Gedachten bij de foto ‘The ruins of Sikandar Bagh palace showing the skeletal remains of rebels in the foreground, Lucknow, India, 1858’

Felice Beato, ‘The ruins of Sikandar Bagh palace showing the skeletal remains of rebels in the foreground, Lucknow, India, 1858

De eerste twee oorlogen die op een georganiseerde wijze werden gefotografeerd waren de Krimoorlog (1853-1856) en de Indiase opstand van 1857, de zogenaamde Sepoy Muiterij. Een opstand van Indiase hulptroepen.

In de verspreiding voor een Europees en dan vooral Brits publiek werden soms foto’s omgewerkt tot lithografie (steendruk). In de 19de eeuw waren Indiase hulptroepen eerder in opstand gekomen tegen het Britse gezag, maar toen was er nog geen fotografie om het vast te leggen. Of te manipuleren.

Wie de verhalen kent over vermeende Duitse verschrikkingen tegen de Belgische burgerbevolking in 1914 herkent het patroon. De Teutoonse horden werden onterecht beschuldigd van het verkrachten van Belgische vrouwen. Het was Brits propaganda om de steun voor de oorlog te vergroten.

In 1857 gebeurde in de nasleep van de Sepoy Muiterij hetzelfde. De Indiase soldaten werden onterecht beschuldigd van de verkrachting van Engelse meisjes en vrouwen en de Britse troepen zouden voorbeeldig en ridderlijk hebben gehandeld. Er werden overigens wel Britse vrouwen in de opstand gedood, maar dat is wat anders dan er een verhaal over de bezoedeling van eer van te maken. Dat is niet alleen opruiing en ophitsing die verder gaat dan het geven van een ooggetuigenverslag, maar roept ook weer wraak op om de vlek weg te werken.

Een kronkel van de geschiedenis is dat Indiase vrijwilligers aan de kant van de Boeren tegen de Britten vochten in de Tweede Boerenoorlog (1899-1902). De haat tegen de toentertijd almachtige Britten zat diep bij Afrikaners, Ieren, Indiërs en alle volken die onder hun gezag stonden.

De gebeurtenis die op de foto wordt verbeeld vond in november 1857 plaats. Wat er daarna gebeurde is onduidelijk. Waarschijnlijk verloren de Britten vanwege de gevechtshandelingen de controle over Lucknow tot maart 1858 wat zou verklaren dat de foto pas toen werd genomen.

Opmerkelijk aan bovenstaande foto uit maart 1858 van de beroemde Brits-Italiaanse fotograaf Felice Beato in Lucknow is het vermoeden van fotohistorici dat de lijken van de rebellen op de voorgrond zijn toegevoegd. De gedachte is dat tijdens de winter enkele lijken elders werden opgeslagen die later hier als zetstukken werden neergelegd. Maar waarom zouden de Britten lijken van rebellen opslaan? Het idee is dat dat bedoeld zou zijn om het dramatisch effect te vergroten. Maar zo dramatisch lijkt dat effect nou ook weer niet.

De lijken zouden ook gewoon nog op het slagveld aanwezig kunnen zijn geweest vanwege de chaos van de oorlog en de schimmigheid van de krijgshandelingen die de planning en een passend begraven van de doden doorkruisten. Er werden bij het paleis van Sikandar Bagh zo’n 2000 Indiase opstandelingen gedood, zodat het mogelijk is dat enkele ervan niet werden begraven en mogelijk hier in beeld komen. Voor de enscenering kunnen ze ter plekke zijn verschoven. Een minder aannemelijke verklaring is dat honden de lijken hebben opgegraven.

Of dit de eerste lijken zijn die ooit op foto zijn vastgelegd is de vraag. Zoals het ook de vraag is of dit de eerste gefotografeerde lijken zijn die dat al vier maanden waren. De toedracht is verre van zeker. Dat geeft aan deze foto een extra laag van fotografische geschiedschrijvers en onderzoekers die er een eigen duiding op willen plakken. Zijn de lijken uit de kast werkelijkheid of fantasie?

Gedachte bij de foto ‘Capitán rodeado de niños en uniforme militar’, 1895-1898

Capitán rodeado de niños en uniforme militar, vermoedelijk 1895-1898. Collectie: Biblioteca Nacional de España.

