Politici reageren geschokt over afnemende kennis en bewustwording van jongeren over Holocaust. Remedie: beter geschiedenisonderwijs

Schermafbeelding van deel nieuwsberichtNew Study Reveals Nearly One Quarter of Dutch Millennials and GenZ Believe the Holocaust Was a Myth or Exaggerated‘ van de Claims Conference, 25 januari 2023.

Gideon Taylor, Claims Conference President meent naar aanleiding van een eigen studie dat het verontrustend is dat de kennis en bewustwording over de Holocaust vermindert. Bij ouderen en jongeren. Meer in Nederland dan in andere landen zoals het VK, Frankrijk, Oostenrijk, Canada en de VS. Voor het onderzoek werden in december 2022 2000 Nederlandse jongeren ondervraagd.

Taylor zegt: ‘Survey after survey, we continue to witness a decline in Holocaust knowledge and awareness. Equally disturbing is the trend towards Holocaust denial and distortion. To address this trend, we must put a greater focus on Holocaust education in our schools globally. If we do not, denial will soon outweigh knowledge, and future generations will have no exposure to the critical lessons of the Holocaust.

Het valt te bezien hoe verontrustend afnemende kennis over een historische gebeurtenis is of een normaal proces van een historische gebeurtenis die redelijk lang geleden heeft plaatsgevonden. Nu meer dan 68 jaar geleden.

Vele actuele gebeurtenissen vragen om aandacht. Nederlanders weten eveneens steeds minder over de Tachtigjarige oorlog of de niet geweldloze expansie in de Nederlandse koloniën. Dat is de verwerking van historische gebeurtenissen die elkaar opvolgen en verdringen. Lobbygroepen vragen aandacht voor ‘hun’ onderwerp en willen er meer aandacht voor. Maar het is ook het gevolg van tekortschietend onderwijs.

Daarom weet ik niet of de verontwaardiging van de Claims Conference over de vermindering van de kennis en bewustwording bij met name Nederlandse jongeren over de Holocaust iets abnormaals is. Het lijkt eerder een volkomen logische ontwikkeling.

Is de belabberde stand van het Nederlandse onderwijs en met name het geschiedenisonderwijs niet de meest voor de hand liggende verklaring voor de afnemende kennis bij jongeren over de Holocaust?

Dat zegt nog niks over de inschatting hoe betreurenswaardig de afnemende kennis bij de Nederlandse bevolking over historische gebeurtenissen is. Inclusief de Holocaust. Want dat geeft een deprimerend beeld van het onderwijs. Dat is uitermate pijnlijk. Maar dat is niet exclusief voor de Holocaust.

De verontwaardiging van sommige TK-kamerleden die in De Telegraaf de afnemende kennis en bewustwording over de Holocaust rechtstreeks verbinden met antisemitisme en haat is te simpel. Dat is te eendimensionaal gedacht. Het is ook contra-productief. Met grote woorden ontkennen ze hun eigen verantwoordelijkheid over de slechte stand van het Nederlandse onderwijs.

Kamerleden zouden zich beter kunnen inspannen om zich daarvoor verantwoordelijke te voelen en het te repareren, dan gelijk met grote woorden te praten over antisemitisme en haat bij Nederlandse jongeren.

Dat is ook precies wat Gordon Taylor zegt: ‘we must put a greater focus on Holocaust education in our schools globally.’

Waarbij het trouwens de vraag is hoeveel aandacht er in het geschiedenisonderwijs aan de Holocaust en aan andere belangrijke historische gebeurtenissen moet worden besteed. Want afnemende kennis over de Holocaust wil niet gelijk zeggen dat het geschiedenisonderwijs meer aandacht aan de Holocaust moet besteden. Taylor is een lobbyist voor zijn eigen zaak en vakhistorici die het curriculum voor middelbare scholen opstellen maken hun eigen afweging.

Het is toch opvallend dat Nederlandse jongeren meer dan in de andere genoemde landen minder weten van een historische gebeurtenis als de Holocaust. Dat is vooral een brevet van onvermogen voor het Nederlandse geschiedenisonderwijs. Dit gaat niet over antisemitisme en haat, maar over tekortschietend (geschiedenis) onderwijs.

Schermafbeelding van deel nieuwsberichtNew Study Reveals Nearly One Quarter of Dutch Millennials and GenZ Believe the Holocaust Was a Myth or Exaggerated‘ van de Claims Conference, 25 januari 2023.
Advertentie

Wat representeert het schilderij van Rein Dool voor het college van bestuur van de Universiteit Leiden?

