George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Rotterdam

Fundamentele vragen over veiligheid bij het Wereldmuseum

with one comment

Ruud van der Velden van de Partij voor de Dieren in de Rotterdamse gemeenteraad heeft vandaag bovenstaande raadsvragenZorgen over onveilige situaties bij Wereldmuseum’ gesteld aan de Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2018-2022). Los van deze vragen en zonder contact met Van der Velden heb ik deze week onderstaand commentaar geschreven. Vragen en commentaar wijzen dezelfde richting op. Er zijn talloze betrokkenen die zich zorgen maken over de onveilige situaties bij het Wereldmuseum, zich daar over verwonderen en willen dat de situatie bij het Wereldmuseum zich ten goede keert. Mijn commentaar:

Het is een publiek geheim dat de veiligheid en brandveiligheid van het Wereldmuseum niet op orde zijn. Juiste of geldige brandveiligheidsvergunningen voor het gebouw aan de Willemskade te Rotterdam ontbreken. Het Rotterdams gezag had in moeten grijpen na de heropening in juli 2019. Dat is tot nu toe niet gebeurd. Die opening werd door het museum aangekondigd als ‘na de grote verbouwing’, maar dat is onjuist omdat de verbouwing nog steeds aan de gang is. Het is opmerkelijk waarom de toezichthoudende Brandweer voor een publiek toegankelijk gebouw dat verbouwd wordt, onvoldoende brandscheidingen bevat en de kans op brandoverslag bestaat een vergunning afgeeft. Dat lijkt dan ook niet te zijn gebeurd, maar hoe de Brandweer dan wel handhaaft is de vraag. Ook het electriciteitsnet geeft risico’s en kans op kortsluiting. Zo was er een week na de opening in juli 2019 een grote kortsluiting/stroomstoring en zijn er recent vaker stroomstoringen gesignaleerd waarbij het licht uitvalt of een lift niet werkt. Dat volgt noodzakelijk uit een grote verbouwing.

Voorschriften waar een museum zich aan moet zijn de richtlijnen uit 1994 bij punt 5. Het management van het Wereldmuseum lijkt in gebreke te zijn gebleven bij de inventarisatie en beoordeling van bedrijfsactiviteiten en risico’s zoals het Museumregister (dat de museumnorm beoordeelt) als checklist geeft (punt 4.4). Niet duidelijk is of er een calamiteitenplan is, er sinds juli 2019 brandveiligheidsoefeningen zijn gehouden en er voldoende geschoolde en getrainde BHV- (Brand Hulp Verlening) en CHV- (Collectie Hulp Verlening) medewerkers zijn en ingezet worden. Onduidelijk is trouwens of het Wereldmuseum dat sinds 27 februari 2002 als museum in het Museumregister geregistreerd staat wel een volwaardige museale vergunning heeft.

Het Wereldmuseum is sinds 2017 onderdeel van het Nationaal Museum voor Wereldculturen (NMvW) waar Stijn Schoonderwoerd algemeen directeur is. Klaarblijkelijk opereert de NMvW op de locatie Wereldmuseum niet of niet volledig volgens de normen die de museumsector via het Museumregister of de Museumvereniging stelt. Het is lastig om één oorzaak voor het ontbrekende professionalisme van het NMvW te geven. Het lijkt eerder een combinatie van factoren die elkaar versterken en te maken hebben met ontbrekend leiderschap van de NMvW-directie, slechte organisatie, een bedrijfscultuur die gehoorzaamheid afdwingt, een ontbrekend locatiehoofd/eindcoördinator voor het Wereldmuseum, een lastige voorgeschiedenis van het Wereldmuseum onder de weggestuurde directeur Stanley Bremer die roofbouw had gepleegd op gebouw en personeel, en de speciale en (financieel) kwetsbare positie van het Wereldmuseum binnen het NMvW als afzonderlijke stichting.

Hoe verder is de vraag. Door inzet van velen is in 2015 het Wereldmuseum gered uit handen van Bremer die de Afrika-collectie wilde verkopen en het museum het pad van vervlakking en populisme opstuurde waarbij hij kunst en kunstobjecten ondergeschikt maakte aan andere doelen zoals publieksbereik of commerciële levensvatbaarheid. Merkwaardig genoeg herhaalt zich deze recente horrorgeschiedenis in een andere vorm bij het NMvW. Want dat maakt ook de kunst ondergeschikt aan doelen zoals politieke correctheid of cultureel populisme. Bremer en Schoonderwoerd lijken meer gemeenschappelijk te hebben dan op het eerste oog blijkt. Ze hebben zich onder het mom het goede te doen laten kennen als tegenspelers van het Wereldmuseum.

