolerantie: de inperking van fictie, expressie, drama en verbeeldingskracht

Het klopt dat ik Hanne, Marthe en Klaasje nog nooit zo zag. Want ik heb ze nog nooit gezien. Het is toch al een wonder dat toeschouwers een film die nog gedraaid moet worden al hebben gezien. Maar het gaat niet om de promotie van een film van meidengroep K3, maar om de kritiek daarop die nu al opborrelt. Op de maatschappelijke rugwind van de BLM-beweging. Volgens een bericht van Tim Engelbart op de rechtse site DDS scherpen scherpslijpers hun messen. Het is onduidelijk hoe breed en afwijkend hun kritiek is.

Deze critici van de film ‘K3 – Dans van de Farao’ hebben ongelijk. Want culturele toe-eigening of ‘cultural appropriation’ dat gaat over ‘de overname of het gebruik van elementen van een bepaalde cultuur door een andere cultuur’ wordt door hen te beperkt geïnterpreteerd. Dat leidt tot verboden en inperking van de vrijheid van expressie. Dat is ongewenst. Een neutrale term is het niet, want ‘toe-eigening’ bevat de noties ontfutselen, wegnemen of inpikken. Daarom valt te bezien of het voor een debat niet een onbruikbare term is die het gesprek over de overname van culturele of sociale kenmerken door een andere groep (acculturatie) bij voorbaar framet, politiseert en dichttimmert. De term ‘toe-eigening’ suggereert dat machtsverhoudingen tussen groepen de natuurlijke overname van elementen van de ene in de andere cultuur onmogelijk maakt.

Dit gaat over identiteitspolitiek, ofwel over de vraag wie een in etniciteit gegrond verhaal mag claimen en mag ‘vertellen’. De hardliners stellen scherpe grenzen. In het geval van Egypte hebben de critici kritiek op het feit dat een Vlaamse of Nederlandse zangeres zich voordoet als iemand met een Egyptische etniciteit. Het lijkt erop dat ze menen dat alleen een Egyptenaar zich als Egyptenaar mag voordoen. Zelfs in een dramatisering van productiemaatschappij Studio100 Group die duidelijk een illusie is en geen weergave van de realiteit.

De critici houden blijkbaar niet van acteren, dus van ‘het doen alsof’. Of ze begrijpen de essentie niet van dramatisering en drama. In theaterstukken en films spelen acteurs doorgaans karakters met een andere achtergrond dan die van henzelf. De 21ste acteur die in een achterstandsbuurt geboren is kan moeiteloos de koning uit een 16de eeuws stuk van William Shakespeare verbeelden. Dat is de magie van het rollenspel. Dat is geen grap of mode, maar inderdaad een act. In de realiteit van deze critici liggen identiteiten onwrikbaar vast. Juist die onwrikbaarheid reduceert mensen tot één identiteit waaraan ze niet kunnen ontsnappen. Deze critici bouwen muren in de samenleving die mensen in hun apartheid niet mogen overschrijden.

De term suggereert dat culturele toe-eigening een overtreding is en daarom ontoelaatbaar. Dat is echter nog maar de vraag. Mag een wit iemand uitsluitend een wit verhaal vertellen of mag een wit iemand een zwart verhaal vertellen? En mag omgekeerd een zwart iemand een wit verhaal vertellen? Sommige gemeenschappen claimen dat ‘hun’ verhaal ‘hun’ eigendom is en dat een ander van een andere groep daar vanaf moet blijven. Dat gaat tot en met het eigen ontstaan en de voorouderverering aan toe. Dat is een kortzichtig standpunt.

Culturele toe-eigening die op scherp wordt gezet door een radicale minderheid is hypocrisie, dwingelandij en paradoxaal genoeg ook emancipatie van die minderheid. Het is een manier om machtsverhoudingen en culturele hegemonie te doorbreken. Daarom moet er een zeker begrip voor opgebracht worden. Maar als onverdraagzaamheid van een meerderheid wordt beantwoord met onverdraagzaamheid van een minderheid, dan is dat geen verbetering. Deze critici van de film van K3 haken aan bij terecht protest dat racisme bestrijdt, maar slaan door in hun kritiek door drama, expressie en verbeeldingskracht ondergeschikt te willen maken aan hun politieke opvattingen. Dat is een doodlopende weg voor allen die eindigt in collectieve segregatie.

