Een video op het YouTube-kanaal van De Nieuwe Wereld TV. Op de dag dat De Nieuwe Vredesbeweging in Amsterdam samen met FNV Jongeren en de landelijke Studentenvakbond een demonstratie houdt met ‘Nieuwe Visies voor Vrede‘. Nieuw is in Nederlandse vredeskringen het nieuwe toverwoord.
Of zoals George Orwel het noemde: newspeak. Opzet daarvan is niet om de taal te verrijken, maar juist om deze te versimpelen en te verarmen. Het woord ‘oorlogskoorts’ dat door de Nieuwe Vredesbeweging wordt gebruikt als een ziekelijk spookbeeld is er ook een voorbeeld van.
Trouw berichtte na onderzoek in 2025 over deze nieuwe vredesbeweging: ‘In de Nieuwe Vredesbeweging bundelen sinds maart een twintigtal pacifistische organisaties en splinterclubs hun krachten. Een bont gezelschap, waar ook pro-Poetin-demonstranten toenadering toe zoeken’. De Nieuwe Vredesbeweging is niet ondubbelzinnig en niet eensgezind voor wapensteun aan Oekraïne om zich tegen de Russische agressor te verdedigen. Mijn reactie bij de video:
‘Martijntje Smits pleitte in 2024 met Ewald Engelen in een opinie-artikel in NRC om te onderhandelen met Poetin. Smits is dus geen objectieve waarnemer, maar iemand die al op voorhand partij heeft gekozen. Dat maakt haar als moderator ongeloofwaardig.
Ze verschilt niet van mening met Baggen. Smits kan er trots op zijn dat ze zich in hetzelfde kamp bevindt als Geert Wilders en Thierry Baudet die in de kern hetzelfde beweren als Smits en Braggen. Alleen lijken de twee ultra-rechtse politici daar ondubbelzinnig voor uit te komen. Ze hebben daar geen drogredenen over vrede, een ‘nieuwe’ vredesbeweging, oorlogskoorts en staakt-het-vuren voor nodig. Ze kiezen eerlijk partij voor Poetin en tegen Oekraïne.
Uit eerlijkheid zouden Baggen en Smits zonder alle schijnbewegingen kleur moeten bekennen als Wilders en Baudet. Dan zou hun waarheid uitkomen dat ze het Oekraïense volk in de steek laten en per saldo de belangen van Poetin dienen. Men kan dat naïef noemen, maar ook kwaadaardig.
Niemand wil oorlog, maar als een agressor als de Russische Federatie buurland Oekraïne van de kaart wil vegen dan wordt dat land tegen haar wil gedwongen om te vechten.
Dat is heel wat anders dan het filosofische gepraat van twee zogenaamde vredestichters in de comfortabele Nederlandse studio waar niet de dreiging bestaat van Russische raketten of drones die bewust kwaad en verderf onder de Oekraïense burgerbevolking zaaien.
Het is duidelijk aan welke kant Smits, Engelen en Baggen staan.’
Post op Facebook van Evangelisatie Sjofar, 21 september 2026.
De religiemarkt is een vechtmarkt waar godsdiensten elkaar fel beconcurreren. Ook nog eens in een afkalvende markt door de ontkerkelijking. Dat gaat samen met buitenmatigheden. Godsdiensten en religieuze organisaties proberen elkaar de loef af te steken en kunnen de randen van het betamelijke opzoeken. Winst valt te behalen bij de stroom asielzoekers die Nederland binnenkomt en nog niet verankerd is in de Nederlandse samenleving.
Dat komt niet vanzelf. Er moet hard voor gewerkt worden. Dat is een kwestie van religieuze marketing, publiciteit, positionering en fondsenwerving.
Er hoort wat Evangelisatie Sjofar betreft straatevangelisatie bij. Het uitdelen van bijbels in Ter Apel aan islamitische asielzoekers lijkt op een parodie, maar behoort wel degelijk tot de kenmerken van wat in Nederland in de 21e eeuw een godsdienst of religieuze organisatie is. Hoe opdringerig en afkeurenswaardig andersdenkenden dat ook vinden. Sjofar is de schaamte voorbij.
Is het verstandig wat Sjofar in Ter Apel doet? Nee, daar lijkt het niet op. Er zijn incidenteel rapportages over spanningen tussen religieuze groepen. Met een poging tot evangelisatie stookt Sjofar de spanningen en kwetsbaarheden verder op tussen met name christelijke en islamitische asielzoekers. Dat kan tot veiligheidsproblemen leiden.
