Kermis in Nottingham (1950)

Edgar, Lloyd, Goose Fair, Forest, Nottingham, jaren 1950. Collectie: Beeldarchief Picture Nottingham.

Wat is er makkelijker dan kermis om even uit de realiteit te treden? Nou ja, uit de realiteit van het alledaagse dat ingewisseld wordt voor de veilige rariteit van volksvermaak op een plein. Het leuke eraan is dat het volk zich vermengt. En onder elkaar zichzelf vergeet. Iedereen gaat er in op. Zo is de opzet.

Feest is het vieren van een herinnering. Of het herinneren van een viering. Hoe dan ook hangen feest, viering en herinnering samen. Herinnering aan de viering wordt het aandenken dat in plaats van het feest komt. De vreugde van toen wordt omgezet in herinnering. En behouden.

Ach, wat een uitleg om iets als kermis op te pimpen met dure woorden. Dat heeft het helemaal niet nodig. Het lijkt wel sociologie die gewichtige uitspraken over de menselijke samenleving verkoopt als wetenschap. Dat is geen kennis, dat is buiten kennis.

De twee foto’s van het Engelse Nottingham dateren vermoedelijk uit de jaren 1950. Het is avond, de lichten zijn aan. Het zijn beelden van de oktoberkermis, de Goose Fair die zou dateren van vóór 1541. Dat is wat je traditie noemt. Echter niet meer op de markt, maar op het Forest recreatieterrein.

De man op de bovenste foto kijkt naar de fotograaf. Naar Edgar Lloyd. We weten toevallig hoe hij heet. Goed dat de vrouw (is het zijn echtgenote?) net bukt om te zorgen voor een kind in een wagentje. De mensen gaan gekleed in jassen die loodzwaar tonen. Stugge stoffen. Gezichten hebben moeite om de vreugde uit te stralen die verwacht wordt. Hoe komt dat? Is dat de roemrijke Engelse onverschilligheid of onverstoorbaarheid?

Het ziet er allemaal netjes, maar armoedig uit. In het kraam op de onderste foto kunnen klokken, lampen of dekens gewonnen worden. In de winter is het koud in de huizen die slecht verwarmd kunnen worden. Maar nog even niet. Nu is het nog feest. Onderkoeld, in alle ernst.

Edgar Lloyd, Goose Fair, Forest, Nottingham, jaren 1950. Collectie: Beeldarchief Picture Nottingham.

Normstelling staat in de etalage. Waarzeggen, business education, uiterlijk en houding in Milwaukee, 1950

Marketing display for Business Education featuring a fortune teller ‘There is a Future in Business’ – 1950s’. Collectie: Milwaukee Area Technical College Libraries.

Is op deze foto sprake van waarzeggen? Nee, eerder van een zichzelf vervullende voorspelling, een self fulfilling prophecy. Het gaat om reclame voor beroeps- en volwassenonderwijs voor wat men nu in Nederland een management opleiding zou noemen, maar in de jaren 1950 in Milwaukee business education heette.

De waarzegster zegt ‘Er is een toekomst in het bedrijfsleven’. Tja, er is toekomst in alles. In oorlog, in vrede, in ziekte, in gezondheid, in waarzeggen, in open deuren en in dichte deuren. Zelfs in het verleden is er toekomst. Vraag het maar aan historici die het verleden bestuderen. Wellicht is er in de toekomst nog het minste toekomst. Dat weten we dan pas.

De volgende etalage uit dezelfde jaren 1950 van hetzelfde beroeps- en volwassenenonderwijs suggereert ons te vragen wie we zijn. Maar het vraagt dat helemaal niet. Bij nader inzien gaat het er niet om wie we zijn, maar hoe we er volgens anderen uitzien. Het gaat erom wat anderen van ons uiterlijk en onze houding denken. De uiterlijke vorm dus. Die is bepalend voor de rest. De opzet is om ons te corrigeren volgens de geldende norm. Zo mogen we de klas in.

