Het boze oog van Paul von Plehwe. Gedachten bij een foto van de Russische legeraalmoezenier Zybulski (1914-1916)

De Russische pope en aalmoezenier Zybulski waarvan de Russische generaal suggereerde dat hem de ogen uitgestoken waren door de Duitsers. Collectie: Biblioteca Virtual de Defensa.

Dit is een foto uit 1916 van de Russische legeraalmoezenier Zybulski (voornaam onbekend) die in de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers de ogen zou zijn uitgestoken. Dat beweerde nochtans op 25 januari 1915 in een onlangs gepubliceerd communiqué de generaal van Duits-Baltische afkomst in het tsaristische leger Paul von Plehwe (of Pavel Plehwe).

Maar het gruwelverhaal klopt niet. Achteraf bleek de aantijging van generaal Von Plehwe onjuist. Aalmoezenier Zybulski had het zicht in beide ogen nog toen hij in Duitse gevangenschap kerkdiensten in Heidelberg verzorgde. Hij verklaarde sinds hij op 29 augustus 1914 door de Duitse troepen gevangen werd correct behandeld te zijn.

Duitse tekst bij foto van aalmoezenier Zybulski. Collectie: Biblioteca Virtual de Defensa.

Waarom heeft generaal Von Plehwe de leugen verspreid? Ja, oorlogsmist. In de oorlog sneuvelt de waarheid als eerste. Waarschijnlijk wilde Von Plehwe zijn manschappen motiveren. Sloot de beschuldiging van het wrede optreden van het Duitse leger niet aan bij de gruweldaden die de Duitsers abusievelijk werd toegeschreven in de slag om België? Dat was propaganda van de Entente.

Een persoonlijke noot geeft de Russische Wikipedia-pagina over het privéleven van Von Plehwe (vertaald): ‘Plehve werd geboren in een familie van evangelische christenen en het grootste deel van zijn leven beleed hij precies deze leer, maar kort voor zijn dood bekeerde hij zich tot de orthodoxie. Plehve was getrouwd met een Russisch-orthodox meisje, geboren Sukhomlinova, en had drie kinderen met haar, ook opgevoed door haar moeder in de orthodoxie: dochters Olga (geboren in 1881), Ekaterina (geboren in 1886) en zoon Nikolai (geboren in 1892).’

Generaal Paul von Plehwe overleed op 28 maart 1916 in Moskou. Had hij zich 14 maanden eerder toen hij de uitspraak over aalmoezenier Zybulski deed al tot de Russisch-Orthodoxe kerk bekeerd? Dat weten we niet. Von Plehwe was van Baltisch-Duitse afkomst en vocht voor de Russische tsaar tegen zijn landgenoten en andere legers van de Centralen, zoals het Oostenrijkse. Hij was van origine een evangelische christen die het meende op te moeten nemen voor een Russisch-Orthodoxe pope.

Bij dat soort door elkaar geschudde loyaliteiten is het geen wonder dat generaal Von Plehwe werkelijkheid niet meer van fantasie kon onderscheiden. Wellicht heeft het gruwelverhaal dat op 25 januari 1915 in een legercommuniqué werd genoemd voor even gewerkt. Maar niet voor lang. In februari 1915 verloor het tsaristische legeer de Tweede Slag bij de Mazurische Meren van de Duitsers,

Cedric ter Bals, Soldaet, Künstler, Mönch. Kleurpotlood en acryl op papier, 2020.

Duitse oorlog in Lineol miniatuur

Figurenpaar: Soldaten / Sanitäter, mit Trage‘, 1914-1918. Collectie: Staatliche Museen zu Berlin, Museum Europäischer Kulturen.


De beschrijving van dit object in een Berlijnse museumcollectie zegt (vertaald): ‘Lineol figuren, beschilderd, uniformen groen met rode bies. Bruine brancard, daarop een gewonde man met zwarte laarzen, rode broek, een blauwe jas en een wit hoofdverband’. Lineol was de naam van het bedrijf waar Albert Caasmann sinds 1909 tot 1952 als ontwerper aan verbonden was.