Is het geoorloofd wat Sjofar in Ter Apel doet? Ja, evangelisatie valt onder de vrijheid van godsdienst, maar er gelden wel wettelijke grenzen. Evangelisatie is toegestaan zolang het gebaseerd is op vrijwilligheid. Zodra er sprake is van psychische druk, misleiding, intimidatie of het misbruiken van een kwetsbare positie van de ander, overschrijdt het de juridische grens. Veel asielzoekers die de asielprocedure ingaan verkeren in die kwetsbare positie. Daar speelt Sjofar op in.
Het is aan de burgemeester van Westerwolde waar Ter Apel in ligt om te bepalen of Sjofar de wettelijke grenzen overschrijdt of mogelijk zelfs de openbare veiligheid in gevaar brengt. Tegelijk moet Sjofar niet belangrijker gemaakt worden dan het is. Het uitdelen van bijbels in Ter Apel is een publiciteitsstunt van Sjofar die vooral bedoeld lijkt om de eigen fondsenwerving te ondersteunen en in de beeldvorming groter te lijken dan het werkelijk is.
Schermafbeelding van persbericht ‘Acceptatie homoseksualiteit sterk afgenomen onder jongeren in Nederland‘ over HBSC-rapport 2025 op HBSC Nederland, september 2026.
Afgelopen week haalde de toenemende afkeer van homoseksuelen door jongeren (vooral jongens) het nieuws. Dat blijkt uit het vierjaarlijkse HBSC-rapport 2025 van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut over gezondheid en welzijn van schoolgaande kinderen.
Seksueel gedrag en opvattingen over homoseksualiteit was een van de zeven onderzoeksvragen. HBSC staat voor Health Behaviour in School-aged Children (HBSC). Een Engelstalige term omdat het deel is van een internationaal onderzoek.
De berichtgeving in de algemene pers over de achtergrond van deze jongeren was omfloerst. Dat maakte nieuwsgierig of dat kwam door de media of het HBSC-onderzoek. Het laatste lijkt het geval.
Het HBSC-onderzoek kijkt bij de verschillende vragen over bijvoorbeeld gamen, pesten, mentale problemen, middelengebruik, lichaamsbeeld en seksualiteit van schoolgaande kinderen telkens naar aspecten als schoolniveau, migratieachtergrond, gezinsachtergrond en gezinsvorm.
Het onderzoek noemt religie niet als element om de cijfers te verklaren. Wie in het rapport de zoektermen ‘religie‘, ‘godsdienst‘, ‘islam‘ of ‘christendom‘ en daarvan afgeleide termen invult vangt bot.
Naar het waarom kan men alleen maar gissen. Terwijl toch bekend is dat religieuze overtuigingen op gespannen voet kunnen staan met maatschappelijke opvattingen over (homo)seksualiteit en de acceptatie bij schoolgaande kinderen sterk kunnen beïnvloeden.
Het wekt verbazing waarom in het onderzoek het element religie waarvan men in wetenschappelijke kringen weet dat het van belang is bij de acceptatie van jongeren over (homo)seksualiteit niet wordt genoemd. Het is gissen of dat is vanwege methodologische of maatschappelijke bezwaren. Is hier sprake van een taboe om religie niet aan te roeren? Wellicht is dat niet zo, maar die vraag roept het HBSC-rapport wel op.
De rol van religie valt nu slechts zijdelings en dientengevolge onnauwkeurig af te leiden uit de Nederlandse HBSC-onderzoeksgegevens. Terwijl tegelijk het idee bestaat dat religie een flinke rol speelt bij de verminderde acceptatie van homoseksualiteit. Hoe kan het aspect acceptatie van homoseksualiteit onderzocht worden als een potentieel invloedrijk element als religie niet onderzocht wordt en buiten beschouwing blijft?
Dat is jammer omdat hierdoor gebeurt wat afgelopen week in de algemene pers naar aanleiding van de publicatie van het HBSC-onderzoek gebeurde. Namelijk dat er in algemene zin over schoolgaande kinderen wordt gesproken en er minder nuancering in het HBSC-rapport zit dan bij een dataverzameling op basis van religie mogelijk was geweest. Neveneffect is dat dit de acceptatie van sociologisch onderzoek kan verminderen.
Het artikel‘Leerlingen vinden dat ‘lhbtqia+-idee’ door strot wordt geduwd: ‘Uitleg blijft nodig‘ van 25 september 2026 op nu.nl geeft een vingerwijzing van wat het HBSC-onderzoek wat betreft de onderzoeksvraag homoseksualiteit heeft laten liggen. Ook de algemene pers kan de rol van religie niet uit de gegevens van het HBSC-onderzoek afleiden, maar probeert er toch wat van te maken:
‘Hoe praktischer het schoolniveau, hoe negatiever de reacties waren. Ook waren jongeren met een migratieachtergrond minder vaak positief over homoseksualiteit dan jongeren met alleen een Nederlandse afkomst.’
