Is er een waarheid over ‘Who is afraid of Natasha?’ op Triënnale Brugge 2021?

Afgelopen week bezocht ik de Triënnale Brugge en het werk Who is afraid of Natasha? van het artistieke en relationele duo Joanna Malinowska & C.T. Jasper sprak me het meest aan. Vooral omdat het interessant is en perfect aansluit bij het thema Trauma dat de curatoren zelf omschrijven als een zoektocht ‘naar het verborgene en [hoe] balanceren we tussen droom en realiteit, privé en publiek’.

Het standbeeld van Natasha werd in 1949 gemaakt en stond van 1953 tot 1990 op een centrale plek in Gdynia. Deze Poolse havenstad vormt met Sopot en Gdansk de zogenaamde Driestad. Het is herplaatst in het Begijnhof dat ondanks een continue stroom toeristen een betoverende plek blijft.

Het beeld is van de Poolse beeldhouwer Marian Wnuk. Een beschrijving over de herplaatsing zegt: ‘Verder werd op de Sovjet-soldatenbegraafplaats [in Gdynia-Redłowo] een monument geplaatst, door Gdynians ‘Natasha’ genoemd. Dat is het Monument van Dankbaarheid. Gemaakt ​​in de jaren 50 stelt het een vrouw voor met een vaandel. Ze stond oorspronkelijk op een representatieve plaats op het Kościuszko-plein, tegenover het commandogebouw van de Marine. ‘Natasha’ is gemaakt door Marian Wnuk en is een typisch voorbeeld van kunst uit de periode van socialistisch realisme’.

Het valt te bezien hoe correct deze feiten zijn. Het beeld werd niet in de jaren 1950 gemaakt en of het een typisch voorbeeld van sociaal realistische kunst is staat 70 jaar later ter discussie. Al, of juist, in de weergave van de feiten dreigt de waarheid onder te sneeuwen.

Opvallend is dat in de publiciteit van de Triënnale de naam van de maker niet wordt genoemd, terwijl door alle betrokkenen die erop terugkijken het beeld als artistiek geslaagd wordt beschouwd. Dat gebeurt wel in de begeleidende film waar Wnuks zoon aan het woord komt. Hij vertelt dat zijn vader die docent was een student model liet staan voor ‘Natasha’. Zij werd zijn moeder. Martin Wnuk zou volgens de zoon geen communistische kunstenaar zijn geweest, maar juist kritiek op het toenmalige bewind hebben gehad.

Over wat het beeld voorstelt lopen de meningen sterk uiteen. ‘Natasha’ zou geen soldate zijn, zo draagt ze geen wapen, maar een symbool. Wat haar politiek minder beladen maakt en bij sommigen de vraag oproept waarom dit beeld in 1990 uit het stadscentrum moest worden verwijderd. Zoals gezegd was de officiële naam ‘Het Monument van Dankbaarheid’ en verwijst dat naar het Sovjetleger waarvan de toenmalige communistische uitleg was dat het Polen had bevrijd van het nazibewind, maar na 1990 de post-communistische uitleg is dat het Polen tegen de eigen wil had bezet.

Polen was een bijzonder geval omdat het een belangrijk onderdeel was van de geallieerde strijdkrachten, maar na de Tweede Wereldoorlog daar niet van profiteerde. Onder generaal Stanisław Maczek werd een groot deel van Zuid-Nederland bevrijd in de veldtocht van 1944-45. Standbeelden van deze generaal staan her en der in Nederland en vormen een diapositief van Natasha.

Verwijderen van standbeelden sluit aan bij de huidige golf van identiteitspolitiek en cancelcultuur waarbij kunstenaars om politieke redenen of een vermoeden van ongewenst gedrag worden geboycot of uit de openbaarheid verbannen. ‘Natasha’ werd als kunstwerk uitgesloten.

