Mediastorm tussen Alexander Klöpping en Freek Staps. Journalistiek staat voor de keuze tussen hersenloze neutraliteit en weerbaarheid, moed en strijdlust om de democratie te verdedigen

Schermafbeelding van deel opinie-artikelNee, Alexander Klöpping, we hebben niet meer leiders maar meer feiten nodig in de journalistiek‘ van Freek Staps in NRC, 6 december 2021.

De afgelopen dagen konden we getuige zijn van een mediastorm tussen Alexander Klöpping en Freek Staps in NRC. Staps reageerde op Klöpping. Er werden van beide kanten grote woorden gebruikt, maar de kern van het probleem waar het om zou moeten gaan werd in mijn ogen onvoldoende benoemd en sneeuwde onder. Dat komt door een onhandige en verkeerde focus van Klöpping die zijn kritiek ophangt aan de verslaggeving over de COVID-19 maatregelen van de overheid en een verongelijkte, verdedigende houding en beperkte taakopvatting van Staps. Dat is jammer, want er is wel degelijk iets mis met de journalistiek en kritiek erop is zinvol en nodig.

Schermafbeelding van deel opinie-artikelLaat de actiejournalistiek niet over aan boulevardkranten‘ van Alexander Klöpping in NRC, 3 december 2021,

In het commentaarOok Nederlandse journalisten zijn medeplichtig aan de moord op de democratie‘ van 4 december 2021 formuleerde ik wat ik als de kern van het probleem zie als volgt: ‘Journalisten zeggen zich neutraal op te stellen door de standpunten van alle kanten aan bod te laten komen. Dat is een valkuil waar ze intuimelen en ze zich weliswaar onwillekeurig van bewust zijn, maar toch geen passend antwoord op weten. Nog steeds niet na vijf jaar desinformatie door populistische politici. In het tijdperk waarin ultra-rechtse politici desinformatie en leugens hanteren als politiek middel om hun opponenten en de waarheid te ondermijnen, zichzelf electoraal te positioneren en politiek als middel zien om geld uit te halen (Trump, Baudet), werkt die benadering van vermeende onzijdigheid niet meer’.

Op een neutrale houding van de journalistiek waarbij iedereen aan het woord komt heeft Klöpping naar mijn idee terechte kritiek. Hij zegt: ‘Het blijven streven naar neutraliteit van kranten en talkshows is een ziekte geworden. Zelfs de antijournalistieke sentimenten van antivaxers en FVD-hitsers krijgen eindeloos zuurstof door er objectief over te berichten. In plaats daarvan zouden media ook stelling kunnen nemen: wij vinden dat het verdacht maken van de journalistiek als geheel niet thuishoort in onze krant of uitzending. Of wij geloven erin dat iedereen die het kan, zich moet laten vaccineren. Of wij geloven dat mensen klimaatverandering veroorzaken en dat hard ingrijpen nodig is om de aarde leefbaar te houden.’

Staps noemt de kritiek van Klöpping ‘humbug‘. Maar opvallend is dat hij in zijn reactie voorbijgaat aan de kern van Klöppings kritiek en zich ertoe beperkt te scoren op ondergeschikte punten. Zoals gezegd, Klöppings kritiek is verre van ideaal. Zijn kritiek op de journalistiek verdient een betere onderbouwing met andere accenten. Maar in de kern is zijn kritiek zinvol en slaat de spijker op de kop.

In genoemd commentaar van 4 december 2021 verwees ik naar Dana Milbank die vorige week vrijdag 3 december in een column in The Washington Post min of meer hetzelfde zegt als Klöpping. Niet over de Nederlandse, maar over de Amerikaanse journalistiek. Namelijk dat journalisten medeplichtigen zijn aan de moord op de democratie: ‘My colleagues in the media are serving as accessories to the murder of democracy‘. Het valt Milbank op dat de media president Biden harder aanvallen dan voormalig president Trump, terwijl volgens hem de eerste veel minder redenen heeft om kritiek te krijgen. Er is blijkbaar een ander mechanisme werkzaam dat de journalistiek in haar greep heeft en afleidt van haar taken.

Er zijn accentverschillen, want de medeplichtigheid van journalisten aan de moord op de democratie is niet bij alle media identiek en even bezield en ernstig. Er zijn ook voorbeeldige media die hun taak prima uitvoeren. In de kern lijkt het tekort van de huidige journalistiek te draaien om de taakopvatting van journalisten. Die wordt in een defensieve reflex en vanuit een zekere hoogmoed verwoord door Staps en komt erop neer dat beroepsbekwaamheid, respect voor de feiten en het werken volgens een beroepscode (Code van Bordeaux) voldoende zijn om journalistiek te bedrijven.

Klöpping en ook Milbank voegen daar een morele dimensie aan toe die Staps mist. Moreel in de betekenis van geestelijke weerbaarheid, moed en strijdlust. Milbank concludeert: ‘Te veel journalisten zitten gevangen in een hersenloze neutraliteit tussen democratie en haar saboteurs, tussen feit en fictie. Het is tijd om een ​​standpunt in te nemen’. Het is de hersenloze neutraliteit van journalisten die Klöpping aan de orde stelt en waarvan Staps niet eens lijkt te beseffen dat het een probleem is, maar hij notabene als verdienste ziet.

Mogelijk worden die uiteenlopende opvattingen over wat de taak van de journalistiek is extra op scherp gesteld door een generatieconflict tussen ‘de oude hap’ die is geschoold in de traditionele journalistiek van de vorige eeuw en daarmee doordesemd is en de nieuwkomers die interdisciplinair en intermediair zijn en de journalistiek als mengvorm zien.