Wat Rotterdam moet met de constructie van een onvriendschappelijk en onprofessioneel NMvW en het NMvW met een Wereldmuseum dat het blijft beschouwen als een ‘vreemd lichaam’ is de vraag. Het geknoei met de ontbrekende (brand)veiligheidsvergunningen is een symptoom van een slecht huwelijk. Want dit is niet zozeer amateurisme, maar onwil van het NMvW om het Wereldmuseum een volwaardige en autonome plek te gunnen. De Rotterdamse gemeenteraad moet nog maar eens nadenken wat het met het Wereldmuseum wil. Want de gemeente Rotterdam subsidieert het Wereldmuseum jaarlijks met 5 miljoen euro en heeft daarom een drukmiddel om de Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum als harde eis te stellen aan het NMvW. Die signatuur is tot nu toe onzichtbaar. Dat komt bovenop de eis het NMvW te verplichten om het Wereldmuseum te laten opereren volgens de Museumnorm en de normale basisvoorwaarden van de museumsector.

Foto 1, 2 en 3: Schermafbeelding van raadsvragen van Ruud van der Velden (PvdD) in de gemeenteraad Rotterdam over de onveilige situaties bij het Wereldmuseum, 8 november 2019.

Foto 4: Schermafbeelding van (inmiddels verwijderde) aankondiging ‘Museum gedeeltelijk geopend’ op site Wereldmuseum, gedateerd 1 juli 2019.

Zes aanklachten tegen Tariq Ramadan wegens grensoverschrijdend seksueel gedrag leiden nog niet tot afronding van zijn rechtszaak

leave a comment »

De zaak van seksueel geweld tegen vrouwen waar de Zwitsers-Egyptische islamoloog en cultfiguur Tariq Ramadan zich schuldig aan zou hebben gemaakt is in Nederland naar de achtergrond verdwenen. In 2007 genoot Ramadan in Nederland een zeker bekendheid toen hij in Rotterdam aan de slag ging als hoogleraar en ‘bruggenbouwer’ in dienst van de gemeente. Vanaf het begin was hij een controversiële figuur met voor- en tegenstanders. Hij werd in 2009 de laan uitgestuurd. Maar in Frankrijk en Zwitserland haalt hij nog steeds de voorpagina’s. Aangejaagd door het MeToo-debat dat sinds oktober 2017 aan kracht gewonnen heeft.

Ramadan werd in februari 2018 in detentie genomen na de aanklacht twee vrouwen verkracht te hebben. De ene is de feministe Henda Ayari (zie hier) die in oktober 2017 Ramadan aanklaagde, de ander noemt zich ‘Christelle’. Ramadan ontkent verkrachting, maar geeft via zijn advocaat toe seksueel contact met de twee vrouwen te hebben gehad. Maar dat zou volgens Ramadan met hun instemming (‘relation consentie’) zijn gebeurd. In november 2018 werd Ramadan onder voorwaarden vrijgelaten wegens zijn slechte gezondheid (multiple sclerose), maar hij mag van de autoriteiten Frankrijk niet verlaten, moet zich wekelijks melden en zijn paspoort is ingenomen. Hij heeft een boeten van 300.000 euro betaald. Inmiddels zijn er door zes vrouwen aanklachten wegens seksueel geweld of verkrachting tegen Ramadan ingediend.

De affaire Ramadan is omgeven door complottheorieën die veel ruis geven. De Israëlische inlichtingendienst Mossad zou er een rol in hebben gespeeld. Vele islamitische aanhangers van Ramadan kunnen het blijkbaar niet verteren dat hun boegbeeld van zijn voetstuk is gestoten. Zij nemen het nog steeds voor hem op en verspreiden geruchten over een joods complot. De Franse president Emmanuel Macron zou het brein zijn om alle opposanten in het gevang te gooien, zoals onderstaande still van een YouTube-video aangeeft. De eerste aanklager Henda Ayari die haar hoofddoek afdeed en zich afwendde van het salafisme neemt stelling tegen het islamisme dat ze met het nazisme gelijkstelt, wat haar weer bedreigingen uit islamistische hoek oplevert.

