Kunstenaars roepen op subsidie te stoppen van Centrum voor Chinese hedendaagse kunst (CFCCA) in Manchester dat racistisch ‘wit’ zou zijn

Artist Residency Studio during an open studio session. Photo by Arthur Siuksta. Credits: CFCCA, Manchester.

Identiteitspolitiek in de kunst biedt voor allen opties om stelling te nemen. Voor of tegen. Identiteitspolitiek gaat onlosmakelijk samen met beschuldigingen. Tegen de aantijging ‘racisme’ is geen verdediging mogelijk als de beschuldiging niet omschreven, laat staan onderbouwd wordt. In de praktijk wordt de beschuldiging nonchalant tegen de muur gegooid en overgenomen door sociale media. Dat is doorgaans voldoende om in de publiciteit de zaak te winnen en een beschuldigd individu of instelling te beschadigen of zelfs uit de kunstsector te verbannen.

Nuance wordt niet gezocht, verbinding wordt uitgesloten, verschillen mogen niet bestaan en intolerantie is immens. De identiteit van de kunstenaar verdringt de identiteit van de kunst.

Neem het geval in het Engelse Manchester van het Centre for Chinese Contemporary Art (CFCCA). In september 2020 heeft de CFCCA zeven kunstenaars benoemd tot lid van een werkgroep om kwesties rond gelijkheid en inclusie aan te pakken. De instelling heeft vele beleidsstukken geproduceerd over deze aspecten. De zeven kunstenaars met Chinese wortels beschuldigen nu in een open brief deze instelling van racisme. Of erger nog ‘institutioneel racisme’. Wat ze eronder verstaan is onduidelijk. Ze preciseren niet wat hun opvatting van racisme is.

Ook roepen de kunstenaars de subsidiegever op om de subsidie in te trekken. Dat is feitelijk een oproep om het bestaan ervan te beëindigen. Zie hier een artikel in The Guardian voor de details.

Identiteitspolitiek bijt steeds vaker in de eigen staart. Een feminist hoeft geen vrouw te zijn, iemand die opkomt voor een etnische of seksuele minderheid hoeft geen lid van die minderheid te zijn en iemand die opkomt voor de Chinese zaak hoeft niet van Chinese afkomst te zijn. Ofschoon de meest radicale actievoerders daar anders over denken. Ze menen in hun denken dat opvallend overeenkomt met de uitgangspunten van de historische apartheid dat grenzen tussen groepen niet vloeiend zijn en groepen zich niet moeten en kunnen vermengen.

Het lijkt er sterk op dat deze zeven kunstenaars het feit dat witte mensen het management van het CFCCA vormen al een blijk van racisme vinden. Terwijl het vermoedelijk eerder een gevolg van een traditionele kunstpolitiek is in een land waar een witte meerderheid het eeuwenlang voor het zeggen heeft gehad. Dat sijpelt door in de kunsten. Dát moet hervormd worden om de kunst bij de tijd te brengen, zonder dat grove middelen als de beschuldiging van racisme ingezet hoeven te worden. Die overigens de emancipatie van minderheden eerder vertragen dan versnellen. Hoewel enige politieke druk de verandering kan dienen. Maar onredelijke druk roept weerstand op en leidt af van de zaak.

Juist daarom is de vraag wat de intentie van activisten is. Wat willen ze bereiken? Als de emancipatie van de groep waarvoor ze zeggen te spreken de hoofdzaak is, dan valt te betwijfelen of ze de meest doelmatige methode gebruiken om die emancipatie dichterbij te brengen.

De gevoeligheden zijn groot. De tenen zijn erg lang. Ineens gaat het niet meer over kunst, maar over de identiteit van de kunst. En ineens gaat het zelfs niet meer over de identiteit van de kunst, maar over de identiteit van de kunstenaars.

Net zoals beleidsmakers kunst voor hun karretje willen spannen als ze plannen laten maken over stedelijke ontwikkeling, stadspromotie, emancipatie, sociale cohesie, propaganda, vercommercialisering en alle verschijningsvormen die kunst niet als autonoom erkent zo spannen de doorgaans links-radicale kunstenaars, pseudo-kunstenaars, studenten of beroepsactivisten kunst voor hun karretje. Ze eigenen zich de kunst toe alsof ze er eenzijdig het laatste woord over hebben.

Beleidsmakers die de status quo vertegenwoordigen en activisten die de status quo willen wijzigen zijn twee kanten van dezelfde medaille. De politisering van de kunst door links-radicale activisten is even ongewenst als de aanwending van kunst als politiek instrument door beleidsmakers.

Hoewel de negatieve effecten van de identiteitspolitiek in de kunst doorsijpelen in de publieke opinie doen de media daar terughoudend verslag van. Dat verlengt de grip van de activisten op de kunst en is ongewenst. Mede omdat het indirect een vrijbrief geeft aan de beleidsmakers om de autonome positie van de kunst verder uit te kleden. Het beschadigt de positie van de kunst van twee kanten.

CBS gaat stoppen met gebruik van begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’. Dat is een goede zaak

Schermafbeelding van deel artikel ‘CBS gaat stoppen met begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’ van Wilmer Heck in NRC, 19-20 april 2021.

NRC meldde in een bericht van 19 april 2021 dat het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) op termijn stopt met de vermelding van de aanduidingen ‘westers’ en ‘niet-westers’.