De man in het witte pak wordt omringd door 10 kinderen. Hij mist zijn rechteroog en is kapitein, zoals de drie strepen op zijn jas verduidelijken. Of hij met zijn handicap nog in actieve dienst is valt te bezien. Het is 1895 of kort daarna. Cuba is een Spaanse kolonie. Hoe dan ook staat hij aan de kant van Spanje dat tegen opstandelingen vecht. De strijd is in Nederland bekend als de Spaans-Amerikaanse oorlog van 1898 die Spanje verloor.

Het was een harde en lange strijd. Hoewel vaak wordt beweerd dat de Britten tijdens de Tweede Boerenoorlog de concentratiekampen uitvonden, is dat onjuist. Ze ontstonden tijdens de Cubaanse opstand. Wikipedia zegt daarover: ‘Gouverneur Valeriano Weyler besloot daarom in 1896 tot reconcentratie, waarbij de plattelandsbevolking massaal naar de grotere dorpen en steden werd gedreven, om daar in afgegrendelde concentratiekampen te leven. Wie zich verzette kreeg de kogel. Het doel was de rebellen alle middelen van bestaan te ontnemen, omdat ze de strijd alleen konden voortzetten met voedsel van de boerenbevolking.

Maar die maatregelen hielpen niet en toen de VS in 1898 aan de kant van de opstandelingen tussenbeide kwam was de strijd snel beslist. Zoals dat een kleine 20 jaar later ook voor de Eerste Wereldoorlog zou gelden.

De collectie van de Spaanse Nationale Bibliotheek bevat vele foto’s van Spaanse militairen in de Cubaanse oorlog van 1898 en in de aanloop daarnaar. Ze moesten de opstandelingen bestrijden. Het is deels documentatie voor de militairen zelf die hun afbeelding naar huis kunnen sturen, deels propaganda om de krijgslustigheid van het Spaanse leger te benadrukken.

Deze foto is over the top. De 10 kinderen zijn in een volledig uniform gekleed, met strohoed en sabel, en sommigen dragen het embleem van de jagersbataljons, zoals uit de toelichting blijkt. Waren de 10 jongetjes op afroep beschikbaar in de studio als begeleidingsgroep voor officieren? De halfblinde kapitein en de jongetjes in hun operette uniform lijken met de ogen van nu satire. Een commentaar op het oorlogsbedrijf dat velen aantrekt die gaan voor uiterlijk vertoon.

Gedachte bij de foto ‘Call’ van Otto Steinert, 1950

Otto Steinert, Call. 1950. Collectie: The Metropolitan Museum of Art.

Deze foto uit 1950 van de Duitse fotograaf Otto Steinert toont niet avant-gardistisch. Of beter gezegd, niet gezocht avant-gardistisch. Zo’n 25 jaar nadat in de jaren 1920 en 1930 in Europa die stroming aan de weg timmerde. Denk aan Walter Peterhans en László Moholy-Nagy.

Een jongen of man loopt ’s avonds of ’s nachts langs een schutting met aanplakbiljetten die de schim oproepen of appelleren. Dat werkt want zijn gezicht is naar links gedraaid. Hij kijkt. Hij aanschouwt. De aankondigingen zijn in het Frans en de locatie is Parijs. Op één ervan wordt voor zondag 26 augustus 1950 een plechtig eerbetoon aan het verzet (‘Hommage Solennel à la Résistance‘) in het Romeinse amfitheater Arena van Lutetia (‘Arènes de Lutèce‘) aangekondigd. Het is dus een oproep om dat te bezoeken. Dat is precies zes jaar na de bevrijding van Parijs in 1944.

De toelichting van het Metropolitan Museum of Art bij deze foto zegt over de Subjektive Fotografie beweging waartoe Steinert behoorde: ‘Ze behielden veel van de experimentele technieken die voor de oorlog in het Bauhaus werden toegepast, maar werkten in een donkerdere, scherpere stijl, geïllustreerd door desoriënterende en expressionistische werken, zoals dit hallucinatoire beeld van een gesilhouetteerde figuur die snel door een schaduwrijk stedelijk landschap beweegt dat de droomwereld oproept van het onderbewuste’.

De volgorde is wat verwarrend want volgens de uitleg van een ander museum, Tate, stichtte Steinert de Subjektive Fotografie beweging pas in 1951. Net als de schim op deze foto lijken de contouren van de beweging in een historische terugblik niet scherp vast te leggen. Maar dat maakt niets uit. Dat is kunsthistorische meta-exegese die in zichzelf bestaat en het verleden op z’n best benadert. Achteraf.

