Gedachte bij de foto ‘Weihnachtsfeier in der Faktorei Bonaku (Kam.). Miss. K. Fuchs, Besuch, Miss. K. Hoffmann. Faktorist v. d. Gesellsch. Nordw. Kam’ (1900-1904)

Johannes Leimenstoll, ‘Weihnachtsfeier in der Faktorei Bonaku (Kam.). Miss. K. Fuchs, Besuch, Miss. K. Hoffmann. Faktorist v. d. Gesellsch. Nordw. Kam.‘, 1900-1904. Collectie: International Mission Photography Archive, ca.1860-ca.1960.

Deze foto is niet zozeer een blijk van culturele toe-eigening, maar van het omgekeerde daarvan: cultureel imperialisme. Het is opvallend dat het hedendaagse debat over identiteit, witte dominantie en etnische minderheden zich concentreert op het verbod, of de claim op het verbod, om elementen van een cultuur door leden van een andere cultuur over te nemen.

Dat kan positief met een beroep op zelfbescherming gezien worden als een logische stap van etnische minderheden in de strijd om emancipatie en gelijkwaardige behandeling. Negatief wordt het beschouwd als een rem op de individuele vrijheid en de expressie van kunstenaars en is het een teken van nieuwe apartheid door vanuit een defensieve reflex nieuwe grenzen op te richten.

Feitelijk is wat er op deze foto uit Kameroen van rond de vorige eeuwwisseling valt te zien bedenkelijker dan culturele toe-eigening zoals dat in het huidige debat wordt opgevat. In dat laatste valt immers ondanks alle kritiek waardering voor een andere cultuur te herkennen, al is het volgens de beschermers ervan door ontlening, kopiëren, jatwerk of verdringing.

Kameroen was tot 1914 een Duitse kolonie en de kolonisator exporteerde de Duitse cultuur, ‘Duitsheid’ en het christendom naar dit West-Afrikaanse land vlak boven de evenaar. ‘Weihnachten in Kamerun‘ is daar het resultaat van. Twee Duitse missionarissen en hun bezoeker in het midden vieren kerstmis. In de titel worden de drie zwarte personen niet genoemd.

Cultureel imperialisme steelt niet van andere culturen, maar legt via dwang een andere cultuur een dominante cultuur op die vreemd is. Dat leidt tot een kerstboom in de tropen die door de kolonisator via instituties als missionarissen als normaal wordt opgelegd. Het is voor de gedomineerde cultuur een kwestie van aanpassing en overleving om hierin mee te gaan. Tegenwoordig zouden we in negatieve zin spreken over de lange arm van het christendom.

NB. De collectie van de internationale missie die is opgenomen in de Digitale Bibliotheek van de University of Southern California is een goudmijn met foto’s uit de periode 1860 tot 1960 over het cultureel imperialisme dat via missionarissen en christendom aan andere volkeren werd opgelegd.

Gedachten bij twee foto’s uit Duits koloniaal Tanzania (1907-1934)

De tekst bij deze foto spreekt boekdelen. Het gaat om Mbeya in Tanzania. Het is 1934, 16 jaar nadat Tanzania sinds 1918 is opgehouden een Duitse kolonie te zijn, maar Duitsers nog in grote getale in het land aanwezig zijn. Inclusief plantagehouders en missionarissen. Zo was de vader van de latere prins Claus van Amsberg die in 1966 met prinses Beatrix trouwde tot 1938 bedrijfsleider was van een koffie- en sisalplantage in Tanzania. Claus bracht er zijn jeugd door.

De tekst bij deze foto zegt (vertaald uit het Duits): ‘Een blik op de eenvoudige maar solide klokkentoren. Het werd alleen gebouwd door inboorlingen. Ze wisten niet wat ze moesten doen om de bel op te hangen en lieten me op kerstavond snel halen zodat de bel kon luiden met kerst‘. ‘Me’ is de Duitse Werner Hauffe (1909-1982) die timmerman was en later missionaris van de Herrnhuter Brüdergemeine. Als timmerman en missionaris was hij blijkbaar de ideale persoon om de bel op te hangen.

Zou het echt zo zijn geweest dat de ‘inboorlingen’ niet wisten hoe ze de bel in de klokkentoren op moesten hangen? Dat valt nauwelijks te geloven. Afrikanen kunnen goed improviseren en zitten niet op een Duitse timmerman/ missionaris te wachten voor het realiseren van hun praktische zaken. Het lijkt er eerder op dat ze het Hauffe gunden om de bel op te hangen uit eerbiedigheid voor het geloof dat hij vertegenwoordigde. Op z’n beurt valt het evenmin nauwelijks te geloven dat Hauffe dat niet in de gaten had. Zo wordt de tekst een mooi staaltje van zelfbedrog en public relations met als doel om het de eigen organisatie mooier voor te stellen dan het is.

