Britse theatermaker Kumar pleit ook voor benoemingen op sleutelposities van mensen met ‘lage’ sociaaleconomische status. Het ontbreken van dat pleidooi is de blinde vlek van de Nederlandse kunst

Schermafbeelding van deel artikelAppoint people of colour to senior theatre roles, British Asian artistic director says; Pravesh Kumar says more diverse voices are needed to bring about creative change‘ in The Guardian, 8 januari 2022.

Interessante ontwikkeling in de Britse toneelwereld. Niet het feit dat de Brits-Aziatische theatermaker Pravesh Kumar pleit voor meer benoemingen op sleutelposities van mensen met een Aziatische achtergrond is bijzonder, maar dat hij in een adem ook pleit voor de benoeming van meer mensen met een ‘lagere’ sociaaleconomische status (‘arbeidersklasse’) is dat wel.

Dat is een slimme opstelling van Kumar omdat het diversiteit breder opvat dan doorgaans gebeurt. Zo worden de verschillen gender en huidskleur gerelativeerd die op dit moment politiek de meeste aandacht krijgen en het meest succesvol zijn en probeert Kumar het activisme van deze twee goed in de markt liggende verschillen aan te vullen met zijn pleidooi voor een bredere vertegenwoordiging.

Hij ziet het risico van politieke bewegingen die tijdelijk de wind mee hebben, maar voorziet dat dit niet duurzaam is. Dat wil hij voor zijn door een bredere basis onder de kunst te leggen met een bredere vertegenwoordiging die de structuur van de kunst en het draagvlak ervoor versterkt.

Kumar hoopt hiermee de vertegenwoordiging in de Britse toneelwereld evenwichtiger te maken, wat de stabiliteit voor de toekomst in zijn ogen verhoogt. Zijn overweging is dat mensen in de kunst uiteraard met hun eigen stem en met hun eigen visie problemen binnen hun eigen gemeenschap aan de orde kunnen stellen, maar dat hiermee het draagvlak voor de kunst van de toekomst niet op een hoger peil gebracht wordt.

In vele Europese landen staat de steun voor de kunst onder druk. Het links-radicale activisme kan de positie van de doelgroepen huidskleur en gender binnen de kunst versterken, maar verzwakt sectoraal het draagvlak van de kunst als geheel.

Niet alleen de rechtse politiek neemt om deze reden afstand van de kunst die hierdoor als ‘linkse hobby’ kan worden voorgesteld, maar ook de meer traditionele delen van de linkse politiek laten het afweten omdat ze zich niet volledig willen associëren met sociaal-culturele onderwerpen om het verwijt voor te zijn de sociaal-economische onderwerpen in te wisselen en in de uitverkoop te doen.

Kumar benoemt het in dit artikel in The Guardian niet, maar zijn bezwaren schemeren er wel doorheen. Het gevaar is dat er een nieuw elitarisme ontstaat volgens die nieuwe breuklijnen van gender en kleur als er op sleutelpositie geen mensen met een ‘lage’ sociaaleconomische status en ‘laag’ opleidingsniveau worden benoemd. Want die laatst groepen worden in de programmering dan onvoldoende bediend en haken af, zo is de redenering.

De politiek die daarop reflecteert heeft ermee een excuus én een reden in handen om de steun voor de kunst te verminderen. Als de kunstsector verstandig is loopt het daarop vooruit en probeert het niet eenzijdig te handelen volgens wat een links-radicale voorhoede van studenten, kunstenaars en kunstprofessionals haar influistert, maar redeneert het vanuit de lange termijn van de kunstsector die alleen kan overleven met breed maatschappelijk draagvlak en diverse creatieve impulsen.

Anders gezegd, om te overleven en overheidssubsidie te blijven ontvangen moet de kunstsector echt divers en inclusief zijn door alle achterstandsgroepen een betere vertegenwoordiging in de kunst te geven. Zodat pas werkelijk een brede diversiteit ontstaat die verder gaat dan de mode van vandaag. Dat hoeft niet door de rechtse politiek en de traditioneel linkse politiek direct een stem in de kunstsector te geven, maar wel door de mensen die deze politiek zegt te vertegenwoordigen beter tot hun recht te laten komen in de kunst via een bredere en meer diverse programmering.

Het is wachten op een uitspraak van een opinieleider in de Nederlandse kunst die pleit voor betere vertegenwoordiging in de kunsten van mensen die door hun sociaaleconomische status en opleidingsniveau niet aan de bak komen, niet gehoord worden en hun zaak in de publieke opinie niet kunnen bepleiten. Straks is de achterstand van mensen van kleur en vrouwen gedeeltelijk weggewerkt, maar is de achterstand van mensen met een ‘lage’ sociaaleconomische status en een ‘laag’ opleidingsniveau verder toegenomen. Het door kunstbobo’s niet zien van die verschillen is de blinde vlek van de Nederlandse kunst.

Musea en kunstinstellingen kunnen hun positie versterken tegenover activisten en politiek door serieus werk te maken van diversiteit en inclusie. Verbreding naar beperking, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd biedt kansen

Schermafbeelding van deel artikelMoeten we kunst van vrouwelijke kunstenaars wel bundelen?‘ van Wieteke van Zeil in de Volkskrant, 16 november 2021.

Voor wie van identiteitspolitiek houdt is koppelen, ontkoppelen, promoten en blokkeren van groepen een zichtbaar middel om zichzelf en de eigen groep of de groep waarvoor men zich sterk maakt te begunstigen. Er wordt op universiteiten, media en in musea tegenwoordig volop gebundeld. Dat is een proces dat voorlopig niet meer terug te draaien is. Het kan hooguit afgezwakt worden. 