Aan dit besluit ligt mede een advies van de WRR (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid) ten grondslag. Volgens de WRR is het onderscheid niet-wetenschappelijk onderbouwd en roept het “negatieve associaties” op. Een andere steen des aanstoots is de Barometer Culturele Diversiteit van het CBS. Daarmee wilden universiteiten onder wie de Universiteit Utrecht de diversiteit onder medewerkers in kaart brengen. Ze worden ingedeeld in Nederlandse, westerse en niet-westerse migratieachtergrond. Daar kwam in Utrecht veel kritiek op.

Radicaal-rechtse politici als Geert Wilders en Derk Jan Eppink (‘We krijgen statistieken zoals ooit in de DDR’) zien het afschaffen van deze begrippen als poging om de schaduwzijde van de multiculturele samenleving onder het tapijt te vegen.

Het is goed dat deze begrippen worden afgeschaft. Ten eerste is de afbakening ervan verwarrend en is die toevallig tot stand gekomen. Zo worden migranten uit landen als Japan en Indonesië als westers beoordeeld en migranten uit grenslanden daarvan als niet-westers. Ten tweede werkt het stigmatiserend en houdt het migranten gevangen in een (oude) identiteit waar ze moeilijk aan kunnen ontsnappen. Ten derde is door de globalisering het begrip ‘westers’ politiek en cultureel van betekenis veranderd en niet meer zo eenduidig als het tot 1991 tijdens de Koude Oorlog was.

Met de afschaffing van de begrippen worden programma’s van positieve discriminatie of de uitvoering van codes diversiteit & inclusie bemoeilijkt. Dit maakt de kritiek erop door radicaal-rechts tamelijk onbegrijpelijk. Want als niet meer geregistreerd wordt wie welke achtergrond heeft, dan wordt het opzettelijk bevoordelen van bepaalde bevolkingsgroepen bij de toelating tot opleidingen of arbeidsplaatsen eveneens lastiger. Radicaal-rechts zou ook kunnen beredeneren dat de afschaffing van de termen het belang van witheid consolideert en niet verder versneld afbreekt.

Uiteraard zal de wens van bepaalde activistische groeperingen om de voorrechten terug te dringen van groepen die zich baseren op hun witheid hiermee niet stoppen. Maar het afschaffen van de begrippen maakt het bedrijven van identiteitspolitiek en in het verlengde daarvan de cancelcultuur waardoor mensen op onduidelijke gronden worden uitgesloten anders doordat de sociale identiteit van een bepaalde groep en de door deze groep gedeelde ervaring van maatschappelijk onrecht minder scherp afgebakend kan worden.

Het verzachten van de felheid van de identiteitspolitiek die de laatste jaren voor maatschappelijke verdeeldheid en onrust heeft gezorgd kan daarom een positief neveneffect zijn van de afschaffing van de begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’. Ofschoon naast etnische achtergrond waar het hier om gaat ook nog de identiteiten seksuele gerichtheid, gender, regionale identiteit of religieuze identiteit bestaan en aangegrepen kunnen worden voor positieve discriminatie om via strijd emancipatie te bereiken. Want de kist van activisten bevat vele middelen om aan de weg te timmeren.

Een te verwachten effect kan daarom zijn dat de identiteitsstrijd over etniciteit of witheid zich geleidelijk zal verplaatsen naar een overigens nu ook al bestaande strijd over gender of religie. Maar ook is mogelijk dat het accent komt te liggen op identiteiten die binnen samenlevingen bestaan en nu mede door het luidruchtig links-radicaal activisme en het ‘culturele’ rechts-radicale antwoord erop buiten beeld blijven en nauwelijks met identiteitspolitiek worden geassocieerd en in de politiek en media onderbelicht zijn: sociaal-economische achtergrond en opleidingsniveau.

Dan kan het debat over maatschappelijke ongelijkheid eindelijk gevoerd worden zoals het de afgelopen decennia niet gevoerd kan worden door allerlei afleidingsmanoeuvres van zowel links als rechts. Als de afschaffing van de begrippen ‘westers’ en ‘niet-westers’ daar een bijdrage aan kan leveren, dan is dat de winst.

Journalistiek van RTV Utrecht als rebus. Koudwatervrees in berichtgeving over straatintimidatie. Wie zijn de daders?

Schermafbeelding van deel artikelStraatintimidatie blijft probleem: Maria (23) vertrok uit Utrecht omdat ze zoveel werd lastiggevallen’ op RTV Utrecht, 2 april 2021.

Ik woon in Utrecht en schaam me diep dat vrouwen zich in mijn stad op straat niet veilig voelen door intimidatie. De lokale politiek beloofde een plan van aanpak, maar dat is er nog niet. In Utrecht zijn GroenLinks en D66 de grootste partijen.

Naming and shaming’ is vaak een eerste stap om een probleem zichtbaar te maken zodat het opgelost kan worden. Maar de media geven geen informatie over de achtergrond van de daders. Bovenstaand artikel over straatintimidatie praat in algemeenheden.

In een eerder bericht over dit onderwerp gaf RTV Utrecht indirecte informatie waar men uit af kan leiden wie de daders zijn: ‘Meer dan de helft van de slachtoffers geeft aan in de eigen wijk te zijn lastig gevallen. Ook de binnenstad, de Kanaalstraat, de Amsterdamsestraatweg en de winkelcentra in Overvecht en Kanaleneiland worden genoemd als plekken waar vaak geïntimideerd wordt.’ Men moet kennis hebben over genoemde wijken om te weten wat er aan de hand is. RTV Utrecht wijst niet echt de weg.

