Kunsthal De Zon is perfect voor een verdieping in Magazijn De Zon aan de Utrechtse stadhuisbrug

Magazijn De Zon in Utrecht. Credits: A.G. den Boer

Het gaat niet goed met de Nederlandse vastgoedmarkt. Investeringen in vastgoed blijven dalen. De sterkste prijsdaling vindt plaats bij kantoren, logistiek en – zij het in mindere mate – woningen, aldus CBRE Nederland in een analyse van 19 januari 2023. 

De haperende vastgoedmarkt opent perspectieven voor kunstinitiatieven. Wat voorheen onbetaalbaar was komt geleidelijk binnen bereik van kunstinstellingen.  De stokkende investeringen verklaren wellicht de oproep van de gemeente Utrecht en CBRE Nederland om een maatschappelijke functie aan Magazijn De Zon te geven. Ofwel, dat geeft (vastgoed)wethouder Dennis de Vries de ruimte om dit initiatief te nemen. 

Het is een prima initiatief van het gemeentebestuur om iconische gebouwen voor de bewoners te behouden en ze niet te verkopen aan particuliere partijen. Het voormalige postkantoor aan de Neude waar nu de gemeentebibliotheek is gevestigd is zo’n bestemming om als inwoner van Utrecht trots op te zijn. Dat kan met Magazijn De Zon herhaald worden. Ik vermoed dat dat ook de opzet van het gemeentebestuur is. 

Het pleidooi van Jeroen Wielaert in de NUK voor een museum UMAK is lovenswaardig, maar ook verwarrend. Een museum heeft functies (collectievorming, registratie, documentatie, wetenschappelijk onderzoek) die hier niet aan de orde zijn. Daarom is het beter om te spreken over een Kunsthal. Dat is een gebouw of ruimte waarin een niet-commerciële instelling kunstexposities organiseert. Laten we het Kunsthal De Zon noemen. 

Een Kunsthal geeft meer flexibiliteit dan een museum. Het is ook gezien de kosten beter om geen zware organisatie op te tuigen. Te denken valt aan een Stichting die bij toerbeurt kunstinstellingen de ruimte geeft om exposities te organiseren. Kunstliefde met de projectorganisatie Utrecht Down Under kan daar dan ook aan deelnemen. Ook de Salon van Utrechtse kunstenaars waarvan vier edities door het Centraal Museum en in 2008 een 5e editie door Robbert Roos werden georganiseerd zou weer nieuw leven ingeblazen kunnen worden in Kunsthal De Zon. 

Kunstinstellingen die exposities tonen in Kunsthal De Zon hoeven niet per se uit Utrecht te komen. Utrecht is in Nederland een gewilde, centrale plaats waar exposities ondergebracht kunnen worden die bezoekers uit het hele land kunnen trekken.

Een verdieping van Magazijn De Zon is 2.500 m2 vloeroppervlak. Of 1.350 m2 verhuurbaar vloeroppervlakte. Dat lijkt een gepaste grootte voor een Kunsthal. De huurprijs voor zo’n verdieping komt op zo’n 300.000 euro per jaar. De begane grond is fiks duurder met 585.000 euro per jaar.

Het is gewenst dat de Stichting een profiel voor Kunsthal De Zon ontwerpt waar exposities aan hebben te voldoen. Te denken valt aan een accent op experimentele kunst. Dat heeft als voordeel dat het minder concurreert met galeries, een ruimte biedt op een centrale plek in het land die redelijk uniek is en commerciële tentoonstellingsbedrijven met de wereld rondreizende tentoonstellingen buiten de deur houdt.

Waarom zou de jaarlijks door het Mondriaan Fonds in de marge van Art Rotterdam georganiseerde presentatie ‘Prospects’ die zich richt op beginnende kunstenaars niet naar Utrecht kunnen verhuizen? Of een versie ervan. Laat die ambitie het streven zijn. 

Volgens het nieuwsbericht van de gemeente Utrecht is vastgoedadviseur CBRE namens de gemeente op zoek naar een financieel dragende of kapitaalkrachtige huurder. Ontbrekende financiën zijn doorgaans de flessenhals van kunstprojecten. Kunst- en vermogensfondsen zouden structurele ondersteuning kunnen geven zodat de Stichting financiële zekerheid heeft.

Zoals het Centraal Museum steun van de Hartwig Art Foundation heeft om jaarlijks twee tentoonstellingen in Landhuis Oud Amelisweerd te tonen. Zo’n partnerproject tussen kunstfondsen en kunstinstellingen zou een prima model voor Kunsthal De Zon kunnen zijn. Waarbij het voordeel kan zijn dat de Stichting bij meerdere ondersteuners niet geassocieerd kan worden met een fonds en flexibel is.

Het is kort dag want huurders moeten zich voor 13 februari 2023 melden bij de gemeente Utrecht. Dat is te snel om een Stichting op te richten, maar waarschijnlijk voldoende om het initiatief voor Kunsthal De Zon dat een verdieping van 1.350 m2 wil huren in Magazijn De Zon kenbaar te maken bij gemeente en CBRE. Dit initiatief past immers goed binnen de opzet van het gemeentebestuur. Het geeft Utrecht een prestigieuze Kunsthal die het Utrechtse kunstklimaat kan verdiepen en verbreden. 

Het is belangrijk dat dit initiatief gedragen wordt door Utrechtse en landelijke kunstinstellingen, en Utrechtse en landelijke kunst- en vermogensfondsen. Als enkelen daarvan, zoals het K.F. Hein Fonds, het Fentener van Vlissingen Fonds, het Carel Nengerman Fonds, het Elise Mathilde Fonds, het Prins Bernhard Cultuurfonds Utrecht en het VSBfonds de komende maanden publiekelijk verklaren om Kunsthal De Zon te steunen, dan kan een projectcommissie de details uitwerken, een Stichting oprichten en aan de slag gaan.

Opmerking: de alinea over de huurprijs per etage is op 27 januari 2023 toegevoegd.

NB: Dit stuk is een reactie op het verdienstelijke pleidooi van Jeroen Wielaert in De Nuk van 22 januari 2023.

Advertentie

Pleidooi voor bundeling van architectonische iconen in Utrecht: Rietveld Schröderhuis, Erasmuslaan 9 en Huis Van Ravesteyn

A.J. van der Wal, ‘Overzicht voorgevel en rechter zijgevel blok van vier geschakelde herenhuizen‘ [architect Gerrit Rietveld], 2000. Collectie: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

In twee commentaren had ik in 2022 kritiek op het in mijn ogen haperende Utrechtse kunstklimaat en de ‘beschamende onkunde’ van Utrecht Marketing.

