Artikel van Reza Kartosen-Wong over scheefgroei in slavernijdebat verhult, maar bevat aanzet tot evenwichtige analyse

Schermafbeelding van deel artikel ‘‘Er is te weinig oog voor het Nederlandse slavernijverleden in Azië’ van Reza Kartosen-Wong in Het Parool, 30 juli 2022,

Met de strekking van het opinie-artikel in het Parool van 30 juli 2022 van mediawetenschapper Reza Kartosen-Wong ben ik het voor 100% eens. Maar tevens vind ik Kartosens opinie verhullend en bangelijk. Alsof hij de kool en de geit wil sparen. Het had scherper en beter gekund.

De portee is dat er te weinig oog is voor het Nederlandse slavernijverleden in Nederlands-Indië. De auteur spreekt steeds over Azië. Uiteraard zaten er in de tijd van de slavernij Nederlanders op Ceylon, aan de rand van Japan en op andere plekken in Azië, maar het draaide om Nederlands-Indië. Waarom Kartosen dat uitvergroot tot ‘Azië‘ is onbegrijpelijk. Het is onnodig grof en hij maakt het er niet specifiek door. Kartosen heeft het evenmin over ‘Amerika‘ als het om de slavenhandel in de West gaat. Dat is Kartosens eerste verhulling.

Overigens ben ik eens met zijn opinie dat in het Nederlandse debat de transatlantische slavenhandel zo dominant is dat de slavenhandel in de Oost karig wordt bedeeld. Het een hangt samen met het ander.

Het verband van communicerende vaten dat in het publieke debat de dominantie van het een (West) leidt tot de veronachtzaming van het ander (Oost) noemt Kartosen niet. Of hij ziet het niet zo. Hij toont begrip voor de promotors van Keti Koti die erkenning zoeken voor ‘hun’ slavernij, maar koppelt dat niet aan het gebrek aan belangstelling voor de slavernij in de Oost.

Kartosen noemt niet de actieve en in de politiek goed geïntegreerde lobby van Caraïbische Nederlanders die het slavernijdebat domineren. Kartosens opinie roept vooral de vraag op waarom hij de realiteit van de groep van Caraïbische Nederlanders die het slavernijdebat gijzelt niet noemt. Dat is Kartosens tweede verhulling.

Mijn kritiek op het Nederlandse slavernijdebat en de dominantie daarin van de Caraïbische stem heb ik in het commentaarKeti Koti kan geen nationale feestdag zijn‘ van 1 juli 2022 opgeschreven:

De lobby van Caraïbische Nederlanders in media, musea, universiteiten, instituten en politiek is vele malen sterker dan de lobby van de Ind(ones)ische Nederlanders. Met de Black Lives Matter beweging als rugwind hebben zwarte Nederlanders uit de Caraïben in dit debat over slavernij afgelopen jaren definitief het initiatief naar zich toegetrokken ten koste van andere groeperingen.

En:

Het initiatief om Keti Koti als pars pro toto van de slavernij en het kolonialisme te beschouwen is onevenwichtig. Dat is neo-slavernij die nabestaanden van andere slaven achterstelt en een tweede maal koloniseert. Deze vorm van nieuwe onderschikking kan niet de opzet van een nationale feest- en herdenkingsdag van de slavernij zijn.

Het komt in het verlengde van Kartosens zwijgen en ontbrekende analyse van hoe het slavernijdebat in Nederland zich in allerlei geledingen ontwikkelt, makkelijk en gemaakt manmoedig over om Piet Emmer en Kester Freriks als ‘activistische kolonialen‘ te framen. Het lijkt er sterk op dat dit een afleiding is voor het gebrek aan Kartosens moed om zich kritisch te richten tot de Caraïbische Nederlanders die de ‘Aziaten‘ in het debat opzijzetten. Dat doet vermoeden dat Kartosen gewiekst naar rechts schopt, maar te bevreesd is om naar links uit te halen. Dat is de derde verhulling.

