Fluxus. Gedachte bij de foto ‘Fluxus-performance by the German artist Wolf Vostell at art gallery Monet, Amsterdam (1962)’

Hans de Boer, Fluxus-performance by the German artist Wolf Vostell at art gallery Monet, Amsterdam (1962). Collectie: Nederlands Fotomuseum.

Van 1962 tot 1966 bestond Galerie Monet op het Rokin 97 te Amsterdam, volgens informatie van de RKD. Joop (J. P.) Smid was de galerist. De datum van de foto is 5 oktober 1962. De kunstenaar is Wolf Vostell die een ‘Fluxus-performance’ geeft. Maar op de foto zien we niet Vostell, maar een vrouw die op de tafel danst die diende als basis voor Vostells optreden. Zo te zien met Kleenex-tissues in haar handen van de performance. Zij is deel van de show.

Is dat het Fluxus idee? Een performance die wordt toegeschreven aan Wolf Vostell waar hij uit gewist is? Maar hoe zit het dan met de beschrijving? Ook het vlottende moet toch nauwkeurig beschreven worden door het te omcirkelen? Of is dat deel van de performance die 60 jaar later nog doorwerkt? Ik weet het niet. Misschien is het oprekken van grenzen wel het ultieme Fluxus idee. Niet zozeer vergeten, maar voorbijgegaan in het geheugen van Nederland. Nagelaten in dubbel opzicht.

Simpele geesten die deelnamen aan de rellen worden gestraft, maar leunstoelgeneraals die ertoe hebben aangezet blijven buiten schot

De simpele geesten die deelnamen aan de rellen komen nu voor de rechter. De eisen zijn fors. Naast gevangenisstraf dreigen er ‘megaclaims’ voor betrapte daders waarvan ze de gevolgen tientallen jaren ondervinden. Het OM heeft al beslag gelegd op bankrekeningen en auto’s van verdachten. Het ED citeert in een bericht de Eindhovense advocaat Thom Beukers: ‘Stel dat je deel hebt genomen aan de plundering van de Jumbo en je wordt als enige geïdentificeerd, dan draai je op voor alle schade. Dat kan in de tonnen lopen’.

Tegelijkertijd heeft het iets onrechtvaardigs dat de simpele geesten die deelnamen aan de rellen worden opgepakt en de schade op hen verhaald wordt, terwijl de aanstichters en ophitsers buiten schot blijven. Zoals politici van PVV en FvD die in de aanloop naar de rellen de boel flink hebben opgehitst, de initiatiefnemers van organisaties als Viruswaanzin of de aan de zijlijn koffiedrinkende failliete feestorganisator Michel Reijinga die zich distantieert van de demonstraties op het Amsterdamse Museumplein waartoe hij heeft opgeroepen.

De vergelijking met de bestorming van het Capitool op 6 januari is door velen gemaakt. Ondanks de verschillen zou dat de inspiratie voor deelnemers aan de rellen zijn geweest. Onder het mom, kijk eens hoe makkelijk de democratie aan het wankelen kan worden gebracht. Wie de vergelijking verder doortrekt ziet nog iets anders. Namelijk dat drie weken later de Republikeinen terugkomen op hun eerdere houding van de dagen na de rellen om de bestorming te veroordelen. Nu hebben de rijen zich weer gesloten, wordt het feit ontkend dat vanuit ultra-rechtse hoek de bestorming werd geleid en hervindt president Trump geleidelijk zijn geslonken machtsbasis.

Als hetzelfde voor Nederland te verwachten valt, dan zullen de extreem- en radicaal-rechtse politici en initiatiefnemers over twee weken de aard van de rellen ontkennen en gaan doen alsof er niks ernstigs gebeurd is. Als de regering Rutte de ontmanteling van de extreem-rechtse organisaties wil forceren, en dus de leunstoelgeneraals achter de schermen wil aanpakken, dan moet het daar nu ernst mee maken  voordat het momentum verloopt en ultra-rechts (mentaal) gehergroepeerd is en een nieuwe strijdroute heeft ontwikkeld.