De waarheid over Tariq Ramadan is alledaagser, simpeler en minder vergezocht. Hij gedroeg zich als rokkenjager met vele romantische affaires en heeft in bepaalde gevallen beestachtig, grensoverschrijdend gedrag jegens vrouwen vertoond waarvoor hij jaren later de rekening gepresenteerd krijgt. Aangejaagd door het omgeslagen denken over grensoverschrijdend gedrag dat niet langer getolereerd wordt heeft hem dat in de verdediging gedrongen. Kritiek waarom hij de aanklacht aanvankelijk niet thuis mocht afwachten lijkt terecht. Hij staat niet alleen als ontmaskerde heteroman. Honderden machtige mannen als Harvey Weinstein, Charlie Rose, Mark Halperin, Kevin Spacey, Louis C.K., Al Franken, James Levine, Daniele Gatti, Jappe Claes of Job Gosschalk hebben hun positie verloren wegens grensoverschrijdend seksueel gedrag. Het is te hopen dat Tariq Ramadan tot zelfinzicht komt, de vrouwen zijn verontschuldigingen aanbiedt en zich terugtrekt uit het publieke leven. Anders moeten de aanklachten tegen hem in een rechtszaak in Frankrijk behandeld worden. Het is de hoogste tijd om nu eindelijk eens een streep onder de onzalige kwestie Tariq Ramadan te zetten.

Foto: Still uit YouTube-videoACTE 36 GILETS JAUNES TARIQ RAMADAN PIEGE PAR MACRON ? HENDA AYARI MENT MEDIAPART’ op kanaal Le Croissant de lumière.

Romantisering van Woodstock (1969)

with 4 comments

Televisiepresentatrice Dieuwertje Blok zegt in een artikel in De Telegraaf teleurgesteld te zijn in haar eigen generatie. Ze komt met deze uitspraak ter gelegenheid van het legendarische festival Woodstock dat precies 50 jaar geleden in het Amerikaanse Bethel plaatsvond. Het werd gehouden van 15 tot en met 18 augustus 1969. Voor Omroep Max heeft Blok het door POSVIDEO geproduceerde programma ‘Het moment: Woodstock’ gemaakt om stil te staan bij dit jubileum. De vraag die ze stelt is volgens de toelichting bij dit programma de volgende: ‘Wat is de impact van het feest van ‘3 dagen vrede en muziek’ geweest?’ Kunnen we dat terughalen?

Ik was er niet bij in Bethel, maar wel 10 maanden later op het festival in het Rotterdamse Kralingen dat ook toen al als een opvolger van Woodstock werd beschouwd. Ik denk er daarom zijdelings over te kunnen oordelen. Omroep Max presenteert Woodstock in een achtergrondartikel als ‘hoogtepunt van de hippiecultuur’. Max gaat zelfs in de versnelling als het zegt dat ‘de aanwezigen zich tijdens het festival in een aparte wereld met zijn eigen normen en waarden waanden’. Max gaat verder over Woodstock: ‘Het staat symbool voor het hoogtepunt van de tegencultuur van de jaren 60, die tegenwoordig ook wel de ‘Woodstockgeneratie’ wordt genoemd. De tegencultuur uit de jaren 60 bestaat voornamelijk uit babyboomers die zijn opgegroeid in het naoorlogse Westen. Zij willen hun leven drastisch anders invullen dan hun ouders. Zij zijn voor het ter discussie stellen van autoriteit, voor gelijke rechten tussen man en vrouw, antimilitaristisch, voor mensenrechten, seksuele vrijheid en experimenteren met drugs. Voor een deel kunnen we de individuele vrijheden die we nu voor lief nemen, toeschrijven aan de hippies uit de jaren 60.

Wat klopt van deze generalisaties? Hoe terecht is het om teleurgesteld te zijn in de eigen generatie zoals Blok? Is het niet zo dat een eigen generatie het nooit alleen voor het zeggen heeft en altijd gestuurd wordt door een eerdere generatie? De generatie-Woodstock was het kind van de regenten-generatie. Nauw verbonden met elkaar. Eind jaren ’60 was de de zittende macht sterk aanwezig, des te meer omdat het de druk van de opkomende tegenbeweging voelde. Maar die tegencultuur drong niet door tot het centrum van de macht.

In 1969 voerde de rechtse president Nixon een harde binnenlandse politiek. Hij ging niet echt de dialoog met een jongere generatie aan vanwege de oorlog in Vietnam en Johnsons Great Society die hij waar mogelijk afbouwde. In 1970 was de KVP’er Piet de Jong de premier van Nederland. Hij kocht zoals regenten deden de vrede af. Een gelijkenis tussen De Jong en Nixon is overigens opvallend. Zij vielen allebei diep na hun regeringsperiode, maar werden later opgewaardeerd. De Jong was daarin tamelijk passief en Nixon werkte actief aan zijn herwaardering als staatsman. Als de macht passend regeert, maar dat in de eigen tijd onvoldoende gezien wordt, dan moet er wat water onder de brug stromen om dat uit te doen komen.