Rein Dool, schilderi van leden Universiteisbestuur, 1976.

Afgelopen weken was er de merkwaardige en nog steeds onopgehelderde verwijdering uit een vergaderzaal in het Academiegebouw van een portret door Rein Dool uit 1976 van witte mannelijke bestuurders van de Universiteit Leiden.

Het college van bestuur reageerde bij monde van voorzitter Annetje Ottow in een verklaring van 15 november 2022 op de kwestie. De verklaring maakt niet duidelijk waarom het schilderij uit de vergaderzaal is verwijderd. Het college heeft zichzelf met deze kwestie in de hoek gemanoeuvreerd.

Het schilderij van Rein Dool wordt door drie medewerkers ‘tijdens een spontane actie’ verwijderd uit een vergaderkamer van de Leidse universiteit. Drie andere medewerkers kijken toe. Een zevende medewerker neemt de foto.

Het portret werd eerst verwijderd na een klacht van anonieme ‘medewerkers’ en daarna na brede maatschappelijke kritiek (‘veel commotie en vragen‘) weer teruggehangen. Al dan niet tijdelijk. Van alles is er intussen over gezegd.

De verwijdering raakte een maatschappelijke open zenuw omdat het aansluit bij het debat over cancelcultuur en identiteitspolitiek en als voorbeeld van een uitwas van identiteitspolitiek werd gezien. Het is het idee van een ‘veilige ruimte’ waar niemand geconfronteerd mag worden net tegenspraak. Juist dat verbod hoort niet thuis op een universiteit waar een open debat gevoerd moet kunnen worden en tegengeluid moet kunnen klinken. Een college van bestuur moet de voorwaarden daartoe garanderen en opgewassen zijn tegen radicale denkbeelden.

In de media werd ook door welwillende journalisten op neerbuigende toon gesproken over ‘Witte, oude en rokende mannen‘ terwijl notabene drie van de zes mannen op het schilderij niet roken en leeftijd een relatief begrip is. Keken de journalisten goed naar het schilderij? Ook is de witheid van de mannen minder onomstreden dan het lijkt. Voorzitter is de Joodse Dolf Cohen. Door antisemitische rechts-extremisten (en links-extremisten) worden joden niet als wit beschouwd. In Charlottesville in 2017 scandeerden ze ‘Jews will not replace us’.

Het huidige college van bestuur van de Leidse universiteit beriep zich erop dat het verwijderen uit de vergaderzaal een ironische actie was. Om een ‘actie met een knipoog maar ook met een serieuze ondertoon‘. Eeeeh, wat? Het beroep op ironie is het vaste antwoord van FvD-politicus Thierry Baudet als hij door kritiek in het nauw komt. Dat is een zwak argument van een bestuursvoorzitter van een belangrijke Nederlandse universiteit. Tegelijk beweerde Rein Dool juist dat zijn schilderij ironisch bedoeld was. Had Ottow dat gemist? Hoeveel soorten ironie kan een kwestie aan?

Wat Ottow zegt roept vooral vragen op: ‘Niet iedereen voelt zich door dit beeldbepalende werk gerepresenteerd. Zoals het nu hangt ontbreekt de context ook. De spontane actie stemt tot nadenken. Inclusiviteit is een van onze belangrijke opdrachten. Maar in de discussie waarop we straks als college ons besluit op baseren, betrekken we vanzelfsprekend ook de historische waarde van het schilderij. Uitgangspunten zijn ook respect voor oud-bestuurders die zijn afgebeeld en voor de kunstenaar die het werk maakte. We luisteren naar al die geluiden.

Uiteraard zal niet iedereen zich door dit ‘beeldbepalende werk‘ gerepresenteerd voelen. Moet dat dan? Voor elk kunstwerk geldt dat niet iedereen zich erdoor gerepresenteerd voelt. Katholieken, protestanten, monarchisten, Republikeinen, vrouwen, mannen, homo’s, hetero’s, Hollanders, plattelanders, autochtonen, inwijkelingen, progressieven en conservatieven, iedereen heeft een individuele kijk op de Nederlandse geschiedenis en cultuur die door de eigen achtergrond kleur krijgt.

Als het zo is dat als niet iedereen zich door een kunstwerk gerepresenteerd voelt, dat werk dan verwijderd moet worden uit de openbaarheid, dan kunnen openbare collecties voorgoed achter slot en grendel uit het zicht van burgers die zich er niet door gepresenteerd voelen.