Ik omschreef mijn kritiek in het commentaarBeschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?‘ van 16 augustus 2022 en in het vervolgOpnieuw: het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat en de rol van Utrecht Marketing‘ van 21 augustus 2022.

De kern van mijn kritiek is dat Utrecht als vierde stad van het land te weinig ambitie toont om zich op het gebied van musea en beeldende kunst te profileren. Een en ander wreekt zich in slechte voorwaarden voor een dynamisch kunstklimaat. Er zijn volop initiatieven van kunstenaars en kunstinstellingen ondanks het gemeentebestuur, het in zichzelf gekeerde Centraal Museum en andere instellingen op het gebied van kunst, architectuur en cultureel erfgoed. Het lijkt dat iedereen op de ander wacht. En er daarom te weinig gebeurt.

De onderwaardering voor kunst en culturele erfgoed lijkt onbegrijpelijk in een stad waar GroenLinks en D66 de belangrijkste partijen zijn. Maar dat is tevens de verklaring voor de patstelling. Politiek gerichte projecten op het gebied van diversiteit krijgen aandacht en fondsen, en lijken de aflaat om zich om de rest mentaal en voorwaardenscheppend niet te bekommeren.

Gisteren bezocht ik rijksmonument Erasmuslaan 5 te Utrecht waar architectenbureau Asnova is gevestigd. Architect Ronald Willemsen ontving me en mijn partner allerhartelijkst. Kunstgalerie Bos Fine Art houdt er exposities van voornamelijk geometrische kunst.

Willemsen woont op Erasmuslaan 9 waar tot voor kort een modelwoning met objecten van Gerrit Rietveld was gevestigd. Eigenaar van dat rijksmonument is de Vereniging Hendrick de Keyser en tot voor kort was het Centraal Museum de beheerder. Maar die heeft er om financiële redenen de handen van afgetrokken. De objecten van Rietveld zijn weggehaald.

Honderd meter verder ligt op Prins Hendriklaan 50 het beroemde Rietveld Schröderhuis dat door de Stichting Rietveld Schröderhuis en het Centraal Museum wordt beheerd. In dezelfde straat ligt op Prins Hendriklaan 112 het Huis Van Ravesteyn van ‘spoorwegarchitect‘ Sybold van Ravesteyn uit 1932 dat ook in bezit is van Vereniging Hendrick de Keyser. Dat huis kan voor 170 euro per nacht worden gehuurd om te overnachten. Dat lijkt een noodgreep van Hendrick de Keyser om geld te genereren. Huis Van Ravesteyn kan ook bezocht worden als museumhuis.

Waarom de Utrechtse kunst-, architectuur- en erfgoedinstellingen als Oud Utrecht (commissie Cultureel Erfgoed) en architectuurcentrum aorta, private partijen als Asnova, de afdeling Culturele Zaken van de gemeente Utrecht, de Vastgoedorganisatie Utrecht, het Centraal Museum en Vereniging Hendrick de Keyser hun krachten niet bundelen is een raadsel. Laten ze om de tafel gaan zitten om afspraken te maken. Liefhebbers die dit tandenknarsend aanzien zijn er genoeg, maar het lijken vooral de gemeente Utrecht en het Centraal Museum die op de rem staan.

Wat staat bundeling in de weg? Is het een strijd over competenties en geld of valt het te verklaren vanuit apathie en gebrek aan ambitie?

Vele geïnteresseerden die het internationaal befaamde Rietveld Schröderhuis bezoeken en meer willen zien -en die belangstelling tot ver over de grens is aangetoond- zouden op loopafstand de modelwoning Erasmuslaan 9 met objecten van Rietveld en Huis Van Ravesteyn kunnen bezoeken.

Uiteraard zal zo’n programma een investering vragen, maar het zal zich in (internationale) aandacht en prestige voor de gemeente Utrecht ruimschoots terugbetalen. Des te meer omdat op het gebied van architectuur Utrecht weinig te bieden heeft. Dat geeft nog meer de noodzaak weer om de architectonische parels die er wel zijn optimaal te presenteren.

Wie maakt zich in Utrecht binnen de gemeentediensten of het gemeentebestuur sterk voor het initiatief dat zo voor de hand ligt? Namelijk de bundeling van de drie huizen als voorbeeld van architectuur die is gebaseerd op De Stijl. In een sterk programma waar Utrecht Marketing goede sier mee zou kunnen maken. Wie trekt dit project vlot?

Laten musea zich ringeloren door de VriendenLoterij Museumprijs?

Schermafbeelding van deel artikelDirecteur Scheepvaartmuseum juicht te vroeg‘ in Marketingtribune.nl, 15 november 2022.

Hoe kinderlijk en kortzichtig gedragen museummedewerkers zich als hun museum genomineerd is voor de VriendenLoterij Museumprijs? Vooral directeuren en marketeers stellen zich aan als kinderen in afwachting van hun Sinterklaascadeaus.

Dit jaar zijn het het Centraal Museum, het Scheepvaartmuseum en Stadsmuseum Harderwijk genomineerd voor de ‘VriendenLoterij Museumprijs 2022‘. Het winnende museum krijgt 100.000 euro om ‘een museumdroom te realiseren‘.

Het museum met de meeste publieksstemmen wint. Zodat musea met de grootste achterban, het grootste bereik op sociale media, de grootste afdelingen publiciteit en marketing, het grootse publiciteitsbudget en de beste uitgangspunten voor een marketingcampagne én contact met een professional marketingbureau in het voordeel zijn.

De VriendenLoterij Museumprijs draait om marketing en niet om de vraag wat het beste museum van de drie genomineerden is. Het is merkwaardig dat er geen ‘handicap‘ is om musea van verschillende grootte en budget tegen elkaar te laten ‘spelen’ zodat kleinere musea enigermate gecompenseerd worden.

De VriendenLoterij Museumprijs lijkt vooral een vehikel om bekendheid te geven aan de Vriendenloterij. Door de jaarlijkse publiciteit wordt de afhankelijkheid van musea van particulier geld benadrukt.

Het is een prikkelende gedachte om te beredeneren welke museum als eerste breekt met de Vriendenloterij en het aandurft om zich niet langer voor het karretje van de Vriendenloterij te laten spannen. Gijzelt de Vriendenloterij de musea en is het een taboe om dat publiekelijk te zeggen?

Als dat gebeurt, is dat dan een teken van volwassenheid, eergevoel of zelfrespect van (een deel van) de Nederlandse museumsector? We zullen het waarschijnlijk nooit te weten komen.

