NOS Journaal mist het nieuws. Wat zeggen de fouten en wat moeten we ermee?

Henk Bleker in het bulletin van 20.00 uur van het NOS Journaal van 5 augustus 2022.

I. Mijn misnoegen over de in mijn ogen tekortkomingen van het NOS Journaal heb ik hier vaker geuit. Ik weet niet goed of dat gerechtvaardigd is. Dat ik het NOS Journaal een gebrek aan context verwijt kan ook mijn tekortkoming zijn. Mijn gebrek aan context en relativering.

Want hoe eerlijk is het om de hoge standaard van de top van de westerse journalistiek, zoals ik die vooral ken van Britse en Amerikaanse media, te projecteren op het NOS Journaal? Dat heeft onvoldoende middelen voor zo’n hoge standaard. Er is blijkbaar te weinig budget en het ontbreekt aan voldoende hoog gekwalificeerde journalisten en bureauredacteuren om zo’n standaard hoog te houden.

Toch was ik ondanks die bedenkingen gisteren ontdaan over de eerste twee items van het bulletin van 20.00 uur van het NOS Journaal van 5 augustus 2022 die naar mijn idee zelfs een middelmatige standaard niet haalden. Wat moet de Nederlandse nieuwsconsument met dit NOS Journaal?

De eerste twee items die de opening vormden misten in mijn ogen het overzicht, het politieke inschattingsvermogen en de stoot, de punch die er een volwaardig journalistiek Item van had gemaakt. 

Deze items bleven in mijn ogen hangen in halfslachtigheid en de niet ingeloste belofte van zorgvuldige verslaggeving en analyse van het nieuws. Ik vond het niet goed.

Daarnaast had ik vooral bij het eerste item bedenkingen over de politieke invalshoek die de redactie en verslaggevers van het NOS Journaal kozen. Ik kreeg de indruk dat het NOS Journaal zo bevreesd is om door radicaal-rechts gestigmatiseerd te worden als staatsomroep dat het doorsloeg naar de andere kant en zich tot woordvoerder van radicaal-rechts maakte. Dit NOS Journaal is niet links, maar rechts.

Hoe de hoofdredactie van NPO Nieuws kan menen dat dit bulletin in verslaggeving en politieke analyse de nieuwsconsument volledig informeert is het raadsel waar ik mee bleef zitten.

II. Het eerste item ging over het stikstofoverleg In Utrecht. Dat werd voorgesteld als een sportwedstrijd tussen de regering inclusief bemiddelaar Johan Remkes aan de ene kant en de boerenorganisaties aan de andere kant. Het vermogen van het NOS Journaal ontbrak om dit overleg in een context te plaatsen. 

Niet alleen kreeg voormalig CDA-landbouwstaatssecretaris Henk Bleker ruimte om het boerenbelang naar voren te brengen en af te geven op de regering waar hij 10 jaar geleden nog deel van uitmaakte, maar zijn rol en functie in dit dossier werd in het verslag niet belicht.

Juist door toenmalige CDA’ers als Bleker die jarenlang elke hervorming van het landbouwbeleid blokkeerden en niet opereerden als dienaar van de publieke zaak, maar als lobbyist voor de agro-industrie, de Rabobank en de landbouwsector zitten Nederland en de boeren nu met een stikstofprobleem opgezadeld dat niet tijdig aangepakt is. Nu positioneert Bleker zich als deel van de oplossing, terwijl hij deel van het probleem is. Maar het NOS Journaal stipt zijn vroegere blokkerende rol niet eens aan. Waarom niet?

Een andere onevenwichtigheid was dat in het item elke verwijzing naar natuur- en milieuorganisaties en wetenschappers ontbrak. Dat had in de afronding van het item gekund, maar dit tegengeluid ontbrak volledig. Deze organisaties en wetenschappers waarschuwen ervoor dat het regeringsbeleid van 50% stikstofreductie niet afgezwakt kan worden.

Als de bureauredactie van het NOS Journaal beter had nagedacht of meer politieke durf had getoond om objectief te zijn, dan had het grofweg drie posities geschetst: de boeren die voor afzwakking van het regeringsbeleid gaan en de invoering van maatregelen willen vertragen, het regeringsbeleid en de natuurorganisaties die het regeringsbeleid als een minimum zien waar niet aan gemorreld kan worden. 

Dit conflict tussen drie posities werd door het NOS Journaal gereduceerd tot een conflict tussen twee posities. Dat is geen informatie van de nieuwsconsument, maar desinformatie. Het NOS Journaal gaf volop ruimte aan vier zich radicaal uitende vertegenwoordigers van boerenorganisaties, maar liet geen enkel geluid horen uit de natuur- en milieuorganisaties of de wetenschap.

Wie er nader over nadenkt zal moeten constateren dat de invalshoek van het NOS Journaal absurd is. Radicale tegen het binnenlands terrorisme aanleunende boerenleiders en opportunisten als Bleker krijgen zonder enig woord van kritiek gratis zendtijd, terwijl de stem of visie van natuurorganisaties en wetenschappers niet worden verwoord.

III. Over het tweede item zal ik kort zijn. Dat ging over de uitkomsten van het proces dat enkele nabestaanden van de slachtoffers van de schietpartij in de VS in 2012 op de Sandy Hook-school tegen de radicaal-rechtse complotdenker Alex Jones (Infowars) hadden aangespannen.

