George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Stadspromotie

Pleidooi voor museum in Maliebaan 42 te Utrecht. Kiest politiek voor concentratie of fragmentatie van culturele instellingen?

with 7 comments

Mijn gedachten als inwoner van Utrecht gaan over het cultuurbeleid en de culturele infrastructuur van het gemeentebestuur van Utrecht. Dit naar aanleiding van een oproep op DUIC om het pand Maliebaan 42 dat eigendom van de gemeente is niet te verkopen, maar een culturele bestemming te geven. Zoals de gemeente in 1951 in een vastgelegde afspraak trouwens heeft beloofd en nu lijkt te zijn vergeten. Ik ken Maliebaan 42 nog als dependance van het Centraal Museum met de Lion Cachet kamer waar middelgrote, vooral educatieve tentoonstellingen voor scholen werden ingericht. Utrecht is een stad waarvan het bestuur groot denken met klein handelen combineert. Het bestuur denkt dat de stad met 350.000 inwoners groot genoeg is om culturele instellingen door de stad heen te verspreiden. Ik denk daar anders over. Mijn reactie op DUIC:

Goed idee. Maliebaan 42 was voordat de Kunstuitleen er intrek nam een depandance van het Centraal Museum. Met spraakmakende tentoonstellingen van toenmalig conservator Hans Taets van Amerongen die zich er helemaal in zijn element voelde. Met een doos met zilver in zijn handen kleurde hij het gebouw in. Dat was de tijd dat een voorloper van Downton Abbey op de televisie werd vertoond: Upstairs, Downstairs met de familie Bellamy.

Zoals uit een eerder artikel van Arjan den Boer uit 2015 op DUIC blijkt is het nog maar helemaal de vraag of de gemeente Utrecht Maliebaan 42 zomaar kan verkopen op de commerciële markt. Want de familie Fentener van Vlissingen bood het de gemeente aan als afscheidscadeau ‘voor culturele doeleinden’. De gemeente accepteerde het in 1951 en een en ander werd notarieel vastgelegd.

Maliebaan 42 is dus geoormerkt en het is de vraag wat zwaarder weegt: een officieel vastgelegde afspraak uit 1951 tussen gemeente Utrecht en de familie Fentener van Vlissingen of de waan van de dag van nu. Het is hoe dan ook merkwaardig dat het huidige gemeentebestuur geen historisch geheugen heeft en meent voorbij te kunnen gaan aan bestaande afspraken.

Kortom, het is schrijnend dat ‘prominente Utrechters’ de gemeente Utrecht moeten wijzen op de culturele bestemming die op Maliebaan 42 rust en het gemeentebestuur dat niet zelf beseft. Of net doet alsof het dat niet beseft.

Burgers moeten zich houden aan afspraken die het met het openbaar bestuur maakt. Evenzo moet het openbaar bestuur zich houden aan afspraken die het met de burgers maakt. De integriteit van de gemeente Utrecht is hier aan de orde. Of liever gezegd, de inspanning die het gemeentebestuur zich wil getroosten om zich daaraan te houden.

Deze kwestie staat niet op zichzelf. Het huidige gemeentebestuur is terughoudend met initiatieven om eraan mee te werken om bestaande gebouwen een culturele bestemming te geven. Zo lijkt het plan om filmtheater ’t Hoogt te huisvesten in de wat architectuur, grootte en omgeving betreft perfect passende City-bioscoop aan de Voorstraat kansloos door gebrek aan medewerking van het gemeentebestuur.

Het gemeentebestuur zet in op het combineren van stadsontwikkeling en culturele bestemming. Dat houdt in dat culturele organisaties instrumenteel worden gemaakt om een buurt te helpen ontwikkelen. Zoals het gebied rond de Metaal Kathedraal in De Meern of een gebied bij de Croeselaan waar een kunsthal moet komen. De economisering van de politiek is hierbij leidend voor het gemeentebestuur. Het houdt van grootse ingrepen in de stedelijke infrastructuur en afgeronde projecten, maar niet van verplichtingen en losse eindjes.