Schermafbeelding van deel opinie-artikel ‘Een apolitiek Stedelijk Museum bestaat niet. Neutraal zijn over Gaza betekent impliciete goedkeuring van de genocide’ van Joeri Pruys in Het Parool, 22 september 2026.
Filmmaker Joeri Pruys verwijt in een opinie-artikel in Het Parool van 22 september 2026 met grote woorden het Stedelijk Museum Amsterdam lafheid omdat het volgens directeur Rein Wolfs een neutraal platform wil zijn. Pruys meent ook dat het Stedelijk Museum de genocide in Gaza impliciet zou goedkeuren.
Pruys vindt dat het museum niet neutraal kan zijn. Hij spitst dat toe op de uitblijvende steun van het Stedelijk Museum voor de Culturele Boycot Israël die gaat over ‘medeplichtigheid van Israëlische instellingen en bedrijven aan de mensenrechtenschendingen jegens de Palestijnen‘. Een initiatief van leden van de Nederlandse en Belgische cultuursector.
Pruys’ documentaire Final Cut (2026) over politieke zelfcensuur in de Nederlandse culturele sector gaat op zondag 27 september 2026 in première op het Nederlands Film Festival. Het opinie-artikel kan als publicitair voorproefje daarop beschouwd worden.
Ik ben het niet eens met Pruys, maar evenmin met Rein Wolfs. Ik ben het eens met Joeri Pruys als hij zegt dat een museum niet niet-neutraal kan zijn, maar oneens met hem als hij beweert dat een museum niet apolitiek, dus politiek moet zijn. Dat is ook de teneur van een verslag in metropolis m van januari 2025 over een bijeenkomst in het Stedelijk Museum in november 2024 over ‘het (a)politieke museum’ waar Pruys in zijn opinie naar verwijst.
Pruys mist de nuance dat een culturele instelling tegelijk niet-neutraal is omdat het opereert in een politiek en maatschappelijk machtenveld en daar noodgedwongen positie in inneemt, maar toch apolitiek kan zijn.
Dan moet die laatste term niet absoluut, maar praktisch opgevat worden als kiezen voor onpartijdigheid. Er zit ruimte tussen een apolitieke en onpartijdige opstelling. Ofwel, niet expliciet kiezen voor of tegen een land, solidariteitsbeweging of politieke partij (Oekraïne, Black Lives Matter, Israël, Free Palestine, PRO of VVD) is een politieke én onpartijdige opstelling. Pruys verwijst naar het eerste (apolitiek) en Wolfs naar het laatste (onpartijdig).
Het standpunt van het Stedelijk Museum komt neer op de bedenking hoe een museum dat een politiek standpunt inneemt tegelijkertijd kan dienen als platform voor meerdere perspectieven. Een politiek standpunt voor het een sluit standpunten voor het ander uit.
Dat standpunt van het Stedelijk Museum onder directeur Wolfs kan niet los worden gezien van de kritiek in kunstkringen op hem en het Stedelijk Museum die ontstond na de publiciteit rond de documentaire ‘White Balls on Walls‘ (2022) van Sarah Vos. Die kwam erop neer dat Wolfs een zekere onhandigheid en verkramptheid verweten werd in het inclusiever en diverser maken van het museum. Een bijkomend punt van kritiek was dat dit een oppervlakkige verandering was omdat het museum in de kern wit bleef.
De reactie lijkt te zijn ingegeven door het feit dat het Stedelijk Museum zelf geen onderwerp van controverse wil zijn en kiest voor onpartijdigheid en daarom uit principe geen solidariteitsverklaringen meer ondersteunt. Een nieuwe ICOM-definitie geeft Wolfs daartoe een handvat. Men kan het daar mee oneens zijn, maar het is onterecht van Pruys om het Stedelijk Museum lafheid te verwijten.
Pruys rekt zijn persoonlijk idee van politiek ver op als hij zegt: ‘Door de politieke dimensie van hun inhoudelijke keuzes te ontkennen, ontkennen kunstinstellingen hun rol om progressieve ideeën te agenderen en pal te staan voor democratie en menselijke waardigheid.’
Het is niet de rol van kunstinstellingen om ‘progressieve ideeën te agenderen‘. Pruys die Wolfs en het Stedelijk Museum de pretentie van neutraliteit en apoliticiteit verwijt maakt zich als objectief analist ongeloofwaardig door vanuit een politiek en niet-neutraal standpunt te redeneren. Pruys haalt partijpolitiek, humanisme en maatschappelijke betrokkenheid door elkaar.