Zo maken media de journalistiek tot een rebus. ‘Het recht van het publiek op waarheid is de eerste plicht van de journalist’ zo zegt de Code van Bordeaux als ‘een standaard van beroepsgedrag door journalisten in hun werkzaamheid‘. Aan RTV Utrecht is het niet besteed. Dat geeft het publiek geen recht op waarheid.

Iets mag blijkbaar niet te duidelijk worden door namen en rugnummers te noemen, maar toch duidelijk genoeg zijn voor de nieuwsconsument om te kunnen gissen wat er aan de hand is. Harde informatie of een analyse geeft de journalistiek van RTV Utrecht niet.

Zo creëert dit lokale medium een nieuw genre: raadseljournalistiek, die het cryptogram en het kruiswoordraadsel vervangen. Het opent perspectief. Nederland werd in 1940 overweldigd door vijanden zonder naam. Afrekeningen in het criminele circuit kennen voortaan alleen slachtoffers en geen daders. Als het Nederlands Elftal verliest dan heeft het geen tegenstander. De Toeslagenaffaire kwam uit de lucht vallen zonder oorzaak. Als lokale media steken laten vallen, dan wordt dat niet genoemd. Zo dekt RTV Utrecht zich verstandig al op voorhand in door nooit meer over zichzelf te hoeven berichten.

NOS ziet geen 50 tinten zwart en husselt alles door elkaar: migratie, zwartheid, discriminatie en BLM

De term witheid is verhullend en onjuist. Gisteren 30 november 2020 was er op het NOS Journaal van 20.00 uur een item over jongeren met een migratie-achtergrond naar aanleiding van het feit dat het een half jaar geleden is dat er een Black Lives Matter (BLM) demonstratie op de Dam was. Er werden twee jonge vrouwen opgevoerd: een met een Chinese naam en een met een hoofddoek op. Verdere details over hun achtergrond werden niet gegeven.

De suggestie die het NOS-Journaal hiermee geeft is dat wit tegenover zwart staat. En dat ‘zwart’ wordt niet gedefinieerd door eigen, specifieke kenmerken, maar door de tegenstelling tegenover wit. Ofwel, zwart bestaat niet in zichzelf, maar vooral door de tegenstelling tegenover de maatstaf ‘wit’. Daarnaast is die indirecte suggestie van ‘zwart’ verwarrend en onjuist omdat de directe term ‘migratie-achtergrond’ de lading niet dekt. Niet alle migranten zijn immers ‘zwart’.

Met deze opstelling ondersteunt het NOS-Journaal het wij/zij-denken en versterkt dat in de beeldvorming. Dat kan niet de opzet van de publieke omroep zijn. In elk geval probeert het NOS-Journaal niet te nuanceren door te onderscheiden, maar poetst het in de gemakzucht van lui en voorspelbaar denken in combinatie met begripsverwarring over etniciteit, discriminatie, huidskleur en migratie de verschillen tussen etnische groepen weg.

Het valt zelfs niet in deze slordige journalistieke opstelling van het NOS-Journaal in te zien dat er geen verschillen in achtergrond bestaan tussen deze twee vrouwen van Chinese en Arabische herkomst, maar uitsluitend tussen deze twee vrouwen én hun witte zuster.

Dat is respectloos tegenover de witheid die eenzijdig in een daderrol wordt geframed als tegenover de ‘zwarte’ etnische migrantengroepen die over één kam worden geschoren en als belangrijkste eigenschap hun slachtofferschap zouden hebben.

Het Afro-Amerikaanse ‘Black’ van BLM was niet terug te vinden in beide vrouwen die geen van tweeën Afro zijn, maar door het NOS-Journaal via een omweg als zwart worden voorgesteld. Maar beseft het NOS-Journaal dan niet dat het door dit simplisme wel 50 tinten zwart onder het tapijt veegt? Jammergenoeg staat het NOS-Journaal niet alleen in deze foute stereotypering van witheid, zwartheid en migratie.

Juist om achterstanden die zijn ontstaan als gevolg van migratie aan te pakken is het nodig dat er een goede analyse wordt gemaakt. Het NOS-Journaal bereikt het omgekeerde in dit ongetwijfeld goedbedoelde, maar toch ontspoorde item. Door het direct te verbinden aan het BLM-protest wordt het er eerder verwarrender dan helderder op. Beide vrouwen zijn op z’n best een verre afgeleide van de Amerikaanse BLM-protesten die in de VS ontstonden na de dood van George Floyd.

Door op de knop te drukken van de makkelijke emotie is het NOS-Journaal zich ervan bewust dat het verontwaardiging oproept. De conclusie kan moeilijk een andere zijn dan dat het NOS-Journaal denkt zich hiermee blijkbaar aan de veilige kant van het politiek correcte denken op te stellen. Bevreesd dat het vermoedelijk is dat het verweten wordt de tijdgeest niet te begrijpen en mentaal achter te blijven door oude posities te verdedigen.

De tragiek is dat het NOS-Journaal het eigen handelen niet begrijpt en precies dat doet waarvan het weg probeert te komen: het wettigt het wij/zij-denken en versterkt vooroordelen. Tijd voor een echte analyse die niet alles met alles verwart. Het onderwerp is te serieus om er een potje van te maken.