Er is een analogie. Religie kan het best bestreden worden door het begrip van wat religie is te verbreden. De beste tactiek is dus niet de bestaande geharnaste religieuze organisaties frontaal aan te vallen, maar zijdelings. Door er meer van hetzelfde naast te zetten, zodat het idee van religie verwatert. Zodat de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster, de Church of Cannabis en allerlei organisaties die zich om welke redenen dan ook willen beschouwen als godsdienst juridisch en maatschappelijk op gelijke hoogte komen met bestaande godsdiensten. 

Zo werkt het ook met de begrippen diversiteit en inclusie, kortom de representatie van minderheden in de kunst. Tot nu toe worden die in de publieke opinie eenzijdig opgevat als een aangelegenheid van gender of huidskleur/etniciteit. Activisten op universiteiten en academies hebben daar de afgelopen jaren succesvol aandacht voor opgeëist. Dat betreft inderdaad minderheden die in de kunst ondervertegenwoordigd zijn, maar het hele verhaal is dat het niet de enige minderheden zijn die achtergesteld worden.

Het is zo dat binnen het scala aan verschillen tussen mensen door het hedendaagse activisme waar het management van musea en academies angstvallig voor door de knieën gaat de scheefgroei binnen de minderheden is toegenomen. Dat vertaalt zich in verdeling van budgetten, publiciteit en functies.

Door de begrippen diversiteit en inclusie op te vatten zoals het theoretisch in de code die onder meer het Mondriaan Fonds hanteert bedoeld is kan die scheefgroei gecorrigeerd worden. Het taboe binnen het taboe is dat gender en huidskleur/etniciteit politieke rugwind hebben en beperking, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd niet. Het huidige politieke klimaat maakt het praktisch onmogelijk om voor laatstgenoemde verschillen de aandacht te krijgen die ze verdienen. Het artikel in de Volkskrant werkt daar indirect en onbewust aan mee. Waarom luidt de kop niet ‘Moeten we kunst van kunstenaars met een lage sociaaleconomische status wel bundelen?

Het is niet zinvol om de geharnaste activisten op het gebied van gender en huidskleur/etniciteit die gaan voor meer representatie in collecties, media en in tentoonstellingen en trouwens goede argumenten hebben frontaal aan te vallen. Ze hebben in hun emancipatiestrijd posities veroverd en laten zich daar niet zomaar uit verdrijven. Want niemand geeft vrijwillig de eigen macht op. Ook niet degenen die dat doen onder het mom om de macht te willen herverdelen. Te beginnen met zichzelf. 

Voor wie dat politieke activisme van een goed georganiseerde minderheid van activisten op het gebied van gender en huidskleur/etniciteit wil relativeren is de beste tactiek om aandacht te vragen voor kunstenaars met een beperking, een lage sociaaleconomische status, een bescheiden opleidingsniveau en gevorderde leeftijd.

Er is nog een lange weg te gaan voordat deze achtergestelde groepen in media en bij musea en kunstinstellingen evenveel aandacht en budget krijgen als de op dit moment politiek populaire minderheden. Dat is een lang en complex proces van bewustwording bij alle betrokkenen met verschillende snelheden, verwachtingspatronen, machtsposities, afweermechanismen en emoties. 

Het is voor media of musea niet sexy om een oudere kunstenaar van 75 jaar, een stotterende of hinkende kunstenaar, of een kunstenaar met een lage sociaaleconomische status en een bescheiden opleidingsniveau die het publicitair niet goed doet en geen politieke statements uit de mouw schudt op het podium van een demonstratie op het Malieveld, aan de tafel van een talkshow, op een bijeenkomst van een politieke partij of op een kunstenaarsgesprek in een museum te presenteren. Maar het is hard nodig als de kunstwereld en de media de begrippen inclusie en diversiteit eindelijk gaan opvatten zoals ze theoretisch in de code gedefinieerd zijn. Breder dan ze nu opgevat worden. 

Inclusie in de kunst bestaat er voor beleidsmakers bij instellingen uit om verder te denken dan de waan van de dag en uit angst en gemakzucht het politieke activisme dat nu het best georganiseerd is en zich kan beroepen op de meeste politieke steun te bedienen. Echte inclusie is dat de musea en kunstinstellingen het opnemen voor de minderheden die slecht in staat zijn om voor zichzelf op te komen. Vanwege een ontbrekend netwerk, gebrekkige sociale handigheid of ontbrekende verbale en intellectuele kwaliteiten.

Winst voor musea en kunstinstellingen is in dat geval dat ze zich door deze Bewustwording 2.0 evenwichtiger en breder zullen kunnen opstellen en het initiatief en de geloofwaardigheid terug kunnen nemen die ze de afgelopen jaren door zowel de agitatie van genoemde activisten als de neerbuigendheid van de politiek verloren hebben.

Door het debat te verbreden kunnen musea en kunstinstellingen zich bevrijden van de eenzijdige claim waarmee hedendaagse activisten tot nu toe succesvol delen van de kunstsector gijzelen. Als musea zich maatschappelijk relevanter maken dan nu (wat iets anders is dan meegaan in een politieke mode) zonder overigens de te tonen kunst aan dat doel ondergeschikt te maken, dan maken ze zich ook sterker door zich minder afhankelijk te maken van de politiek die kunst en musea gebruikt als verlengde van de eigen beleidsdoelen.

Utrechtse motie die BOA’s dragen hoofddoek toestaat is ongewenst en heeft ongewenste effecten. Straks kunnen ze het pastavergiet van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster dragen

Schermafbeelding van de op 11 november 2021 aangenomen Motie 399Een inclusief uniform bij Toezicht en Handhaving‘ van de Utrechtse gemeenteraad.

Update 11 maart 2022: Transport Online laat in een bericht weten: ‘Ook buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) in dienst moeten er neutraal uitzien, vindt minister Dilan Yeşilgöz. Daarom komt zij met een richtlijn waar boa’s zich aan moeten houden. In de praktijk betekent het dat boa’s in dienst bijvoorbeeld geen keppel, kruis of hoofddoek meer dragen.’ Dat is een gewenste ontwikkeling omdat het de neutraliteit van de overheid bevestigt en een tik op de vingers geeft van gemeenteraden die daar iets te lichtzinnig aan voorbijgingen.

