Op 6 oktober 2026 werd het met bladgoud bedekte standbeeld ‘The Orange Plague’ (‘De Oranje Plaag’) van de Deense kunstenaar Jens Galschiøt niet voor het eerst onthuld. Het stelt een dikke, naakte president Trump voor die op de schouders zit van een uitgeputte, gewone man. Wat het bijzonder maakt is dat het in het Europarlement in Straatsburg tot 8 oktober 2026 is geplaatst.
Dat zijn dus drie dwaze dagen. Het beeld was eerder te zien in de straten van Kopenhagen en München (tijdens veiligheidsconferentie MSC), en tijdens de recente klimaattop in Belém, Brazilië. Het maakt dus een rondreis. In Straatsburg kwam het initiatief op het te plaatsen van de Deense Europarlementariër Per Clausen, lid Linkse Fractie in het Europees Parlement.
De sculptuur probeert aan de orde te stellen dat president Trump zich weinig aantrekt van de internationale rechtsorde en de klimaatproblematiek niet serieus neemt, en zelfs dwarsboomt.
Plaatsing zorgde voor controverse. Tegenstanders vinden dat zo’n beeld dat een wereldleider voorstelt geen plek verdient in een officiële Europese instelling. Het tonen van een naakte Trump zou smakeloos zijn en opgevat kunnen worden als belediging van de VS. Een reden die in de publiciteit weinig genoemd wordt is of de sculptuur voldoende artistieke kwaliteit heeft.
Voorstanders zweren bij de vrijheid van meningsuiting of expressie van de kunstenaar. Het zou volgens Per Clausen opgevat moeten worden als satire. Maar daarmee ondermijnt hij de bedoeling van de maker die serieus protesteert tegen de manier waarop Trump de aanpak van de klimaatcrisis en de internationale rechtsorde hindert.
Ach, de drie dwaze dagen zijn weer voorbij. Het beeld wordt verwijderd en de foto’s blijven. Of de plaatsing enige invloed heeft op het beleid van het Europarlement is lastig te meten. Wie als Europarlementariër voor Trump is zal niet van mening veranderen en voor de tegenstanders zal dat niet anders zijn.
Het publiek dat op het scherm of in de krant het beeld met uitleg erbij ziet zal er niet al te lang bij stilstaan. Toch doet symboliek ertoe. De EU wordt vaak verweten dat het geen verhaal heeft. Het krijgt het publiek moeilijk mee omdat het zich niet sterk kan associëren met Europa.
Het benoemen van een gemeenschappelijke vijand kan er richting aan geven. Vijanden heeft Europa op dit moment genoeg: de onberekenbare Trump, Poetins oorlogszuchtige Rusland en het slim calculerende China. Dat is wat Europa niet is en niet wil zijn. Dat maakt het beeld zichtbaar. Zo werkt deze officieuze culturele diplomatie.
Schermafbeelding van deel opinie ‘Eerst de iftar, nu halal en koosjer‘ van Lody van de Kamp op De Kanttekening, 6 oktober 2026.
Lody van de Kamp (rabbijn en publicist) voelt zich in een opinie op De Kanttekening van 6 oktober 2026 als gelovige benadeeld. Hij meent zelfs zonder daar sluitend bewijs voor te leveren dat de overheid de ene op de andere ‘anti-geloofsmaatregel‘ laat volgen.
Van de Kamp ziet spoken. Van de Kamp lijdt aan een te beperkte opvatting van de werkelijkheid. Van de Kamp heeft realiteitszin ingewisseld voor achterdocht.
Geloof is in Nederland nog steeds een grondrecht. Van de Kamp zet daar onterecht een vraagteken bij. Kijk naar de bekostiging van overheidswege van het bijzonder onderwijs. Kijk naar de ruim 4.400 traditionele kerken en ruim 500 moskeeën in Nederland die door overheden geen strobreed in de weg worden gelegd. Dat er meer kerken sluiten dan opgericht worden komt door de ontkerkelijking. Dat is de keuze van de samenleving, niet van de overheid. Inmiddels verklaart 58% van de Nederlanders zich niet te laten inspireren door het geloof. Dát is de realiteit van Nederland.
Hij komt tot bizarre uitspraken in zijn opinie als hij zegt: ‘Terwijl het welzijn van de dieren bij deze fabrieksmatige massaslacht (…) nauwelijks of geen aandacht krijgt van dierenminnend Nederland.’ Op welke planeet leeft Van de Kamp? Heeft hij nog nooit van de Partij voor de Dieren of stichting Wakker Dier gehoord die fel en continu opkomen voor het welzijn van dieren? Ook die in de grootschalige slachtindustrie.
Van de Kamp weet dat de juridische bezwaren tegen het ritueel slachten van dieren steeds groter zijn geworden. In Nederland en de EU is verdoving vóór de slacht de algemene norm om dieren lijden te besparen. De Raad van State en verschillende juristen wijzen er in recente adviezen op dat het belang van dierenwelzijn in de Europese jurisprudentie steeds zwaarder mag wegen ten opzichte van religieuze tradities.
Van de Kamp stelt dat staatssecretaris Silvio Erkens (verantwoordelijk voor dierenwelzijn en diergezondheid) godsdiensten waar ritueel slachten plaatsvindt op de korrel neemt omdat ze religieus zijn. Van de Kamp weet dat Erkens als hij zegt: ‘Dit hoort niet thuis in Nederland‘ duidt op het onverdoofd slachten en niet op de godsdiensten waar dieren onverdoofd worden geslacht.