Een en ander heeft echter als gevolg dat het culturele belang van de binnenstad afneemt en er diverse kernen ontstaan die eraan mee moeten helpen om de stad te ontwikkelen. Dat zijn geen van onderop ontstane initiatieven die organisch groeien, maar door de gemeente gestuurde en ‘overgenomen’ projecten. Die sturing van de gemeente die kunst inzet voor stadsontwikkeling loopt niet in alle gevallen synchroon met de behoeften en de belangen van de culturele instellingen zelf. De gemeenteraad gaat daar te lichtvaardig mee om.

Culturele instellingen moeten het hebben van kruisbestuiving met elkaar en met de samenleving. Als een Centrum voor Film- en Beeldcultuur, zoals het voorgenomen profiel is van filmtheater ’t Hoogt, straks aan de rand van de stad wordt gehuisvest, dan wijst dat op twee ontwikkelingen. In de binnenstad verdwijnt opnieuw een culturele instelling zodat het soortgelijk cultureel gewicht van de binnenstad afneemt. En zo’n instelling aan de marge kan niet optimaal profiteren van de samenwerking en wisselwerking met de grote Utrechtse culturele instellingen Muziektheater – Stadsschouwburg – Centraal Museum, en de publieksstromen die dat opleveren.

Bouwen in de binnenstad of aan de randen van de binnenstad is in Utrecht duur. Bouwen van culturele instellingen aan de rafelranden is goedkoper, maar bergt een gevaar in zich. Het kan leiden tot fragmentarisering van het culturele aanbod. Zodat culturele instellingen elkaar niet langer kunnen versterken. En de marketing (stadspromotie) voor een onmogelijke taak staat om het hele mozaïek eenduidig te benaderen en het publieksbereik afneemt doordat er in Utrecht geen kritische massa is van culturele instellingen die elkaar versterken. Er is dan geen Utrechts kunstklimaat meer, maar diverse kunstklimaatjes die nog slechts los met elkaar samenhangen. De kunst wordt zo verbuurt, ondergeschikt gemaakt aan stadsontwikkeling en kan geen eigen smoel meer tonen.

Maliebaan 42 kent dus meerdere invalshoeken. Naast de afspraak uit 1951 van een culturele bestemming dat een private partij aan de gemeente schonk die het huidige gemeentebestuur eenzijdig en onrechtmatig dreigt op te zeggen, is er het bredere belang van de meest verstandige inrichting en diversificatie van de culturele infrastructuur. Aansluiting bij stadsontwikkeling en samenwerking met projectontwikkelaars lijkt voor de korte termijn een aantrekkelijke optie in het ontwikkelingen en herplaatsen van culturele instellingen, maar kan voor de lange termijn een valkuil en een afdwaling van de rechte weg zijn. De vraag is of Utrecht groot genoeg is om het culturele aanbod te versnipperen, en daar zelfs actief beleid op te voeren. De vraag stellen is de vraag beantwoorden.

Als de Utrechtse gemeenteraad dat bredere debat over de culturele infrastructuur dat verder gaat dan het voorop zetten van budgettaire randvoorwaarden maar voert en goed beseft dat op termijn goedkoop kan verkeren in duurkoop. Dan kan de raad tevens laten zien dat het meer historisch geheugen heeft dan het huidige gemeentebestuur.

Foto: Schermafbeelding van artikelProminente Utrechters willen museum in Fentener van Vlissingenhuis’ op DUIC, 10 februari 2018.