Uit het artikel op Marketingtribune.nl over het Scheepvaartmuseum en directeur Michael Huijser die een tatoeage laat zetten (of is het een transfer?) waarin hij de VriendenLoterij Museumprijs 2022 opeist blijkt dat alles om een marketingcampagne draait. Met een zogenaamde mislukte tattoo van Huijser die weer stof voor publiciteit en marketing biedt. Etc. Zo gekunsteld is het.

Schermafbeelding van deel artikelDirecteur Scheepvaartmuseum juicht te vroeg‘ in Marketingtribune.nl, 15 november 2022.

Hoeveel investeren de drie genomineerde musea met elkaar in marketing om de prijs binnen te slepen? Het is duidelijk welke sector het meeste profiteert van de VriendenLoterij Museumprijs. Dat lijkt niet de museumsector te zijn.

Opnieuw: het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat en de rol van Utrecht Marketing

Bart Lunenburg, Ashes (2022).

In het opinie-artikelBeschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?‘ van 16 augustus 2022 vroeg ik me af wat het achterblijvende beeldende kunstklimaat van Utrecht verklaart. Toch de vierde stad van het land met 362.000 inwoners. Dit commentaar is een vervolg op dat artikel.

I. Een begin van een antwoord zag ik in de stadspromotie en de marketing die een papieren werkelijkheid schept die de echte werkelijkheid vervangt. Utrecht, de stad van het surrealisme.

Hoe kan het dat Utrecht Marketing in haar promotie initiatieven die geen museum zijn als museum beschouwt? ExBunker, Kunstliefde, Domtoren, DOMunder, BAK en IMPAKT zijn geen musea, maar volgens Utrecht Marketing wel. Kan in stadspromotie of marketing alles gezegd worden dat afwijkt van de geldende definities? En ook: wie roept Utrecht Marketing tot de orde? 

De directeur van Utrecht Marketing is idolaat van sport en houdt zich voornamelijk daar mee bezig. De adjunct van deze Cor Jansen is Ronald Besemer die de kunst mag doen, maar geen aantoonbaar gevoel, betrokkenheid of inzicht toont. Zo kennen we de vlotte mannen van de marketing. Besemer lijkt de Utrechtse beeldende kunst als halfproduct voor Utrecht Marketing te beschouwen.

In Utrecht probeert Utrecht Marketing kunst in het frame van sport of stadspromotie van het stationsgebied te stoppen. Dat werkt niet. Utrecht Marketing is niet dienstbaar aan de beeldende kunst, maar meent dat de kunst dienend moet zijn aan de marketing van de stad, zoals uitgevoerd door Utrecht Marketing.

Kortom, het is duidelijk waar dit Utrecht Marketing in de kern mee bezig is. Namelijk proportioneel veel aandacht voor sport. Kunst past niet in het format. Godsamme in een college waar GL en D66 de grootste partijen zijn. Het management van Utrecht Marketing lijkt mentaal te ongeïnspireerd en niet fijngevoelig genoeg om kunst te begrijpen en in de marketing een volwaardige plek te geven.

De beeldende kunst met zijn rafelranden, onvoorspelbaarheid, niet direct maatschappelijk nut en spotten met hiërarchie en autoriteit staat dwars op het denken van Utrecht Marketing dat gaat voor direct maatschappelijk nut, voorspelbaarheid en langlopende projecten, bevestiging van de status quo en aansluiting zoeken bij de economische macht van ondernemers.

3D-tekening van Aziz Elgart als project van Utrecht Marketing ter ere van La Vuelta 2022 in Utrecht. DUIC citeert Utrecht Marketing: ‘De vier 3D-tekeningen brengen niet alleen een ode aan de wielerkoers, maar vestigen ook de aandacht op de vele culturele en sportieve activiteiten die rondom de Vuelta in stad en regio Utrecht plaatsvinden‘.

II. Het ontbreekt naar mijn idee in Utrecht aan samenwerking tussen de onderdelen van de beeldende kunst. Geen synergie dus. Terwijl dat er in de muzieksector wel is. Het opvallende is dat Utrecht een beeldende kunst traditie heeft. Denk aan Erich Wichmann, Pyke Koch, Joop Moesman en ook Gerrit Rietveld. Er is wel zoiets als belangenbehartiger Art Utrecht dat voor de gemeente dient als loket, en voor de kunst en kunstenaars als documentatie, uithangbord en platform, maar dat heeft beperkte draagwijdte als de omgeving hapert.

Er dient geïnjecteerd te worden in de beeldende kunstsector. Dat was de conclusie van enkelen die reageerden op mijn opinie. Laten we het de nieuwe verslaving noemen.

III. Velen verwezen naar kunstbeurzen en festivals om de kunstsector een extra zetje te geven. Of dat werkt zou per kunstdiscipline bekeken moeten worden. Het kan, maar een garantie is er niet. De ondergrond, de humus moet aanwezig zijn om van bovenaf geparachuteerde initiatieven in vruchtbare grond te laten vallen. Zo niet, dan ontbreekt het effect op de langere termijn om het beeldende kunstklimaat op een hoger peil te brengen.

Elke gemeente houdt wat financiële steun betreft van kortlopende projecten en niet van losse eindjes. Een gemeente wil controle hebben omdat het overzichtelijk en bestuurlijk eenduidig is. Het is makkelijker om een festival te steunen dan de exploitatie van een kunstinstelling.

We zagen dat bij het jaren op het randje van faillissement balancerende MOA (Museum Oud Amelisweerd) waarvan al bij aanvang duidelijk was dat het niet levensvatbaar was. De Utrechtse raad had in een motie beslist om er geen exploitatiesubsidie aan toe te kennen. Het MOA ging mede hierdoor, maar ook om vele andere redenen failliet. Dat is ook het Utrechts kunstklimaat, namelijk een project om politieke redenen ontwikkelen met eenmalig vastgoedgeld om daarna de steun te stoppen.

IV. De gemeente zou een te afwachtende houding aannemen om de beeldende kunst te helpen. Soms verschuilt de afdeling CZ (Culturele Zaken) zich achter regelgeving en komt er niet aan toe om een creatieve oplossing voor een gerezen probleem te helpen vinden. De achtereenvolgende gemeentebesturen laten sinds de PvdA-wethouders (Kees Pot, Paulien van der Linden) weinig ambitie zien die uit een diepe politieke overtuiging volgt. Ze lijken kunst op zijn best op te vatten als inbreng voor andere doelen. Of de verantwoordelijke wethouders krijgen binnen het college onvoldoende steun om kunst ondubbelzinnig te promoten.