Van de Kamp is verstandig genoeg om te weten wat Erkens bedoelt en wat hem door juridische instanties wordt opgelegd. Daarom stoort de ophitsing en het zogenaamd niet begrijpen door Van de Kamp van wat Erkens zegt des te meer. De vermeende onschuld van Van de Kamp is potsierlijk.
Omdat hij in een democratische rechtsstaat leeft, weet Van de Kamp dat in Nederland godsdiensten alle ruimte krijgen. Onder het secularisme worden alle godsdiensten en levensovertuigingen binnen de rechtsstaat gelijk gegarandeerd. Van de Kamp introduceert een tegenstelling tussen religieus en niet-religieus Nederland die niet bestaat zoals hij het verwoordt.
Hij weet ook dat binnen de rechtsstaat afwegingen moeten worden gemaakt tussen grondrechten als die met elkaar in conflict komen. Zoals in dit geval de godsdienstvrijheid en het dierenwelzijn.
Er was jarenlang een patstelling in die afweging, maar vanuit de rechtspraak is dat evenwicht de laatste jaren verschoven in het voordeel van het dierenwelzijn. Van de Kamp zou er beter aan doen om dat te beseffen en te accepteren, en de media niet te gebruiken voor het verspreiden van zijn complottheorie dat in Nederland religie door de overheid bewust wordt dwarsgezeten. Hij meent dat het perspectief van de overheid over gelovigen valt samen te vatten als ‘ze motten ons niet’. Dat is een valse en misleidende bewering. Van de Kamp maakt zich er als publicist belachelijk mee.
De Franse film ‘La bataille de Gaulle‘ van regisseur Antonin Baudry bestaat uit twee delen. In Nederland worden ze uitgebracht onder de titels ‘De Gaulle: Résistance’ en ‘De Gaulle: Liberté‘ van respectievelijk 161 en 159 minuten. De film is gebaseerd op een biografie over De Gaulle uit 2019 van historicus Julian Jackson en gaat over de jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. De recensie gaat over het tweede deel.
De film begint in januari 1943 en eindigt met de bevrijding van Parijs in augustus 1944 door de Franse troepen van generaal Leclerc en de herdenking daarvan bij de Arc de Triomphe op 11 november 1944 met het bezoek van de Britse premier Churchill die door generaal De Gaulle ontvangen wordt.
De subtitel ‘J’écris ton nom‘ (ik schrijf je naam) verwijst naar het verzetsgedicht ‘Liberté‘ (1942) van Paul Éluard dat in de film uitgebreid geciteerd wordt en zo eindigt (vertaald): ‘En door de kracht van een woord/ begin ik mijn leven opnieuw/ Ik ben geboren om je te kennen/ om je te benoemen// Vrijheid’.
Veel wat in het eerste deel werd aangekondigd (zie recensie) loopt door in het tweede deel. Er worden andere accenten gelegd. Generaal Leclerc speelt een beslissende rol via gevechten in Noord-Afrika die hij met steun van de geallieerden weet te winnen omdat hij het belangrijkste perspectief van De Gaulle is op een onafhankelijk Frankrijk. Bizar is dat hij geen landmijnen heeft om de Duitse tanks te stoppen van wie vooraf duidelijk was dat ze door twee passen zouden aanvallen.
Verzetsleider Jean Moulin alias Rex weet alle anti-Duitse krachten te verenigen en zo De Gaulle de noodzakelijke basis te geven om zich sterk te maken tegenover Britten en Amerikanen. Het Franse verzet erkende De Gaulle als enige leider. Moulin wordt door verraad opgepakt door de Gestapo en overleeft het niet.
De Amerikaanse president Roosevelt speelt een grotere rol en vertrouwt niet dat De Gaulle Frankrijk niet zal gaan leiden als dictator. Hoe is hij immers zonder democratisch mandaat aan de macht gekomen? Daarom laat Roosevelt plannen maken om Frankrijk na de oorlog te bezetten, net als Duitsland en Italië. Maar die plannen worden in juni 1944 door toedoen van De Gaulle die de Angelsaksen nooit vertrouwd heeft, de Britten en de Amerikaanse opperbevelhebber Eisenhower naar de prullenmand verwezen.
De Gaulle moet continu opboksen tegen het gebrek aan middelen, het wantrouwen van president Roosevelt, en de Vichy-regering van generaal Pétain die in november 1942 overigens aan macht verliest als Duitsers heel Frankrijk bezetten. Generaal Giraud die voor de oorlog de meerdere van kolonel De Gaulle was en heldhaftig ontsnapt uit Duitse gevangenschap krijgt van de Amerikanen het bevel over de Franse troepen in Noord-Afrika als die zich aan geallieerde kant scharen.
De Gaulle en Giraud blijven rivalen. De Gaulle wil zich tijdens de Conferentie van Casablanca onder Amerikaanse druk niet verzoenen met Giraud. In juni 1943 wordt het Franse Comité van Nationale Bevrijding opgericht met beide generaals als co-voorzitter. Door onhandig politiek gemanoeuvreer van Giraud en het tegendeel van De Gaulle stapt Giraud uit het Comité. Dat gebeurt niet zoals het in de film getoond wordt en onwaarschijnlijk toont, maar geleidelijk. Giraud blijft nog tot april 1944 aan om eenheid tussen de Fransen te suggereren.