Advertenties

Klopt claim dat kunst sociale cohesie in probleemwijken vergroot?

leave a comment »

Een interessant bericht op Buurt en Regio over kunst en cultuur die de sociale cohesie in probleemwijken (‘aandachtswijken’) zou vergroten. Kunst en cultuur wordt er door een Arnhemse ‘cultuurmakelaar’ als succesvol sociaal bindmiddel voorgesteld. Dat roept twee vragen op. Klopt de claim dat kunst de sociale cohesie in probleemwijken vergroot en wat is de onderbouwing daarvan? En wat betekent dat voor de functie van kunst en de kunstenaar als ze door de (lokale) overheid een sociale rol worden opgelegd?

Onderbouwing door harde cijfers zoals die blijken uit onderzoek wordt in het bericht niet gegeven. Het blijft bij aannames en impressies die maar niet concreet willen worden, zoals ‘een sterkere relatie met de wijkbewoners’, ‘er wordt hard aan gewerkt’, ‘er zijn (..) veel positieve ervaringen’ of ‘een hele leuke activiteit met elkaar doen die positieve energie kan geven’.  ‘Cultuurmakelaar’ en dramadocente Mieke Hendrikse wijst op succesvolle incidentele projecten, zoals een stage van scholieren bij een creatief ondernemer, het theaterproject ‘Open Deuren’ uit 2003 of een bus vol wijkbewoners uit Klarendal die het Kröller-Müllermuseum bezochten. Maar wat dat zegt over de stelselmatige vergroting van de sociale cohesie over een periode van 15 jaar maakt het bericht niet duidelijk. Niet te controleren valt hoe representatief deze voorbeelden zijn en welk blijvend effect ze hebben gehad voor de sociale cohesie in de probleemwijken. Op maatregelen die averechts werken en die de sociale cohesie doen afnemen wordt al helemaal niet gewezen.

Zoals de naam al zegt is het begrijpelijk dat een ‘cultuurmakelaar’ zich bezighoudt met cultuur. De verzamelterm cultuur kan op vele manieren opgevat worden. Het heeft overeenkomsten met kunst, maar ook verschillen. Want anders zou het onderscheid tussen kunst en cultuur niet gemaakt worden en zou de ‘cultuurmakelaar’ wel ‘kunstmakelaar’ heten. Cultuur is de verzameling leefwijzen, gedragskenmerken, gewoonten en gebruiken, normen en waarden van mensen in een samenleving. Kunst of een kunstuiting is daar een klein onderdeel van. Genoemde ‘cultuurmakelaar’ Mieke Hendrikse zet in opdracht van het openbaar bestuur kunst in als een sociaal instrument voor cohesie. Een ‘cultuurmakelaar’ gaat het niet in de eerste plaats om de kunst of de kunstenaar, maar om het middel, het instrument dat kunst is. De ‘cultuurmakelaar’ is een tussenpersoon, geen promotor van kunst, maar van een doel dat met kunst bereikt moet worden.

Opvallend aan het bericht is de overlap tussen probleemwijken, bewoners of sociaal achtergestelden uit die wijken en cultuureducatie in het lager en middelbaar onderwijs. Het loopt door elkaar heen en dat biedt weinig vertrouwen in een stelselmatige aanpak. Zelfs de kerndoelen van het vak CKV in het basisonderwijs lopen niet gelijk op met wat de ‘cultuurmakelaar’ beoogt met het vergroten van de sociale cohesie. Hoewel er wel raakvlakken zijn, zoals kunstzinnige oriëntatie en het in aanraking komen met culturele aspecten in de eigen leefwereld van de scholieren. Wat vooral blijft hangen na lezing van dit bericht over sociale cohesie in Arnhemse probleemwijken is de vraag of autonome kunst en instrumentele kunst elkaar in de weg zitten. Met als tussenpersoon de’ cultuurmakelaar’ die heen en weer schakelt en het onverenigbare probeert te verenigen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelCity na’ van Simon Trommel in Buurt en Regio, 26 juni 2017.