Pruys slaat mede de plank mis omdat hij de discussie in de internationale museumsector niet meeneemt in zijn opinie. Wat Wolfs na de episode met ‘White Balls‘ zegt is in lijn met de definitie van de ICOM uit 2022/2023 van wat een museum is en waar hij blijkbaar een nieuwe ankerpunt dat rust biedt in lijkt te hebben gevonden dat het beste weerwoord geeft op Pruys’ opinie. Betrokkenheid bij de samenleving is mogelijk zonder solidariteitsverklaringen te tekenen:
“Een museum is een permanente instelling zonder winstoogmerk, in dienst van de samenleving, gericht op het onderzoeken, verzamelen, bewaren, interpreteren en tentoonstellen van materieel en immaterieel erfgoed. Musea zijn openbaar, toegankelijk en inclusief en bevorderen diversiteit en duurzaamheid. Ze werken en communiceren ethisch, professioneel en met participatie van gemeenschappen. Musea bieden een verscheidenheid aan ervaringen met het oog op educatie, genoegen, reflectie en kennisuitwisseling.“
Schermafbeelding van deel persbericht ‘AIVD en NCTV: rechts-extremisten proberen gedachtegoed te normaliseren‘ van NCTV; Ministerie van Justitie en Veiligheid, 22 september 2026.
Op 22 september 2026 waarschuwden de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) in een persbericht voor het rechts-extremisme dat zich ‘zachter‘ voordoet dan het is.
Zeg maar, een rechts-extremistische vorm van veinzen en ontkennen van de eigen ware aard om voet aan de grond te krijgen bij mensen die niet tot de harde kern van rechts-extremisten behoort. Die mensen worden nu via de publiciteit gewaarschuwd.
Een zinsnede in het persbericht maakt duidelijk wat AIVD en NCTV met hun publicatie over het rechts-extremisme beogen: ‘Met deze publicatie willen ze de kennis en het bewustzijn hierover vergroten, zodat organisaties, instituties en de samenleving hun weerbaarheid hiertegen kunnen versterken.’
Overheden en politieke partijen worden niet genoemd. Die worden op een andere, vertrouwelijke manier geïnformeerd. Het gevolg is dat AIVD en NCTV in de informatievoorziening voor het brede publiek blijven steken in algemeenheden en clichés. Open deuren worden opengegooid. Onbedoeld neveneffect is dat dit ten onrechte een beeld geeft van twee inlichtingendiensten die weinig concreet zijn en praten in vaagheden.
Wie in het op 21 september 2026 door AIVD en NCTV gepubliceerde analyserapport ‘Achter de façade; Strategische normalisering vanuit de rechts-extremistische beweging‘ dat voorafging aan het persbericht zoekt op partijen als FVD of PVV of een beweging als ‘Defend‘ vindt niks. Het rapport zet op een rijtje wat iedereen met zorgen over het opkomend rechts-extremisme al weet.
De AIVD en NCTV zijn diensten die internationaal hun sporen hebben verdiend. Ze zijn meer dan dit rapport laat zien. De titel ‘Achter de façade‘ wordt er dubbelzinnig door. De diensten kunnen in een rapport voor het brede publiek niet het uiterste van hun tong laten zien.
Bijvoorbeeld hoe ze Nederlandse rechts-extremistische bewegingen en politieke partij (FVD) in de gaten houden en verstoren. Dit tweesporenbeleid van niet-vertrouwelijke en vertrouwelijke informatie die door elkaar heen lopen kan verwarrend overkomen voor wie het verschil niet ziet tussen wat de diensten publiekelijk wel of niet kunnen zeggen. Het heeft het risico dat mensen die bewust gemaakt moeten worden door AIVD en NCTV schouderophalend zeggen ‘is dit alles waar ze mee komen?‘
Wie een tastbare en doelmatige beschrijving van de aanpak van het rechts-extremisme zoekt komt in dit rapport van een koude kermis thuis. Het is een beschouwing. Dat zou opgevat kunnen worden als machteloosheid als men niet zou begrijpen dat de diensten achter hun façade concreet bezig zijn met de aanpak van het rechts-extremisme. Maar hoe doen ze dat? Dat is de achterliggende vraag die als schaduw over persbericht en rapport ligt.
Vraag is hoe goed en doelmatig beide diensten de rechts-extremisten infiltreren en verstoren. Wie de gewelddadige rellen ziet van rechts-extremisten op het Haagse Malieveld, een politie die kampt met organisatie- en capaciteitsproblemen en een onmachtig kabinet dat vooral ruzie met zichzelf maakt, vraagt zich af hoe concreet de bestrijding van het rechts-extremisme in Nederland op dit moment is. We weten het niet en het rapport maakt dat niet duidelijk. Maar nogmaals, dat is er ook niet de bedoeling van.