Jones moest degenen die hem hadden aangeklaagd niet alleen 4,1 miljoen dollar schadevergoeding betalen en verloor dus deze zaak, maar Jones’ advocaten lekten per vergissing zijn toenmalige telefoonverkeer aan de tegenpartij. Het NOS Journaal bracht netjes deze feiten, maar vergat om de zaak in een bredere context te zetten.

De zaak zorgde de afgelopen dagen voor opschudding in de VS omdat complotdenker Jones tijdens de Trump-jaren een centrale rol had in de radicaal-rechtse beweging en contact had met belangrijke mensen daarin. Zoals Trumps adviseur Roger Stone. Die contacten zelf dreigen nu door de onthulling van Jones’ telefoonverkeer in gevaar te komen. 

De essentie van de Alex Jones-zaak noemde het NOS Journaal niet. Namelijk dat zowel de 6 Januari-commissie van het Huis en federale onderzoekers de telefoongegevens van Jones hebben opgevraagd om daar mee aan de slag te gaan en mogelijk types als Stone aan te klagen. De essentie van de rechtszaak tegen Jones was dus niet zozeer zijn veroordeling, maar het onthullen van feiten over Jones’ contacten in Trumpiaanse radicaal-rechtse kring.

IV. Het lijkt ongepast om te hard te oordelen over dit NOS Journaal en NPO Nieuws. Het ontbreekt zichtbaar aan middelen en kwaliteit. Dat uit zich trouwens ook in de vele technische storingen om via NPO Start online terug te kijken. Met de melding ‘failed to retrieve the server certificate‘ geeft de publieke omroep zich publiekelijk een brevet van onvermogen. De techniek is niet op orde en de klachten daarover worden op sociale media breed gedeeld. Dat stoot potentiële kijkers af.

Als het NOS Journaal met Nieuwsuur het paradepaardje van de nieuwsvoorziening van de publieke omroep wil zijn, dan heeft het ondanks verzachtende omstandigheden (vakantie, klein land) een standaard hoog te houden. Ik betwijfelde gisteren of die werd gehaald. Ik meende zelfs dat de redactie van het NOS Journaal aan de promotie van radicaal-rechtse praatjes deed. Het NOS Journaal wekte sterk de indruk voor complotdenkers te buigen.

Het is de samenleving die bepaalt of het NOS Journaal en NPO Nieuws de middelen krijgen om volgens een hoge journalistieke standaard te werken en wat zelfbewuster, ambitieuzer en kwalitatiever te opereren. De constatering dat dit niet lukt is niet bedoeld om de publieke omroep niet serieus te willen nemen, maar om die juist wel serieus te nemen. Versterk de nieuwsvoorziening van de publieke omroep en maak er een bastion van kwaliteit van.

Artikel van Reza Kartosen-Wong over scheefgroei in slavernijdebat verhult, maar bevat aanzet tot evenwichtige analyse

Schermafbeelding van deel artikel ‘‘Er is te weinig oog voor het Nederlandse slavernijverleden in Azië’ van Reza Kartosen-Wong in Het Parool, 30 juli 2022,

Met de strekking van het opinie-artikel in het Parool van 30 juli 2022 van mediawetenschapper Reza Kartosen-Wong ben ik het voor 100% eens. Maar tevens vind ik Kartosens opinie verhullend en bangelijk. Alsof hij de kool en de geit wil sparen. Het had scherper en beter gekund.

De portee is dat er te weinig oog is voor het Nederlandse slavernijverleden in Nederlands-Indië. De auteur spreekt steeds over Azië. Uiteraard zaten er in de tijd van de slavernij Nederlanders op Ceylon, aan de rand van Japan en op andere plekken in Azië, maar het draaide om Nederlands-Indië. Waarom Kartosen dat uitvergroot tot ‘Azië‘ is onbegrijpelijk. Het is onnodig grof en hij maakt het er niet specifiek door. Kartosen heeft het evenmin over ‘Amerika‘ als het om de slavenhandel in de West gaat. Dat is Kartosens eerste verhulling.

Overigens ben ik eens met zijn opinie dat in het Nederlandse debat de transatlantische slavenhandel zo dominant is dat de slavenhandel in de Oost karig wordt bedeeld. Het een hangt samen met het ander.

Het verband van communicerende vaten dat in het publieke debat de dominantie van het een (West) leidt tot de veronachtzaming van het ander (Oost) noemt Kartosen niet. Of hij ziet het niet zo. Hij toont begrip voor de promotors van Keti Koti die erkenning zoeken voor ‘hun’ slavernij, maar koppelt dat niet aan het gebrek aan belangstelling voor de slavernij in de Oost.

Kartosen noemt niet de actieve en in de politiek goed geïntegreerde lobby van Caraïbische Nederlanders die het slavernijdebat domineren. Kartosens opinie roept vooral de vraag op waarom hij de realiteit van de groep van Caraïbische Nederlanders die het slavernijdebat gijzelt niet noemt. Dat is Kartosens tweede verhulling.

Mijn kritiek op het Nederlandse slavernijdebat en de dominantie daarin van de Caraïbische stem heb ik in het commentaarKeti Koti kan geen nationale feestdag zijn‘ van 1 juli 2022 opgeschreven:

De lobby van Caraïbische Nederlanders in media, musea, universiteiten, instituten en politiek is vele malen sterker dan de lobby van de Ind(ones)ische Nederlanders. Met de Black Lives Matter beweging als rugwind hebben zwarte Nederlanders uit de Caraïben in dit debat over slavernij afgelopen jaren definitief het initiatief naar zich toegetrokken ten koste van andere groeperingen.