Kartosens opinie bevat een goede aanzet tot een evenwichtige analyse. Met hem zijn vele opinieleiders van mening dat het debat over het slavernijverleden onevenwichtig is scheefgegroeid. Om dat de corrigeren moet hij zich niet richten tot wat hij ‘activistische kolonialen‘ noemt, maar tot de ‘activistische neokolonialen‘ die het slavernijdebat naar zich toe hebben getrokken. Kartosen, toon moed, herschrijf de opinie en noem man en paard.

Advertentie

Nederlandse overblijfselen op foto’s van Indonesië (jaren 1950)

Harrison Forman, ‘Indonesia, car and trolley passing through street in Jakarta‘, jaren 1950. Collectie: Harrison Forman Collection – Safety Negatives.

Niet te lang na een machtsovername zijn op foto’s van straatbeelden nog overblijfselen van het oude bewind te zien. Harrison Forman fotografeert Indonesische steden in de jaren 1950. De soevereiniteitsoverdracht was eind december 1949. Daarmee kwam een eind aan het Nederlandse koloniale bewind in Nederlands-Indië.

Op deze foto’s is nog Nederlands erfgoed te herkennen. Zoals openbaar vervoer, koloniale gebouwen of buitenreclame. Dat maakt deze foto’s interessant. Ze laten een overgangssituatie zien. Een tussenfase. Dekolonisatie is nog in gang.

Op onderstaande foto is het iconische Hotel des Galeries te herkennen. Nederlandse en Duitse reclames zijn verdwenen. Fietsen zijn gebleven, maar de meeste Europeanen zijn uit het straatbeeld verdwenen. Er fietst op een dergelijk Nederlandse rijwiel nog een oudere witte dame in een wit broekpak. Waar gaat ze heen? Alles is in beweging.

Harrison Forman, ‘Indonesia, street scene with traffic in Jakarta‘, jaren 1950. Collectie: Harrison Forman Collection – Safety Negatives.

Nederlandse cavalerie rukt op op Lombok (1894)

Cavalerie doorwaadt tijdens de Eerste Lombokexpeditie van 1894 de Kali Djangkok naast de houten brug‘, 1894. Collectie: Koninklijk Instituut voor taal-, land- en volkenkunde (KITLV).

De Eerste Lombokexpeditie was een militair conflict tussen Bali en Lombok. Beide eilanden riepen de hulp van Nederland in. Dat koos voor Bali. Dat heeft Lombok geweten. ‘Als onderdeel van de oorlog roofde de Nederlandse overheid van de radja van Lombok, zijn overleden familieleden en vermoorde volgelingen 230 kilo goudgeld, 7199 kilo zilveren munten en ruim duizend andere kostbaarheden‘, aldus Wikipedia.

Op deze foto’s waadt de cavalerie van het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) door een rivier bij Djangkok, op de weg van havenstad Ampenan naar hoofdstad Mataram op Lombok. Links ligt een bamboebrug, maar die wordt niet gebruikt. Het kan zijn dat de brug niet stevig genoeg was of een minder martiaal plaatje opleverde voor het thuisfront.

C.J. Neeb, ‘Houten brug over de Kali Djangkok tijdens de Eerste Lombokexpeditie van 1894‘, 1894. Collectie: Koninklijk Instituut voor taal-, land- en volkenkunde (KITLV).

We weten weinig meer van de verdeel en heers politiek van het koloniale bestuur. Ook toen al noemde Nederland een oorlog een expeditie, zoals Poetin een oorlog een speciale militaire operatie noemt. Niks nieuws onder de zon.

Tempo doeloe, ofwel tijd van vroeger, die grofweg liep van 1870 tot 1914 zou een goeie ouwe tijd zijn geweest. Of dat klopt is een kwestie van perspectief.

De bruinige sepia tint van de foto’s waardoor ze beter houdbaar waren zou volgens een uitleg geassocieerd worden met veroudering en nostalgie. Klopt dat, zijn veroudering en nostalgie niet tegengesteld aan elkaar? Het eerste bevestigt wat het laatste ontkent.

Dat soort overwegingen laat onverlet dat KNIL-arts en fotograaf Chris Neeb mooie foto’s heeft gemaakt die de tijd van vroeger hebben vastgelegd. Wat we er nu ook van vinden. In 1897 gaf hij samen met luitenant Wim Asbeek Brusse het boek met foto’s ‘Naar Lombok‘ uit. Waarschijnlijk kenden beide officieren elkaar uit Palembang op Sumatra.