Schermafbeelding deel verklaring ‘Nieuw handelingskader externe bijeenkomsten met religieus karakter‘ van de politie, 21 september 2026.
In Nederland waar een minderheid van zo’n 42% van de bevolking (2025) verklaart een godsdienst te belijden is elke godsdienst een minderheidsreligie. We moeten voorzichtig zijn met het vermengen van religieuze symbolen (ook als dat een culturele component heeft) met de symbolen van de staat. Het dreigt de eenheid van de neutrale staat aan te tasten.
Daarom is het goed dat de politie in een verklaring van 21 september 2026 het volgende laat weten: ‘Per 1 januari 2027 geldt bij de politie een nieuw handelingskader voor externe bijeenkomsten met een religieus karakter. Hierin staat dat wij blijven deelnemen aan bijeenkomsten waarin religieuze activiteiten en handelingen worden verricht, maar dat wij stoppen met het zelf organiseren ervan.’
In de verklaring motiveert korpschef Janny Knol dit besluit: ‘Als we zelf bijeenkomsten organiseren met een religieus karakter, dan kunnen geloofsovertuigingen worden opgevat als de onze en dat verhoudt zich niet tot onze neutrale positie. Daarom hebben we ervoor gekozen daar vanaf volgend jaar mee te stoppen.’
Dat is een zeer laat inzicht. Omarming van een heilig boek of godsdienst kan nooit de overkoepeling zijn, de rechtsstaat wel. Daarmee neemt de overheid stelling en wordt het van onafhankelijke scheidsrechter van religies en levensovertuigingen dat het volgens de wet moet zijn tot actieve deelnemer die partij kiest. Dat laatste is ongewenst.
Opvallend is dat de verklaring in kop en tekst het heeft over ‘externe bijeenkomsten met religieus karakter‘ en het niet over soortgelijke bijeenkomsten die georganiseerd worden vanuit een levensovertuiging zoals humanistische samenkomsten, filosofische cafés of ecologische en spiritueel-seculiere bijeenkomsten.
Als dat betekent dat de politie tot nu toe nooit bijeenkomsten vanuit een levensovertuiging organiseerde – en dat is waarschijnlijk zo omdat ze in de verklaring niet genoemd worden – terwijl daar de meerderheid van de Nederlanders ‘te vinden is’, maakt dat het oude handelingskader van de politie er extra onbegrijpelijk en onevenwichtig op.
Het lijkt er sterk op alsof de leiding van de nationale politie tot nu toe niet wist wat de demografische samenstelling van Nederland was óf geen weerstand kom bieden aan politiemensen de afgelopen jaren dit soort bijeenkomsten organiseerden en daar niet mee wilden stoppen. De verklaring hint op dat laatste als het zegt dat het ‘geen eenvoudige opgave‘ was om tot een nieuw handelingskader over die religieuze bijeenkomsten te komen.
Zonder dat de verklaring van de politie daar naar verwijst is het nieuwe handelingskader opnieuw een streep door het idee van compenserende neutraliteit. Toenmalig burgemeester Job Cohen had in Amsterdam samen met Ahmed Marcouch een strategie ontwikkeld die compenserende neutraliteit werd genoemd. Dat was van 2008 tot 2012 officieel beleid.
Het doel daarvan was het versterken van de sociale cohesie en het tegengaan van radicalisering. Een en ander spitste zich toe in de islamitische organisaties omdat daar de radicalisering het grootst was en de sociale cohesie het meest problematisch. Het werkte echter niet. Burgemeester Eberhard van der Laan probeerde dat beleid van de compenserende neutraliteit vanaf zijn aantreden in 2010 te beëindigen.
De organisatie van externe religieuze bijeenkomsten door de politie waar de korpschef nu een streep door zet kan gezien worden als een late oprisping zo’n 15 jaar na dato van het idee van compenserende neutraliteit van Cohen en Marcouch. Positief is dat de politie vanaf nu gaat voor echte neutraliteit en niet langer voor dat vage begrip compenserende neutraliteit dat het tegendeel was van wat het pretendeerde te zijn. Beter laat dan nooit.
Hoe kort is het historische geheugen van de journalistiek? In de Duitse deelstaat Mecklenburg-Voorpommeren zijn vandaag verkiezingen en lijkt de strijd te gaan tussen de rechts-extremistische AfD en de sociaal-democratische SPD.
Die laatste partij wordt aangevoerd door premier Manuela Schwesig. Ze speelde een controversiële rol bij de aanleg van en lobby voor de omstreden gaspijplijn Nord Stream II die Russisch gas naar Europa bracht. En de energieafhankelijkheid van Russisch gas en de toenmalige Russische energiereus Gazprom ondanks waarschuwingen onaanvaardbaar groot maakte. Europa maakte zich met de aanleg chantabel voor Russische chicanes.