Beeld van tentoonstelling met onder andere Max Kisman in Moving Gallery te Utrecht. Via Art Utrecht.

V. Het handvol artistiek belangrijke Utrechtse galerieën (Sanaa, Larik, Moving Gallery, KUUB) hebben doorgaans hoge huren. Ze verdienen niet veel en kunnen met moeite het hoofd boven water houden. Toch worden ze door de gemeente als commerciële ondernemingen beschouwd. Maar dat zijn ze slechts ten dele.

Galerieën zouden juridisch opgedeeld moeten worden in een commercieel en niet-commercieel deel. Onder dat laatste zou dan talentontwikkeling van jonge kunstenaars en presentatie van experimentele, moeilijk verkoopbare, kunst kunnen vallen. Dat zou voor de gemeente de belemmering wegnemen die uit de regelgeving volgt en het onmogelijk maakt om galerieën financieel te steunen. De gemeente zou juridisch kunnen adviseren over de splitsing. Galerist Henk Logman probeerde dat idee van kweekvijver enkele jaren geleden uit en wilde die tweedeling in zijn galerie doorvoeren, maar heeft het door zijn vroegtijdig overlijden niet af kunnen maken.

Een algemene vraag is wat de rol van galerieën in tijden van sociale media en narrowcasting van kunstenaars die hun eigen ondernemer zijn nog kan zijn. Ze zitten in een overgangsfase, maar kunnen nog steeds een constructieve bijdrage aan een lokaal kunstklimaat leveren als ze niet te veel concessies aan de markt doen. Maar zoals gezegd, galerieën zitten met hun hybride rol tussen commercie en kunst in een lastige positie. Het valt de gemeente niet te verwijten dat het daar volgens de regelgeving niets aan kan doen, hoewel in de marges wel wat meer financiële steun geboden zou kunnen worden.

VI. Kunst lijkt in Utrecht niet autonoom te mogen zijn. Veel kunstenaars zijn verzameld in Kunstliefde, maar dat is de afgelopen jaren door omstandigheden (verhoogde huur, dreigende verhuizing over 5 jaar) vooral met zichzelf bezig. Hoewel er mooie presentaties waren. Jongere kunstenaars zijn gegroepeerd rond de Nijverheid waar veel activiteiten zijn, maar de marges zijn klein en in de profilering staat het optrekken met andere geledingen van de kunstsector niet centraal.

Daarnaast zijn er kunstenaarsinitiatieven van onderop nodig. Die zijn er in Utrecht en nog steeds trekken groepen kunstenaars samen op in een soort creatieve gemeenschap (Soesterberg, Bernardus Baldus, Caz Egelie en co in Overvecht). De gemeente helpt soms met het vinden van tijdelijke atelierruimte. De invloed van deze kunstenaarsinitiatieven op het kunstklimaat is aanwezig, maar blijft beperkt.

Alain Teister, installatie met bed, paspoppen, stoel, hout en verf (1973-74). © Centraal Museum, Utrecht / Ernst Moritz.

VIII. Conclusie. De politiek kan de boel vlot trekken door hier en daar een helpende hand toe te steken. Zodat van onderop de galerieën en kunstenaarsinitiatieven kunnen groeien. Ook door te voorzien in atelierruimte waardoor kunstenaars niet de stad verlaten. De Kersenboomgaard in Leidsche Rijn is een succesvol voorbeeld. De breed gevoelde mening is dat het Centraal Museum met de rug naar de kunstenaars van de stad staat. Het biedt weliswaar ruimte aan hedendaagse Utrechtse kunst, maar dat wordt als onvoldoende ervaren. Waarom heeft het Centraal Museum geen stadsconservator die actief het contact onderhoudt met Utrechtse kunstenaars en galerieën, en op openingen, bijeenkomsten en gespreksavonden aanwezig is?

Waarom stellen de cultuurwoordvoerders in de raad van GL, PvdA en D66 geen raadsvragen over de verkeerd uitpakkende macht van Utrecht Marketing en het haperende beeldende kunstklimaat? Melody Deldjou Fard (GL), Dirk-Jan van Vliet (D66), Hester Assen (PvdA) of andere raadsleden, duik eens in dit onderwerp en stel er raadsvragen over.

Beschamende onkunde van Utrecht Marketing over promotie van musea. Waarom heeft Utrecht geen levendige beeldende kunstsector?

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Musea Utrecht‘ van Ontdek Utrecht.

Afgelopen jaren heb ik vele mensen in en buiten de Utrechtse beeldende kunstsector de vraag gesteld wat de reden is dat het ontbreekt aan een Utrechts beeldende kunstklimaat dat past bij de vierde stad van het land. Niemand heeft een sluitend antwoord.

Utrecht presteert slecht op het gebied van de beeldende kunst. Zelfs het Centraal Museum deelt in de malaise en lijkt op een enkele tentoonstelling na vooral nog met zichzelf en de eigen bedrijfsvoering bezig. Het is in de eigen schulp gekropen. Is dat het wat het Utrechtse kunstklimaat verklaart?

Wat schort eraan in Utrecht? Is het de nabijheid van Amsterdam? Is het de ‘zwarte’, katholiek-surrealistische onderstroom die nog steeds als een geestelijke domper werkt? Is het gebrek aan ambitie en zelfvertrouwen? Is het het doelgroepenbeleid in Leidsche Rijn (Raum) dat als aflaat dient om verder geen initiatieven te ondernemen en verder te denken?

Is het het gebrek aan initiatief en creativiteit van de afdelingen Culturele Zaken of Economische Zaken van de gemeente om kunstgalerieën en kunstinitiatieven een start te geven?

Als er galerieën ontstaan (Larik), dan gebeurt dat niet dankzij, maar ondanks de gemeente. In de bioscoopwereld gebeurde afgelopen jaren hetzelfde toen Jos Stelling als particulier ondernemer met Bioscoop Slachtstraat (en met medewerking van het Utrechtse Monumentenfonds) een nieuwe bioscoop realiseerde dat het door de gemeente gesubsidieerde ’t Hoogt niet voor elkaar kreeg.

Kan de malaise in de beeldende kunstsector verklaard worden door het zware accent van de gemeente op marketing en stadspromotie, zodat inhoud er minder toe doet? In dat Utrecht is de schone schijn van marketing een doel op zichzelf. Toch weer dat surrealisme. Niemand die het doorprikt. Niemand die doorvraagt. Niemand die het nog op waarde schat. Zo ontstaat geen publiek debat over dit onderwerp.