Op donderdag 11 november 2021 werd in de Utrechtse gemeenteraad Motie 399Een inclusief uniform bij Toezicht en Handhaving‘ aangenomen. Het gaat over het toestaan van godsdienstige uitingen van BOA’s. De motie werd ingediend door DENK (2), Student & Starter (2) en PvdD (2) en ondersteund door CDA (2), een lid van CU (1), D66 (10), GL (10), PvdA (3) en SP (2). Tegen stemden een lid van CU (1), PVV (1), Stadsbelang (1) en VVD (6).

De motie gaat over het toestaan van godsdienstige uitingen van BOA’s, zoals hoofddoekjes. Dat wordt in de motie op twee manieren verbreed en verhuld door ook ‘levensbeschouwelijke’ uitingen te noemen en een keppel als godsdienstige uiting te presenteren. De motie maakt niet duidelijk wat een en ander in de praktijk betekent. Uit de toelichtingen bij de motie blijkt dat het om de hoofddoek gaat. Andere uitingen worden er aan de haren bijgesleept.

Hoe breed de strekking van de motie is maakt een voorbeeld duidelijk. Een gevolg ervan is dat BOA’s die lid of sympathisant zijn van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster en volgens de richtlijnen van deze godsdienst of levensovertuiging worden geacht een pastavergiet te dragen voortaan in BOA-uniform met pastavergiet hun rondje over de Oudegracht of de Neude kunnen doen. De Kerk wijst daar in een bericht op de eigen site op. Het is anders dan dit bericht suggereert, want in de emancipatiestrijd die deze Kerk voert hoeft het niet eens als godsdienst erkend te worden omdat de motie ook levensbeschouwelijke uitingen betreft. Daar valt het pastavergiet stellig onder.

Schermafbeelding van deel berichtBOA’s mogen eindelijk het vergiet dragen!‘ op de site van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster

Als de motie wordt uitgevoerd en meer is dan een vehikel van DENK om de eigen islamitische achterban te bedienen (waar partijen als D66 en GL in zijn meegegaan), dan kondigt zich de volgende strijd al aan. Want dan kan aan leden van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster niet geweigerd worden om een pastavergiet bij hun BOA-uniform te dragen. Gesteld dat er Utrechtse BOA’s zijn die deze godsdienst belijden.

Dan treedt mogelijk de fase in van de reparatie van deze motie door het formuleren van een nieuwe praktische begrenzing die afstand neemt van de theorie in deze motie. Wordt dan de hoofddoek wel toegestaan en het pastavergiet niet? Dan wordt de rechtsongelijkheid niet bestreden, maar juist bevorderd. Dat kan niet de opzet van deze motie zijn. Het kan een interessante strijd opleveren tussen vrijzinnige en godsdienstige partijen in de Utrechtse raad.

Als de motie wordt uitgevoerd is de kans dus groot dat Utrecht er straks een toeristische attractie bij heeft: handhavers en toezichthouders van de gemeente Utrecht in uniform met een pastavergiet op het hoofd. Utrecht wordt één groot fotomoment. Wie weet wat voor uitingen andere godsdiensten en levensovertuigingen nog in petto hebben die het BOA-uniform ongewild kunnen opfleuren. De internationale pers zal er vermoedelijk ruime aandacht aan besteden. In de stad van Erich Wichman, Joop Moesman, Pyke Koch, Gerrit Rietveld en Dick Bruna herleeft het vooroorlogse surrealisme. Niet in de kroeg of in de kunsthandel, maar op straten en pleinen.

Hoewel ik de waarschijnlijk onbedoelde handreiking waardeer die deze motie doet naar de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster betreur ik het toch dat de motie is aangenomen en acht dat onverstandig. De onderbouwing ervan komt op mij mager en theoretisch over en komt niet verder dan te wijzen op de wenselijkheid van een beleid inzake diversiteit en inclusie. Dat is begrijpelijk in een tijd waarin identiteitspolitiek universiteiten, media en politiek overspoelt, maar als de praktische gevolgen niet zijn uitgewerkt of goed doordacht schiet dat toch tekort en lijkt in Utrecht de waan van de dag te regeren.

Mijn grootste bezwaar ertegen is dat vertegenwoordigers die in naam van de overheid optreden en die overheid representeren een neutrale opstelling dienen te hebben. Dat geldt vooral de zichtbare handhaving op straat. Voor kantoorbanen van overheidsbeambten die niet in contact komen met publiek geldt een andere afweging omdat de symboolfunctie van een neutrale opstelling niet aan de orde is. Opleggen van neutraliteit is de aanvaarde beperking die de staat kan toepassen om grenzen te stellen aan grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst. Die beperking met het oog op het algemeen belang wordt doorkruist in deze motie waar tuchteloos individualisme, ik kan het niet anders zien, in te herkennen valt.

De paradox van de motie is dat met een beroep op de rechten van het individu niet de gemeenschap, maar het individualisme van een zich emanciperende gemeenschap de focus is. Dat is ongewenst omdat daarmee het individu boven de overheid wordt geplaatst. Notabene met toestemming van partijen als CDA, D66, PvdA en GL. Zo verkruimelt het gezag. De Nationale BOA Bond formuleert in een tweet hetzelfde bezwaar tegen de Utrechtse motie:

Tweet van de Nederlandse BOA Bond, 13 november 2021.

Tot wat leidt spanning in de Code Diversiteit en Inclusie?

Schermafbeelding van een deel van de FB-paginaCode Diversiteit & Inclusie‘, 27 oktober 2021.