Culturele dwarsverbanden van dit project zijn talloos. Het staat in de Franse 19de eeuwse traditie van standbeelden en navolgers daarvan die door middel van krachtige vrouwen de strijd symboliseren. Marianne, de nationale personificatie van Frankrijk wordt Natasha. Recenter is de verwijzing naar een project van de Litouwse kunstenaar Deimantas Narkevičius die een beeld van Karl Marx uit Chemnitz van de Sovjet-kunstenaar Lev Kerbel naar de Sculptura 2007 in Münster wilde verplaatsten maar daar van de autoriteiten geen toestemming voor kreeg. Net als Malinowska en Jasper reflecteerde hij met een film op het werk van een andere kunstenaar en maakte daar een nieuw kunstwerk van door er een schil van betekenis omheen te weven en te verbinden met alles en nog wat.

De veelheid van betekenissen die de oude en nieuwe ‘Natasha’ oproepen laat zien hoe veranderlijk en vluchtig herinnering en geheugen van individuen zijn. De film bij uitstek die dat thematiseert is Rashomon (1950) van Akira Kurosawa dat een incident onderweg vanuit vier perspectieven vertelt die alle een eigen afgesloten geloofwaardige waarheid vormen. De kunst is buitengewoon geschikt om daar op te reflecteren en ons te wijzen op onze vergankelijkheid in tijd en bewustzijn.

Een citaat past op dit project Who is afraid of Natasha? De Frans-Turks/Armeense kunstenaar Sarkis verwijst naar een citaat van de Duitse auteur Alfred Andersch in diens essay ‘Alles Gedächtnis der Form‘ over regisseur Alain Resnais: ‘Het geheugen van de wereld bestaat uit enkele beelden, standbeelden, geluiden, gedichten, epische passages, waarin het lijden vorm krijgt’. Dat klinkt tamelijk christelijk. Onthouden wij het lijden het best? Hoe dan ook geven Malinowska en Jasper ons een steuntje om de wereld te registreren en in ons geheugen levendig te houden. Dankzij hen kijken we met frisse blik terug op Brugge, Gdynia en de 20ste eeuwse geschiedenis. Voor zolang het duurt.

Marian Wnuk, Pomnik wdzięczności of Monument van Dankbaarheid, (1949-1953), herplaatst op nieuwe sokkel en hernoemd als ‘ Who is afraid of Natasha?‘ door Joanna Malinowska & C.T. Jasper in Triënnale Brugge 2021 (eigen foto, augustus 2021).

Christian Boltanski is overleden. Wat was zijn werk waard? Zal de kunstkritiek daar over na gaan denken?

Schermafbeelding van deel artikelNecrologie;
Christian Boltanski (76), de macabere kunstenaar, is overleden
‘ van Toef Jager in NRC, 14 juli 2021.

Over de doden niks dan goeds. De Franse kunstenaar Christian Boltanski is overleden op 76-jarige leeftijd. Bij een bepaald segment van het publiek was deze autodidact immens populair.

Maar ik kon zijn kunst niet anders zien dan smieren in het theater. Boltanski speelde sterk op effect. Te sterk. Hij vertoonde kunstjes zodat zijn werk raakte aan sentimentaliteit, sensatiezucht en gladheid. Hij was een poseur.

Boltanski maakte namaakkunst waarvan hij wist dat die vooral om politieke redenen en door politieke dekking goed lag bij een breed publiek. Boltanski handelde in cliché’s. Boltanski maakte kunst niet vanuit een innerlijke noodzaak, maar om een façade op te trekken van schijnkunst.

Maar dat is nog geen reden om hem af te schrijven. Want vele hedendaagse kunstenaars handelen door herhaling tot vervelens toe uitsluitend vanuit de anekdote zoals Boltanski deed. Dat staat vernieuwing in de weg. Daarom zou aan de norm voor wat een kunstenaar is toegevoegd moeten worden dat hij of zij streeft naar vernieuwing door zich op onbekend terrein te begeven. Al is het door incidentele uitstapjes.

