Hoe is progressiviteit te verenigen met religieuze orthodoxie? Kauthar Bouchallikht en GroenLinks leggen niet uit waar ze echt voor staan

Schermafbeelding van deel interview ‘‘Ik moet steeds uitleggen waar ik écht voor sta’ met Kauthar Bouchallikht in NRC, 29 maart 2021.

Een interview in NRC met de titel ‘Ik moet steeds uitleggen waar ik écht voor sta’ wekt bij de lezer de verwachting na lezing te weten dat de geïnterviewde is gevraagd waar zij echt voor staat en zij daar een goed antwoord op heeft gegeven. Het gaat om het kamerlid voor GroenLinks Kauthar Bouchallikht die vandaag in de Tweede Kamer wordt geïnstalleerd. De interviewer is Mark Lievisse Adriaanse.

Maar de titel maakt het niet waar. Na lezing weet de lezer nog steeds niet waar Bouchallikht nou echt voor staat. Ja, ze zou uit een ‘conservatieve omgeving’ komen, maar is dat de hele verklaring als zij verbonden was aan de islamistische Moslimbroederschap en het nationalistisch-conservatieve islamitische Milli Görüş? Dat is heel wat anders dan een conservatieve omgeving, dat is de omgeving van de politieke islam.

Mark Lievisse Adriaanse doet zijn best, maar komt er niet echt doorheen. Zo wordt het vooral een human interest verhaal over een jonge vrouw die zoveel mogelijk haar eigen verleden wegschoffelt omdat zij daar geen raad mee weet.

Het zou wat anders zijn als Bouchallikht zou toegegeven dat ze vanuit haar familieachtergrond in de politieke islam verzeild raakte en daar achteraf afstand van neemt. Dan zou haar een nieuwe start gegund zijn omdat haar nieuwe inzichten een duidelijke breuk met haar verleden vormen. Maar dat doet ze niet. Het blijft nu hangen in algemeenheden dat ze een ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ze valt haar verleden en haar familie niet af. Daarom wordt niet duidelijk wie de echte Kauthar Bouchallikht is. Tegelijk heeft iedereen recht op een tweede kans. Maar zij en GroenLinks maken het de radicaal-rechtse critici wel erg makkelijk door geen goede verklaring te geven. Zou blijft deze identiteitspolitiek zeuren die afleidt van de echte problemen. Dat valt haar tegenstanders, maar ook GroenLinks te verwijten.

Tegelijk is Bouchallikht verbaasd over de kritiek die ze krijgt. Maar die verbazing is verbazingwekkend. Zo zegt ze te strijden voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, maar gaf ze bij Milli Görüş een training waar mannen en vrouwen gescheiden zaten. Daar neemt ze achteraf geen afstand van.

Ze komt met een onnavolgbaar verhaal over dwang en vrije keuze. Daarbij gaat ze voorbij aan de sociale dwang voor vrouwen om zich stilzwijgend aan te passen aan hun omgeving. Alsof die vrouwen hun kritiek in een nationalistisch-conservatieve islamitische omgeving kenbaar kunnen maken. Zo vlucht Kauthar Bouchallikht weg in vreemde verklaringen die niks met de werkelijkheid te maken hebben. Dat roept vragen op over haar vermeende wereldwijsheid.

Dat ze vrouw is, een hoofddoek draagt en feministisch zegt te zijn is niet waar het om gaat. Daar mag ze niet op aangevallen worden, maar daar kan ze zich evenmin achter verschuilen als certificaat voor haar goede bedoelingen. Men kan zich alleen maar afvragen of de kandidatencommissie van GroenLinks moeite heeft gedaan om te achterhalen wie zij echt is.

Wat Bouchallikht heeft te zoeken bij GroenLinks is een ander aspect. GroenLinks bleef ondanks kritiek achter haar kandidatuur staan. Die kritiek kwam niet alleen van buitenaf, maar ook van binnenuit. Zo zegde het voormalig TK-lid Zihni Özdil in december 2020 mede vanwege de kandidatuur van Kauthar Bouchallikht zijn lidmaatschap op de partij op. Partijprominent Meindert Fennema gaf aan bij de verkiezingen van 17 maart 2021 niet op zijn partij te stemmen vanwege Bouchallikht.

Zij zijn niet de enigen binnen GroenLinks die kritiek hebben op de hoge plaats van Bouchallikht op de kandidatenlijst die trouwens te laag was om rechtstreeks verkozen te worden. In een interview voor het seculier-progressieve Vrij Links botst Nevin Özütok, de nummer 17 op de kandidatenlijst van GroenLinks met de kandidatuur van Bouchallikht. Op de vraag ‘Hoe komt het dat een progressieve politicus die GroenLinks 100 procent zou moeten omarmen, zo laag staat?’ antwoordt Nevin Özütok: ‘Echt begrijpen doe ik de kandidatencommissie ook niet.’

NRC zou er evenwichtig aan doen om een vervolg te geven aan dit interview met Bouchallikht door critici van haar als Zihni Özdil, Meindert Fennema en Nevin Özütok hun mening over haar kamerlidmaatschap en de koers van GroenLinks te vragen. Dat kan de lezer helpen om te begrijpen wat hier nou echt speelt. Het is trouwens opvallend dat die kritiek vanuit GroenLinks op Bouchallikht in het interview niet wordt genoemd. Het blijft bij het plichtmatig noemen van kritiek vanuit de hoek van De Telegraaf, terwijl de interne kritiek vanuit GroenLinks interessanter was geweest om naar te vragen. Dat is een gemiste kans.

GroenLinks heeft een slechte campagne gevoerd en zes van de 14 zetels verloren. De partij wilde graag regeren en kreeg daardoor een vaag profiel. Kauthar Bouchallikht lijkt onderdeel te zijn geweest van de reeks inschattingsfouten die het campagneteam en de partijtop hebben gemaakt. Marketing bepaalde de inhoud. Weliswaar is zij verkozen met voorkeurstemmen, maar tegelijk lijken door haar kandidatuur de grootsteedse seculier-progressieve kiezers weggejaagd te zijn richting D66. Men zou verwachten dat GroenLinks daar uitleg over geeft.