Rellen: Dominees, politici, dansleraren en feestorganisatoren hebben het laten ontsporen en staan achteraf quasi-afstandelijk aan de kant

Een toekomstfantasie zou zo kunnen beginnen: Het schijnt dat de onderhandelingen van de Nederlandse regering met een onbekend land in een vergevorderd stadium zijn over de opname van Nederlandse ontevredenen. Voor de verandering gaat het niet om ontspoorde Marokkaans-Nederlandse jongens, maar om witte christelijke jongeren. Het besef lijkt nu eindelijk bij de Nederlandse overheid doorgebroken dat de grootste bedreiging voor de sociale vrede uit rechts-christelijke hoek komt. Het lijkt satire als het niet zo echt zou zijn. Naar verluidt zou de Nederlandse regering betreffend land een half miljard euro per jaar betalen voor deze overeenkomst.

De groepen die in aanmerking zouden kunnen komen voor zo’n overeenkomst zijn rellende christelijke jongeren uit Urk, leden van rechts-extremistische splintergroepen en allerlei groeperingen die in Nederland hun draai niet zeggen te kunnen vinden, zich miskend en onbegrepen voelen, de media als vijand van het volk zien en bewonderaars van Hitler, Trump, Baudet en Wilders zijn. Omdat genoemde groepen zweren bij het leidersprincipe ligt het gezien de onderlinge verbondenheid voor de hand om hun leiders mee naar het buitenland te sturen. Voor de Urker jongeren betreft dat talloze dominees en gezaghebbende kapiteins van de vissersvloot.

Dominee Uitslag is predikant van de christelijke gereformeerde Eben-Haëzerkerk in Urk en zegt in een artikel in het RD dat de mooie dingen die er onder de Urker christelijke jongeren plaatsvinden, zoals samen zingen en de Bijbel bestuderen, de pers volgens hem nooit halen. Dat was voor de rellen van afgelopen weekend. Nu zegt dominee Uitslag over deze witte, christelijke rellende jongeren: ‘Het perspectief ontbreekt bij hen. Maar het zijn wel onze kinderen, buurkinderen of collega’s, heb ik gezegd richting de gemeente. Het is ons aller probleem’. Hoe zich dat tot de God van Urk verhoudt is onduidelijk. Kan deze God van Urk op enigerlei wijze verantwoordelijk worden gesteld voor onder meer het geweld tegen de GGD Flevoland?

In een commentaar van 19 januari 2021 over de failliete feestorganisator Michel Reijinga die aanzette tot rellen op het Amsterdamse Museumplein, maar daarvoor geen verantwoordelijkheid wilde nemen, schreef ik:

Dominees van Urk, politici als Baudet en Wilders, failliete feestorganisatoren, uitgedanste dansleraren en miskende commentatoren in rechtse media hebben jongeren opgehitst, maar nemen lafhartig afstand van hun eigen aanzet tot opstand als het gif dat ze in de simpele geesten hebben geplant daadwerkelijk begint te werken. Die dominees en feestorganisatoren hebben het laten ontsporen en staan achteraf quasi-afstandelijk en moralistisch aan de kant. Ze wassen hun handen in onschuld. In de poging om hun eigen geweten te sussen proberen ze iedereen verantwoordelijk te maken.

De daders die zich het afgelopen weekend bij de onlusten het meest misdragen hebben tegenover GGD, ziekenhuis of ordehandhaving moeten opgepakt worden en met naam en toenaam publiekelijk bekend worden gemaakt. Zodat hun werkgevers of hun omgeving afstand kunnen nemen door respectievelijk ontslag of veroordeling en maatschappelijke uitsluiting. Uiteraard moeten ze als ze aangeklaagd worden zich voor de rechter kunnen verdedigen. Daarnaast is het van essentieel belang dat degenen die hebben aangezet tot deze onrechtmatige acties met naam en toenaam worden genoemd. Want zij zijn de oorzaak van wat er is gebeurd, maar doen achteraf alsof ze er niks mee te maken hebben.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel „Rellen zijn schandvlek voor christelijk Urk” van Klaas van der Zwaag in het RD, 25 januari  2021.