Ook de verwijzing naar inclusiviteit van Ottow is ongelukkig. Suggereert ze hiermee dat witte mannen die worden gepresenteerd op een kunstwerk uit 1976 er tegenwoordig niet meer bij horen? Wie mormelt aan de lezing van de geschiedenis om die te herschrijven heeft niks op een universiteit te zoeken. Zo mag men hopen.

Zoektocht naar foto van onbekende man in Noorse collectie leidt naar Leidse hoogleraar Kristensen (1897-1899)

Anton. J. van der Stok, ‘Mann, ukjent, portrett‘. Collectie: Stichting Lillehammer Museum.

Wie regelmatig in digitale beeldcollecties zoekt kan zich erover verbazen hoe die collecties over landgrenzen heen elkaar niet of slecht aanvullen. Waarom komt die aansluiting tussen landen zo slecht tot stand? Waarom is er blijkbaar onvoldoende samenwerking om de lacune in elkaars collecties aan te vullen?

Neem de fotoMann, ukjent, portrett‘ in de collectie van de Noorse digitale collectie van Aulestad / Lillehammer. Bij de beschrijving staat in het Noors: ‘Man, onbekend, portret’. Als datering wordt 1880 – 1900 gegeven. Hoe valt de naam van de onbekende man te achterhalen? Zoals zo vaak gaat dat door het combineren van gegevens en het wegstrepen van opties.

Een belangrijke aanwijzing is de naam en het adres van het atelier waar de foto is gemaakt. De Noorse collectie geeft de naam van de fotograaf verkeerd weer. Het is niet ‘Van der Stock’, maar ‘Van der Stok’. Volgens de RKD had Anton van der Stok van 1 januari 1887 tot 3 december 1899 een atelier op het Rapenburg 13 in Leiden. Daarna verhuisde hij naar de Breestraat 149.

Op de achterkant van een foto van Jan de Vries met datering 1903 in de digitale collectie van de Universiteit Leiden is het adres Rapenburg 13 doorgestreept en vervangen door Breestraat 149.

De onbekende man op de foto lijkt een hoogleraar. Met professorale baret. Omdat de foto in Leiden is genomen, mag men veronderstellen dat hij is verbonden aan de Universiteit Leiden. De man zou een hoogleraar kunnen zijn die tussen 1887 en 1899 werkzaam was aan de Universiteit Leiden. Hoe kunnen we dat staven?

Maar dan zijn we er nog niet. De volgende vraag is hoe deze foto terechtkomt in Lillehammer in een Noorse provinciale digitale collectie. Heeft de man een connectie met Noorwegen of is hij wellicht van geboorte Noors?

Ja, de man is hoogleraar Godsdienstwetenschappen William Brede Kristensen (1867 – 1953) die uiteindelijk in Leiden zou sterven. Volgens zijn Wikipedia-pagina studeerde hij van 1890 tot 1892 in Leiden en werd op 6 april 1901 benoemd tot hoogleraar in Leiden waar hij op 23 september 1901 zijn oratie hield. Hij zou in Leiden tot 1937 hoogleraar blijven. In het collegejaar 1915-1916 was hij rector magnificus. Zijn foto in die functie was de sleutel om zijn naam te achterhalen.

Als de foto ter ere van zijn oratie in september 1901 zou zijn genomen, dan was Kristensen 33 jaar oud. Dat kan kloppen. Alleen ontstaat er dan een probleem met het adres van fotograaf Van der Stok die eind 1899 van Rapenburg 13 naar Breestraat 149 verhuisde. Dateert de foto wellicht van voor 1901?

Aanleiding voor de foto kan zijn geweest dat Kristensen in 1897 aan de Universiteit van Kristiania (nu Oslo) zijn habilitatie behaalde. De foto van Van der Stok kan gezien worden als promotiemateriaal om zich te positioneren voor een hoogleraarspost. Volgens Wikipedia werd in die tijd vooral in Duitsland en Polen de habilitatie als ‘soort diploma voor hoogleraar‘ beschouwd. Kristensen had in Leiden ijzers in het vuur door zijn promotie in 1892 bij Cornelis Petrus Tiele die hij in 1901 opvolgde.

Als de aanname klopt dan zijn de feiten de volgende. De onbekende man is de in 1867 in het Noorse Kristiansand geboren William Brede Kristensen die in 1901 tot hoogleraar Godsdienstwetenschappen aan de Universiteit Leiden werd benoemd. De foto werd in het atelier van Anton van der Stok aan het Rapenburg 13 in Leiden tussen 1897 en 3 december 1899 genomen. Of Kristensen toen al het recht had om een professorale baret te dragen kan te maken hebben met de academische mores per land.