De Code Diversiteit en Inclusie in de culturele sector (april 2021) werpt een schaduw over de kunsten. Het Mondriaan Fonds hanteert deze gedragsregel. Veelzeggend is een opmerking in een vacature van dit Fonds voor een adviseur diversiteit en inclusie: ‘Daarbij word je nadrukkelijk gevraagd om je eigen perspectief mee te nemen naar de vergadertafel. Wel vragen we je over je eigen voorkeuren heen te kijken en een moreel of politiek oordeel te vermijden‘.

Uit deze twee zinnen blijkt spanning. Het is de vraag hoe reeël het is om van een adviseur met een ‘eigen perspectief‘ te verlangen om werkzaam te zijn zonder ‘een moreel of politiek oordeel‘ en wat dit zegt over het beleid dat het Mondriaan Fonds nastreeft. Ofwel, vraagt het Fonds het onmogelijke van adviseurs en hoe goed is het in staat om beleid door te voeren als bijna onmogelijke eisen aan de eigen medewerkers worden gesteld? Wat zegt dat over de status van de Code Diversiteit en Inclusie?

Spanning is het woord dat in de Code Diversiteit en Inclusie zit. Immers toch een grabbelbak van ongelijkheid waarin het compromis tussen belangen valt te herkennen. Spanning speelt op het vlak van de verschillende vormen van verschil in diversiteit en inclusie die afzonderlijk niet evenveel aandacht krijgen of even belangrijk worden geacht door de beleidsmakers en op het vlak van zichtbaarheid van verschillen van diversiteit die tot een hiërarchie leidt waarbij zichtbaarheid politieke steun op het hoogste niveau krijgt. Etniciteit en gender hebben de hoogste aandacht.

Onderstaande reactie plaatste ik op de FB-pagina ‘Code Diversiteit & Inclusie‘ omdat daarin de spanning valt te herkennen tussen de vormen van diversiteit en inclusie. Omdat die reactie op deze pagina nauwelijks of niet terug te vinden is, plaats ik die ook hier. Ik meen dat de mensen achter deze pagina moeite doet om het ‘breed’ te houden, maar er toch niet goed in slagen. Of dat komt door gebrek aan content, door een politiek of moreel vooroordeel van henzelf, door een gebrek aan urgentie of door een beleid van hogerhand dat selectiviteit oplegt vraag ik me af:

Schermafbeelding van deel brochureCode Diversiteit & Inclusie in de culturele sector‘.

De Code Diversiteit en Inclusie zegt op p. 6: ‘De code is van origine gericht op culturele diversiteit. Daarnaast geeft de code ruimte aan meer vormen van verschil, zoals gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd‘.

Ofwel, deze versie van de Code Diversiteit en Inclusie is divers en dient breed geïnterpreteerd en uitgevoerd te worden. Maken deze FB-pagina en de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie dat waar?

Daar lijkt het niet op. Het lijkt er sterk op dat de coördinatoren van de FB-pagina ‘Code Diversiteit & Inclusie‘ weinig ruimte geven aan ‘meer vormen van verschil’. Na het scrollen van de FB-pagina resteert een eenzijdig beeld van diversiteit in de culturele sector. Na lezing van de FB-pagina lijkt dat diversiteit en inclusie in de kunsten vooral over zwart/wit en gender gaat. 

Zoals gezegd, dat roept de vraag op of het in lijn is met de eigen definitie die als richtlijn voor het beleid kan worden gezien. Anders gezegd, maakt deze FB-pagina de claim waar dat het werkt ‘aan een gelijkwaardige sector voor iedereen’?

Is het erg dat de FB-pagina ‘Code Diversiteit & Inclusie’ diversiteit niet divers maar beperkt opvat? Want dat lijkt hier toch wel aan de orde te zijn en uit de gekozen focus voor enkele vormen van diversiteit en inclusie geconcludeerd te kunnen worden.

Waar laat dat de claim dat er door de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie gewerkt wordt aan een gelijkwaardige sector voor iedereen? In het debat over diversiteit en inclusie lijken tot nu toe de aandacht voor sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd zo goed als te ontbreken.

Men kan zich afvragen hoe beleid met zo’n eenzijdige focus heeft kunnen ontstaan die aantoonbaar in strijd is met de eigen uitgangspunten. Wat is hier aan de hand?

Het kan zijn dat de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie en de gelijknamige FB-pagina voornamelijk verslag doen van wat er in de kunsten gebeurt. Ze volgen en kunnen er niet meer van maken dan wat ze tegenkomen in het culturele veld. Als daar nauwelijks aandacht is voor sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd, dan doen ze daar nauwelijks verslag van. De keerzijde daarvan is dat ze de politiek populaire onderwerpen juist veel aandacht geven omdat daar in de media en bij instellingen veel aandacht voor is.

Hoe verhoudt zich dat tot de claim dat de mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie werken aan een gelijkwaardige sector voor iedereen? Wat betekent iedereen als iedereen aantoonbaar niet iedereen is? Waarom wordt de claim over iedereen en de vele vormen van diversiteit en inclusie gehandhaafd als die in de praktijk niet gehandhaafd wordt?

Kan de claim dat er aan een gelijkwaardige sector voor iedereen gewerkt worden voor de duidelijkheid en de eerlijkheid dan niet beter losgelaten worden? Dat is beter dan de pretentie van diversiteit en inclusie die bij nader inzien niet lijkt te kunnen worden waargemaakt. Dat geeft een façade van schone schijn waarachter de genoemde vormen sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd verdwijnen. Het is zelfregulering met een valse noot die niet harmonieus kan klinken.

Ik ga uit van de goede bedoelingen van alle mensen en brancheverenigingen achter de Code Diversiteit en Inclusie. Ik beschouw ze als onderaannemers van een beleid dat nog niet goed uitontwikkeld is. Dus beterschap is mogelijk. Mijn overwegingen komen niet voort uit kritiek op de wat ik als bovenmatige aandacht zie voor de vormen van diversiteit waar nu zoveel aandacht aan wordt besteed. Zoals de zwart/wit en gender aangelegenheid. 