Gedachten bij foto ‘Op de Dam te Amsterdam werden met een projectie-apparaat de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op een groot scherm getoond. In de muziekkiosk zorgden de Ramblers voor de muzikale opluistering’ (1958)

Het was nog maar in 1958 dat verkiezingen werden gevierd op pleinen en voor gebouwen van kranten waar de uitslagen druppelsgewijs binnenkwamen. De beschrijving bij deze foto toont een Nederland dat we nog nauwelijks kennen. Het doet ouderwets aan, maar kondigt al het begin van de moderne tijd met nieuwe communicatiemiddelen aan: ‘Op de Dam te Amsterdam werden met een projectie-apparaat de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op een groot scherm getoond. In de muziekkiosk zorgden de Ramblers voor de muzikale opluistering’.

De televisie is in 1958 nog nauwelijks doorgedrongen tot de huiskamers. Die opmars begint pas zo’n vijf jaar later als de welvaart over Nederland komt. Mede dankzij het gasveld van Slochteren. Ook toen al moest de verkiezingsavond ‘opgeluisterd’ worden. Zeggen we nu ‘oppimpen’? Welbeschouwd is zo’n avond een saaie bedoeling met veel dode momenten. Een enkel hard feit en vooral analyses, speculaties en projecties die toch nooit uitkomen zoals op deze verkiezingsavond wordt gezegd.

’t Heerlijk avondje is gekomen, ’t Avondje van het verkiezingsfeest, Vol verwachting klopt ons hart, Wie de koek krijgt, wie de gard, Vol verwachting klopt ons hart, Wie de koek krijgt, wie de gard.

Maakt het veel uit wie er wint? Dat valt te bezien. Alles is best als partijen binnen de democratie blijven en geen alternatief rechtssysteem willen optuigen. Daarom ben ik van mening dat de SGP en FvD ontbonden moeten worden omdat ze niet binnen de democratie passen en er een destabiliserende invloed op uitoefenen. Maar verder maakt het weinig uit. Zolang partijen de democratie niet omver willen werpen en min of meer hetzelfde wereldbeeld schetsen is er voor elke partij (behalve FvD en SGP) wel iets te zeggen. Met chips en bier, en wellicht een boek erbij, is het kijken naar de verkiezingsavond en het spieden naar de harde cijfers draaglijk infotainment.

Foto: Peter van Zoest (ANP), ‘Op de Dam te Amsterdam werden met een projectie-apparaat de uitslagen van de gemeenteraadsverkiezingen op een groot scherm getoond. In de muziekkiosk zorgden de Ramblers voor de muzikale opluistering’, 28 mei 1958. Collectie/ Archief: Fotocollectie Elsevier

Verschil in politieke voorkeur is ondergeschikt. Het gaat erom welke partijen gaan voor alleenheerschappij. Ontbind daarom FvD en SGP

NOS Stories heeft een interessant verslag over uitsluiting van jongeren vanwege hun politieke voorkeur. Vriendschappen worden verbroken omdat vrienden op een bepaalde partij stemmen. In dit geval FvD. Bij ouderen zal dit niet zoveel anders gaan.

Het is een lastig onderwerp. Dat blijkt omdat alles door elkaar wordt gehusseld. Alle partijen die deelnemen aan de verkiezingen en waar dus op gekozen kan worden zijn democratische partijen die de democratische rechtsstaat ondersteunen. Anders zouden ze ontbonden of verboden zijn.

Een democratie moet weerbaar zijn en partijen die de democratie aanvallen niet laten bestaan, laat staan faciliteren met zendtijd, spreektijd en financiële ondersteuning. Dat is het afzagen van de taak waarop we zitten.

Partijen kunnen veranderen of hun ware aard verhullen. Dat laatste is nog niet zo makkelijk om aan te tonen. En waar leg je de grens? Het zou goed zijn als over de weerbaarheid van de democratie een publiek debat zou ontstaan. Ook in het onderwijs.

Het debat zou dan niet zozeer moeten gaan over ‘foute’ politieke beweringen zoals het feit dat er geen probleem is met het klimaat, dat COVID-19 niet meer dan een griepje is of dat bevolkingsgroepen achtergesteld moeten worden, maar over de ondubbelzinnige steun van de partijen voor de werking van de democratie

Dat betreft dan niet maatregelen die discrimineren en waar de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) op wijst. Die zijn zeker ongewenst, maar spelen op een ander vlak. Ze kunnen op het niveau van de rechtspraak bediscussieerd worden. Liefst met een educatieve toelichting van het ministerie van Justitie erbij.

Er zijn democratische partijen die betwisten of er doelpunten worden gemaakt en er zijn anti-democratische partijen die de doelpalen tot buiten het veld willen verplaatsen. Democratische partijen zijn opponenten waarmee men het oneens kan zijn en waartegen men kan strijden. Anti-democratische partijen willen de wedstrijd stilleggen en eenzijdig de uitslag bepalen zonder dat de wedstrijd gespeeld wordt en andere partijen zich daar nog tegen kunnen uitspreken.

Je zou kunnen zeggen dat PVV ‘foute’ beweringen doet, maar binnen de democratie blijft en die niet ter discussie stelt. FvD doet ook ‘foute’ beweringen, maar stelt het bestaan van de democratie en de democratische instituties wel ter discussie. Dat onderscheid wordt in het publieke debat onvoldoende gemaakt. FvD is in de kern een grotere bedreiging voor de democratie dan de PVV.

Als het criterium is dat partijen die tot doel hebben om met uitsluiting van andere partijen de bestaande democratische orde omver te werpen en hun eigen autocratie te vestigen, dan zouden partijen als FvD en de theocratische SGP die een orde wil vestigen die gebaseerd is op Gods woord verboden moeten worden. Zij zijn een bedreiging voor de democratie.