Schwesig handelde in tegen de brede oppositie van vooral Oost-Europese landen en de VS die de Nord Stream pijpleidingen een onaanvaardbaar strategisch geopolitiek risico vonden. Maar Schwesig, toenmalig kanselier Angela Merkel en het Duitse bedrijfsleven noemden het een economisch project.
De critici kregen in 2022 gelijk. Schwesig moest diep door het stof en toegeven dat ze met haar pro-Russische en anti-Amerikaanse houding naïef was geweest en de Russen jarenlang in de kaart had gespeeld. Haar toenmalige pro-Russische opstelling heeft als electoraal neveneffect dat ze in de campagne niet als Rusland-hater afgebeeld kon worden.
Schwesig uitte zich in de oprichting van een zogenaamde klimaatstichting die bedoeld was om Amerikaanse sancties bij de aanleg te omzeilen. De pro-Russische houding van Schwesig bleef haar ook na 2022 achtervolgen. Men zou ook kunnen zeggen haar opportunisme.
Moet zo iemand met zo’n belast verleden Duitsland redden van de AfD? Dat is kiezen tussen Mussert en Moskou. Bij winst van de SPD in Mecklenburg-Voorpommeren menen media zelfs dat ze voor haar partij kandidaat voor het kanselierschap kan zijn. Duitsland heeft zich in een onmogelijke positie gemanoeuvreerd. Hoe kan het zich daar uit redden?
In februari 2021 schreef ik naar aanleiding van de aanleg van Nord Stream II die ik ongewenst achtte in het commentaar ‘Duitsland staat niet zozeer op gespannen voet met Nord Stream II of de Russische Federatie, maar met zichzelf’: ‘The conclusion of the Nord Stream II fuss is not that it is about Germany’s relationship with the Russian Federation, but essentially about Germany’s self-image. That is seriously distorted and clouded. Even 75 years after the war, German politics has not yet properly processed that war. Or as said, and what is even more false and poignant, it has processed that war, but deliberately misinterprets it for opportunistic reasons.’
Na 2022 is de Duitse politiek als een van de laatste landen in Europa tot het inzicht gekomen dat het Kremlin niet te vertrouwen valt. Dat idee leefde alleen bij de Grünen die om geopolitieke en ecologisch redenen tegen de Nord Stream pijpleidingen waren. Die in september 2022 door sabotage werden opgeblazen en sindsdien niet meer in gebruik zijn.
Duitsland steunt Oekraïne massaal in de strijd tegen de Russische invallers. Maar vragen blijven bij Duitse politici als Manuela Schwesig hoe diep haar overtuiging is. Gaat het hier om een veranderd inzicht over de ware bedoelingen van de Russische Federatie of is het politieke marketing om een nieuwe start in haar carrière te maken? Die vraag die door haar politieke opponenten wordt opgeroepen blijft kleven aan Schwesig. Hoewel zij een tweede kans gegund moet worden om haar verleden van zich af te schudden.
Het is gewenst dat de journalistiek niet aan hosanna-verering van Schwesig doet omdat zij de extremistische AfD een halt toe kan roepen, maar objectief haar pro-Russische houding in het recente verleden belicht die paradoxaal genoeg weinig verschilt van wat de AfD nu zegt, en haar duistere kanten niet onder het tapijt veegt.
Lisa Chickering (rechts) en Jeanne Porterfield (links) die onder meer de reisfilm ‘Caribbean Dutch Treat‘ (1963) maakten waar ik naar verwees in het commentaar ‘Pleidooi voor samenwerking tussen OCW, EYE Filmmuseum, universiteiten en publieke omroep om waardevol visueel cultureel erfgoed te ontsluiten en binnen bereik van Nederlands publiek te brengen‘.
Het wetsvoorstel voor de nieuwe omroepwet staat open voor reacties. Tot 23 oktober 2026 kan iedereen reageren in een internetconsultatie over het nieuwe wetsvoorstel ‘Wet hervorming landelijke publieke omroep‘. Omdat reacties langer dan 2500 tekens niet toegestaan zijn, heb ik twee reacties gestuurd vanuit twee verschillende e-mail accounts.
Hieronder mijn reactie die voornamelijk gebaseerd is op mijn commentaar ‘Pleidooi voor samenwerking tussen OCW, EYE Filmmuseum, universiteiten en publieke omroep om waardevol visueel cultureel erfgoed te ontsluiten en binnen bereik van Nederlands publiek te brengen’ van 12 november 2021.