En:

Het initiatief om Keti Koti als pars pro toto van de slavernij en het kolonialisme te beschouwen is onevenwichtig. Dat is neo-slavernij die nabestaanden van andere slaven achterstelt en een tweede maal koloniseert. Deze vorm van nieuwe onderschikking kan niet de opzet van een nationale feest- en herdenkingsdag van de slavernij zijn.

Het komt in het verlengde van Kartosens zwijgen en ontbrekende analyse van hoe het slavernijdebat in Nederland zich in allerlei geledingen ontwikkelt, makkelijk en gemaakt manmoedig over om Piet Emmer en Kester Freriks als ‘activistische kolonialen‘ te framen. Het lijkt er sterk op dat dit een afleiding is voor het gebrek aan Kartosens moed om zich kritisch te richten tot de Caraïbische Nederlanders die de ‘Aziaten‘ in het debat opzijzetten. Dat doet vermoeden dat Kartosen gewiekst naar rechts schopt, maar te bevreesd is om naar links uit te halen. Dat is de derde verhulling.

Kartosens opinie bevat een goede aanzet tot een evenwichtige analyse. Met hem zijn vele opinieleiders van mening dat het debat over het slavernijverleden onevenwichtig is scheefgegroeid. Om dat de corrigeren moet hij zich niet richten tot wat hij ‘activistische kolonialen‘ noemt, maar tot de ‘activistische neokolonialen‘ die het slavernijdebat naar zich toe hebben getrokken. Kartosen, toon moed, herschrijf de opinie en noem man en paard.

Amerikaans ultra-rechts probeert Nederlandse radicale boeren in te lijven. Een weerwoord

Schermafbeelding van deel blogpostDutch Resistance Grows as Farmers Block Highways‘ van Michael Yon 27 juli 2022.

Op de protesten van de radicale Nederlandse boeren reageert ultra-rechts in de VS met instemming. Zoals voormalig president Donald Trump die de protesten aanstipte in een toespraak of de controversiële Amerikaanse militaire reporter Michael Yon die zich op dit moment vanuit Nederland in enkele stukjes uitlaat over de boerenprotesten in Nederland.

Yon is het er niet om te doen om zijn lezers te informeren, maar om ze een frame in te leiden van alternatieve feiten. Hij ziet de boerenprotesten als opstand ‘(uprising‘) tegen de gevestigde orde. Dat beeld knoopt hij eraan. Hij ontkent de klimaatproblematiek. Zijn missie is zijn verdienmodel.

In de retoriek van het ultra-rechtse gedachtengoed praat Yon over het WEF en OGNETH. Dat eerste staat voor het World Economic Forum dat in een niet onderbouwde stelling volgens hem in binnenkamertjes de wereld bestuurt en dat laatste voor Occupying Government Netherlands.

Die vermeende binnenlandse bezetting door de regering Rutte gaat voorbij aan de fijnmazige werking van de Nederlandse democratie met een Tweede Kamer met 20 fracties waarin alle maatschappelijke geledingen zijn vertegenwoordigd, zoals de boeren (BBB), radicaal-rechts (PVV, FvD, JA21, SGP, Groep van Haga) en gematigd-rechts (VVD, CDA). Het klimaatbeleid van het kabinet wordt in beide kamers door een parlementaire meerderheid gesteund.

Yon gebruikt als een leunstoel-commandant de taal van misnoegen, verbolgenheid en illusie als wapen. Het jargon van de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 legt Yon op de Nederlandse situatie. Door te proberen de Nederlandse radicale boeren in zijn strijd en gedachtengoed in te lijven doet Yon een poging tot internationalisering én legitimatie van dat ultra-rechtse Amerikaanse gedachtengoed. Maar er ligt een oceaan tussen de Amerikaanse en Nederlandse democratie.

Bij de blogpostDutch Resistance Grows as Farmers Block Highways‘ van 27 juli 2022 heb ik vandaag onderstaande reactie aangeboden, die nog niet goedgekeurd is door Yon en waarvan ik betwijfel of die door hem geplaatst wordt. Ultra-rechts eist voor zichzelf vrijheid van meningsuiting, maar gunt dat opponenten niet omdat het niet terecht wil komen in een inhoudelijk openbaar debat. Het wil gecontroleerd zenden, maar niet ontvangen. Zeker niet in het eigen domein van de ultra-rechtse sociale media waar elke nuancering als ongepast en storend wordt opgevat:

It is too simple to speak about farmers or Dutch farmers.

The context of the actions is not mentioned. How do they come about? 

Well, it’s all about a small group of radical ranchers. They are actively supported by the multinational Dutch agro-industry and financiers, such as Rabobank.

In other words, the agro-industry defends its own revenue model of more production over better production. The farmers are trapped in that revenue model.

The actions of the small group of radical farmers have further radicalized in recent weeks. With the latest actions they endanger road safety and public order. What they did is a criminal act punishable by 12 years in prison.

The Rutte government responds cautiously and wants to deescalate. It will sit down with the largest farmers’ organization LTO.

The Netherlands has a tradition of talking, consultation and moderation. The radical farmers break through that and the government does not have a suitable answer.