Een andere foto uit hetzelfde Mbeya in Tanzania die gedateerd wordt op 1907-1930 is nog tergender. De titel zegt (vertaald uit het Duits): ‘Miss[ionaris]. Blumer praat met de Masai tovenaar Mbeya (= neger met de enkelring)‘. De uit Estland afkomstige Leonhard Blumer (1978-1938) was in dienst was van de Lutherse Leipziger Missionswerk. Hij was Afrikanist en zou 500 Masai tot het christendom hebben bekeerd. Hij zit als enige op een stoel.

Missionary Blumer with Maasai sorcerer Meya, Tanzania, ca.1907-1930. Collectie:
International Mission Photography Archive, ca.1860-ca.1960
 (collection), Leipzig Mission (subcollection) 

Met welke bril moeten we naar deze foto’s uit de koloniale of post-koloniale tijd kijken? De houding van de missionarissen is makkelijk te kritiseren, maar lastig te beoordelen. Zo is het altijd al moeilijk om een onderscheid te maken tussen goede mensen die zich lenen voor een fout doel. Wat waren hun overwegingen en in hoeverre waren die in lijn met de evangeliserende kerkelijke organisaties waar ze opdrachten en verplichtingen voor vervulden?

Kijkend met de bril van 2021 spreekt neerbuigendheid uit de foto’s. Beide missionarissen wekken de schijn in gedrag en opdracht vanuit de hoogte te handelen. Kon dat anders? Dat is een domme houding als die voortkomt uit eigendunk, terwijl de positie die de missionarissen innamen niet voortkwam uit hun eigen verdiensten, maar uit de maatschappelijke positie die ze namens de missionaire organisaties door wie ze uitgezonden waren tijdelijk mochten innemen. Maar we kennen het zelfbewustzijn van Werner Hauffe en Leonhard Blumer niet, dus kunnen geen definitief oordeel vellen over wat ze in hemelsnaam in de eerste helft van de 20ste eeuw in Tanzania deden.

Repliek op een opinie van Rick Honings. Historische onderzoekers moeten zich niet door schuld of schaamte laten leiden, maar door wetenschappelijke normen

Schermafbeelding van deel opinie-artikel ‘Laat Indonesiërs ‘ons’ koloniaal verleden onderzoeken‘ van Rick Honings in Trouw, 19 november 2021.

Het opinie-artikel van Rick Honings over de omgang van Nederland met het koloniale verleden is niet zozeer prikkelend of verkeerd, maar onevenwichtig. Honings is de Scaliger-hoogleraar Bijzondere Collecties aan de Universiteit Leiden. De koppeling van deze collectie met dit onderwerp is dat de 16de-eeuwse Franse humanist Scaliger zijn handschriften en boeken in oosterse talen aan de Leidse bibliotheek naliet.

Honings verwijst voor de omgang van Nederland met het koloniale verleden naar de term Vergangenheitsbewältigung die hij omschrijft als ‘het proces in Duitsland om in het reine te komen met zijn naziverleden‘. Dat betreft dus vooral de omgang met de oorlogsmisdaden tegen onder meer de Slavische volkeren en de misdaden tegen de menselijkheid zoals die tijdens het proces van Neurenberg (1946) in een handvest werden opgesteld.

Honings stelt dat recente verleden van Nederland en Duitsland niet gelijk, maar gaat tegen de feiten in als hij zegt dat Indonesiërs niet in concentratiekampen werden opgesloten. Dat gebeurde van 1926 tot 1942 wel degelijk in Boven-Digoel dat een strafkamp werd genoemd en waar onder meer Rudy Kousbroek in het Oostindisch Kampsyndroom uitgebreid verslag van heeft gedaan. Een Duits Konzentrationslager was geen Vernichtungslager zoals Auschwitz of Treblinka, hoewel de mortaliteit in een concentratiekamp hoog kon zijn.

Honings meent aan de hand van de Duitse omgang met het recente verleden dat Nederland daar een voorbeeld aan moet nemen voor het koloniale verleden. Maar hij stelt het mooier voor dan het is. Hij kijkt selectief. Waarom vergeet Honings de eerste genocide van de 20ste eeuw te noemen, de Namibische Genocide? Duitse troepen vermoordden tussen 1904 en 1908 doelbewust 80.000 leden van het Herero- en Namavolk. Pas in 2015 erkende een vertegenwoordiger van de Duitse regering deze genocide. Meer dan 100 jaar nadat die had plaatsgevonden. Zo voorbeeldig is de omgang van Duitsland met het eigen verleden niet.

Honings doet aan begripsverwarring. Hij hanteert Vergangenheitsbewältigung alsof het gaat om Wiedergutmachung als hij gratis studeren van Indonesische studenten in Nederland erbij haalt. Hij wil rekeningen vereffenen die nog open zouden staan voor dat koloniale verleden door het goed te maken met de nakomelingen van de slachtoffers. Dat is wat anders dan als land in het reine komen met het eigen verleden. Nederlanders moeten zelf tot inzicht komen om de blik op hun kolonialisme bij te stellen. Per definitie kunnen anderen daar alleen indirect als aangevers bij betrokken zijn. Daarnaast is Wiedergutmachung een leeg gebaar als het dient om jezelf er beter of minder schuldig over te hoeven voelen.