Keti Koti kan geen nationale feestdag zijn

Deel van columnGeen Keti Koti voor ons‘ van Ellen Deckwitz in NRC, 30 juni 2022.

De column ‘Geen Keti Koti voor ons‘ van Ellen Deckwitz benoemt vanuit familieniveau de achterstelling in Nederland van de nabestaanden van Oost-Indische slaven ten opzichte van de nabestaanden van West-Indische slaven. Dat is een structurele weeffout.

De lobby van Caraïbische Nederlanders in media, musea, universiteiten, instituten en politiek is vele malen sterker dan de lobby van de Ind(ones)ische Nederlanders. Met de Black Lives Matter beweging als rugwind hebben zwarte Nederlanders uit de Caraïben in dit debat over slavernij afgelopen jaren definitief het initiatief naar zich toegetrokken ten koste van andere groeperingen.

Vele voormalige Surinamers en Antillianen hebben belangrijke functies in de overheid. Zoals de in Suriname geboren Rabin Baldewsingh. Ze lijden aan kortzichtigheid en maken de fout de stemming van hun moederland een-op-een naar Nederland te willen vertalen.

Schermafbeelding van deel interviewBelangrijke adviseur regering: maak van Keti Koti een nationale feestdag, met de koning erbij‘ met Rabin Baldewsingh in de Volkskrant, 30 juni 2022.

In een video van het Caribisch Netwerk zegt een medewerker van het Tropenmuseum dat het Nederlands kolonialisme een ‘wereldwijd verhaal’ is. Maar in de achtergrond van de medewerkers en de inrichting van tentoonstellingen van het Tropenmuseum is dat niet terug te vinden. Het blijft bij mooie woorden die niet worden waargemaakt. Caraïbische medewerkers en thema’s domineren het debat en de beeldvorming. Is het toeval dat de artistiek directeur van de NMVW, waar het Tropenmuseum onderdeel van is, afkomstig is uit Jamaica?

Caraïbische Nederlanders haken handig aan bij een beweging die veel politieke steun krijgt, hebben een tamelijk eenduidig profiel en claimen eenzijdig het antwoord op de schuldvraag over het kolonialisme te hebben en stellen dat hun voorouders de grootste slachtoffer van het kolonialisme waren. Dat laatste is historisch onjuist, maar dat dringt in het publieke debat niet door. In musea en universiteiten komt dat geluid niet goed tot uiting. De tegenstem ontbreekt.

De opwaardering van de West en afwaardering van de Oost in de aandacht voor kolonialisme en slavernij is een structureel probleem. Vraag is of dat typisch Nederlands is of ook in voormalige koloniale machten voorkomt die zowel in de Oost en de West koloniën hadden. In februari 2021 schreef ik het onderstaande bij een bespreking van de documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’:

1) Het is onbegrijpelijk dat terwijl expliciet in de documentaire gezegd wordt dat de slavernij in de Oost omvangrijker was dan die in de West, daar in de documentaire nauwelijks iets van terug te vinden is. Was het reisbudget onvoldoende, had de producent geen Indonesische of Nederlands-Indische contacten of was deze reductie een bewuste, politieke keuze? Dat heeft als gevolg dat nu alles in een zwart-wit perspectief geplaatst wordt. Dat is echter een te grove tegenstelling. Wat resteert is een eenzijdig Caraïbisch perspectief. Maar zo was de realiteit van toen niet, en zo is de realiteit van nu niet. De grijs- en bruintinten ontbreken en zijn weggemoffeld. Ook op een andere manier ontstaat vertekening. De tragiek van de historische slavernij is ook dat de zwarte mensen geen homogene groep vormden en naast slachtoffer ook dader konden zijn. Ook die nuancering ontbreekt in de documentaire.

Het initiatief om Keti Koti als pars pro toto van de slavernij en het kolonialisme te beschouwen is onevenwichtig. Dat is neo-slavernij die nabestaanden van andere slaven achterstelt en een tweede maal koloniseert. Deze vorm van nieuwe onderschikking kan niet de opzet van een nationale feest- en herdenkingsdag van de slavernij zijn.