Mijn zorg is anders. Ik constateer dat sociaaleconomische status en opleidingsniveau in Nederland in het debat over diversiteit en inclusie in de kunsten onzichtbaar zijn en zo goed als ongenoemd blijven. Er lijkt evenmin een tendens te zijn die op verbetering wijst. Deze ongelijkheid in aandacht voor verschillende vormen van diversiteiten en inclusie wordt door de aandacht voor de Code Diversiteit en Inclusie niet doorbroken, maar juist behouden. Zo beredeneerd lijkt het er sterk op dat de Code Diversiteit en Inclusie averechts werkt.

Aandacht voor sociaaleconomische status en opleidingsniveau in de kunsten lijkt een taboe dat culturele instellingen uit de weg gaan. Juist dan lijkt er een taak weggelegd voor het ministerie van OCW, het ministerie van SZW, het Mondriaan Fonds en alle in de Code Diversiteit en Inclusie samenwerkende brancheverenigingen en de publiciteitsmedewerkers die namens hen werkzaam zijn en de FB-pagina vullen met berichten over diversiteit en inclusie om diversiteit zo breed op te vatten zoals het bedoeld is. Zodat niet in theorie, maar in praktijk gewerkt wordt aan een gelijkwaardige sector voor iedereen.

Gesprek op de Mont Absurd. Moet op universiteiten kunst worden gecontroleerd?

Sparren en Mont-Blanc

Het is een nauw pad de berg Mont Absurd op. Het massief ligt diep verscholen in het academische departement. Het is een tocht tussen het wegwerken van ongelijkheid en het beperken van vrijheid. De overmaat van het een betekent een tekort van het ander. Het woord dat de reis karakteriseert is behoedzaamheid. Er dient voorzichtig te worden gelopen.

Gesprek op den Drachenfels (1835) van Jacob Geel is in de Nederlandse literatuur het voorbeeld van een tweegesprek tussen twee uiteenlopende meningen. In dit geval tussen het classicisme en de romantiek. Een Gesprek op de Mont Absurd zou een tweegesprek tussen een vertegenwoordiger van de totale vrijheid en identiteitspolitiek kunnen zijn.

Een routebeschrijving voor de tocht de Mont Absurd op is de ‘Handreiking voor het opstellen van een gendergelijkheidsplan‘ van de Adviescommissie Divers en Inclusief Hoger Onderwijs en Onderzoek die onder leiding van VU-rector Vinod Subramaniam is geschreven. Universiteiten staan onder druk van de EU om eisen over diversiteit door te voeren, al is het planmatig. Sanctie is een stop om deel te nemen aan Europese programma’s, zoals Horizon Europe, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie. In Nederland is het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de intermediair tussen EU en universiteiten.

De ‘Handreiking‘ leest als een inventarisatie en bundeling van journalistieke verslagen en notities die losjes met elkaar samenhangen. Het is een aanzet tot een aanzet. Het is een verkennend stuk over een onderwerp in ontwikkeling. In dit geval gendergelijkheid. De TomTom is niet ingeschakeld omdat het terrein nog niet in kaart is gebracht. Er hangt dikke mist die het zicht beperkt. Het is blindvaren op een nieuwe radar die nog niet gekalibreerd is. Botsingen en ontsporingen zijn niet uitgesloten.

Schermafbeelding van deel ‘Handreiking voor het opstellen van een gendergelijkheidsplan‘ van de Adviescommissie Divers en Inclusief Hoger Onderwijs en Onderzoek, 15 juni 2021.

Een voorbeeld van het voorlopige en verwarrende karakter van de handreiking is het aandachtspunt ‘Controleren van de fysieke omgeving‘. Daar wordt ook kunst genoemd. Er wordt verwezen naar de Engelstalige versie van het verslagDiversere beelden van de universitaire geschiedenis‘ van de Universiteit Leiden. Overigens is dat ‘Diversere‘ in de titel geen gangbaar Nederlands, hoewel dat mogelijk een Leidse variant van het Nederlands is.

Dat verslag van de Universiteit Leiden noemt drie initiatieven om een meer divers beeld van de academische geschiedenis te geven. Een ervan heeft met kunst te maken: twee sculpturen van vrouwelijke wetenschappers, astrofysicus Ewine van Dishoeck en classicus Ineke Sluiter.

Schermafbeelding van deel artikelDiversere beelden van de universitaire geschiedenis‘ van de Universiteit Leiden, 4 februari 2021.

Het toont onschuldig bij de Universiteit Leiden. De inzet is dat er meer vrouwen in beeld dienen te worden gebracht. Dat gaat niet ten koste van mannen of andere gendercategorieën, maar corrigeert een maatschappelijke ongelijkheid. Het is lastig om geen sympathie te hebben voor dit voorbeeld dat iets rechtzet.

Wie echter teruggaat naar de ‘Handreiking‘ die spreekt over ‘kunst’ bij het aandachtspunt ‘Controleren van de fysieke omgeving‘ en dat letterlijk neemt weet niet wat de bedoeling is. Dat ‘Controleren van de fysieke omgeving’ roept een beeld op van controleurs in dienst van een autoritaire leider die met hun telefoon door universiteiten lopen om foto’s te nemen van kunst die volgens hen niet door de beugel kan. Of door de beugel van de EU, het ministerie van OCW en de betreffende universiteit.

Slordigheid, ongelijksoortigheid en het ontbreken van fijngevoeligheid zijn het gevaar van dit soort verkennende notities. Ze geven voeding aan kwaadwillenden door niet zorgvuldig te werk te gaan. Deels is dat onvermijdelijk omdat het een inventarisatie betreft, maar deels is het onnozel om niet te beseffen hoe politiek gevoelig het debat over identiteit ligt. Zeker als het wordt gecombineerd met de sector kunst die als vanouds bekendstaat als een maatschappelijke vrijplaats waar per definitie sturing van bovenaf ongewenst is en afgewezen wordt.