Waarom doet gemeentebestuur Utrecht weinig tegen verrommeling van binnenstad en omringende wijken? GroenLinks heeft kritiek

with 3 comments

Een artikel in DUIC (De Utrechtse Internet Courant) over fietsen in stegen in de Utrechtse binnenstad. Een raadslid van GroenLinks heeft er kritiek op. Terechte kritiek. Het gemeentebestuur treedt onvoldoende op en neemt weinig initiatieven. Waarom dat zo is kan men zich afvragen voor wie de chaos en de drukte ziet toenemen. Mijn reactie, ook als inwoner van de Utrechtse wijk Wittevrouwen die aan de binnenstad grenst:

De binnenstad en omringende wijken als Wittevrouwen slippen dicht met geparkeerde fietsen. Er is soms geen doorkomen meer aan. Een gigantische verandering met nog niet eens zolang geleden. Daarnaast is het aantal terrassen van café’s, restaurants en koffietentjes exponentieel gegroeid de afgelopen jaren. Ook dat belemmert vaak een vrije doorgang. De stad verrommelt voorbij een kritische grens.

Voeg daarbij het groeiend aantal toeristen dat aangetrokken wordt door de etages en woningen die aan de woningvoorraad onttrokken worden en omgekat worden voor verhuur via Airbnb. Ook dat zet in hoog tempo oude vanzelfsprekendheden bij het oud vuil. Residentiële buurten buiten de binnenstad beginnen steeds meer op de binnenstad te lijken. Onderscheid in functies vervaagt.

Kortom, de toenemende druk op de binnenstad en de omringende wijken is een veelgelaagd en complex probleem. Het gaat mis omdat delen van de publieke ruimte geprivatiseerd worden zonder dat dit ten volle beseft wordt. Of wat erger is: oogluikend wordt toegestaan. Zonder dat het gemeentebestuur er een overtuigende visie op ontwikkelt, laat staan doelmatig en krachtig optreedt tegen de uitwassen ervan.

Het gemeentebestuur laat de bewoners van de binnenstad en omringende wijken in de steek. Het college laat feitelijk ook de toeristen die aangetrokken worden door Utrecht als compacte en rustige stad in de steek. Ze vinden immers niet meer wat hun voorgespiegeld wordt.

Door het gebrek aan regie van het gemeentebestuur kiest Utrecht niet voor kwaliteit, maar voor kwantiteit. De indruk ontstaat dat het gemeentebestuur niet kiest -of door een principiële keuze uit de weg te gaan- voor ‘less is more’, maar voor ‘more is less’.

Nodig is een besef van urgentie bij gemeentebestuur en oppositie. Dat ontbreekt op dit moment. Ook is het mogelijk dat het besef zich niet vertaalt in een goed inhoudelijk debat. Nodig is een besef bij de politiek dat een integrale aanpak nodig is omdat mobiliteit, bereikbaarheid, toerisme, universiteit, evenementen, detailhandel, stadspromotie en welzijn van de Utrechters nauw met elkaar samenhangen. Het aanpakken van een deelprobleem is onvoldoende. Het gemeentebestuur kan niet langer volstaan prat te gaan op de eigen promotiepraatjes over het bouwen van de grootste fietsenstalling ter wereld. Dat gaat voorbij aan de noodzaak van een integrale aanpak.

Het gemeentebestuur moet leren hoe het niet moet door naar Amsterdam te kijken. Of andere steden als Venetië waar de druk van toerisme, horeca en bewoners tot onleefbaarheid leidt. Moet het in Utrecht zover komen als in Amsterdam waar bewoners dreigen de rolkoffers van de Airbnb-toeristen in de gracht te kieperen? Omdat ze het zat zijn dat anderen profiteren en zij de lasten dragen. Sommige Amsterdammers beginnen zich een vreemde in eigen stad te voelen. Laat dat een waarschuwing zijn voor het Utrechtse gemeentebestuur.

Zover moet het in Utrecht niet komen. Buiten het hoogseizoen en door de week is Utrecht nog steeds een aangename stad. Maar die momenten worden spaarzamer. Het hoogseizoen wordt langer en het weekend wordt opgerekt door de sectoren die daar belang bij hebben en begint steeds eerder.