FvD en SGP willen andere politieke partijen waarmee ze nu het politieke spectrum vormen ondergeschikt maken aan hun eigen op te tuigen nieuwe orde. Daarmee verliezen de ander partijen hun functie en moeten ze ondergeschikt zijn aan ‘staatspartij’ FvD of SGP.

Kiezers mogen van mening verschillen over hun politieke keuze. Laat ze maar met elkaar discussiëren over belangrijke en onbelangrijke thema’s. Maar dat verdoezelt niet het feit dat er op dit moment twee partijen zijn die als doel hebben om op termijn dat debat eenzijdig naar zich toe te trekken. Hoe theoretisch en ver weg die stap ook is. Dat is ongewenst en in strijd met politiek realisme dat de democratie weerbaar, levensvatbaar en ‘open’ wil houden.

Het laten bestaan van SGP en FvD is een aangekondigde zelfmoord van de democratie. Daarom moeten ze ontbonden worden. Want als het idee van politiek het verdelen van de macht is, dan passen daarin geen partijen die dat uitgangspunt niet delen.

Dat alles zou in dit soort verslagen die zijn bedoeld om te informeren beter uitgelegd moeten worden. Het opereren van anti-democratische partijen is geen sociaal, maar een politiek-juridisch onderwerp. Dit verslag reduceert zoiets essentieels als de werking van de democratie tot intermenselijke verhoudingen. Door te focussen op die verschillen wordt het essentiële verschil niet belicht.

 

Op wie moet ik stemmen op 17 maart 2021? Aflevering 4: coalitie, marge met splinters en dwaze speculatie

Volgende week woensdag 17 maart 2021 kennen we de exit poll van de verkiezingen voor de Tweede Kamer. De 70-plussers konden afgelopen week al stemmen en op 15 en 16 maart kunnen risicogroepen en alle anderen die zich daartoe rekenen stemmen.

Welke kant gaat het op? Laten we uitgaan van de nu bekende laatste peiling van 8 maart 2021. De marges zijn groot en er kunnen nog verschuivingen in optreden. Dat komt mede omdat de campagne niet echt leeft en vele kiezers nog twijfelen. Volgen ze hun overtuiging of stemmen ze strategisch? Of blljven ze thuis?

Uiteindelijk gaat het om het vormen van een coalitie. Zo komt een kabinet tot stand. Laten we het aantal zetels per blok bekijken. Blokken kunnen elkaar overlappen. De volgende blokken zijn te onderscheiden:

  1. 29: Radicaal-rechts: PVV (20), FvD (4), SGP (3), JA21 (2).
  2. 40: Links: PvdA (12), GL (11), SP (10), PvdD (6), Bij1 (1).
  3. 28: Religieus: CDA (17), CU (6), SGP (3), DENK (2).
  4. 52: Liberaal: VVD (37), D66 (15).
  5. 56: Centrum-rechts: VVD (37), CDA (17), 50Plus (2).
  6. 28: Kosmopolitisch: D66 (15), GL (11), Volt (2).

Binnen radicaal-rechts hebben PVV en FvD zich door hun radicale opstelling en (persoonlijke) verwijten aan andere partijen buiten de orde geplaatst. SGP is een gespleten partij omdat het zich in praktijk gouvernementeel opstelt, maar in theorie anti-rechtsstatelijk is. Het valt niet in te zien dat linkse of liberale partijen met de in de kern theocratische SGP willen samenwerken. JA21 heeft even radicale standpunten als PVV en FvD, maar lijkt zich in de samenwerking met andere partijen wat schappelijker op te stellen. Veel is nog onduidelijk over deze partij. Ook het buitengesloten zijn binnen radicaal-rechts kent dus verschillen. Het kan er op uitlopen dat deze partijen met hun 29 zetels buiten een coalitie vallen. Er resteren 121 zetels.

Omdat voor een coalitie de steun van minimaal 76 zetels nodig is kunnen er maximaal 45 zetels (121 – 76) afvallen. Liefst iets minder dan 45 zetels om een veilige marge voor een meerderheid in te bouwen, maar evenmin veel minder dan 45 zetels omdat er dan te veel partijen aan een kabinet moeten deelnemen. Laten we daarom uitgaan dat er nog 41 zetels afvallen en een coalitie steunt op 80 zetels.

De VVD is getalsmatig nodig omdat niet valt in te zien hoe het enige alternatief zonder VVD én radicaal-rechts, namelijk een zeven-partijen kabinet van CDA-D66-PvdA-GL-SP-CU-PvdD (77 zetels) levensvatbaar is en programmatische samenhang vertoont. Als de VVD onmisbaar is, dan is of het CDA of D66 die tussen de 15 en 17 zetels scoren misbaar. Omdat het CDA onder de nieuwe partijleider Wobke Hoekstra is afgeslagen naar rechts en deels de VVD rechts is gepasseerd heeft de VVD er op dit moment geen belang bij om samen met het CDA in een kabinet te gaan zitten. Hoewel een sterke oppositie tegen het kabinet evenmin aantrekkelijk is. Toch wijst een en ander op een rompkabinet van VVD en D66. Dat is 52 zetels. Waar komen de resterende 28 zetels vandaan om tot 80 te komen?

Links is nu aan zet. Opname van alle drie de linkse partijen PvdA, GL en SP in het kabinet is er een te veel omdat de achterban van de VVD dat niet zal begrijpen omdat zo het evenwicht in het kabinet te ver naar links doorschiet. De degelijke bestuurderspartij PvdA lijkt een betrouwbare kandidaat voor deelname aan het kabinet Rutte IV.

Resteert de keuze tussen GL en de SP. De laatste lijkt wat radicaler, maar redelijker en de eerste wat inschikkelijker, maar minder stabiel. Wat voor de VVD tegen GL pleit is de stevige opstelling van die partij over het klimaat. Dat is voor de bedrijfslobby binnen de VVD een brug te ver. GL lijkt ook de eigen hand overspeeld te hebben met marketing praatjes over een links blok, terwijl PvdA en SP daar niks van willen weten.

