Antwoord op opinie ‘Het traditionele museum is niet meer van deze tijd’ van Karima Aissaoui

Schermafbeelding van deel opinie ‘Het traditionele museum is niet meer van deze tijd‘ van Karima Aissaoui op Unesco; Nederlandse Commissie, 2 oktober 2026.

Prikkelende opinie van Karima Aissaoui op de site van de Nederlandse Commissie van Unesco. Ze meent dat traditionele musea niet meer van deze tijd zijn en vraagt zich af of ze niet achterhaald zijn. Hoe moeten musea volgens haar veranderen?

Het lijkt erop dat haar analyse van wat er mis is met traditionele musea niet samengaat met een concreet behandelplan. Daarom blijft het een onbepaald betoog dat vooral duidt wat het is, maar niet wat het kan zijn. Daarnaast trekt Aissaoui musea naar een domein waarover betwijfeld kan worden of dat doelmatig is.

Ik ben het met haar eens dat musea moeten meeveranderen met de samenleving. Musea zijn vaak bastions van conservatisme die al tastend uitstapjes naar de politieke mode van de dag maken. Zoals identiteitspolitiek dat uitgaat van de aspecten inclusie en diversiteit. Aissaoui’s opinie zet juist daar op in, maar zegt tegelijk dat ook het museummodel zelf op de schop moet.

De paradox van haar opinie is dat Aissaoui terecht zoekt naar een structurele verandering van musea die volgens haar nodig is, maar dat beredeneert vanuit een hedendaags door politieke standpunten bepaald discours. Wellicht geldt dat voor alle tijden. Dat kan een auteur alleen ondervangen door de eigen opinie en tijd waarin de opinie geschreven wordt te relativeren. Dat aspect ontbreekt en maakt haar opinie loodzwaar.

Ze verwijst naar een boek van Mike Murawski en de museumdefinitie van ICOM: ‘Deze transformatieve functie kunnen musea invullen als ze samen met lokale bewoners werken aan actuele problemen rond bijvoorbeeld armoede, onderwijs en klimaatverandering.’ In de museumdefinitie van ICOM staat dat musea een actieve en maatschappelijke rol moeten spelen, maar er staat nergens dat ze met participatie van gemeenschappen moeten werken aan armoede of klimaatverandering.

Transformatie is het toverwoord dat de auteur gebruikt zonder uit te leggen wat de grenzen en beperkingen eraan zijn. Dit geeft aan dat ze nog zoekend is en nog niet tot een sluitend oordeel komt.

Dat is geen blamage voor een verkennende opinie, maar wel voor een opinie die stellig meent dat het museummodel achterhaald is: ‘Transformatie vraagt namelijk niet alleen om een ander museum, maar ook om een systeem dat zo’n museum ruimte biedt voor groei‘ zo concludeert Aissaou. Het lijkt alsof ze hier niet zozeer over de transformatie van musea praat, maar over de transformatie van de samenleving.

In haar opinie legt Aissaoui het accent op verandering, diversiteit en representativiteit van musea. Hoewel ze dat koppelt aan het museummodel en het ‘systeem dat zo’n museum ruimte biedt‘ dat er een overstijgende verantwoording aan moet geven, is het een hedendaags politiek verhaal over diversiteit en identiteit. Terwijl traditionele musea door hun aard zich juist aan de actualiteit onttrekken.

Het beschrijven van de spanning tussen traditie en vernieuwing die ook in de museumdefinitie van ICOM terug te vinden is had haar opinie interessanter en opener gemaakt.

Wat ontbreekt in haar opinie is het besef van de tijdloze functie van musea als (kunst)historisch geheugen door opslag en collectionering. Traditionele museale functies als verzamelen, registreren, documenteren worden door haar slechts aangestipt. De publieksfunctie van een museum en het voldoen aan de publieksbehoeften maakt Aissaoui leidend en daar baseert ze vervolgens haar betoog op.

Een museum is meer dan dat. De museumpraktijk lijkt Aissaoui ondergeschikt te maken aan haar perspectief. Het is alsof ze een kunsthal of presentatieplek verwart met een museum. Haar opinie klopt als men de definitie van wat een museum is ver oprekt. Of men het dan nog over musea heeft is de vraag.

Typerend is dat wat ze schetst als het juiste profiel voor het museum van de toekomst als zogenaamde ‘third place‘. Ofwel een sociale ontmoetingsplek buiten je huis en je werk of school. Het valt te betwijfelen of musea daar de aangewezen plek voor zijn.

Sociale ontmoetingsplekken zijn al verder ontwikkeld dan musea. Namelijk buurthuizen, sportclubs, religieuze instellingen en openbare bibliotheken. Vooral openbare bibliotheken zijn laagdrempelige plekken voor ontmoeting, reflectie en verbeelding die de neutraliteit hebben die traditionele (kunst)musea missen. Een museum moet van ver komen én sleept per definitie de bagage van de geschiedenis en de museale functies met zich mee die er onlosmakelijk mee verbonden zijn.

Elke onderbouwde opinie over de verandering en vermaatschappelijking van traditionele musea is welkom. Dat kan eraan meehelpen om ze bij de tijd te brengen. Maar musea opzadelen met een nieuwe opdracht zoals Karima Aissaoui doet en het idee verbreiden dat het samengaat met de transformatie van de samenleving werkt eerder verwarrend dan verhelderend.