Verwarrende beeldvorming van media over gedragsproblemen meisjes van 11 tot 16 jaar

Schermafbeelding van deel artikel ‘Gekke inhaalslag’ meisjes: vaker gedragsproblemen, meer drugs- en alcoholgebruik‘ van NOS, 14 september 2022.

Sommige berichten in de media over de gedragsproblemen van meisjes van 11 tot 16 jaar (in hedendaags jargon ‘meiden’ genoemd) zijn lastig te plaatsen. Omdat ze in woord en beeld een direct verband leggen met school. 

Er wordt een rechtstreeks verband gelegd tussen de ‘prestatiedruk’ op school en de gedragsproblemen van de meisjes. Maar onderzoeken over het niveau van het Nederlandse voortgezet onderwijs (en de basisschool) en observaties van de onderwijsinspectie wijzen een andere kant op. Ze geven aan dat het lager en middelbaar onderwijs afglijdt. 

Schermafbeelding van deel artikelHet Nederlandse onderwijs glijdt af: al 20 jaar daalt niveau, zegt inspectie’ van NOS, 11 april 2018.

Volgens het rapportStaat van het Onderwijs 2016/2017‘ uit 2017 glijdt het onderwijs al 20 jaar af. Het niveau daalt. De normen dalen. De afgelopen jaren is dat niet verbeterd. Integendeel door de corona-pandemie is het niveau verder gedaald. Kortom, het niveau van het Nederlands voortgezet onderwijs daalt al 25 jaar. Er wordt geen ambitieus voortgezet onderwijs aangeboden in Nederland. 

Hoe kan het dan zoals sommige media constateren dat genoemde meisjes met toenemende gedragsproblemen niet kunnen voldoen aan de prestatiedruk op school? Terwijl het niveau al 25 jaar daalt en de normen naar beneden zijn bijgesteld. Hoe kunnen een lager onderwijsniveau en naar beneden bijgestelde normen leiden tot een hogere prestatiedruk?

Dat de gedragsproblemen van de meisjes bestaan is duidelijk. Maar dat de prestatiedruk op school daarvan een belangrijke oorzaak is valt lastig te beredeneren. Het artikel van de NOS citeert een hoogleraar die oorzaken noemt voor het afgenomen welbevinden van de meisjes: ‘alcohol- en drugsgebruik, gedragsproblemen en hyperactiviteit‘.

Schermafbeelding van deel artikel De mentale gezondheid van meisjes is in vier jaar sterk verslechterd. Corona speelt mee, maar er is meer aan de hand‘ in NRC, 13 september 2022.

Hoe was het dan gesteld met de gedragsproblemen en de ‘schoolstress‘ van de meisjes van 11 tot 16 jaar in 1997, 1977 of 1957 toen het niveau van het Nederlands voortgezet onderwijs hoger was en de prestatiedruk navenant hoger was dan in 2022? Wat hebben we daar ooit over gehoord? Of ontbrak toen in media en samenleving de fijngevoeligheid om daar aandacht aan te besteden?

De oorzaak voor de gedragsproblemen van de meisjes lijkt daarom niet op school, maar elders te liggen. De media zouden er daarom verstandig aan doen om niet de school te kiezen voor hun beelden en gesprekjes met de meisjes. Zo geven de media een verkeerde indruk van de oorzaak van de gedragsproblemen. Die liggen voornamelijk buiten school.

Schermafbeelding van deel artikel Prestatiedruk zorgt voor ongelukkige meisjes. Terwijl ze allemaal een fijne jeugd verdienen | commentaar‘ van Annelies Karman in De Gooi- en Eemlander, 15 september 2022.

Anton de Wit (KN) maakt karikatuur van ‘linkse’ tegenstanders van artikel 23

Schermafbeelding van deel commentaarWokevrije scholen’ en Artikel 23: hoe vrij is ons onderwijs?‘ van Anton de Wit op het Katholiek Nieuwsblad, 26 augustus 2022.

Op de FB-pagina van het Katholiek Nieuwsblad plaatste ik bij een posting van 26 augustus 2022 van een commentaar van hoofdredacteur Anton de Wit onderstaande reactie. De schermafbeeldingen zijn hier toegevoegd:

Er zijn onzorgvuldigheden geslopen in het commentaar van Anton de Wit die verwarrend werken. Ze geven de lezer een verkeerde voorstelling van zaken

Het ridiculiseren van links is een mening waar De Wit het volste recht op heeft. Maar het is wel een wankele argumentatie door uit een radicale mening binnen links te concluderen dat heel links zo is. Dat maakt van links een karikatuur. 