Woodstock als ‘hoogtepunt van de hippiecultuur’ wil niet zeggen dat het uitsluitend een verschijningsvorm daarvan was. Dat was het niet. Onder het uiterlijk van de hippie zat in de meeste gevallen een gedienstig individu verscholen die deel uitmaakte van de samenleving die door de ouders werd geleid. De generatiekloof was minder scherp dan nu wordt voorgesteld. Het verzet door jongeren was in de meeste gevallen hybride en halfslachtig. Het festival in Kralingen werd bezocht door gewone jongens en meisjes van die tijd. Zoals ik. In 1974 kon ik niet ontkomen aan de militaire dienstplicht en werd ik tegen mijn zin in ingelijfd ondanks mooie ideeën over vrijheid en de waan over ‘eigen normen en waarden’ van een popfestival. Dat was in 1970 niet de realiteit, maar een instabiele vrijplaats. Pas in 1975 eindigde de Vietnamoorlog. Tijdens Woodstock waren meer dan een half miljoen Amerikaanse militairen daarheen uitgezonden, waarvan vele dienstplichtigen.

Wel was het optimisme in die tijd groot en paste daarbij een groot zelfvertrouwen. Het geloof in een betere samenleving werd breed gedeeld onder jongeren in het Westen. Dat was een zeldzame combinatie van naïviteit en eigenzinnigheid die door de toevallige aanwezigheid van externe omstandigheden kon ontstaan.

Maar 50 jaar later ligt romantisering op de loer. Niet in het minst om niet zozeer het toen, maar het nu te verklaren. De hippiecutuur is een cliché dat tot een vaste gedachtewending in de media is geworden. In elk geval wordt die breder gemaakt dan die werkelijk was. Dat het op ouderen gerichte Omroep Max aandacht besteedt aan de jongerencultuur van Woodstock en Kralingen is paradox én duiding. Het is afwachten of dat tot werkelijk begrip van het gevoel en het optimisme van toen leidt als dat al onvermengd terug te halen is.

Foto: ‘Han Bennink, Misha Mengelberg Kralingen Popfestival Rotterdam 07-1970‘. Pieter Boersma Photography. Copyright © 2009 by Pieter Boersma. All rights reserved.

Voorlichters onttrekken falend openbaar bestuur Rotterdam aan het zicht

with 2 comments

Laten we het eens hebben over de bestuurbaarheid van de grootste gemeenten van Nederland. Hebben we er een goed beeld van? Die vraag stellen is de vraag beantwoorden. De afdelingen communicatie van de grote steden zijn zo opgetuigd en vol woordvoerders, voorlichters en beleidsambtenaren gestopt dat het onmogelijk is om een beeld te krijgen van wat er echt aan de hand is. Daartegenover is de regionale journalistiek uitgekleed en heeft die onvoldoende middelen om de politiek goed te volgen. Burgers worden overspoeld met gemeentelijke advertenties en brochures die vooral uitblinken in borstklopperij over de fantastische prestaties van het gemeentebestuur. Geen kritische burger die het nog leest, laat staan gelooft, zodat dit soort voorlichting nog slechts op twee doelgroepen is gericht: de slecht geïnformeerde burger die alles voor zoete koek slikt en de gemeentelijke organisatie die zelfbevestiging zoekt om de eigen onzekerheid te verbergen.

De op burgers gerichte voorlichting in grote gemeenten is een manifestatie van de stammenstrijd in het gemeentebestuur. Wethouders zoeken met hun voorlichters, beleidsambtenaren en politieke assistenten de publiciteit om elkaar de loef af te steken. Ze proberen ermee hun positie te versterken. Ze spelen politicusje, terwijl ze in het duale stelsel toch bestuurders en managers zijn. Burgers die wordt lastiggevallen met al die ronkende ‘persmomenten’, persberichten, voorlichtingsfilmpjes en toekomstplannen zijn in dubbel opzicht de klos. Want voorlichting die vooral dient om bestuurders in het zonnetje te zetten kost belastinggeld dat ze zelf moeten ophoesten en het levert een beeldvorming op die valt te kenschetsen als een reisje fantasieland. Dat wil niet zeggen dat er geen gemeentelijke voorlichting bestaat die zakelijk en zinvol is, maar die wordt steeds minder belangrijk. Daarnaast hebben wethouders door de polarisatie van de politiek in de grote steden een prima verdediging om niet serieus in te gaan op kritiek. Want die kan worden afgedaan als partijdig.