Veelzeggend is dat de in pak gestoken mannelijke Dan als voorbeeld wordt gesteld voor de verlepte Bobby Soxer Druscilla. Het is duidelijk wie het voor het zeggen hebben in de VS in de jaren 1950. Is deze stijlkamer en tijdscapsule nu nog actueel? Ach, de dichter zei ooit: ‘De beste profeet over de toekomst is het verleden’.

Marketing display about appearance and posture – 1950s‘. Collectie: Milwaukee Area Technical College Libraries.

Gedachte bij de foto ‘Call’ van Otto Steinert, 1950

Otto Steinert, Call. 1950. Collectie: The Metropolitan Museum of Art.

Deze foto uit 1950 van de Duitse fotograaf Otto Steinert toont niet avant-gardistisch. Of beter gezegd, niet gezocht avant-gardistisch. Zo’n 25 jaar nadat in de jaren 1920 en 1930 in Europa die stroming aan de weg timmerde. Denk aan Walter Peterhans en László Moholy-Nagy.

Een jongen of man loopt ’s avonds of ’s nachts langs een schutting met aanplakbiljetten die de schim oproepen of appelleren. Dat werkt want zijn gezicht is naar links gedraaid. Hij kijkt. Hij aanschouwt. De aankondigingen zijn in het Frans en de locatie is Parijs. Op één ervan wordt voor zondag 26 augustus 1950 een plechtig eerbetoon aan het verzet (‘Hommage Solennel à la Résistance‘) in het Romeinse amfitheater Arena van Lutetia (‘Arènes de Lutèce‘) aangekondigd. Het is dus een oproep om dat te bezoeken. Dat is precies zes jaar na de bevrijding van Parijs in 1944.

De toelichting van het Metropolitan Museum of Art bij deze foto zegt over de Subjektive Fotografie beweging waartoe Steinert behoorde: ‘Ze behielden veel van de experimentele technieken die voor de oorlog in het Bauhaus werden toegepast, maar werkten in een donkerdere, scherpere stijl, geïllustreerd door desoriënterende en expressionistische werken, zoals dit hallucinatoire beeld van een gesilhouetteerde figuur die snel door een schaduwrijk stedelijk landschap beweegt dat de droomwereld oproept van het onderbewuste’.

De volgorde is wat verwarrend want volgens de uitleg van een ander museum, Tate, stichtte Steinert de Subjektive Fotografie beweging pas in 1951. Net als de schim op deze foto lijken de contouren van de beweging in een historische terugblik niet scherp vast te leggen. Maar dat maakt niets uit. Dat is kunsthistorische meta-exegese die in zichzelf bestaat en het verleden op z’n best benadert. Achteraf.

De vertaling van Google Translate uit het Engels van de toelichting levert hoe dan ook een raadselachtige zinsnede op: ‘dit hallucinatoire beeld van een gesilhouetteerde figuur die snel door een schaduwrijk stedelijk landschap beweegt dat de droomwereld oproept van het onderbewuste’. Hier ontmoeten Dr. Caligari, Sigmund Freud en Nosferatu elkaar.

De kunsthistorische duiders van dit museum nemen geen genoegen met een voor de hand liggende verklaring en gaan een stap verder, dieper of hoger. Dat is hun vak, dat is hun opdracht, dat is hun uitdaging, dat wordt van hen verwacht. Gewoon is niet goed genoeg. Wat voor de hand ligt is voor hen onvoldoende.

De ‘Call‘ van de titel die Steinert aan deze foto gaf zou een oproep tot de droomwereld van het onderbewuste zijn. Het kan. Zoals alles kan. Niemand kan aantonen dat het aannemelijk is, zoals dat ook voor het omgekeerde geldt.

Johan Cruyff zou zeggen: ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt‘. Maar hier lijkt ook deze volgorde aanvechtbaar. Niet nadat, maar opdat je het doorhebt, waarbij het doorhebben het eigenlijke doel is, ga je het anders zien. Dat wordt met zelfverzekerde kunsthistorische abracadabra op de foto geplakt.