Uiteraard moeten journalisten naar alle kanten toe sceptisch en onafhankelijk zijn. Dat kan door zich duidelijk bewust te zijn van de eigen positie en die steeds weer te benoemen. Niet als verantwoording, maar als verheldering. Essentieel is dat journalisten zich in tijden waarin rechts-populisme in opkomst is en de democratie bedreigt laten kennen als expliciete aanhangers van de democratie. Dat ontbreekt er tot nu toe aan. Het is de uitdaging voor de hedendaagse journalistiek om een en ander te combineren.

Chinese propaganda probeert Bidens ‘Summit for Democracy’ onderuit te halen

Mijn hier in het Nederlands vertaalde reactie bij bovenstaande video van New China TV. Dat is een propagandazender van de Communistische Partij China. Het is een internationaal communicatieplatform in staatseigendom dat is aangesloten bij het Xinhua News Agency.

De virtuele Top van Democratieën (Summit for Democracy) is een initiatief van president Joe Biden en vindt plaats op 9 en 10 december 2021. Nederland is ook deelnemer. Er zijn drie doelstellingen geformuleerd: Verdedigen tegen autoritarisme; Corruptie aanpakken en bestrijden; Respect voor mensenrechten bevorderen’. Komende dagen zal volgens CNN de regering Biden een politieke boycot van de Olympische Winterspelen in Peking aankondigen. De animositeit tussen beide landen neemt toe:

Gezien de vele items die New China TV aan dit onderwerp besteedt blijkt het om een open Chinese zenuw te gaan. Door er uitgebreid aandacht aan te besteden blijkt hoeveel zorgen China zich maakt over de Democratische top. De paradox is dat de kritiek de top helpt groter te maken. Dit item bereikt het omgekeerde van wat het beoogt.

Tot nu toe werd de Chinese Volksrepubliek niets verhinderd in haar verhouding met zwakke landen in Zuid-Europa, Azie en Afrika die neerkwam op machtsuitoefening van sterkte tegenover een zwakke partner. Mensenrechten tellen niet voor China en aan arme landen worden dure infrastructurele projecten verkocht (autowegen, spoorwegen, havens) die vooral de ecconomische en politieke belangen van de Volksrepublike China dienen. Niet die van de landen in kwestie die fragiele democrateen zijn die door deze projecten verzwakt worden. Ook door de Chinese export van corruptie.

Onder initiatief van de laatste twee presidenten van de VS en met steun van de EU is dit langzaam veranderd. Deze landen en hun bevolkingen zijn tot het inzicht gekomen dat China meer goed dan kwaad doet en gestopt moet worden met haar ondermijning van genoemde fragiele democratieën. De Top voor Democratie is daar een antwoord op en een teken van die zorgen.

Uiteraard heeft globale politiek die gericht is op de publiciteit en verder gaat dan de diplomatie achter de schermen vaak een hoog gehalte aan ‘performance’. Dat geldt voor alle landen en alle eeuwen. Er moet een verhaal verteld worden om de deelnemers te motiveren en een sterk front te vormen. Zo’n verhaal is altijd een versimpeling van de realiteit. In het tijdperk van (sociale) media is dat een voorwaarde voor het bedrijven van politiek geworden.

Dat is op een congres van de Communistische Partij China niet anders dan op een Top voor Democratie.

We herinneren ons nu nog de toespraken van de Amerikaanse presidenten Kennedy (1963) en Reagan (1987) in toenmalig West-Berlijn die indruk maakten omdat ze ‘performance art’ combineerden met het innemen van een stevig politiek standpunt. Het is de uitdaging voor president Biden en zijn staf om deze combinatie van ‘performance’ en inhoud te herhalen om de expansie van de Volksrepubliek China ten koste van zwakke democratieën af te remmen en de onderlinge band tussen de democratieën te versterken.

Frederik van Eeden, Hugh MacRae en Alvin Johnson. Gedachten bij twee foto’s van Nederlandse kolonisten in North Carolina (vanaf 1911)

Cape Fear Dairy [The Cape Fear Dairy owners and operators, left to right: Cornelius (1895-1981), Dirk, Jr. (1899-1980), Hendrick (1906-1985), Jacob (1910-1980), William (1896-1976), Jan (1908-1955), Dirk, Sr. (1873-1939) and Maarten (1901-1962) Swart]. Collectie: New Hanover County Public Library.

Op deze foto’s zien we Nederlandse emigranten die zich na 1911 vestigden in het zuidoosten van de Amerikaanse staat North Carolina. Initiatiefnemer was zakenman, bankier en grootgrondbezitter Hugh MacRae die dat deel van de staat ten noorden van Wilmington wilde ontginnen. Bemiddelaar en initiator voor de Nederlandse kolonisten was schrijver en idealist Frederik van Eeden die in Nederland in 1898 met weinig succes bij Bussum de kolonie Walden had opgezet. De kolonie ging door wanbeheer in 1907 failliet. De Amerikaanse kolonie Van Eden (ook: Van Eeden) was de herkansing.

Dat mislukte om dezelfde redenen als Walden zoals een artikel uit 1998 van Marianne Mooijweer in De Parelduiker concludeert: ‘Waarom ging het mis? Twee kolonisten met een financieel-economische opleiding, die beiden twee jaar in Van Eden woonden, weten de moeilijkheden aan gebrekkig management. Een doelmatig bestuur ter plaatse zou goede cursussen hebben geregeld en korte metten gemaakt met de te individualistische mentaliteit van de immigranten. Het zou snel hebben ingespeeld op misoogsten of afzetproblemen en een gevoel van saamhorigheid hebben geschapen. In zijn autobiografie trok Alvin Johnson dezelfde conclusie, die opmerkelijk goed aansluit bij wat Frederik van Eeden had aangewezen als de oorzaak van de mislukking van Walden en zijn Amerikaanse kolonie. Men kon het socialisme niet overlaten aan de werkers zelf. Coöperatie en zeggenschap waren prachtige idealen, maar het kwam aan op krachtige leiding en efficiënt zakendoen. Zonder winst geen Nieuwe Wereld’.