Foto 1: Schermafbeelding van deel berichtZO ZAG JE KLAASJE, HANNE EN MARTHE NOG NOOIT!’ van productiemaatschappij Studio100 Group, 29 juni 2020.

Foto 2: Schermafbeelding van deel artikelJa hoor! Ook K3 gecancelled wegens “racisme”: Egyptisch verkleedpartijtje is “culturalappriopriation”’ van Tim Engelbart op DDS, 29 juni 2020.

Ontiegelijke domheid van Mona Keijzer (CDA) over kunst. Is ze nou echt zo dom of doet ze alsof ze dom is? Wat is erger?

Het kan zijn dat kandidaat-partijleider van het CDA Mona Keijzer voortschrijdend inzicht heeft. Hoewel dat onwaarschijnlijk is. Acteur en oud-voorzitter van de Akademie van Kunsten Gijs Scholten van Aschat brengt een debat met Keijzer in herinnering waarin ze de verdieping van en de subsidie voor kunst vergelijkt met haar fitness. Ofwel, Mona Keijzer vindt niet dat kunst door de overheid gesubsidieerd hoeft te worden omdat haar hardlopen evenmin wordt gesubsidieerd. Dat zegt de nummer twee van het CDA. Wat zegt dat over het niveau van het CDA en de intellectuele verdieping van Mona Keijzer? Is zij nou echt zo dom of doet ze vanwege haar politieke marketing alleen maar alsof ze dom is? Wat is trouwens erger? Dom zijn of doen alsof?

Gedachten bij foto ‘Foire du Trône : la fête est finie’ (1933). Kermis als cultuur

Wie herinnert zich als kind niet de opwinding als wagens de stad inrijden voor de jaarlijkse kermis? Ze doken onverwachts op en stonden ineens ’s ochtends vroeg als ingepakte cadeautjes op de markt. Wie voelt nog de droefenis als ze na een week of tien dagen ineens de stad weer hadden verlaten? Even leek het of het feest eeuwig zou zijn. Zoals voor de eendagsvlieg elke dag eeuwig is. Dat was de misrekening. Kermis is cultuur, zo wordt beweerd. Dat wat ons verbindt. Niet alleen met elkaar, maar ook het kind met de volwassene binnen één individu. Dat is geen economische basis voor het bestaan ervan, maar wel een culturele basis. Daar gaat het mank. Kermis is een plaats van geheugen waar de worsteltent waar de plaatselijke gewichtheffer furore mocht vieren, de friemelende muizenstad en de onbegrepen schittering van de attractie met Boheems kristal samenkomen. Onlosmakelijk verbonden met de populaire muziek van de generatie waartoe men behoort. Dat is onbetaalbaar en onschatbaar, maar betaalt niet uit. Kermis is goeddeels herinnering en verlangen naar het verleden. Op die vroegste archeologische herinneringslaag komen later weer andere lagen te liggen. Deze foto van Roger Schall uit 1933 loopt weer vooruit op een van de beginshots van de film Jour de fête uit 1949 van Jacques Tati. Als het feest nog moet beginnen. Vooral de viering van jeugd en onbezorgde horizonloosheid.

Foto 1: Roger Schall, ‘Foire du Trône : la fête est finie’ (Kermisterrein du Trône: het feest is voorbij). Collectie: Musée Carnavalet, Histoire de Paris.

Foto 2: Still uit Jour de Fête (1949) van Jacques Tati.

Attractie op Haagse kermis: Sun-Devils, vermoedelijk 1955-1962

Twee foto’s uit een post van 8 oktober 2019 op de FB-pagina Stichting Kermis-Cultuur. De attractie met de naam ‘Sun-Devils’ verwijst naar exotisme en Afrikaanse maskers en stond op de Haagse kermis. In de kunst lieten de Vijftigers zich inspireren door Afrikaanse volkskunst. Datering ontbreekt, maar het zal waarschijnlijk tweede helft jaren 1950, mogelijk begin jaren 1960 zijn. Dat was de periode dat op de wereldtentoonstelling Expo 1958 in Brussel in het Congolese paviljoen een dorp met ‘inboorlingen’ werd tentoongesteld. Maar de tijdsgeest kantelde en halverwege de Expo liepen ze weg uit de menselijke dierentuin. Maatschappelijk kon het niet meer door de beugel. In 1960 werden 17 voormalige Afrikaanse kolonies zelfstandig. Toen waren op kermissen volop kramen met pseudo-educatief vertier te vinden. In de tijd dat televisie nog aan een opmars moest beginnen. Iedereen kon weten dat het onzin was, zodat de kunst van het bedrog er getetst kon worden.