Het verschil tussen het eerste en tweede deel is groter dan men zou denken, en wensen. Dat wordt geïllustreerd door de bombastische filmmuziek van het tweede deel van Théo Cascio voor zijn eerste speelfilm. Het is overdreven. Het is te veel. Het kent geen beperkingen. Meer wordt minder.
In het eerste deel worden de patriottische en nationalistische aspecten door De Gaulle verwoord waardoor dit deel een absurd tintje krijgt van een rare snijboon als hoofdpersoon. Daar kan men om lachen, dat geeft er lucht aan. Tegelijk leeft de kijker mee met een worstelende De Gaulle die van geen wijken weet en wordt de voortgang gedreven door de vraag hoe hij zich hier uit zal redden.
Het tweede deel knoopt die vaderlandsliefde en het superioriteitsdenken over Frankrijk vooral vast aan enkele toespraken van generaal Leclerc voor zijn manschappen. Dat is bloedserieus en loodzwaar. Het valt te betwijfelen of dat een passende dramaturgische vertaling is van wat de film wil zeggen. Het gevecht voor vrijheid sneeuwt onder in woorden die hol klinken en niet niet langer absurd, maar opgeblazen klinken.
Dat is het verschil tussen lachen met en lachen om de hoofdpersoon. In elke geval zal dat voor een niet-Frans publiek zo zijn voor wie de film niet in eerste instantie bedoeld is. ‘La bataille de Gaulle‘ is een ouderwetse publieksfilm met een ouderwets wereldbeeld.
In de recensie van het eerste deel noemde ik al het kolonialisme dat kritiekloos wordt geserveerd. Daarnaast is het een film over sterke mannen. De Roemeense actrice Anamaria Vartolomei als verzetsvrouw Livia is de uitzondering. Zij moet in haar eentje de vrouwen in een mannenwereld representeren.
Het tweede deel is niet langer in verhouding met het verhaal over een oorlog die ondanks onderlinge verschillen gewonnen moet worden. Een oorlog waarin de betrokkenen in een gevangenendilemma opgesloten zitten. Ze willen niet samenwerken, maar beseffen dat ze dat wel moeten doen om samen verder te komen. Dat dilemma wordt in het eerste deel strakker en met minder Franse bombast en bombarie en zonder een onbegrijpelijk, wantrouwig opererende president Roosevelt verteld dan in het tweede deel.
Toch is ‘La bataille de Gaulle‘ een onderhoudende publieksfilm voor wie de minpunten voor lief neemt of wellicht helemaal niet ziet. Wat opbouw, balans en helderheid van het verhaal betreft geef ik de voorkeur aan het eerste deel. Vooral de filmmuziek van het tweede deel ligt zwaar op de maag. De marketing van de film is zo gericht dat velen die het eerste deel hebben gezien denken dat ze het tweede deel moeten gaan zien. Dat is knap van zo’n dubbelprogramma waar twee films de investering terug kunnen verdienen.
Mijn reactie bij bovenstaande video ‘In het Echt 27 september 2026 | ‘Religie = verzinsel?‘.
‘In het Echt‘ wordt gepromoot door Operatie Mobilisatie (OM) België, een internationale, interkerkelijke christelijke zendingsorganisatie en vereniging zonder winstoogmerk (vzw) die deel uitmaakt van een wereldwijde beweging van Jezus-volgers.
De link met het Britse marketing- en pr-bureau BRAND MOTOR LIMITED verloopt via Martin Turner. Hij is de Nationaal Directeur (Field Leader) van Operatie Mobilisatie België én is de oprichter, merkconsultant en aandeelhouder van het Britse marketing- en pr-bureau BRAND MOTOR LIMITED.
Reactie: ‘Ja, religie is een verzinsel. Fictie. Een creatie van mensen. Dat menselijke maakt het waardevol. Religie voorzag in vroegere tijden in een menselijke behoefte.
Belangrijk is om te bedenken hoe religie zich tijdens tientallen eeuwen voortdurend heeft aangepast aan de actualiteit. Dat maakt religie tot een sociologische seismograaf van de samenleving waar het in functioneert. Ook tot machtsfactor dat belang heeft bij de eigen continuïteit.
Interessant is om te beredeneren hoe religie in de toekomst in ontwikkelde landen kan blijven bestaan. Het risico is dat het zoveel accent legt op nostalgie en traditionele waarden dat het uit het lood komt te staan met de eigen tijd.’
Schermafbeelding van deel opinie ‘Het traditionele museum is niet meer van deze tijd‘ van Karima Aissaoui op Unesco; Nederlandse Commissie, 2 oktober 2026.
Prikkelende opinie van Karima Aissaoui op de site van de Nederlandse Commissie van Unesco. Ze meent dat traditionele musea niet meer van deze tijd zijn en vraagt zich af of ze niet achterhaald zijn. Hoe moeten musea volgens haar veranderen?
Het lijkt erop dat haar analyse van wat er mis is met traditionele musea niet samengaat met een concreet behandelplan. Daarom blijft het een onbepaald betoog dat vooral duidt wat het is, maar niet wat het kan zijn. Daarnaast trekt Aissaoui musea naar een domein waarover betwijfeld kan worden of dat doelmatig is.