A family at Van Eeden [Photograph of a family standing in front of one of the homes constructed for colonists at the Van Eeden farm colony]. Collectie: New Hanover County Public Library.

De Cape Fear melkveehouderij van de familie Swart, genoemd naar de gelijknamige rivier, was niet gelegen in Pender County waar de Eden kolonie was gevestigd, maar iets ten zuiden daarvan in Castle Hayne, New Hanover County. Het bedrijf was tamelijk succesvol. In 1946 ging het over op een andere Nederlandse specialiteit: bloembollen.

Het artikel van Marianne Mooijweer verklaart het verschil tussen de ervaren boeren en de gezinnen die zich in de kolonie vestigden: ‘Bijna twintig gezinnen vestigden zich in het dorp. Het zat ze niet mee. MacRae ondersteunde hen financieel en praktisch, maar kon een fiasco niet voorkomen. Hij verwonderde zich over hun mentaliteit, schreef hij Van Eeden. Hij vond de pioniers nogal egoïstisch en eigenzinnig. Er waren steeds conflicten, er werd kwaadgesproken en als iemand een succesje boekte, was de rest jaloers in plaats van zijn methode ook te proberen. Ze weigerden deskundig advies op te volgen, terwijl ze nooit in het boerenbedrijf hadden gewerkt (de paar ervaren boeren die in Van Eden kwamen kijken, besloten zich elders te vestigen).

Valt het de kolonisten kwalijk te nemen dat ze mislukten? Eigenlijk niet. Akkerbouw was niet te doen. De voorwaarden waren slecht. De omschrijving bij de onderste foto zegt (vertaald): ‘Het land werd geplaagd door drainageproblemen, waardoor de kolonisten andere manieren moesten vinden om in hun onderhoud te voorzien. Ze richtten hun aandacht op de melkveehouderij op het land, maar ook dat mislukte. Uiteindelijk verlieten kolonisten in Van Eeden het land voor stedelijke banen‘.

Het naschrift bij de twee mislukte landbouwkolonies van Van Eeden geeft Mooijweer. In 1938 werd het terrein van de voormalige Van Eden kolonie van MacRae opgekocht door de maatschappelijk geëngageerde econoom Alvin S. Johnson die er in 1939 de Alvin Corporation oprichtte. Het diende om Joodse vluchtelingen op te vangen: ‘Op een enkeling na waren het mensen met een stedelijke achtergrond, soms hoogopgeleid en in Duitsland of Oostenrijk onder meer werkzaam geweest in het onderwijs en de groothandel. Er waren ook accountants bij, en een architect. Dikwijls hadden de mannen in een concentratiekamp gezeten en wisten zij na hun vrijlating met behulp van een al eerder geëmigreerd familielid een visum voor Amerika te krijgen‘.

(..) ‘De secretaresse van Johnson, die in 1941 een paar weken in Van Eden woonde, omschreef dit als het gevoel een vis op het droge te zijn: onmachtig en uit zijn element. Dankbaarheid dat hun leven was gespaard en frustratie wegens de omstandigheden op Van Eden streden om de voorrang. De huisjes waren niet zo comfortabel. Malaria dreigde. Soms vraten de koeien van de buren de oogst op. Het gedwongen samendoen met landbouwwerktuigen wekte irritatie. Degenen met auto’s ergerden zich eraan dat zij steeds voor de benzine-kosten opdraaiden als er weer eens iemand mee moest naar de stad. Het advies dat ze kregen, leek hun niet deskundig genoeg. De afwatering liet te wensen over. Het bleek moeilijk goede prijzen voor hun producten te krijgen. Ze trokken het zich aan dat de Amerikaanse boeren uit de omgeving hen uitlachten om hun onwetendheid. Sommigen maakten zich ook zorgen dat het opnieuw op het conto van ‘de joden’ geschreven zou worden als alles mislukte. Er werd geroddeld over medekolonisten, als iemand iets bijzonders kreeg, gaf dat scheve ogen. Het was hard werken met een onzekere toekomst, al boekten de kolonisten die een melkveehouderij waren begonnen redelijk goede resultaten‘.

Dit is een verhaal over goede bedoelingen. Het laatste woord is een kwinkslag uit La Peste van Albert Camus (vertaald): ‘Het kwaad in de wereld komt voort uit onwetendheid, en goede bedoelingen kunnen net zoveel kwaad doen als kwaadaardigheid, als ze niet gepaard gaan met kennis’.

Gedachten bij twee foto’s van Clarence W. Sorensen: Rotterdam (1934) en Amsterdam (1969)

Dit is een foto uit de omvangrijke Clarence W. Sorensen Collection (1836 negatieven) die de persoon naar wie deze collectie is genoemd heeft geschonken aan de University of Wisconsin-Milwaukee Libraries. Geograaf en journalist Clarence Woodrow Sorensen (1907-1982) bereisde tussen 1934 en 1969 vele landen. Ook in Europa. Van Ierland en Denemarken tot Oekraïne en Griekenland.

Sorensen werkte op zijn reizen die hem naar alle continenten brachten samen met de professionele fotograaf Eugene V. Harris, aldus een bericht van de American Geographical Society Library. In vele landen is belangstelling voor de foto’s die ze daar maakten. Het lijkt erop dat dat niet voor Nederland geldt. Sorensen heeft als geoloog enkele boeken uitgegeven of daar een bijdrage aan geleverd.