NB: Wat opvalt aan de eindredactie van de opinie is de plaatsing van een foto van wat een brand in een portiekwoning Den Haag in 2025 tijdens opladen van een fatbike is. Dat wordt uitgelegd als ‘Foto van een brand, gebruikt bij een campagne voor het Museum of the Future. (Foto: Nas Hosen)‘. Waarom de keuze voor deze foto die associaties oproept met verwoesting en gevaar? Het lijkt erop dat de plaatsing van een foto van een brand waar de duiding van ontbreekt een opinie over de transformatie van traditionele musea bewust een bredere subtekst geeft. Moet volgens de auteur de fik in de traditionele musea?

Er waait een rechtse, christelijke wind door Oldebroek. Tom de Nooijer heeft zijn zin: regenboogvlag wordt verbannen en diversiteitsbeleid ingetrokken

Bericht ‘Een nieuwe koers: Onder de Nederlandse en Oldebroekse vlag is plaats voor iedereen‘ van CVO, 2 oktober 2026.

Je hebt het ver gebracht als je te rechts voor de SGP bent. De SGP die in zo’n 60 tot 65% in de Tweede Kamer hetzelfde stemt als Wilders’ PVV. Tom de Nooijer uit Oldebroek verliet in november 2021 de fractie van de SGP omdat hij niet meer op de kieslijst werd gezet. In juni 2023 zegde hij zijn lidmaatschap op de SGP op.

Hem werd gezegd dat zijn optredens bij omroepen als Blckbx en Ongehoord Nederland de partij schade toebrachten. Minister Rianne Letschert is een procedure gestart om de licentie van Ongehoord Nederland in te trekken

Sinds juli 2026 is De Nooijer wethouder in Oldebroek en vormt met zijn partij CVO (Christelijk Verbond Oldebroek) een coalitie met ABO (Algemeen Belang Oldebroek) en … de SGP.

Hij kwam onlangs in het nieuws omdat hij zich tijdens een reis in het door de Russische Federatie bezette Transnistrië dat een deel van Moldavië is had laten fotograferen met een kalasjnikov in de hand terwijl hij poseerde voor de vlag van deze internationaal niet-erkende regio. Achteraf bood hij hiervoor zijn excuses aan.

Tom de Nooijer (rechts), wethouder in de gemeente Oldebroek, met Marlon U. Credits: de Volkskrant.

Behalve christelijk en knetterrechts is De Nooijer blijkbaar pro-Kremlin.

De laatste prestatie van deze ultrarechtse, christelijke rebel is dat zijn partij in de raad van Oldebroek een voorstel heeft ingediend om ‘het huidige LHBTIQ+-beleid in te trekken en de regenboogvlag niet langer te hijsen‘ aldus een bericht van 2 oktober 2026 van CVO. Dat voorstel is aangenomen. De oppositie stemde tegen. Het besluit vloeit voort uit het bestuursakkoord dat CVO, SGP en ABO sloten.

Interessant is de motivatie in genoemd bericht. Wat was de reden om het LHBTIQ+-beleid in te trekken en de regenboogvlag te verbannen?

Het bericht zegt: ‘Voor CVO is het uitgangspunt helder: iedere inwoner van onze gemeente doet ertoe. Iedereen moet zich veilig weten, iedereen moet mee kunnen doen en iedereen moet bij de gemeente terechtkunnen met zorgen of problemen. Uitsluiting en geweld moeten we altijd serieus nemen en aanpakken.

Maar daarvoor is wat ons betreft geen apart beleid voor één specifieke doelgroep nodig en hoeven we ook niet voor afzonderlijke groepen een vlag te hijsen.‘

Je zou daar cynisch op kunnen antwoorden dat Tom de Nooijer liever de vlag van Transnistrië hijst. Je zou ook kunnen zeggen als er geen apart beleid voor één specifieke doelgroep nodig is hoe dat te rijmen valt met de protestant-christelijke grondslag van de CVO die de partij benadrukt?

Indirect wordt zo de traditionele, christelijke cultuur van de gemeente als norm gehanteerd en verdedigd. CVO kiest dus wel degelijk voor apart beleid voor één specifieke doelgroep, te weten de traditioneel-conservatieve christelijke inwoners. Daar helpen geen omhullende, abstracte woorden over veiligheid en uitsluiting aan. De regenboogvlag is het tegenovergestelde van uitsluiting en haat, maar zo ziet Tom de Nooijer het niet.

Behalve christelijk, knetterrechts en pro-Kremlin is De Nooijer een Orwelliaanse taalgebruiker die uitsluiting verkoopt als insluiting, onveiligheid als veiligheid, en pro-christelijk als universeel. Je kunt je alleen maar afvragen waarom anderen met hem samen willen werken. De wonderen zijn Oldebroek nog niet uit.

Zoektocht naar de kleine belegger en spaarder

Quinten Massys, Belastinginners, laat 1520, olieverf op paneel, 86 x 71 cm. Liechtenstein Collection, Vaduz/ Wenen.

Uit de verslaggeving over de belastingmaatregelen in box 3 wordt steeds gesproken over de kleine belegger en spaarder. Media maken niet duidelijk wat een kleine belegger en spaarder is. Met welk vermogen is iemand een kleine spaarder en belegger? Dat kunnen ze ook niet omdat de coalitiepartijen daar geen duidelijkheid over geven.

Daarom heeft het nieuws over de kleine spaarder en belegger een onwerkelijk aspect. De term roept vertedering op. Kijk eens hoe gering, nietig of schamel de kleine belegger en spaarder is.

Het suggereert een tegenstelling tot de grote belegger die middelen heeft om mensen in te huren om belasting te ontwijken. Dat is het dilemma. De kleine spaarder en belegger kan de belasting die de overheid oplegt niet of nauwelijks ontwijken, de grote belegger wel. Dat maakt de overheid aan de hand van de eigen algoritmes duidelijk waar het inkomsten kan halen: bij de kleine belegger en spaarder.