De vertaling van Google Translate uit het Engels van de toelichting levert hoe dan ook een raadselachtige zinsnede op: ‘dit hallucinatoire beeld van een gesilhouetteerde figuur die snel door een schaduwrijk stedelijk landschap beweegt dat de droomwereld oproept van het onderbewuste’. Hier ontmoeten Dr. Caligari, Sigmund Freud en Nosferatu elkaar.

De kunsthistorische duiders van dit museum nemen geen genoegen met een voor de hand liggende verklaring en gaan een stap verder, dieper of hoger. Dat is hun vak, dat is hun opdracht, dat is hun uitdaging, dat wordt van hen verwacht. Gewoon is niet goed genoeg. Wat voor de hand ligt is voor hen onvoldoende.

De ‘Call‘ van de titel die Steinert aan deze foto gaf zou een oproep tot de droomwereld van het onderbewuste zijn. Het kan. Zoals alles kan. Niemand kan aantonen dat het aannemelijk is, zoals dat ook voor het omgekeerde geldt.

Johan Cruyff zou zeggen: ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt‘. Maar hier lijkt ook deze volgorde aanvechtbaar. Niet nadat, maar opdat je het doorhebt, waarbij het doorhebben het eigenlijke doel is, ga je het anders zien. Dat wordt met zelfverzekerde kunsthistorische abracadabra op de foto geplakt.

Gedachte bij twee foto’s die dichtbij komen (1893-1991)

Nikos Economopoulos (1953-) – ‘Children playing with a ball at the main street of the central market, Tirana, Albania 1991

Wie op internet zoekt naar oude foto’s vindt veel overzichten van straten, pleinen, steden en landschappen. Het gaat om de locatie. Om de architectuur, de voorbereiding of gevolgen van een oorlog of een beeldvullend evenement. Kortom, veel totalen waarop de emotie niet te zien is. Of in elk geval niet de menselijke emotie. Dat soort fotografie is statisch.

In navolging van de foto’s van George Breitner probeerde ik een medium shot te vinden waarin een persoon van middel tot hoofd is afgebeeld. Vaak niet scherp in focus wat de foto vergankelijk, kortstondig en vluchtig maakt. Efemeer. In een ogenblik is het voorbij. Saxofonist Eric Dolphy zei ooit over muziek: ‘When you hear music, after it’s over, it’s gone in the air; you can never recapture it again‘. Deze foto’s zijn de evenknie van die uitspraak. Je kunt ze nooit meer hernemen of opnieuw maken.

Bovenstaande foto van de Griekse fotograaf Nikos Economopoulos komt dichterbij dan onderstaande foto van Breitner en daagt het kader uit door er buiten te treden. Er zit bijna 100 jaar tussen. Door het verschil in scherptediepte filtert Breitner de emotie uit. Vermoedelijk noodgedwongen. De dienstbode is aanwezig als schilderachtige vlek die met haar bloes tegenwicht geeft aan de donkere huizenrij. Fotografie als schilderkunst is geëvolueerd tot documentaire. Maar toch niet helemaal.

George Breitner, ‘Prinsengracht 174, Bloemstraat 1, Prinsengracht 172 – 170 en lager‘, 1893. Collectie: Stadsarchief Amsterdam.

Gedachte bij foto ‘Un arrêt d’autobus, la nuit sous la pluie, autobus en direction de la porte d’Orléans, Paris’ (1937)

Roger Schall, Un arrêt d’autobus, la nuit sous la pluie, autobus en direction de la porte d’Orléans, Paris, 1937. Collectie: Musée Carnavalet, Histoire de Paris.

De Franse fotograaf of fotojournalist Roger Schall (1904-1995) heeft prachtige nachtopnamen gemaakt van Parijs. Ze maken inzichtelijk waarom de Franse hoofdstad de lichtstad werd genoemd.

In deze foto uit 1937 noemt Schall de elementen in de titel: ‘Een bushalte’, ‘’s nachts in de regen‘, ‘bus richting Porte d’Orléans‘ en ‘Parijs‘. De vrouw rechts met een zwarte mantel met bontkraag, hoed en paraplu kijkt in de richting van de fotograaf. Door de weerschijn op de straat en de afstand tot het haltebord achter haar staat ze afgetekend. Haar contouren bestaan dankzij het schaarse licht. De suggestie is dat haar hoofd naar links draait. Enkele passagiers op of rond het balkon van de bus kijken ook in de richting van de fotograaf.