Ik ben het met haar eens dat musea moeten meeveranderen met de samenleving. Musea zijn vaak bastions van conservatisme die al tastend uitstapjes naar de politieke mode van de dag maken. Zoals identiteitspolitiek dat uitgaat van de aspecten inclusie en diversiteit. Aissaoui’s opinie zet juist daar op in, maar zegt tegelijk dat ook het museummodel zelf op de schop moet.
De paradox van haar opinie is dat Aissaoui terecht zoekt naar een structurele verandering van musea die volgens haar nodig is, maar dat beredeneert vanuit een hedendaags door politieke standpunten bepaald discours. Wellicht geldt dat voor alle tijden. Dat kan een auteur alleen ondervangen door de eigen opinie en tijd waarin de opinie geschreven wordt te relativeren. Dat aspect ontbreekt en maakt haar opinie loodzwaar.
Ze verwijst naar een boek van Mike Murawski en de museumdefinitie van ICOM: ‘Deze transformatieve functie kunnen musea invullen als ze samen met lokale bewoners werken aan actuele problemen rond bijvoorbeeld armoede, onderwijs en klimaatverandering.’ In de museumdefinitie van ICOM staat dat musea een actieve en maatschappelijke rol moeten spelen, maar er staat nergens dat ze met participatie van gemeenschappen moeten werken aan armoede of klimaatverandering.
Transformatie is het toverwoord dat de auteur gebruikt zonder uit te leggen wat de grenzen en beperkingen eraan zijn. Dit geeft aan dat ze nog zoekend is en nog niet tot een sluitend oordeel komt.
Dat is geen blamage voor een verkennende opinie, maar wel voor een opinie die stellig meent dat het museummodel achterhaald is: ‘Transformatie vraagt namelijk niet alleen om een ander museum, maar ook om een systeem dat zo’n museum ruimte biedt voor groei‘ zo concludeert Aissaou. Het lijkt alsof ze hier niet zozeer over de transformatie van musea praat, maar over de transformatie van de samenleving.
In haar opinie legt Aissaoui het accent op verandering, diversiteit en representativiteit van musea. Hoewel ze dat koppelt aan het museummodel en het ‘systeem dat zo’n museum ruimte biedt‘ dat er een overstijgende verantwoording aan moet geven, is het een hedendaags politiek verhaal over diversiteit en identiteit. Terwijl traditionele musea door hun aard zich juist aan de actualiteit onttrekken.
Het beschrijven van de spanning tussen traditie en vernieuwing die ook in de museumdefinitie van ICOM terug te vinden is had haar opinie interessanter en opener gemaakt.
Wat ontbreekt in haar opinie is het besef van de tijdloze functie van musea als (kunst)historisch geheugen door opslag en collectionering. Traditionele museale functies als verzamelen, registreren, documenteren worden door haar slechts aangestipt. De publieksfunctie van een museum en het voldoen aan de publieksbehoeften maakt Aissaoui leidend en daar baseert ze vervolgens haar betoog op.
Een museum is meer dan dat. De museumpraktijk lijkt Aissaoui ondergeschikt te maken aan haar perspectief. Het is alsof ze een kunsthal of presentatieplek verwart met een museum. Haar opinie klopt als men de definitie van wat een museum is ver oprekt. Of men het dan nog over musea heeft is de vraag.
Typerend is dat wat ze schetst als het juiste profiel voor het museum van de toekomst als zogenaamde ‘third place‘. Ofwel een sociale ontmoetingsplek buiten je huis en je werk of school. Het valt te betwijfelen of musea daar de aangewezen plek voor zijn.
Sociale ontmoetingsplekken zijn al verder ontwikkeld dan musea. Namelijk buurthuizen, sportclubs, religieuze instellingen en openbare bibliotheken. Vooral openbare bibliotheken zijn laagdrempelige plekken voor ontmoeting, reflectie en verbeelding die de neutraliteit hebben die traditionele (kunst)musea missen. Een museum moet van ver komen én sleept per definitie de bagage van de geschiedenis en de museale functies met zich mee die er onlosmakelijk mee verbonden zijn.
Elke onderbouwde opinie over de verandering en vermaatschappelijking van traditionele musea is welkom. Dat kan eraan meehelpen om ze bij de tijd te brengen. Maar musea opzadelen met een nieuwe opdracht zoals Karima Aissaoui doet en het idee verbreiden dat het samengaat met de transformatie van de samenleving werkt eerder verwarrend dan verhelderend.
NB: Wat opvalt aan de eindredactie van de opinie is de plaatsing van een foto van wat een brand in een portiekwoning Den Haag in 2025 tijdens opladen van een fatbike is. Dat wordt uitgelegd als ‘Foto van een brand, gebruikt bij een campagne voor het Museum of the Future. (Foto: Nas Hosen)‘. Waarom de keuze voor deze foto die associaties oproept met verwoesting en gevaar? Het lijkt erop dat de plaatsing van een foto van een brand waar de duiding van ontbreekt een opinie over de transformatie van traditionele musea bewust een bredere subtekst geeft. Moet volgens de auteur de fik in de traditionele musea?
Bericht ‘Een nieuwe koers: Onder de Nederlandse en Oldebroekse vlag is plaats voor iedereen‘ van CVO, 2 oktober 2026.
Je hebt het ver gebracht als je te rechts voor de SGP bent. De SGP die in zo’n 60 tot 65% in de Tweede Kamer hetzelfde stemt als Wilders’ PVV. Tom de Nooijer uit Oldebroek verliet in november 2021 de fractie van de SGP omdat hij niet meer op de kieslijst werd gezet. In juni 2023 zegde hij zijn lidmaatschap op de SGP op.