Boltanski deed het omgekeerde en herhaalde het voor hem bekende. Hij deed dat gewiekst doordat hij dat verbond aan het in stand houden van de herinnering, zodat nader inzicht nodig was om het naar waarde te schatten. Hij verhulde slim zijn eigen zwakte als kunstenaar.

Een minimalist als Daniel Buren heeft het overigens makkelijker om zich te herhalen door strepen te zetten in zijn kunst, dan Boltanski door met zijn kunst te strepen in de geschiedenis.

Dat een deel van het publiek hem in de armen sloot kon ik begrijpen, maar dat een deel van de kunstkritiek dat ook deed vond ik altijd onbegrijpelijk. Hoewel, kunstkritiek is uiteindelijk even subjectief en slecht onderbouwd als elke individuele mening. Het is geen wetenschap, maar een persoonlijke beschouwing.

Zo wordt de dood van Boltanski een scheiding der geesten. Niet zozeer de geest van Boltanski die definitief afscheid van de wereld neemt, maar het debat tussen voor- en tegenstanders over de waarde van zijn werk. Want het valt te voorzien dat nu hij er niet meer is de tegenstanders zich vrijer voelen om zich uit te spreken. Een overlijden is daar de geëigende gelegenheid voor.

De kunstkritiek komt overvallen door de actualiteit er voorlopig niet aan toe en steekt een verplicht verhaaltje af dat de gebeurtenissen van Boltanski’s leven op een rijtje zet alsof het de punten van een kindertekening met elkaar verbindt. Braaf en netjes. Maar wat de tekening zelf zegt weet het niet of kan het voorlopig nog niet beseffen.

Deze kunstkritiek heeft onvoldoende tijd gehad om na te denken wat de waarde van het werk van Boltanski is. Dat is deels begrijpelijk, want het tempo is hoog. De kunstkritiek wordt al jarenlang opgejaagd door de kunsthandel, de publiciteit en manifestaties als Documenta’s en Biënnales die de publiciteit van kunstenaars aanwenden om hun eigen belang te benadrukken. Overdenking of beoordeling is het sluitstuk geworden. De necrologie van de kunstenaar is het praalgraf waarop de feiten staan genoteerd, maar de betekenis nog ontbreekt.

Gedachten bij foto ‘Foire du Trône : la fête est finie’ (1933). Kermis als cultuur

Wie herinnert zich als kind niet de opwinding als wagens de stad inrijden voor de jaarlijkse kermis? Ze doken onverwachts op en stonden ineens ’s ochtends vroeg als ingepakte cadeautjes op de markt. Wie voelt nog de droefenis als ze na een week of tien dagen ineens de stad weer hadden verlaten? Even leek het of het feest eeuwig zou zijn. Zoals voor de eendagsvlieg elke dag eeuwig is. Dat was de misrekening. Kermis is cultuur, zo wordt beweerd. Dat wat ons verbindt. Niet alleen met elkaar, maar ook het kind met de volwassene binnen één individu. Dat is geen economische basis voor het bestaan ervan, maar wel een culturele basis. Daar gaat het mank. Kermis is een plaats van geheugen waar de worsteltent waar de plaatselijke gewichtheffer furore mocht vieren, de friemelende muizenstad en de onbegrepen schittering van de attractie met Boheems kristal samenkomen. Onlosmakelijk verbonden met de populaire muziek van de generatie waartoe men behoort. Dat is onbetaalbaar en onschatbaar, maar betaalt niet uit. Kermis is goeddeels herinnering en verlangen naar het verleden. Op die vroegste archeologische herinneringslaag komen later weer andere lagen te liggen. Deze foto van Roger Schall uit 1933 loopt weer vooruit op een van de beginshots van de film Jour de fête uit 1949 van Jacques Tati. Als het feest nog moet beginnen. Vooral de viering van jeugd en onbezorgde horizonloosheid.