The government is bound by international treaties to reduce nitrogen emissions. Agriculture is responsible for about half of those emissions.

American readers may not know this, but Dutch agricultural production is the second largest in the world. Dutch agriculture is mainly export-oriented. But the Netherlands is a small country.

The pollution of soil, water and air is too great due to that production. This is not only legally unfeasible, but also unsustainable for the health of the inhabitants and a balanced living environment. That is why the government must intervene.

It is unfortunate that an economic and health issue that can reasonably be solved by the radical farmers and political activists is being politicized.

Laks optreden van regering en politie beschadigt Nederland meer dan de radicale boerenprotesten

Boeren dumptenhttps://www.rtlnieuws.nl/nieuws/nederland/artikel/5323679/boeren-afval-dumpen-snelweg-aannemer-bedreigd-rijkswaterstaat-a1 gisteren afval, onder andere bij een oprit van de A1 bij Enter‘. RTL Nieuws, 28 juli 2022

Goedwillende burgers worden steeds verbaasder over de incompetentie van de politie en de lethargie van de regering. Het lakse optreden beschadigt het vertrouwen in de politiek. 

De openbare orde wordt ernstig verstoord door radicale boeren en daar wordt bijna niet tegen opgetreden. Waarom niet? Het land hangt vol met observatiecamera’s, maar de politie heeft blijkbaar onvoldoende informatie om de radicale boeren die de openbare orde verstoren en aannemers intimideren op te pakken.

Terwijl er toch in 2019 ook al boerenprotesten waren. Waarom hebben veiligheidsdiensten zich er niet beter op voorbereid? Waarom laat de regering zich opnieuw verrassen?

Ach, als het klimaatactivisten waren, dan zaten ze al in de bak. 

Het gaat niet om maffia-achtige criminele organisaties, maar om radicale boeren die gesteund worden door de agro-industrie die via deze boeren het eigen verdienmodel van met name de intensieve veeteelt probeert veilig te stellen. Hoe moet dat dan wel niet zijn als de Nederlandse politie komt te staan tegenover internationale professionele criminele organisaties die keihard en meedogenloos zijn? 

Ik kan maar een reden bedenken waarom de regering niet ingrijpt. Naast labbekakkerigheid. Namelijk dat het eerst de slag om de publieke opinie probeert te winnen en pas als die is gewonnen gaat optreden. Het idee is dat hoe radicaler de acties van de radicale boeren worden, hoe meer de steun voor hen afneemt. 

De regering toont angst door niet op te treden. Dat triggert de radicale boeren nog meer tot acties. Het lakse en te late optreden van de regering leidt tot escalatie.

Maar wat wordt er in die tussentijd niet beschadigd aan het zelfbeeld van Nederland en de Nederlanders. Zoals het geloof in een betrouwbare en doelmatige overheid en een neutrale politie waar burgers op kunnen rekenen. De goedwillende burger weet niet meer welke politieke partij nog een stem waard is.

Klimaatactivisten moeten niet demonstreren in musea, maar lef en moed tonen in het veld waar de fossiele brandstof-industrie opereert

Schermafbeelding van deel commentaarKlimaatactivisten protesteren steeds vaker in een museum, media-aandacht gegarandeerd. Maar is het wel kies om kunst te gebruiken voor je klimaatboodschap?‘ van Arjan Reinders in het DvhN, 26 juli 2022.

Mooi commentaar van Arjan Reinders in het DvhN: ‘Klimaatactivisten protesteren steeds vaker in een museum, media-aandacht gegarandeerd. Maar is het wel kies om kunst te gebruiken voor je klimaatprotest?

De vraag stellen is de vraag beantwoorden. Nee, het is niet kies, maar gemakzuchtig en grof om kunst in musea voor eigen doel te gebruiken. Daar moet men vanaf blijven. 

Opvallend is dat een vorige generatie klimaatactivisten alleen demonstreerde in musea als een museum een sponsorrelatie had met een bedrijf van fossiele brandstof. Dat had logica. 

Nu lijkt die voorwaarde verlaten en lijkt alles te kunnen. Klimaatactivisten kopiëren elkaars actie. Wellicht mede ingegeven door radicaal-rechtse activisten, zoals de Nederlandse radicale melkveeboeren die van de overheid bijna niets in de weg werd gelegd. 

De inzet van de klimaatdemonstranten is hoog: een ander energiebeleid van regeringen. Daarom wordt de zwakste schakel aangepakt: kunst in een openbaar museum waar men zich aan vastlijmt. 

Deze activisten framen zich als hedendaagse helden met een Robin Hood complex. Ze beseffen onvoldoende wat ze hiermee kapot maken.

Hun aanpak geeft de machteloosheid van de klimaatactivisten weer. En hun gebrek aan lef en moed. Waarom richten ze hun protest niet direct op de fossiele brandstof-industrie? Zoals het bezetten van een hoofdkantoor, een olieplatform of een verdeelstation van een gaspijpleiding? 

Of indirect het bezetten van organisaties die een sponsorrelatie met de fossiele brandstof-industrie hebben. Of een ministerie van Algemene Zaken of Economie en Klimaat. Dan is er nog enige logica in een actie die oorzaak en gevolg verbindt. Nu ontbreekt die logica volledig.

Wat heeft kunst in een publiek museum met energiebeleid te maken? Enige reden is de publicitaire aandacht. Vinden klimaatactivisten dat een voldoende reden in hun wereldwijde kopieergedrag? Openbaar kunstbezit wordt zo door klimaatactivisten tot een politiek middel gemaakt.