Geluk kan door foto van een gemeentelijke fanfare in departement Ardennes (1950-1960) worden opgeroepen. Is het echt?

Een gemeentelijke fanfare, zo luidt de vertaling van de titel van deze foto (‘Une fanfare municipale’). De regio is het Franse departement Ardennes, tegen de Belgische grens. Fotograaf is Dominique Moiny en de datering is de jaren 1950 of 1960. In een toelichting van een presentatie die Moiny in 2011 had met twee andere fotografen, te weten René Robinet en Michel Arsène in de bioscoopgalerie van de departementale hoofdstad Charleville-Mézières wordt verwezen naar het verleden geluk of de jaren van geluk (‘Les années bonheur’).

Dat is niet toevallig de titel van een programma op de Franse televisie dat verwijst naar nostalgie en een goed humeur. Dat zijn niet alleen de beste jaren van het Franse chanson en de Franse showbusiness, maar ook van Frankrijk zelf. Toen het onder president De Gaulle nog het idee van een grootmacht kon spelen en het land niet was weggezakt in verdeeldheid en depressie. Vraag is of dit een vals beeld is van vroeger dat over het heden wordt gelegd omdat dat heden zo tekortschiet. Fransen zouden geen Fransen zijn als ze deze foto’s vergelijken met de Madeleine van Marcel Proust die dat geluk van het verleden oproept. Zo moet het zijn, en zo was het echt. Toen geluk nog gewoon was en de leden van de fanfare tijdens hun optreden gewoon hun dagelijkse kloffie aanhadden. Met een witte pet. Geld ontbrak voor uniformen. Ook dat tekent het verleden.

Foto: Dominique Moiny, Une fanfare municipale (‘Een gemeentelijke fanfare’), 1950-1960. Collectie: Fonds Dominique Moiny.

Extreme bezorgdheid over extreme hitte. Nederland ontwaakt uit de zekerheid van gematigdheid. Van het klimaat en de reactie erop

Er is extreme hitte op komst in Nederland. In hedendaagse termen: ‘code rood’. Hitteplannen die ooit in de kast werden gestopt moeten er nu uitgetrokken worden omdat het naar verwachting meer dan 35 graden wordt. Er klinken waarschuwingen voor spoor, strand, verzorgingshuizen en weg. In hedendaagse termen: ‘protocollen’. Waar komt de extreme bezorgdheid vandaan? Voor vele landen zijn hoge temperaturen dagelijkse werkelijkheid. Nederland ontwaakt uit de zekerheid van gematigdheid. Van het klimaat en van de reactie erop. Alles is betrekkelijk. ‘Zomerse hitte. Vrouw in geruite zomerjurk dept voorhoofd met een zakdoekje. Nederland, 1950-1960’, luidt het onderschrift bij de foto van Walter Blum. Een dramatisering van hitte in de studio. Een stockfoto voor het geval de temperatuur opliep. Een tijdsbeeld van hitte toen hitte nog geen ‘code rood’ was en mensen minder dan nu in hun gedrag van bovenaf werden gestuurd en bang werden gemaakt voor temperaturen van meer dan 35 graden. Kwestie van zakdoekjes of watjes? Wat is vooruitgang?

Foto: Walter Blum, ‘Zomerse hitte. Vrouw in geruite zomerjurk dept voorhoofd met een zakdoekje. Nederland, 1950-1960.’ Collectie: Fotografen De Spaarnestad

‘Ik hou toch van je’ zingt in 1950 Jean Marco in ‘Pigalle-Saint-Germain-des-Prés’. Vullen we onszelf aan door terug te kijken?