Het is een beleid in ontwikkeling waar niks concreet over medegedeeld wordt. De journalistiek kan er weinig mee, maar moet er wel verslag van doen omdat iedereen er iets van vindt. Het blijkt een abstractie, die kleine spaarder en belegger.

In 2019 legde toenmalig fractievoorzitter van D66 en nu premier Rob Jetten in de Kerdijklezing over sociale veiligheid de grens bij een vermogen van 1 miljoen euro: ‘Daarom ben ik voorstander van een progressieve vermogensbelasting. Waarbij we grote vermogens boven de 1 miljoen zwaarder belasten. Zodat we kleine spaarders meer kunnen ontzien.’

Jetten zei kleine spaarders te willen ontzien en legde daarom de grens bij 1 miljoen euro. Door inflatie is dat bedrag inmiddels opgelopen tot 1,3 miljoen euro. Dat lijkt een tamelijk lage grens.

Het is onduidelijk of Jetten en D66 de grens nog steeds leggen bij 1,3 miljoen euro. Mensen met minder vermogen kunnen dan een kleine spaarder en belegger genoemd worden.

Naar aanleiding van de Kerkdijklezing 2019 van Rob Jetten vergeleek ik toen wat hij voorstelde met de voorstellen van de Franse econoom Thomas Piketty. Mijn conclusie was dat de linkse Piketty de middeninkomens minder belast dan wat de liberale Jetten voorstelde. Piketty legt de grens hoger: bij 5 miljoen euro. De ‘progressieve vermogensbelasting‘ van Jetten was toentertijd dus minder progressief dan die van Piketty. Of gewoon slecht doordacht?

Als Jetten nog min of meer op hetzelfde spoor zit als in 2019 liggen hier kansen voor PRO en oppositieleider Jesse Klaver om het sterker op te nemen voor de middeninkomens dan D66 en VVD. Klaver haalde Piketty naar Nederland en ondersteunde diens pleidooi om tot een herverdeling van inkomens te komen. Daar kwam in Nederland door weerstand van rechtse partijen niks van terecht. Ook het internationale tij zat tegen.

Over wat Jetten voorstelde schreef ik in het commentaar ‘Onduidelijkheid over plan Jetten om vermogens boven € 1 miljoen zwaarder te belasten. Wat betekent dat voor de middeninkomens?‘ van maart 2019 het volgende:

‘Dit voorbeeld leert dat ook bij een vermogen van € 5 miljoen de heffing van Piketty op vermogen nog lager is dan bij Jetten. Het is nog onduidelijk welk belastingmodel Jetten voor ogen heeft, maar hij lijkt nog steeds vooral de middengroepen te belasten. Welk probleem meent hij aan te pakken? Met de voorstellen van Piketty die de middengroepen buiten schot laten en vooral de hoogvermogenden aanpakken hoeft men het niet eens te zijn, maar dat heeft wel karakter en doet wat het zegt te doen. Piketty probeert immers tot een structurele herverdeling van vermogen te komen. Dat is bij Jetten nog maar de vraag. Nogmaals, wat het doel is van Jetten is onduidelijk.’

In 2026 is nog steeds niet helemaal duidelijk wat premier Jetten en D66 met de belastingheffing in box 3 willen. Het lijkt er sterk op dat ze zich voornamelijk laten voeren door de verwachte in te boeken opbrengsten van de kleine spaarder en belegger.

Minister van Financiën Eelco Heinen (VVD) voert wat dit betreft niet iets wat beleid genoemd kan worden, hij draait trots aan de knoppen om geld binnen te halen. Men kan zich afvragen of dat wel inkomens- of belastingbeleid genoemd kan worden of niet beter de naam boekhouden verdient.

Ook na een aangekondigde reparatie van kabinetsvoorstellen die de kleine spaarder en belegger hard zouden treffen blijft onduidelijk hoe zwaar in de nieuwe voorstellen de kleine spaarder en belegger belast gaat worden. En wie eigenlijk de kleine spaarder en belegger is.

Media kunnen er daarom voorlopig niks mee omdat de feiten ontbreken, maar moeten verslag doen van een actuele kwestie die belastingbetalers in de portemonnee raakt. Dan lopen emoties snel op en vallen partijen over elkaar heen om het als belangrijkste in de publiciteit op te nemen voor de kleine spaarder en belegger die verweesd zonder identiteit achterblijft.

Benoeming van Stephanie Rosenthal tot artistiek directeur Museum Boijmans van Beuningen

Schermafbeelding van deel bericht ‘Stephanie Rosenthal nieuwe artistiek directeur Museum Boijmans Van Beuningen‘ van Museum Boijmans van Beuningen, 30 september 2026.

De benoeming van de Duitse Stephanie Rosenthal (1971) tot artistiek directeur van Museum Boijmans Van Beuningen maakt benieuwd hoe die benoeming door de Raad van Toezicht tot stand is gekomen.

Wie naar de samenstelling van de Raad kijkt ziet dat uit de informatie niet valt af te leiden dat er meer dan één persoon met praktische museumervaring in zit. De voorzitter is lid van de raad van commissarissen van een bouw- en vastgoedbedrijf en een grote financiële dienstverlener.

De uitzondering met museale ervaring is de Duitse Ulrike Erbslöh (1966) die directeur van de Zwitserse Fondation Beyeler is. Voorheen was ze jarenlang als zakelijk directeur werkzaam bij het Van Abbemuseum.