Failliete feestorganisator Michel Reijinga distantieert zich van verboden demonstratie op het Museumplein. Hoe hypocriet is dat?

Hardliners in het veld die door deelname aan acties tot het gaatje gaan verdienen een zeker respect. Dat is de eerbied van de rechte rug en de oogkleppen. Hoewel hun acties afkeurenswaardig zijn. Maar ze dragen stoer verantwoordelijkheid voor hun complotten, dwarsdenken en verdachtmakingen en lopen daar niet voor weg. Die opstelling is de naïviteit van de simpele geest. Die is nu eenmaal dol op adrenaline, aandacht en alternatieve feiten.

Anders is het gesteld met degenen die anderen bewust aanzetten tot illegale of verboden acties en zich daar vervolgens met smoesjes van distantiëren. Ze halen de geest uit de fles en doen achteraf net alsof ze daar niks mee te maken hebben. Dat effect is echter vooraf te voorzien en wordt enkel en alleen door de initiatiefnemer in gang gezet. Zij verdienen geen respect omdat als het link wordt en op hen dreigt terug te slaan ze als initiatiefnemers hun eigen daad proberen uit te wissen. Ze doen daarmee hun eigen geloofwaardigheid en integriteit geweld aan.

Een hypocriete geest kent niet de rechtlijnigheid en opopgesierde onnozelheid van de simpele geest, maar wel de schijnheiligheid en schijnredenering van de lafaard. De leunstoelgeneraal zet het voetvolk eerst op tot een illegale actie tegen de overheid en laat dat vervolgens in de steek.

In Amsterdam was er op 17 januari 2021 een demonstratie op het Museumplein tegen de COVID-19 maatregelen van de overheid waarachter de volgens De Telegraaf  ‘failliete feestorganisator’ Michel Reijinga de drijvende kracht was. De demonstratie op die plek was op verzoek van de gemeente door de rechter verboden. Reijinga zei zich van de demonstratie waartoe hij het initiatief had genomen te hebben gedistantieerd. Hij distantieert zich ook van de relschoppers van wie hij zegt dat hij ze niet in de hand heeft. De schijnheiligheid wordt door Reijinga’s uitspraak in een bericht voor AT5 extreem doorgevoerd: ‘Ik heb de hele dag moedwillig met een kop koffie in mijn handen aan de zijlijn gestaan. Mijn deel is niet deelnemen aan een demonstratie.’ Hij suggereert dat hiermee zijn verantwoordelijkheid voor de demonstratie volledig is uitgewist.

Dat weglopen voor het eigen initiatief gebeurde ook bij de bestorming van het Capitool in Washington DC op 6 januari 2021. Dit was voor vele demonstranten op het Museumplein een voorbeeld dat navolging verdiende. Die bestorming leidde tot vijf doden en was een georkestreerde actie van radicaal-rechtse initiatiefnemers en geldschieters om president Trump aan de macht te houden. De bestorming is van vele kanten scherp bekritiseerd. Velen die weloverwogen opriepen tot deze actie en daar later door anderen voor zijn aangewezen hebben zich er achteraf van gedistantieerd. Dat geldt onder meer Republikeinse senatoren en afgevaardigden in het Huis. Omdat ze betrapt werden als actievoerder aan een mislukte, illegale actie ontkennen ze achteraf verantwoordelijkheid voor wat ze hebben aangericht omdat het hun maatschappelijke, economische en politieke positie beschadigt.

Het voetvolk van simpele geesten wordt opgepakt en de hypocriete geesten denken zich te kunnen verdedigen door het argument dat ze slechts koffie aan de zijlijn hebben gedronken. Zo kan alles worden gereduceerd tot een spelletje. De ondergang van anderen én de democratie worden teruggebracht tot tijdverdrijf en onschuldigheid.

Foto: Schermafbeelding van deel berichtInitiatiefnemer verboden demonstratie distantieert zich van relschoppers: ‘Ik heb niet iedereen in de hand’’ op AT5, 18 januari 2021.