Foto: schermafbeelding van deel artikelHalf jaar na Black Lives Matter-protest: ‘Ik wil niet boos zijn op de witte man’ op NOS, dat later op die dag van titel veranderde: ‘Halfjaar na het Damprotest: wat heeft het teweeggebracht?’, 30 november 2020.

Anti-racisme beweging moet niet doorslaan in intolerantie: de inperking van fictie, expressie, drama en verbeeldingskracht

Het klopt dat ik Hanne, Marthe en Klaasje nog nooit zo zag. Want ik heb ze nog nooit gezien. Het is toch al een wonder dat toeschouwers een film die nog gedraaid moet worden al hebben gezien. Maar het gaat niet om de promotie van een film van meidengroep K3, maar om de kritiek daarop die nu al opborrelt. Op de maatschappelijke rugwind van de BLM-beweging. Volgens een bericht van Tim Engelbart op de rechtse site DDS scherpen scherpslijpers hun messen. Het is onduidelijk hoe breed en afwijkend hun kritiek is.

Deze critici van de film ‘K3 – Dans van de Farao’ hebben ongelijk. Want culturele toe-eigening of ‘cultural appropriation’ dat gaat over ‘de overname of het gebruik van elementen van een bepaalde cultuur door een andere cultuur’ wordt door hen te beperkt geïnterpreteerd. Dat leidt tot verboden en inperking van de vrijheid van expressie. Dat is ongewenst. Een neutrale term is het niet, want ‘toe-eigening’ bevat de noties ontfutselen, wegnemen of inpikken. Daarom valt te bezien of het voor een debat niet een onbruikbare term is die het gesprek over de overname van culturele of sociale kenmerken door een andere groep (acculturatie) bij voorbaar framet, politiseert en dichttimmert. De term ‘toe-eigening’ suggereert dat machtsverhoudingen tussen groepen de natuurlijke overname van elementen van de ene in de andere cultuur onmogelijk maakt.

Dit gaat over identiteitspolitiek, ofwel over de vraag wie een in etniciteit gegrond verhaal mag claimen en mag ‘vertellen’. De hardliners stellen scherpe grenzen. In het geval van Egypte hebben de critici kritiek op het feit dat een Vlaamse of Nederlandse zangeres zich voordoet als iemand met een Egyptische etniciteit. Het lijkt erop dat ze menen dat alleen een Egyptenaar zich als Egyptenaar mag voordoen. Zelfs in een dramatisering van productiemaatschappij Studio100 Group die duidelijk een illusie is en geen weergave van de realiteit.

De critici houden blijkbaar niet van acteren, dus van ‘het doen alsof’. Of ze begrijpen de essentie niet van dramatisering en drama. In theaterstukken en films spelen acteurs doorgaans karakters met een andere achtergrond dan die van henzelf. De 21ste acteur die in een achterstandsbuurt geboren is kan moeiteloos de koning uit een 16de eeuws stuk van William Shakespeare verbeelden. Dat is de magie van het rollenspel. Dat is geen grap of mode, maar inderdaad een act. In de realiteit van deze critici liggen identiteiten onwrikbaar vast. Juist die onwrikbaarheid reduceert mensen tot één identiteit waaraan ze niet kunnen ontsnappen. Deze critici bouwen muren in de samenleving die mensen in hun apartheid niet mogen overschrijden.

De term suggereert dat culturele toe-eigening een overtreding is en daarom ontoelaatbaar. Dat is echter nog maar de vraag. Mag een wit iemand uitsluitend een wit verhaal vertellen of mag een wit iemand een zwart verhaal vertellen? En mag omgekeerd een zwart iemand een wit verhaal vertellen? Sommige gemeenschappen claimen dat ‘hun’ verhaal ‘hun’ eigendom is en dat een ander van een andere groep daar vanaf moet blijven. Dat gaat tot en met het eigen ontstaan en de voorouderverering aan toe. Dat is een kortzichtig standpunt.

Culturele toe-eigening die op scherp wordt gezet door een radicale minderheid is hypocrisie, dwingelandij en paradoxaal genoeg ook emancipatie van die minderheid. Het is een manier om machtsverhoudingen en culturele hegemonie te doorbreken. Daarom moet er een zeker begrip voor opgebracht worden. Maar als onverdraagzaamheid van een meerderheid wordt beantwoord met onverdraagzaamheid van een minderheid, dan is dat geen verbetering. Deze critici van de film van K3 haken aan bij terecht protest dat racisme bestrijdt, maar slaan door in hun kritiek door drama, expressie en verbeeldingskracht ondergeschikt te willen maken aan hun politieke opvattingen. Dat is een doodlopende weg voor allen die eindigt in collectieve segregatie.

Foto 1: Schermafbeelding van deel berichtZO ZAG JE KLAASJE, HANNE EN MARTHE NOG NOOIT!’ van productiemaatschappij Studio100 Group, 29 juni 2020.

Foto 2: Schermafbeelding van deel artikelJa hoor! Ook K3 gecancelled wegens “racisme”: Egyptisch verkleedpartijtje is “culturalappriopriation”’ van Tim Engelbart op DDS, 29 juni 2020.

Doel en middelen van actiegroepen ‘De Grauwe Eeuw’ en ‘Helden van Nooit’ in tijden van anti-Trumpisme en ‘Black Lives Matter’

I. In de jaren 2016-2018 voerde actiegroep De Grauwe Eeuw actie tegen het standbeeld van Jan Pietersz Coen in Hoorn, kunstencentrum Witte de With in Rotterdam en de Nationale dodenherdenking in Amsterdam.