Honings heeft een punt als hij stelt dat Indonesiërs met hun expertise en talenkennis die in Nederland aan het verdwijnen is behulpzaam kunnen zijn bij het ontsluiten van bronnen. De samenwerking tussen Indonesische en Nederlandse instituten en universiteiten zou in beider belang op een hoger plan gebracht kunnen worden voor de gezamenlijke studie van de Nederlands-Indonesische geschiedenis.

Met Vergangenheitsbewältigung of Wiedergutmachung heeft dat echter niks te maken. Honings verwart het opbouwen van een solide infrastructuur voor academische studie met een schuldgevoel dat Nederland jegens hedendaagse Indonesiërs zou hebben. Opmerkelijk is dat Indonesiërs daar niet op zitten te wachten. De sorry-cultuur leeft in Indonesië minder dan aan de Universiteit Leiden. De eigenlijke vraag is dus tot wie Honings zich richt en waarom hij Indonesiërs meent te moeten gebruiken voor een intern Nederlands, of wellicht zelfs Leids debat.

Honings stelt zich op als de typische post-koloniaal. Hij meent het goede te doen, maar sluit Indonesiërs vanuit een idee van ongelijkheid op in slachtofferschap. Een nieuw slachtofferschap. Het is de vraag in hoeverre hij dat beseft.

Honings zet in zijn opinie sterk in op schaamte en schuld die hij projecteert op een koloniaal verleden. Dat compliceert op onnodige wijze een zorgvuldige omgang met de geschiedenis. Het beste dat Honings en andere Nederlandse onderzoekers die zich bezighouden met de koloniale geschiedenis kunnen doen is het verrichten van gedegen historisch onderzoek. Als dat leidt tot het retourneren van roofgoed dan zijn Indonesiërs daar meer mee gediend dan met gevoelens van schuld en schaamte van 21ste-eeuwse Nederlanders die vooral voor intern gebruik zijn bedoeld.

Hypocrisie van kunstmanifestatie sonsbeek20→24. Het is niet gedekoloniseerd en kent veel kritiek, maar geen zelfkritiek

Deel artikelREKENING VOOR KOLONIALE DWANGARBEID: 9,5 MILJOEN‘. One World, 23 augustus 2021.

Wie kritiek op de ander heeft en die beschuldigt van onmaatschappelijk handelen loopt de kans ongeloofwaardig te zijn door samenwerking met iemand die precies dat is waarvan men de ander beschuldigt. Namelijk een fraudeur of profiteur die onmaatschappelijk handelt. Het woord dat zo’n dubbele standaard karakteriseert is hypocrisie.

De critici zijn in dit geval Mitchell Esajas (The Black Archives) en co-curator Amal Alhaag van kunstmanifestatie sonsbeek20→24 die in het artikel ‘REKENING VOOR KOLONIALE DWANGARBEID: 9,5 MILJOEN’ dat op 23 augustus 2021 werd gepubliceerd op One World de aanval openen op de Arnhemse regentenfamilie Brantsen. Door de ondertekening van artistiek directeur Bonaventure Soh Bejeng Ndikung die expliciet verwijst naar sonsbeek20→24 valt dit artikel op te vatten als deel van de manifestatie. Dus de kritiek komt van sonsbeek20→24 als instelling.

Ze vragen 9,5 miljoen euro voor ‘de onbetaalde arbeid door hun voorouders in de periode 1727 – 1780‘. Het is geen serieuze juridische claim die bij een rechtbank enige kans op succes maakt. Het is een politiek pamflet dat de activisten gebruiken om hun politieke doelen onder een breed publiek te verspreiden.

De site van sonsbeek20→24 zegt bij de beschrijving van Amal Alhaag het volgende: ‘Haar projecten bevinden zich op de snijvlakken muziek en hedendaagse kunst, (post)kolonialisme en antropologie om ‘oncomfortabele’ zaken te onderzoeken, te agenderen en te bekritiseren‘.

Bij de deelnemende kunstenaars wordt ‘The Black Archives’ genoemd als een ‘fysiek en digitaal archief en cultureel platform op het snijvlak van archieven, cultureel erfgoed, kunst en onderwijs‘. De mensen achter ‘The Black Archives’ zijn geen traditionele kunstenaars met een kunstopleiding of autodidacten die op eigen kracht een artistiek niveau hebben bereikt, maar interdisciplinaire activisten die een politiek geëngageerd verhaal vertellen. ‘The Black Archives’ kan als de definitie van kunst ver opgerekt wordt een kunstinstelling worden genoemd, maar het valt eerder op te vatten als een historisch archief, een ontmoetingsplaats voor activisten of een debatcentrum.

Die politieke inzet kan waardevol zijn, maar waarom iemand als Mitchell Esajas door sonsbeek20→24 genoemd wordt als kunstenaar en niet als politieke activist is naar twee kanten verwarrend. Het rekt zoals gezegd de definitie van wat een kunstenaar is op en het schept ook verwarring over wat een politieke activist is.