Hem werd gezegd dat zijn optredens bij omroepen als Blckbx en Ongehoord Nederland de partij schade toebrachten. Minister Rianne Letschert is een procedure gestart om de licentie van Ongehoord Nederland in te trekken
Sinds juli 2026 is De Nooijer wethouder in Oldebroek en vormt met zijn partij CVO (Christelijk Verbond Oldebroek) een coalitie met ABO (Algemeen Belang Oldebroek) en … de SGP.
Hij kwam onlangs in het nieuws omdat hij zich tijdens een reis in het door de Russische Federatie bezette Transnistrië dat een deel van Moldavië is had laten fotograferen met een kalasjnikov in de hand terwijl hij poseerde voor de vlag van deze internationaal niet-erkende regio. Achteraf bood hij hiervoor zijn excuses aan.
Tom de Nooijer (rechts), wethouder in de gemeente Oldebroek, met Marlon U. Credits: de Volkskrant.
Behalve christelijk en knetterrechts is De Nooijer blijkbaar pro-Kremlin.
De laatste prestatie van deze ultrarechtse, christelijke rebel is dat zijn partij in de raad van Oldebroek een voorstel heeft ingediend om ‘het huidige LHBTIQ+-beleid in te trekken en de regenboogvlag niet langer te hijsen‘ aldus een bericht van 2 oktober 2026 van CVO. Dat voorstel is aangenomen. De oppositie stemde tegen. Het besluit vloeit voort uit het bestuursakkoord dat CVO, SGP en ABO sloten.
Interessant is de motivatie in genoemd bericht. Wat was de reden om het LHBTIQ+-beleid in te trekken en de regenboogvlag te verbannen?
Het bericht zegt: ‘Voor CVO is het uitgangspunt helder: iedere inwoner van onze gemeente doet ertoe. Iedereen moet zich veilig weten, iedereen moet mee kunnen doen en iedereen moet bij de gemeente terechtkunnen met zorgen of problemen. Uitsluiting en geweld moeten we altijd serieus nemen en aanpakken.
Maar daarvoor is wat ons betreft geen apart beleid voor één specifieke doelgroep nodig en hoeven we ook niet voor afzonderlijke groepen een vlag te hijsen.‘
Je zou daar cynisch op kunnen antwoorden dat Tom de Nooijer liever de vlag van Transnistrië hijst. Je zou ook kunnen zeggen als er geen apart beleid voor één specifieke doelgroep nodig is hoe dat te rijmen valt met de protestant-christelijke grondslag van de CVO die de partij benadrukt?
Indirect wordt zo de traditionele, christelijke cultuur van de gemeente als norm gehanteerd en verdedigd. CVO kiest dus wel degelijk voor apart beleid voor één specifieke doelgroep, te weten de traditioneel-conservatieve christelijke inwoners. Daar helpen geen omhullende, abstracte woorden over veiligheid en uitsluiting aan. De regenboogvlag is het tegenovergestelde van uitsluiting en haat, maar zo ziet Tom de Nooijer het niet.
Behalve christelijk, knetterrechts en pro-Kremlin is De Nooijer een Orwelliaanse taalgebruiker die uitsluiting verkoopt als insluiting, onveiligheid als veiligheid, en pro-christelijk als universeel. Je kunt je alleen maar afvragen waarom anderen met hem samen willen werken. De wonderen zijn Oldebroek nog niet uit.
Quinten Massys, Belastinginners, laat 1520, olieverf op paneel, 86 x 71 cm. Liechtenstein Collection, Vaduz/ Wenen.
Uit de verslaggeving over de belastingmaatregelen in box 3 wordt steeds gesproken over de kleine belegger en spaarder. Media maken niet duidelijk wat een kleine belegger en spaarder is. Met welk vermogen is iemand een kleine spaarder en belegger? Dat kunnen ze ook niet omdat de coalitiepartijen daar geen duidelijkheid over geven.
Daarom heeft het nieuws over de kleine spaarder en belegger een onwerkelijk aspect. De term roept vertedering op. Kijk eens hoe gering, nietig of schamel de kleine belegger en spaarder is.
Het suggereert een tegenstelling tot de grote belegger die middelen heeft om mensen in te huren om belasting te ontwijken. Dat is het dilemma. De kleine spaarder en belegger kan de belasting die de overheid oplegt niet of nauwelijks ontwijken, de grote belegger wel. Dat maakt de overheid aan de hand van de eigen algoritmes duidelijk waar het inkomsten kan halen: bij de kleine belegger en spaarder.
Het is een beleid in ontwikkeling waar niks concreet over medegedeeld wordt. De journalistiek kan er weinig mee, maar moet er wel verslag van doen omdat iedereen er iets van vindt. Het blijkt een abstractie, die kleine spaarder en belegger.
In 2019 legde toenmalig fractievoorzitter van D66 en nu premier Rob Jetten in de Kerdijklezing over sociale veiligheid de grens bij een vermogen van 1 miljoen euro: ‘Daarom ben ik voorstander van een progressieve vermogensbelasting. Waarbij we grote vermogens boven de 1 miljoen zwaarder belasten. Zodat we kleine spaarders meer kunnen ontzien.’