Schermafbeelding van deel paragraaf ‘Over Ons‘ op Ontdek Utrecht.

Schrijnend is de promotie van Ontdek Utrecht (deel van Utrecht Marketing) waar allerlei instellingen die geen musea zijn musea worden genoemd. Of culturele instellingen in Bunnik, Amersfoort of Soest door de gemeente Utrecht worden geclaimd als Utrechts. Zijn Bunnik, Soest en Amersfoort zonder dat we het weten geannexeerd door de gemeente Utrecht? Daar lijkt het niet op. Utrecht Marketing doet aan desinformatie.

Het is duidelijk dat Ontdek Utrecht en Utrecht Marketing geen idee hebben waarover ze praten. Wat is hun expertise en wie is er binnen het gemeentebestuur verantwoordelijk voor voor wat ze naar buiten brengen? Is Utrecht Marketing onderhand zo losgezongen van de realiteit dat het alles kan zeggen en niemand het meer kan schelen of de inhoud klopt? Ontdek Utrecht en Utrecht Marketing weten blijkbaar niet wat een museum is en krijgen alle ruimte om dat te verkondigen.

Dat opnemen in een publiekscampagne is niet zozeer een devaluatie van het begrip museum, maar van de marketing van Utrecht. Kunst en de musea worden niet zozeer gepromoot en serieus genomen, maar tot halfproduct gemaakt van een hybride marketing waarin vele partners meepraten en de waarheid blijkbaar een compromis tussen alle betrokkenen is geworden.

Met de Utrechtse Potemkin-façade is de kous af en hoeft er niet nagedacht te worden over de vraag wat past bij het ambitieniveau van de vierde stad van het land. De promotie ervan neemt de plaats in. Dat is toch lekker makkelijk en ook nog eens goedkoper?

Wat verklaart het haperende Utrechtse beeldende kunstklimaat? Ik weet het antwoord nog steeds niet. De conclusie van veel van mijn gesprekspartners is wel dat de gemeente Utrecht eerder een sta-in-de-weg is dan een kracht die verder kijkt dan marketing en eigen promotie.

Kritiek op verwijdering van werk van Peter Struycken in Centraal Museum. Pleidooi voor compensatie

De reportage van Claas Hille voor Kunstforum Utrecht gaat ook over de integriteit van de besluitvorming over kunst in de openbare ruimte. Daar zet hij naar mijn idee terecht en op een overtuigende wijze vragen bij. Dat raakt aan het al vaker geconstateerde feit dat vele besturen of commissies ed. in de kunstsector kwalitatief ondermaats zijn en procedures niet respecteren.

Over de verwijdering van het werk van Peter Struycken in het Centraal Museum (CM) heb ik gemengde gevoelens. Vanaf het begin toen het in 1987 aan de muur van de stallen geplaatst werd heb ik het een slecht werk gevonden. Ik had liever gezien dat het er niet geplaatst werd omdat ik niet vond dat het iets aan de omgeving, de stallen of de tuin toevoegde. Er zelfs afbreuk aan deed omdat het er niet bij aansloot en de sfeer van de omgeving niet goed ‘las’.

Tegen de buitengevel is een kleurig patroon van geometrische platen van Peter Struycken gezet‘. In: De Architect (1987).

Ik vond het werk niet goed, niet mooi en te veel geknutsel. Niet monumentaal, maar voorbijgaand. Zo buitenissig is het dus niet dat het verwijderd is.

Maar de procedure over de verwijdering van Struyckens werk in het CM in de commissie ABKV en de communicatie naar de kunstenaar door het CM is beschamend. Het is een graad erger dan het niet verdienen van de schoonheidsprijs.

Zo behoort men niet met kunstenaars om te gaan. Vooral een kunstmuseum niet. Een museumdirecteur behoort kunstenaars in de watten te leggen en alle moeite te doen om ze tegemoet te komen. Daar is een kunstmuseum voor bedoeld. Die omgang behoort in het DNA van een kunstmuseum te zitten. Anders begrijpt een directie niet waarmee het bezig is.

Een historische complicatie is overigens dat de constructie in 1987 in opdracht van de gemeente Utrecht is aangebracht. Sinds 2013 is het CM verzelfstandigd en geen dienst van de gemeente Utrecht meer. Het is de vraag of hiermee de bevoegdheid van de opdrachtgever volledig is verdwenen en of deze geraadpleegd is bij de verwijdering.

Reliëf geeft de verbouwing van de voormalige stallen inclusief een aula door architect Mart van Schijndel die zich bij een dreigende renovatie of sloop hiervan beriep op zijn intellectueel eigendom. Dat leidde tot een rechtszaak die Van Schijndel verloor. In de aula is overigens ook een werk van Rob Scholte geïntegreerd. Wat is het verschil tussen een architect en een monumentaal kunstenaar die in de openbare ruimte werkt in het beroep doen op dat intellectueel eigendom? Ofwel, wat was de juridische positie van Struycken volgens Artikel 25 van de Auteurswet?

Het CM heeft iets goed te maken. Ik ben van mening dat Bart Rutten, de huidige artistieke directeur van het CM in actie moet komen voor wat zijn instelling Peter Struycken heeft aangedaan.

Dit alles is voor Ruttens tijd gebeurd en hij is door deze kwestie niet belast en kan dus zonder last en ruggespraak handelen.

Het is ongewenst en ongelukkig dat een gerespecteerd museum in de communicatie met zowel een kunstenaar als een commissie als de ABKV aantoonbare leugens verkoopt. Ook dat moet in de beeldvorming hersteld worden. Zeker nu het eenmaal op straat ligt. Struycken dient op enigerlei wijze door het CM tegemoet gekomen te worden. Hoe, dat kunnen Rutten en Struycken in onderling overleg overeenkomen. Liefst zo snel mogelijk.

De ‘Angela S. and Gerit J. Bussemaker photograph albums, 1923-1966’ 

Angela Bussemaker with relatives on a shopping trip, Utrecht, Netherlands, 1950‘. Collectie: University of Washington Libraries, Special Collections.

De ‘gevonden fotografie’ van Erik Kessels heeft mede onze blik opgerekt en wellicht geconditioneerd voor gevonden foto’s van anonieme fotografen. Doorgaans albums met vakantiekiekjes op rommelmarkten die de tragiek van afgeronde levens tonen.