De SP gaat net als de SGP in theorie voor een ander wereldbeeld, maar laat zich in de praktijk kennen als redelijke bontgenoot. Dat heeft de partij op lokaal niveau bewezen, waar het betrouwbaar opereert. Probleem is vooral de sceptische EU-opstelling van de SP en de animositeit met de PvdA. Denk aan de harde en mislukte anti-Timmermans campagne van de SP bij de Europese verkiezingen. Maar zowel het een als het ander valt glad te strijken. Dat pleit voor opname van de SP in het kabinet.

Zo komt een kabinet van VVD, D66, PvdA en SP in de steigers te staan. Maar het is een smalle marge, Volgens de huidige peilingen is deze coalitie met 74 zetels niet genoeg voor een meerderheid. In de Eerste Kamer doet deze coalitie het met 29 van de 75 zetels nog slechter. De toevoeging van de CU lost dat probleem in de Tweede Kamer op (80 zetels), maar in de Eerste Kamer niet (33 zetels). Samenwerking met de Fractie-Nanninga (= JA21) in de Eerste Kamer lost dat probleem daar op, terwijl de 2 zetels van JA21 in de Tweede Kamer zelfs de deelname van de CU overbodig maken. Toch al een partij met zalvende praatjes waar liberalen weinig van moeten hebben.

De minimale constructie voor een stabiele coalitie in de Staten-Generaal is een kabinet van VVD, D66, PvdA en SP met gedoogsteun van JA21. Als pragmatische oplossing is het mogelijk dat de partij een partijloos staatssecretariaat over veiligheid of migratie gegund wordt, zodat de partij niet formeel aan het kabinet deelneemt. Ermee wordt het argument geneutraliseerd dat radicaal-rechts bij voorbaat buitengesloten wordt. Het toont berekenend, maar dat type argument is in elk kabinet ingebakken.

Een ding is zeker. Zo zal het niet gaan. Elke coalitie is onwaarschijnlijk totdat het waarschijnlijk wordt. Dat is een uitspraak met een hoog Johan Cruijff gehalte. Of is het omgekeerd: Elke coalitie is waarschijnlijk totdat het onwaarschijnlijk wordt? Enfin, dit soort speculaties is bruikbaar omdat het ons leert dat coalitievorming niet zozeer het verkennen van opties, maar het opruimen van blokkades is. Dat gaat volgens een vaste methode waarbij het resultaat minder belangrijk is dan het erop wijzen dat de methode bestaat. De chaos maakt het overzichtelijk omdat die een veelheid aan kansen biedt. Dat is de paradox.

Foto: Peiling van Politico stand 8 maart 2021.

Het ondraaglijke opportunisme van de marketing van GroenLinks: Kauthar Bouchallikht of Nevin Özütok?

Voor mij viel eind vorig jaar GroenLinks definitief af als partij om op te stemmen toen deze partij op nummer 9 van de kandidatenlijst Kauthar Bouchallikht zette. Ik heb niks met religieuze politiek. Haar beeldmerk is de hoofddoek en via haar achtergrond en overtuiging is ze gelieerd aan de islamistische Moslimbroederschap. Ik vind dat niet passen bij partijpolitiek en al helemaal niet bij GroenLinks dat zich profileert als seculier en progressief. Je zou het zelfs schijnheilig kunnen noemen.

In een commentaar van december 2020 vermoedde ik dat het de linkse partijen ontbreekt aan een goede antenne om kandidaten met een allochtone achtergrond te screenen zoals ze dat bij andere kandidaten doen. Maar dat weet ik drie maanden later niet meer zo zeker. Ik denk dat er met de kandidatuur van Bouchallikht iets anders aan de hand is. GroenLinks heeft bewust gekozen om haar te gebruiken om de aantrekkingskracht bij kiezers buiten de eigen achterban te vergroten. Tegelijk loopt de partij hiermee het risico dat kiezers afhaken vanwege de kandidatuur van Bouchallikht.

GroenLinks bleef ondanks kritiek achter haar kandidatuur staan. Die kritiek kwam niet alleen van buitenaf, maar ook van binnenuit. Zo zegde het voormalig TK-lid Zihni Özdil in december 2020 mede vanwege de kandidatuur van Kauthar Bouchallikht zijn lidmaatschap op de partij op. Partijprominent Meindert Fennema gaf aan bij de verkiezingen van 2021 niet op zijn partij te stemmen vanwege Bouchallikht. Zij zijn niet de enigen binnen GroenLinks die kritiek hebben op de hoge plaats van Bouchallikht op de kandidatenlijst.

In een interview voor het seculier-progressieve Vrij Links (zie fragment hierboven) botst Nevin Özütok, de nummer 17  op de kandidatenlijst van GroenLinks met de kandidatuur van Bouchallikht. Op de vraag ‘Hoe komt het dat een progressieve politicus die GroenLinks 100 procent zou moeten omarmen, zo laag staat?’ (en wordt impliciet gevraagd, de niet zo progressieve Bouchallikht zo hoog) antwoordt Nevin Özütok: ‘Echt begrijpen doe ik de kandidatencommissie ook niet.’

Nou, ik begrijp de kandidatencommissie van GroenLinks goed. De kandidatuur van Bouchallikht draait niet om ideologie of principes, maar om politieke marketing en electorale strategie. Want partijen kunnen dan wel trouw vasthouden aan hun overtuiging door uitsluitend kandidaten te nomineren die daarmee in lijn zijn, maar de kiezers die daar afstand van hebben worden dan niet bereikt. Verbreding van de lijst kan dus nut hebben om kiezers buiten de natuurlijke achterban te trekken. Dat is hier aan de hand.

Ik woon in Utrecht en kreeg afgelopen dagen bovenstaande flyer van GroenLinks in de bus. Daarop staan prominent twee foto’s van twee kandidaten afgebeeld. Een ervan is Kauthar Bouchallikht met haar foto met hoofddoek. Zij is geboren in Amsterdam en woont daar naar verluidt nog steeds. Waarom moet de Amsterdamse nummer 9 van de kandidatenlijst die geen bijzondere band met Utrecht heeft worden afgebeeld op een flyer die in Utrecht wordt verspreid?