Jetten zei kleine spaarders te willen ontzien en legde daarom de grens bij 1 miljoen euro. Door inflatie is dat bedrag inmiddels opgelopen tot 1,3 miljoen euro. Dat lijkt een tamelijk lage grens.
Het is onduidelijk of Jetten en D66 de grens nog steeds leggen bij 1,3 miljoen euro. Mensen met minder vermogen kunnen dan een kleine spaarder en belegger genoemd worden.
Naar aanleiding van de Kerkdijklezing 2019 van Rob Jetten vergeleek ik toen wat hij voorstelde met de voorstellen van de Franse econoom Thomas Piketty. Mijn conclusie was dat de linkse Piketty de middeninkomens minder belast dan wat de liberale Jetten voorstelde. Piketty legt de grens hoger: bij 5 miljoeneuro. De ‘progressieve vermogensbelasting‘ van Jetten was toentertijd dus minder progressief dan die van Piketty. Of gewoon slecht doordacht?
Als Jetten nog min of meer op hetzelfde spoor zit als in 2019 liggen hier kansen voor PRO en oppositieleider Jesse Klaver om het sterker op te nemen voor de middeninkomens dan D66 en VVD. Klaver haalde Piketty naar Nederland en ondersteunde diens pleidooi om tot een herverdeling van inkomens te komen. Daar kwam in Nederland door weerstand van rechtse partijen niks van terecht. Ook het internationale tij zat tegen.
Over wat Jetten voorstelde schreef ik in het commentaar ‘Onduidelijkheid over plan Jetten om vermogens boven € 1 miljoen zwaarder te belasten. Wat betekent dat voor de middeninkomens?‘ van maart 2019 het volgende:
‘Dit voorbeeld leert dat ook bij een vermogen van € 5 miljoen de heffing van Piketty op vermogen nog lager is dan bij Jetten. Het is nog onduidelijk welk belastingmodel Jetten voor ogen heeft, maar hij lijkt nog steeds vooral de middengroepen te belasten. Welk probleem meent hij aan te pakken? Met de voorstellen van Piketty die de middengroepen buiten schot laten en vooral de hoogvermogenden aanpakken hoeft men het niet eens te zijn, maar dat heeft wel karakter en doet wat het zegt te doen. Piketty probeert immers tot een structurele herverdeling van vermogen te komen. Dat is bij Jetten nog maar de vraag. Nogmaals, wat het doel is van Jetten is onduidelijk.’
In 2026 is nog steeds niet helemaal duidelijk wat premier Jetten en D66 met de belastingheffing in box 3 willen. Het lijkt er sterk op dat ze zich voornamelijk laten voeren door de verwachte in te boeken opbrengsten van de kleine spaarder en belegger.
Minister van Financiën Eelco Heinen (VVD) voert wat dit betreft niet iets wat beleid genoemd kan worden, hij draait trots aan de knoppen om geld binnen te halen. Men kan zich afvragen of dat wel inkomens- of belastingbeleid genoemd kan worden of niet beter de naam boekhouden verdient.
Ook na een aangekondigde reparatie van kabinetsvoorstellen die de kleine spaarder en belegger hard zouden treffen blijft onduidelijk hoe zwaar in de nieuwe voorstellen de kleine spaarder en belegger belast gaat worden. En wie eigenlijk de kleine spaarder en belegger is.
Media kunnen er daarom voorlopig niks mee omdat de feiten ontbreken, maar moeten verslag doen van een actuele kwestie die belastingbetalers in de portemonnee raakt. Dan lopen emoties snel op en vallen partijen over elkaar heen om het als belangrijkste in de publiciteit op te nemen voor de kleine spaarder en belegger die verweesd zonder identiteit achterblijft.
Schermafbeelding van deel bericht ‘Stephanie Rosenthal nieuwe artistiek directeur Museum Boijmans Van Beuningen‘ van Museum Boijmans van Beuningen, 30 september 2026.
De benoeming van de Duitse Stephanie Rosenthal (1971) tot artistiek directeur van Museum Boijmans Van Beuningen maakt benieuwd hoe die benoeming door de Raad van Toezicht tot stand is gekomen.
Wie naar de samenstelling van de Raad kijkt ziet dat uit de informatie niet valt af te leiden dat er meer dan één persoon met praktische museumervaring in zit. De voorzitter is lid van de raad van commissarissen van een bouw- en vastgoedbedrijf en een grote financiële dienstverlener.
De uitzondering met museale ervaring is de Duitse Ulrike Erbslöh (1966) die directeur van de Zwitserse Fondation Beyeler is. Voorheen was ze jarenlang als zakelijk directeur werkzaam bij het Van Abbemuseum.
Een en ander maakt nieuwsgierig hoe de werving en sollicitatie zijn verlopen. Dat zullen we nooit weten omdat de procedure vertrouwelijk is. We kunnen alleen maar gissen hoe de lijntjes lopen en wie wie wanneer en op welke voorwaarden geconsulteerd heeft.
Het is niet verkeerd dat een buitenlander tot directeur van een van de grotere Nederlandse musea benoemd wordt. Er waren er veel, en sommige succesvol: Axel Rüger, Charles Esche, Ann Demeester, Beatrix Ruf, Ann Goldstein of Emilie Gordenker. Zoals ook Nederlanders directeur van een buitenlands museum kunnen zijn. Nederland is nu eenmaal een klein land dat zich graag internationaal presenteert.