Moeten we hier achteraf over oordelen? Het cliché van de zwarte man in luipaardvel die op de trommels slaat en de zwarte vrouwen met rieten rok en sambaballen (notabene een Zuid-Amerikaans instrument) brengt nu zichzelf om zeep zonder dat er diepgaand commentaar voor nodig is. Het is nepnieuws voordat het woord in de huidige betekenis werd gebruikt. Of deze attractie een wederzijds complot was tussen kijker en bekekene weten we niet zeker. Dat geeft er de spanning aan. De exploitatie was zichtbaar en was zelfs een belangrijk onderdeel van de bezienswaardigheid. Curiositeit, trekpleister en schaamteloosheid in één. Dat lijkt het grote verschil met nu. Uitbuiting wordt door uitbaters zoveel mogelijk aan het oog onttrokken. Wat is meer oprecht?

Foto’s: Foto’s op de FB-post van 8 oktober 2019 op Stichting Kermis-Cultuur geplaatst door Piet Winkelmolen.

Antwoord aan Broos Schnetz: Utrechtse Culturele Zondagen zijn bij het oud vuil gezet omdat ze aan culturele inhoud hadden verloren

Antwoord aan Broos Schnetz die een open brief aan de raadsleden van de gemeente Utrechts stuurt om wat er van de Culturele Zondagen terecht is gekomen. Ik ben het deels eens, deels oneens met de briefschrijver. Ik heb mijn reactie ook geplaatst op de DUIC waar op 30 mei 2020 genoemde open brief werd gepubliceerd:

De poging om de verkeerde framing van de Culturele Zondagen (CZ) aan te pakken levert nieuwe verkeerde framing op. Want er is heel wat voor te zeggen dat Utrecht Marketing (UM) en CZ vreemde bedgenoten zijn die elkaar niet liggen. Dat marketing de cultuur zou wegdrukken viel te verwachten voor iedereen met ook maar oppervlakkige kennis van de kunst heeft. Kortom, de samenwerking van kunst en cultuur met marketing, stadspromotie en toerisme was vanaf het begin ten dode opgeschreven. Dat kon het Utrechtse gemeentebestuur weten.

Maar de auteur wijkt af van zijn koers en maakt het er onnodig verwarrend op als hij zijn pijlen richt op de grote culturele instellingen. De mislukking van de fusie kan echter niet eenzijdig op het bordje van de grote culturele instellingen geschoven worden. Het wordt er zelfs ronduit rancuneus op als hij zegt: ‘Cultuurgeld verdwijnt al voor het overgrote deel in de zakken van de grote culturele instellingen die toch vooral een cultuur faciliterende functie hebben.

Wie spreekt over geld dat verdwijnt in de zaken van culturele instellingen toont vijandschap tegenover kunst en cultuur en bedient zich van een jargon dat aanhaakt bij de haat tegen kunst. Of in elk geval kunst haar rechtmatige plek niet vanzelfsprekend gunt. Deze onnodige opmerking doet afbreuk aan het betoog dat zinnige en waardevolle elementen bevat.

De grote culturele instellingen hebben als ondernemingen hun eigen verantwoordelijkheid. Ze zijn verzelfstandigd en staan alleen nog in een subsidierelatie tot de gemeente. Ze bepalen hun eigen beleid.

Er heeft altijd spanning bestaan tussen het Centraal Museum (CM), de Stadsschouwburg en Tivoli Vredenburg en de rest van de culturele instellingen. Simpelweg omdat ze een andere positie innemen dan de kleinere culturele instellingen of de individuele kunstenaars.