Een en ander maakt nieuwsgierig hoe de werving en sollicitatie zijn verlopen. Dat zullen we nooit weten omdat de procedure vertrouwelijk is. We kunnen alleen maar gissen hoe de lijntjes lopen en wie wie wanneer en op welke voorwaarden geconsulteerd heeft.

Het is niet verkeerd dat een buitenlander tot directeur van een van de grotere Nederlandse musea benoemd wordt. Er waren er veel, en sommige succesvol: Axel Rüger, Charles Esche, Ann Demeester, Beatrix Ruf, Ann Goldstein of Emilie Gordenker. Zoals ook Nederlanders directeur van een buitenlands museum kunnen zijn. Nederland is nu eenmaal een klein land dat zich graag internationaal presenteert.

Toch roept de benoeming van Stephanie Rosenthal de vraag op of er geen Nederlanders waren die in aanmerking kwamen én wilden komen voor de functie van artistiek directeur van Boijmans dat pas in 2030 na een verbouwing opent. Als het tegenzit kan dat in een ongunstiger scenario ook 2032 worden.

Die vraag is geen motie van wantrouwen jegens mw. Rosenthal, maar een vraag naar de stand van zaken in de Nederlandse museumsector. Waren potentiële Nederlandse kandidaten niet gretig vanwege de langlopende verbouwing van Boijmans of zijn ze in de procedure niet uitgenodigd en aan bod gekomen?

Uit de mediaberichten valt niet op te maken of bij Boijmans de artistiek directeur hiërarchisch onder de algemeen directeur blijft vallen zoals recent het geval was. Door ziekte van de algemeen directeur wordt die positie nu ingenomen door interim directeur Sandra Kisters die in die functie terugtreedt als Rosenthal in voorjaar 2027 in dienst treedt.

Wanneer en óf er een algemeen directeur met hetzelfde mandaat als nu wordt benoemd is onduidelijk en ligt gevoelig vanwege de ziekte. Een en ander kan van invloed zijn geweest op de sollicitatieprocedure. Het zal ongetwijfeld besproken zijn. Maar we weten het niet.

Het is een goed gebruik om als iemand benoemd is daar niet moeilijk over te doen. Geef iemand die nog moet beginnen een eerlijke kans. Dat is wel zo sportief. Dat moeten we doen. Maar tegelijk is het een goede Hollandse gewoonte om daar toch vragen bij te stellen. Bij deze.

Mijn recensie van ‘De Gaulle: Résistance’ (2026)

Affiche van film ‘La bataille de Gaulle‘ (2026)

De Franse film ‘La bataille de Gaulle‘ van regisseur Antonin Baudry bestaat uit twee delen. In Nederland worden ze uitgebracht onder de titels ‘De Gaulle: Résistance’ en ‘De Gaulle: Liberté‘ van respectievelijk 161 en 159 minuten. De film is gebaseerd op een biografie over De Gaulle uit 2019 van historicus Julian Jackson en gaat over de jaren tijdens de Tweede Wereldoorlog. De recensie gaat over het eerste deel.

De subtitel ‘L’âge de fer‘ (ijzertijd) verwijst naar de chaotische beginjaren van de Tweede Wereldoorlog, de hardheid van het gevecht en de in de ogen van de Franse publieke opinie ijzeren wil van generaal Charles de Gaulle om Frankrijk soeverein te houden en niet over te leveren aan de Anglo-Saksische macht die hij niet vertrouwt.

Dat uit zich in dialogen tussen de Britten en De Gaulle waar Engels en Frans door elkaar heen worden gebruikt. De Gaulle praatte uiteindelijk Engels omdat hij toch in een Engelse omgeving moest opereren. Premier Churchill en zijn erg jonge minister van Buitenlandse Zaken Anthony Eden die het in 1955 tot premier schopte en de bijeenkomsten van De Gaulle bijwoont om als een seismograaf diens toenemend belang te meten zijn zowel obstakels als redmiddel voor De Gaulle.

President Roosevelt en in mindere mate Churchill vertrouwen De Gaulle echter niet. Deze Franse tweesterren generaal die in mei 1940 nog twee rangen lager was als kolonel lijkt als een stripfiguur een parodie van zichzelf in zijn wereldvreemdheid, zijn vastberadenheid en zijn lyrische pompheusheid vol grote woorden over ‘La France’. De Gaulle wordt geloofwaardig gespeeld door de Armeens-Franse acteur Simon Abkarian die net als de generaal de juiste neus heeft. Het goede acteurspel van het ensemble is een van de sterke punten van de film.

Simon Abkarian als generaal Charles de Gaulle in ‘La bataille de Gaulle: L’âge de fer‘ (2026)

Wat de film mist is een duidelijke karakterontwikkeling van de hoofdpersoon omdat die in mei 1940 al voltooid is. Zo lijkt het. De Gaulle blijft aan de oppervlakte onbewogen, onaangedaan door de omstandigheden en emotioneel vlak, hoewel het scenario suggestieve momenten geeft dat de druk naar buiten komt. Zoals in een ontmoeting met Churchill waar De Gaulle een stoel kapot gooit. Meer dan dat wordt het niet.

Dat beide kanten moeten schipperen om met elkaar om te gaan en een oorlog te winnen maakt de film duidelijk. Dat relativeert op het oog de parodie en geeft het scenario een idee van diepte en waarheidsgetrouwheid. Uiteraard worden alle ‘waargebeurde‘ episodes gedramatiseerd door verdichting, samenvoegingen of weglatingen.

Paradox is dat De Gaulle de Amerikaanse politieke steun en militaire middelen nodig heeft om zijn doel te bereiken, maar daarbij weinig begrip en dankbaarheid toont. Dat loopt via een campagne in Afrika waar De Gaulle en zijn medestanders militair en politiek langzaam aan belang winnen door aan te haken bij een koloniaal idee van Frankrijk.