De bedoeling lijkt duidelijk, namelijk via de marketing van Bouchallikht die met haar hoofddoek wordt gepresenteerd als moslim probeert GroenLinks kiezers te trekken buiten de eigen achterban van groen-links-seculier-progressieve kiezers. Zoals vroeger deze kiezers automatisch op de PvdA stemden zonder dat ze het partijprogramma kenden. Utrecht kent veel Marokkaanse-Nederlanders en migranten uit islamlanden. Dat partijen in een kieskring regionale of etnische aspecten mee laten spelen is niet ongebruikelijk, maar dat wordt het wel als een kandidaat op de lijst wordt gezet van wie talloze kaderleden zich afvragen wat die bij de partij te zoeken heeft omdat de kandidaat niet bij het DNA ervan past,

Naar mijn idee tekent de kandidatuur van Bouchallikht het morele failliet, het gebrek aan overtuiging en de doorgeslagen marketingstrategie van GroenLinks. Toegegeven, partijen halen in een verkiezingscampagne in paniek of als noodgreep soms vreemde streken uit die moeilijk te rijmen zijn met hun uitgangspunten of overtuiging, maar bij GroenLinks is het omgekeerde waar. De partij koerste er, zo vermoed ik nu, vanaf eind 2020 bewust op af om Kauthar Bouchallikht in te zetten voor haar politieke en electorale marketing. De flyer is er het bewijs van.

Wie ondanks alles toch overweegt om op GroenLinks te stemmen en zeker wil weten dat de stem terecht komt bij een seculier-progressieve kandidaat met een vrijzinnig hart en liefde voor de kunst weet nu welke naam wel aangekruist kan worden: Nevin Özütok, nummer 17 van GroenLinks.

Foto 1: Eigen afbeelding van flyer van GroenLinks die begin maart 2021 in Utrecht werd verspreid.

Foto 2: Schermafbeelding van deel interviewNevin Özütok (GroenLinks): “Het is echt alle hens aan dek’ met Nevin Özütok op Vrij Links, 6 maart 2021.

Verkiezingsdebatten zijn saai en voorspelbaar, en blijven braaf binnen de perken van de gevestigde orde

Verkiezingsdebatten op televisie of interviews met lijsttrekkers in taxi’s, kappersstoelen of studio’s, ik kijk er niet naar. Eerlijk gezegd begrijp ik niet waarom anderen er wel naar kijken. Wat valt er te halen of te ontdekken? Het ontgaat me volledig. Het is alleen leuk voor partijtijgers die bevestiging van en identificatie met hun kandidaat zoeken.

Verkiezingsdebatten gaan om herkenning en niet om miskenning. Het maken van onderscheid is weliswaar een functie van de journalistiek, maar als dat resulteert in het beschrijven van en toetsen van het bekende aan het bekende, dan verwordt het tot een lege en plichtmatige exercitie

Hetzelfde geldt de krantenkolommen waarin journalist, redactie of krant partijen vanuit hun perspectief doorlichten op blauwe of bruine ogen, kunst of geen kunst, man, vrouw of anders zijn. Het is saai en voorspelbaar en blijft braaf binnen de perken. Binnen de mentale ruimte van de gevestigde orde waar het draait om marketing, haalbaarheid, gespeelde menselijkheid en verkiesbaarheid.

Pseudo-kritiek van media die nooit doorbijten maakt het onnozel en vals. Het ligt zwaar op de maag en is niet voedzaam. Media houden met een show vol rituelen en harde afspraken het beeld van een Potemkin-façade in stand onder het mom het af te breken. Ze wijzen trots naar zichzelf en weerleggen kritiek door te verwijzen naar hun wapenfeit hoe kritisch ze durfden zijn tegen meneer A, mevrouw B of partij C. Tegelijk zijn ze close en onderhorig om hun toegang in stand te houden.

Media laten de politieke klasse als beroepsgroep geheel bewust buiten beeld. De Consumentengids van het vrije woord test de techniek, de levensduur, de prijs, de beschrijving in de gebruiksaanwijzing, maar vraagt zich niet af hoe zinvol het product voor Nederland is en wat we er eigenlijk voor kopen.

Verkiezingsdebatten en interviews met lijsttrekkers zijn bedrog van de nieuwsconsument door de media. In een gesloten een-tweetje. Politici zijn acteurs die een rol spelen en op hun persoonlijkheid worden bevraagd. Het is illusie die als werkelijkheid wordt gepresenteerd. Als fictie of tijdverdrijf heeft het nog enigszins een functie, maar als informatievoorziening heeft het de inhoud van een lege huls. Verkiezingsdebatten zijn het reservaat dat speciaal is bestemd voor de bescherming van politici.

Graag ben ik het eens met columnist Aylin Bilic die haar column van 4 maart 2021 in NRC zo besluit:

Foto 1: PubliciteitsfotoDe zes lijsttrekkers bij het RTL-verkiezingsdebat’ van het verkiezingsdebat van RTL op 28 februari 2021. Credits: ANP.

Foto 2: Still uit videoDe Hofkar – Afl. 5: Thierry Baudet’ voor Omroep PowNed.

Foto 3: Schermafbeelding van deel columnVerkiezingsdebat is geen potje armpje drukken’ van Aylin Bilic in NRC, 4 maart 2021.

Hoe moeten we de zinsnede ‘Identiteit is zeker in het linkse Nijmegen een vies woord’ opvatten?

Museum Het Valkhof is voorlopig gered met een bijdrage van de gemeente Nijmegen van 16 miljoen euro. Op termijn vloeit dat bedrag terug naar de gemeente, zo is het idee. Mede door achterstallig onderhoud gaat het dit museum al jarenlang slecht. Afhankelijk van geldschieters is het een probleemgeval geworden dat onderwerp van onderzoek, interim management en grootste plannen is. Conservatoren werden wegbezuinigd zodat het de vraag is wat de kunsthistorische kurk nog is waar dit museum op kan drijven.