In het project ‘Sound Waves of Resistance‘ van ‘The Black Archives’ en Yinka Ilori wordt ook verwezen naar Huis Zypendaal dat in het artikel van One World centraal staat. In dat artikel zegt Mitchell Esajas met Amal Alhaag: ‘Onlangs bezochten wij uw terrein, waar de tentoonstelling ‘Sound Waves of Resistance’ de verborgen ontstaansgeschiedenis van Huis Zypendaal op het landgoed zichtbaar maakt‘. Esajas verwijst naar zijn eigen project van sonsbeek20→24 zonder dat hij bekend maakt dat hij naar zichzelf verwijst. Het moet steekhoudende argumenten en legitimiteit suggereren.

Partners van sonsbeek20→24, onder wie financier en sponsor Stichting Ammodo.

Wie open is en maatschappelijk onrecht wil bestrijden doet er verstandig aan om dat naar alle kanten te doen. Een financier en sponsor van sonsbeek20→24 is de Stichting Ammodo. Daar heeft Mitchell Esajas geen kritiek op. Maar anderen wel, zoals FTM in meerdere publicaties, kunstenaar Timo Demollin in het artikelDe Fuik van de Filantropie‘ in Platform BK en ikzelf in een commentaar. Stichting Ammodo geeft geld aan sonsbeek20→24 dat het van havenwerkers heeft ontvreemd. Tot verbijstering van velen is het protest tegen deze opmerkelijke gang van zaken uiteindelijk gaan liggen.

Demollin zegt over de herkomst van het besmette geld van Ammodo: ‘Maar hoe is het verzuimen van een eerlijke reflectie op de herkomst van dit geld te rijmen met de huidige inspanningen van zoveel door Ammodo gesponsorde kunstinstellingen om hun organisaties te ‘dekoloniseren’, om onderdrukkende machtsstructuren te herkennen en te ontmantelen?

Dat is de valkuil waar Mitchel Esajas intrapt. Hoe kan hij volhouden met zijn politieke projecten de samenleving te willen dekoloniseren als hij daarvoor, al is het indirect, de steun van een stichting aanvaardt die havenwerkers heeft bedrogen? Esajas neemt besmet geld aan om besmet geld aan de orde te stellen. Hoe cynisch is dat?

Het Ammodo-dossier is van nu. Het speelt niet in de 18de, maar in de 21ste eeuw. Esajas en het curatorenteam van sonsbeek20→24 dat kritiek heeft op ‘oncomfortabele’ zaken missen zelfkritiek. Ze hadden respect verdiend als ze hadden geweigerd om bij een kunstmanifestatie betrokken te zijn die besmet geld aanvaardt.

De Code Inclusie & Diversiteit in de kunstsector zegt in theorie ruimte te maken voor nieuwe verhalen en te werken aan een gelijkwaardige sector voor iedereen. Dat is een evenwichtig streven waarbij niet de politiek meest actieven en best georganiseerden die het meest brutaal en inventief de publiciteit weten te bespelen en het beste weten politieke druk weten te zetten in media, politiek en onderwijsinstellingen telkens weer subsidie ontvangen of vanwege hun politieke overtuiging en relatieve bekendheid die buiten de kunst is gelegen worden uitgenodigd voor presentaties.

Volgens de code gaat diversiteit ook over het verschil of de achterstand in sociaaleconomische status en opleidingsniveau. Dat betreft ook de havenwerkers van Ammodo die zijn verdwenen achter een Arnhems verhaal over slavernij, historische achterstelling, sociaal onrecht en ongelijkheid. Volgens de organisatie van sonsbeek20→24 weegt blijkbaar de ene ongelijkheid zwaarder dan de andere ongelijkheid. Dat is Animal Farm anno 2021. Laten we beseffen dat maatschappelijke verontwaardiging aan mode onderhevig is en de kunstsector uit zelfbehoud een grotere afstand tot die activistische waan van de dag moet houden dan nu gebeurt.

Gedachte bij foto ‘British and Indian troops during the Second Anglo-Afghan War, 1878 – 1881’

Toegeschreven aan John Burke en William Baker‏, British and Indian troops during the Second Anglo-Afghan War, 1878 – 1881

Wat weten we van de drie Engels-Afghaanse oorlogen die vanaf 1839 ongeveer om de 40 jaar werden uitgevochten? We weten achteraf dat de Engelsen, Russen en Amerikanen in het stof beten. Hoe kun je als buitenstaander een verdeeld land beheersen dat zichzelf niet kan beheersen? Zelfs als het militair beheerst, heb je er weinig aan. Denk aan de politionele acties in Nederlands-Indië die Nederland militair won zonder dat het daar iets aan had omdat de harten en gedachten van de bevolking daar haaks op stonden. Zo is het ook in Afghanistan.

De geschiedenis herhaalt zich, luidt het gezegde. Met de toevoeging, maar elke keer weer anders. De overeenkomst is dat in het recente verleden landen met imperialistische neigingen als Engeland, Rusland of de VS zich hebben vergaloppeerd en zich beter hadden kunnen inhouden. Hun kolonialisme bestond er trouwens niet uit om Afghanistan bezetten om het in bezit te nemen en te exploiteren, maar om de dreiging die ervan uitgaat of die werd vermoed te neutraliseren.