Dat idee wordt niet gerelativeerd, maar bevestigd. Dat zal er een reden voor zijn dat een deel van het Franse publiek massaal valt voor dat beeld van de vroegere koloniale grootheid van hun land. In combinatie met dat streven naar onafhankelijkheid. Dat geeft de film echter een ouderwetse sfeer die haaks staat op het moderne Frankrijk.

Tegelijk biedt de film Fransen het nostalgische droombeeld dat huidige politieke leiders als president Emmanuel Macron of oppositieleider Marine Le Pen niet kunnen tippen aan de statuur van Charles de Gaulle die met terugwerkende kracht ontstijgt aan de malaise, het partijpolitieke gekissebis en de afgenomen macht van Frankrijk.

Wat dat droombeeld kan betekenen voor het hedendaagse Frankrijk is onduidelijk. Het Gaullisme als politieke stroming is dood, maar het streven naar onafhankelijkheid met een sterke president is er een blijvende erfenis van. Die elementen benadrukt de film. Voor een niet-Frans publiek spelen deze bijgedachten geen rol. Ze zien een publieksfilm met gebeurtenissen dichtbij die toch zo veraf zijn en waar velen pas voor het eerst kennis mee maken.

Het budget van 74 miljoen euro biedt de mogelijkheid om de Slag om Bir Hakeim waar de Vrije Fransen van De Gaulle – samen met Joodse vrijwilligers – hun eerste overwinning behalen breed uit te meten met overtuigende gevechtsscènes van in totaal twintig minuten. Dat geeft er de vaart van een oorlogsfilm aan. Het patriottisme en de sentimentaliteit druipen er af zoals het een goed gedoseerde publieksfilm betreft. Daar staat tegenover dat de met AI gegenereerde scènes van de Britse aanval op de Franse vloot in Mers-el-Kébir in juli 1940 technisch onder het niveau blijven van wat men ervan kan verwachten.

De film is spannend en meeslepend en wordt soepel verteld zoals de epische drama’s van de Britse regisseur David Lean als Lawrence of Arabia (1962), Doktor Zhivago (1965) en The Bridge on the River Kwai (1957). Romantiek ontbreekt of wordt indirect verteld. Zoals de romance van Général Pierre Koenig met zijn vrouwelijke chauffeur tijdens de vlucht naar Egypte uit Bir Hakeim. Ook mevrouw De Gaulle die zich uiteindelijk in Londen bij haar man voegt speelt geen rol in het drama.

De film is een mannenfilm, een film van sterke mannen. Inclusief de jonge verzetsstrijder Fernand die admiraal François Darlan in Algiers doodschiet. De rol van de iconische verzetsleider Jean Moulin die in Frankrijk nog steeds vereerd wordt omdat hij het verzet bundelde en versterkte, en zo De Gaulle een machtsbasis in eigen land gaf wordt pas in deel 2 duidelijk.

Nieuwe Vredesbeweging speelt met drogredenen en halve waarheden Poetin in de kaart


Een video op het YouTube-kanaal van De Nieuwe Wereld TV. Op de dag dat De Nieuwe Vredesbeweging in Amsterdam samen met FNV Jongeren en de landelijke Studentenvakbond een demonstratie houdt met ‘Nieuwe Visies voor Vrede‘. Nieuw is in Nederlandse vredeskringen het nieuwe toverwoord.

Of zoals George Orwel het noemde: newspeak. Opzet daarvan is niet om de taal te verrijken, maar juist om deze te versimpelen en te verarmen. Het woord ‘oorlogskoorts’ dat door de Nieuwe Vredesbeweging wordt gebruikt als een ziekelijk spookbeeld is er ook een voorbeeld van.

Trouw berichtte na onderzoek in 2025 over deze nieuwe vredesbeweging: ‘In de Nieuwe Vredesbeweging bundelen sinds maart een twintigtal pacifistische organisaties en splinterclubs hun krachten. Een bont gezelschap, waar ook pro-Poetin-demonstranten toenadering toe zoeken’. De Nieuwe Vredesbeweging is niet ondubbelzinnig en niet eensgezind voor wapensteun aan Oekraïne om zich tegen de Russische agressor te verdedigen. Mijn reactie bij de video:

‘Martijntje Smits pleitte in 2024 met Ewald Engelen in een opinie-artikel in NRC om te onderhandelen met Poetin. Smits is dus geen objectieve waarnemer, maar iemand die al op voorhand partij heeft gekozen. Dat maakt haar als moderator ongeloofwaardig.

Ze verschilt niet van mening met Baggen. Smits kan er trots op zijn dat ze zich in hetzelfde kamp bevindt als Geert Wilders en Thierry Baudet die in de kern hetzelfde beweren als Smits en Braggen. Alleen lijken de twee ultra-rechtse politici daar ondubbelzinnig voor uit te komen. Ze hebben daar geen drogredenen over vrede, een ‘nieuwe’ vredesbeweging, oorlogskoorts en staakt-het-vuren voor nodig. Ze kiezen eerlijk partij voor Poetin en tegen Oekraïne.

Uit eerlijkheid zouden Baggen en Smits zonder alle schijnbewegingen kleur moeten bekennen als Wilders en Baudet. Dan zou hun waarheid uitkomen dat ze het Oekraïense volk in de steek laten en per saldo de belangen van Poetin dienen. Men kan dat naïef noemen, maar ook kwaadaardig.

Niemand wil oorlog, maar als een agressor als de Russische Federatie buurland Oekraïne van de kaart wil vegen dan wordt dat land tegen haar wil gedwongen om te vechten.