De stilstand is in focus en de beweging niet. De sluitertijd is gericht op de stilstaande bus, het straatdek van asfalt en de bushalte. Het maakt van de passanten vluchtige schimmen.

Dit kan op het oog geen perfecte foto zijn omdat die snel genomen moest worden. Maar precies die beperking maakt dat de foto het ogenblik ontstijgt door de spanning tussen de ‘vaste’ en ‘losse’ elementen. Schall roept de associatie op met spoken, geestverschijningen of droombeelden. En wat een toeval, het is immers toch al nacht, die tijdruimte waarin de illusie optimaal werkt omdat niet alles ingevuld is. Schall verdubbelt die illusie. Noem het een onvoorzien voorval of geluk, maar hij weet zijn moment bewust te kiezen.

Wat moeten we met humanisme in de kunst? Gedachten bij foto ‘Le Café de France, L’isle-sur-la-Sorgue, 1979’

Laten we uitgaan van twee veronderstellingen. Fotografie is kunst en kunst moet humanistisch en elegant zijn. Dan komen we uit bij de Franse fotograaf Willy Ronis. Wikipedia zegt over hem dat hij samen met Henri Cartier-Bresson en Robert Doisneau de Franse school van het fotografisch humanisme vormde. Ronis lijkt in Nederland minder bekend dat die andere twee zwaargewichten van de Franse fotografie.

Bovenstaande foto uit 1979 heeft het allemaal in zich: Fransheid, de menselijke maat en intimiteit. Maar die humanistische fotografie of dat fotografisch humanisme laat zich niet makkelijk omschrijven. Is het kenmerk ervan dat het ‘gehecht [is] aan het broederlijk vastleggen van de essentie van het dagelijks leven van mensen’ zoals de tekst van fotosite L’Œil de la Photographie bij de foto zegt?

Is dat fotografisch humanisme verwant aan het Poëtisch realisme, die stroming van de Franse cinema die zoveel meesterwerken opleverde? Zoals de films van Jean Renoir met een duidelijke maatschappijvisie én een scherpe psychologische duiding van de personages.

Menselijke maat kan voor kunst een valkuil zijn. Het hoeft overigens niet, maar het kan. Als het systeem achter het humanisme niet in beeld komt en het streven van de fotograaf beperkt blijft tot het vastleggen van het dagelijks leven, dan ia het de vraag waar het aan meewerkt.

Toch denk ik dat het humanisme in de kunst een voorwaarde is. Het kan te veel worden. De Duitse kunstenaar Christoph Schlingensief riep in 2002 op om de liberale politicus Jürgen Möllemann te doden. Deze kwam later om het leven bij een parachutesprong. Dat lijkt het humanisme voorbij. Dat was duidelijker dan de rechtszaak in 2007 waarin de kunstenaar Jonas Staal werd vrijgesproken van een doodsbedreiging van Geert Wilders. Kunst of activisme?

Politisering kan het humanisme doden, maar dat kan ook te bescheiden en te verhullend zijn en aan de andere kant zijn doel voorbijschieten door te weinig te zeggen. Ik kom er niet uit.

Het lijkt te simpel dat het om maatvoering en een middenweg gaat. De bekende filmtheoreticus André Bazin verantwoordde zijn voorkeur voor het humanisme van films met bij voorkeur lange takes die de realiteit ‘weergaven’ en ontsloten door het te koppelen aan de weerspiegeling van de psychologie en ethiek. Het zal wel.

Humanisme in de kunst is de menselijke maat die erop wacht om overschreden te worden. Of niet. Het zal duidelijk zijn, ik ben een voorstander van het humanisme in de kunst, en trouwens ook in het leven, maar zie de tekortkomingen om het passend te omschrijven. Meer kan ik er niet over melden.

Gedachten bij twee foto’s van een hypnose-sessie op een Franse jaarbeurs (1977)

Het gezicht van Monsieur Z staat links op deze foto uit 1977. Hij is met Viviane een van de twee sterren (vedettes) van het cabaret Le Shaman in het Franse Besançon. Hij lijkt zo sterk op m’n oude schoolvriend en toenmalige aanhanger van Joop den Uyl Kees S. dat ik werkelijk aan het twijfelen wordt gebracht of het hem is. Maar de feiten kunnen niet kloppen. In 1977 is het onwaarschijnlijk dat hij optrad als hypnotiseur in een stand op een evenement van de Franse regionale krant L’Est Républicain uit Nancy die Lotharingen en Franche-Comté bestrijkt. Iedereen heeft een dubbelganger.