Reisverslag voor de Amerikaanse televisie: ‘A Midnight in Amsterdam’ (1960)

‘A MIDNIGHT IN AMSTERDAM’ is een aflevering uit de Amerikaanse televisieserie ‘Across the Seven Seas’ uit 1960. Het toont het nachtelijke Amsterdam van 60 jaar geleden. Ofwel, de Amerikaanse versie ervan. Met prachtige lichtreclames van allang verdwenen restaurants. De onderwerpen die interessant zijn voor een Amerikaans publiek zijn voorspelbaar: draaiorgels, scheepvaart, bloementeelt, de Chinees-Indische keuken, woonboten en Anne Frank.

De verrassing voor de Nederlander van nu komt na 18’30’’ met de Zirbel Stube. Oostenrijkse muziek in hartje Mokum die nog nadendert op de populariteit van Anton Karas’ citermuziek (Harry Lime thema uit De Derde Man) en de Weense Schrammelmusik. Oprichter van de Zirbel Stube dat aan de Korte Leidsedwarsstraat was gevestigd was volgens dit bericht de genaturaliseerde Oostenrijker Tony Hartweger. Hij was tevens de protegé van Max Tailleur.

Foto: Still uit ‘A MIDNIGHT IN AMSTERDAM’ (1960). Gezelligheid in de Zirbel Stube.

Petitie ‘Behoud W139 in het hart van Amsterdam’ verdient steun

‘Dit is een oproep uit de armoe-straat… want dat wordt ’t als W139 hier weg moet. De binnenstad verzuurt onder monocultuur. Authentieke Amsterdamse plekken verdwijnen of moeten verhuizen naar de periferie. Ook het voortbestaan van W139 wordt bedreigd en zo de artistieke vrijheid in de binnenstad.’

Aldus de petitieBehoud W139 in het hart van Amsterdam’. Het gaat om het belang van het alternatieve circuit een de institutionalisering van de kunstsector. Hoe wordt dat in de verdeling van overheidsgeld afgewogen?

Het lijkt er sterk op dat de min of meer anarchistische tegenstemmen door de overheid geen volwaardige plek in de kunstsector worden gegund. Of dat is omdat een overheid daarmee geen raad weet of dat ze bewust getemd moeten worden is de vraag. Hoe dan ook is dat niet alleen jammer, maar ook contra-productief omdat die tegenstemmen noodzakelijk zijn om de kunstsector levendig, bij de tijd en veelzijdig te houden.

Uiteraard is het goed dat musea steun van landelijke en gemeentelijke overheden krijgen. Ze beheren unieke en waardevolle collecties die ons erfgoed vormen en ze maken interessante publieksprestaties. Maar musea zijn in de programmering van hun tentoonstellingen én hun organisatie conservatief. Mentaal verkeren ze vaak nog in de 20ste eeuw. Logisch omdat musea nu eenmaal conserveren en per definitie behoudzuchtig zijn. Maar onlogisch waar het hun ‘vrije ruimte’ betreft om de vinger aan de pols van de tijd te houden.

Die ruimte wordt nauwelijks benut. Het is ook niet niks wat van musea verwacht wordt. Ze hebben moeite om zich op de juiste manier te verhouden tot hun eigen tijd. Ook vanwege die dubbelzinnige opdracht die ze hebben om te behouden en te signaleren. Musea zijn de plekken van de dood en van hen wordt ook verwacht dat ze de plekken van het leven zijn. Die tegenstrijdigheid wringt en kan zelfs leiden tot een verkeerd soort popularisering die volgt uit de wens om publiek en politiek te behagen met voorbijgaan aan de functie om naast verbreding ook te verdiepen. Dat laatste is het product waar het om draait, zelfs als een museum afdaalt naar het fenomeen van beleving en ervaring. Nog erger: het museum wordt borrelcircuit in een clichésituatie.