Dat is heel wat anders dan het filosofische gepraat van twee zogenaamde vredestichters in de comfortabele Nederlandse studio waar niet de dreiging bestaat van Russische raketten of drones die bewust kwaad en verderf onder de Oekraïense burgerbevolking zaaien.

Het is duidelijk aan welke kant Smits, Engelen en Baggen staan.’

Evangelisatie Sjofar verspreidt bijbels in Ter Apel en probeert islamitische asielzoekers te bekeren

Post op Facebook van Evangelisatie Sjofar, 21 september 2026.

De religiemarkt is een vechtmarkt waar godsdiensten elkaar fel beconcurreren. Ook nog eens in een afkalvende markt door de ontkerkelijking. Dat gaat samen met buitenmatigheden. Godsdiensten en religieuze organisaties proberen elkaar de loef af te steken en kunnen de randen van het betamelijke opzoeken. Winst valt te behalen bij de stroom asielzoekers die Nederland binnenkomt en nog niet verankerd is in de Nederlandse samenleving.

Dat komt niet vanzelf. Er moet hard voor gewerkt worden. Dat is een kwestie van religieuze marketing, publiciteit, positionering en fondsenwerving.

Er hoort wat Evangelisatie Sjofar betreft straatevangelisatie bij. Het uitdelen van bijbels in Ter Apel aan islamitische asielzoekers lijkt op een parodie, maar behoort wel degelijk tot de kenmerken van wat in Nederland in de 21e eeuw een godsdienst of religieuze organisatie is. Hoe opdringerig en afkeurenswaardig andersdenkenden dat ook vinden. Sjofar is de schaamte voorbij.

Is het verstandig wat Sjofar in Ter Apel doet? Nee, daar lijkt het niet op. Er zijn incidenteel rapportages over spanningen tussen religieuze groepen. Met een poging tot evangelisatie stookt Sjofar de spanningen en kwetsbaarheden verder op tussen met name christelijke en islamitische asielzoekers. Dat kan tot veiligheidsproblemen leiden.

Is het geoorloofd wat Sjofar in Ter Apel doet? Ja, evangelisatie valt onder de vrijheid van godsdienst, maar er gelden wel wettelijke grenzen. Evangelisatie is toegestaan zolang het gebaseerd is op vrijwilligheid. Zodra er sprake is van psychische druk, misleiding, intimidatie of het misbruiken van een kwetsbare positie van de ander, overschrijdt het de juridische grens. Veel asielzoekers die de asielprocedure ingaan verkeren in die kwetsbare positie. Daar speelt Sjofar op in.

Het is aan de burgemeester van Westerwolde waar Ter Apel in ligt om te bepalen of Sjofar de wettelijke grenzen overschrijdt of mogelijk zelfs de openbare veiligheid in gevaar brengt. Tegelijk moet Sjofar niet belangrijker gemaakt worden dan het is. Het uitdelen van bijbels in Ter Apel is een publiciteitsstunt van Sjofar die vooral bedoeld lijkt om de eigen fondsenwerving te ondersteunen en in de beeldvorming groter te lijken dan het werkelijk is.

Waarom noemt HBSC-onderzoek dat afnemende acceptatie van homoseksualiteit onder jongeren vaststelt religie niet als verklaring?

Schermafbeelding van persbericht ‘Acceptatie homoseksualiteit sterk afgenomen onder jongeren in Nederland‘ over HBSC-rapport 2025 op HBSC Nederland, september 2026.

Afgelopen week haalde de toenemende afkeer van homoseksuelen door jongeren (vooral jongens) het nieuws. Dat blijkt uit het vierjaarlijkse HBSC-rapport 2025 van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut over gezondheid en welzijn van schoolgaande kinderen.

Seksueel gedrag en opvattingen over homoseksualiteit was een van de zeven onderzoeksvragen. HBSC staat voor Health Behaviour in School-aged Children (HBSC). Een Engelstalige term omdat het deel is van een internationaal onderzoek.

De berichtgeving in de algemene pers over de achtergrond van deze jongeren was omfloerst. Dat maakte nieuwsgierig of dat kwam door de media of het HBSC-onderzoek. Het laatste lijkt het geval.

Het HBSC-onderzoek kijkt bij de verschillende vragen over bijvoorbeeld gamen, pesten, mentale problemen, middelengebruik, lichaamsbeeld en seksualiteit van schoolgaande kinderen telkens naar aspecten als schoolniveau, migratieachtergrond, gezinsachtergrond en gezinsvorm.

Het onderzoek noemt religie niet als element om de cijfers te verklaren. Wie in het rapport de zoektermen ‘religie‘, ‘godsdienst‘, ‘islam‘ of ‘christendom‘ en daarvan afgeleide termen invult vangt bot.

Naar het waarom kan men alleen maar gissen. Terwijl toch bekend is dat religieuze overtuigingen op gespannen voet kunnen staan met maatschappelijke opvattingen over (homo)seksualiteit en de acceptatie bij schoolgaande kinderen sterk kunnen beïnvloeden.

Zo meldde in 2014 het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in het rapport De acceptatie van homoseksualiteit door etnische en religieuze groepen in Nederland dat islamitische leerlingen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond negatief denken over homoseksualiteit.

Het wekt verbazing waarom in het onderzoek het element religie waarvan men in wetenschappelijke kringen weet dat het van belang is bij de acceptatie van jongeren over (homo)seksualiteit niet wordt genoemd. Het is gissen of dat is vanwege methodologische of maatschappelijke bezwaren. Is hier sprake van een taboe om religie niet aan te roeren? Wellicht is dat niet zo, maar die vraag roept het HBSC-rapport wel op.