Het voorstel om van Keti Koti eens in de vijf jaar een nationale feestdag met een vrije dag te maken moet afgewezen worden. Het is ongepast. Het verbindt niet, maar verdeelt. Zoals de column van Ellen Deckwitz illustreert. De herdenking van de slavernij kan niet exclusief aan een doelgroep verbonden worden die zich het onderwerp toe-eigent door de voorwaarden ervan te bepalen.

Vincent van Gogh in de ‘Bataviaschen Kunstkring’ (1938)

In 1938 was er in de Bataviaschen Kunstkring een tentoonstelling met werk van Vincent van Gogh. Er heerst overigens verwarring over de naam. Die wordt ook geschreven als Bataviase, Bataviasche of Batavische Kunstkring. Tussen 1934 en 1947 werd geen spellingshervorming in Nederland ingevoerd. Uiteraard kunnen namen achteraf aangepast worden aan de dan geldende spelling.

Schermafbeelding van deel notitieInventaris van het archief van PIERRE ALEXANDRE REGNAULT en VIRGINIE (SNEL-)REGNAULT‘ van Lidy Visser voor de RKD, 2003/2011.

Hoe dit soort tentoonstellingen met ‘moderne werken‘ onder coördinatie van Jeanne de Loos in deze kunstkring in Batavia tot stand kwam vertelt een artikel uit 1976 van Annie Versprille:

Schermafbeelding van deel artikelJeanne Maria Cornelia de Loos-Haaxman; ‘s-Gravenhage 3 november 1881 – Rotterdam 1 mei 1976‘, 1976 van Annie Versprille in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1976.

Men kan zich met de strenge eisen die tegenwoordig in musea aan klimatisering worden gesteld alleen maar verbazen over het feit dat verzamelaar P.A. Regnault deze iconische werken tijdelijk uitleende aan de Bataviaschen Kunstkring. In een tropisch klimaat met hoge temperaturen en hoge luchtvochtigheid. En een niet eenvoudig transport.

Maar deze episode van Vincent van Gogh in Batavia geeft ook een verfrissend commentaar op het krampachtig omgaan van afdelingen Collectie in musea die objecten voor de eeuwigheid willen fixeren. De afweging tussen behoud en presentatie is tijdgebonden. Zo blijkt uit deze foto’s.

Maarten van der Bent, Bataviasche kunstkring, 2012. Via Wikipedia.

Zwitserse missionarissen Schweizer, Trostel, Kühnle, Röder, Weiler en Vischer in Nederlands Borneo (1933-35)

Carl Mattheus Vischer,V.l. Geschw. Schweizer, Trostel Kühnle, Röder, Weiler‘, 1933-35. Collectie: Basel Mission, International Mission Photography Archive, ca.1860-ca.1960.

Het is rond 1934 in Borneo ofwel Kalimantan. Het zuidelijke deel dat deel van Nederlands-Indië is. Waarschijnlijk is de boot aangemeerd in havenstad Banjarmasin.

Het Duitse bijschrift van de foto leest vertaald als een gedicht: ‘Van links verwanten Schweizer, Trostel, Kühnle, Röder, Weiler‘. Het klinkt Duits, maar is Zwitsers. Het betreft missionarissen met echtgenote van de Basel Mission.

Ze worden vastgelegd door de fameuze Zwitserse ziekenhuisdirecteur Carl Mattheus Vischer die ook aan de Basel Mission verbonden was. Hij zou op 20 december 1943 door de Japanners worden geëxecuteerd wegens ‘vermeende deelname aan een anti-Japans complot’. Vischer lijkt nog altijd te worden gewaardeerd door de bevolking, met zelfs een Wikipedia-pagina in het Indonesisch. Of wat daar aan herinnering nog van resteert.

Maar nu poseren de Zwitserse missionarissen met hun echtgenoten en een jonger kind nog even in de haven. Gekleed met passende outfit. Vol verwachting en goede bedoelingen. Komen ze aan na een lange reis? Om goed werk te gaan verrichten. De tropen wachten.