Het Centraal Museum toonde in 2006 Kessels tentoonstellingLoving Your Pictures‘. De toelichting zegt dat de oorspronkelijke makers deze foto’s nooit als ‘kunstwerken’ hadden bedoeld. Het museum durft zelfs te beweren dat ze door Kessels ‘een volledig nieuwe betekenis’ hebben gekregen vanwege de ‘bijzondere vormgeving’ van de expositie. Dat was toen ook de kritiek erop, namelijk dat de vormgeving voor de inhoud ging staan en deze wegdrukte.

Found footage is een subgenre dat een verhaal vertelt aan de hand van gevonden materiaal of materiaal dat als zodanig gepresenteerd wordt. In Nederland werd de film ‘Lyrisch Nitraat‘ (1991) van Peter Delpeut gestructureerd rond ‘gevonden’ filmfragmenten. Die film was toen in Nederland invloedrijk en heeft ongetwijfeld andere makers beïnvloed.

De University of Washington Libraries, Special Collections in de staat Washington bevat de Angela S. and Gerit J. Bussemaker photograph albums, 1923-1966 waarin bovenstaande foto in is opgenomen. Ze hebben een hoog Kessels-gehalte. De albums vertellen het verhaal van een internationaal leven over grenzen heen. Ontheemde personen die uiteindelijk hun plek vinden. Een deel van de 195 foto’s is gedigitaliseerd. De albums zijn in 2006 geschonken aan de bibliotheek.

Het draait om Angela Saturnia en de Nederlandse Gerrit Jan (Johnny) Bussemaker die in 1912 waarschijnlijk in Hengelo werd geboren en in Enschede en Rotterdam opgroeide. Zijn ouders overleden vermoedelijk allebei op 3 mei 1925 en Gerrit werd door zijn oom en tante in huis genomen. De bibliotheek geeft overigens 1924 als datum van overlijden van Gerrits moeder. Over Angela Saturnia worden weinig details gegeven, behalve dat ze op 1 februari 1922 in Litouwen werd geboren en in 2004 in Seattle overleed. Haar naam klinkt Italiaans.

In de documentatie wordt Gerrit steevast ‘Gerit’ genoemd. Het stel trouwde in 1946 en ze waren ‘Displaced Persons‘, waarschijnlijk vluchtelingen of ‘uitgebombardeerd’ en op zoek naar nieuw onderdak? Gerrit werkte voor het Amerikaanse leger in Duitsland, ze toerden vlak na de oorlog door Europa en emigreerden in 1952 naar Washington state. Na 1948 nam de VS dit soort mensen op. Ze reisden ook veel door de VS. Gerrit overleed in 1966.

Bij de titel ‘Johnny’s aunt and uncle with Angela‘ van bovenstaande foto staat beschreven: ‘Holland–Utrecht–1950–Johnny’s Aunt & Uncle & I came from Zeist for dinner & shopping‘. Of dat de oom en tante waren waarbij Gerrit is opgegroeid is onduidelijk. Het is goed denkbaar.

Angela Bussemaker outside of the Cliff House, San Francisco, California, approximately 1956‘. Collectie: University of Washington Libraries, Special Collections.

Utrecht moet Oud Amelisweerd weghalen uit greep gemeentelijke organisatie en buitenstaanders betrekken bij een oplossing

Landhuis Oud Amelisweerd kan vergeleken worden met een apparaat dat goedkoop is in de aanschaf, maar duur in het gebruik. Het is betrekkelijk makkelijk om erin te stappen, maar bijna onmogelijk om de exploitatie rond te krijgen. Dat heeft ermee te maken dat het om een rijksmonument gaat dat kwetsbaar antiek Chinees behang bevat en door de klimatisering beperkende voorwaarden stelt aan de bedrijfsvoering. Daarnaast is het landhuis tamelijk excentrisch gelegen in een bos aan de rand van Bunnik, en niet makkelijk bereikbaar.

In een commentaar van 22 december 2019 deed ik een voorstel voor een permanente invulling. Dat had als uitgangspunt de Atlas Munnicks van Cleeff en de eigenaar ervan, de Utrechtse ondernemer John Fentener van Vlissingen. Mijn conclusie is dat het recente verleden met de Stichting Museum Oud Amelisweerd (in de wandeling het Armando Museum of MOA geheten) aantoont dat er een externe dynamiek nodig is om de patstelling te doorbreken die al sinds 2012 bestaat. Toen besloot de Utrechtse raad dat er geen euro in de exploitatie (van de toenmalige huurder) gestoken mocht worden. Dat is een extra beperkende voorwaarde voor de bedrijfsvoering. Het MOA kon tegen de beloftes in geen weerstandsvermogen opbouwen en liep continu achter de feiten aan. Het teerde op een snel opdrogend krediet van 1 miljoen euro van de gemeente Amersfoort en een lening van de provincie Utrecht en kon in geen enkel jaar in de buurt van een positief saldo komen. In de Amersfoortse raad wordt de oproep van enkele oppositiepartijen voor een onderzoek naar de financiële en politieke verwikkelingen door het college naast zich neergelegd. In de Utrechtse raad is het nog stiller, daar valt tot nu toe geen enkele ambitie te erkennen om te leren van de mislukking van het MOA.

Hoe dan ook is in de gemeente Utrecht (dat eigenaar is van landhuis Oud Amelisweerd) een integraal plan nodig dat lering trekt uit het falen van het MOA en de constatering dat een tijdelijke bestemming van een pop-up museum evenmin soelaas biedt. Randvoorwaarde daarvan is hoe dan ook een ‘duurzame openstelling van het landhuis voor publiek’ zoals André van Schie (VVD) en Aline Knip (D66) in een aangenomen motie uit 2017 formuleerden. Verstandig lijkt het om in te zetten op een structurele oplossing die verder kijkt dan een tijdelijke oplossing. Dat laatste heeft immers als nadeel dat het om de paar jaar voor politieke stress zorgt.

Naast de weeffout van een landhuis dat duur is in de exploitatie is er nog een bestuurlijke weeffout waardoor Oud Amelisweerd niet van de grond komt. Het beheer is in handen van de Utrechtse Vastgoed Organisatie (UVO) die een dominante greep heeft op Oud Amelisweerd. Dat is ongewenst. Het is ook onlogisch omdat de UVO zeker de verdienste heeft dat het de restauratie van Oud Amelisweerd in goede banen heeft geleid, maar die fase is voorbij. De blijvende greep van de UVO verklaart waarom dit dossier in de afgelopen 10 jaar wat het vinden van een geschikte huurder betreft zo amateuristisch is behandeld met teleurstellende resultaten. Tegelijk geeft dit de mogelijkheid om het beter te doen. Dat geeft hoop. Oud Amelisweerd moet uit de greep van de UVO gehaald worden. Zeker waar het de niet-bouwkundige aspecten betreft. Het debat over een nieuwe bestemming van Oud Amelisweerd moet niet gedomineerd worden door bouwkundigen of makelaars, maar door museale experts met contacten in de museumsector en kennis over de exploitatie van een museum.