Aan de doelmatigheid van de actie kan men overigens twijfelen. Wat blijft hangen is de aandacht voor het kunstwerk, de lijst en het beschermende glas, het museum en het optreden van museumstaf en politie. Omdat de inhoudelijke relatie met de fossiele brandstof-industrie ontbreekt zal dit vastlijmen aan openbaar kunstbezit de publieke opinie over het klimaat nauwelijks beïnvloeden. Het zal wel de gram van de museumsector oproepen.

Men mag hopen dat er klimaatactivisten opstaan die het klimaatprobleem direct aan de bron durven aanpakken. Dat is nodig. De beschermde omgeving van een museum misleidt de klimaatactivisten dat ze doelmatig bezig zijn in het beïnvloeden van publieke opinie, politiek en bedrijfsleven. Wat ze doen is niet meer dan het strelen van het eigen ego bij gebrek aan durf voor harde actie in het veld.

Overpeinzing bij Documenta 15

De Documenta 15 in Kassel heb ik (nog) niet bezocht, dus ik heb weinig recht van spreken. Op eerdere edities was ik wel aanwezig. Kassel is een niet erg mooie stad in een prachtige omgeving. Wie verstandig is kiest daarom verblijf aan de rand van de stad. Het openbaar vervoer is uitstekend. Een overpeinzing moet kunnen.

Wat ik niet begrijp van organisatie én Indonesische curatoren ruangrupa is het gekozen radicalisme. Het is goed verdedigbaar om de masculiene, witte westerse dominantie in kunstsector, -handel en wereld frontaal aan te vallen. Dat uit zich in het programmeren van het tegendeel daarvan. Je zou kunnen zeggen dat dat het tijd werd dat dat gebeurde.

Vraag is of de manier waarop door organisatie en curatoren de westerse canon wordt uitgedaagd slim is of weerstand oproept die afleidt van dat streven. En de meer traditionele tegenstanders onnodige munitie geeft. Want Documenta blijft een kunstmanifestatie ook als men de kunst wil relativeren.

Het lijkt er sterk op dat Documenta 15 in chaos is gestort. Dat dient niemand. Ook niet ruangrupa en de deelnemende kunstenaars die eindelijk de kans hebben om op dit podium gezien te worden. Maar aan Documenta 15 valt weinig eer te behalen op een cv als ontslagen, afhaken, rellen en politisering van kunst de hoofdmoot vormen.

In mijn hoofd sluimert het idee dat de uitgangspunten van de cancelcultuur en de identiteitspolitiek van het laatste decennium zijn ingehaald door de reactie daarop. Dat is in mijn ogen de dieperliggende oorzaak dat Documenta 15 is klem komen te zitten.

Tolerantie, humanisme, gematigdheid en spreiding kan door organisatie en curatoren als luxe zijn beschouwd waaraan men door de ervaren ernst van scheefgroei, wantoestanden in kunstsector en wereld én de unieke kans om op een prestigieus podium het woord te nemen niet wilde toegeven.

Waarom nam ruangrupa geen beduidend contingent van kritische, progressieve westerse kunstenaars op? Door een strikte houding van groepsdenken werd de brug naar andere wereldbeelden neergehaald en gingen procedures, cultuurpolitiek en publicitair gedoe de inhoud overschaduwen. Ook inhoud die primair politiek gericht is wordt dan slachtoffer. Had de organisatie dat vooraf niet kunnen bedenken?

Men kan beredeneren dat de organisatie van de Documenta 15 wilde veranderen om bij de tijd te blijven. Dat uitgangspunt is prima, maar als het schort aan de uitvoering die te ver uit de pas loopt met wat kunstsector en publiek kunnen verstouwen, dan past die verandering niet meer binnen de normale bandbreedte die curatoren gegeven wordt. Zij wijken altijd af van de vorige editie, maar blijven binnen de marges.

Wie buiten de marges van de slaande pendule gaat tast het uitgangspunt van de Documenta aan die uit haar rol scharniert. Ook dat kan als noodzakelijk achterstallig onderhoud worden opgevat. Misschien is het na 67 jaar de hoogste tijd dat de Documenta met pensioen gaat. Net als Art Basel, Biënnale Venetië en die andere prestigieuze kunstmanifestaties wier uitgangspunt in andere tijden ligt. Dan is het de verdienste van ruangrupa om dat aangetoond te hebben.

Gedachten bij foto ‘Fiskare vid Genua’ (1909)

Bernhard Åström, ‘Fiskare vid Genua, i juni-juli 1909′ [Visser bij Genua, juni-juli 1909]. Collectie: Society of Swedish Literature in Finland. Glasplaat 8,8 bij 11 cm.

Je moet goed kijken om te zien wat de constructie op de vooruitspringende rots in de buurt van het Italiaanse Genua is. Men zou het maaksel ook ‘uitstekend’ kunnen noemen vanwege positie én status. Het houten staketsel heeft zich op de eerste plaats genesteld.

Het kan een uitkijkpost zijn voor een overheidsdienst. Of een bouwwerk van een bezeten outsider kunstenaar als postbode Cheval. Maar dat is het niet. Daarvoor ziet het er te provisorisch uit. Het is door vissers gebouwd. Hun hengels staan in de aanslag.