Foto 1: Roger Schall, ‘Foire du Trône : la fête est finie’ (Kermisterrein du Trône: het feest is voorbij). Collectie: Musée Carnavalet, Histoire de Paris.

Foto 2: Still uit Jour de Fête (1949) van Jacques Tati.

Niet zomaar een ansichtkaart van Terneuzen, 1915

Zomaar een oude ansichtkaart van de haven van van Terneuzen. Het is 1915, zo zegt een beschrijving. Is het echt? Op de achtergrond is de Westerschelde te zien, links richting Vlissingen, rechts richting Antwerpen. Het vrachtschip ligt met de kop in de richting van het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Voor de sluis. Naar België dat in een oorlog is gewikkeld? Dit is een grensgebied, hoewel daar niets van valt te merken. Is het niet 1913?

Nou, niet zomaar een oude ansichtkaart, want ik woonde vanaf mijn 9de jaar rechts om de hoek. Aan de Scheldekade. Nu hangt in mijn woonkamer een foto van een oud-familielid uit dezelfde periode (1900? 1910?) met bijna hetzelfde perspectief. Eveneens met een stoomboot, maar ook met twee grote zeilschepen erachter.

Die oude foto’s zijn meren van herinnering, zoals Rudy Kousbroek het noemde, maar niet voor mij. Want in 1915 was ik nog niet geboren. Het zijn eerder herinneringen van de zee waaruit ik pak wat ik kan gebruiken. Zo’n foto verbergt  archeologische lagen die er door de jaren heen op worden geplakt. Wie weet dat waar de man met de emmer loopt 50 jaar later een wit friteskraam stond? En dat de veerboot -‘de provinciale boot’- jarenlang in de haven aanmeerde? Vaart de voorloper van de veerboot die ik kende niet juist de haven in?

Foto: ‘Vergane glorie – Stoomschepen bij de sluis van Terneuzen, 1915.

Bij foto’s over het dichten van het gat in de Veerhaven van Kruiningen (23 juli 1953)

Het verleden ligt opgeslagen in beeldmateriaal. In foto’s en films. Soms ontstaat de behoefte om dat verleden dichterbij te halen. Zelfs als we er zelf niet bij waren. Zomaar om terug te halen hoe een tijdperk ook al weer was. Het geheugen is immers niet altijd betrouwbaar. Soms speldt het ons iets op de mouw. Dan denken we ons iets te herinneren, maar is het verbeelding. Dan houden we onszelf voor de gek. Gedachteloos. Dat terughalen aan de hand van beelden lukt echter niet altijd. Het is eerder een uitzondering als het wel lukt.

Neem de feestelijke gebeurtenis op 23 juli 1953 van het dichten van het gat in de Veerhaven van Kruiningen met een caisson. Een half jaar na de watersnoodramp. In het ANP Archief zijn 10 foto’s van Co Zeylemaker terug te vinden. Fraaie zwart-wit opnamen met sleepboten die liggen te stomen tegen een onbewolkte lucht. Een zonnig plaatje uit een wolkeloos tijdperk, zo lijkt het. Als baas van de sleepboten moet mijn grootvader Willem Muller bij die gebeurtenis aanwezig zijn geweest. Maar waar? Ik herinner me hem met een lange regenjas, sigaret en donkere hoed, type Homburg. Maar zoals gezegd, wellicht herinner ik het me verkeerd.

Downloadbare foto’s uit het ANP Archief hebben geen hoge resolutie. Die moeten speciaal besteld worden. Om uitsluitsel gaat het me niet. Wat maakt het uit als ik mijn grootvader op de foto terugvind? Waar heb ik dan beslag op gelegd? Uitvergroten leidt tot een grove korrel. Het vergroot het mysterie zoals in de film Blow-up van Michelangelo Antonioni dat gebaseerd was op het verhaal ‘Het kwijlen van de duivel’ van Julio Cortazar. Om het verleden terug te halen hoeft het niet tot in de puntjes herleid worden. Waarom niet volstaan met een uitvergroting met een schim van wie ik me voorstel dat het mijn grootvader is? Time on my hands.