Er wordt nu van alles beweerd, geclaimd en geschetst over de toekomst van dit museum. De Gelderse journalist René Arendsen zegt in een column voor Omroep Gelderland onder meer het volgende. Het heeft slechts zijdelings met het onderwerp te maken, maar mijn oog bleef er aan haken.

Arendsen breekt een lans voor de kunst en meent dat links in Nijmegen niks met identiteit heeft. Nu ken ik links in Nijmegen niet, maar links buiten Nijmegen heeft alles met identiteit te maken. Links buiten Nijmegen is identiteit. Het wordt zelfs als reden gegeven waarom links de steun van de witte ‘arbeiders’ verloren heeft omdat het de sociaal-economische onderwerpen, zeg de klassenstrijd die voltooi zou zijn, ingewisseld heeft voor het opkomen voor de emancipatie van vrouwen, homoseksuelen, migranten en welke minderheid dan ook en het bestrijden van het onrecht dat deze groepen zouden ervaren. Behalve de ‘arbeiders’.

Maar is dat dezelfde identiteit die Arendsen bedoelt? Wat bedoelt Arendsen als hij zegt dat identiteit in het linkse Nijmegen een vies woord is? Is het niet net andersom? Namelijk dat links in Nijmegen zoals elders sinds de jaren 1990 te veel is opgekomen voor een abstract idee van identiteit en daarom de gewone brood-en-boter onderwerpen heeft verwaarloosd inclusief de doelgroepen die belang hadden bij de aandacht ervoor? En spreekt hij zichzelf niet tegen omdat regionale identiteitspolitiek in Nijmegen springlevend is?

Het kan zijn dat Arendsen bedoelt dat links in Nijmegen niks heeft met kunst, erfgoed en culturele identiteit en hij stilzwijgend veronderstelt dat wij eten dat links alles heeft met de identiteitspolitiek van de sociale identiteit van bepaalde groepen, maar dat is een loze bewering omdat dit voor de hele politiek van Nederland geldt.

Geen enkele politieke partij in Nederland maakt zich op een vanzelfsprekende, oprechte en niet hijgerige manier hard voor kunst en benadrukt dat de Nederlandse taal, kunst, cultuur, wetenschap en geschiedenis onlosmakelijk samenhangen en het verdienen om bevorderd, gesteund en onderhouden te worden. Zelfs nationalistische partijen doen dit niet, hoewel het omgekeerde het geval lijkt als ze praten over Wilhelmus, Gouden Eeuw, VOC-mentaliteit of de joods-christelijke cultuur. Maar dat is beeldvorming en politieke marketing die niet door beleid wordt gevolgd.

Symbolische incidenten als de oprichting van een Nationaal Historisch Museum die door onder meer de SP werd geïnitieerd en steeds mislukten door interne verdeeldheid benadrukken het ontbreken van visie van de partijpolitiek op de nationale identiteit van Nederland. Alleen als men ermee kan scoren door het binnenhalen van een locatie voor zo’n museum wordt het belangrijk geacht. Of als partijen het kunnen invoegen in hun programma, bijvoorbeeld door het onderscheid met niet-Nederlandse elementen ermee te vergroten.

Het erin opgesloten idee dat nationale identiteit van Nederland met geschiedenis, taal, kunst en wetenschap telt en essentieel is en het verdient om vanuit de eigen verdiensten bevorderd te worden ontbreekt bij zowel de linkse als rechtse politiek. Identiteit wordt door de politiek altijd voor het eigen karretje gespannen. Omdat identiteit die identiteit is zich juist daar per definitie aan onttrekt is dat een zinloze en uitzichtloze poging tot inlijving. Waarschijnlijk bedoelt Arendsen het ook zo, maar hij zegt het anders.

Foto 1: Kabinetsfoto G. Korfmacher Nijmegen.

Foto 2: Schermafbeelding van deel columnMuseum Het Valkhof moet durven kiezen het mooiste verhaal van Nederland te vertellen’ van René Arendsen op Omroep Gelderland, 3 maart 2021.

Op wie moet ik stemmen op 17 maart 2021? Aflevering 3: peilingen, verwachtingen en Volt

In de aanloop naar de landelijke verkiezingen van 17 maart 2021 zijn grafieken belangrijk. Neem nou de bovenste van Politico die de peilingen in beeld brengt. Het zijn dagkoersen en vele kiezers zijn nog zwevend, maar er valt het volgende uit af te leiden: 1) De coalitiepartijen (VVD, CDA, D66, CU) handhaven met 76 zetel hun meerderheid en 2) In de nieuwe Tweede Kamer zijn 16 partijen vertegenwoordigd, waaronder het nieuwe JA21, Volt en Bij1. Naar verwachting zal hier de komende 2,5 week nog wel het een en ander in veranderen.

Op 24 februari 2021 plaatste ik op Facebook deze tekst met onderstaande grafiek: ‘Zoals velen onder ons weet ik niet op welke partij ik moet gaan stemmen bij de landelijke verkiezingen van 17 maart 2021, maar wil ik tegelijk de rechts-radicalen van PVV en FvD, de links-radicale SP en de almachtige VVD de pas afsnijden. Wat te doen?

De stemwijzers buitelen over elkaar heen en geven elke keer weer een andere uitkomst. Hierbij een afbeelding van de Kieswijzer 2021 die ik zojuist invulde. Omdat ik weet op welke partij ik niet zal stemmen, word ik langzaam wijzer. VOLT is de enige partij in mijn top 10 waar ik geen overwegende bezwaren tegen heb.

Maar een stem op VOLT is waarschijnlijk ook een verloren stem omdat het naar verwachting geen zetel behaalt. En wat is de zin om het aantal splinters te vergroten?

Ik ben dus geen snars opgeschoten. Ik kom er gewoonweg niet uit. Ligt dat nou aan mij of aan de povere kwaliteit van de huidige partijen en hun leiders?