Het gebouwtje op de rots roept de vraag op hoe het tot stand is gekomen. Montage? Reconstructie? Met sloopwerk bouwen is constructief hergebruik. Nu soms als maniertje, maar toen uit pure noodzaak.

Hoe dan ook toont het gewrocht op de rots tijdloos. Omdat het iets primitiefs heeft dat nooit verandert en altijd hetzelfde blijft. Het past bij de onbevangenheid van de kindertijd. Het is een foto uit 1909, maar het had evengoed 1950 of 2022 kunnen zijn.

Dat maakt het beeld bijzonder omdat het niet aan mode onderhevig lijkt. Hoewel bij nader inzien een hedendaags bouwsel ongetwijfeld andere materialen als kunststof en metaal had bevat. Uitvergroting doet vermoeden dat de visser uit de titel de fotograaf in de smiezen heeft.

Uitvergroting van Bernhard Åström, ‘Fiskare vid Genua, i juni-juli 1909′.

Dogma van omgekeerde vlag zit gematigd nationalisme in de weg

Omgekeerde Nederlandse vlag aan een wegwijzer. Foto ter illustratie. © Ricardo Smit‘. In: De Gelderlander, 13 juli 2022.

De actie van de radicale boeren om de Nederlandse vlag op de kop te hangen heeft als neveneffect dat het iedereen tot een mening brengt over de vlag en de relatie tot het nationalisme. Hoe moeten we ons ertoe verhouden? 

Laat ik mijn positie verduidelijken. Ik ben geen hardcore nationalist die tranen in de ogen krijgt bij het zien van het rood-wit-blauw. Dat had ik al niet in militaire dienst toen ik getuige moet zijn van het appèl met hijsende en strijkende vlaggen. 

Ik ben een Republikein die de koning en zijn naaste familie tolereert, maar een luchthartige tegenzin voel als de Oranjes de symboliek van de Nederlandse vlag naar zich toetrekken. Ze zijn in mijn ogen zetstukken die mijn waardering van het nationalisme en de viering ervan in de weg staan. En de symboliek van de vlag niet versterken, maar verzwakken door hun eigen ongeloofwaardigheid. 

Daarmee ben ik nog geen tegenstander van nationalisme en de symboliek die daarbij hoort. Ik ben voor een gematigde vorm van nationalisme. Voordeel is dat de tegenpool, het globalisme sinds zo’n vijf jaar aan geloofwaardigheid heeft ingeboet. Maar nadeel is dat die weggevallen tegendruk van het globalisme doorschiet in een vorm van nationalisme die valt te definiëren als zich terugtrekken achter de eigen grenzen. 

Gematigd nationalisme is een positie tussen het in beton gegoten, aan de 19de eeuw ontsproten idee van een natiestaat van radicaal-rechts. Dat is begrensd en onrechtvaardig door uitsluiting van allen die niet in dat idee passen. Het kosmopolitisme van liberale vrijgestelden, multiculturele denkers en radicaal-links dat nationalisme bij het oud vuil zet zie ik evenmin als zinvol om een land bij elkaar te houden. Om van de radicale islam dat geen grenzen erkent nog maar te zwijgen.

De EU is de context voor Nederland dat controle heeft over het eigen territorium. Want er is naar mijn idee geen alternatief dat beter is. Daar hoort weerbaarheid bij om weerstand te bieden aan krachten die de democratie willen ondermijnen en zelfs afschaffen. Bij weerbaarheid van de democratie hoort onlosmakelijk het overeind houden en zelfs promoten van de eigen waarden. Dat zijn universeel waarden over vrijheden en rechten die in de grondwet staan omschreven en onder de nationale rechtsstaat gegarandeerd worden. 

© Brunopress. In: AD, 19 juli 2022.

De radicale boeren en de door hen in hun beweging getolereerde infiltranten met een anti-overheidsagenda met hun omgekeerde vlaggen hebben recht op hun mening. Het gebaar om de Nederlandse vlag op de kop hangen moet kunnen. Mits dat vrijwillig gebeurt en publiek bezit zoals portalen, wegwijzers en lantaarnpalen buiten schot blijven. Het oprekken van een noodsignaal uit de scheepvaart is potsierlijk. Boeren hebben het wellicht economisch en mentaal moeilijk, maar verkeren niet in levensnood. Maar toe-eigening van symboliek is vrij.

Ze gaan wel ver in hun acties die de openbare verstoren en de machteloosheid en het gebrek aan doelmatigheid van politie en veiligheidsdiensten blootleggen. Maar dat valt niet de radicale boeren te verwijten, maar de slecht georganiseerde overheidsdiensten. 

Het is in mijn ogen misleidend dat de radicale boeren om hun eigenbelang te verdedigen zoveel onwaarheden over voedselvoorziening, milieu-maatregelen en de positie van overheid en kabinet verkopen. Die onwaarheid heeft een aanzuigend effect op complotdenkers, sensatiezoekers en ruggengraatloze en bange dienaren in het openbaar bestuur. 

Maar vooral zijn de radicale boeren niet eerlijk over hun eigen positie. Want ze zijn niet zozeer slachtoffer van de Nederlandse overheid dat door nationale en supranationale wetten verplicht is om beleid uit te voeren, maar van het verdienmodel van de agro-industrie en de financiële instellingen in de landbouwsector die de boerensector uitzuigt en gevangen houdt en eenzijdig op het spoor van de mega-productie heeft gezet. 