Wat moeten we er nog meer aan toevoegen? Oorlog is leed, pijn, verwonding, dood. Caasmann diende als soldaat in de Eerste Wereldoorlog. Dat het beeld van de twee ziekenbroeders met brancard kritiek op de oorlog bevat lijkt te voorbarig geredeneerd.

Schermafbeelding van Diorama Wehrmacht Heimaturlaub.

De markt beslist bij dit soort producten. Kort voor of tijdens de Tweede Wereldoorlog verscheen bij Lineol het ‘Diorama Wehrmacht Heimaturlaub‘. De clichés zijn op dit tableautje vastgelegd. Wat doen militairen op verlof? Voor ons ziet het er lachwekkend idyllisch uit met konijntjes, herdershonden, Wehrmacht-militairen met blonde partners en een officier op de bank die koek of gebak uit een doos eet. Maar zo wilden de Duitsers zichzelf toen blijkbaar zien. Voor op het buffet in de huiskamer. Online is er nog steeds handel in dit soort objecten.

Schermafbeelding van Diorama Wehrmacht Heimaturlaub.

Gedachte bij de foto ‘Gottesdienst auf der Presenaspitze’ (1918)

Gottesdienst auf der Presenaspitze‘, 1.1.1918. Collectie: ÖNB (Österreichische Nationalbibliothek).

Godsdienst. We raken er niet over uitgepraat. Wat is de functie ervan en wanneer gaat het die te buiten? Vooral daarover raken we niet uitgepraat. We hebben het antwoord niet.

Wie terugkijkt ziet een Oostenrijkse kerkdienst op de top van de Presena-gletscher. Begin 1918. Nu in de Alpen in Trentino ten noorden van het Garda-meer. Moest de dienst troost bieden? Italië won van Oostenrijk-Hongarije de harde strijd in de bergen. Wie weet hadden de Italianen harder gebeden.

Op de foto wonen Oostenrijkers, Hongaren, Kroaten, Bosniërs, Tsjechen, Slowaken, Slovenen en anderen een kerkdienst in het veld bij. Wat er gezegd werd en wat of wie werd aangeroepen weten we niet. We kunnen het vermoeden. Want het past in een patroon. Voor de overwinning in de strijd, de bescherming van en het vertrouwen in God en zelfbehoud. Zoiets zal het wel geweest zijn.

Religieuze doping dus. Alle strijdende partijen dienden het hun troepen toe. Zie hier het commentaar ‘Religieuze doping, commercie en oorlogspropaganda tijdens de Eerste Wereldoorlog: ‘A Church Service On The Battle Field’ (1916)‘ over de reconstructie van een Britse kerkdienst voor het thuisfront.

De groep Oostenrijkse militairen in donkere jassen in de witte sneeuw toont verlaten. In de steek gelaten. Geïsoleerd. Onzalig in zaligheid. Het contrast tussen zwart en wit verhardt hun noodlot. Zo legt de fotograaf het vast. We raken er niet over uitgepraat. In onze horizontale spitsvondigheid.

Het Verdrag van Versailles, de Duitse herstelbetalingen en de les voor de Russische Federatie (1919)

Agence de presse Meurisse, ‘A Versailles, les malles des allemands‘ [In Versailles, de koffers van de Duitsers], 1919. Collectie: Gallica, de digitale bibliotheek van de Bibliothèque nationale de France en zijn partners.

Er wordt de laatste tijd in allerlei publicaties op een losse en onterechte manier verwezen naar de herstelbetalingen die Duitsland in het Verdrag van Versailles (1919) zouden zijn opgelegd en die averechts zouden hebben gewerkt. Dat opleggen van herstelbetalingen gebeurde onder Franse druk. Een groot deel van Frankrijk was immers vernietigd door de Duitse inval en de oorlog van vier jaar.