Rotterdam is de gemeente waar schijn en werkelijkheid het meest uiteen zijn gaan lopen. Het openbaar bestuur van Rotterdam is niet meer wat het pretendeert te zijn, namelijk doelmatig en oplossingsgericht. De gemeentelijke organisatie is in haar tegendeel verkeerd. Als er iets rauw is aan Rotterdam, dan zijn dat vooral de omgangsvormen binnen stadsbestuur en gemeentelijke organisatie. Het bestuur van de spreekwoordelijke werkstad blinkt uit door regelgeving, indekken van risico’s binnen de ambtelijke organisatie en het op veilig spelen. Dat leidt tot ondoelmatigheid, onnodige procedures en doorgeschoten bureaucratie. Het valt samen te vatten als omslachtig en krampachtig. Het motto van het bestuurlijke Rotterdam is ‘Lullen, maar niet poetsen’.

Van de grote gemeenten heeft Rotterdam met afstand de meeste wethouders, namelijk 10. Amsterdam en Den Haag hebben 8, Utrecht en Groningen 7, Eindhoven en Tilburg 6 wethouders. Zo kent Rotterdam in Michiel Grauss (CU-SGP) een wethouder met de portefeuille ‘Armoedebestrijding, schuldenaanpak en informele zorg’ waarbij het de vraag is hoeveel uren in de week deze bestuurder hiermee bezig is. Uiteraard heeft Grauss een secretariaat, woordvoerder en politiek assistent. Van deze laatste abnormaliteit kijkt niemand meer op, maar abnormaal is het wel dat een bestuurder van een grote stad een politiek assistent moet hebben. Ook nog eens voor zo’n onbenullig takenpakket dat louter om politieke redenen bijeen is geraapt.

Ook wethouders van grotere partijen hebben in Rotterdam last van profileringsdrang. Ze zitten in elkaars vaarwater omdat er gewoonweg teveel wethouders zijn en te weinig beleidsterreinen. Zo figureerden twee wethouders op dezelfde dag, 19 juli 2019 in een persbericht over hetzelfde onderwerp: schone lucht. Ook nog eens wethouders van dezelfde partij, namelijk GroenLinks. Wat voor morsige indruk van overbodigheid en ondoelmatigheid dit maakt bij de Rotterdammers is geen onderwerp waar het huidige college zich zorgen over lijkt te maken. Zo strompelen wethouders voort in hun dillentalisme, op de been geholpen en aan het echte zicht onttrokken door hun woordvoerders, voorlichters, communicatieafdeling en politieke assistenten.

Foto 1: Presentatie op Rotterdam.nl: ‘Het college van burgemeester en wethouders vormt het dagelijks bestuur van Rotterdam’.

Foto 2: PersberichtRotterdam zet in op schone lucht’ van de Gemeente Rotterdam, 19 juli 2019.

Foto 3: PersberichtRotterdam zet belangrijke stappen voor schonere lucht en CO2-reductie’ van de Gemeente Rotterdam, 19 juli 2109.

Het debat over een nationaal designmuseum is gepolitiseerd

with 3 comments

Hoeveel designmuseums kan Nederland hebben? Die vraag wordt opgeroepen door politieke ontwikkelingen en de opmerking van de nieuwe artistiek directeur van het Stedelijk Museum Rein Wolfs in een interview in NRC. Hij zegt: ‘Maar als ik het hele Nederlandse aanbod overzie, zou wat meer variatie en specialisatie goed zijn’. Dat is een pleidooi tegen het kluitjesvoetbal in de museumsector waarbij ieder museum hetzelfde doet.

In Den Bosch is er het Design Museum Den Bosch -dat als vanouds het accent op sieraden en keramiek legt- waarmee directeur Timo de Rijk sinds eind 2016 succesvol aan de weg timmert. Hij noemt zich in februari 2017 in een interview in BD samen ‘met Gent en Groningen’ nu ‘het grootste designmuseum in West-Europa‘. Voor het gemak vergeet hij het London Design Museum, het Duitse Vitra Design Museum, het Parijse Cité de l’Architecture et du Patrimoine of het V&A in Dundee. Maar ook het in 2015 geopende Cube Design Museum  in Kerkrade dat zich presenteert als ‘het eerste museum van Nederland volledig gewijd aan design. Cube toont design met inhoud; design dat impact heeft op de wereld.’ De stilzwijgende suggestie hiervan is dat andere designmusea design zonder inhoud presenteren. De Rijk en Wolfs geven te kennen dat ze belang hechten aan de kunstgeschiedenis en meer moderne of na-oorlogse kunst willen tonen. De Rijk en zijn team bereiden nu een overzichtstentoonstelling van design van het Derde Rijk voor die op 7 september 2019 opent.