De groei van het toerisme moet afgeremd worden. De groei van de horeca moet afgeremd worden. De groei van Airbnb op buurtniveau moet afgeremd worden, Door een veel en veel strengere handhaving dan nu moeten de binnenstad en de omringende wijken weer beter begaanbaar en visueel aantrekkelijker worden. De apathie van de gemeente is storend. GroenLinks wees er onlangs op in raadsvragen. Dat is een begin van nadenken over de toekomst van de Utrechtse binnenstad en de omringende wijken. Maar er is veel meer nodig.

Het Utrechtse gemeentebestuur van D66, GroenLinks, VVD en SP kan veel krachtdadiger optreden in het beschermen van de publieke ruimte dan dat het op dit moment doet. Het is mogelijk dat dat gebrek aan krachtdadigheid komt door verdeeldheid of uiteenlopende belangen tussen partijen (VVD-D66 tegenover GroenLinks-SP?), maar het gemeentebestuur moet beseffen dat het op dit moment te weinig doet om de binnenstad en de omringende wijken voor de eigen bevolking te behouden.

Politiek is machtsdeling door het afwegen en vertegenwoordigen van belangen. Als steeds meer bewoners vinden dat lokale politici die afweging slecht maken en bepaalde belangen te veel of andere te weinig behartigen, dan is dat schadelijk voor het vertrouwen in de lokale politiek.

Om geloofwaardig te zijn moet politiek evenwichtig, eerlijk, open en krachtig optreden. Als het dat niet doet dan ontstaat het idee dat een gemeentebestuur door teveel op de handen te blijven zitten belangen dient waarover het geen verantwoording kan en wil afleggen. Zodat dat in de plaats komt van een inhoudelijk debat.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelGroenLinks: ‘Maak steegjes TivoliVredenburg levendig’’ in DUIC, 19 juni 2017.

Utrechtse Vredenburgplein: plek voor kunst. Succesvol project in de openbare ruimte?

with 3 comments

In een brief aan de Utrechtse raad informeert wethouder Victor Everhardt (D66) ‘over de voortgang van het traject ‘Kunst op het Vredenburgplein’ en de herinrichting van het plein’. Vijf kunstenaars zijn geselecteerd ‘door de kunstadviseurs van het Artistieke Team in samenwerking met een kunstbegeleidingsgroep (bewoners, (markt)ondernemers en andere gebruikers)’. Het zijn Krijn de Koning (Nederland, 1963), Jennifer Tee (Nederland, 1973), Inti Hernandez (Cuba, 1976), Lucas Lenglet (Nederland, 1972) en Jon Rafman (Canada, 1981). Everhardt is verantwoordelijk voor het stationsgebied en niet voor cultuur. Cultuurwethouder is Kees Diepeveen (GL). In het verlengde hiervan is de gemeente een publieksactie begonnen om dit project onder de aandacht te brengen. Ook niet-Utrechters met een email adres kunnen tot 19 juni een stem uitbrengen.

Kunst in de openbare ruimte is door de uiteenlopende belangen vaak een ongelukkige combinatie. Dat vertaalt zich in een stroperige besluitvorming met een groot aantal betrokkenen met uiteenlopende belangen. Dat maakt het in Nederland bijna onmogelijk om er een succes van te maken. Vaak wordt niet het artistiek beste project gekozen. En dit staat nog los van de voorselectie door een projectgroep waar economische, ruimtelijke en politieke belangen moeten worden afgewogen zonder dat dit in de openbaarheid komt.