Historici als Patrick Dassen hebben aangetoond dat de hoogte van de herstelbetalingen die Duitsland zouden zijn opgelegd aanzienlijk lager was dan zoals het in de toenmalige publieke opinie werd voorgesteld. Dat was geen 132, maar 25 miljard goudmark (zie na 31’). Het had een publicitair belang om het beeld te vormen dat Duitsland moest boeten voor de Eerste Wereldoorlog, maar al vanaf 1919 was duidelijk dat het dat totale bedrag nooit zou hoeven te betalen. Ook niet kon betalen. Het was louter een theoretisch bedrag voor de bühne. De praktijk was anders.

Het merkwaardige is dat het misverstand van de te hoge herstelbetalingen die Duitsland zouden zijn opgelegd en die de weg plaveiden voor Hitler bijna een eeuw later in de publieke opinie nog bestaat. Het was trouwens niet de hoogte van de herstelbetalingen, maar het feit dat Duitsland in het Verdrag van Versailles als enige schuldige werd aangeduid voor het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog dat het meeste kwade bloed zette in het Duitsland van 1919.

Dat aspect van herstelbetalingen is weer actueel door de Russisch-Oekraïense oorlog. De krijgsmacht van de Russische Federatie heeft tot nu toe honderden miljarden euro’s schade aangericht in Oekraïne. Dat is grotendeels geen bijkomende schade van de oorlogshandelingen, maar bewuste vernietiging van de economische infrastructuur. Zoals fabrieken, opslagplaatsen, havens, wegen, bruggen en spoorwegen, maar ook woonhuizen, culturele gebouwen en regeringsgebouwen. De huidige schattingen duiden erop dat de totale schade kan oplopen tot 1000 miljard euro.

Het idee in westerse hoofdsteden is dat de Russische Federatie in hoge mate moet bijdragen aan de financiering van de heropbouw van Oekraïne. Want het is als enige schuldig aan de oorlog en de schade aan de Oekraïense infrastructuur.

Hoe dat wordt betaald is nog onduidelijk. Dat kan door confiscatie van tegoeden van de Russische staat en Russische oligarchen in het Westen. Dat kan door extra belasting op Russische energie. Dat kan door herstelbetalingen. Of een combinatie van een en ander.

Het is onterecht om uit de ontwikkeling van de Weimarrepubliek en het Derde Rijk te concluderen dat de herstelbetalingen die de Russische Federatie opgelegd kunnen worden na beëindiging van de huidige Russisch-Oekraïense oorlog niet te hoog mogen zijn. Dat is het misverstand dat tegenwoordig in interviews en analyses herhaald wordt door opinieleiders die een misverstand napraten.

Het is trouwens zo dat de Russisch-Oekraïense oorlog niet alleen Oekraïne vernietigt, maar ook de Russische Federatie. De eerste door bewuste vernietiging van de infrastructuur door de Russische Federatie, de laatste door stagnatie, mentale stilstand en isolatie van de wereldgemeenschap. Vooral Oekraïne moet opgebouwd worden, maar de Russische Federatie op termijn ook als president Poetin zijn functie heeft neergelegd. Het wordt een hele puzzel om straks die stukjes goed te leggen.


Gedachte bij de foto ‘Kriegsgefangene in der Sammelkaserne Munkacs’ (1915)

Kriegsgefangene in der Sammelkaserne Munkacs‘, 1915. Collectie: Österreichische Nationalbibliothek.

Wat een idyllisch beeld van een groep Russische krijgsgevangenen in 1915. Is dit propaganda van de fotodienst van het toenmalige Oostenrijks-Hongaarse leger of ging het er toen werkelijk zo aan toe? Is de code van de oorlogvoering veranderd en sinds die tijd verhard?

Locatie van dit tafereel is het toenmalige Hongaarse Munkács, dat nu in West-Oekraïne ligt. Tussen 1995 en nu maakte het deel uit van Tsjecho-Slowakije, Hongarije, de Sovjet-Unie en sinds 1991 Oekraïne. Nu heet het Moekatsjevo in de provincie Transkarpatië.

Zouden van Russische krijgsgevangenen die gevangen zijn genomen in de Russisch-Oekraïense oorlog (2014 – …) meer dan 100 jaar later door de fotodienst van het Oekraïense leger net zulke idyllische plaatsjes worden gemaakt? Het lijkt onwaarschijnlijk. Toch waren de verschrikkingen er toen niet minder om.