Foto 1: Foto ‘Kruiningen-veerhaven-caisson-dichten-dijk-watersnoodramp’, 23 juli 1953. Fotograaf Co Zeylemaker. Collectie ANP Archief.

Foto 2: Uitvergroting van fotoKruiningen-veerhaven-caisson-dichten-dijk-watersnoodramp’, 23 juli 1953. Fotograaf Co Zeylemaker. Collectie ANP Archief.

Wordt oud deel begraafplaats Egmond aan Zee een monument?

Vergeet het maar dat in de dood iedereen gelijk is. In Egmond aan Zee dreigen op de begraafplaats oude grafzerken met cultuurhistorische waarde te verdwijnen. Omdat de gemeente een andere bestemming voor de grond heeft. Anita van Breugel van de Stichting Historisch Egmond komt in actie. Ze riep iedereen op om te helpen bij de inventarisatie van de graven. Dat was op 23 mei. De opzet van Historisch Egmond is om samen met het Museum van Egmond, Archeozorg en Dorpsvereniging ‘de Parel’ van het oude deel van de begraafplaats een gemeentelijk monument te maken. Dood en begraven, een onderwerp dat actueel blijft.

Never Forgotten, een gestolen kunstwerk als herinnering

Neven Forgotten van Nic Joly is tamelijk bekend, zoals onderstaande reportage van de BBC laat zien. Het verwijst naar de Eerste Wereldoorlog. Met de klaproos als symbool van herinnering. In de Castle Fine Art Gallery in het Engelse Birmingham nam Mike Roberts (41) dit werk op 17 augustus van de muur en liep de galerie uit. Hij leek er bewust naar op zoek. De gesigneerde multiple in beperkte oplage is te koop voor £695.

NJO_Never_Forgotten_F

Berichten spreken elkaar tegen of Roberts vlak buiten de galerie of thuis is gearresteerd. Waarschijnlijk dat laatste. Inmiddels is hij uit hechtenis naar huis teruggezonden en moest hij gisteren voorkomen. Wat kan de uitspraak zijn? De diefstal vestigt de aandacht op kunstenaar en kunstwerk. Mooi meegenomen voor Nic Joly.

Foto: Nic Joly, Never Forgotten, 2014. Multiple in een oplage van 1566. Van elk verkocht werk doneert Castle Galleries £100 aan The Royal British Legion.

Astrida: 1940

ast

Wat zien we? Waar is dat? Welk jaar is dit? Een vrachtschip met de naam Astrida in een kanaal. Zo lijkt het. Oud en nieuw ontmoeten elkaar. Een motorschip en een hoogaars. Die laatste geeft de locatie prijs: Zeeland. Het is Terneuzen. Het schip ligt in het kanaal naar Gent. Het jaar is 1940. De Astrida is een Belgisch schip van de Antwerpse ‘Compagnie Maritime Belge‘. Wat doet het daar? Weet de bemanning wat de nabije toekomst gaat brengen? Nee, waarschijnlijk niet. Nu nog even niet. Da’s misschien maar beter zo. Of voelen ze de dreiging?

Ik kan geen genoeg krijgen van dat beeld dat voorgoed stilstaat. In m’n geboorteplaats die zo veranderd is en in mijn herinnering altijd 1965 is. Vredig kabbelen de golven. Passeren de wolken. Aarzelt de zon door het lover. Evenals die andere foto van de Orzel. In datzelfde kanaal dat bij nader inzien toch een ander kanaal was. Zoals alle kanalen en schepen uit 1940 steeds meer op elkaar gaan lijken. Hoe meer de tijd voortschrijdt.

astrid10

Foto 1: Astrida in zijkanaal A te Terneuzen, 1940.

Foto 2: Astrida.

Restitutie en roofkunst: de herinnering blijft

Update 5 november 2013: Miljarden aan kunstschatten in Munchen. Wanneer stopt het? 