De collectie bevat 44 gedigitaliseerde foto’s die in Nederland zijn genomen. De bovenste toont een glazenwasser van het bedrijf B. Putten dat gevestigd is in de Acaciastraat 9 te Schiebroek, Rotterdam. Dat staat op de zijkant van de kar. De man met pet loopt door het centrum van Rotterdam en kijkt fotograaf Sorensen die aan de straatkant staat recht in de ogen. Uit het straatbeeld valt op te maken dat het waarschijnlijk 1934 is. In elk geval de vooroorlogse periode. Sorensen vangt in dit beeld de crisis van de jaren 1930. Sappelen en zwoegen.

Een andere foto dateert van later datum, vermoedelijk 1969 of iets eerder in dat decennium. Uit de titel blijkt dat het op de Amsterdamse Rozengracht is. De vrouw kijkt vreemd uit haar ogen. Haar gezicht lijkt een masker waar al het leven uit is weggetrokken. Is ze moe na een dag werken of is er wat anders aan de hand? De witte plastic handschoenen maken het er onheilspellend op. Er lijkt zich een verhaal te ontrollen dat op zoek is naar een raadsel. De hond in het mandje achterop kijkt ook wat mat afwezig uit de ogen. De vrijheid en ongeremdheid van de jaren 1960 waarmee dit tijdperk wordt geassocieerd zijn ogenschijnlijk nog niet tot iedereen doorgedrongen.

De twee foto’s omvatten 35 jaar waarin veel is gebeurd. Een economische depressie, een oorlog, politionele acties in Nederlands-Indië, de wederopbouw, crisis op Paleis Soestdijk, de verzorgingsstaat, toenemende welvaart en de opstandige jaren 1960 waarin het gezag op de proef wordt gesteld. De mens beweegt zich door de sociale omgeving die het zelf heeft gemaakt. De fotograferende geograaf legt het vast. Als observator langs de kant.

Bestaansreden van Russische propaganda staat van vele kanten onder druk. Voorbeeld van een bericht op RT

I. Op het eerste gezicht weet je nooit of je moet lachen of huilen om de gekleurde informatie van de Russische propagandazender RT. Niet altijd is de informatie onjuist, maar is die zo eenzijdig dat het de kennis over een onderwerp niet vergroot, maar op zijn best mystificeert. Omdat het die slechts van een kant belicht. Dat valt op te vatten als omleiding en misleiding. RT mist de politieke ruimte om breed, open, onpartijdig en zonder vooringenomenheid te kunnen informeren.

Doorgaans bevatten nieuwsberichten van RT feitelijke onjuistheden die nodig zijn om die gekleurde informatie aannemelijk te maken. Daartoe moet een casus met kleine leugens wat bijgebogen worden. Dan gaat RT aantoonbaar de fout omdat het het zelfbeeld waar het zich op beroept zelf omver kegelt. Namelijk dat het een alternatief biedt voor westerse media en journalistiek op een hoger plan staat. Dat laatste klopt dan niet. Het is overigens niet aannemelijk dat de leiding van RT dat zelf gelooft. Het is politieke marketing voor uitwendig gebruik.

II. Sinds najaar 2013 toen de spanningen tussen de Russische Federatie en Oekraïne opliepen hebben de op een Europees publiek gerichte Russische propagandazenders breed ingezet op misleiding over Oekraïne. Alle moeite werd gestoken in het ondermijnen van de steun voor Kiev en het verdelen van een Europees publiek. Of dat is gelukt is de vraag.

Dat is slecht gelukt via de Russische propagandazenders als RT en Sputnik omdat die met hun Engels-, Duits-, Frans-, Arabisch- en Spaanstalige edities een klein bereik hebben. Het op de VS gerichte RT werd een mislukking omdat het niet wist door te dringen tot kabelnetten. Het al 16 jaar bestaande RT heeft zichzelf overleefd en valt te beschouwen als een mastodont met de pretentie van een algemene zender die naar de marge van de sociale media is verdrongen.

De paradox is dat de Russische propaganda die internationaal gericht is wel succesvol is geweest via sociale media, zoals Facebook en Twitter. De inschatting is dat Donald Trump zijn overwinning als president in 2016 grotendeels te danken heeft aan de Russische steun via sociale media. Ook mengden Russische sociale media zich afgelopen jaren in de verkiezingsstrijd in Frankrijk en Duitsland.

III. De paradox van de paradox is dat in de VS de Russische propaganda niet meer nodig is omdat de extreem- en radicaal-rechtse aan de Republikeinse partij gelieerde actoren in praktijk brengen wat het Kremlin vijf jaar geleden deed. Rechtse Amerikanen zijn zelfvoorzienend geworden wat propaganda en ondermijning van de Amerikaanse samenleving en politiek betreft. Het land koerst af op de afgrond en de vraag is of de krachten die dat willen verhinderen sterker zullen blijken te zijn dan de krachten die dat beogen.

Dat thematiseert wat nog de rol is voor Russische propagandazenders als RT en Sputnik en de Russische trollenfabrieken die continu via sociale media misleidende berichten versturen. Zonder de noodzaak voor grote campagnes hoeft het Kremlin alleen de druk op de ketel te houden om te zorgen dat westerse publieken zich blijven keren tegen hun eigen overheden.

De onderwerpen waarmee dat gebeurt vormen een archeologische laag van de recente actualiteit. De Krim vanaf voorjaar 2014 en de misleidingscampagne vanaf zomer 2014 over de Russische schuld aan het neerschieten van de MH17 is gevolgd door een campagne over westerse sancties vanwege de Russische inmenging in Oost-Oekraïne en de bezetting van de Krim vanaf augustus 2014, de Brexit, het Schotse referendum, Nord Stream II, de opeenvolgende migratiecrises van Turkije tot Wit-Rusland en het Verenigd Koninkrijk, de coronapandemie en allerlei onderwerpen die de EU of de VS kunnen verzwakken en in een kwaad daglicht stellen.