Laten we het maar op promotie van de eigen menselijkheid van het Oostenrijks-Hongaarse leger houden. Is dat het verschil, dat in de huidige oorlog niet eens de schijn van menselijkheid wordt opgehouden door de strijdende partijen? Dat zou kunnen. De geschiedenis zal het leren.

Gedachten bij ansichtkaart van een gotisch gemaskerd bal in Zutphen (1910-1919)

Johan Wilhelm Jr. Brincker, Three musicians, one in drag, in bizarre masks for an “Olympia” masked ball. Photographic postcard by Brincker, 191-. Collectie: James Gardiner Collection.

Bij de toelichting van deze ansichtkaart staat: ‘An unusual example of Gothic drag. The central character in drag holds a tambourine and looks deathly, like a zombie.The man on the left plays a violin, while the man on the right plays a barrel-organ and has a wooden leg. An extraordinarily gothic trio, photographed on a studio set in the Netherlands. The three characters, dressed for a masked ball , all wear sinister ‘Phantom of the opera’ style masks which cover portions of their faces. The masks are by J. Dirkmaat‘.

Het spook van de opera‘ (Frans: Le Fantôme de l’Opéra) is een Franse roman van Gaston Leroux. Het verscheen van 23 september 1909 tot 8 januari 1910 als feuilleton in de Parijse krant Le Gaulois, aldus Wikipedia. Het werd daarna in maart 1910 uitgegeven als boek en werd populair. Onderzoek heeft uitgewezen dat het een misverstand is dat de roman bij aanvang geen succes was. En dat pas werd na verfilming uit 1925 met Lon Chaney als Erik.

De rest is geschiedenis, met talloze bewerkingen en musicals van Le Fantôme de l’Opéra van Gaston Leroux. Het verhaal over het operaspook Erik, Christine en Raoul heeft in het populaire, lichte amusement veel succes gekregen.

Een en ander is van belang om de ansichtkaart te dateren en begrijpen. Want als het boek van Leroux geen succes zou zijn geweest, is het niet logisch om te veronderstellen dat het redelijk kort na verschijnen in Nederland als inspiratie voor een gemaskerd bal zou dienen. De datering van de James Garner Collection geeft 1910 tot 1919.

Of de in november 1918 beëindigde Eerste Wereldoorlog met zoveel verschrikkingen en verminkte militairen tevens een inspiratie vormde voor deze gotische vermomming weten we niet zeker. Het houten been van de orgelman en de zombie-achtige kijk van de middelste figuur die bijna een symbool van de dood zelf is wijzen in die richting. Dat zou dus kunnen wijzen op een datering aan het eind van de jaren 1910.

Het lijkt aannemelijk om te veronderstellen dat we van links naar rechts losse verbeeldingen zien van de hoofdpersonages uit Le Fantôme de l’Opéra, te weten met viool Erik, zangers Christine en de aristocratische Raoul.

Het gemaskerd bal was een initiatief van ‘Olympia’. Het verkocht de ansichtkaart waarschijnlijk aan de leden om uit de kosten te komen. Over de naam ‘Olympia’ worden geen verdere bijzonderheden gegeven. Dat maakt het lastig omdat het een veel voorkomende naam van verenigingen was.

De vermelding van fotograaf Brincker, leidt bijna zeker naar de Zutphense fotograaf Johan Wilhelm Jr. Brincker (1876-1950). Op de fotoPortret van Annie Koch (…)’ van Atelier Brincker uit 1908-1920 is met enige moeite dezelfde studioachtergrond te herkennen (met rechts een boom of struik en links een afscheiding met gordijn) als op de ansichtkaart van Olympia. De Zutphense gymnastiekvereniging Olympia die in 1875 werd opgericht is waarschijnlijk het Olympia dat op de ansichtkaart wordt genoemd en het bal masqué organiseerde.