Ook De Grauwe Eeuw wilde zenden en niet in debat gaan. Het opereerde anoniem. Net als bij de Helden van Nooit ging het om een splintergroep. Het is aannemelijk dat Helden van Nooit een voortzetting, afsplitsing of doorstart van De Grauwe Eeuw is. Dat kan beperkt zijn tot de betrokkenheid van enkele individuen.

II. Identiteitspolitiek is kernzaak van actiegroepen als De Grauw Eeuw of Helden van Nooit. Identiteitspolitiek is makkelijk en het naar voren brengen als verschijnsel vergt weinig kennis over geschiedenis, economie of maatschappij. Identiteitspolitiek is vakantie van de echte politiek. Identiteitspolitiek is gemakzucht. Praten over identiteitspolitiek valt de gevestigde orde niet in de kern maar aan de oppervlakte aan. Het onderschrijft die juist. Via een omweg, die de activisten van De Grauwe Eeuw en Helden van Nooit blijkbaar niet doorzien.

Door zich over identiteit een moralistisch oordeel toe te eigenen en dat tegelijk anderen te ontzeggen menen radicalen straffeloos het centrum onder vuur te kunnen nemen. Zelf leggen ze geen verantwoording af. Aan wie zouden ze dat moeten doen? Aan hun eigen geweten? Leden van De Grauwe Eeuw en Helden van Nooit opereren anoniem als vrijschutters van de publieke opinie. Er bestaat onzekerheid over of ze de standpunten van anderen voor wie ze zeggen op te komen projecteren of dat ze oprecht spreken namens degenen die ze claimt te zijn. Het is dus oncontroleerbaar hoe gemeend en vrij van bijbedoelingen hun standpunten zijn.

III. Radicalen wanen zich in hun zelfbeeld de helden die in naam van een ideaal alles mogen zeggen en kunnen doen vanwege de omstandigheden die de uitzonderingstoestand zouden rechtvaardigen. Dat wil zeggen, voor henzelf, niet voor de vertegenwoordigers van de staat of hun politieke opposanten. Die moeten zich aan de regels van de rechtsstaat houden. Radicalen niet. Een open debat wordt vermeden omdat dat burgerlijk en achterhaald zou zijn. Zo werkt de bunkermentaliteit van radicalen die geen tegenspraak veelt.

IV. Het is begrijpelijk dat actiegroepen als De Grauwe Eeuw of Helden van Nooit de bewustwording over het kolonialisme, de slavernij, het racisme en maatschappelijke ongelijkheid willen vergroten. Dat is hard nodig. Dat kan mee begonnen worden door aanpassing van het onderwijsprogramma. Het is de vraag of de beste manier om de bewustwording te vergroten het bekladden van standbeelden, instituties en straatnaambordjes is en het herschrijven van de geschiedenis. Het is een strategie die averechts kan uitpakken. Dus ja, geef informatie over wat er fout was aan het kolonialisme en de mentaliteit die dat mogelijk maakte, maar nee, probeer dat niet te forceren door het ‘creatief’ aanpakken van de symbolen ervan. Dat verplaatst de aandacht naar bijverschijnselen die afleiden van de hoofdzaak. Want de macht daarachter blijft ongemoeid. En geeft de tegenstanders onnodig munitie om de ‘goede zaak’ dwars te zitten. Daar schiet niemand iets mee op.

Het is goed dat de discussie over racisme, neo-kolonialisme of slavernij wordt gevoerd. Maar dat debat vraagt om zorgvuldigheid en de effecten ervan moeten de hele bevolking meenemen. Verbreding van het debat is de uitdaging. De valkuil is dat het tegenkrachten oproept die zich verzetten zodat het onderwerp gepolitiseerd wordt. Een radicale opstelling kan zinvol zijn om een debat te agenderen, maar het is stukken lastiger om vervolgens een meerderheid van de bevolking mee te krijgen voor verandering. Daar is het toch om te doen?

Foto 1: ‘De sokkel van JP Coen heeft een VOC-logo met strop gekregen en er is ‘Genocide’ op gespoten. (Foto HMC / Eric Molenaar)’. In het Noordhollands Dagblad, 25 oktober 2016. Opgeëist door actiegroep ‘De Grauwe Eeuw‘.

Foto 2: De bekladding op het beeld van Piet Hein, 12 juni 2020 RIJNMOND. Opgeeist door actiegroep ‘Helden van Nooit’. 

Landelijk Platform Slavernijverleden komt met dubieuze notitie over racisme en etniciteit in verband met COVID-19

Het is lastig om niet in lachen uit te barsten bij lezing van de notitie van voorzitter Barryl A. Biekman van het Landelijk Platform Slavernijverleden. Dat is jammer, want het gaat om ernstige kwesties die met racisme, etniciteit en gezondheid te maken hebben en die een betere belangenbehartiging verdienen. Dit zogenaamde verkennende onderzoek dat leest als een omgevallen boekenkast staat dat in de weg. Het is warrig opgeschreven en slecht gestructureerd. Neem bovenstaande opmerking over de Winti Spiritualiteit die volop vragen oproept. Wie zijn ‘observatoren’? Waaruit bestaat ‘de eenzijdigheid van presentaties wanneer het gaat over de manier waarop gemeenschappen hun geloof belijden’? Wat zijn de ‘gesprekken in panels over het geloof’ waarvan de Afro Caribische Winti spiritualiteit ‘op geen enkele wijze‘ deel van uitmaakt? Wat zijn ‘de panels die gaan over spiritualiteit’? Als de Winti Spiritualiteit institutioneel wordt uitgesloten, is het daarin dan uniek of worden er meerdere levensovertuigingen, godsdiensten en ‘spiritualiteiten’ institutioneel uitgesloten?