Hoe dan ook moet er een dynamiek ontstaan zodat de UVO een stap terug doet en museale expertise in huis gehaald worden om een nieuwe huurder te vinden. Dat had al in 2010 moeten gebeuren en is toen niet gebeurd, maar het merkwaardige is dat dit na talloze waarschuwingen en ontsporingen nog steeds niet is gebeurd. Dat gaat de richting op van onzorgvuldig bestuur van de gemeente Utrecht of van grandioze desinteresse. Wethouders werken langs elkaar heen en de Cultuurwethouder zit niet in de bestuurdersstoel.

Vraag is hoe die dynamiek omgebogen kan worden. Op 1 september 2020 beëindigt Museum Huis Doorn de tijdelijke huur en staat Oud Amelisweerd weer leeg. Er moet in dit stadium niet zozeer op zoek gegaan worden naar een nieuwe huurder, maar naar een werkwijze om nieuwe huurders op een zorgvuldige wijze te selecteren en te toetsen, en er goede afspraken mee te maken. Want juist dat ontbreekt eraan. De UVO moet door het gemeentebestuur op afstand worden gezet. Rapporten over de verruiming van de exploitatie waaraan de UVO nu haar energie besteedt zijn niet alleen een bestuurlijke dwaalweg die een idee van daadkracht moeten geven, maar ook een doodlopende weg omdat het schrijven van meer rapporten niet is waar het om gaat. Daarbij vertraagt het de oplossing omdat anderen binnen de gemeentelijke organisatie zich daar weer achter verschuilen. Het is ook de vraag of het de taak van de UVO is om zich op een indirecte wijze met bouwkundige rapporten te begeven op museaal gebied waar het de nodige deskundigheid mist. Is het de makelaar die door de macht om de voorwaarden te mogen beschrijven een bestemming gaat bepalen?

De gemeente Utrecht doet er verstandig aan om te beginnen met een verkenning van de gewenste inhoud, zoals al in 2010 had moeten gebeuren. Aan de hand van interviews met inhoudelijke deskundigen uit de museumsector -conservatoren, directeuren en kunsthistorici- kan een shortlist worden opgesteld van mogelijke invullingen. Te denken valt aan een museum dat aansluit bij het Chinese behang, het landgoed, de historie van het landhuis of een andere permanente invulling die past bij landhuis, ensemble en plek.

Het is de hoogste tijd om het dossier Oud Amelisweerd dat nu al 10 jaar onevenredige aandacht vraagt en ondanks de goede investeringen van de gemeente Utrecht publicitair en cultureel slecht rendeert definitief vlot te trekken door samen met geloofwaardige en daadkrachtige partners te investeren in de inhoud. Het is bizar dat de UVO opgezadeld is met een taak waar het niet voor geëigend en op berekend is. Een parallel traject is de optie dat de gemeente Utrecht het landhuis overdraagt aan een instelling die betrokkenheid en expertise heeft in het beheer van museumhuizen. Zodat de gemeente verlost wordt van dit probleemdossier waar zo langzamerhand niemand binnen het gemeentebestuur nog zijn handen aan durft te branden.

Foto: Schilderijen van Robert Devriendt op tentoonstelling Mangistan van Centraal Museum in Oud Amelisweerd, 2001.

Antwoord aan Broos Schnetz: Utrechtse Culturele Zondagen zijn bij het oud vuil gezet omdat ze aan culturele inhoud hadden verloren

Antwoord aan Broos Schnetz die een open brief aan de raadsleden van de gemeente Utrechts stuurt om wat er van de Culturele Zondagen terecht is gekomen. Ik ben het deels eens, deels oneens met de briefschrijver. Ik heb mijn reactie ook geplaatst op de DUIC waar op 30 mei 2020 genoemde open brief werd gepubliceerd:

De poging om de verkeerde framing van de Culturele Zondagen (CZ) aan te pakken levert nieuwe verkeerde framing op. Want er is heel wat voor te zeggen dat Utrecht Marketing (UM) en CZ vreemde bedgenoten zijn die elkaar niet liggen. Dat marketing de cultuur zou wegdrukken viel te verwachten voor iedereen met ook maar oppervlakkige kennis van de kunst heeft. Kortom, de samenwerking van kunst en cultuur met marketing, stadspromotie en toerisme was vanaf het begin ten dode opgeschreven. Dat kon het Utrechtse gemeentebestuur weten.

Maar de auteur wijkt af van zijn koers en maakt het er onnodig verwarrend op als hij zijn pijlen richt op de grote culturele instellingen. De mislukking van de fusie kan echter niet eenzijdig op het bordje van de grote culturele instellingen geschoven worden. Het wordt er zelfs ronduit rancuneus op als hij zegt: ‘Cultuurgeld verdwijnt al voor het overgrote deel in de zakken van de grote culturele instellingen die toch vooral een cultuur faciliterende functie hebben.

Wie spreekt over geld dat verdwijnt in de zaken van culturele instellingen toont vijandschap tegenover kunst en cultuur en bedient zich van een jargon dat aanhaakt bij de haat tegen kunst. Of in elk geval kunst haar rechtmatige plek niet vanzelfsprekend gunt. Deze onnodige opmerking doet afbreuk aan het betoog dat zinnige en waardevolle elementen bevat.

De grote culturele instellingen hebben als ondernemingen hun eigen verantwoordelijkheid. Ze zijn verzelfstandigd en staan alleen nog in een subsidierelatie tot de gemeente. Ze bepalen hun eigen beleid.

Er heeft altijd spanning bestaan tussen het Centraal Museum (CM), de Stadsschouwburg en Tivoli Vredenburg en de rest van de culturele instellingen. Simpelweg omdat ze een andere positie innemen dan de kleinere culturele instellingen of de individuele kunstenaars.

De grotere culturele instellingen zijn verplicht om een steeds groter percentage van hun inkomsten uit de markt te halen. Daarmee komen ze verder af te staan van de gemeente. Het gemeentebestuur heeft niet altijd rechtlijnig geopereerd door de grote culturele instellingen ook nog deelgenoot te willen maken van gemeentebeleid dat tegen het eigenbelang van die grote instellingen inging. Het lijkt alsof ze door het gemeentebestuur en de betrokken beleidsambtenaren nog worden beschouwd als de instellingen die ze voor hun verzelfstandiging waren.