Aan de vooravond van oorlog

Is het 31 augustus 1939 en staat Europa aan de vooravond van oorlog, zelfs een Derde Wereldoorlog? Nee, het is vandaag 23 februari 2022. Historische vergelijkingen gaan mank. Die bevatten te veel speculatie. Het is evenmin 26 februari 2014, de vooravond van de inname van de Krim door Russische troepen. Ook is het geen Eerste Wereldoorlog toen Duitse, Oostenrijks-Hongaarse en Ottomaanse troepen vochten tegen de Entente. Of de Tweede Wereldoorlog toen Duitsers, Italianen, Japanners, Hongaren, Bulgaren, Roemenen en andere kleine mogendheden vochten tegen de Geallieerden.

Is de Russische president Vladimir Poetin een soort Adolf Hitler die voor krankzinnig en rancuneus wordt uitgemaakt en zijn eigen ondergang bespoedigt?

De geschiedenis zal het leren. Hitler was een korporaal in het Keizerlijke Leger die zich opperbevelhebber waande, maar de ene na de andere slechte militaire beslissing nam die de Duitse generaals moesten slikken. Poetin die in de toenmalige DDR in de Sovjet geheime dienst KGB carrière maakte zou niet zoals hij zelf zegt overste, maar majoor zijn geweest. De laagste rang van hoofdofficier. Het valt te bezien of Poetin generaals als Valeri Gerasimov weet te overrulen. Dan ontmoet de tacticus en amateur-strateeg Poetin de strateeg Gerasimov, zoals de tacticus en amateur-strateeg Hitler de strateeg Walther von Brauchitsch ontmoette.

Herhaalt de geschiedenis zich? Daar lijkt het toch niet op. De omstandigheden in het Europa van 2022 zijn faliekant anders dan in 1914, 1939 of 2014. Leiders maken wel steeds dezelfde fouten. Ze overschatten eigen kracht, onderschatten tegenkracht en beginnen een oorlog uit wrok, zelfoverschatting, verveling of afleiding voor de echte problemen in hun land. Het leed en de pijn herhalen zich. Maar de afloop is altijd anders.

Nooit weer‘ zeggen politici, ethici, mensenrechtenactivisten, politicologen en allerlei opinieleiders. Maar ze zijn niet bij machte om dat af te dwingen. Ze hebben geen divisies. De oproep om een oorlog in Europa te vermijden werkt niet als een politieke leider er anders over denkt. Of over voelt. Het is niet anders. De orde verandert periodiek in chaos en wanorde om daarna tot een nieuw evenwicht te komen. De passage doet pijn.

Religieuze doping, commercie en oorlogspropaganda tijdens de Eerste Wereldoorlog: ‘A Church Service On The Battle Field’ (1916)

Schermafbeelding van de grammofoonplaat ‘A Church Service On The Battle Field‘.

Nog enigszins kan ik me voorstellen om als militair te sterven in de verdediging van het eigen land. Het is een slecht idee, maar alla. Om echter als militair te sterven voor de God van Engeland, Frankrijk, Duitsland, Rusland, Servië, Oostenrijk-Hongarije, Nederland of welk land ook is onzinnig.

Het valt niet te rechtvaardigen én logisch recht te breien als de tegenstander die aan de andere kant van de loopgraven zit door zijn wereldse, militaire en religieuze meerderen met een beroep op een in andere landen identieke God van het christendom op dezelfde manier als de tegenstander wordt opgeroepen om zich op te offeren voor dezelfde God. Aan welke kant staat deze God in hemelsnaam? Het is een perverse oproep.

De in Frankrijk opgerichte site Archeophone.org laat oude, kwetsbare was- en celluloid-cilinders horen die tussen 1888 en 1928 werden geproduceerd. Deze geluidsopnames zijn kwetsbaar en slijten snel als ze op vintage grammofoons worden afgespeeld. Daarom zet Archeophone ze over op andere, meer duurzame geluidsdragers, zoals CD’s die op een computer of MP3-speler kunnen worden afgespeeld.