De notitie staat vol met vrijblijvende aannames zoals: ‘Een beleid gericht op de bestrijding van Afrofobie bestaat er nog niet omdat de Nederlandse beleidsmakers en anti racisme voorzieningen niet weten wat het is.’ Vlak daarna volgt de verrassende constatering dat het Landelijk Platform Slavernijverleden door de sluiting van ‘buurtinstellingen en wijkcentra’ niet in staat is om te achterhalen hoe de vork in de steel zit. ‘Doordat vele buurtinstellingen en wijkcentra’s [sic!] zijn gesloten, alwaar mensen van Afrikaanse afkomst plegen te komen om hun verhalen te vertellen vooral ook over geconstateerde en/of zelf ervaren misstanden zijn we ook niet in staat om te achterhalen ‘hoe de vork in de steel zit’.’ Hoe komt de meningsvorming tot stand?

Nog zo’n merkwaardige aanname is de volgende: ‘Binnen de kunst- en cultuursector zijn er tal van Surinaamse respectievelijk Antilliaanse ‘kleine ondernemers’ die extra getroffen zijn door de Covid19 maatregelen. De focus voor wat betreft de ‘pijn’ is op nationaal niveau niet of nauwelijks op deze doelgroep gericht. Dit houdt ook verband met de desinteresse van de ‘nationale’ radio-omroepen en Dj’s voor de muziekgenres van gemeenschappen van meer dan de Nederlandse cultuur.’ Het gaat blijkbaar voorbij aan Barryl Biekman dat hetzelfde geldt voor witte, zelfstandige kunstenaar en kleine, ‘witte’ culturele instellingen die hetzelfde lot treft als hier wordt geschetst. Dat heeft totaal niets met etniciteit of afkomst te maken, maar alles met de toegezegde overheidssteun die tot nu toe gericht is op de gevestigde culturele instellingen.

Een vreemde kronkelredenering is de volgende: ‘Respondenten storen zich aan de kwalificatie die aan landen zoals China wordt gegeven bij het verlenen van hulp aan Europese landen. De hulp wordt te vaak gepresenteerd als ‘propaganda strategie’. Dit, terwijl Nederland vooral gefocust is op materiaal uit China. Hoewel uit China ook praktijken van racisme tegenover mensen van Afrikaanse afkomst zijn gemeld.’ Deze hulp van China aan Europa is niet anders op te vatten als een propaganda strategie, dus waarom zou het niet zo genoemd mogen worden? De hulp van de EU aan China moest van de Chinese overheid geheim blijven. China heeft het coronavirus niet onder controle gekregen en wist al in november 2019 dat er een probleem was voordat het pas in januari 2020 maatregelen nam. De propaganda dient als afleiding van het eigen falen. Waarmee overigens niet gezegd is dat andere landen in de bestrijding van het virus niet hebben gefaald.

Als een tang op een varken wordt in deze notitie over gezondheid en etniciteit Zwarte Piet erbij gehaald. Het is onduidelijk wat dat met het onderwerp te maken heeft: ‘Bijna alle respondenten melden dat 4 en 5 december belangrijke data zijn in verzorgingshuizen. Het geloof in een Sinterklaas vergezeld van een zwarte Piet is nog niet uitgebannen. Gemeld is dat verzorgers van Afrikaanse afkomst vrij nemen. Eén respondent meldt dat in het huis waar zij werkt zwarte Piet is uitgebannen.’ Biekman heeft het over ‘het geloof in een Sinterklaas’ alsof het een godsdienst is. Dat bejaarden in verzorgingshuizen nog geloven in Sinterklaas is onwaarschijnlijk of het Landelijk Platform Slavernijverleden moet ermee willen suggereren dat ze kinderlijk zijn geworden.

Foto: Schermafbeelding uit ‘Verkennend onderzoek door de Office van de VN Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens (OHCHR) naar vormen van institutionele racisme in verband met Covid-19 ten aanzien van gemarginaliseerde1 groepen’ van Barryl A. Bliekman van het Landelijk Platform Slavernijverleden. .

Bestrijding van coronavirus mag geen dekmantel zijn voor nationale staten om de burgerrechten permanent in te perken

Op of kort voor 9 maart 2020 sprak Michael O’Flaherty dit commentaar in over grondrechten en het coronavirus. Hij is de directeur van de FRA, (Fundamental Rights Agency) een onafhankelijk instituut over grondrechten van de EU. Hieronder zijn tekst. In zekere zin raakt het commentaar niet de kern als O’Flaherty inzoomt op migranten, nationaliteit of etniciteit. Zijn zorg daarover is terecht, maar het is bij lange na niet het hele verhaal. Het draait om het verschil tussen burgerrechten en mensenrechten. Dat eerste wordt nationaal bepaald en dat laatste universeel. Migranten vallen noodgedwongen terug op mensenrechten omdat ze in het land van aankomst (nog) geen burgerrechten hebben. De essentie van de huidige crisis is nu juist dat de burgerrechten van burgers onder druk staan. Dat gaat over veel grotere aantallen burgers die aangetast worden in hun grondrechten. Dat speelt zich niet in de marge, maar in het centrum van de samenleving af.