De Wit is geïnformeerd genoeg om te weten dat hij een en ander verkeerd voorstelt als hij het heeft over artikel 23 dat gaat over het openbaar en bijzonder onderwijs. De Wit suggereert dat de vrijheid van onderwijs ter discussie komt te staan als artikel 23 afgeschaft wordt. 

Schermafbeelding van deel commentaarWokevrije scholen’ en Artikel 23: hoe vrij is ons onderwijs?‘ van Anton de Wit op het Katholiek Nieuwsblad, 26 augustus 2022.

De Wit claimt zonder onderbouwing dat ‘links’ meent dat dit artikel ‘de bron van alle ellende’ is omdat het ‘de vrijheid van religieus of ideologisch geïnspireerd onderwijs garandeert‘. Dat is een voorstelling van zaken die op z’n best onvolledig en op z’n slechtst kwaadaardig kan worden genoemd. 

De kern van dit artikel en de steen des aanstoots voor de tegenstanders ervan is niet de vrijheid van religieus onderwijs, zoals De Wit suggereert. Die wordt door hen niet ter discussie gesteld zoals hij suggereert. Geen enkele politiek partij tornt tot nu toe aan die vrijheid. 

Schermafbeelding van artikel 23 van de Nederlandse Grondwet, lid 5-7.

Waar het voor deze tegenstanders om draait is de bekostiging van het bijzonder onderwijs ‘uit de openbare kas’. Dat willen ze afschaffen. Het is opvallend dat De Wit in zijn commentaar dit aspect niet noemt. Terwijl dat de kern van de kritiek op artikel 23 van niet-confessioneel links is. 

Dat gaat dus van D66, PvdD, PvdA, GL, SP tot en met VVD. De PVV is voorstander van artikel 23, maar wil de islam van bijzonder onderwijs uitsluiten. Dus ook de bekostiging van islamitisch onderwijs ‘uit de openbare kas’. Dat is shoppen in een wetsartikel dat weinig principieel aanvoelt.  

Die bekostiging van het bijzonder onderwijs kwam in 1917 in artikel 23 terecht als compromis en uitruil tussen de toenmalige linkse (niet-confessioneel) en rechtse (confessioneel) politieke partijen. De confessionelen kregen bekostiging uit de openbare kas voor hun scholen, de niet-confessionelen kregen algemeen kiesrecht. 

Het commentaar roept vooral de vraag op waarom De Wit herhaaldelijk suggereert dat ‘links’ de in de grondwet verankerde vrijheid van onderwijs wil afschaffen. Hij weet dat dit onjuist, praktisch onrealiseerbaar is en dat daar de kritiek van ‘links’ niet over gaat. De kritiek draait om de bekostiging ‘uit de openbare kas’. 

Schermafbeelding van deel artikel van Jasper van Dijk (SP).

Het gaat erom of een meer dan 100 jaar oud wetsartikel dat een uitruil was van standpunten te moderniseren. Als de bekostiging van het bijzonder onderwijs uit openbare middelen wordt gestopt, dan zal dat zeker de financiële soliditeit van christelijke scholen raken.

Het is echter stemmingmakerij van De Wit als hij zegt dat met de afschaffing van artikel 23 de vrijheid van onderwijs direct in gevaar komt. Christelijke koepels hebben nog steeds de vrijheid om scholen op te richten en te besturen. Het verschil is dat de bekostiging niet langer uit de openbare middelen komt, maar zal moeten worden opgebracht door de doelgroep die zo’n school steunt. 

Gedachten bij twee foto’s van een Jezuïtisch muziekkorps in Kisantu, Congo (1920-1940)

Mission band, Kisantu, Congo, ca.1920-1940‘. Ansichtkaart. Collectie: International Mission Photography Archive, ca.1860-ca.1960.