De ‘Handreiking‘ zet als vertegenwoordiger van identiteitspolitiek argeloze passen de Mont Absurd op door kunst in te bedden in het aandachtspunt ‘Controleren van de fysieke omgeving‘. De opzet is goed, maar de framing is fout.

Het misplaatste beroep op identiteit van een christelijke propagandist

Ook christenen haken in hun beeldvorming aan bij het huidige debat over identiteit. Dat is handige marketing. Deze nieuwe apartheid sluit mensen uit, sluit mensen op en sluit mensen in.

Christelijke propagandisten gebruiken de nieuwe apartheid om medestanders ‘in eigen kring’ voor te spiegelen dat ze hun identiteit ontlenen aan hun verbondenheid met Jezus. Wie iemand is wordt volgens deze propagandisten bepaald door Jezus. De persoon die het betreft lijkt er zelf niet meer over te kunnen beslissen. Die persoon treedt in met als gevolg dat de beslissing over identiteit wordt afgestaan en overgaat naar de organisatie die voortaan de identiteit beheert.

Dit reclamepraatje van een christelijke propagandist maakt duidelijk dat identiteit een goed middel is voor gesloten gemeenschappen om leden te rekruteren, te motiveren en aan zich gebonden te houden. In de Fondsenwerving praat men over het upgraden van donors. Dat gebeurt hier. Leden van de doelgroep worden naar binnen getrokken met de opzet om ze zo lang mogelijk vast te houden. Ze vergroten door hun aantal het belang van de gemeenschap en zijn potentiële geldschieters die voor allerlei deeldoelen kunnen worden aangesproken. Zijdelings vergroot het aanpraten van een christelijke identiteit de financiële armslag van de gesloten gemeenschap.

Deze propagandist beheerst het modieuze taalgebruik tot in de toppen van zijn vingers. Hij zegt: ‘Omdat ik zoveel christenen om me heen zie die niet wandelen in de kracht en autoriteit die ze van God hebben ontvangen. Als ik kijk naar het boek Handelingen, zie ik daar christenen in die kracht wandelen‘. Kortom, christenen worden door deze propagandist geacht in de kracht van God te wandelen. Dat roept een beeld op van weleer. Een beeldtaal die aansluit bij de voormalige protestante zuil van wandeltochten met vaandels, gezangen en ingehouden blijdschap die dynamiek, energie, flinkheid, macht en massa uitstralen.

Waarom zou iemand zich over leveren aan een gesloten gemeenschap door de identiteit af te geven? Dat laat de persoon wiens identiteit ontnomen wordt zonder beslissingsbevoegdheid om het eigen lot te bepalen. Of te veranderen door een andere weg te kiezen.

Identiteit is meervoudig. Zelfs als men niet meedoet aan de modieuze race van uitsluiting van en afrekening met anderen of zelfprofilering gebruikt als middel van emancipatie ten koste van anderen door zich tegen hen af te zetten.

Ik weiger deel te nemen aan die polarisatie. Ik zie meer nadelen dan voordelen in die nieuwe apartheid. Wat doet het ertoe of ik wit ben en man als dat niet alles zegt over wat ik denk en wat mijn opvattingen zijn? Ik sta me er niet op voor en wil er evenmin op aangesproken worden.

Eenzijdigheid is het gevaar én de beperkende kracht die op termijn tot fragmentatie kan leiden voor gesloten gemeenschappen die op basis van een specifiek aspect van identiteit dat op dat moment in de mode is (religie, huidskleur, gender) leden binnenhengelen van wie het de vraag is hoe hun opvattingen zijn. En hoe andere -minder trendy- aspecten van identiteit (beperking/handicap, leeftijd, sociaaleconomische status) daarbij passen. Want hun identiteit bepaalt dat niet.

Daarom is het debat over identiteit een doodlopende weg in het publieke debat waar we blijkbaar doorheen moeten. Op een gegeven moment zullen we met z’n allen aan het eind van die weg om moeten keren. Maar zover is het nog niet. In de tussentijd maken vlotte voorvechters gretig gebruik van hun eenzijdige claim op identiteit om personen in hun netten te vangen.

Joop vermengt feiten en meningen. Het ontwaart een ‘racistisch’ verbod van een badmuts

Schermafbeelding van deel artikelZwembond overweegt ‘racistisch’ verbod op afro-badmuts terug te draaien‘ op Joop, 5 juli 2021.

Toen ik de kop van dit artikel van Joop (VARA/BNN) las dacht ik dat het satire was. De Speld of The Onion

Waar bestaat een ‘racistisch’ verbod op een badmuts uit? De zogenaamde ‘Soul Cap’ die Britse zwemmers gebruiken. Dat Joop het ook niet zeker weet blijkt uit het verschil tussen de tekst en de verwijzing ernaar op FB. In de kop van de tekst wordt het begrip racistisch gerelativeerd door het tussen aanhalingstekens te zetten. Op FB doet Joop dat niet. Wat is het, Joop? 

Na lezing van het artikel weet ik dat de vorm van de badmust niet zozeer slechts zijdelings met racisme te maken heeft, maar wel met onevenwichtige verslaggeving en stemmingmakerij. Joop zet bevolkingsgroepen tegen elkaar op. 

Joop maakt er een journalistieke warboel van door feiten en meningen te vermengen. Dat is opinie noch een feitelijk verslag. Het is een hybride en hysterische vorm van gestook.

De kern van het debat over de ‘Soul Cap‘ gaat om iets dat Joop niet uit de internationale media overneemt. Want daar baseert het zich duidelijk op en ontleent argumenten aan. Namelijk het gebruik van materiaal in de topsport dat aan strenge voorwaarden dient te voldoen omdat het door innovatie of veranderingen atleten voordeel kan opleveren.