Hieronder ook de geluidsopname ‘A Church Service On The Battle Field‘ uit de Eerste Wereldoorlog die van historische waarde is. Hier is de opname van 2’57” te beluisteren. Na hoorngeschal, de nabootsing van hoefgetrappel en marcherende militairen roept de persoon die de predikant van de Church of England moet voorstellen op om het gezang ‘Rock of Ages, cleft for me‘ (= Rots der Eeuwen, gespleten voor mij) aan te heffen: ‘Rock of Ages, cleft for me, // Let me hide myself in Thee; // Let the water and the blood, // From Thy riven side which flowed, // Be of sin the double cure, // Save me from its guilt and power.’

Het idee van deze hymne is dat Jezus Christus een stabiele rots is in wiens gespletenheid of opening de militairen zich kunnen verschuilen. Dit is een passend gezang voor de artilleriebombardementen van militairen die betrekkelijk weerloos in hun loopgraven zijn. Ze kunnen zich nergens verschuilen. Het is echter bovenal misleidend en zelfs misdadig omdat een hymne die verwijst naar bovenzinnelijkheid geen oplossing biedt voor de praktische oorlogsvoering. Er zijn geen verhalen overgeleverd van militairen die tijdens een bombardement hun leven hebben gered door in de gespletenheid van een rots te vluchten.

De predikant vervolgt: ‘Let us command ourselves bodies and souls into the hands of our mighty God. Asking him to take from us all doubt and fear. And to give us courage and strength to do our best as loyal soldiers of a King and the faithful sons of our motherland and Empire. We wil therefore go for … trusting in God. May the grace of our Lord Jesus Christ and the love of God and the fellowship of the Holy Ghost be with you all evermore. Amen.’


Ansichtkaart ‘Church Service Before Battle” depicts a group of World War I-era soldiers kneeling to pray at a church service before going into battle.

Deze opname is geen registratie van een religieuze dienst te velde in Frankrijk, maar een studioproject van Pathé dat commercie en oorlogspropaganda combineert. De stem van de predikant is van de Amerikaanse entertainer en geluidspionier Russell Hunting die sinds 1898 in Engeland woonde. Hij had een managementfunctie bij Pathé en leende in zijn latere carrière incidenteel zijn stem voor opnames. ‘A Church Service On The Battle Field‘ is een van de drie opnames met Russell Hunting die Archeophone heeft weten te archiveren.

Na deze oproep tot strijd door de vermeende religieuze leidsman wordt met geluidseffecten gesuggereerd dat de vijand op de rechterflank massaal dreigt door te breken. Gezegend voor de strijd en onder de vermeende bescherming van God, Jezus Christus en de Heilige Geest mogen de Engelse militairen zich opofferen voor het goede doel. Opgewekt dat ze zich in het zwaard van de tegenstander kunnen storten.

Gezien de commerciële opzet van Pathé lijkt het eerder het thuisfront dan het front dat door deze opname aangesproken wordt. De christelijke retoriek is bedoeld om de militairen moed en sterkte te geven en de twijfel en angst weg te nemen. Maar de opname richt zich ook op het thuisfront om vertrouwen te houden op de goede afloop en defaitisme te bestrijden. In 1916 stond de afloop van de oorlog nog lang niet vast. Of echte kerkdiensten te velde met soortgelijke christelijke retoriek zo gewerkt hebben bij de door de wol geverfde frontsoldaten is de vraag.

Naast deze religieuze doping is de inzet van drugs tijdens oorlogen gangbaar om frontsoldaten in het gareel te houden. Łukasz Kamieński schrijft daarover in het artikel Drugs (vertaald): ‘De Eerste Wereldoorlog was in dat opzicht geen uitzondering: de belangrijkste ‘oorlogsdrugs’ waren alcohol (voornamelijk bier, cognac, rum, schnaps, wijn en wodka), morfine en cocaïne. Deze werden zowel “voorgeschreven” door militaire autoriteiten als “zelf voorgeschreven” door soldaten. Net als in het verleden varieerden de redenen voor het gebruik van drugs: van puur medisch (pijnstillend, verdovend en stimulerend) tot prestatieverbetering, van het verhogen van de vechtlust tot het verlichten van gevechtstrauma’s, van het versterken van de banden tussen metgezellen tot het verminderen van de angst voor de strijd.’