De rol van religie valt nu slechts zijdelings en dientengevolge onnauwkeurig af te leiden uit de Nederlandse HBSC-onderzoeksgegevens. Terwijl tegelijk het idee bestaat dat religie een flinke rol speelt bij de verminderde acceptatie van homoseksualiteit. Hoe kan het aspect acceptatie van homoseksualiteit onderzocht worden als een potentieel invloedrijk element als religie niet onderzocht wordt en buiten beschouwing blijft?

Dat is jammer omdat hierdoor gebeurt wat afgelopen week in de algemene pers naar aanleiding van de publicatie van het HBSC-onderzoek gebeurde. Namelijk dat er in algemene zin over schoolgaande kinderen wordt gesproken en er minder nuancering in het HBSC-rapport zit dan bij een dataverzameling op basis van religie mogelijk was geweest. Neveneffect is dat dit de acceptatie van sociologisch onderzoek kan verminderen.

Het artikel ‘Leerlingen vinden dat ‘lhbtqia+-idee’ door strot wordt geduwd: ‘Uitleg blijft nodig‘ van 25 september 2026 op nu.nl geeft een vingerwijzing van wat het HBSC-onderzoek wat betreft de onderzoeksvraag homoseksualiteit heeft laten liggen. Ook de algemene pers kan de rol van religie niet uit de gegevens van het HBSC-onderzoek afleiden, maar probeert er toch wat van te maken:

‘Hoe praktischer het schoolniveau, hoe negatiever de reacties waren. Ook waren jongeren met een migratieachtergrond minder vaak positief over homoseksualiteit dan jongeren met alleen een Nederlandse afkomst.’

Joeri Pruys verwijt Stedelijk Museum lafheid, maar mist nuance dat het onpartijdig kan zijn

Schermafbeelding van deel opinie-artikel ‘Een apolitiek Stedelijk Museum bestaat niet. Neutraal zijn over Gaza betekent impliciete goedkeuring van de genocide’ van Joeri Pruys in Het Parool, 22 september 2026.

Filmmaker Joeri Pruys verwijt in een opinie-artikel in Het Parool van 22 september 2026 met grote woorden het Stedelijk Museum Amsterdam lafheid omdat het volgens directeur Rein Wolfs een neutraal platform wil zijn. Pruys meent ook dat het Stedelijk Museum de genocide in Gaza impliciet zou goedkeuren.

Pruys vindt dat het museum niet neutraal kan zijn. Hij spitst dat toe op de uitblijvende steun van het Stedelijk Museum voor de Culturele Boycot Israël die gaat over ‘medeplichtigheid van Israëlische instellingen en bedrijven aan de mensenrechtenschendingen jegens de Palestijnen‘. Een initiatief van leden van de Nederlandse en Belgische cultuursector.

Pruys’ documentaire Final Cut (2026) over politieke zelfcensuur in de Nederlandse culturele sector gaat op zondag 27 september 2026 in première op het Nederlands Film Festival. Het opinie-artikel kan als publicitair voorproefje daarop beschouwd worden.

Ik ben het niet eens met Pruys, maar evenmin met Rein Wolfs. Ik ben het eens met Joeri Pruys als hij zegt dat een museum niet niet-neutraal kan zijn, maar oneens met hem als hij beweert dat een museum niet apolitiek, dus politiek moet zijn. Dat is ook de teneur van een verslag in metropolis m van januari 2025 over een bijeenkomst in het Stedelijk Museum in november 2024 over ‘het (a)politieke museum’ waar Pruys in zijn opinie naar verwijst.

Pruys mist de nuance dat een culturele instelling tegelijk niet-neutraal is omdat het opereert in een politiek en maatschappelijk machtenveld en daar noodgedwongen positie in inneemt, maar toch apolitiek kan zijn.

Dan moet die laatste term niet absoluut, maar praktisch opgevat worden als kiezen voor onpartijdigheid. Er zit ruimte tussen een apolitieke en onpartijdige opstelling. Ofwel, niet expliciet kiezen voor of tegen een land, solidariteitsbeweging of politieke partij (Oekraïne, Black Lives Matter, Israël, Free Palestine, PRO of VVD) is een politieke én onpartijdige opstelling. Pruys verwijst naar het eerste (apolitiek) en Wolfs naar het laatste (onpartijdig).

Het standpunt van het Stedelijk Museum komt neer op de bedenking hoe een museum dat een ​​politiek standpunt inneemt tegelijkertijd kan dienen als platform voor meerdere perspectieven. Een politiek standpunt voor het een sluit standpunten voor het ander uit.

Dat standpunt van het Stedelijk Museum onder directeur Wolfs kan niet los worden gezien van de kritiek in kunstkringen op hem en het Stedelijk Museum die ontstond na de publiciteit rond de documentaire ‘White Balls on Walls‘ (2022) van Sarah Vos. Die kwam erop neer dat Wolfs een zekere onhandigheid en verkramptheid verweten werd in het inclusiever en diverser maken van het museum. Een bijkomend punt van kritiek was dat dit een oppervlakkige verandering was omdat het museum in de kern wit bleef.

De reactie lijkt te zijn ingegeven door het feit dat het Stedelijk Museum zelf geen onderwerp van controverse wil zijn en kiest voor onpartijdigheid en daarom uit principe geen solidariteitsverklaringen meer ondersteunt. Een nieuwe ICOM-definitie geeft Wolfs daartoe een handvat. Men kan het daar mee oneens zijn, maar het is onterecht van Pruys om het Stedelijk Museum lafheid te verwijten.