Hoever moeten herinnering en herdenken teruggaan? Twintig, vijftig, honderd jaar? Welke generaties zijn erbij betrokken en hebben recht van spreken? Hoe kunnen zelfbenoemde woordvoerders door anderen gelegitimeerd worden? Hoe kunnen ze hun recht claimen? Wat is de morele ruimte voor anderen om daaraan voorbij te gaan?

Dit soort vragen werden voor mij opgeroepen bij de Goudstikker-claim op tijdens de Tweede Wereldoorlog geroofde kunst uit joods bezit. Roofkunst. Aan dat exclusieve beroep van nabestaanden heb ik een onaangename smaak overgehouden. In mijn ogen is het ontspoord in een actie van niet onbemiddelde Amerikanen om openbaar kunstbezit te ontvreemden uit Nederlandse musea. Maar toch, geroofde kunst moet terug naar de juridische eigenaar.

Komt mijn ongenoegen door de professionalisering van de claim? De verre familie van nu treedt formeler en harder op dan de betrokkenen van toen ooit deden. Anderen die er als koper zijdelings bij betrokken werden omdat ze toevallig een schilderij hebben verworven, worden door een beroep op moraliteit oneigenlijk onder druk gezet. Hun verweer is lastig. Ze zwemmen in de fuik van oneigenlijke argumenten en valse sentimenten. Da’s ontoelaatbaar gedrag van een lobby die een beroep doet op joods slachtofferschap van hun voorouders.

De oplossing lijkt me simpel. De buitenlandse lobby maakt zich krachtig en verzamelt voldoende geld om het geroofde bezit voor een marktconforme prijs te kopen of houdt anders de mond.

Aandacht voor het verleden is nodig en daarbij hoort respect voor slachtoffers. Zelfbenoemde woordvoerders van nu missen de ervaringen van toen en kunnen alleen namens zichzelf spreken. Dat zouden ze beter moeten beseffen in hun argumenten en het exclusieve beroep op moraliteit dat de anderen weerloos laat.

Nabestaanden moeten oppassen zich niet mee te laten voeren door hun oprechte betrokkenheid die de onaangename gebeurtenissen van het verleden onwaardig en plat maakt. Da’s een resultaat waarbij iedereen verliest. De nagedachtenis aan de slachtoffers nog wel het meest. Dat mag nooit verzakelijkt worden.

Foto: Amerikaanse militairen dragen roofkunst dat in 1945 in een Oostenrijks kasteel ontdekt is. Credits: /Getty

Orzel

Update 30 juli 2015: Zie bij commentaar voor filmische Artist Impression anno nu van de Orzel. Bij de expositie over de bouw van onderzeeboten bij de Koninklijke Mij De Schelde te Vlissingen van 1904-1940. 

Diegenen die dachten dat het bijschrift van een foto het hele verhaal vertelt kennen de geschiedenis van de Orzel niet. Sinds kort is het Historisch Archief van het ANP ontsloten en zocht ik wat ik niet vond. Of vond ik wat ik niet zocht?

Waarom fascineert de foto me? Zijn het de spiegelingen in het donkere water of is het de halflandelijkheid? De zelfkant waarover Simon Vestdijk dichtte: De walm van stoomtram en van bleekerij; Of van de ovens waar men schelpen brandt; Is meer dan thijmgeur aanstichter van droomen. Op fabrieksterrein noch foto rijdt een lorrie. Maar het tafereel zet dromen in beweging.

De foto is een still. Op de pluim uit de fabrieksschoorsteen na wordt de suggestie van beweging onderdrukt. Nou nee, eerder ingeslikt. Wolken met straaltjes zon. Rimpelend water, links de wal met een somber industrieel gebouw en rechts op de achtergrond bomen met huizen en een aanlegplaats. Nauwelijks zichtbaar zijn drie arbeiders die over het water kijken. In de richting van de fotograaf die waarschijnlijk in een bootje staat. In het decor een onderzeeër. Het onderwerp. Op de zijkant van de toren staat Orzel. Op het gebouw: Anno Machinefabriek 1919.