Bewogen Koper (1993) is een documentaire van Johan van der Keuken waarvan de herinnering eraan zich opdringt in het kijken naar deze foto’s uit voormalig Belgisch Congo. Een samenvatting zegt: ‘Op antropologisch onderzoek gebaseerde documentaire waarin de opmerkelijke transformatie van het Westerse blaasorkest in verschillende niet westerse culturen wordt onderzocht. Van der Keuken filmde en Noshka van der Lely nam het geluid op van orkesten uit Nepal, Ghana, Suriname en Indonesië. De nadruk wordt gelegd op de assimilatie van de, veelal tijdens de kolonisatie ongevoerde marsmuziek in de autochtone muzikale traditie. Diverse orkestleden worden geïntroduceerd, waarbij een beeld wordt geschetst van het dagelijkse leven. Een belangrijk onderdeel daarvan is de beleving van religieuze riten bij bruiloften en begrafenissen, waarbij de muziek een grote rol speelt.

Een westerse fanfare met westerse instrumenten als uiting van westers kolonialisme, is dat het? Hoe moeten we dat achteraf waarderen? Het is een gemengd beeld van omgekeerde culturele toe-eigening ofwel cultureel imperialisme.

Op deze foto’s loopt de assimilatie via godsdienst. Overigens is assimilatie een lastig woord dat zowel ‘gelijkmaking‘, ‘aanpassing‘ als ‘verandering‘ betekent. Wat is het hier? De Jezuïtische paters van de Kwango-Missie doen aan verheffing en educatie.

De Trompet-Pater staat op beide foto’s rechts. In een smurf-verhaal zou zijn functie en zijn attribuut rolvast zijn. Hij lijkt de leider van het blaasorkest. Dat zo te zien geen saxofoon bevat. Toch een door een Belg uitgevonden instrument. Te moeilijk om te bespelen, te duur?

Boys in a marching band, Kisantu, Congo, ca.1920-1940‘. Collectie: International Mission Photography Archive, ca.1860-ca.1960.

Ach, we kunnen terugblikkend ons er alleen maar over verwonderen dat zulke blootsvoetse fanfares onder de palmen bestonden. Hoe klonken ze? Wat brachten ze in hun land teweeg in de muziekuitoefening toen de paters door de dekolonisatie waren gedwongen om hun biezen te pakken? Het is gissen.

De mengvorm van Noord en Zuid vertegenwoordigt de Ethiopische saxofonist Gétatchèw Mèkurya (1935-2016) die de vergelijking met westerse saxofonisten als Archie Shepp of Ornette Coleman kan doorstaan. Ongepolijstheid is een kwaliteit als het leidt tot vrijheid en lak aan westerse conventies. Elementaire eenvoud. Onze oren moeten er wellicht even aan wennen, maar dan blijkt de uniekheid:

Grenzen aan traditionele kunst: debat over Oscar Howe (1959)

Exhibition‘, 1959. Collectie: University of South Dakota.

Interessante context en subtekst voor deze foto’s uit 1959 geeft de Wikipedia-pagina van de Native American (Sioux-volk) kunstenaar uit Zuid-Dakota Oscar Howe (1915-1983): ‘Are we to be held back forever with one phase of Indian painting that is the most common way? Are we to be herded like a bunch of sheep, with no right for individualism, dictated to as the Indian has always been, put on reservations and treated like a child and only the White Man know what is best for him… but one could easily turn to become a social protest painter. I only hope the Art World will not be one more contributor to holding us in chains‘.

De reden voor deze reactie van Howe is volgens Wikipedia dat hij In 1958 werd hij afgewezen voor een tentoonstelling van Native American kunst in het Philbrook Museum in Tulsa, Oklahoma ‘omdat zijn werk niet voldeed aan de criteria van de “traditionele”‘Indian’ stijl’. Howe’s werk zou te abstract zijn en niet passen binnen de traditionele stijl. Howe kreeg gelijk en abstractie werd voortaan aanvaard binnen de gemeenschap.

Dat was in 1958 cancelcultuur avant la lettre. Wie niet voldoet aan de normen van de gemeenschap wordt uitgesloten en als ‘vreemd’ beschouwd. Maar Howe had de lef om dat aan te vechten.

Howe werd in 1957 ‘Professor of Art‘ aan de University of South Dakota in Vermillion, South Dakota. Dat was hij tot aan zijn dood in 1983. Op deze en andere foto’s uit de collectie van de universiteit zien we presentaties van zijn werk op dezelfde universiteit.

We kunnen ons alleen maar voorstellen welke bewegingen en tegenbewegingen zich in de jaren 1957 tot 1959 ontwikkelden rond de acceptatie van Howe’s werk en persoon. Wat betekende het om Howe en zijn werk in de armen te sluiten? Is het te ver gezocht om een vergelijking met een bounty te maken die door de witte middenklasse als medestander wordt gezien? Of doet zo’n observatie Oscar Howe onrecht omdat het zijn individualisme ondergeschikt maakt aan groepsdenken?