Pruys rekt zijn persoonlijk idee van politiek ver op als hij zegt: ‘Door de politieke dimensie van hun inhoudelijke keuzes te ontkennen, ontkennen kunstinstellingen hun rol om progressieve ideeën te agenderen en pal te staan voor democratie en menselijke waardigheid.’

Het is niet de rol van kunstinstellingen om ‘progressieve ideeën te agenderen‘. Pruys die Wolfs en het Stedelijk Museum de pretentie van neutraliteit en apoliticiteit verwijt maakt zich als objectief analist ongeloofwaardig door vanuit een politiek en niet-neutraal standpunt te redeneren. Pruys haalt partijpolitiek, humanisme en maatschappelijke betrokkenheid door elkaar.

Pruys slaat mede de plank mis omdat hij de discussie in de internationale museumsector niet meeneemt in zijn opinie. Wat Wolfs na de episode met ‘White Balls‘ zegt is in lijn met de definitie van de ICOM uit 2022/2023 van wat een museum is en waar hij blijkbaar een nieuwe ankerpunt dat rust biedt in lijkt te hebben gevonden dat het beste weerwoord geeft op Pruys’ opinie. Betrokkenheid bij de samenleving is mogelijk zonder solidariteitsverklaringen te tekenen:

“Een museum is een permanente instelling zonder winstoogmerk, in dienst van de samenleving, gericht op het onderzoeken, verzamelen, bewaren, interpreteren en tentoonstellen van materieel en immaterieel erfgoed. Musea zijn openbaar, toegankelijk en inclusief en bevorderen diversiteit en duurzaamheid. Ze werken en communiceren ethisch, professioneel en met participatie van gemeenschappen. Musea bieden een verscheidenheid aan ervaringen met het oog op educatie, genoegen, reflectie en kennisuitwisseling.“

AIVD en NCTV waarschuwen in rapport voor rechts-extremisme. Is hun aanpak meer dan de beschouwing?

Schermafbeelding van deel persbericht ‘AIVD en NCTV: rechts-extremisten proberen gedachtegoed te normaliseren‘ van NCTV; Ministerie van Justitie en Veiligheid, 22 september 2026.

Op 22 september 2026 waarschuwden de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) in een persbericht voor het rechts-extremisme dat zich ‘zachter‘ voordoet dan het is.

Zeg maar, een rechts-extremistische vorm van veinzen en ontkennen van de eigen ware aard om voet aan de grond te krijgen bij mensen die niet tot de harde kern van rechts-extremisten behoort. Die mensen worden nu via de publiciteit gewaarschuwd.

Een zinsnede in het persbericht maakt duidelijk wat AIVD en NCTV met hun publicatie over het rechts-extremisme beogen: ‘Met deze publicatie willen ze de kennis en het bewustzijn hierover vergroten, zodat organisaties, instituties en de samenleving hun weerbaarheid hiertegen kunnen versterken.’

Overheden en politieke partijen worden niet genoemd. Die worden op een andere, vertrouwelijke manier geïnformeerd. Het gevolg is dat AIVD en NCTV in de informatievoorziening voor het brede publiek blijven steken in algemeenheden en clichés. Open deuren worden opengegooid. Onbedoeld neveneffect is dat dit ten onrechte een beeld geeft van twee inlichtingendiensten die weinig concreet zijn en praten in vaagheden.

Wie in het op 21 september 2026 door AIVD en NCTV gepubliceerde analyserapport ‘Achter de façade; Strategische normalisering vanuit de rechts-extremistische beweging‘ dat voorafging aan het persbericht zoekt op partijen als FVD of PVV of een beweging als ‘Defend‘ vindt niks. Het rapport zet op een rijtje wat iedereen met zorgen over het opkomend rechts-extremisme al weet.

De AIVD en NCTV zijn diensten die internationaal hun sporen hebben verdiend. Ze zijn meer dan dit rapport laat zien. De titel ‘Achter de façade‘ wordt er dubbelzinnig door. De diensten kunnen in een rapport voor het brede publiek niet het uiterste van hun tong laten zien.

Bijvoorbeeld hoe ze Nederlandse rechts-extremistische bewegingen en politieke partij (FVD) in de gaten houden en verstoren. Dit tweesporenbeleid van niet-vertrouwelijke en vertrouwelijke informatie die door elkaar heen lopen kan verwarrend overkomen voor wie het verschil niet ziet tussen wat de diensten publiekelijk wel of niet kunnen zeggen. Het heeft het risico dat mensen die bewust gemaakt moeten worden door AIVD en NCTV schouderophalend zeggen ‘is dit alles waar ze mee komen?‘

Wie een tastbare en doelmatige beschrijving van de aanpak van het rechts-extremisme zoekt komt in dit rapport van een koude kermis thuis. Het is een beschouwing. Dat zou opgevat kunnen worden als machteloosheid als men niet zou begrijpen dat de diensten achter hun façade concreet bezig zijn met de aanpak van het rechts-extremisme. Maar hoe doen ze dat? Dat is de achterliggende vraag die als schaduw over persbericht en rapport ligt.

Vraag is hoe goed en doelmatig beide diensten de rechts-extremisten infiltreren en verstoren. Wie de gewelddadige rellen ziet van rechts-extremisten op het Haagse Malieveld, een politie die kampt met organisatie- en capaciteitsproblemen en een onmachtig kabinet dat vooral ruzie met zichzelf maakt, vraagt zich af hoe concreet de bestrijding van het rechts-extremisme in Nederland op dit moment is. We weten het niet en het rapport maakt dat niet duidelijk. Maar nogmaals, dat is er ook niet de bedoeling van.