Daarnaast is er in Rotterdam het HNI dat ‘Design’ in de naam heeft (naast Architectuur en Digitale Cultuur) dat zich eind 2016 opwierp als coördinator voor een tijdelijk designmuseum in Amsterdam om daar langdurige bruiklenen van andere musea te tonen. Een initiatief waarover sinds die tijd weinig is vernomen. Ik gaf daar in december 2016 een commentaar op waarin ik weinig begrip toonde voor dit initiatief, maar ook wees op twee interessante opmerkingen van het hoofd beleid en actualiteit van HNI Floor van Spaendonck. Breder kijkend dan dit initiatief alleen zei zij: ‘(..) is er behoefte aan één plek die geheel in het teken staat van design’ en ‘Het aanleggen en beheren van een vormgevingsarchief behoort niet tot de opdracht van HNI’. Er bleek dus eind 2016 volgens Van Spaendonck in Nederland geen museum dat geheel in het teken staat van design (wat haaks staat op de claim van het in 2015 geopende Cube) en evenmin een nationaal vormgevingsarchief voor design.

De politieke ontwikkeling blijkt uit bovenstaand citaat uit het artikelPlan Designmuseum Eindhoven krijgt steeds meer vorm’ in het ED van november 2018. Het lijkt er sterk op dat het een plan is uit de koker van D66 dat door de VVD wordt gesteund. In het huidige Eindhovense college is D66 niet vertegenwoordigd. Van 2014 tot 2018 was Mary-Ann Schreurs namens D66 wethouder van Innovatie en Design, Cultuur en Duurzaamheid. Nu is ze onafhankelijk raadslid en heeft volgens een persbericht van maart 2019 over een verschil van mening D66 verlaten. Schreurs maakte zich sterk voor design en technologie zoals uit de steunbetuiging van een D66’er blijkt. Ook de Dutch Design Week (DDW) is een manifestatie van de verknoping van design en techniek.

Er is dus in de afgelopen jaren een sterke D66-lobby opgezet voor een Designmuseum in Eindhoven waarbij het de vraag is of dat doorzet omdat D66 in Eindhoven en in de provincie Noord-Brabant aan macht heeft ingeboet. Daarnaast richt Timo de Rijk zich in het 35 km verder gelegen Den Bosch sinds 2016 nadrukkelijk op design en toegepaste kunst. Een grotere ambitie viel af te lezen in de naamsverandering. In juni 2018 werd de naam Het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch veranderd in Design Museum Den Bosch. Maar wellicht kan wat in de pijplijn zit nog gematerialiseerd worden zodat er nog net een Eindhovens Designmuseum uitgeperst kan worden. Een in de Provinciale Staten van Noord-Brabant in oktober 2017 aangenomen motie van D66 vraagt om uit te zoeken of er een nationaal designmuseum kan komen in het Evoluon in Eindhoven:

Minister van OCW Ingrid van Engelshoven (D66) houdt de signalen van haar partijgenoten uit Brabant in elk geval nog in de lucht zoals deze week bleek uit de presentatie van de ‘Ontwerp-subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2021-2024’ dat op het lijf van een Eindhovens Designmuseum is geschreven en uitgaat van de verknoping van design en techniek. Zo vanzelfsprekend is dat echter niet. Hooghartigheid blijkt uit het interview uit november 2018 met DDW-directeur Martijn Paulen die meent dat een een fluitje van een cent is om een museum met als uitgangspunt de combinatie van design en techniek in een nationaal designmuseum te realiseren. Dat gaat eraan voorbij dat die formule die afgeleid is van de Eindhovense situatie waarbij design en techniek nauw worden gecombineerd een keuze is die niet alleenzaligmakend is. Design kan ook worden gekoppeld aan autonome kunst, (kunst)geschiedenis of sociaal-maatschappelijke aspecten. Het is de vraag of, als er een nationaal designmuseum of rijksmuseum voor design moet komen dat gesteund wordt vanuit de landelijke overheid, die combinatie van kunst en techniek (of technologie) het uitgangspunt dient te zijn. Op z’n minst zou er een breed debat aan vooraf moeten gaan over het profiel van zo’n nieuw te vormen nationaal designmuseum waarbij de gesprekspartners liever niet alleen uit Eindhoven of uit de kringen van D66 komen.