Initiatieven als W139 geven zuurstof aan de kunstsector en helpen eraan mee om de lat voor de presentatie van musea hoger te leggen én ze richting, houvast en actualiteit te geven. Weg van de kunsthandel. Soms met tentoonstellingen die het aanzien niet waard zijn en als interessante mislukking gekenschetst kunnen worden, vaak met presentaties die nergens anders te zien zijn en een verrijking voor iedereen zijn. Met video’s in een Caraïbisch bomenlandschap, een kermisbaan, een Belgisch restaurant om te proeven of met experimenten die bijtend commentaar geven op de kunstgeschiedenis. Het Stedelijk Museum ontvangt jaarlijks ruim 19 miljoen euro van de gemeente Amsterdam, W139 zit verlegen om 200.000 euro. Dat moet toch te regelen zijn?

Foto: Schermafbeelding van deel petitie ‘Behoud W139 in het hart van Amsterdam’ op Petities.nl. Ondertekenen kan hier.

Beoordeelt adviescommissie Erfgoed van het AFK aanvragen wel volgens de juiste criteria? Over Museum Ons’ Lieve Heer op Solder

Daar gaat ie weer. Gedoe over de eisen aangaande diversiteit en inclusie die gesteld worden aan culturele instellingen. Daar in volop ongenuanceerde kritiek op. Maar soms maken adviescommissies het wel bont omdat ze hun eigen criteria niet goed toepassen. Dan wordt kritiek wel erg makkelijk. Dat is jammer.

Het advies over een subsidieaanvraag van Museum Ons’ Lieve Heer op Solder van een commissie van het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) over de periode 2021-2024 leest als een cultureel misverstand, maar ook als een verkeerd afgesteld bestuurlijk instrument van deze commissie. Het museum vroeg € 695.344 aan en het advies houdt het op € 604.272 per jaar dat echter niet toegekend wordt omdat er ‘onvoldoende budget beschikbaar is om de aanvraag te honoreren’. Wat is dan eigenlijk het nut van een advies van zo’n commissie?

In de toelichting staat dat de gemeente Amsterdam aan alle instellingen die in aanmerking willen komen voor een vierjarige Kunstenplansubsidie vraagt een actieplan op te stellen over diversiteit en inclusie. De gemeente volgt hierbij de Code Diversiteit & Inclusie. Dat gaat over verschillen in gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd. Dat gaat verder dan denken over huidskleur.

Gisteren beweerde ik in een kritisch commentaar ‘Misleiding over identiteitspolitiek maakt kapot, nu is de kunst aan de beurt. Een afwijkende mening van Roderick Veelo over codes’ over een opinie van Roderick Veelo over vermeende identiteitspolitiek in de kunsten het volgende: ‘Men kan zich wel afvragen in hoeverre de beoordelaars bij fondsen die nieuwere CD&I [= Code Diversiteit & Inclusie] al hebben verinnerlijkt of dat ze nog mentaal aanhaken bij de oudere CDD [= Code Culturele Diversiteit]. Want de CDD is opgegaan in de CD&I, dus door het accent te leggen op de normen van de CDD kan in theorie toch verdedigd worden dat de CD&I wordt gevolgd. Want een oordeel is per definitie subjectief en niet te kwantificeren.’

Ik word op mijn wenken bediend. Het advies van de commissie van het AFK doet niet alleen de vraag rijzen volgens welke code deze adviescommissie de aanvragen beoordeelt, maar doet sterk vermoeden dat het de oude code is. Vandaar mijn observatie dat de adviescommissie bestuurlijk verkeerd staat afgesteld. Het zegt zich op de nieuwere CD&I te beweren, maar werkt praktisch, maar vooral mentaal nog volgens de oude CDD.

Want hoe kan anders de volgende zin in het advies over Museum Ons’ Lieve Heer op Solder verklaard worden? ‘De voorzichtige terminologie die het museum op dit punt van de aanvraag bezigt (ook de term bicultureel valt) wekt bij de commissie de indruk dat het museum niet voluit inzet op het werven van mensen van kleur en/of met een totaal andere dan een Nederlandse achtergrond.