De sportwereld is per definitie conservatief om veranderingen door te voeren. Denk aan de klapschaats of het gewicht of de stroomlijn van fietsen of Formule-1 racewagens. Consensus is dat veranderingen tijdig aangekondigd moeten worden zodat alle atleten zich erop voor kunnen bereiden om er desgewenst gebruik van te maken. Het is kort dag om de ‘Soul Cap‘ nog voor de Olympische Spelen in Tokio door te voeren die al op 23 juli 2021 beginnen. Bij de internationale zwembond FINA zijn 209 landen aangesloten.

Wat doet Joop? Het kiest selectief uit de argumenten en overwegingen die de internationale media opsommen en slaat automatisch aan op de termen inclusie en diversiteit. Dat is een aangeleerde Pavlovreactie als er ook maar een suggestie van achterstelling aan de horizon wordt verondersteld.

Internationale media als USA Today en The Guardian hebben verslag gedaan van de overwegingen van de FINA over genoemde badmuts. Maar geen van deze media noemt een verbod racistisch of ‘racistisch’. Ze sommen de nadelen op voor zwarte atleten die het moeten doen met de traditionele badmuts die hun Afro-kapsel niet kan bergen. Maar geen ervan zegt met zoveel woorden dat dat nadeel een gevolg van een racistisch verbod is. Dat is een bespreekpunt dat vooral in het hoofd van Joop en de Joop-gezinden bestaat.

Klaus-Dieter Lehmann: ‘Kunst moet vrij zijn’. Hoe verhoudt zich dat tot de eis van diversiteit die overheden aan de kunstsector stellen?

Klaus-Dieter Lehmann is president van het Duitse culturele Goethe Institut. Hij houdt een toespraak bij de aankondiging van de uitreiking van de jaarlijkse Goethe-Medailles op 28 augustus 2020 aan Zukiswa Wanner, Elvira Espejo Ayca en Ian McEwan. Ze worden namens de Duitse staat uitgereikt. Het motto van 2020 is ‘Verdraag tegenspraak – de opbrengst van tegenspraak’ (Widerspruch ertragen – der Ertrag des Widerspruchs).

Het Goethe Institut geeft een toelichting over de toekenning en de laureaten. Lehmann ziet de coronacrisis meer dan een virologisch probleem als hij zegt: ‘Het verandert samenlevingen door wederzijds isolement, desinformatie en tegenstrijdigheden. We willen deze ontwikkeling trotseren en niet afzien van de uitreiking van de Goethe-medaille. We versterken wat hen verbindt met een grensoverschrijdend digitaal netwerk van cultuur en zullen zo nieuwe alternatieven en processen krijgen als gevolg van de tegenstrijdigheid.’

Interessant is dat Lehmann stelt dat kunst vrij moet zijn en niet onderworpen aan externe beperkingen. Wie die lijn doortrekt stuit echter op een tamelijk nieuwe tegenstelling. Want de politiek of cultuurfondsen die van overheidsgeld afhankelijk zijn leggen tegenwoordig kunstinstellingen normen op over diversiteit en inclusie. Weliswaar formeel vrijblijvend, maar praktisch gedwongen gezien de economische afhankelijkheid van de kunstsector van overheidssubsidies. Zonder dat hij dat ondubbelzinnig zegt, kan uit Lehmanns woorden afgeleid worden dat de eis van diversiteit een ongewenste externe beperking van de kunst vormt. Dat is de tegenstrijdigheid waar hij omheen praat. Zoals alle hedendaagse beleidsmakers zich over deze eisen aan de kunstsector van de domme houden omdat ze beseffen dat eisen over diversiteit en inclusie afbreuk doen aan de vrijheid van de kunst. De eisen vergroten zelfs de grip van de overheid op de kunstsector. Kunstenaars hebben daar kritiek op, maar zijn machteloos om zich ertegen te verzetten omdat ze afhankelijk van overheidssubsidies kunnen zijn. Dat terwijl Lehmann een pleidooi voor diversiteit houdt en dat tot uiting komt in de toekenning aan drie ‘tegensprekende’ kunstenaars uit drie continenten. Hoe dan ook houdt Lehmannn een mooi humanistisch verhaal dat de noodzaak van kunst benadrukt. Met tegenstrijdigheden en tegenspraak.

Afrika Museum staakt marketingcampagne na kritiek. Het toont de beperkte houdbaarheid van het management van het NMVW

Update 4 januari 2021: Positief nieuws voor het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMVW): directeur Stijn Schoonderwoerd vertrekt naar Nationale Opera & Ballet waar hij per 1 februari 2021 algemeen directeur wordt. Dat geeft zicht op een nieuwe koers, weg van het populisme en de politieke correctheid die tijdens Schoonderwoerds directoraat werden doorgevoerd. Met als gevolg dat het NMVW afgelopen jaren in coma is geraakt.

Zijn vertrek geeft ruimte aan museumprofessionals en professioneel handelen bij het NMVW waar het afgelopen jaren zo aan heeft ontbroken. Voorwaarde is wel dat Schoonderwoerd niet opgevolgd wordt door een meeloper die nu al in dienst is, maar door een krachtige buitenstaander die schoon schip maakt. Niet een softe wereldverbeteraar als Schoonderwoerd die het niet om de kunst gaat, maar een (kunst)historicus met ruime museale ervaring. Maar of de Raad van Toezicht  schoon schip durft maken is zeer de vraag. 

Een teken aan de wand dat de huidige koers wordt voortgezet is de benoeming van Wayne Modest tot inhoudelijk directeur, aldus een bericht van het Tropenmuseum. Volgens Schoonderwoerd is door de benoeming van Modest de ‘continuïteit in de directie na mijn vertrek verzekerd. Ik vertrek dan ook met een gerust hart, in de wetenschap dat met Wayne als inhoudelijk directeur ons beleid wordt voortgezet.’ Maar dat is juist wat niet moet gebeuren. Vraag is hoe Modest er zelf over denkt. Dat is de onzekere factor, naast het feit wie er tot algemeen directeur wordt benoemd en hoe de Raad van Toezicht denkt. De twee ‘Rotterdamse’ leden in de Raad van Toezicht kunnen hun kans grijpen om te eisen dat de onder Schoonderwoerd verwaarloosde Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum serieus wordt genomen. Dat kunnen ze als eis aan de nieuwe algemeen directeur stellen. 

