
Prikkelende opinie van Karima Aissaoui op de site van de Nederlandse Commissie van Unesco. Ze meent dat traditionele musea niet meer van deze tijd zijn en vraagt zich af of ze niet achterhaald zijn. Hoe moeten musea volgens haar veranderen?
Het lijkt erop dat haar analyse van wat er mis is met traditionele musea niet samengaat met een concreet behandelplan. Daarom blijft het een onbepaald betoog dat vooral duidt wat het is, maar niet wat het kan zijn. Daarnaast trekt Aissaoui musea naar een domein waarover betwijfeld kan worden of dat doelmatig is.
Ik ben het met haar eens dat musea moeten meeveranderen met de samenleving. Musea zijn vaak bastions van conservatisme die al tastend uitstapjes naar de politieke mode van de dag maken. Zoals identiteitspolitiek dat uitgaat van de aspecten inclusie en diversiteit. Aissaoui’s opinie zet juist daar op in, maar zegt tegelijk dat ook het museummodel zelf op de schop moet.
De paradox van haar opinie is dat Aissaoui terecht zoekt naar een structurele verandering van musea die volgens haar nodig is, maar dat beredeneert vanuit een hedendaags door politieke standpunten bepaald discours. Wellicht geldt dat voor alle tijden. Dat kan een auteur alleen ondervangen door de eigen opinie en tijd waarin de opinie geschreven wordt te relativeren. Dat aspect ontbreekt en maakt haar opinie loodzwaar.
Ze verwijst naar een boek van Mike Murawski en de museumdefinitie van ICOM: ‘Deze transformatieve functie kunnen musea invullen als ze samen met lokale bewoners werken aan actuele problemen rond bijvoorbeeld armoede, onderwijs en klimaatverandering.’ In de museumdefinitie van ICOM staat dat musea een actieve en maatschappelijke rol moeten spelen, maar er staat nergens dat ze met participatie van gemeenschappen moeten werken aan armoede of klimaatverandering.
Transformatie is het toverwoord dat de auteur gebruikt zonder uit te leggen wat de grenzen en beperkingen eraan zijn. Dit geeft aan dat ze nog zoekend is en nog niet tot een sluitend oordeel komt.
Dat is geen blamage voor een verkennende opinie, maar wel voor een opinie die stellig meent dat het museummodel achterhaald is: ‘Transformatie vraagt namelijk niet alleen om een ander museum, maar ook om een systeem dat zo’n museum ruimte biedt voor groei‘ zo concludeert Aissaou. Het lijkt alsof ze hier niet zozeer over de transformatie van musea praat, maar over de transformatie van de samenleving.
In haar opinie legt Aissaoui het accent op verandering, diversiteit en representativiteit van musea. Hoewel ze dat koppelt aan het museummodel en het ‘systeem dat zo’n museum ruimte biedt‘ dat er een overstijgende verantwoording aan moet geven, is het een hedendaags politiek verhaal over diversiteit en identiteit. Terwijl traditionele musea door hun aard zich juist aan de actualiteit onttrekken.
Het beschrijven van de spanning tussen traditie en vernieuwing die ook in de museumdefinitie van ICOM terug te vinden is had haar opinie interessanter en opener gemaakt.
Wat ontbreekt in haar opinie is het besef van de tijdloze functie van musea als (kunst)historisch geheugen door opslag en collectionering. Traditionele museale functies als verzamelen, registreren, documenteren worden door haar slechts aangestipt. De publieksfunctie van een museum en het voldoen aan de publieksbehoeften maakt Aissaoui leidend en daar baseert ze vervolgens haar betoog op.
Een museum is meer dan dat. De museumpraktijk lijkt Aissaoui ondergeschikt te maken aan haar perspectief. Het is alsof ze een kunsthal of presentatieplek verwart met een museum. Haar opinie klopt als men de definitie van wat een museum is ver oprekt. Of men het dan nog over musea heeft is de vraag.
Typerend is dat wat ze schetst als het juiste profiel voor het museum van de toekomst als zogenaamde ‘third place‘. Ofwel een sociale ontmoetingsplek buiten je huis en je werk of school. Het valt te betwijfelen of musea daar de aangewezen plek voor zijn.
Sociale ontmoetingsplekken zijn al verder ontwikkeld dan musea. Namelijk buurthuizen, sportclubs, religieuze instellingen en openbare bibliotheken. Vooral openbare bibliotheken zijn laagdrempelige plekken voor ontmoeting, reflectie en verbeelding die de neutraliteit hebben die traditionele (kunst)musea missen. Een museum moet van ver komen én sleept per definitie de bagage van de geschiedenis en de museale functies met zich mee die er onlosmakelijk mee verbonden zijn.
Elke onderbouwde opinie over de verandering en vermaatschappelijking van traditionele musea is welkom. Dat kan eraan meehelpen om ze bij de tijd te brengen. Maar musea opzadelen met een nieuwe opdracht zoals Karima Aissaoui doet en het idee verbreiden dat het samengaat met de transformatie van de samenleving werkt eerder verwarrend dan verhelderend.
NB: Wat opvalt aan de eindredactie van de opinie is de plaatsing van een foto van wat een brand in een portiekwoning Den Haag in 2025 tijdens opladen van een fatbike is. Dat wordt uitgelegd als ‘Foto van een brand, gebruikt bij een campagne voor het Museum of the Future. (Foto: Nas Hosen)‘. Waarom de keuze voor deze foto die associaties oproept met verwoesting en gevaar? Het lijkt erop dat de plaatsing van een foto van een brand waar de duiding van ontbreekt een opinie over de transformatie van traditionele musea bewust een bredere subtekst geeft. Moet volgens de auteur de fik in de traditionele musea?