Was in 1959 een positief standpunt over Howe een afwijzing van de traditionalisten binnen deze gemeenschap omdat die immers niet of te moeizaam richting moderniteit bewogen? Wat zei de acceptatie van Howe’s kunst over de emancipatie van de inheemse Amerikanen? Als we met deze blik de foto’s bekijken weten we het antwoord op de vragen zo net nog niet. Niets is vanzelfsprekend.

Exhibition (People in gallery discussing an Oscar Howe painting‘), 1959. Collectie: University of South Dakota.

Foto’s van een bezoek van Oekraïense scholieren aan een museum in Dresden (1965)

Erich Höhne en Erich Pohl, ‘Ukrainische Schüler mit dem Jugendklub Kupferstichkabinett in der Gemäldegalerie Alte Meister‘. Dresden, 1965. Collectie: Deutsche Fotothek.

Zonder dat men weet wat dit precies is zijn er aanwijzingen om deze foto’s te duiden. Ze zijn uit een reeks van 81. Het schilderijenkabinet Oude Meesters staat in the picture.

Het gaat om een museum in Dresden in 1965. Dus in de toenmalige DDR. Een groep Oekraïense scholieren is op bezoek en wordt rondgeleid. Als dat het gepaste woord is om hun rondgang te omschrijven. Duitse leeftijdsgenoten van een jeugdclub van het prentenkabinet van het museum zijn ook aanwezig. Maar de jongere generaties hebben niks te vertellen en dienen zo te zien als zetstuk. Als achtergrond. Het bezoek toont meer dan prenten alleen.

Erich Höhne en Erich Pohl, ‘Ukrainische Schüler mit dem Jugendklub Kupferstichkabinett in der Gemäldegalerie Alte Meister‘. Dresden, 1965. Collectie: Deutsche Fotothek.

De sfeer van een geleid bezoek schemert door de fotoreeks heen. Iedereen zit gevangen in de eigen rol. De Oekraïense scholieren worden als vee door het museum geleid. De Duitse museummensen geven naar wat men mag aannemen een ideologisch correcte uitleg bij de kunstwerken. Onder toezicht van de Duitse beambten van de communistische partij. Er lopen zelfs twee Russische militairen rond.

Het bezoek is een mediaspektakel dat draait om propaganda. Het is een middel om de hechte band tussen de communistische broedervolkeren te benadrukken. Dat gaat echter op zo’n zichtbaar gedwongen wijze dat het averechts werkt. Of misschien werkte dat in 1965 goed in een gesloten samenleving. Maar ook toen al waren de verveling en saaiheid ervan af te lezen.

Hoe dan ook, het toont van bovenaf geënsceneerd. Militaristisch. Bloedserieus. Hiërarchisch. Generatieconflict. Kondigt zich hier in 1965 al het einde van de val van het ijzeren gordijn in 1990 aan? Het zou kunnen, deze dwang toont verre van duurzaam.

Erich Höhne en Erich Pohl, ‘Ukrainische Schüler mit dem Jugendklub Kupferstichkabinett in der Gemäldegalerie Alte Meister‘. Dresden, 1965. Collectie: Deutsche Fotothek.

Leiden foto’s van katholieke feesten in Nijmegen achteraf tot schaamte (1927-1932)?

Foto Grijpink, Praalwagen Missie-week met de tekst : “Katholiciteit: gaat en onderwijst alle volkeren”, 1927. Collectie: Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen.

Wat herkennen we bijna 100 jaar later van bovenstaande foto uit 1927? Hoe kunnen we erkennen wat we nauwelijks herkennen? Wat is ‘Katholiciteit‘ behalve een onhandig afgebroken titel van een tekst op een praalwagen? Wat is er zinvol aan de pretentie om andere volkeren te onderwijzen? Zaten ze er in 1927 op te wachten? De afwijzing was blijkbaar nog niet doorgedrongen tot katholiek Nijmegen.

Propaganda, zal de kijker van nu schouderophalend denken. Zo dacht men toen. Men wist niet beter. Als men beter wist, dan deed men alsof men niet beter wist. Zoiets?

Het is geen toeval dat deze foto is opgenomen in het Regionaal Archief Nijmegen. De katholieke zuil trad toen zelfverzekerd naar buiten. Zoals andere zuilen dat ook deden. Met vlaggen, vaandels, optochten, processies en andere blijken die gemeenschapszin, onderlinge verbondenheid en sterkte moesten uitstralen. In dit geval met een praalwagen tijdens een interdiocesane missieweek die van 22 tot 29 mei 1927 plaatsvond.