In de laatste twee alinea’s heb ik het verbreed naar de beeldende kunst. De debilisering of veronachtzaming van de kijker door de publieke omroep laat ik onbenoemd, maar kan tussen de regels door in mijn reactie gelezen worden. De publieke omroep verricht in mijn ogen een wanprestatie wat programmering van kunst en visueel erfgoed betreft:
‘Film is ook cultureel erfgoed. Dat wordt door de Nederlandse publieke omroep niet beseft. Of in elk geval niet voldoende genoeg om in actie te komen en buiten vaste, gebruikelijke denkkaders te gaan. Dat moet anders en kan beter.
Het is merkwaardig dat er geen enkele publieke omroep is die een rubriek of kanaal heeft of om voor Nederland en een Nederlands publiek waardevolle films en televisieproducties te ontsluiten en uit te zenden. Cultureel erfgoed dus. Ook de NTR, VPRO en HUMAN doen dit niet, hebben dit gedaan of hebben de ambitie dit te gaan doen.
Het is ook geen makkelijke taak in verband met rechten, verdwenen of moeilijk te vinden films en vaak het ontbreken van kwalitatief goede producties. Maar het is ook uitdaging om die op te sporen. Het schrijnende is dat het door de Nederlandse publieke omroep niet eens wordt geprobeerd. De ambitie ontbreekt.
Zo laat de Nederlandse publieke omroep zich kennen als een organisatie zonder historisch geheugen en zonder wil om het publiek in aanraking te brengen met voor Nederlanders belangrijk filmerfgoed. Dat werkt door in een publiek dat onvoldoende op de hoogte wordt gehouden van het visuele culturele erfgoed van Nederland. Dat kunnen Nederlandse producties zijn of internationale producties over een Nederlands onderwerp. Maar ook algemene cinematografische producties die horen bij een Nederlandse publieke omroep die Bildung en beschaving belangrijk vindt.
Het lijkt niet dat de kennis ontbreekt. Bij Eye Filmmuseum en studierichtingen Filmerfgoed en digitale filmcultuur, Film- en televisiewetenschap/Media, Art and Performance Studies of Art and Visual Culture bij respectievelijk universiteiten in Amsterdam, Utrecht en Nijmegen is voldoende expertise aanwezig.
Dat er op dit gebied niets van de grond komt, komt omdat er geen samenwerking is en de opzet er niet op gericht is om voor Nederlanders waardevol filmerfgoed voor een breed publiek te ontsluiten. Waar het aan ontbreekt is coördinatie en een coördinator of intendant die de kar trekt.
Waar het aan ontbreekt is een programma waarin publieke omroep, Eye Filmmuseum en universiteiten met faculteiten die gericht zijn op of raken aan filmerfgoed samenwerken met als doel om gezamenlijk het voor Nederlanders belangrijke visuele culturele erfgoed te ontsluiten en binnen het bereik van een breed publiek te brengen. Het ministerie van OCW zou het voortouw moeten nemen en genoemde betrokkenen bij elkaar moeten roepen.
Omdat internationale zoektochten naar belangrijk visueel cultureel erfgoed lastig zijn en archieven niet altijd Engelstalig zijn zou er samenwerking gezocht kunnen worden met Russische, Chinese, Japanse of andere taal- en cultuurstudies aan Nederlandse universiteiten. Deze taalstudenten zouden in het kader van een stage inventariserend voorwerk kunnen verrichten door systematisch internationale digitale collecties door te pluizen.
Wat hierboven over film of filmerfgoed wordt gezegd geldt ook voor beeldende kunst. Er is geen overkoepelend programma binnen de Nederlandse publieke omroep – en in de nieuwe wet die nog minder ambitie heeft dan voorheen – dat de urgentie en de ambitie heeft om een Nederlands publiek op niveau, continu en in samenwerking met partners in het veld te informeren.
Dat is beschamend voor wie de culturele programmering van publieke omroepen als ARTE, ZDF, VRT en BBC ziet die deze ambitie en urgentie wel hebben, en in de praktijk waarmaken. Nederland kan wat omliggende landen ook kunnen. De omroeppraktijk van de laatste jaren leert dat een nieuwe omroepwet een en ander verplichtend moet omschrijven. Want zelfregulering van omroepen werkt niet omdat het niet tot het gewenste doel leidt.’
Schermafbeelding van paginagrote advertentie van Joop van den Ende in diverse kranten op 18 september 2026.
Omdat ik geen kranten meer lees en het nieuws over de Troonrede en de algemene politieke beschouwingen niet meer kan verteren door de stilstand en het gekissebis van de politieke lichtgewichten in de Tweede Kamer had ik de advertentie van Joop van den Ende gemist die hij vandaag in meerdere kranten plaatste.