In praktijk maakt die doelstelling weinig uit voor het falen dat vooraf gegarandeerd is. Wie in zo’n verdeeld en nauwelijks te beheersen bergachtig land stapt zonder exitstrategie heeft niets geleerd van de geschiedenis. De Amerikaanse president Joe Biden is de laatste sjaak die het niet begrepen heeft hoe hij Afghanistan moet verlaten en dat nu op z’n brood krijgt.

Engels-Indiase cavalerie met geschut staat tijdens de tweede Engels-Afghaanse oorlog (1878-1880) opgesteld in een niet met naam genoemde Afghaanse vallei. De Engelsen wonnen de oorlog, maar achteraf draait het om de vraag wat ze eigenlijk bereikt hebben.

Debat over slavernijverleden is pas zinvol als het door hele bevolking gevoerd wordt en niet in de eerste plaats door politieke activisten

Schermafbeelding van deel artikel Utrechtse excuses voor slavernijverleden? Niet uit mijn naam, zegt deze politicus‘ in het AD, 2 juli 2021.

Er is in vele landen vanuit gematigd linkse kringen kritiek op radicaal-links dat met identiteitspolitiek, cancel culture, wokeness en politiek correct denken van oorsprong linkse kiezers naar rechts jaagt. In de VS wijst de Democratische strateeg James Carville op het gevaar de traditionele achterban van Blue collar kiezers (= arbeiders) te verliezen. Dat denken zou het failliet bevestigen van links en radicaal-rechts in de kaart spelen. Zijn idee is dat er een kantelpunt bestaat dat als de wokeness binnen linkse partijen toeneemt de aantrekkingskracht van een breed publiek voor links afneemt.

Een nieuw netelig onderwerp in dit politieke debat is het slavernijverleden waarvoor stad en land excuses zouden moeten aanbieden. Voor welk probleem dat een oplossing biedt is de vraag. Opinieleiders uit radicaal-linkse kringen proberen elkaar de loef af te steken in politieke correctheid. Het is hun optimale kans om zich tegenover elkaar te profileren. De samenleving heeft daar echter weinig aan want, zoals gezegd, dat gaat niet ongestraft. Voor traditioneel links kan het zelfs de doodsteek betekenen.

Er bestaat overeenstemming over het feit dat het terecht is om te erkennen dat slavernij een zwarte bladzijde in de vaderlandse geschiedenis is geweest. Het was beter geweest als het nooit had bestaan. Het heeft velen onnoemelijk leed gebracht. Die erkenning moet breed uitgedragen worden.

Maar het aanbieden van excuses gaat een stap verder. Zeker als nog niet omschreven is hoe zich dat verhoudt tot schadevergoeding voor de verre nazaten van de slachtoffers van de slavernij, het herschrijven en dekoloniseren van de geschiedenis, het verwijderen van standbeelden van vaderlandse admiraals en bestuurders en het hernoemen van straten en instellingen omdat ze zouden verwijzen naar een besmette naam.

Het is een kluwen van aspecten die samenhangen en waarvan onduidelijk is wat nou wat is. Ze vormen samen de lagen van de taart. Het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden van Nederland is de kers op de taart. Een taart waarvan onduidelijk is wat er precies inziten hoe die gemaakt is. Voordat excuses aangeboden worden dient duidelijk omschreven te worden wat de aspecten zijn.

Ook moet opgepast worden dat hedendaags racisme niet vermengd wordt met het slavernijverleden van bijna 150 jaar geleden en ouder. In 1873 kwam officieel een eind aan de slavernij in Nederland toen het verboden werd. Het gevaar is dat het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden in de plaats komt van de bestrijding van hedendaags racisme op arbeidsmarkt, sociale huisvesting en in de samenleving in algemene zin. Dat is een oneigenlijk gebruik van excuses.

Nodig is een brede maatschappelijke discussie waar vertegenwoordigers van de hele bevolking aan deelnemen. Voor de acceptatie en sociale cohesie is het niet zinvol dat een groep activisten anderen een mening opdringt. Hoewel ze wel het debat kunnen helpen voorbereiden door de feiten boven water te halen en in het debat in te brengen. Maar ze zouden er door politieke en publicitaire druk in hun eentjes niet over moeten kunnen beslissen. Daar lijkt het nu op uit te draaien.

Het zou als uiterste sanctie geen taboe moeten zijn om de namen van de meest kwaadaardige personen uit het slavernijverleden die het meeste kwaad hebben aangericht uit de openbaarheid te verwijderen. Zonder dat ze uit de geschiedenis verdwijnen of wat nog erger is de geschiedenis herschreven wordt door hun uitwissing. Uitsluitend ter zake kundige historici zouden na gedegen onderzoek hier een voorstel voor moeten doen.

Maar laat het evenmin een automatisme zijn dat alle historische personen die in verband worden gebracht met slavernij en handel in slaven gecanceld moeten worden. Of dat standbeelden en straatnamen die hun naam hebben gekregen om politieke redenen hernoemd zouden moeten worden. Een ‘bijschrift’ kan de kwalijke kanten belichten van genoemde personen. Het is ongewenst én onmogelijk om met de bril van nu naar 1650, 1750 of 1850 te kijken.