Wat voor gedachtepatroon valt hieruit te herleiden? Of anders gezegd, welk vooroordeel van de commissie verraadt deze zin? Er blijkt niet alleen uit dat verschillen eenzijdig worden beredeneerd vanuit een verschil in huidskleur, maar ook dat het immigranten die integreren in de Nederlandse samenleving afzet tegen mensen met een Nederlandse achtergrond. Dit wij/zij-denken is vreemde acrobatiek van het AFK. In een pleidooi voor diversiteit scherpt het verschillen aan. Want heeft niet iedereen in Nederland een Nederlandse achtergrond?

Wie de adviezen van het Fonds Podiumkunsten legt naast die van het AFK ziet een wereld van verschil in kwaliteit. Het Fonds Podiumkunsten treft weliswaar kritiek vanwege de afwegingen die als onevenwichtig beoordeeld kunnen worden, maar valt niet te betrappen op de slordigheden, onnauwkeurigheden en onhandige formuleringen van het AFK. De vraag die alleen al dit flodderachtige advies van de commissie van het AFK over Museum Ons’ Lieve Heer op Solder oproept is wie de adviescommissie instrueert en beoordeelt.

Foto’s: Schermafbeelding van delen advies ‘Museum Ons’ Lieve Heer op Solder’ over een subsidieaanvraag van adviescommissie Erfgoed van het Amsterdams Fonds voor de Kunst over de periode 2021-2024. De adviescommissie Erfgoed bestaat uit Rocky Tuhuteru (Voorzitter), Agnes Grondman, Elles van Vegchel, Wim Manuhutu, Nicolette Bartelink en Behrang Mousavi. 

Vragen over de rol van het NMVW in de ‘Museale voorziening slavernijverleden: hoe, wat en waar?’ van de gemeente Amsterdam

Amsterdam benoemt een regiegroep én een klankbordgroep om te onderzoeken hoe een ‘museale voorziening’ over het trans-Atlantische slavernijverleden vorm moet krijgen. Ofwel, hoe, wat en waar? De schijn van belangenverstrengeling ligt op de loer omdat directeur Stijn Schoonderwoerd van het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMVW) lid van de klankbordgroep is. Men kan zich afvragen of dit verstandig is. Gaat hij over zijn eigen museum feedback geven en adviseren?

Men voelt aan alles dat de rol van Schoonderwoerd in de klankbordgroep niet klopt. Hij zit er in voor zijn eigenbelang. Vanuit oppervlakkigheid en politieke mode wil hij niet samenwerken, maar annexeren en controleren. Of blokkeren. Hij wil regie houden over zijn economisch museummodel van roulerende tentoonstellingen (zit er daarom geen inhoudelijk persoon in de klankbordgroep?) maar weet niet hoe hij een museum inhoudelijk moet regisseren. Hij wil ongetwijfeld een slavernijmuseum erbij claimen, alleen voor zijn eigen glorie. Waarom stelt hij het gebouw van het het Tropenmuseum niet beschikbaar zodat het een nationaal museum van en over het slavernijverleden kan worden en treedt hij zelf terug? Dan kan die beperkende koepel van het NMVW worden ontmanteld waarvan de totstandkoming geen inhoudelijke, maar slechts een economische reden heeft. Met Leiden gericht op historische wetenschap en culturele antropologie, Rotterdam op stad, verzamelaars en handel. Betrokkenen bij de gemeente Amsterdam valt te verwijten dat ze onvoldoende hebben nagedacht over het evenwichtig samenstellen van de regie- en klankbordgroep. Ze lijken op de automatische piloot de usual suspects te hebben uitgenodigd zonder besef wat dat in de praktijk voor gevolgen heeft.

Foto’s: Schermafbeeldingen van berichtMuseale voorziening slavernijverleden: hoe, wat en waar?’ van de gemeente Amsterdam, 3 juli 2020.