CZ is een voorbeeld van een project waar de grote culturele instellingen niet veel belang bij hebben. Dat valt deze instellingen niet te verwijten en zelfs uiteindelijk niet het gemeentebestuur dat altijd wil bundelen, koppelen en focussen. Overigens hebben de grote culturele instellingen waar mogelijk coöperatief meegewerkt. Het is eerder door de verzelfstandigingen die zich pas tijdens de looptijd van de CZ aankondigden dat er een gebrek aan eenstemmigheid naar boven kwam in de opzet van de CZ omdat die door de tijd achterhaald was.

Het gevolg was dat de afstand van de gevestigde kunstinstellingen met de CZ werd vergroot. Er ontstond een kader waar de grote culturele instellingen per definitie niet in pasten en de CZ verloor aan culturele inhoud. Met als gevolg dat de per definitie oppervlakkige marketing van UM het gat moest vullen. Dat is de samenloop van omstandigheden. Het is te simpel om dat verband niet te zien.

Landhuis Oud Amelisweerd dreigt tijdelijk pop-up museum te verliezen. Utrecht moet onderzoek beginnen vanuit de inhoud

Op 24 april 2019 tekende Herman Sietsma, directeur van Museum Huis Doorn een huurcontract van één jaar voor landhuis Oud Amelisweerd in Bunnik. Opzet was een tijdelijk pop-up museum waar de Stichting Samenwerkende Kasteelmusea Utrecht objecten uit de depots van vier verschillende kastelen tentoonstelde. Het huurcontract zou verlengd worden als de tentoonstellingen succesvol bleken te zijn. Uit een bericht van 13 januari 2020 van Peter van de Vusse in het AD blijkt dat niet het geval te zijn. Onduidelijk is of per 1 mei 2020 het contract verlengd wordt. Sietsma laat weten dat er een tekort van 40.000 tot 50.000 euro dreigt omdat het tijdelijke museum in een jaar geen 20.000 bezoekers trok dat nodig is om kostendekkend te zijn, maar naar verwachting 10.000 bezoekers. Volgens het bericht in het AD neemt later deze maand de Raad van Toezicht een besluit over de verlenging van het huurcontract. Sietsma acht de kans dat het doorgaat 50%.

Landhuis Oud Amelisweerd kan vergeleken worden met een apparaat dat goedkoop is in de aanschaf, maar duur in het gebruik. Het is betrekkelijk makkelijk om erin te stappen, maar bijna onmogelijk om de exploitatie rond te krijgen. Dat heeft ermee te maken dat het om een rijksmonument gaat dat kwetsbaar antiek Chinees behang bevat en door de klimatisering beperkende voorwaarden stelt aan de bedrijfsvoering. Daarnaast is het landhuis tamelijk excentrisch gelegen in een bos aan de rand van Bunnik, en niet makkelijk bereikbaar.

In een commentaar van 22 december 2019 deed ik een voorstel voor een permanente invulling. Dat had als uitgangspunt de Atlas Munnicks van Cleeff en de eigenaar ervan, de Utrechtse ondernemer John Fentener van Vlissingen. Mijn conclusie is dat het recente verleden met de Stichting Museum Oud Amelisweerd (in de wandeling het Armando Museum of MOA geheten) aantoont dat er een externe dynamiek nodig is om de patstelling te doorbreken die al sinds 2012 bestaat. Toen besloot de Utrechtse raad dat er geen euro in de exploitatie (van de toenmalige huurder) gestoken mocht worden. Dat is een extra beperkende voorwaarde voor de bedrijfsvoering. Het MOA kon tegen de beloftes in geen weerstandsvermogen opbouwen en liep continu achter de feiten aan. Het teerde op een snel opdrogend krediet van 1 miljoen euro van de gemeente Amersfoort en een lening van de provincie Utrecht en kon in geen enkel jaar in de buurt van een positief saldo komen. In de Amersfoortse raad wordt de oproep van enkele oppositiepartijen voor een onderzoek naar de financiële en politieke verwikkelingen door het college naast zich neergelegd. In de Utrechtse raad is het nog stiller, daar valt tot nu toe geen enkele ambitie te erkennen om te leren van de mislukking van het MOA.

Hoe dan ook is in de gemeente Utrecht (dat eigenaar is van landhuis Oud Amelisweerd) een integraal plan nodig dat lering trekt uit het falen van het MOA en de constatering dat een tijdelijke bestemming van een pop-up museum evenmin soelaas biedt. Randvoorwaarde daarvan is hoe dan ook een ‘duurzame openstelling van het landhuis voor publiek’ zoals André van Schie (VVD) en Aline Knip (D66) in een aangenomen motie uit 2017 formuleerden. Verstandig lijkt het om in te zetten op een structurele oplossing die verder kijkt dan een tijdelijke oplossing. Dat laatste heeft immers als nadeel dat het om de paar jaar voor politieke stress zorgt.

De gemeente Utrecht doet er verstandig aan om te beginnen met een verkenning van de gewenste inhoud, zoals in 2010 had moeten gebeuren. Aan de hand van interviews met inhoudelijke deskundigen uit de museumsector -conservatoren, directeuren en kunsthistorici, en geen consultants- kan een shortlist worden opgesteld van mogelijke invullingen. Te denken valt aan een museum dat aansluit bij het Chinese behang, het landgoed, de historie van het landhuis of een andere permanente invulling die niet haaks staat op landhuis, ensemble en plek. Het verschil met de tot nu toe gevolgde werkwijze van het Utrechtse gemeentebestuur is dat een benchmark-achtig onderzoek naar scenario’s grote kans loopt te eindigen in een schijnwerkelijkheid van projecties, inschattingen en extrapolaties die direct volgen uit de opdracht door de verantwoordelijke bestuurder waarbij de potentie van het landhuis niet wordt verkend en uiteindelijk niet wordt benut.

Het is de hoogste tijd om het dossier Oud Amelisweerd dat nu al bijna 10 jaar onevenredige aandacht vraagt en ondanks de goede investeringen van de gemeente Utrecht publicitair en cultureel slecht rendeert, definitief vlot te trekken door samen met geloofwaardige en daadkrachtige partners te investeren in de inhoud.

Foto: Schermafbeelding van artikelMuseum Oud Amelisweerd in Bunnik dreigt opnieuw dicht te gaan’ van Peter van de Vusse in het AD, 13 januari 2020.