Schermafbeelding van tussenstand van poll in het AD bij het artikel Utrechtse excuses voor slavernijverleden? Niet uit mijn naam, zegt deze politicus‘, 2 juli 2021.

Aanleiding voor mijn zorgen over een ver doorgeschoten identiteitspolitiek die uiteindelijk traditioneel links electoraal beschadigt is een enquête in het AD. Een krant die door vele ‘doorsnee’ Nederlanders geraadpleegd wordt. De respondenten vinden in grote meerderheid dat de gemeente Utrecht geen excuses aan moet bieden voor het slavernijverleden. Het valt niet te verwachten dat ze representatief zijn voor de Nederlandse bevolking, maar desalniettemin geeft de stemming aan dat er tegenstand is tegen het aanbieden van excuses. Dat kan niet lichtvaardig. Als het gebeurt, dan moet het goed voorbereid, uitgelegd en afgebakend worden.

Neerkijken op de ander. Van menselijke dierentuinen en genocide tot moderne slavernij

Het tentoonstellen van ‘inboorlingen’ heeft een lange traditie. Het begon al in het oude Egypte. Vooral in de tweede helft van de 19de eeuw waren de menselijke dierentuinen erg populair en moesten ze dienen als legitimatie van het kolonialisme. Nog op de Expo van 1958 in Brussel was een Congolees dorp ingericht. Maar de tijden waren veranderd: ‘Na een incident met blanke kinderen die bananen gooiden naar hun zwarte leeftijdsgenoten hielden de Congolezen de menselijke zoo voor bekeken’.

Onderzoekers merken daar het in het interessante artikelIn the Days of Human Zoos’ (2016) over op: ‘De antropo-zoölogische tentoonstellingen waren de belangrijkste vector in de overgang van wetenschappelijk racisme naar wijdverbreid koloniaal racisme. Voor de bezoekers was de aanblik van deze populaties achter tralies – echt of symbolisch – voldoende om de hiërarchie te verduidelijken: het was duidelijk waar de macht en kennis zouden liggen.’

Het is moeilijk om ons voor te stellen hoe er 150 jaar geleden gedacht werd. Landen waren nog geen eenheid zoals ze tegenwoordig zijn. Hoe bevolkingsgroepen momenteel ook politiek van elkaar verschillen, vroeger waren landen cultureel en geografisch minder eenvormig dan nu.

Neerkijken op de ander om er zelf sterker van te worden is iets van alle tijden en alle landen. Het bestaat nog steeds, maar alleen niet in de vorm van menselijke dierentuinen. Denk aan de slavernij van de Oeigoeren in China of dwangarbeiders uit Noord-Korea, India, Pakistan, Nepal, Bangladesh en Sri Lanka die buiten hun grenzen worden tewerkgesteld. Denk aan de meer dan 6.500 arbeiders die in Qatar zijn overleden bij de bouw van voetbalstadions. In de Tweede Wereldoorlog lieten de nazi’s dwangarbeiders zich doodwerken.

Het kan nog erger. De Ottomanen probeerden in 1915 de Armeniërs uit te roeien, de Duitsers in het begin van de 20ste eeuw twee volkeren in wat tegenwoordig Namibië heet en de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog de Joden, Roma en Sinti.

Wat is erger? De ‘inboorling’ als visitekaartje van het kolonialisme, de moderne slavernij van de rechteloze migrantenwerkers of de sluimerende genocide op de Oeigoeren? Iedere tijd heeft een specifieke verschijningsvorm van het onrecht.

Petitie ‘Maak een einde aan de betrekkingen met Suriname’ scoort hoog op onbenul-maatstaf

Schermafbeelding van deel petitie ‘Maak een einde aan de betrekkingen met Suriname’ van Nathanael Robert Mulder.

Als de suggestie in deze petitieMaak een einde aan de betrekkingen met Suriname’ is dat Duitsland geen zwart koloniaal verleden heeft, dan is dat onjuist. De massamoord door de Duitsers op de Herero’s en Nama’s in Namibië (tot 1919 Duits-Zuidwest-Afrika) is door de Verenigde Naties erkend als de eerste genocide van de 20ste eeuw en kreeg de naam Namibische Genocide. Hitler had de Holocaust niet van een vreemde.

Het is evenmin onjuist dat Duitsland een beter verleden heeft dan Nederland. Zie wat het vanaf 1914 en 1939 aanrichtte door buurlanden binnen te vallen met tientallen miljoenen slachtoffers tot gevolg. Daar kan Nederland ondanks het feit dat het ook een zwart koloniaal verleden heeft niet aan tippen.

Duitsland is geen lichtend voorbeeld om tegen Nederland af te zetten. Daar komen eerder andere landen voor in aanmerking, hoewel bijna alle Europese landen in de 19de en 20ste een koloniaal verleden hebben met ontsporingen en onrecht tot gevolg. Maar juist Duitsland is niet zo’n uitzondering.