Schermafbeelding van fiche van Archeophone ‘A Church Service On The Battle Field‘ met Russell Hunting voor Pathé

Gedachten bij de foto ‘Moses Marx (seated on far right) with three fellow soldiers and a couple in Poland in World War I’

Als het geen foto, maar een tekening was, had dit een werk van Cedric ter Bals kunnen zijn. Hij geeft met felle kleuren en met teksten in zijn Schevenings-Duits op geheel eigen wijze commentaar op de Eerste Wereldoorlog.

De toelichting zegt dat het hier gaat om Moses Marx (uiterst rechts gezeten) met drie kameraden en een echtpaar in Polen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Tot november 1918 stond het zogenaamde Regentschaftskönigreich Polen onder controle van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Het is precies die sfeer die Arnold Zweig in zijn roman ‘Der Streit um den Sergeanten Grischa (1927) beschrijft. In Nederland in vertaling verschenen bij Uitgeverij Cossee. Grijstinten in de sneeuw.

Het bord links naast de deur geeft aan dat er wodka en schnaps gedronken kan worden. Hier lijkt sprake van kleine nering die wordt uitgebaat door de plaatselijke bevolking. De zo te zien Joodse uitbater zoekt de symbiose met de bezettende macht die ook een zekere mate van stabiliteit en bescherming geeft.

Het gaat volgens de toelichting om een of meer Duitssprekende, Joodse militairen. Een verschil met het Hitleriaanse Duitsland van 20 jaar later. Het Leo Beck Research Institute dat zich richt op Duitssprekende Joden zegt hierover: ‘During the First World War, 100,000 Jews served in the German Army, and another 320,000 served in the Austro-Hungarian Army.‘ De geschiedenis herhaalt zich niet.

Nagekomen bericht 21 februari 2022: Cedric ter Bals stuurde me per e-mail onderstaande tekening (klein formaat) die is gebaseerd op bovenstaande foto. Katten heeft hij zo te zien in zijn hart gesloten. Wie geïnteresseerd is in deze tekening kan hem een e-mail sturen: cedricterbals4@gmail.com.

Cedric ter Bals, ‘Eine Familie’ (tekening), 2022.

Repliek op het artikel ‘Ons eigen landje, maar deel van Nederland’ over Zeeuws-Vlaanderen

Schermafbeelding van deel artikel Ons eigen landje, maar deel van Nederland van Nina Rijnierse in De Groene Amsterdammer, 26 januari 2022.

Nina Rijnierse maakte met steun van de Vlaams-Nederlandse Journalistenbeurs een artikel over Zeeuws-Vlaanderen dat op 26 januari 2022 in De Groene werd gepubliceerd. Het is aardig om te lezen, maar kiest een te nauw perspectief en loopt het gevaar er een safari van exotisme van te maken.

Rijnierse maakt een rondgang door dit deel van Zeeland onder de Westerschelde met ongeveer 105.000 inwoners en concentreert zich op de grensstreek. In deze krimpregio spreekt ze in Westdorpe en Sluiskil maar ook in Hoofdplaat inwoners die hun visie op de demografische en politieke ontwikkelingen geven. Dat speelt op dorpsniveau.

Zij raakt de roos als ze verwijst naar het verdwijnen van allerlei overheidsdiensten uit Zeeuws-Vlaanderen. Ze noemt het ‘Kantongerecht, belastingdienst, douane faciliteiten, Kamer van koophandel, UWV, CBR, Marechaussee, GGZ’ die ze overneemt uit de niet aangenomen motieZeeuws-Vlaanderen Wingewest‘ in de Terneuzense raad uit juni 2020 van PvdA’er Laszlo van de Voorde. Overigens een onevenwichtige motie die aannames doet zoals ‘wijdverbreide gevoel niet meer volledig bij Nederland te horen’ die niet door de feiten of onderzoek ondersteund worden.