IV. De tragiek van propaganda is dat ze niet alleen afleidt van de waarheid en nieuwsconsumenten op het verkeerde been zet, maar een land dat die propaganda bedrijft in een parallelle werkelijkheid terecht laat komen. De grootste schade van propaganda ondervindt uiteindelijk het land dat die propaganda bedrijft omdat het in een spiegelpaleis van fantasieën verzeild raakt. Om daarin te kunnen volharden dient het zichzelf een vals zelfbeeld voor te spiegelen waar het na verloop van tijd wellicht niet diep in gaat geloven, maar zich toch naar gaat gedragen door mentaal binnen de contouren ervan te blijven. Dat zijn de lijnen van eenzijdigheid.

De Russische propaganda heeft de natievorming van Oekraïne vertraagd, maar ook versneld. Dat is een andere paradox. Net zoals de machthebbers in het Kremlin een buitenlandse vijand construeren (‘omsingelingscomplex‘) om de steun van de bevolking te winnen en af te leiden van binnenlandse problemen, zo werkt de propaganda ook in het land dat het doelwit ervan is. Mits het besef bestaat dat die buitenlandse propaganda op het eigen land gericht is en probeert schade aan te richten. Dat besef bestaat in Oekraïne.

Een meerderheid van de Oekraïeners is door de Russische propaganda en inmenging in hun land extra standvastig geworden. Mede omdat het ziet dat het in de Russische Federatie economisch slecht gaat en het land zich beweegt in de richting van een autoritaire staat waar rechten van burgers geschonden worden. De natievorming van Oekraïne gaat langzaam, maar gestaag door en door de Russische propaganda is het land eerder in de richting van de VS en Europa gedraaid, dan dat het zich er van afgekeerd heeft. Dan werkt propaganda op de lange termijn averechts.

V. Mijn reactie bij bovenstaande video (vertaald):

Het is niet ‘Europe’ zoals RT zegt, maar Duitsland dat de certificering van Nord Stream II tegenhoudt. Die vertraging heeft het Russische Gazprom volledig aan zichzelf te wijten. Het dacht te kunnen volstaan met Zwitserse jurisdictie en de procedure niet serieus te hoeven nemen, maar het Duitse Bundesnetzagentur oordeelde daar anders over.

In de EU kunnen zaken niet door corruptie en steekpenningen beslist worden zoals in de Russische Federatie. Dat verschil in cultuur heeft Gazprom verkeerd ingeschat omdat het dacht de eigen corruptie naar Duitsland te kunnen exporteren. Dat werkt bij personen als oud-kanselier Schröder en andere oud-politici die met Russisch geld gekocht worden, maar niet met een Duitse institutie.

Servie is geen lid van de EU of een bondgenoot van westerse landen, maar een satelliet van het Kremlin, zodat het volkomen irrelevant is wat de Servische president over sancties zegt. Het valt ook te bezien of het juist is wat hij zegt, namelijk dat sancties tegen het belang van ‘Rusland’ ingaan.

Voor de duidelijkheid, die sancties werden in 2014 ingesteld door de onwettige bezetting van de Krim door troepen van de Russische Federatie. Die Russische bezetting schaadt de internationale rechtsorde en is in strijd met internationale verdragen. Servie stemde in 2014 niet tegen de breed aangenomen VN-resolutie 68/262 die de bezetting door de Russische Federatie van de Krim veroordeelde en het zogenaamde referendum die dat moest legitimeren als ongeldig verklaarde. Servie was afwezig bij de stemming.

Het lijkt eerder zo te zijn dat de actie die tot de sancties leidde tegen het belang van het land en de Russische bevolking ingaat. Het land is door de onwettige bezetting van de Krim internationaal geïsoleerd geraakt door het onwettig handelen van president Poetin en zijn medestanders.

Internationale sancties gaan niet tegen het belang van de Russische bevolking in, maar tegen het leiderschap in het Kremlin dat het land beschouwt als haar privébedrijf waar het geld aan kan onttrekken alsof het land eigen bezit is. De Russische bevolking is daarvan het slachtoffer.

Gedachte bij lantaarnplaat ‘Oudegracht’ (1876-1885)

Oudegracht. Collectie: Cincinnati Museum Center History Library and Archives Collection.

Deze afbeelding van een plaat van een toverlantaarn is niet terug te vinden in de collectie van Het Utrecht Archief. Het gaat om de Utrechtse Oudegracht tussen de Bakkerbrug en de Bezembrug. Het is een prachtige scherpe foto met rechts tegen het hek een dienstmeid die zo weggelopen lijkt uit een Amsterdamse foto van Breitner. Samen met de kinderen op de werf en de passanten op straat kijken ze naar de fotograaf.

Fietsen, paarden, koetsjes en auto’s ontbreken. Er staat een handkar. De afwezigheid van vervoersmiddelen scherpt het beeld aan. Er is het spiegelend water, de werf, de huizenrij en verder niks dat afleidt. Dit beeld doet ons voelen dat ingetogenheid, soberheid en karigheid kwaliteiten zijn die we voorgoed verloren zijn. Het gaat te ver om het natuurlijkheid of onbedorvenheid te noemen, laat staan simpelheid of ongekunsteldheid, maar de overvloed ontbreekt. Het is de paradox van de ongerepte stad die idyllisch oogt.