Van den Ende merkt op dat er in de Troonrede geen woord staat over kunst en cultuur. Bijzonder is dat niet, want kunst en cultuur worden er zelden in genoemd. Daarom is de advertentie even opvallend als het feit dat de woorden kunst en cultuur normaliter de Troonrede niet halen.
De Nederlandse politiek vindt kunst nu eenmaal onbelangrijk en het negeren waard. Het is goed dat Van den Ende tegen de stroom ingaat. Hoewel het niks zal veranderen aan politiek en cultuurpolitiek.
Voor bijna alle politieke partijen zijn economie, geld, budget en koopkrachtplaatjes de hoofdzaak. Daar draaien de debatten over. Immateriële aspecten als natuur, kunst, democratische waarden of grondrechten komen af en toe aan bod, maar blijven bijzaak.
De VVD voert in de media een permanente campagne om de coalitiepartners en dan vooral D66 te ondermijnen. Dat is een campagne die door de partijtop van de VVD is opgezet en wordt goedgekeurd.
D66 waar nog een verouderd idee aan kleeft dat het opkomt voor kunst, natuur en rechtsstaat wordt door de advertentie het meest aangesproken. Dát kan niet de bedoeling van Van den Ende zijn. Wat beoogt hij met de advertentie die suggereert dat de coalitiepartijen inwisselbaar zijn en op één lijn zitten?
Er bestaat nog veel onzekerheid over de acties op Prinsjesdag op het spoor. Hoewel berichten van boerengroepen op sociale media wijzen naar radicale boeren als dader is dat nog niet voor 100% zeker.
Hoewel onduidelijk is wie anders verantwoordelijk zou zijn voor de gecoördineerde actie op meer dan 30 plekken in voornamelijk Oost-Nederland waar buizen op het spoor werden gelast of gelegd. Klimaatactivisten of een door het Kremlin aangestuurde campagne is onwaarschijnlijk. Onderzoek zal dat definitief uit moeten wijzen.
Het is meer dan een semantische kwestie hoe een en ander genoemd moet worden. Het gaat er ook om hoe de politiek moet reageren en welke middelen het bereid is om in te zetten.
Voormalig leider van de PvdA Attje Kuiken meent in het fragment van WNL dat het om terreur gaat. Nederlandse media praatten op Prinsjesdag over sabotage. Een definitie daarvan is: ‘het opzettelijk beschadigen, verstoren of ondermijnen van iets, meestal in het geheim, om een doel of proces te dwarsbomen’.
Het verschil tussen sabotage en terreur is dat dat laatste een element heeft dat sabotage mist. Namelijk ‘zware intimidatie om mensen diep bang te maken en zo politieke, religieuze of maatschappelijke doelen te bereiken’.
Zijn mensen ‘diep bang’ geworden door de acties op het spoor op Prinsjesdag? Daar lijkt het niet op. Ze zijn er vooral chagrijnig en verontwaardigd over dat de treinenloop redelijk eenvoudig verstoord kon worden en het spoor blijkbaar slecht beveiligd is.
Als inderdaad radicale boeren verantwoordelijk zijn voor de sabotage waar aanwijzingen voor zijn, dan valt niet in te zien dat ze ermee hun doelen bereiken. Namelijk bijstelling van het stikstof- en natuurbeleid in hun voordeel.
Er bestaat min of meer politieke consensus over dat het stikstofbeleid, dat mede door de BBB werd vertraagd, nu aangepakt moet worden om Nederland van het stikstofslot te houden. Links wijst op de schade voor de natuur en rechts naar de economie die daaronder lijdt. Ook gematigde boerenbonden beseffen dat er iets moet veranderen om de bouw en de infrastructurele projecten weer van de grond te tillen.
Het is vooral een sociaal probleem. Vooral melkveeboeren zijn in de val gelopen van de banken en de agro-industrie die profiteren van intensieve landbouw waartoe de boeren gedwongen zijn. De oplossing kan niet komen van wanhoopsdaden als sabotage, maar van een goed sociaal plan.
Zoals eerder de mijnbouw, textielindustrie en scheepsbouw om economische redenen zo goed als verdwenen uit Nederland, zo wacht nu de agrarische sector zo’n soort hervorming die betrokkenen uiteraard koud op het dak valt.
De logica ontbreekt om het kleine Nederland een van de meest exporterende landbouwlanden ter wereld te laten zijn. Grond is te schaars geworden. Omdat de Nederlandse landbouw zo’n 70% van de productie exporteert, kan het volume makkelijk met de helft teruggebracht worden zonder dat de voedselveiligheid van Nederland in gevaar komt. Dat is een moeilijke, maar onvermijdelijke keuze. En zoals gezegd, sanering moeten samengaan met een goed sociaal plan voor de boeren die hun bedrijf moeten stopzetten of inkrimpen.