Nu iets compleet anders. Lichte muziek uit voorbije jaren die buiten de hoofdstroom van het Amerikaanse amusement staat. Zo lijkt het. In 2017 besteedde ik in het commentaar ‘Ontlening in de populaire muziek (1951). Van Charlie Parker, Trio Do-Ré-Mi, Hubert Giraud, Jacques Hélian tot Lily Fayol’ aandacht aan de muziek van de Franse componist Hubert Giraud. Daarin gaf ik een link naar een versie uit 1950 van ‘Je vous aime malgré tout’ of kortweg ‘Malgré tout’ van het orkest van Jacques Hélian met crooner Jean Marco. Lichte muziek is ontlening over grenzen heen, van melodieën maar ook van individuen. Hélian nam een Frans-klinkende artiestennaam aan vanwege zijn Armeense naam Jacques Mikaël Der Mikaëlian. De beroemde componist Michel Legrand is ook van Armeense afkomst en een neef van Jacques Héliard. Jean Marco klinkt als de Zuid-Franse zangers uit die naoorlogs periode als Tino Rossi of Luis Mariano met een accent dat nog eens extra vet lijkt te worden aangezet. Marco was een Griek die oorspronkelijk Jean Marcopoulos heette. In 1953 kwam hij op slechts 29-jarige om het leven bij een auto-ongeluk. In de traditie van James Dean.

De fragmenten komen uit ‘Pigalle-Saint-Germain-des-Prés’ (1950) van producent Ray Ventura en regisseur André Berthomieu die in België werd uitgebracht als ‘Parijs bij Nacht’, zoals uit de affiche blijkt. Het staat in de traditie van de muziekfilm als ‘The Broadway Melody‘ (1929) waarin een groep mensen een show opzet die de inhoud van de film is. De verhaallijn is dat het slecht gaat met nachtclub ‘Le Tambourin’ in Montmartre. Wat niet helpt is dat de eigenaar een gangster is. In dat pre-rock and roll tijdperk komt de concurrentie van de jazz die in de kelders van St. Germain des Prés klinkt. Het existentialisme met als schakelaar Boris Vian die zijn versie van Trenets ‘Que reset-t-il De Not Amours?’ verbeeldt. De bakens worden verzet en een nieuwe club wordt succesvol geopend: ‘La pivoine écarlate’ (De scharlaken pioen). Een Amerikaanse trailer maakt er met hoofdrolspeelster Jeanne Moreau een naaktfilm van die spot met de goede zeden: ‘No Morals’. 

De enscenering van het nummer bevat elementen zoals Latijns-Amerikaanse ritmes (‘South of the Border’-stijl), een chique, goedgekleed publiek, een verwijzing naar Amerikaanse musicals, gangsterfilms en muziekfilms (zie Charlie Barnets Skyliner). Het optreden van de begeleidingsgroep Les Hélianes kan als een voortzetting van de traditie van de oer-begeleidingsgroep The Modernaires worden opgevat. De fascinatie van de fragmenten zit hem in de constructie van een ook in 1950 niet bestaande werkelijkheid die nu toch een reconstructie van deze periode het dichtst benadert. Het is nep én echt tegelijk. We beseffen dat, maar kijken aan de constructie die zo supervet is toch voorbij omdat de congruenties zoals we ons die (willen) voorstellen groter zijn dan de incongruenties die we wel degelijk bespeuren. Zo wordt een constructie genormaliseerd, zoals het gereconstrueerde beeld mag invallen voor het ontbrekende beeld. Bij gebrek aan beter.

En nog eens zingt de 26-jarige Jean Marco die drie jaar later na deze opnames het leven zou laten vol melancholie over een onbereikbare liefde. Toch houdt hij van haar en wat maakt het uit? Hoewel er twijfel is over de zin van deze liefde zoals in elk liefdeslied: ‘Il vaudrait mieux que je renonce à vous attendre// Il vaudrait mieux vous oublier’ (‘Het zou beter voor me zijn om op te houden met wachten op jou// Het is beter om het te vergeten’). Maar Marco kan niet ophouden met wachten. Het verlangen is te groot en hoeft niet ingelost te worden om zinvol te zijn. Wij verlengen dat oneindig wachten namens hem door dit nummer te reproduceren. Hij kan alleen de twijfel uiten, niet het smachten naar haar stopzetten. Hij houdt toch van haar.

Foto: Belgische affiche van de film ‘Pigalle-Saint-Germain-des-Prés’ (1950).