De collectie van het Cincinatti Museum geeft geen datering bij de beschrijving. Er zijn aanwijzingen. De winkelpui van de manufacturenmagazijn van de firma G.H. van der Sandt (zie belettering ‘H. v. SA’ op zijgevel dak) is rond 1876-77 doorgetrokken naar het kleinere pand met drie ramen rechts. Verder ontbreken er bomen die op een latere foto die gedateerd wordt tussen 1890 en 1905 aanwezig zijn. De vlaggenmast op het grote gebouw links in de achtergrond, het stadhuis, die hier ontbreekt en later geplaatst is wordt op een andere foto (tevens de eerste ansichtkaart) gedateerd op 1883-1885. Rechts is voor de winkel van Van der Sandt een gietijzeren lantaarn zichtbaar die in 1875 werd geplaatst. De datering kan met enkele slagen om de arm vastgesteld worden op 1876-1885.

Hoeveel interessante foto’s en ander beelddragers van laat-19de eeuwse Nederlandse stadsgezichten zitten er in internationale archieven die ontbreken in plaatselijke archieven? Al is het in digitale vorm voor de geschiedschrijving. Die vraag roept deze afbeelding van Utrecht op.

Interessant is wat Marieke Lenferink in de MasterscriptieDe historische winkelpui in Utrecht, 1850-2010. Ontwikkeling, betekenis en huidig beleid‘ (2010) zegt over de ontwikkelen van het winkelen en de opkomst van het warenhuis in Utrecht. Winkelen als vrijetijdsbesteding ontstond in Den Haag in de tweede helft van de 19de eeuw en in Utrecht waarschijnlijk iets later. Deze plaat lijkt op dat kantelpunt genomen te zijn. Winkels en warenhuizen zijn in opkomst, maar daartussen zijn nog woonhuizen. De winkels bepalen het uiterlijk van de binnenstad nog niet zoals nu.

Het plat vlak krijgt diepte. We vullen gaten in om het met een mooi verhaal rond te maken. Toverlantaarn is een prachtig Nederlands woord dat duidelijk maakt wat er toe doet: verrukken, bekoren, meeslepen en belangstelling opwekken. Dat komt samen in deze lantaarnplaat. Althans voor mij.

Moties roepen op om geen diplomatieke afvaardiging naar WK Voetbal Qatar en Winterspelen China te sturen. Regering weigert en kiest stelling tegenover kamer

Schermafbeelding van deel artikelKabinet ziet boycot van WK voetbal in Qatar niet zitten‘ in De Telegraaf, 18 november 2021.

De regering-Biden overweegt om vanwege de mensenrechten geen diplomatieke afvaardiging naar de komende Olympische Winterspelen in China te sturen. Aldus een bericht van Politico van 18 november 2021. Dit speelt tegen de achtergrond van een relatie tussen de VS en China die tijdens de regering Trump verslechterd is. De Winterspelen vinden vanaf 4 februari 2022 plaats in Peking.

De regering Biden spreekt over ‘de genocide op religieuze minderheden in Xinjiang’. Het Canadese Lagerhuis steunde in februari 2021 een motie die zegt dat de behandeling van de Oeigoeren genocide is. De Nederlandse regering noemde het toen geen genocide, maar ‘grootschalige mensenrechtenschendingen tegen Oeigoeren‘.

Dat zou Nederland ook kunnen doen door geen ministers, premier of staatshoofd die deel van de regering uitmaakt te sturen naar de Winterspelen in China.

Hetzelfde is een optie voor het WK Voetbal in Qatar. Wel sporters sturen, maar geen diplomatieke afvaardiging namens Nederland. In februari 2021 nam een meerderheid van de Tweede Kamer een motie van SP-Kamerlid Sadet Karabulut aan met alleen VVD, CDA en FVD tegen die oproept om geen diplomatieke afvaardiging naar Qatar te sturen, aldus een bericht in De Telegraaf. Het gaat niet om een boycot, want dan zou Nederland geen sporters sturen, maar om het niet sturen van een diplomatieke afvaardiging.

In antwoord op een vervolgmotie van maart 2021 antwoordde het kabinet op 21 mei 2021 dat dit nog niet aan de orde was omdat Nederland zich nog niet had gekwalificeerd en dat pas in november 2021 duidelijk werd. Welnu, deze week heeft het Nederlandse elftal zich door een zege op Noorwegen geplaatst voor het WK in Qatar.

De schendingen van de mensenrechten in China zijn veel groter dan in Qatar en vinden op industriële schaal. Van de andere kant is de economische en politieke macht van China groter dan van Qatar.

Pas op 18 november 2021 dienden D66, GL en CU een motie in die de regering oproept om vanwege de mensenrechten geen diplomatieke afvaardiging naar de Winterspelen in China te sturen. Beide moties lijken samen te hangen.

Motie van het lid Sjoerdsma c.s. over geen regeringsafvaardiging naar de Olympische Winterspelen sturen. Ingediend 18 november 2021.

Of de motie van Sjoerdsma c.s. over China wordt aangenomen staat nog niet vast, maar is wel waarschijnlijk. Dan is het echter nog niet zeker of de regering die motie uitvoert. Het weigert evenmin de motie van Sadet Karabulut over Qatar uit te voeren. Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok kondigde dat in zijn antwoord van mei 2021 aan.

Dit is des te merkwaardiger omdat het over het functioneren van de regering gaat en de grenzen die daar aan gesteld worden door de Kamer. Het Kamer heeft daarover het laatste woord, maar de demissionaire minister van Buitenlandse Zaken Ben Knapen (CDA) legt in navolging van Blok en na plaatsing van het Nederlands elftal de motie Karabulut naast zich neer en noemt volgen het bericht in De Telegraaf het uitvoeren ervan een symbolisch gebaar. Dat gaat dus over moderne slavernij van arbeidsmigranten. Hij verantwoordt dat zo: ‘Ik vind het te kort door de bocht om nu als een soort protestgebaar te zeggen, ‘we blijven weg’.