Toch roept de benoeming van Stephanie Rosenthal de vraag op of er geen Nederlanders waren die in aanmerking kwamen én wilden komen voor de functie van artistiek directeur van Boijmans dat pas in 2030 na een verbouwing opent. Als het tegenzit kan dat in een ongunstiger scenario ook 2032 worden.
Die vraag is geen motie van wantrouwen jegens mw. Rosenthal, maar een vraag naar de stand van zaken in de Nederlandse museumsector. Waren potentiële Nederlandse kandidaten niet gretig vanwege de langlopende verbouwing van Boijmans of zijn ze in de procedure niet uitgenodigd en aan bod gekomen?
Uit de mediaberichten valt niet op te maken of bij Boijmans de artistiek directeur hiërarchisch onder de algemeen directeur blijft vallen zoals recent het geval was. Door ziekte van de algemeen directeur wordt die positie nu ingenomen door interim directeur Sandra Kisters die in die functie terugtreedt als Rosenthal in voorjaar 2027 in dienst treedt.
Wanneer en óf er een algemeen directeur met hetzelfde mandaat als nu wordt benoemd is onduidelijk en ligt gevoelig vanwege de ziekte. Een en ander kan van invloed zijn geweest op de sollicitatieprocedure. Het zal ongetwijfeld besproken zijn. Maar we weten het niet.
Het is een goed gebruik om als iemand benoemd is daar niet moeilijk over te doen. Geef iemand die nog moet beginnen een eerlijke kans. Dat is wel zo sportief. Dat moeten we doen. Maar tegelijk is het een goede Hollandse gewoonte om daar toch vragen bij te stellen. Bij deze.
De Franse film ‘La bataille de Gaulle‘ van regisseur Antonin Baudry bestaat uit twee delen. In Nederland worden ze uitgebracht onder de titels ‘De Gaulle: Résistance’ en ‘De Gaulle: Liberté‘ van respectievelijk 161 en 159 minuten. De film is gebaseerd op een biografie over De Gaulle uit 2019 van historicus Julian Jackson en gaat over de jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. De recensie gaat over het eerste deel.
De subtitel ‘L’âge de fer‘ (ijzertijd) verwijst naar de chaotische beginjaren van de Tweede Wereldoorlog, de hardheid van het gevecht en de in de ogen van de Franse publieke opinie ijzeren wil van generaal Charles de Gaulle om Frankrijk soeverein te houden en niet over te leveren aan de Anglo-Saksische macht die hij niet vertrouwt.
Dat uit zich in dialogen tussen de Britten en De Gaulle waar Engels en Frans door elkaar heen worden gebruikt. De Gaulle praatte uiteindelijk Engels omdat hij toch in een Engelse omgeving moest opereren. Premier Churchill en zijn erg jonge minister van Buitenlandse Zaken Anthony Eden die het in 1955 tot premier schopte en de bijeenkomsten van De Gaulle bijwoont om als een seismograaf diens toenemend belang te meten zijn zowel obstakels als redmiddel voor De Gaulle.
President Roosevelt en in mindere mate Churchill vertrouwen De Gaulle echter niet. Deze Franse tweesterren generaal die in mei 1940 nog twee rangen lager was als kolonel lijkt als een stripfiguur een parodie van zichzelf in zijn wereldvreemdheid, zijn vastberadenheid en zijn lyrische pompheusheid vol grote woorden over ‘La France’. De Gaulle wordt geloofwaardig gespeeld door de Armeens-Franse acteur Simon Abkarian die net als de generaal de juiste neus heeft. Het goede acteurspel van het ensemble is een van de sterke punten van de film.
Simon Abkarian als generaal Charles de Gaulle in ‘La bataille de Gaulle: L’âge de fer‘ (2026)
Wat de film mist is een duidelijke karakterontwikkeling van de hoofdpersoon omdat die in mei 1940 al voltooid is. Zo lijkt het. De Gaulle blijft aan de oppervlakte onbewogen, onaangedaan door de omstandigheden en emotioneel vlak, hoewel het scenario suggestieve momenten geeft dat de druk naar buiten komt. Zoals in een ontmoeting met Churchill waar De Gaulle een stoel kapot gooit. Meer dan dat wordt het niet.
Dat beide kanten moeten schipperen om met elkaar om te gaan en een oorlog te winnen maakt de film duidelijk. Dat relativeert op het oog de parodie en geeft het scenario een idee van diepte en waarheidsgetrouwheid. Uiteraard worden alle ‘waargebeurde‘ episodes gedramatiseerd door verdichting, samenvoegingen of weglatingen.
Paradox is dat De Gaulle de Amerikaanse politieke steun en militaire middelen nodig heeft om zijn doel te bereiken, maar daarbij weinig begrip en dankbaarheid toont. Dat loopt via een campagne in Afrika waar De Gaulle en zijn medestanders militair en politiek langzaam aan belang winnen door aan te haken bij een koloniaal idee van Frankrijk.
Dat idee wordt niet gerelativeerd, maar bevestigd. Dat zal er een reden voor zijn dat een deel van het Franse publiek massaal valt voor dat beeld van de vroegere koloniale grootheid van hun land. In combinatie met dat streven naar onafhankelijkheid. Dat geeft de film echter een ouderwetse sfeer die haaks staat op het moderne Frankrijk.