Verder bevat deze petitie zoveel onjuiste, onzinnige en niet onderbouwde beweringen dat het de vraag is of hier wordt beoogd om satire te bedrijven. De humor is dan dat het verleden van Duitsland als tolerant en anti-koloniaal wordt voorgesteld. Petitionaris Nathanael Robert Mulder probeert zich te laten kennen als een grappenmaker.

De petitie gaat ook voorbij aan de politieke realiteit van een verbeterde relatie van de regering Santokhi met Nederland. De uiting in een besloten bijeenkomst van minister Blok dat Suriname een mislukte staat is vanwege de etnische opdeling dateert van 2018 en is sindsdien afgedaan als onjuist en te kort door de bocht. Minister Blok is binnen de Nederlandse politiek geen man van grote ideeën en interessante visies, maar een boekhouder die op de winkel past. Nederland heeft afstand genomen van Bloks uitspraken en laat de frustratie aan Blok over voor een mislukte bijeenkomst. Nederland scoort in alle internationale vergelijkingen over de stand van de democratie, de rechtsstaat en het welzijn hoog en weet prima voor de eigen bevolking te zorgen.

Deze petitie is een dieptepunt van feitenvrije schrijverij. De petitionaris neemt de pose aan van de veelweter die niks weet. Als zijn petitie ergens een teken van kan zijn, dan is dat nog niet zo makkelijk uit te maken wat dat dan is. Een roep om aandacht? Liefde voor Duitsland? Anti-Nederlands sentiment? Gebrek aan historisch besef? Een aanval op de regering Santokhi en de verbeterde relatie van Suriname met Nederland? Een poging tot humor? Of is het dat allemaal gecombineerd in een poging om aan de hand van deze elementen de meest onbenullige petitie ooit op petities.nl te plaatsen? Deze poging heeft een goede kans van slagen.

Ik signaleer het omdat de overmoed van en het overschreeuwen van deze petitionaris staat voor veel wat er gebeurt in de publieke opinie. Waar toetsenbordactivisten zich met aplomb een aureool aanmeten van de veldheer die alles overziet en de wereld wel eens zal veranderen. Dat is trouwens iets van alle tijden. Malloten bestaan eeuwig.

Levend schaakspel. Gedachten bij de foto ‘Tonkin 1921-35 – Jeux d’échecs vivants – Reines et pions’

Tonkin 1921-35 – Jeux d’échecs vivants – Reines et pions

Ik wil het begrijpen, maar begrijp het niet helemaal. Deze foto dateert uit de jaren 1920 of iets daarna en is gelokaliseerd in Tonkin. Dat is de naam van het Franse protectoraat in het Noorden van Vietnam dat sinds 1884 onderdeel uitmaakte van Frans-Indochina. Hanoi was de hoofdstad ervan.

De titel van de montage van deze drie foto’s is Jeux d’échecs vivants, vertaald is dat Levend Schaakspel. Dat was de vorige eeuw vooral populair op manifestaties. Levende personen inclusief paarden zorgden voor spektakel. Ze beeldden dan de 32 schaakstukken uit: 16 pionnen, 2 koningen, 2 dames, 4 torens, 4 lopers en 4 paarden. In Nederland liet de wereldkampioen en promoter van het schaken, de populaire Max Euwe zich nog wel eens strikken om een van de partijen in een stadion of op een stadsplein aan te voeren.

De ondertitel van de drie foto’s is: ‘Les reines et les pions’, dus ‘Dames en pionnen’. In een standaard schaakspel (‘Staunton’) is de koning het hoogste stuk. Het steekt boven de anders stukken uit. De koning is geen machtig stuk, maar wel het belangrijkste stuk waar het spel om draait. Als de koning door de tegenpartij wordt veroverd, mat wordt gezet, dan is het spel uit. De ene partij wordt wit genoemd en de andere zwart. Ze kunnen andere kleuren hebben, zoals bruin of rood. En op foto’s donker- of lichtgrijs.

Uit de foto blijkt dat de levende stukken een rond hoedje of kapje op hebben. Daarmee zijn ze te onderscheiden van het toegelopen publiek dat nieuwsgieriger lijkt naar de vermoedelijk Franse fotograaf, dan naar het levende schaakspel dat hier in voorbereiding is. Ik meen te begrijpen dat de twee vrouwen op de linkerfoto de dame moeten voorstellen. Ze hebben een mooi gewaad aan dat hun status als koningin aangeeft. De ene in een lichte en de ander in een donkere kleurnuance.

De drie vrouwen op de tweede foto kunnen dan niets anders dan pionnen zijn. Op de derde foto staan links van het midden beide dames, links slecht zichtbaar 8 witte en rechts 8 zwarte pionnen. Waar de andere stukken zijn is onduidelijk.

Uit onderstaande foto uit 1910 van een ander levend schaakspel uit dezelfde streek, maar dan aan de kust (Quảng Yên), blijkt dat alle stukken door vrouwen worden voorgesteld. Het verschil van ongeveer 20 jaar met de bovenste foto is in de details terug te vinden. De vrouwen op de trappen hebben in de hand een stok met daarop in een Chinees aandoend pictogram een aanduiding van het stuk dat ze representeren. De latere foto oogt weliswaar moderner, maar de framing is hetzelfde. Deze vrouwen zitten gevangen in de traditie. In dubbel opzicht.