Dat is op zijn beurt te kort door de bocht van minister Knapen. Hij geeft zowel een verkeerde beschrijving van de situatie in Qatar als een misleidende beschrijving van de motie Karabulut. Die roept niet op dat ‘we‘ wegblijven, maar ‘geen afvaardiging van de regering te sturen naar het WK in Qatar en hierover in overleg te gaan met andere landen‘. De motie roept niet op dat de sporters wegblijven.

SP-Kamerlid Jasper van Dijk vindt het naast zich neerleggen van de motie Karabulut schoffering van de Tweede Kamer. Van Dijk: ‘Het zou zeer ongepast zijn als onze koning gezellig in een skybox gaat staan borrelen met de autoriteiten van Qatar. Zo lang werknemers worden uitgebuit moeten we dat voorkomen.’

Dat is een echo en voorafschaduwing van de kritiek die koning Willem-Alexander in februari 2014 kreeg toen hij tegen alle protesten in vanwege de schending van de homorechten door het Kremlin van het kabinet de Winterspelen in Sochi mocht bezoeken en met president Poetin een biertje dronk. Anders landen schaalden toen hun diplomatieke afvaardiging af, maar Nederland weigerde dat. Het RD formuleerde dat toen in een subliem redactioneel zo: ‘Het gedrag van onze koning in Sotsji was niet wijs en niet waardig‘. De kans bestaat dat de koning dat in Qatar of Peking herhaalt.

Om koning Willem-Alexander tegen zijn eigen hysterie te beschermen is het alleen al gewenst om de beide moties over Qatar en China (mits die aangenomen wordt) uit te voeren. Zodat hij zich niet net als in Sochi 2014 opnieuw aan kan stellen als een kleine jongen en controversiële bestuurders van het ontvangende land legitimeert door ze te ontmoeten en een persmoment te gunnen voor hun propaganda. Dat komt naast de afkeuring over de behandeling van minderheden en arbeidsmigranten en de toepassing van de mensenrechten in beide landen.

Het kabinet doet er verstandig aan om in Europees verband te opereren en steun te zoeken voor het niet sturen van een diplomatieke afvaardiging naar de Winterspelen in China en het Wereldkampioenschap Voetbal in Qatar. Het gaat om de sport en daarom is het gewenst dat sporters en sportbestuurders de aandacht krijgen zonder dat een staatshoofd, premier of minister daar pontificaal voor gaat staan.

Er zijn voldoende mogelijkheden, plekken en gremia om de diplomatieke relaties met beide landen te onderhouden. Dat hoeft niet tijdens een sporttoernooi te gebeuren. Minister Knapen mist de essentie als hij zegt dat het wegblijven van de regering een symbolisch gebaar is. Het is andersom, de diplomatieke afvaardiging naar zo’n sporttoernooi is een symbolisch gebaar.

Kritiek op verwijdering van werk van Peter Struycken in Centraal Museum. Pleidooi voor compensatie

De reportage van Claas Hille voor Kunstforum Utrecht gaat ook over de integriteit van de besluitvorming over kunst in de openbare ruimte. Daar zet hij naar mijn idee terecht en op een overtuigende wijze vragen bij. Dat raakt aan het al vaker geconstateerde feit dat vele besturen of commissies ed. in de kunstsector kwalitatief ondermaats zijn en procedures niet respecteren.

Over de verwijdering van het werk van Peter Struycken in het Centraal Museum (CM) heb ik gemengde gevoelens. Vanaf het begin toen het in 1987 aan de muur van de stallen geplaatst werd heb ik het een slecht werk gevonden. Ik had liever gezien dat het er niet geplaatst werd omdat ik niet vond dat het iets aan de omgeving, de stallen of de tuin toevoegde. Er zelfs afbreuk aan deed omdat het er niet bij aansloot en de sfeer van de omgeving niet goed ‘las’.

Tegen de buitengevel is een kleurig patroon van geometrische platen van Peter Struycken gezet‘. In: De Architect (1987).

Ik vond het werk niet goed, niet mooi en te veel geknutsel. Niet monumentaal, maar voorbijgaand. Zo buitenissig is het dus niet dat het verwijderd is.

Maar de procedure over de verwijdering van Struyckens werk in het CM in de commissie ABKV en de communicatie naar de kunstenaar door het CM is beschamend. Het is een graad erger dan het niet verdienen van de schoonheidsprijs.

Zo behoort men niet met kunstenaars om te gaan. Vooral een kunstmuseum niet. Een museumdirecteur behoort kunstenaars in de watten te leggen en alle moeite te doen om ze tegemoet te komen. Daar is een kunstmuseum voor bedoeld. Die omgang behoort in het DNA van een kunstmuseum te zitten. Anders begrijpt een directie niet waarmee het bezig is.

Een historische complicatie is overigens dat de constructie in 1987 in opdracht van de gemeente Utrecht is aangebracht. Sinds 2013 is het CM verzelfstandigd en geen dienst van de gemeente Utrecht meer. Het is de vraag of hiermee de bevoegdheid van de opdrachtgever volledig is verdwenen en of deze geraadpleegd is bij de verwijdering.