De grotere culturele instellingen zijn verplicht om een steeds groter percentage van hun inkomsten uit de markt te halen. Daarmee komen ze verder af te staan van de gemeente. Het gemeentebestuur heeft niet altijd rechtlijnig geopereerd door de grote culturele instellingen ook nog deelgenoot te willen maken van gemeentebeleid dat tegen het eigenbelang van die grote instellingen inging. Het lijkt alsof ze door het gemeentebestuur en de betrokken beleidsambtenaren nog worden beschouwd als de instellingen die ze voor hun verzelfstandiging waren.

CZ is een voorbeeld van een project waar de grote culturele instellingen niet veel belang bij hebben. Dat valt deze instellingen niet te verwijten en zelfs uiteindelijk niet het gemeentebestuur dat altijd wil bundelen, koppelen en focussen. Overigens hebben de grote culturele instellingen waar mogelijk coöperatief meegewerkt. Het is eerder door de verzelfstandigingen die zich pas tijdens de looptijd van de CZ aankondigden dat er een gebrek aan eenstemmigheid naar boven kwam in de opzet van de CZ omdat die door de tijd achterhaald was.

Het gevolg was dat de afstand van de gevestigde kunstinstellingen met de CZ werd vergroot. Er ontstond een kader waar de grote culturele instellingen per definitie niet in pasten en de CZ verloor aan culturele inhoud. Met als gevolg dat de per definitie oppervlakkige marketing van UM het gat moest vullen. Dat is de samenloop van omstandigheden. Het is te simpel om dat verband niet te zien.

‘Cultuur In Actie’ is te breed om een verschil te maken voor de kunst en te smal om duurzaam te zijn voor de culturele identiteit

Er komt een nieuwe actie aan. Deze keer gaat het om CultuurInActie. Een beladen acroniem: CIA. Vanwege de 1,5 meter-maatregelen als gevolg van COVID-19 is het een digitale actie die wordt gehouden van 30 mei tot en met 5 juni 2020. Ik heb er een hard hoofd in dat het een lans zal breken voor de kunst. De breedte en de onevenwichtigheid ervan valt op, zoals blijkt uit een fotoblok: Theater, Musea, Dans, Evenementen, Poppodia, Monumenten, Bioscopen, Dierentuinen, Bibliotheken. Dat duidt op denken vanuit productie en bedrijfsvoering. Niet vanuit de kunstdisciplines drama of film, maar Theater en Bioscopen. Niet literatuur, maar Bibliotheken. Niet beeldende kunst, maar Musea. En waarom Dierentuinen en geen kermis, carnaval of bloemencorso? Niet klassieke muziek, jazz of geïmproviseerde en experimentele muziek, maar Poppodia. Wie organiseert dit?

Cultuur is alles dat verbindt, kunst is in de opvatting dat de functie ervan het aanscherpen is er het tegendeel van. Kunst is een onderdeel van cultuur, maar niet elke cultuur is kunst. Cultuur is gericht op de samenleving, kunst is dat niet per definitie. De kunstsector is verdeeld in verschillende, afzonderlijke disciplines, en kunst is weer een klein onderdeel van de cultuur. De claim van de actie is even breed als de opzet ervan: ‘Zeven dagen lang, 12 uur per dag, verzamelen wij geluiden die samen één luide stem vormen. De stem die opkomt voor de cultuur in ons land.’ Het brede karakter van CultuurInActie leidt tot verwarring omdat onduidelijk is waar de organisatoren de grenzen van de cultuur trekken en hoe de grens tussen kunst en cultuur getrokken wordt.

Ik voeg aan het bovenstaande een overweging toe uit een commentaar uit 2017. Als context voor de CIA:
Nederland kan zijn cultuur voldoende beschermen met beleidsmaatregelen die de Nederlandse taal, kunst, geschiedenis en het (cultuur)onderwijs steunen. Maar dat doet de huidige politieke klasse niet. Het kort juist op dit beleid dat een basis onder de Nederlandse culturele identiteit zou kunnen leggen. Hoofdzaak zijn dus geen defensieve maatregelen tegen de radicale islam wat Buma, Klaver en Asscher er in hun reacties van maken, maar offensieve maatregelen die de Nederlandse kunst en cultuur positief  en ruimhartig steunen. Het sterke vermoeden dat Buma weet dat hij deze steun voor de Nederlandse cultuur heeft laten liggen en daarom als afleiding de aanval op de radicale islam zoekt maakt het er nog valser, schijnheiliger en onbetamelijker op.