Ik heb een hekel aan reizen en aan ontdekkingsreizigers‘, zo luidt de eerste, vertaalde zin van een boek van etnograaf en antropoloog Claude Lévi-Strauss. Het is een reisboek en antropologisch werk met accent op Brazilië. De titel verraadt de afloop: ‘Tristes tropiques‘ ofwel ‘Het trieste der tropen‘.

Enkele zinnen uit de uitgebreide bespreking van dit boek op Wikipedia schetsen de triestheid: ‘Dit nederzettingspatroon met rangschikking van de hutten rond het mannenhuis is doorslaggevend en onmisbaar voor de ordening van het sociale stamleven. De Salesiaanse missionarissen bouwden deze structuur dan ook direct af door, om hen te bekeren, ze in evenwijdig aan elkaar opgestelde rijen behuizingen te laten wonen. Door het wegvallen van deze voor hen onmisbare structuur raakten de inheemsen al spoedig hun gevoel voor traditie kwijt.

Carl Mattheus Vischer (?),Stelzenlaufender Hausbube i. Pudjun. Uralter Brauch, nicht v. Europa übernommen. Analogie zauber z. Befördern des Wachstums der Reispflanzen, so hoch sollen sie werden.” (=Steltlopende huisjongen i. Pujun. Oude gewoonte, niet van Europa overgenomen. Analogie spreuk ter bevordering van de groei van de rijstplanten, zo hoog horen ze te zijn’. Collectie: Basel Mission International Mission Photography Archive, ca.1860-ca.1960.

Triest. Goede bedoelingen kunnen veel schade berokkenen. Het hoeft niet, maar het kan. Het is een gemengd beeld. Dat we het weten. Ach, daarom nog maar even voor de laatste keer een Zwitsers gedicht in tropisch Kalimantan: ‘Schweizer, Trostel, Kühnle, Röder, Weiler‘.

Gedachten bij een foto van Hotel des Galeries in Batavia (1932-1934)

Hotel des Saleries (wohl 1920/1930) (vielleicht in den Niederlanden)’. Collectie: Deutsche Fotothek.

Links op het reclamebord staat te lezen ‘Sterkt u met biocitin‘. De naam van het complex staat verticaal op de rechtertoren: ‘Hotel des Galeries’. Het is begrijpelijk dat de Deutsche Fotothek vermoedt dat het hier om een locatie in Nederland gaat, maar toch in verwarring wordt gebracht. Men vraagt: ‘Eine topografische Bestimmung des Aufnahmeortes war bisher nicht möglich. Wissen Sie mehr? Bitte Email an: fotothek@slub-dresden.de‘.

Welnu, het is vrij simpel voor wie de architectuur weet te plaatsen. Het gaat om het Harmonieplein in de toenmalige hoofdstad Batavia in Nederlands-Indië. De site Lost Jakarta zegt over deze luchtfoto het volgende (‘vertaald’): ‘Rechts vooraan Hotel des Galeries waar we ligstoelen op het terras op de eerste verdieping zien. Dit gebouw bestaat nog steeds gedeeltelijk, maar is helaas onherkenbaar veranderd’. In 2015 had de buitenkant van het hernoemde Hotel Melati een oranje kleurtje gekregen. Zie hier voor meer informatie over Hotel des Galeries.

Aerial view of Harmonieplein in 1935 (Batavia of ‘Lost Jakarta‘).

De site ‘Indischhistorisch.nl‘ zegt over dit hotel:’Hotel des Galeries (voorheen Wisse en Ernstbevond zich op de hoek Molenvliet/Noordwijk en was in 1930 ontworpen door het in Nederlands-Indië bekende architectenbureau A. Hulswit, Fermont & Ed. Cuypers‘. Met Eduard Cuypers als sterarchitect die met zijn architectuur in de vergetelheid zou zijn geraakt, zo beweert de monografieLandmarks from a Bygone Era‘ van Obbe H. Norbruis. De uitvoerend architect was A. Dikstaal die het hotel bouwt in een modernistische stijl. In 1932 werd het toenmalige Hotel Wisse gesloopt en vervangen door het Hotel des Galeries dat al in 1934 door de economische crisis failliet gaat.

