
De Franse film ‘La bataille de Gaulle‘ van regisseur Antonin Baudry bestaat uit twee delen. In Nederland worden ze uitgebracht onder de titels ‘De Gaulle: Résistance’ en ‘De Gaulle: Liberté‘ van respectievelijk 161 en 159 minuten. De film is gebaseerd op een biografie over De Gaulle uit 2019 van historicus Julian Jackson en gaat over de jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. De recensie gaat over het eerste deel.
De subtitel ‘L’âge de fer‘ (ijzertijd) verwijst naar de chaotische beginjaren van de Tweede Wereldoorlog, de hardheid van het gevecht en de in de ogen van de Franse publieke opinie ijzeren wil van generaal Charles de Gaulle om Frankrijk soeverein te houden en niet over te leveren aan de Anglo-Saksische macht die hij niet vertrouwt.
Dat uit zich in dialogen tussen de Britten en De Gaulle waar Engels en Frans door elkaar heen worden gebruikt. De Gaulle praatte uiteindelijk Engels omdat hij toch in een Engelse omgeving moest opereren. Premier Churchill en zijn erg jonge minister van Buitenlandse Zaken Anthony Eden die het in 1955 tot premier schopte en de bijeenkomsten van De Gaulle bijwoont om als een seismograaf diens toenemend belang te meten zijn zowel obstakels als redmiddel voor De Gaulle.
President Roosevelt en in mindere mate Churchill vertrouwen De Gaulle echter niet. Deze Franse tweesterren generaal die in mei 1940 nog twee rangen lager was als kolonel lijkt als een stripfiguur een parodie van zichzelf in zijn wereldvreemdheid, zijn vastberadenheid en zijn lyrische pompheusheid vol grote woorden over ‘La France’. De Gaulle wordt geloofwaardig gespeeld door de Armeens-Franse acteur Simon Abkarian die net als de generaal de juiste neus heeft. Het goede acteurspel van het ensemble is een van de sterke punten van de film.

Wat de film mist is een duidelijke karakterontwikkeling van de hoofdpersoon omdat die in mei 1940 al voltooid is. Zo lijkt het. De Gaulle blijft aan de oppervlakte onbewogen, onaangedaan door de omstandigheden en emotioneel vlak, hoewel het scenario suggestieve momenten geeft dat de druk naar buiten komt. Zoals in een ontmoeting met Churchill waar De Gaulle een stoel kapot gooit. Meer dan dat wordt het niet.
Dat beide kanten moeten schipperen om met elkaar om te gaan en een oorlog te winnen maakt de film duidelijk. Dat relativeert op het oog de parodie en geeft het scenario een idee van diepte en waarheidsgetrouwheid. Uiteraard worden alle ‘waargebeurde‘ episodes gedramatiseerd door verdichting, samenvoegingen of weglatingen.
Paradox is dat De Gaulle de Amerikaanse politieke steun en militaire middelen nodig heeft om zijn doel te bereiken, maar daarbij weinig begrip en dankbaarheid toont. Dat loopt via een campagne in Afrika waar De Gaulle en zijn medestanders militair en politiek langzaam aan belang winnen door aan te haken bij een koloniaal idee van Frankrijk.
Dat idee wordt niet gerelativeerd, maar bevestigd. Dat zal er een reden voor zijn dat een deel van het Franse publiek massaal valt voor dat beeld van de vroegere koloniale grootheid van hun land. In combinatie met dat streven naar onafhankelijkheid. Dat geeft de film echter een ouderwetse sfeer die haaks staat op het moderne Frankrijk.
Tegelijk biedt de film Fransen het nostalgische droombeeld dat huidige politieke leiders als president Emmanuel Macron of oppositieleider Marine Le Pen niet kunnen tippen aan de statuur van Charles de Gaulle die met terugwerkende kracht ontstijgt aan de malaise, het partijpolitieke gekissebis en de afgenomen macht van Frankrijk.
Wat dat droombeeld kan betekenen voor het hedendaagse Frankrijk is onduidelijk. Het Gaullisme als politieke stroming is dood, maar het streven naar onafhankelijkheid met een sterke president is er een blijvende erfenis van. Die elementen benadrukt de film. Voor een niet-Frans publiek spelen deze bijgedachten geen rol. Ze zien een publieksfilm met gebeurtenissen dichtbij die toch zo veraf zijn en waar velen pas voor het eerst kennis mee maken.
Het budget van 74 miljoen euro biedt de mogelijkheid om de Slag om Bir Hakeim waar de Vrije Fransen van De Gaulle – samen met Joodse vrijwilligers – hun eerste overwinning behalen breed uit te meten met overtuigende gevechtsscènes van in totaal twintig minuten. Dat geeft er de vaart van een oorlogsfilm aan. Het patriottisme en de sentimentaliteit druipen er af zoals het een goed gedoseerde publieksfilm betreft. Daar staat tegenover dat de met AI gegenereerde scènes van de Britse aanval op de Franse vloot in Mers-el-Kébir in juli 1940 technisch onder het niveau blijven van wat men ervan kan verwachten.
De film is spannend en meeslepend en wordt soepel verteld zoals de epische drama’s van de Britse regisseur David Lean als Lawrence of Arabia (1962), Doktor Zhivago (1965) en The Bridge on the River Kwai (1957). Romantiek ontbreekt of wordt indirect verteld. Zoals de romance van Général Pierre Koenig met zijn vrouwelijke chauffeur tijdens de vlucht naar Egypte uit Bir Hakeim. Ook mevrouw De Gaulle die zich uiteindelijk in Londen bij haar man voegt speelt geen rol in het drama.
De film is een mannenfilm, een film van sterke mannen. Inclusief de jonge verzetsstrijder Fernand die admiraal François Darlan in Algiers doodschiet. De rol van de iconische verzetsleider Jean Moulin die in Frankrijk nog steeds vereerd wordt omdat hij het verzet bundelde en versterkte en zo De Gaulle een machtsbasis in eigen land gaf wordt pas in deel 2 duidelijk.