Op dit Facebook-bericht kwamen vele reacties en er ontstond een leuke discussie. Enkelen namens het op voor de SP waarvan ze het onterecht vonden dat ik het een radicale partij noemde, anderen pitchten de eigen partij van hun keuze. Maar het meest opvallend vond ik dat net als ik vier mensen serieus overwegen om op Volt te stemmen. dat had ik in de verte vertel niet verwacht. Dat terwijl deze partij net als de potentiële nieuwkomer BIJ1 nauwelijks aan bod komt in de media. Ik heb lijsttrekker Laurens Dassen zelfs nog nooit in de media (of elders) gehoord.

Uit de grafiek van Politico blijkt trouwens dat Volt al sinds 31 januari 2021 op 1 zetel staat en een stem op deze partij daarom geen verloren stem is zoals ik vreesde. Mijn bezwaar tegen het aantal splinters wordt er echter niet mee weggenomen. Hoe gewenst is het dat de Tweede Kamer bestaat uit 15, 16 of zelfs 17 partijen? Want wellicht kan Code Oranje ook nog een zetel halen.

Ga ik dan op deze pan- en pro-Europese partij Volt stemmen bij gebrek aan beter? Dat terwijl ik zoals gezegd niet eens weet of de lijsttrekker zich staande kan houden. Het is nogal minimaal om voor een partij te kiezen omdat men er geen overwegende bezwaren tegen heeft. Dat is stemmen onder verdoving én met het mes op de keel. Dat getuigt niet van verbondenheid met een partij. Hoewel dat pan-Europese idee wel onderscheidend is en iets nieuws biedt in de Europese politiek. Maar als ik zeg niet te gaan stemmen dan krijg ik van mensen in mijn omgeving op mijn donder en zeggen ze dat dan mijn stem naar Rutte, Wilders of Baudet gaat. Hoe ze denken dat dat werkt is me overigens een raadsel, maar ze zeggen dat.

Ik heb het programma van Volt globaal gelezen en ben daar niet onverdeeld gelukkig mee. De marketingpraatjes en modieuze termen doen pijn aan de ogen. Het pro-kernenergie standpunt van deze partij (p. 12) komt niet overeen met mijn standpunt over energie. Maar wie de opwekking van energie door steenkool wil stoppen en al jaren ageert tegen de aanleg van gaspijplijn Nord Stream II die in de EU de afhankelijkheid van Russisch gas vergroot zal ergens mee in moeten stemmen. Want naar verwachting zal duurzame energie pas op de middellange termijn gaan doorwegen. De bouw van kernenergiecentrales vergt trouwens ook een lange adem, dus vraag ik me af waarom Volt dit in haar programma heeft opgenomen. Ik ben er nog niet uit. Niemand is perfect. Ik als kiezer niet en Volt als politieke partij evenmin.

NB: Zie voor eerdere afleveringen:

Foto 1: Grafiek van de peiling van Nederlandse landelijke verkiezingen door Politico (tot en met 28 februari 2021) .

Foto 2: Grafiek van de uitslag van de Kieswijzer 2021 die ik op 24 februari 2021 op mijn Facebook-pagina plaatste.

Waarom is er geen campagne om de SGP wegens anti-rechtsstatelijke beginselen te verbieden?

Je zou over het afwijzen van afgoderij en valse godsdienst door de SGP zomaar een stukje voor het satirische De Speld kunnen maken. Uit een item in Nieuwsuur met SGP-leider Kees van der Staaij bleek dat de SGP achter de eigen beginselen staat. Zo’n artikel zou dan als kop kunnen hebben: ’Nederland in de war omdat SGP zichzelf is’.

Artikel 1 van het beginselprogramma zegt: ‘De Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) streeft naar een regering van ons volk geheel op de grondslag van de in de Heilige Schrift geopenbaarde ordening Gods en staat mitsdien voor de handhaving van het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Artikel 36 van de Geloofsbelijdenis zegt onder meer: ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt.’

Dat dat iemand verbaast is het meest verbazingwekkende. Natuurlijk staat de SGP net als elke andere politieke partij achter de eigen beginselen. Het raadselachtige is niet dat deze partij deze beginselen heeft, maar dat het deze partij al jarenlang wordt toegestaan om ze te hebben. Waarom is de SGP niet verboden? Dat had allang geleden moeten gebeuren.

De SGP is een bedenkelijke partij waarvan het een wonder is dat die partij niet verboden is. Weliswaar is in 2008 het begrip ‘theocratie’ uit publicitaire overwegingen uit het beginselprogramma geschrapt, maar dat wil niet zeggen dat de partij nu de neutrale staat omarmt. Nee, dat doet het niet. In 2008 zei toenmalig partijleider Van der Vlies: ‘Ik heb moeite om een neutrale staat te aanvaarden. De overheid is Gods dienaresse. Dat uitgangspunt wil ik niet loslaten.’ Dat is niet veranderd.

Je kunt partijleider Van der Staaij een huichelaar met de gladheid van een paling noemen die veinst, zeg: een gereformeerde versie van het islamitische begrip taqiyya, maar pas wie het weet ziet het. De SGP is een foute partij die streeft naar een bestel waarin de staat zich onderwerpt aan het Woord van God. Dat is fundamenteel verkeerder dan de handige gluiperigheid van de actuele partijleider.

Anderen zien in de handige gluiperigheid van Kees van der Staaij trouwens ook een daarmee samenhangende schijnheiligheid van christelijke politiek en zelfs van het christendom in het algemeen. Maar dat wordt om politieke en maatschappelijke redenen afgeschermd terwijl de afscherming ook wordt afgeschermd. Met als gevolg dat elke fundamentele kritiek op het christendom bij voorbaat is ontkracht. Zo geeft het Kieskompas wel de stelling of de islam een bedreiging voor de Nederlandse waarden is, maar laat het na om ter discussie te stellen of het christendom een bedreiging voor de Nederlandse waarden is. Dat is in lijn met wat de SGP doet. Het valt aan zonder zich te hoeven verdedigen.