Het zijn mijlpalen van de voorbije, goeie ouwe tijd, van tempo doeloe. Nu foto’s en herinneringen.

Gedachten bij de ‘Gerald and Rella Warner Dutch East Indies Negative Collection’ (1938)

De Amerikaanse consul in Taiwan Gerald Warner en zijn vrouw Rella hielden van 11 juni 1938 tot 27 juli 1938 vakantie in toenmalig Nederlands-Indië. Er zijn 275 fotonegatieven van deze reis bewaard gebleven waarvan 257 in Nederlands-Indië waren gemaakt. De collectie is door de familie Warner geschonken aan de Lafayette Digital Repository van Lafayette College in Easton, Pennsylvania. Het is onderdeel van een grotere East Asia Image Collection met foto’s en memorabilia van de Warners.

De beschrijving bij deze Dutch East Indies Negatives zegt: ‘De volgende thema’s komen het meest naar voren: arbeidsomstandigheden en uitrusting in havens en havens, toeristische attracties (oa Borobudur, Balinees drama en tempelarchitectuur), agrarische taferelen, dorpsleven en lokale markten. De bijschriften bij deze afbeeldingen zijn ontleend aan handgeschreven commentaren in de fotoalbums van de Warners‘.

Er is veel aandacht voor Bali. Je zou bijna oneerbiedig zeggen, een verplicht nummer. Dat is wellicht dezelfde aantrekkingskracht die Charlie Chaplin in 1932 ondervond. Hij werd verliefd op Bali en maakte samen met zijn broer Sydney filmopnamen waarin de serene levensstijl van de inwoners en de dansrituelen centraal stonden. Vele kunstenaars deelden in die jaren die fascinatie. De Warners kozen in 1938 voor hetzelfde invalshoek. Chaplins fascinatie voor Bali en die brede bekoring wordt behandeld in enkele documentaires: Trip to Bali (2003) en Chaplin à Bali (2017).

Bovenstaande foto van de kade in Soerabaja gaat vergezeld van een opmerkelijke beschrijving. Het is meer dan 80 jaar later ongemakkelijk om die te lezen, maar voor de documentatie is het essentieel omdat het goed het perspectief weergeeft waarmee de foto’s werden gemaakt. Het geeft een tweeledig beeld: Soerabaja als een geciviliseerde witte wereld waarin de Warners zich boerenkinkels voelen , maar waar men toch thuiskomt in ‘onze eigen soort beschaving’.

Beschrijving bij foto [in0028] Wharf. Soerabaja, juli 1938. Gerald and Rella Warner Dutch East Indies Negative Collection.

Gedachte bij foto’s ‘Dutch refugees arrive in Los Angeles, 1957’

Wesselmann, Dutch refugees arrive in Los Angeles, 1957. Gepubliceerd in de Los Angeles Examiner. Collectie: University of Southern California.

De beschrijving van deze twee foto’s in de collectie van de University of Southern California is te interessant om niet volledig weer te geven: ‘Dutch refugees arrive in Los Angeles, 6 February 1957. General view of part of 80 refugees arrival in Los Angeles; Jacoba Dekrieger; Janna Dekrieger; Albertus Dekrieger.; Caption slip reads: “Photographer: Wesselmann. Date: 1957-02-06. Reporter: Decker. Assignment: Dutch refugees arrive in LA. 1: One of the Dutch families that arrived in L.A. this a.m. via Sante Fe’s El Capitan: L to R: The DeKrieger family, Sebus (mother), Janna, Albertus and Jacoba and Hendrick, husband and father. 2: General view of part of the 80 persons who arrived on the same train“. 

Wesselmann, Dutch refugees arrive in Los Angeles, 1957. Gepubliceerd in de Los Angeles Examiner. Collectie: University of Southern California.