Het is opvallend dat O’Flaherty de afgelopen dagen nog geen nieuw commentaar heeft ingesproken over burgerrechten. Dat regeringsleiders van de EU-lidstaten waarschuwt of er krachtig op wijst dat de inperking of opschorting van grondrechten hooguit tijdelijk kan zijn gedurende de bestrijding van het coronavirus en dat over de tijdelijkheid van de maatregelen nu afspraken moeten worden gemaakt. Of afgedwongen, bijvoorbeeld door oppositionele politici in nationale parlementen. Nog beter zou het zijn als dat in EU-verband gebeurde in het Europees Parlement. Ofschoon onduidelijk is in welke vorm dat zou moeten gebeuren. Dat betreft dan het oprekken van staatsmacht, het schenden van privacy van burgers en het sluiten van voorzieningen. Want het risico dreigt dat regeringsleiders van zowel autoritaire landen als liberale democratieën onder de dekmantel van het coronavirus nu burgerrechten inperken die feitelijk niet nodig zijn voor de bestrijding ervan.

O’Flaherty kondigt ‘over enkele weken’ een inventarisatie van mensenrechtenkwesties aan. Dat is een goede stap, maar het valt te bezien hoeveel indruk zijn vinger aan de pols maakt. Nu worden grondrechten in allerlei landen verregaand ingeperkt door nationale overheden. Voor de goede zaak. Maar het politieke debat, laat staan het publieke debat ontbreekt over de tijdelijkheid, proportionaliteit en omvang ervan. Dat moet snel hersteld worden. De gezondheidscrisis vraagt nu weliswaar alle hens aan dek, maar de bestrijding wordt er wrang op als achteraf mocht blijken dat die samenging met de permanente inperking van de burgerrechten.

A couple of days ago I was shocked talking to a waiter in a restaurant when he said to me that the solution to the Corona virus epidemic is to stop migrants coming into his country because, according to him, they have poor hygiene standards.

That shocking remark brought home to me the extent to which the current situation is as much one of human rights as it is of public health.

Absolutely, we need strong public health responses right now, well informed, transparently rolled out. But at the same time we have to be very vigilant for the respect of the human rights of everyone.

It’s never acceptable for instance to target people just because of their perceived nationality or ethnicity. It’s never acceptable to pick on somebody in the street and to beat them up because somebody thinks they might be a carrier of the virus.

On the other hand it is reasonable to limit some of our human rights about access to school, access to the work place, who we can meet with in the present time.

But such limitations must be proportionate to the good that they are seeking to achieve. Measures like that also need to take account of the particular situation of certain groups in our society. Old people seeking access to hospital, children whose only square meal a day comes from the school room, parents who are impacted in the workplace because of child – minding duties.

And these are just a tiny number of the human rights issues that present themselves as we combat the virus.

The Fundamental Rights Agency right now is mapping the range of human rights issues across our Member States. We’ll publish our findings in the next few weeks together with strong recommendations on how we can fight the fake news.

We can deliver for the human right to health of our people while also respecting the human rights of everyone.

KOZP monitort carnaval op racisme en culturele toe-eigening

De NOS citeert in een bericht een anonieme woordvoerder van Kick Out Zwarte Piet (KOZP): ‘Met Kick Out Zwarte Piet zijn we altijd met name bezig geweest met racistische uitingen rond Sinterklaas. Maar met carnaval zien we eigenlijk elk jaar hetzelfde’. De woordvoerder bedoelt vermoedelijk het nevenschikkende ‘en’. KOZP verbreedt het werkterrein van Sinterklaas naar carnaval. Opvallend is de verwijzing van de woordvoerder naar ‘culturele toe-eigening’ dat als ongewenst wordt voorgesteld. Die verwijzing geeft aan dat KOZP haar interesse voor carnaval direct verbindt met haar belangstelling voor identiteitspolitiek. Het is onduidelijk wat de woordvoeder van KOZP hier precies probeert te beweren. Het blijft wat halfslachtig hangen.

De term ‘culturele toe-eigening‘ -in het Engels ‘cultural appropriation’– gaat volgens genoemd lemma van Wikipedia over ‘de overname of het gebruik van elementen van een bepaalde cultuur door een andere cultuur’. Een neutrale term is het niet, want ‘toe-eigening’ of ‘appropriation‘ bevat de noties ontfutselen, wegnemen of inpikken. Daarom valt te bezien of het voor een open debat niet een onbruikbare term is die het gesprek over de overname van culturele of sociale kenmerken door een andere groep (acculturatie) bij voorbaar politiseert, dichttimmert en een bepaalde richting opstuurt. De term ‘toe-eigening’ suggereert dat machtsverhoudingen tussen groepen de natuurlijke overname van elementen van de ene in de andere cultuur onmogelijk maakt.

Dit gaat over identiteitspolitiek, ofwel over de vraag wie een specifiek in etniciteit gegrond verhaal mag ‘vertellen’. In het geval van carnaval lijkt KOZP kritiek te hebben op het feit dat iemand zich verkleedt als een ander. KOZP is vaag en daarover niet helder, maar het lijkt erop dat het vindt dat alleen een Japanse geisha in een geishapak mag lopen, een Afro-Nederlander met een afropruik en een indiaan met een indianentooi. KOZP houdt blijkbaar niet van verkleedpartijen en acteren, dus ‘het doen alsof’. In de realiteit van KOZP liggen identiteiten onwrikbaar vast. De realiteit van KOZP reduceert mensen tot één identiteit waaraan ze niet kunnen ontsnappen. KOZP bouwt muren in de samenleving die mensen in hun apartheid niet mogen overschrijden.

