
Algemeen directeur Robert van lang sleept de Raad van Toezicht voor de rechter om zijn werkzaamheden voort te zetten. Voorzitter Ineke van Gent trad pas in maart 2026 in functie toen zij Alexander Pechtold opvolgde. Van Langh werd door de vorige Raad van Toezicht in juni 2025 geselecteerd en trad per 1 november 2025 in functie toen hij Harry Tupan opvolgde.
Door een kort geding tegen zijn werkgever aan te spannen zoekt Van Langh de confrontatie. Hij werd op 18 augustus 2026 door de Raad van Toezicht ‘voorlopig‘ op non-actief gesteld ‘vanwege een bestuurscrisis en een onderzoek naar de werkcultuur‘, aldus een bericht van de NOS. Het onderzoek naar de werkcultuur bij het museum is naar verwachting begin september 2026 afgerond. Dat wilde Van Langh blijkbaar niet afwachten.
De NOS vermeldt ook wat het DvhN eerder meldde: ‘Vorige maand schreef de krant(opent in nieuw venster) dat Van Langh een verbetertraject moest volgen na klachten over sociale onveiligheid en grensoverschrijdend gedrag bij zijn vorige baan. Hij was jarenlang het hoofd van de afdeling Conservation & Science bij het Rijksmuseum in Amsterdam.’
Zakelijk directeur Annelies Meuleman werd in juni 2026 door de nieuwe Raad van Toezicht onder voorzitterschap van Ineke van Gent op non-actief gesteld. Bij de rechter kreeg ze gelijk, maar ze keerde niet terug op de werkvloer. Volgens het DvhN liggen liggen Van Langh en Meuleman op ramkoers met elkaar. Nu ligt Van Langh ook op ramkoers met de Raad van Toezicht en voorzitter Ineke van Gent.
Is het mogelijk uit deze kwestie een conclusie te trekken die breder is dan de perikelen bij het Drents Museum? Een verklaring voor het feit dat relatief veel Nederlandse museumdirecteur in problemen zijn gekomen is dat het model van opleiding, ervaring en organische groei hapert. Zodat museumdirecteuren te grote of te zijdelingse stappen zetten. En haaks komen te staan op de werkcultuur en daarmee in problemen komen. Ook is het mogelijk dat er een faseverschil is ontstaan tussen een ambtelijk-archaïsche werkcultuur en zij-instromers in de museumsector die bestuurlijk zijn ingesteld zonder voeling met die cultuur te hebben of zelfs te willen hebben.
Het model dat iemand begint als conservator of museumdirecteur bij een klein museum en na enkele jaren respectievelijk een stapje zet als directeur bij een middelgroot museum of als directeur bij een klein museum lijkt steeds minder gangbaar. Noem het het burgemeestersmodel. Het is onduidelijk waarom dat model van geleidelijke groei minder aantrekkelijk is en Raden van Toezicht er in hun werving niet meer onverkort aan vasthouden.
Een gemis voor kunstmusea is dat in de opleidingen kunstgeschiedenis de beroepsvariant manager ontbreekt. Bredere studies cultuurwetenschappen kennen die variant wel.