Participants in a Living Chess Game at Quang Yen in the Quang Ninh province in the northeastern region of Vietnam. Date: circa 1910.

Deze spellen zijn met hun aangedikte symboliek een drama dat het voorstellingsvermogen te boven gaat. Als we al kunnen achterhalen wat wat is, dan weten nog niet waarom deze orde zo bestaat. Het woord dat hierbij opkomt is onderhorig. De dienstbaarheid van deze vrouwen in een tijdverdrijf waarvan ze vermoedelijk de spelregels niet eens kennen doet krom aan. Aan schaken wordt door de promoters ervan vaak een bredere betekenis gegeven. Zo zou het volgens een uitleg een metafoor voor het leven zijn, een spel van mogelijkheden en beperkingen. Deze twee foto’s maken dat op een onopzettelijke wijze zichtbaar.

Pleidooi om sociaal-economische status leidend te laten zijn in de Code Diversiteit & Inclusie

Sterk pleidooi van de Franse filosoof en romancier Pascal Bruckner in interview in het FD om diversiteit breder te interpreteren dan huidskleur. Sociaal-culturele onderwerpen als identiteit drukken de sociaal-economische onderwerpen (sociaal-economische status, opleidingsniveau) weg zonder dat dit goed beseft wordt. Dat is een ongewenste en eenzijdige situatie. Het lijkt een taboe dat zo sterk is dat het niet eens als probleem benoemd wordt.

Via een omweg krijgt Bruckner ook gelijk voor wat Nederland betreft. De kunstsector is er een duidelijk voorbeeld van hoe die eenzijdige aandacht voor huidskleur ontspoort. Bizar en tamelijk onverklaarbaar is dat in Nederland de kunstsector een Code Diversiteit en Inclusie als norm heeft ingesteld die allerlei soorten achterstelling van minderheidsgroepen in beschouwing neemt, waaronder sociaal-economische status. Naast gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie opleidingsniveau en leeftijd.

Maar in de media, de kunstjournalistiek, de kunstsector en de publieke opinie lijkt die brede opvatting van diversiteit niet door te dringen. Het wordt nog steeds weggemoffeld ten koste van het dominante debat over identiteit, huidskleur, ras, slavernij en kolonialisme dat door radicale groeperingen wordt gevoed. Als hun inzet begrijpelijk is, dan is die van de kunstjournalistiek of de kunstsector niet. Die laatste is lui en gemakzuchtig, en laat zich vooral kennen als -hier komt het scheldwoord- elitair.

Want het lijkt er sterk op dat hoogopgeleide kunstjournalisten en kunstbobo’s zich meer kunnen identificeren met buitenlandse, zwarte kunstenaars die doorgaans ook een goede opleiding hebben en uit de hogere middenklasse afkomstig zijn, dan met witte, Nederlandse kunstenaars met een sociaal-economische achterstandspositie, weinig netwerk en gebrekkige sociale vaardigheden. Het is de vraag of deze kunstjournalisten en kunstbobo’s hun eigen gebrekkige blik beseffen of dat ze die juist bewust in stand houden. Wat is trouwens kwalijker?

Hoe dan ook is het de hoogste tijd dat in het debat over achterstanden en de terecht oproep om die weg te werken de obsessie met huidskleur stopt en ophoudt de belangrijkste norm te zijn die bepaalt wat achterstand is. Hoewel zoals gezegd de leidende gedragscode in de kunstsector daar allang aan voorbij is gegaan. De sociaal-economische norm is belangrijker en omvangrijker en verdient het om dominant te zijn in het debat. In de praktijk zullen in veel gevallen trouwens identiteit en sociaal-economische achterstand samenvallen, zodat dit onderwerp niet uit het debat hoeft te verdwijnen. Maar het kader waarbinnen het besproken wordt verdient het om breder te zijn.

Het is niet zinvol om witte mensen in een achterstandspositie die er economisch en sociaal slecht voorstaan te verwijten dat ze lid zijn van een bevoorrechte klasse, terwijl zij of hun ouders en kinderen daar nooit van hebben geprofiteerd. Dat maakt mensen terecht opstandig en drijft ze in de armen van ultra-rechts. Als vervolgens (kunst)journalisten en kunstbobo’s de retoriek van links-radicale activisten overnemen en blijvend verkondigen, en de witte achterstandsgroepen verwijten ultra-rechtse sympathieën te hebben, dan wordt het misverstand versterkt en de kloof verder verbreed. Deze kunstjournalisten en kunstbobo’s maken zo een gevolg tot oorzaak en denken in hun dwaling zelfs dat ze het goede doen.

In het verlengde hiervan dient bij de collectievorming van musea beter beseft te worden dat kunst van witte Nederlandse kunstenaars met een lagere sociaal-economische status eveneens ondervertegenwoordigd is als kunst van andere achterstands- en minderheidsgroepen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelInteressant: alleen blanken worden gesommeerd diverser te zijn’’ in het FD, 29 januari 2021.