Het verdwijnen van deze overheidsdiensten uit een regio is inderdaad opvallend maar is niet specifiek voor Zeeuws-Vlaanderen of krimpgebieden in algemene zin. Overheden en semi-overheden hebben overal in Nederland ingezet op schaalvergroting en rationalisatie. Met als nadeel dat de afstand tot de overheid overal toeneemt en burgers zich niet meer gehoord voelen. Wie nu een klacht in moet dienen over een milieudelict over Dow Chemical in Terneuzen moet bellen naar de regio Rijnmond waar Zeeland onder ressorteert. In regio’s als Groningen, Achterhoek, Zuid-Limburg of Drente zullen inwoners zich evenmin gehoord voelen.

Het is jammer dat Rijnierse het gepolder met de Hedwige polder laat liggen en niet noemt. Waarom dat zo is blijft gissen. Nu zelfs het lokale GroenLinks zich tegen ontpoldering uitspreekt had De Groene geen vrees moeten hebben om dit aspect in een verhaal over Zeeuws-Vlaanderen op te nemen.

In de ontpoldering van de Hedwige polder tot ‘natuurgebied’ die nu door de Vlaamse overheid versneld wordt uitgevoerd komt al het ongenoegen van Zeeuws-Vlaanderen samen. Het idee is dat de Belgen vrezen voor een juridische nederlaag vanwege de vervuiling van de Westerschelde door het kankerverwekkende PFAS van onder meer de 3M-fabriek in het Belgische Zwijndrecht en daarom een voldongen feit willen realiseren voordat ze door de rechter worden teruggefloten. Vraag is of dat zorgvuldig bestuur van de Vlaamse overheid is en het van goed nabuurschap getuigt om zo met Zeeuwse buren om te gaan.

Dat ongenoegen bestaat uit de macht van de Antwerpse haven die de Nederlandse overheid in de houdgreep heeft, een zwak opererend Zeeuws provinciaal bestuur dat weinig voor elkaar krijgt, slecht georganiseerd is en geen profiel voor de toekomst durft te kiezen (industrie, kwaliteitstoerisme, natuur, zorg en gepensioneerden) en natuurorganisaties die als verraders worden gezien omdat ze zich laten lijmen door de grootindustrie tegen de belangen van de gewone Zeeuws-Vlamingen en boeren in. Dat komt bovenop de nadelen die elke krimpregio treffen.

In grensstreken is altijd grensverkeer. Dat is ook zo in Limburg en Twente waar Nederlanders in Duitsland wonen en werken of Duitsers zich oriënteren op Nederland. De instroom van Belgen in Zeeuws-Vlaanderen is niet nieuw en moet ook niet zo voorgesteld worden. Na de Eerste Wereldoorlog bleven vele naar Zeeuws-Vlaanderen gevluchte Belgen daar na de oorlog wonen. Binnen families trouwen al eeuwen Zeeuws-Vlamingen met Vlamingen. De culturele verschillen met Vlamingen uit de grensstreek zijn kleiner dan met ‘Hollanders’.

Daarmee is echter niet gezegd dat Zeeuw-Vlamingen vinden niet meer bij Nederland te horen, zoals Laszlo van de Voorde in zijn motie stelde. Integendeel, je zou zelfs kunnen zeggen, dat ze door de verschillen die ze ervaren zich er juist meer van bewust zijn om Nederlander te zijn. Dan gaat het wel om de variant van Nederlanderschap die zowel lokaler als internationaler is dan het ‘Hollanderschap’ dat in Nederland dominant is. Dat aspect laat Rijnierse liggen. Het lijkt in het van oorsprong katholieke oostelijke deel (Hulst) trouwens minder ervaren te worden dan in het van oorsprong protestante westelijke deel (Terneuzen, Sluis). Wel lijkt het juist om te beweren dat Zeeuws-Vlamingen zich door ‘Den Haag’ (en ook ‘Middelburg’) in de steek gelaten voelen. Dat is de kern, maar niet uniek voor Zeeuws-Vlaanderen.