Zo komt de SGP nu al jaren weg weg met haar anti-rechtsstatelijke beginselen en is er geen serieuze oppositie om deze partij te verbieden. Men kan daar alleen maar verbaasd over zijn omdat als er een partij is die het verdient om verboden te worden dat wel de SGP is. De SGP benut de vrijheid van godsdienst om voor zichzelf en de eigen achterban op te komen door in het beginselprogramma anderen die vrijheid te ontzeggen. Nederland is even niet meer zichzelf omdat de SGP zichzelf is.

Foto: Schermafbeelding van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Rutte versus Wilders: Wat is het tegengif tegen de eigenbaat van de partijpolitiek die tot een verzwakte overheid leidt?

Met velen verbaas ik me al weken over de traagheid van de campagne om zorgmedewerkers, kwetsbare ouderen en andere risicogroepen te vaccineren. Het komt maar niet van de grond en het kabinet geeft de indruk de urgentie van snel prikken niet in te zien. In Europa bungelt Nederland onderaan als een van de landen dat het langzaamst op gang komt, terwijl de uitgangspositie vergeleken met sommige andere landen goed is. Wat gaat hier mis?

De reden voor deze labbekakkerigheid is niet duidelijk. Komt het door de tot op het bot uitgeklede ‘gerationaliseerde’ gezondheidszorg waar alles om de kosten draait? Komt het door de versnippering van verantwoordelijkheden binnen de zorgsector? Komt het door het disfunctioneren van de GGD’s? Komt het door het gebrek aan improvisatievermogen van alle betrokkenen en de doorgeslagen regelgeving die verlamt? Komt het door een disfunctionele minister Hugo de Jong die altijd meer belooft dan levert? Of komt het door een combinatie van deze aspecten die tot een perfecte storm van onvermogen en ontbrekende resultaten leidt?

De vraag is actueel omdat zich een tweede beleidsterrein aankondigt waar het opnieuw mis dreigt te gaan nu zich daar nieuw werk aan de winkel aankondigt. Namelijk het zo goed als onbestuurbare ministerie van Justitie en Veiligheid dat de afgelopen jaren zoveel brekebenen in de top had. Veelal laconieke VVD’ers die geen grip op de materie kregen. Het gaat om de opsporing en berechting van de relschoppers van de zwaarste rellen in 40 jaar en de analyse van de netwerken en geldstromen die de simpele geesten rijp hebben gemaakt om vernielzuchtig en opstandig de straat op te gaan.

Het valt te vrezen dat net als in de zorgsector de aanpak bij Justitie en Veiligheid zal falen. Hoewel de Nederlandse inlichtingendiensten internationaal goed bekend staan, is het nog geen uitgemaakte zaak dat de anonieme organisatoren van de demonstraties en vernielingen door hen in kaart zijn gebracht én als dat zo is of ze bereid zijn om hun informatiepositie bekend te maken door daarmee in de openbaarheid te treden voor de onderbouwing van de aanklachten. De opmerking van premier Rutte dat de overheid het niet alleen kan en de burgers mee moeten helpen om relschoppers aan te geven doet vermoeden dat het kabinet streeft naar aanklachten waarvoor burgers informatie leveren zodat de informatie van de veiligheidsdiensten geheim kan blijven en uitsluitend als dubbelcheck voor die burgeraanklacht dient.

De Nederlandse politie staat bekend als slecht georganiseerd aan de top met vooral strijd over competenties, overbelast en te klein in capaciteit. Dat leidt tot ophelderingspercentages die vergeleken met identieke buitenlandse regio’s opvallend laag zijn, hoewel de oorzaak daarvoor niet eenduidig te geven is. Het OM dat gaat over de strafvervolging deelt ook in de malaise. De Nederlandse politie staat dicht bij de burger, maar dat heeft als nadeel dat de drempel voor kwaadwillenden om geweld tegen de politie te gebruiken laag is vanwege het ontbrekende afschrikkingseffect. Een relschopper die weet dat hij hard aangepakt wordt en voor lange tijd achter de tralies verdwijnt past wel op om tijdens rellen een winkel te plunderen of een ziekenhuis te bestoken, zoals in Enschede gebeurde en in Den Bosch op het nippertje voorkomen kon worden.

Men zou hopen dat binnen de overheidsdiensten in een relatief stabiele politieke omgeving iedereen gewoon zijn of haar werk kan doen. Niet afgeleid door groteske hervormingsplannen, verlammende regelgeving, partijpolitieke spelletjes of te ver doorgevoerde bezuinigingen. Maar niet alleen doet de overheid niet wat het belooft, het geeft ook de tegenkrachten die de overheid af willen breken alle munitie om te scoren. Met als boegbeelden de stuntelende en beschadigde ministers Hugo de Jonge (CDA) en Ferd Grapperhuis (CDA) die in de marge van de electorale aanval van het CDA op de VVD dubbel zo irrelevant lijken. De realiteit is dat PVV-leider Geert Wilders daardoor makkelijk kan scoren.

In Nederland is de meerderheid aan burgers welwillend, ook wat de coronamaatrdegelen betreft, maar weet de overheid die steun niet te verzilveren doordat het die burgers uiteindelijk teleurstelt door de verbinding met hen geen prioriteit te geven. Daarnaast is de communicatie van de rijksoverheid over COVID-19 slecht doordacht, onlogisch en onduidelijk. De partijpolitiek van VVD, CDA, D66, PVV en andere partijen verkeert in zichzelf en vecht de strijd uit in het eigen reservaat Het Binnenhof. Een slecht voorbereid vaccinatieprogramma en een veiligheidsbeleid dat van incidenten aan elkaar hangt zijn gevolgen van een haperende overheid.

Deze vraag zou in een goed functionerende democratie niet gesteld hoeven worden omdat die beschamend, maar toch actueel is. Namelijk doen de tegenkrachten (Wilders en dergelijke) meer schade aan aan de overheid dan degenen die op dit moment de overheid besturen? Ik weet het antwoord niet.

Foto: Still uit Frankenstein (1931) met links Boris Karloff als Frankenstein.