Wie herinnert zich in 2011 niet toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD) in het kabinet Rutte I dat werd gevormd door VVD en CDA en gedoogd door PVV? Dat zijn de drie partijen die met duivels plezier en breed verkondigde minachting de cultuursector een lesje leerden door bovenmatig te korten op het cultuurbudget waardoor de culturele basisinfrastructuur van Nederland ernstig werd aangetast. In 2017 werken deze bovenmatige korting en imageschade nog na en zijn kunst en cultuur deze klap nog steeds niet te boven.

Nodig is niet een actie die vanuit de verdediging van instellingen, organisaties en bedrijven op het raakvlak van cultuur en commercie pleit voor financiële steun vanwege tegenvallers in de bedrijfsvoering, maar een actie die het offensief zoekt. Culturele ondernemers zijn tijdelijk, een solide, integrale culturele identiteit van Nederland is voor de lange termijn. Dat vraagt om een brede actie die pleit voor een beter overheidsbeleid op het gebied van Nederlandse taal, kunst, geschiedenis en onderwijs. Conclusie is dat deze CIA-actie te breed is om echt een verschil te kunnen maken voor de kunsten en te smal om duurzaam te zijn voor de toekomst.

Foto: Schermafbeelding van deel paragraaf ‘over ons’ op cultuurinactie.nl, 29 mei 2020.

Onder het mom voor kunst in de openbare ruimte te kiezen, kiest het CDA Utrecht tegen de kunst

In het berichtKunst maakt mooier!’ van het CDA Utrecht komen twee ontwikkelingen samen. De eerste is dat de partij ondervertegenwoordigd is in de grote steden en de randstad. Zo haalde het CDA in Utrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart 2018 5,34% en bij de landelijke verkiezingen van 15 maart 2017 5,48% van de stemmen. Landelijk schommelt het CDA rond de 12,5%. De tweede is de publicitaire schade die het CDA ondervindt door het bestuursakkoord in de provinciale staten van Brabant met de VVD, FvD en Lokaal Brabant. In dat akkoord is de gedeputeerde voor cultuur geschrapt en wordt een geleidelijke afbouw van de cultuur-subsidie ‘richting het nieuwe normaal van na 2023’ ingezet. Het CDA wordt landelijk verantwoordelijk gehouden voor het uitkleden van kunst en cultuur in Brabant. Deze twee ontwikkelingen versterken elkaar.

Men kan zich voorstellen dat het CDA Utrecht deze ontwikkelingen wil keren. De beeldvorming is het CDA mede door zwak leiderschap niet gunstig gezind. De partij wordt steeds verder naar de marge gedrongen in de randstad en in het bolwerk Noord-Brabant waar het ooit de lakens uitdeelde zit het volgens die weergave onder de knoet van radicale boeren van de FDF, de machtige VVD en FvD. Het CDA heeft in de randstad de aantrekkingskracht van een partij die met gelikte vormgeving de inhoud probeert op te krikken. Hoe het CDA Utrecht vanuit die positie van zwakte reageert maakt het bericht ‘Kunst maakt mooier!’ inzichtelijk.

Fractiemedewerkster Marlijn heeft een tekst gemaakt over kunst in de openbare ruimte. Ze kan uitpakken met de titel ”Kunst maakt mooier!’. Het kan niet anders dan worden opgevat als een reactie op het slechte nieuws over het CDA Brabant dat de kunst om zeep helpt helpen. Aanleiding voor het bericht is dat ‘het plan voor kunst in de openbare ruimte voor de komende vier jaar’ binnenkort in de Utrechtse gemeenteraad wordt besproken. Maar de tekst bevat onnauwkeurigheden. Zo zegt het graag ideeën van inwoners te gebruiken. Voor kunst in de openbare ruimte is dat allang de procedure en wordt inwoners altijd inspraak gegeven. Het is er juist een reden voor dat zoveel van dit soort openbare ruimte-projecten de eindstreep niet of slechts gehavend halen. Marlijn citeert haar fractievoorzitter Sander van Waveren die ineens een andere invalshoek heeft. Hij breidt de inspraak uit naar ondernemers. Wat daar de logica van is wordt in de tekst niet uitgelegd.