Ook het Vredenburgplein als ‘Plek voor Kunst’ is een weerbarstig project. De aap komt uit de mouw in de randvoorwaarden die Everhardt in zijn brief schetst: ‘De opdrachtomschrijving (..) is afgestemd op de diverse randvoorwaarden die op het plein van toepassing zijn zoals het tijdig kunnen realiseren van 65 standplaatsen, 14 bomen en voldoende zitgelegenheid. Hierover zijn ook afspraken gemaakt met de markt, initiatiefnemers, ondernemers en aanwonenden.’ De kunstenaars zijn met deze opdracht aan handen en voeten gebonden en kunnen niet ‘royaal’ uitpakken. Door de randvoorwaarden wordt het kunstwerk bij voorbaat ingeperkt. Vooral in volume. Niet dat kunstenaars die in de openbare ruimte werken dit niet gewend zijn, maar als voorwaarden te beperkend zijn verschuift de aandacht naar de vraag welke belangen ermee gediend worden. Een en ander roept vooral de vraag op waarom niet voor een plek in het centrum van Utrecht is gekozen waar voorwaarden minder beperkend zijn en de kunstenaars beter kunnen uitpakken. Met een beter kunstwerk tot gevolg.

Daarbij komt dat op de ruimtelijk denkende Krijn de Koning na de geselecteerde kunstenaars als een vorm van micky mousing kiezen voor het vanzelfsprekende en dat herhalen. Ze verliezen zich in sociaal gerichte kunst die onnodig fragmenteert op een toch al zo lastig plein. Ze voegen geen extra dimensie (beeldbepalend, herkenbaarheid, architectonische stevigheid) toe aan de plek of durven daar haaks op te staan, maar herhalen wat het al is: een ontmoetingsplek. Daardoor verzuipt hun kunst in de plek tussen de bouwvolumes. De Koning valt te prijzen omdat hij er als enige naar streeft om een beeldend werk te maken dat de functie van de plek niet herhaalt, maar overstijgt. Maar ook hij heeft het te stellen met beperkende randvoorwaarden.

Stemmen kan hier tot en met 18 juni 2017.

Utrecht loopt warm voor de start van de Tour de France

with 3 comments

Utrecht heeft geelzucht. Deze van oorsprong katholieke stad wordt door gemeente en winkeliers aangekleed met verwijzingen naar het wielrennen. Utrecht trekt een Franse wielerjas aan. De Domstad loop warm voor de start van de Tour de France op 4 juli. In goed Utrechts ‘Le Grand Départ’ genoemd. Er worden 600.000 tot 800.000 bezoekers verwacht. Maar misschien komen er wel 1 miljoen belangstellenden op het evenement af. Wie zal het zeggen? Kan een stad van 335.000 inwoners dat aan? Omdat ik in Utrecht dicht langs de route van de proloog woon moet ik me beraden. Over het in huis halen van boodschappen, over het een weg vinden in de drukke stad en over de vraag of ik live of op de televisie ga kijken. Of niet ga kijken. Ik ben er nog niet uit.

11058742_864217937039887_7049531070338687498_n

Foto: Utrecht met versierde bomen in de bolletjestrui. Credits: Lydia van Oosten.

Op stap met Marketing Groningen: Hendrik Werkman

with one comment

In Groningen heeft Marketing Groningen een wandeling van zes kilometer uitgezet door het leven van de dode drukker en kunstenaar Hendrik Werkman (1882-1945). De bedoeling is dat het leven van Werkman nog beter bekeken kan worden door deze wandeling. Stadspromotie -of: citymarketing- van dode kunstenaars is iets waar levende kunstenaars alleen maar jaloers op kunnen zijn. Een afgerond verleden sluit zo goed als uit dat stadsmarketing voor onaangename verrassingen komt te staan. Daarom leeft stadspromotie bij dode kunstenaars. In hun nieuwe leven na de dood. Voor het heil van stad en land.