Nederland kan best meerdere designmusea herbergen, in Den Bosch, Kerkrade, Eindhoven of waar dan ook. Laten we evenmin de kunstmusea met belangrijke afdelingen design (Museum Boijmans, Stedelijk Museum, Centraal Museum, Groninger Museum, HNI) en de ‘materiaalmusea’ (Nationaal Glasmuseum, TextielMuseum, Keramiekmuseum Princessehof) vergeten die zo’n nationaal designmuseum kunnen ‘voeden’. Of de herhaling van meer van hetzelfde zonder voldoende variatie en specialisatie wenselijk en doelmatig is, is een vraag die het bovensectorale ministerie van OCW zich moet stellen. De museumsector moet ideeën kunnen aandragen.

OCW zet echter op onaanvaardbare wijze een dubbele pet op als het bij de bekostiging van een nationaal designmuseum uitgaat van normen die meer volgen uit de partijpolitiek en een regionale lobby, dan uit een beredeneerde keuze voor profiel, kwaliteit en inbedding in de culturele basisstructuur ervan. In het verlengde speelt de vraag bij welke instelling een nationaal vormgevings/designarchief ondergebracht moet worden.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelPlan Designmuseum Eindhoven krijgt steeds meer vorm’ in ED, 24 november 2018.

Foto 2: Schermafbeelding van ‘Actuele Motie M1 Provinciale Staten 27 oktober 2017; Nationaal Designmuseum in het Evoluon` door Statenfractie van D66 (AANGENOMEN).

Foto 3: Schermafbeelding van deel ‘Ontwerp-subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2021-2024’ van het ministerie van OCW, 11 juni 2019 (p. 35).

RTV Rijnmond stelt kunst en sport, Museum Boymans en Feyenoord City tegenover elkaar in een kader. Is dat zinvol en verhelderend?

leave a comment »

De toelichting bij de video op het YouTube-kanaal van RTV Rijnmond luidt: ‘De gemeenteraad van Rotterdam trekt veel makkelijker de portemonnee voor Museum Boijmans Van Beuningen dan voor een nieuw Feyenoordstadion. Het museum krijgt 168,5 miljoen voor een grote renovatie, terwijl over een veel lager bedrag voor een nieuw stadion veel langer gesteggeld wordt. In het programma De Zoekmachine van RTV Rijnmond wordt de vraag gesteld waarom dat zo is.’ Op toelichting en reportage valt nogal wat aan te merken.

Een bezwarend aspect komt aan het eind aan de orde als raadslid Gerben Vreugdenhil van Leefbaar Rotterdam (portefeuille ‘Majeure Projecten’) uitlegt dat Stadion Feyenoord/  Feyenoord City en Museum Boijmans verschillende soort ondernemingen zijn. Vreugdenhil: ‘Publiek geld naar publiek bezit geldt hier [= Boymans]. Voor Feyenoord City geldt: Publiek geld gaat naar een privaat initiatief’. Maar dat ligt genuanceerder, want Museum Boymans is in 2006 geprivatiseerd. Weliswaar zijn een deel van de collectie en het gebouw eigendom van de gemeente Rotterdam gebleven, maar is het geen gemeentelijk museum zoals het commentaar zegt. Het museum kan op de markt als ‘creatieve ondernemer’ opereren en heeft dat sinds 2006 succesvol gedaan. De gemeente staat echter meer op afstand dan deze vermeende tweedeling suggereert, hoewel het een feit is dat de gemeente verantwoordelijk is voor het onderhoud van het gebouw. Zoals sommige geïnterviewden opmerken hebben de kosten zich opgestapeld doordat de gemeente Rotterdam renovatie heeft uitgesteld.