De term suggereert dat culturele toe-eigening een overtreding is en daarom ontoelaatbaar. Dat is echter nog maar de vraag. Mag een wit iemand uitsluitend een wit verhaal vertellen of mag een wit iemand een zwart verhaal vertellen? En mag omgekeerd een zwart iemand een wit verhaal vertellen? Sommige gemeenschappen claimen dat ‘hun’ verhaal ‘hun’ eigendom is en dat een ander van een andere groep daar vanaf moet blijven. Dat gaat tot en met het eigen ontstaan en de voorouderverering aan toe. Dat is een kortzichtig standpunt.

Culturele toe-eigening die op scherp wordt gezet door een radicale minderheid is hypocrisie, dwingelandij en paradoxaal genoeg ook emancipatie van die minderheid. Het is een manier om machtsverhoudingen en culturele hegemonie te doorbreken. Daarom moet er een zeker begrip voor opgebracht worden. Maar als onverdraagzaamheid van een meerderheid wordt beantwoord met onverdraagzaamheid van een minderheid, dan is dat geen verbetering. KOZP geeft aarzelende aanzetten, maar geen duidelijkheid over wat het wil.

De woordvoerder van KOZP overdrijft door identiteit rechtstreeks te verbinden met carnaval. Notabene het feest van de omkering, het rollenspel en het voor drie dagen uit de werkelijkheid treden. KOZP gaat de fout in als het carnavalvierders het recht van expressie probeert te ontzeggen. Simpelweg omdat ze een identiteit aannemen die ze zich volgens KOZP niet mogen toe-eigenen. KOZP baseert zich op een wankele basis.

Culturele identiteit kan nooit met reden exclusief geclaimd worden door een bepaalde groep. Zoals een zwarte, gele, groene of rode Nederlander zich uit mag spreken over carnaval, zo mag een witte Nederlander zich verkleden, vermommen of identificeren als een zwarte, gele, groene of rode Nederlander. Het neemt bizarre vormen aan als KOZP zich opstelt als fatsoenspolitie of een kliklijn opent om overtredingen van identiteit te signaleren. Iedereen heeft het recht om tijdens carnaval te spelen met, te commentariëren en te variëren op kleur, gender, religie, etniciteit of wat dan ook. Dat vervaagt juist de grenzen tussen identiteiten en dat is exact waar KOZP voor pleit. Het lijkt er dan ook sterk op dat KOZP niet echt begrijpt wat carnaval is.

Foto 1: Deel van artikelKick Out Zwarte Piet let op racistische outfits met carnaval’ op NOS, 21 februari 2020.

Foto 2: J.P.M. Waterloo, Carnaval van Aruba, Oranjestad 1965.

Foto 3: Bericht op FB-pagina ‘Carnaval Racisme Monitor’ van KOZP Den Bosch.

Diversiteit is niet het belangrijkste, inclusie wel

De woorden inclusie en diversiteit worden door elkaar gebruikt. Maar ze zijn niet inwisselbaar. Een voorbeeld maakt dat duidelijk als de in Marokko geboren politievrouw Fatima Aboulouafa (die vanwege haar kritiek door de politieleiding op non-actief is gezet) in een interview in NRC zegt: ‘Toch is het belangrijkste niet diversiteit, maar inclusie. Als je collega’s met Marokkaanse, Surinaamse en Turkse wortels bij elkaar zet, krijg je mogelijk ook wantoestanden. Diversiteit is geen toverwoord en je moet het niet door de strot duwen. Dat leidt tot polarisatie binnen de organisatie.’ Diversiteit is dus geen doel, maar een middel om tot inclusie te komen. Dat laatste betekent dat iedereen zich in een samenleving thuis kan voelen en de voorwaarden daarvoor door de overheid geschapen moeten worden. Kortom, diversiteit levert nog niet vanzelfsprekend inclusie op.

Inclusie is vergelijkbaar met het secularisme. Dat is een politieke filosofie, een paraplu waaronder het uitgangspunt is dat iedereen gelijk is in het zich laten inspireren door een religie of levensovertuiging. Inclusie is daar de sociale variant van. Dat het debat dat diversiteit als doel nastreeft radicale en bizarre aspecten bevat kan niemand ontgaan zijn die het politieke debat volgt. Identiteitspolitiek en dekoloniale theorie zijn er de aanjagers van die niet per definitie bij inclusie uitkomen, maar vaak blijven hangen in diversiteit dat zo een doel op zichzelf wordt. Waarmee evenmin gezegd is dat het nastreven van diversiteit per definitie verkeerd is. Maar het gaat om de maatvoering ervan. Hoe ontkomen we aan het radicalisme dat diversiteit als dwaalweg, emancipatiemachine, grenspaal en einddoel gebruikt en het maatschappelijk debat op slot gooit, zelfs met het opschorten van de vrijheid van meningsuiting? De eerste stap uit dit theoretische doolhof is om te beseffen dat diversiteit niet zo belangrijk is als vooral in radicaal-linkse kringen wordt beweerd, maar inclusie wel.