Het evenement is la Foire comtoise, dat tegelijk boerenmarkt, kermis en jaarbeurs is. De plek is Besançon, waar sinds 1968 op het Micropolis terrein de jaarmarkt is. Gemeten aan het aantal toeschouwers weten Monsieur Z en Viviane de aandacht te trekken.

Het heeft iets tegenstrijdigs dat een hypnose-sessie in zo’n omgeving plaatsvindt. Ongetwijfeld zat de stemming er goed in, maar wat moet de in bed zittende vrouw ondergaan? Dit rekt de grenzen van de parapsychologie op in de richting van het amusement. Dit is kermisvermaak.

Deze foto’s zijn nostalgie en worden nu als zodanig gepresenteerd door L’Est Républicain omdat ze een voorbije tijd in herinnering brengen. Dat haakt aan bij de interesse van degenen die het meegemaakt zouden kunnen hebben en anderen die willen weten hoe het toen was. De verschijningsvorm van de belettering, de kleding en de inrichting van de jaarmarkt zijn uiterlijkheden die nu in het oog vallen. Daaronder zitten de omgangsvormen en gewoonten van toen verborgen. Zoals een hypnose-sessie.

Het lukt nooit om de voorbije tijd helemaal terug te halen en niemand zou dat waarschijnlijk ook willen. De indruk van melancholie is precies genoeg voor een korte reis in de tijd. Verlangen kan per definitie niet ingelost worden omdat het dan geen verlangen meer is. Representatie door beeld en geluid bevat de betekenissen belichaming en voorstelling. In de foto’s van de hypnose-sessie op een Franse beurs in 1977 vallen ze samen. Maar sluitend wordt het niet omdat we niet meer weten hoe het toen was. We moeten het doen met uiterlijkheden die het verleden benaderen. We plukken uit het stalenboek dat de bovenste laag van weleer toont.

Straatreclame voor William Fish. Gedachte bij foto ‘Street Advertising’ (1877)

John Thomson, Street Advertising (1877).

De naam van William Fish staat op een affiche dat in 1877 wordt opgeplakt door de man in de witte jas. Het is reclame voor het wassenbeeldenmuseum Madame Tussauds in Londen. De fotograaf is de ‘baanbrekende’ John Thomson die als eerste buitenlander in China fotografeerde en later als een Charles Dickens van de sociale fotografie de armoede in de Londense sloppen en straten vastlegde.

Wat zou aardig aan het internet is dat iemand die bijna 150 jaar later wil weten wie William Fish is daar altijd wel een bron voor kan vinden. In dit geval is dat makkelijk omdat iemand van wie een wassen beeld is gemaakt in de eigen tijd een zekere bekendheid moet hebben gehad.

Nou, in een bericht uit 2020 van Lancashire News (Lancs Live) stelt niet teleur. Tot in details wordt nauwgezet uit de doeken gedaan wie William Fish was. Hij was een moordenaar die in maart 1876 in Blackburn de 7-jarige Emily Holland vermoordde. Op weg naar de winkel om tabak te kopen ging ze volgens getuigen vergezeld van een sjofel geklede man. Enkele dagen later werd op een landje in een koffer verborgen lichaam gevonden. Gruwelijk ontdaan van armen, benen en hoofd. Het bleek het lichaam van Emily te zijn. De benen werden even later in een riool teruggevonden. Dat zette de speurtocht in gang.

De gruwelijke moord trok landelijke bekendheid. Er werd een beloning van 200 pond uitgeloofd om de dader te vinden. Mensen zochten tevergeefs naar Emilys’ armen en hoofd. Zwervers werden opgepakt, maar moesten weer vrijgelaten worden omdat er geen aanknopingspunt met de moord was. Uiteindelijk viel mede door de haren die op Emily’s lichaam waren gevonden de verdenking op kapper William Fish. Maar hij wist zich in eerste instantie vrij te pleiten.