Waarom kaarten de radicale boeren dat niet publiekelijk aan en blokkeren ze het hoofdkantoor van de Rabobank en de kantoren van de megabedrijven van de agro-industrie, zoals A-ware, De Heus en VanDrie? Durven de radicale boeren dat niet of  kunnen ze dat niet omdat hun protestacties door deze megabedrijven worden betaald die daarmee hun verdienmodel verdedigen? 

Ook aan de Hotel Vosbrug in Zevenhuizen hangen vlaggen op z’n kop‘. In: Hart van Holland Waddinxveen, 14 juli 2022.

Wat vind ik nou van de omgekeerde Nederlandse vlag als protest? Ik vind dat het gebaar zelf moet kunnen, maar dat de argumenten die de radicale boeren ervoor geven niet kloppen. Het omkeren mag, maar de onderbouwing ervoor is zwak en verkeerd gericht. 

Bijvangst is dat de protestactie van de radicale boeren het nationalisme en de symboliek van het koningshuis aantasten. Dat eerste vind ik de jammer omdat het het nationalisme politiseert en het ontstaan van een gematigde vorm ervan bemoeilijkt. Over dat laatste ben ik niet treurig.

Gedachten bij twee foto’s van de Nederlandse Delegatie in Peking

Fotografija Nizozemska legacija [Foto van de Nederlandse Legatie, Peking]. Collectie: Vzhodnoazijske zbirke v Sloveniji [Oost-Aziatische collecties in Slovenië].

In het Nederlands uit het Sloveens vertaald luidt de toelichting bij deze foto:

Een zwart-witfoto toont de diplomatieke wijk van Peking (Dongjiaominxiang 東交民巷). Deze werd tussen 1861 en 1959 opgericht in het gebied van de binnenste, keizerlijke wijken (Neicheng 内城), ten oosten van het huidige Tiananmen-plein (Tiananmen Guangchang 天安門廣場) en ten zuiden van de Verboden Stad (Gugong 故宫 of Zijincheng 紫禁城). Na de Tweede Opiumoorlog (1856-1860) vestigden zich daar verschillende buitenlandse delegaties en richtten ambassades of gezantschappen van hun land op. Het trok veel diplomaten, soldaten, geleerden, kunstenaars, toeristen en sinofielen. Hoewel internationale overeenkomsten waarbij China extraterritoriale rechten verleende aan buitenlandse mogendheden over delen van zijn grondgebied dateren uit de 19e eeuw, werd de jurisdictie over de diplomatieke wijk van Peking zelf pas in 1901 aan buitenlandse mogendheden verleend, na een 55 dagen durende belegering van de wijk tijdens de tweejarige Boxer Rebellion (Yuanyituan Yundong義和團運動), die eindigde met de overwinning van de gecombineerde buitenlandse strijdkrachten. Door de samenwerking van de Chinese rechtbank met de opstandelingen werd China gedwongen het Boxing Protocol (Xinchou tiaoyue 辛丑條約) te ondertekenen, dat ook het beheer van de diplomatieke wijk in Peking definieerde.

Tot het begin van de twintigste eeuw waren hier alle grootmachten van de wereld aanwezig, waaronder Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Japan, Rusland, Italië, Spanje, België en de Verenigde Staten. Een kleiner perceel was ook eigendom van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. De ondertekening van de eerste overeenkomst over extraterritoriale jurisdictie tussen Nederland en China dateert van 1863. Tussen 1917 en 1919 bezette Nederland het Duitse gezantschap en in 1920 kwamen alle Russische bezittingen in Peking onder direct bestuur.

De speciale status van de diplomatieke wijk in Peking werd de facto beëindigd door de Tweede Wereldoorlog, en tijdens de daaropvolgende politieke ontwikkelingen in de Chinese staat werden de meeste gebouwen in de wijk verwoest.

De foto is de 41e van de 449 foto’s van Peking en omgeving in het album van Ivan Skušek Jr. gekocht tijdens zijn verblijf in Peking (1914-1920). In het handboek van het album wordt de foto Holländische Legatie genoemd.

Interessant is dat Nederland een grootmacht van de wereld wordt genoemd en dat van 1917 tot 1919 Nederland het Duitse gezantschap bezette. Omdat Nederland toen met Spanje het enige neutrale land van de genoemde grootmachten was is het logisch om te veronderstellen dat onder bezetten ‘waarnemen’ moet worden verstaan. Niet in bezit nemen. In 1919 kreeg de Weimarrepubliek een nieuwe grondwet.

Met het ‘direct bestuur’ in 1920 van de Russische bezittingen wordt waarschijnlijk het bestuur van de diplomatieke wijk bedoeld. Omdat de Russische burgeroorlog pas in 1922 definitief in het voordeel van de bolsjewisten werd beslist lijkt dit ook een tijdelijke situatie die door het verlies van de aan de westerse grootmachten gelieerde Witte legers pas later definitief werd.

Onderstaande foto uit 1930 van de Nederlandse delegatie in Peking geeft een beeld dat op de bovenste foto overeenkomt met de rechterkant van het linker gebouw. De tekst bij deze albumfoto luidt: ‘Secretaris-woning van de Nederlandsche Delegatie. Peking. Op stoep Jenny [Visser-Hooft] en de Vos v. Steenwijk‘. Waarschijnlijk heeft het linkergebouw op de bovenste foto een ceremoniële functie.