Of de familie De Krieger degene is die in een genealogische pagina wordt beschreven is onduidelijk. Het betreft Jan Hendrik Willem de Krieger die in 1912 in Vlaardingen en zijn echtgenote Jacoba Sebus die in 1918 in Dordrecht werd geboren. Volgens het stadsarchief Rotterdam werd hij in 1927 op het opleidingsschip Nederlanden geplaatst, zodat het kan dat hij in de Nederlandse marine werd ingelijfd. Ze trouwden in 1937 in Dordrecht. Maar ze hebben niet 1, maar 3 kinderen. Dat Jacoba Sebus overleed in het Californische Pasadena in 2006 past in het plaatje. De beschrijving is wat verbasterd.

Wat kunnen in 1957 Nederlandse vluchtelingen zijn die via de trein uit Santa Fe, New Mexico in California terechtkomen? De Nederlandse regering had in die jaren een politiek om repatrianten uit voormalig Nederlands-Indië naar derde landen te laten emigreren. In een tweede golf vertrokken tijdens de jaren 1950-1957 ambtenaren, ordehandhavers en defensiepersoneel naar Nederland.

De man die Jan Hendrik Willem de Krieger kan zijn heeft een label van de CWS op zijn jas. Dat is de kerkelijk humanitaire Church World Service die vluchtelingen hielp. De Nederlandse overheid had in die jaren een samenwerking met de CWS met betrekking tot de uitvoering van de Pastore-Walter Act die in 1958 werd aangenomen. In de jaren daaraan voorafgaand pleitte de Democratische vertegenwoordiger Francis E. Walter voor verruiming van de emigratienormen uit Azië. In 1952 werd de McCarran-Walter Act aangenomen die dat tegen de zin in van president Truman mogelijk maakte.

Saillant is wat Wikipedia zegt over dat Amerikaanse toelatingsbeleid: ‘Men hoopte echter dat slechts 10% van deze Nederlandse vluchtelingen daadwerkelijk raciaal gemengde Indo’s zou zijn en de Amerikaanse ambassade in Den Haag was gefrustreerd over het feit dat Canada, dat strenger was in etnisch profileren, de volbloed Nederlanders kreeg en de VS de Nederlanders die “allemaal nogal zwaar donker” waren. Aan dit tafereel op het station in Los Angeles in 1957 valt dat niet af te lezen.

Gedachte bij foto ‘Dutch Airplane disaster. Dec. 1934’

Dutch Airplane disaster. Dec. 1934‘. Collectie: Library of Congress.

Op donderdag 20 december 1934 stortte de Uiver neer in West-Irak, bij toen Rutbah Wells genoemd, nu Ar-Rutbah, in een vlucht van Amsterdam naar Batavia. Op een extra kerstpostvlucht. Deze Douglas DC-2 was een toestel in dienst van de KLM. De trots van Nederland.

Luchtvaartsite ‘aviation-safety.net‘ geeft de details over de ramp. Oorzaak was waarschijnlijk, de ‘zeer ongunstige weersomstandigheden’ en de minder gunstige vliegeigenschappen bij snel afwisselende luchtstromingen (‘remous’) of turbulentie in combinatie met de vermoeidheid van de vlieger. De oorzaak is echter nooit definitief vastgesteld.

De zeven inzittenden kwamen om het leven, inclusief de vier bemanningsleden. De man in pilotenkostuum die zich in onderstaande foto voor de Uiver posteert behoort dus niet tot de bemanning. Hij is in zekere zin een ramptoerist. Hij staat achter de rechtervleugel bij de staart, terwijl op de bovenste foto’s een blik vanaf de kop naar de rechtervleugel wordt gegeven.

accident date: 20-12-1934 type: Douglas DC-2-115A registration: PH-AJU. Credits: © Robert Perry

Een vliegtuigramp over land kent een zekere wetmatigheid: storing, neerstorten, brokstukken en opruiming. De reactie erop kent ook vaste gebruiken: schrik, ongeloof, berusting en onderzoek naar de oorzaak. Of het nou de MH17 of de Uiver is.

Uit een andere foto die van de linkervoorkant is genomen blijkt nog wat anders. Namelijk dat de Uiver weinig om het lijf had en niet veel meer was dan wat latten en huid. Onvergelijkbaar met hedendaagse vliegtuigen. Dat maakt de prestatie en het respect voor de luchtmachtpioniers die hun leven waagden in deze gammele kisten er eerder groter dan kleiner op. Soms ging het echter mis.