Vijf jaar later werd het er in katholiek Nijmegen nog malliger op. Het Maria Congres van 1932 wordt gevierd op congresterrein De Wedren. De feestelijkheden worden opgehangen aan een beeldje van Maria dat volgens overlevering ‘in 1592 gered [was] uit de brandstapel op de Grote Markt en daarom ook wel de “zwarte Madonna” [werd] genoemd’. Een beeldje als MacGuffin dat de boel in gang zet.

Op 5, 6 en 7 augustus stond de hele stad in het teken van het Maria Congres. De Wedren was ingericht als congresterrein. Op zondag trok, vanaf villa Belvoir, de plechtige Maria Omdracht door de stad, waarin naast kerkelijke en wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders ook talloze katholieke organisaties en muziekkorpsen meeliepen: de groep “het rode ras”, 1932. Collectie: Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen.

Ook het rode ras was in 1932 op dit katholieke feest aanwezig. Zo te zien met attributen uit de speelgoed- of carnavalwinkel. Dat niveau. Een lid van dit rode ras draagt een moderne bril anno 1932.

Allemaal niet echt natuurlijk, maar lekker doen alsof men een ander is in de huid van een ander zorgt voor de lol. Of noem het religieuze educatie. Tegenwoordig wordt dat culturele toe-eigening genoemd. Daar wordt felle strijd over gevoerd. Maar in 1932 was dat nog niet zo ver. Het echte rode volk wachtte immers op onderwijs van de katholieke zuil? Toch?

Een ding mag je die katholieke zuil van toen nageven, in verkleedpartijen, projecties en omkeringen van de waarheid was die niet te evenaren. Het zorgde voor spektakel. Dat dat verkeerde pracht en praal was leiden we nu af uit zulke foto’s. De schaamte voorbij.

Hedendaagsheid is relatief

Contemporary Art Show [Sister Mary Linae Frei stands before an exhibit of contemporary art], 1965. Collectie: University Archives van de Saint Xavier University in Chicago.

Intikken van de zoekopdracht ‘contemporary art‘ ofwel hedendaagse kunst leidt naar deze foto’s in digitale collecties. Het levert opmerkelijke plaatjes op uit de tweede helft van de jaren 1960 van kunstopleidingen. Maar vooral de bevestiging van het idee hoe betrekkelijk het begrip hedendaagse kunst is.

Nu zouden kunstcritici de werken die hier gepresenteerd worden waarschijnlijk anders noemen. Zoiets als ‘moderne’ of ‘abstracte’ kunst. Het is trouwens onzeker of deze werken in hun eigen tijd ook door serieuze kunstbeschouwers hedendaagse kunst genoemd zouden worden.

Om welke werken het gaat zegt de beschrijving niet. Het gaat in deze foto’s niet om de kunst, maar om het proces van kijken, presenteren en beeldvorming over ‘hedendaagse kunst‘.

Op de bovenste foto staat in haar habijt zuster Mary Linae Frei centraal. Of zij dezelfde is als de in 1931 geboren abstracte kunstenaar Linea Frei (hier ongeveer 34 jaar oud) zonder haar kloosternaam Mary is niet op voorhand zeker, maar wel waarschijnlijk. Zij werd een belangrijke hedendaagse kunstenaar die in een adem met Mary Bauermeister in 1972 in een tentoonstellingscatalogus over vrouwen in de kunst wordt genoemd.

Op de onderste foto wijst een gids met een paraplu naar een schilderij. Hij geeft twee toeschouwers uitleg. Nu zou hij voor het gebruik van de paraplu als aanwijsstok die akelig dicht het canvas nadert in een museum ongenadig op de vingers getikt worden. Een duw of struikeling is voldoende voor een fikse beschadiging van het schilderij.

Deze twee foto’s draaien om tijdsbeelden en relativiteit. Niet alleen van hedendaagse kunst, maar van hedendaagsheid. Of liever de mythe van hedendaagsheid. Uitingen, gedrag of kunst die in de jaren 1960 hedendaags waren, ogen meer dan 50 jaar later gedateerd. Maar hoe we het achteraf noemen is nog niet zo makkelijk. Want kijken we met de bril van toen of die van nu?

Grigg Studio, Black and white photo of onlookers viewing collections on display from the College Union Collection of Contemporary Art, 1969. Collectie: University Archives Photograph Collection van de Wake Forest University (Winston-Salem, NC).