Reliëf geeft de verbouwing van de voormalige stallen inclusief een aula door architect Mart van Schijndel die zich bij een dreigende renovatie of sloop hiervan beriep op zijn intellectueel eigendom. Dat leidde tot een rechtszaak die Van Schijndel verloor. In de aula is overigens ook een werk van Rob Scholte geïntegreerd. Wat is het verschil tussen een architect en een monumentaal kunstenaar die in de openbare ruimte werkt in het beroep doen op dat intellectueel eigendom? Ofwel, wat was de juridische positie van Struycken volgens Artikel 25 van de Auteurswet?

Het CM heeft iets goed te maken. Ik ben van mening dat Bart Rutten, de huidige artistieke directeur van het CM in actie moet komen voor wat zijn instelling Peter Struycken heeft aangedaan.

Dit alles is voor Ruttens tijd gebeurd en hij is door deze kwestie niet belast en kan dus zonder last en ruggespraak handelen.

Het is ongewenst en ongelukkig dat een gerespecteerd museum in de communicatie met zowel een kunstenaar als een commissie als de ABKV aantoonbare leugens verkoopt. Ook dat moet in de beeldvorming hersteld worden. Zeker nu het eenmaal op straat ligt. Struycken dient op enigerlei wijze door het CM tegemoet gekomen te worden. Hoe, dat kunnen Rutten en Struycken in onderling overleg overeenkomen. Liefst zo snel mogelijk.

Verwoestende brand in Congolees museum roept vragen op over oorzaak, beheer en bescherming van cultureel erfgoed

Archiefbeeld van interieur opslag van Le Musée de Gungu in Kwilu, Congo. Credits: Actualité CD.

Hoe zit het met de veiligheid van kunstobjecten in onveilige landen? Het grootste Congolese privé museum in Gungu, provincie Kwilu is in de nacht van 4 op 5 november 2021 afgebrand na zeer vermoedelijk een aanslag. Het is volledig in rook opgegaan. Metalen objecten lijken de brand naar verhouding het best doorstaan te hebben.

Er wordt door oprichter en directeur Aristote Kibala beweerd dat het museum politieke tegenwerking ondervond (vertaald): ‘De exacte redenen voor deze gruwelijke daad zijn nog niet bekend. Maar ik weet dat ik altijd ben bestreden door verschillende landelijke politici’. Het zou volgens Kibala gaan om 25.000 kunstobjecten. Anderen spreken van duizenden objecten.

Betrouwbaar is de berichtgeving niet, zodat andere opties zoals een technisch defect of een ongeluk niet uitgesloten moeten worden geacht. Ook is het mogelijk dat het om roofkunst gaat en de brand als dekmantel wordt gebruikt om de diefstal te verhullen. De archieven zijn met de brand in rook opgegaan. Toch lijkt een aanslag de meest waarschijnlijke verklaring voor de brand.

De politie stelt een onderzoek in en zegt (vertaald): ‘De politie constateerde dat het gebouw al in brand stond, er was geen mogelijkheid om in te grijpen. Men had benzine door de raamopeningen gesprenkeld en overal rond het gebouw, zodat alles verbrandde. Omdat de kunstwerken soms verspreid lagen, waren andere op de grond geplaatst. Er was geen wachtdienst, geen suppoost.

Het gaat om een gebouw van 25 bij 10 meter die in 2008 voor 32.000 euro is gebouwd en ingericht met Belgisch en Nederlands geld. Of het om een werkend museum met functies als presentatie, registratie, beheer en documentatie ging is de vraag. Het lage bedrag geeft te denken over de beveiliging, zoals brandvertragende maatregelen of maatregelen tegen inbraak. Laat staan klimaatbeheersing. De foto hierboven is er een aanwijzing voor dat de opslag van de objecten niet volgens de geldende museale normen was geregeld. Of dat directeur Kibala of de geldschieters moet worden verweten is de vraag.

De pretentie van een nationaal museum wordt niet door iedereen onderschreven. Dat tekent de berichtgeving die in deze kwestie met vele onduidelijkheden over de basale feiten. Het geeft ook aan dat de pretentie om een nationaal museum te zijn een politieke achtergrond heeft en in een tribale samenleving tot een strijdpunt kan worden. Indirect ondersteunt die claim de claim van belangrijk cultureel erfgoed en autonomie die niet vanzelfsprekend gegund wordt.

Complotdenkers hebben zich ook al op de brand gestort zoals blijkt uit een reactie bij een artikel erover van ‘Salima’ (vertaald): ‘Ze kwamen, ze zagen, ze namen de waardevolle dingen mee, ze staken de rest en de gebouwen in brand. En niets kan uitsluiten dat het een samenzwering is van de internationale maffia die verband houdt met oude Afrikaanse kunst en artefacten die in de wereld worden bewaard. Degenen die het argument willen winnen dat de geplunderde Afrikaanse schat beter in de wereld wordt bewaard voor de mensheid, in plaats van hem over te dragen aan een bewusteloos Afrika waar hij in handen van rovers zal belanden.’

Niets kan iets uitsluiten omdat altijd alles mogelijk is. Maar niet alle scenario’s zijn even realistisch. Het lijkt te gaan om een brand uit wraak. Politioneel onderzoek zal hopelijk uitwijzen wat er gebeurd is en wie de brandstichters en opdrachtgevers waren. Niet te rijmen valt dat daarbij cultureel erfgoed wordt vernietigd. Hoewel het begrijpelijk wordt als het Pende cultureel erfgoed dat in het Gungu Museum werd bewaard door andere stammen als verwerpelijk wordt beschouwd.

Hoe men het ook draait of keert, deze brand stelt opnieuw de vraag centraal waar en hoe het culturele erfgoed van ontwikkelingslanden optimaal kan worden beheerd en welke verplichting rijke landen met hun rijkdom en museale kennis hebben om het culturele erfgoed van ontwikkelingslanden zoals de Democratische Republiek Congo te helpen veiligstellen.