Het begint te dagen. We zien een Nederlandse militaire scheepswerf tussen beide wereldoorlogen. Gezien de architectuur en de kleding van de arbeiders kan dat niet anders. Is de onderzeeër net afgebouwd en wordt-ie voor duikproeven getest? De luiken zijn dicht en de periscoop uitgetrokken.

Ik zocht op mijn geboorteplaats Terneuzen en vond deze foto. De Zeeuwse havenplaats aan de Westerschelde. Herkende ik nog iets van vroeger? Kon ik een gebouw, een contour, een persoon thuisbrengen? Nee, ik herkende niks. Terwijl het bijschrift toch zegt: Op een scheepswerf in Terneuzen worden momenteel duikproeven gehouden voor de onderzeeer Orzel. De onderzeeboot wordt gebouwd in opdracht van Polen. Datum 24 augustus 1938. Maar Terneuzen heeft bij mijn weten nooit een marinewerf gehad. Hoe zit het nou?

Als jongetje las ik ooit een boek met prachtige foto’s over de reis van de K18 en de zwaartekrachtmetingen van professor Felix Vening Meinesz. Na de verfilming van zijn tocht met de K XVIII in 1935 groeide Vening Meinesz uit tot een soort vleesgeworden held uit een jongensboek, zegt de TU Delft. Dat klopt, ik vond het schitterend, hoewel ik pas jaren later het boek van mijn vader las. Was mijn fascinatie voor de onderzeeër terug te voeren op de foto’s uit het boek van Vening Meinesz?

Tussen de oorlogen bouwden de Nederlanders goede onderzeeërs. Ze voeren er mee naar Nederlands-Indië. Geen wonder dat de Polen zich tot het neutrale Nederland wendden in de laatste vooroorlogse jaren. Het verbaast me gezien de macht van de Duitse handel over de Nederlandse economie van die jaren dat deze onderzeeërs aan Polen mochten worden verkocht.

De Orzel (Adelaar) was gebaseerd op de O19-klasse lees ik en werd door het Poolse volk bijeengespaard. Aanloopkosten werden betaald met gerst voor brouwerijen. Het werd samen met de Sep besteld dat bij de RDM in Rotterdam werd gebouwd. De Orzel werd op 15 januari 1938 bij De Schelde in Vlissingen te water gelaten en werd bekend toen het in september 1939 uit de haven van het Estse Tallin ontsnapte naar Engeland. Churchill beschreef dat als episch. In het voorjaar van 1940 kwam de Orzel van haar zevende patrouillle niet terug.

Hoe meer informatie ik krijg, hoe minder ik de foto begrijp. Ik zie en hoor geschiedenis, maar het past niet bij een plek die ik ken. Of is er iets mis met mijn herinnering? Maar wacht eens, de Orzel was toch in Vlissingen gebouwd? Niet in Terneuzen waar de scheepswerven aan het ondiepe kanaal van Gent naar Terneuzen onlogisch zijn voor duikproeven. Het bijschrift moet fout zijn.

 

Dat klinkt als een geruststelling. Niet mijn geheugen, maar het ANP-archief zit ernaast. Klopt dat? Werkgroep Industrieel Erfgoed Zeeland zegt: De machinefabriek van De Schelde is gebouwd in drie traversen, die in de jaren 1913, 1916 en 1919 werden opgeleverd. Dit jaartal werd op iedere traverse vermeld, de linker en rechtertraverse met de aanduiding “machinefabriek”. Het klopt. Het opschrift Anno Machinefabriek 1919 staat op een gebouw in Vlissingen. De Orzel had in Terneuzen niets te zoeken. Mijn herinnering blijft intact. Ik zocht wat ik niet vond, maar vond wat ik niet zocht.