De doorbraak in deze moordzaak kwam toen de politie speurhonden van een particulier inzette die de half verbrande armen en de rottende schedel van Emily in een schoorsteen in Fish’ kapperszaak vond. Het bericht van Lancs Live zegt daarover: ‘Honden werden nog niet regelmatig gebruikt door de politie, maar deze zaak zou daar verandering in brengen’.

Eind goed, al goed. De moordenaar is na een speurtocht van zo’n drie weken door slim opereren van de politie opgepakt. De ‘Blackburn Murderer’ is ermee een Britse bekendheid geworden. Madame Tussauds haakt er op in en laat een jaar later weten dat het wassen beeld van William Fish (‘portrait model’) in haar museum is te bezichtigen. Kom dat zien, om te griezelen. Straatreclame werkt.

Gedachten bij twee foto’s uit Krasnojarsk (1911-1914)

Ksenia Konovalova, dochter van de beroemde Krasnojarsk-arts P.N. Konovalov aan het Shira-meer’, 1911. Collectie: Library of Congress.

Deze twee foto’s zijn afkomstig uit een collectie van 423 over ‘het dagelijks leven van de provincie Jenisej, eind negentiende-begin twintigste eeuw’. Dat is een gebied in Midden-Siberië met als belangrijkste plaats Krasnojarsk. De Jenisei is de langste rivier van Siberië, zodat er veel foto’s met schepen en riviergezichten in de collectie zijn.

Het is aardig om je voor te stellen wat in zo’n collectie de meest en minst tijdloze foto’s zijn. Ksenia Konovalova op haar fiets voor de familiedatsja aan het Shira-meer zou zo in een kostuumfilm van kort voor de Eerste Wereldoorlog kunnen stappen. In de verfilming van een verhaal van Anton Tsjechov.

Het gebed in Krasnojarsk viert de overwinning van het Russische leger op de Oostenrijk-Hongaarse troepen die in september 1914 Lemberg verloren. Kerk, vaderland en vorst vormen een eenheid. De Oostenrijkse overmoed om Servië in te willen lijven werd gevolgd door Russische overmoed dat een uitweg naar de Middellandse Zee zocht en weliswaar in Galicië won, maar uiteindelijk door de Duitsers verslagen werd. Niet alleen de enscenering van het gebed, maar het hele idee van kerk, vaderland en vorst doet gedateerd aan. Het zou een scène kunnen zijn uit een verhaal van Isaak Babel. Sepia ruiterij.

Gebed in Krasnojarsk over de overwinning van het Russische leger in de Slag om Galicië in augustus – september 1914’ Collectie: Library of Congress.

Gedachte bij foto ‘Art class. Provincetown’s reputation as an art center provides ample income for several art schools. Outdoor classes are likely to pop up anywhere. Massachusetts’ (1940)

Art class. Provincetown’s reputation as an art center provides ample income for several art schools. Outdoor classes are likely to pop up anywhere. Massachusetts’, 1940 . Collectie: Library of Congress.

Het gaat in de titel om het begrip ‘reputatie’. De titel zegt: ‘De reputatie van Provincetown als kunstcentrum biedt voldoende inkomsten voor verschillende kunstacademies. Buitenklassen zullen waarschijnlijk overal opduiken’. Provincetown is een toeristische plaats op het uiterste puntje van schiereiland Cape Cod in Massachusetts.

De reputatie van Provincetown als kunstcentrum maakt het dus waarschijnlijk dat overal buitenklassen opduiken. Zoals op de foto op het witte strand van Provincetown. Maar dit roept allerlei vragen op. Wat zijn dat voor buitenklassen die meeliften op de reputatie van een stadje als kunstcentrum? De vervolgvraag is of deze buitenklassen de reputatie helpen verzwakken of versterken. Hoe lopen professionele en niet-professionele kunst door elkaar en hoe hebben ze invloed op elkaar via het scharnierbegrip ‘reputatie’?

Het is maar een kleine vraag bij deze intrigerende, documentaire foto van Edwin Rosskam. Kunst als bezigheid van toeristen en zingeving voor een vakantie. Het is augustus 1940. Op hetzelfde ogenblik wordt er gevochten in Europa. Dagjesmensen komen met de boot uit Boston. De ferry ‘Steel Pier’ ligt in de achtergrond gemeerd aan de pier. Portugese vissers hebben hun vis aan land gebracht. Op het strand van Provincetown is het tekenles. Dat tekent de sfeer. Ontspannen, artistiekerig en aanhakend bij vermaardheid. Zo terloops als het leven zelf.