Raadslid Ruud van der Velden van de Partij voor de Dieren merkt op dat het hem niet duidelijk is waarom bij Museum Boijmans voor de zogenaamde ‘ambitievariant’ is gekozen. Maar die terechte kritiek lijkt niet zozeer met Museum Boijmans te maken te hebben, maar meer met het opereren van de Rotterdamse coalitie en de tekortschietende voorlichting en transparantie. Zoals VVD’er Jan-Willem Verheij opmerkt en Van der Velden overigens ook al suggereert is het bij Boijmans net als bij Stadion Feyenoord evenmin snel gegaan. In beide gevallen gaat het om langlopende processen. Wat uiteindelijk de zin van de kritiek op de ‘ambitievariant’ is als het verschil van 55 miljoen euro niet door de gemeente Rotterdam, maar door andere private of publieke partijen wordt opgebracht is de vraag. Overigens trok de Stichting Droom en Daad afgelopen week haar aanbod voor de schenking van ‘een substantieel deel’ van die 55 miljoen euro in omdat het blijkbaar geen ’stoel aan tafel’ kreeg die het had opgeëist. Het overleg erover kan echter weer vlotgetrokken worden.

Een gemeente trekt de portemonnee voor van alles: stadspromotie en -marketing, burgerzaken en bestuur, voorlichting en communicatie, grondexploitatie, bouwen, onderwijs, zorg, transport, sociale uitkeringen, veiligheid en inderdaad ook sport en cultuur. Het grootste punt van kritiek op de reportage is het tegenover elkaar in hetzelfde kader plaatsen van sport en kunst. Kunnen die op zo’n simpele wijze vergeleken worden?

Dat begint al met de vraag van sportpresentator Peter van Drunen die werkzaam is voor RTV Rijnmond. Zijn vraag wordt als volgt verwoord: ‘Waarom trekt Rotterdam veel makkelijker de portemonnee voor museum Boijmans dan voor een nieuw stadion?’ Dat is een veelgelaagde vraag waarin allerlei elementen samenkomen. Ze worden in de reportage  beantwoord (privaat/publiek, slimmer lobbyen door Boymans dan door Feyenoord City, steeds weer veranderende projectplannen van Feyenoord City op verschillende plekken terwijl die van Boymans redelijk continu zijn), op het aspect na wat het verschil is van de functie van kunst en een museum (Museum Boymans) en de functie van professionele sport en een evenementenlocatie (City Feyenoord).

De reportage van RTV Rijnmond is journalistiek niet onzorgvuldig, maar doet door het niet logisch achter elkaar zetten van de feiten en het niet benadrukken van de verschillen tussen sport en kunst toch aan het creëren van een tegenstelling die extra wordt uitvergroot. Dat is ongelukkig en ongewenst. Het weerlegt misverstanden over deze ‘Majeure Projecten’ niet, maar houdt ze in de lucht zonder ze afdoende te duiden. Duiden is de functie van goede journalistiek. RTV Rijnmond kiest halfslachtig voor een debat dat als open wordt gepresenteerd, maar laat te veel essentiële elementen ongenoemd om het debat af te kunnen sluiten.

Twee foto’s van Nederland (1911) roepen vraag op of buitenlandse beeldarchieven voor Nederlands publiek voldoende ontsloten zijn

with one comment

Waarom dat is weet ik niet, maar ik kan geen genoeg krijgen van oude foto’s van waterwegen met schepen. Wellicht omdat mijn moeder uit een rederij familie kwam? De datum is 1911. De haven is Rotterdam. Twee heren turen over de Maas. Pogend niet poserend over te komen. Schoorstenen van schepen spuwen stoom.

Mogelijk was de fotograaf op de terugweg van Utrecht van het verslaan van de ‘Circuit d’Europe’ luchtrace die door de Parijse krant Le Journal werd georganiseerd. Met Utrecht als etappeplaats voor de aankomst van de derde etappe uit Luik en het vertrek van de vierde etappe naar Brussel. Het is gissen. Hoe kan ik het weten?

Beide foto’s worden in de omschrijving in het Franse beeldarchief Gallica gerubriceerd als persfotografie (photographie de presse) met als maker het fotografisch persbureau ‘Agence Rol’ dat van 1904 tot 1938 bestond. Zo zijn in buitenlandse archieven veel oude foto’s van Nederland opgenomen waarvan het de vraag is of die voor een Nederlands publiek in een Nederlandse digitale collectie bijeen zijn gebracht. Of zouden moeten worden. Ze verruimen onze blik op wat Nederland ooit was en hoe buitenlanders ernaar keken.

Foto 1: Rotterdam [vue du port] : [photographie de presse] / [Agence Rol], 1911. Collectie Gallica. 

Foto 2: Hollande, Utrecht [vue d’une foule rassemblée pour l’arrivée de l’étape du circuit Européen Liège-Utrecht] : [photographie de presse] / [Agence Rol], 1911. Collectie Gallica. 

Written by George Knight

9 mei 2019 at 19:10