Het Afrika Museum in Berg en Dal betuigt spijt over bovenstaande video die onderdeel is van een marketingcampagne. Na een ‘storm van kritiek’ uit de zwarte gemeenschap is de campagne ingetrokken, aldus een bericht van Omroep Gelderland. Het museum is onderdeel van het NMVW (Nationaal Museum van Wereldculturen) dat centralistisch geleid wordt. Als er fouten zijn gemaakt dan moeten die toegerekend worden aan de directie van de NMVW. In dit geval directeur Stijn Schoonderwoerd, adjunct-directeur John Sijmonsbergen en hoofd marketing Nienke Bloemers. De drie musea van het NMVW hebben geen locatiehoofd en kunnen niet autonoom programmeren of een eigen marketingbeleid voeren. Deze museum zijn naast het Afrika Museum, Museum Volkenkunde in Leiden en het Tropenmuseum in Amsterdam. Het Rotterdamse Wereldmuseum is sinds 2017 formeel een samenwerkingspartner van de NMVW, maar is in de praktijk net zo gelijkgeschakeld als de andere drie musea onder het straffe management van de koepel NMVW.

De ontspoorde marketingcampagne van het Afrika Museum is des te opmerkelijker omdat het NMVW een politiek correcte koers vaart. Het combineert een linksig-humanistisch wereldbeeld met een populistische programmering en marketing. Dat leidt tot thema’s die het bij de politiek goed doen en waaraan het NMVW zich geen buil kan vallen. Dat het met de marketingcampagne voor Dagje Ghana is misgegaan wekt dan ook verbazing. De voormalige tentoonstellingsmaker Richard Kofi heeft het volgens Omroep Gelderland over een ‘ridiculicerende’ campagne. De sleutel van wat er bij het NMVW aan de hand is zit in zijn volgende opmerking: ‘Een klap in het gezicht van iedereen die tijd, geld en energie heeft gestoken in dat museum.’ Door de afstand tussen de werkvloer inclusief de museale en inhoudelijke deskundigen én het management van het NMVW dat fysiek en mentaal in een ivoren toren op afstand staat kunnen dit soort bedrijfsongelukjes blijkbaar gebeuren.

Het management van het NMVW is een overwegend witte organisatie met een zwarte (Wayne Modest) en negen witte stafleden waar de theorie de praktijk bepaalt. Dat spoort met de kritiek van ‘de zwarte gemeenschap’ op de campagne volgens Omroep Gelderland: ‘Uit de reacties op de campagne blijkt dat het om meer dan de campagne alleen gaat. Het museum wordt algeheel als ‘te wit’ ervaren. Afrika wordt nog te veel bezien vanuit een wit perspectief en bij het museum werken volgens de critici te weinig mensen met een Afrikaanse achtergrond. Juist een museum over een continent als Afrika zou veel bewuster bezig moeten zijn om zaken als diversiteit en inclusie te verankeren in het dna van de organisatie, luidt de kritiek.’ Dat is terechte kritiek die in het bericht van Omroep Gelderland verkeerd geadresseerd wordt. Organisatorisch bestaat er geen Afrika Museum. Het is directeur Stijn Schoonderwoerd die eigenmachtig vanuit de koepel NMVW de lijnen uitzet en bepaalt. Nu het mis gaat houdt hij zich om begrijpelijke redenen onzichtbaar.

Diversiteit is niet het belangrijkste, inclusie wel

De woorden inclusie en diversiteit worden door elkaar gebruikt. Maar ze zijn niet inwisselbaar. Een voorbeeld maakt dat duidelijk als de in Marokko geboren politievrouw Fatima Aboulouafa (die vanwege haar kritiek door de politieleiding op non-actief is gezet) in een interview in NRC zegt: ‘Toch is het belangrijkste niet diversiteit, maar inclusie. Als je collega’s met Marokkaanse, Surinaamse en Turkse wortels bij elkaar zet, krijg je mogelijk ook wantoestanden. Diversiteit is geen toverwoord en je moet het niet door de strot duwen. Dat leidt tot polarisatie binnen de organisatie.’ Diversiteit is dus geen doel, maar een middel om tot inclusie te komen. Dat laatste betekent dat iedereen zich in een samenleving thuis kan voelen en de voorwaarden daarvoor door de overheid geschapen moeten worden. Kortom, diversiteit levert nog niet vanzelfsprekend inclusie op.

Inclusie is vergelijkbaar met het secularisme. Dat is een politieke filosofie, een paraplu waaronder het uitgangspunt is dat iedereen gelijk is in het zich laten inspireren door een religie of levensovertuiging. Inclusie is daar de sociale variant van. Dat het debat dat diversiteit als doel nastreeft radicale en bizarre aspecten bevat kan niemand ontgaan zijn die het politieke debat volgt. Identiteitspolitiek en dekoloniale theorie zijn er de aanjagers van die niet per definitie bij inclusie uitkomen, maar vaak blijven hangen in diversiteit dat zo een doel op zichzelf wordt. Waarmee evenmin gezegd is dat het nastreven van diversiteit per definitie verkeerd is. Maar het gaat om de maatvoering ervan. Hoe ontkomen we aan het radicalisme dat diversiteit als dwaalweg, emancipatiemachine, grenspaal en einddoel gebruikt en het maatschappelijk debat op slot gooit, zelfs met het opschorten van de vrijheid van meningsuiting? De eerste stap uit dit theoretische doolhof is om te beseffen dat diversiteit niet zo belangrijk is als vooral in radicaal-linkse kringen wordt beweerd, maar inclusie wel.