Zo kabbelt het bericht verder. De ene na de andere open deur wordt opengetrapt. Zoals het citaat van Van Waveren ‘kunstwerken moeten binding hebben met de buurt of plek waar ze staan’ en ‘ze moeten de plek écht opknappen’. Men zou bijna geneigd zijn om daar aan toe te voegen ‘raadsleden moeten binding hebben met de buurt of plek waar ze opereren’ en ‘ze moeten de plek écht opknappen’. Doen de raadsleden van het CDA Utrecht dat? Deze afdeling heeft blijkbaar de missie om met dit bericht de negatieve beeldvorming van het CDA als anti-kunst partij te neutraliseren en zo de electorale aantrekkingskracht te vergroten.

De paradox is dat het CDA Utrecht met deze marketing het omgekeerde bereikt van wat het boogt. Hoe gretig de afdeling ook probeert, het accentueert vooral de eigen onoprechtheid. Want deze afdeling is het niet om de kunst te doen, maar om de eigen profilering waarbij kunst wordt gebruikt. Kunst staat te ver af van het CDA om deze partij daar een geloofwaardig pleidooi voor te kunnen laten houden. Het CDA Utrecht begrijpt niet dat het door kunst als iets voor te stellen dat mooi maakt, het die kunst inlijft, temt en onschadelijk maakt.

Daarnaast mist het CDA Utrecht door de populariserende toon waarmee het eenduidig voor de inwoners kiest de essentie van wat kunst in de openbare ruimte is: een wirwar van belangen en een punt van strijd. Oud-museumdirecteur en kunstcommentator Rudi Fuchs hield in 1998 in de Utrechtse Stadsschouwburg een lezing over kunst in de openbare ruimte, zoals dit verslag in Trouw samenvat. Fuchs’ kritiek van toen is achterhaald. Kunstenaars hebben inmiddels eerder te weinig dan te veel vrijheid bij het realiseren van projecten van kunst in de openbare ruimte. Ze worden door commissies van deskundigen, ambtenaren en burgers gestuurd, beperkt en doodgemaakt. Onder het mom voor de kunst te kiezen, kiest het CDA Utrecht tegen de kunst.

Foto: Schermafbeelding van deel berichtKunst maakt mooier!’ van het CDA Utrecht, 12 mei 2020.

Bosch Parade hekelt de beperkte blik op Brabantse cultuur van het Brabantse provinciebestuur

De video ‘Beperkte blik op Brabantse cultuur’ is op 9 mei 2020 geplaatst op het YouTube-kanaal van Bosch Parade. Deze kunstmanifestatie ‘de varende parade in de geest van Jheronimus Bosch’ staat gepland voor 21-23 juni 2020. De tekst zegt: ‘De beperkte visie van de nieuwe coalitie gaat meer kosten dan de bezuinigingen die eruit worden gehaald. Wij zien dat kunst en cultuur positieve bijdragen levert aan de samenleving, het onderwijs en aan de Brabantse economie. Dat kan niet in vrije tijd worden ontwikkeld. Daarvoor is een sector nodig met professionals die verbinding leggen met andere sectoren. Een provincie zonder cultuur is een lege huls. Geen inhoud, geen verdieping, geen verbondenheid. Dat is vrij spel voor polarisatie. Wij willen niet leven in een wereld die geregeerd wordt vanaf een eiland waar politiek oogkleppen op heeft.

Tja, wij willen niet leven in een wereld die geregeerd wordt vanaf een eiland waar politiek oogkleppen op heeft. Mooi, maar wat is daarvan het gevolg als onmiskenbaar blijkt dat de politiek in het provinciehuis in Den Bosch oogkleppen op heeft en kunst en cultuur niet meer ziet staan? Gaat de wij dan emigreren of stopt die met leven? Ik begrijp het onbegrip over de politiek. Is dit de juiste wijze om daar iets aan te veranderen? Toegegeven, te voorzichtig zijn is laf en slap. Maar niet voorzichtig genoeg valt evenmin aan te bevelen.