Philips Christiaan Visser. Schermafbeelding van deel ‘Albumblad met vier foto’s. Linksboven Jenny Visser-Hooft en de heer De Vos van , Bestanddeelnr 35 30.jpg‘. Peking, 1930. Collectie: Nationaal Archief.

Waarom heeft Terneuzen de geschiedenis veronachtzaamd en cultureel erfgoed verkwanseld?

Schermafbeelding van deel FB-post van Historisch Netwerk Oud Terneuzen, 8 april 2022. Inmiddels staat sinds 1 juni 2022 het betreffende kantoorpand voor € 545.000 te koop.

Mijn reactie bij bovenstaande FB-post. Voor de volledigheid, ik ben geboren in Terneuzen en ben daar door militaire dienst en studie in de jaren 1970 vertrokken:

Bestuurders van Terneuzen hebben geen historisch geheugen. Burgemeesters komen niet uit Terneuzen of Zeeuws-Vlaanderen en worden geparachuteerd zonder enig besef te hebben van de geschiedenis en het cultureel erfgoed van Terneuzen. Ron Barbé was de uitzondering. Raadsleden zijn vaak wel opgegroeid in de streek, maar missen de culturele nieuwsgierigheid, belangstelling en creativiteit. 

Krijgen burgemeesters, wethouders en raadsleden ‘De geschiedenis van Terneuzen‘ (1962) van Wesseling aangeboden om zich te oriënteren op hun omgeving? 

Een en ander vertaalt zich vanuit het stadhuis in een cartooneske poging om een maritieme achtergrond van Terneuzen te accentueren, gecombineerd met een onbehouwen opvatting van moderniteit. Het is het niveau van dukdalven in de Noordstraat dat weinig met de echte geschiedenis van Terneuzen te maken heeft. 

Door de infantilisering van de stad die gevoed wordt door middenstand en gemeentebestuur ontstaat een karikatuur van Terneuzen die niets met de echte ziel te maken heeft. Die trotse stad aan de Westerschelde met de rijke geschiedenis met rederij Lensen, het garnizoen en de vele sluizen is kinds gemaakt. 

Ansichtkaart Terneuzen Zeesluis Noordzijde‘. Op Dordsekaart.nl. Met rechts de sleepboot ‘Holland‘ van mijn grootvaders bedrijf Willem Muller NV (tussen 1954 en 1961).

Voeg daarbij de beelden op de Scheldeboulevard van goedwillende amateurs die het hobbyisme verder benadrukken en de ‘culturele’ sfeer van Terneuzen is bepaald. Vergeet evenmin de pogingen van kunstenaars/kunsthandelaren als Jan Juffermans (J34) en Frits Jansen (Kolkzicht) om goede beeldende kunst in Terneuzen te laten zien. Ze kregen geen poot aan de grond. Hun pogingen smoorden in onbegrip. Dat is Terneuzen dat gevangen zit tussen geldverdienen en orthodoxe religie. Er waren goede wethouders, maar die konden het tij niet keren. 

Ook ontbreekt het in Terneuzen aan een daadkrachtige en slimme lobby vanuit de burgerij om het belang van het cultureel erfgoed te benadrukken. De verschillende verenigingen zijn machteloos en lijken bij voorbaat het hoofd in de schoot te hebben gelegd. Hun opgave is ook lastig en onbegonnen werk. Zo’n uitgangspunt motiveert niet en smoort elke ambitie.

Ansichtkaart Watertoren, Terneuzen‘ van architect A.J. van Eck. De watertoren werd in 1956 gebouwd en in 2000 gesloopt. Het betreffende Wikipedia-lemma eindigt zo: ‘Op de huidige plek zijn twee woontorens (Waterfront) gebouwd. De stichting Laat Die Watertoren Staan en de Heemkundige Vereniging Terneuzen zijn er niet in geslaagd de watertoren te behouden.’

Terneuzen heeft een te groot verleden om geen waardevol cultureel erfgoed (gebouwen, industrie) te hebben en is te klein om het behoud ervan te realiseren. Tussen servet en tafellaken heeft Terneuzen deels onwetend en deels berekenend de eigen geschiedenis veronachtzaamd. Zoals gezegd, wat er voor in de plaats komt is een karikatuur van hoe het ooit was. Dat is jammer want vooral voor oudere bewoners is een stadsbeeld een herinnering die houvast geeft in het leven. 

Terneuzen is een stad met een rijk historisch verleden waar het historisch besef is verdwenen. Dat is een collectieve schuld. Troost is dat Terneuzen hierin niet uniek is. Maar bestuurders van Terneuzen hebben het cultureel erfgoed van het verleden waar ze zich blijkbaar onvoldoende mee verbonden voelen onherstelbaar uitgegomd. Ze beseffen waarschijnlijk niet eens wat ze hebben gedaan. Het bestuur van Terneuzen leeft sinds 1960 in een ambtelijk-bestuurlijke wereld van structuurvisies en toekomstplannen. Daarin is geen plaats voor cultureel erfgoed. 

Ansichtkaart Terneuzen Juliana Ziekenhuis‘ van architect J.P. Kloos dat in 1955 door toenmalig koningin Juliane werd geopend en in 1989 afgebroken. In een commentaar noemde ik het in 2021 ‘een prachtig, weliswaar laat voorbeeld van dat nieuwe bouwen met transparantie, ruimte. licht en lucht‘.