Tegelijk biedt de film Fransen het nostalgische droombeeld dat huidige politieke leiders als president Emmanuel Macron of oppositieleider Marine Le Pen niet kunnen tippen aan de statuur van Charles de Gaulle die met terugwerkende kracht ontstijgt aan de malaise, het partijpolitieke gekissebis en de afgenomen macht van Frankrijk.
Wat dat droombeeld kan betekenen voor het hedendaagse Frankrijk is onduidelijk. Het Gaullisme als politieke stroming is dood, maar het streven naar onafhankelijkheid met een sterke president is er een blijvende erfenis van. Die elementen benadrukt de film. Voor een niet-Frans publiek spelen deze bijgedachten geen rol. Ze zien een publieksfilm met gebeurtenissen dichtbij die toch zo veraf zijn en waar velen pas voor het eerst kennis mee maken.
Het budget van 74 miljoen euro biedt de mogelijkheid om de Slag om Bir Hakeim waar de Vrije Fransen van De Gaulle – samen met Joodse vrijwilligers – hun eerste overwinning behalen breed uit te meten met overtuigende gevechtsscènes van in totaal twintig minuten. Dat geeft er de vaart van een oorlogsfilm aan. Het patriottisme en de sentimentaliteit druipen er af zoals het een goed gedoseerde publieksfilm betreft. Daar staat tegenover dat de met AI gegenereerde scènes van de Britse aanval op de Franse vloot in Mers-el-Kébir in juli 1940 technisch onder het niveau blijven van wat men ervan kan verwachten.
De film is spannend en meeslepend en wordt soepel verteld zoals de epische drama’s van de Britse regisseur David Lean als Lawrence of Arabia (1962), Doktor Zhivago (1965) en The Bridge on the River Kwai (1957). Romantiek ontbreekt of wordt indirect verteld. Zoals de romance van Général Pierre Koenig met zijn vrouwelijke chauffeur tijdens de vlucht naar Egypte uit Bir Hakeim. Ook mevrouw De Gaulle die zich uiteindelijk in Londen bij haar man voegt speelt geen rol in het drama.
De film is een mannenfilm, een film van sterke mannen. Inclusief de jonge verzetsstrijder Fernand die admiraal François Darlan in Algiers doodschiet. De rol van de iconische verzetsleider Jean Moulin die in Frankrijk nog steeds vereerd wordt omdat hij het verzet bundelde en versterkte, en zo De Gaulle een machtsbasis in eigen land gaf wordt pas in deel 2 duidelijk.
Een video op het YouTube-kanaal van De Nieuwe Wereld TV. Op de dag dat De Nieuwe Vredesbeweging in Amsterdam samen met FNV Jongeren en de landelijke Studentenvakbond een demonstratie houdt met ‘Nieuwe Visies voor Vrede‘. Nieuw is in Nederlandse vredeskringen het nieuwe toverwoord.
Of zoals George Orwel het noemde: newspeak. Opzet daarvan is niet om de taal te verrijken, maar juist om deze te versimpelen en te verarmen. Het woord ‘oorlogskoorts’ dat door de Nieuwe Vredesbeweging wordt gebruikt als een ziekelijk spookbeeld is er ook een voorbeeld van.
Trouw berichtte na onderzoek in 2025 over deze nieuwe vredesbeweging: ‘In de Nieuwe Vredesbeweging bundelen sinds maart een twintigtal pacifistische organisaties en splinterclubs hun krachten. Een bont gezelschap, waar ook pro-Poetin-demonstranten toenadering toe zoeken’. De Nieuwe Vredesbeweging is niet ondubbelzinnig en niet eensgezind voor wapensteun aan Oekraïne om zich tegen de Russische agressor te verdedigen. Mijn reactie bij de video:
‘Martijntje Smits pleitte in 2024 met Ewald Engelen in een opinie-artikel in NRC om te onderhandelen met Poetin. Smits is dus geen objectieve waarnemer, maar iemand die al op voorhand partij heeft gekozen. Dat maakt haar als moderator ongeloofwaardig.
Ze verschilt niet van mening met Baggen. Smits kan er trots op zijn dat ze zich in hetzelfde kamp bevindt als Geert Wilders en Thierry Baudet die in de kern hetzelfde beweren als Smits en Braggen. Alleen lijken de twee ultra-rechtse politici daar ondubbelzinnig voor uit te komen. Ze hebben daar geen drogredenen over vrede, een ‘nieuwe’ vredesbeweging, oorlogskoorts en staakt-het-vuren voor nodig. Ze kiezen eerlijk partij voor Poetin en tegen Oekraïne.
Uit eerlijkheid zouden Baggen en Smits zonder alle schijnbewegingen kleur moeten bekennen als Wilders en Baudet. Dan zou hun waarheid uitkomen dat ze het Oekraïense volk in de steek laten en per saldo de belangen van Poetin dienen. Men kan dat naïef noemen, maar ook kwaadaardig.
Niemand wil oorlog, maar als een agressor als de Russische Federatie buurland Oekraïne van de kaart wil vegen dan wordt dat land tegen haar wil gedwongen om te vechten.
Dat is heel wat anders dan het filosofische gepraat van twee zogenaamde vredestichters in de comfortabele Nederlandse studio waar niet de dreiging bestaat van Russische raketten of drones die bewust kwaad en verderf onder de Oekraïense burgerbevolking zaaien.
Het is duidelijk aan welke kant Smits, Engelen en Baggen staan.’