Written by George Knight

24 mei 2015 at 18:05

Nieuw inzicht: Cultuurbeleid draait om cultuur. In Vishallen wordt de vis goedkoop betaald

leave a comment »

unnamed

Twee berichten die niets met elkaar te maken lijken te hebben, worden hier in een kader gezet. Afgelopen donderdag 5 maart 2015 presenteerde de WRR verkenning 30: Cultuur herwaarderen van Erik Schrijvers, Anne-Greet Keizer en Godfried Engbersen. De opzienbare conclusie is dat de ‘wrr-verkenning bepleit een herwaardering van het ‘culturele’ binnen het cultuurbeleid.’ Dus niet de sociale en economische effecten van cultuur geeft de waarde van cultuur aan, maar de waarde van cultuur is gelegen in cultuur. Een terechte, maar in wezen schandalige conclusie die aangeeft dat het cultuurbeleid de afgelopen jaren behoorlijk uit de koers is geraakt. Van het padje zelfs. En voor allerlei karretjes gespannen is, maar niet voor dat van de cultuur zelf.

De conclusie dat cultuur om cultuur draait is van het kaliber dat de waarde van de zorg in zorg ligt, de waarde van sport in sport, de waarde van defensie in defensie of de waarde van de slager in vlees. Generaties politici die met hun pseudo-intellectuele timmerdoos hun hobbyisme botvierden met praatjes over emancipatie, allochtonen, stadspromotie, stadsvernieuwing, creatieve klassen of andere afgeleiden van cultuur zouden het schaamrood op hun kaken moeten krijgen. Als ze al tot zelfinzicht te brengen zijn. Gelukkig is een kenmerk van de Nederlandse politiek dat partijen het geheugen van een muis hebben en liefst tezamen met z’n allen door de wind gaan om fouten uit het verleden zo snel mogelijk te vergeten. Zonder nog ooit achterom te kijken. Zonder verwondering over de ooit ingenomen standpunten of de aangebrachte schade aan de cultuur.

Het gevaar van de verkenning is levensgroot en kan anders uitpakken dan bedoeld. Nederlandse politici geven persoonlijk doorgaans geen snars om cultuur zodat bij de pacificatie van hun programmatische strijdpunten over cultuur hun interesse ervoor tot het nulpunt zal dalen. Want als partijen elkaar over cultuur geen vliegen meer af kunnen vangen ontbreekt de noodzaak om er ter onderscheid nog politieke strijd over te voeren. Hoe averechts dat in het verleden ook uitpakte, maar wel investeringen in cultuur opleverde. Nu de verheffing van het volk zo goed als voltooid is, ontbreekt de noodzaak om overheidssubsidie in kunst en cultuur te stoppen.

Hoe de cultuursector in de praktijk werkt maakt een vacature van kunstenaarsvereniging De Vishal in Haarlem inzichtelijk. Het zoekt een Artistiek Coördinator die voor een vergoeding van € 12.500 per jaar ongeveer tien tentoonstellingen moet organiseren, vormgeven en uitvoeren; een tentoonstellingscommissie moet voorzitten; atelierbezoeken moet afleggen; dient te netwerken; dient te inspireren, begeleiden en binden; externe contacten dient te onderhouden; als ‘gastvrouw (!) bij openingen moet optreden en ook met het bestuur moet samenwerken. Een van de eisen is om De Vishal naar een hoger plan te tillen. Geen gebrek aan pretenties.

Maar wel aan middelen. De scheefgroei tussen schijn en wezen van het cultuurbeleid symboliseert de realiteit van de cultuursector. En leidt tot nederigheid. Dan past zwijgen. Of: wacht opstand. De vacature van De Vishal en al die andere Vishallen om voor een vergoeding van € 12.500 per jaar een hooggekwalificeerd medewerker te eisen die dag en nacht klaarstaat symboliseert het bedrijfsmodel van een sector die in de politieke prioriteit eenzaam onderaan de lijst bungelt. En ook elders onvoldoende steun krijgt. Zolang de cultuursector op deze afhankelijke manier blijft opereren ondermijnt het de eigen geloofwaardigheid. Cultuur draait om cultuur.

Foto: Pieter Claesz., Stilleven met vis, 1647. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.