Tempo, stilte en leegte in twee foto’s van Ben van Meerendonk (1950-1954)

Hoe geloofwaardig is deze foto uit 1954? Geeft het een beeld van hoe het echt is? Of wordt er (met een knipoog) een idylle aangedikt? Wie zal het zeggen. Dat zijn veel vragen over de fotoPostbezorging in de Slotermeerpolder door twee PTT-brievenbestellers per roeiboot, 4 augustus 1954’ van de onvolprezen Amsterdamse stadsfotograaf Ben van Meerendonk. Waar de tweede brievenbesteller is gebleven is een bijkomende vraag. Het gaat om het tempo en de leegte die opvallen en stilte en rust suggereren. De fotoDrie dames wachten tevergeefs op een taxi tijdens taxistaking, Keizersgracht bij de Westermarkt, 12 augustus 1950’ van dezelfde Van Meerendonk toont een lege stad. De pracht van soberheid, van een uitgebeend straatbeeld is voor liefhebbers van harmonie kostbaarder dan de herderlijkheid van een landelijk tafereel.

Foto 1: Ben van Meerendonk, ‘Postbode. Postbezorging in de Slotermeerpolder door twee PTT-brievenbestellers per roeiboot, 4 augustus 1954‘. Collectie: AHF, collectie IISG, Amsterdam.

Foto 2: Ben van Meerdendonk, ‘Taxi staakt. Drie dames wachten tevergeefs op een taxi tijdens taxistaking, Keizersgracht bij de Westermarkt, 12 augustus 1950’. Collectie: AHF, collectie IISG, Amsterdam.

Open brief van ‘Vele Amsterdammers uit de creatieve sector’ neemt Halsema in bescherming en gaat voorbij aan de feiten

Open brieven bestaan. Ze horen erbij als regendruppels in een stortbui of vallende bladeren in de herfst. Het zijn er te veel om te onderscheiden. Soms valt een open brief op door onnozelheid. Dan wordt het interessant. Zo’n brief komt van wat geframed wordt als ‘Amsterdammers uit de creatieve sector’. Het Parool plaatste de brief op 3 juni 2020 als opiniestuk. Ze nemen het op voor burgemeester Femke Halsema die onder verdenking staat slecht leiding te hebben gegeven op de voorbereiding van een anti-racisme demonstratie op de Dam.

De details ervan zijn nog niet in kaart gebracht, zodat een definitief oordeel opgeschort moet worden tot een debat erover in de Amsterdamse gemeenteraad. Halsema geeft weliswaar toe inschattingsfouten te hebben gemaakt, maar houdt tegelijkertijd vol dat er geen sprake is van operationele fouten. Maar dat kan niet allebei waar zijn. Halsema en korpschef Frank Paauw hebben een eigen verantwoordelijkheid. Er zijn fouten in de inschatting gemaakt. Door wie is nog niet helder. Maar het lijkt ook mis te zijn gegaan in de uitleg achteraf door Halsema. Ze beweert dat zij 1,5 dag dicht op de sociale media zat om te zien hoe de verwachtingen over de opkomst en de sfeer van het protest zich ontwikkelden. Die weergave van de feiten door Halsema lijkt echter in strijd met hoe het werkelijk is gegaan in die 1,5 dag. Politieagenten hebben gisteren naar buiten gebracht dat hun leiding niets met hun waarschuwing over de verwachte drukte deed. Het beeld dat blijft hangen is een slecht georganiseerd gemeenteapparaat waar onvoldoende of slecht leiding aan wordt gegeven.

De briefschrijvers gebruiken het doel van de demonstratie als rechtvaardiging voor de misslagen die door Halsema en gemeentelijke diensten zijn gemaakt in de voorbereiding op de demonstratie en de effectuering ter plekke van de corona-maatregelen. Het is een niet valide manier van argumenteren om twee losstaande feiten zo met en door elkaar te verbinden en een doelstelling met de uitvoering te verwarren. Want in de bestrijding van een pandemie met een zwaar belaste gezondheidszorg heiligt niet elk doel de middelen.

Het lijkt er in de kwestie van de demonstratie op de Dam op dat Halsema steken heeft laten vallen en dat de kritiek op haar eveneens faalt. De kwestie moet echter niet gepolitiseerd, maar gedepolitiseerd worden. Van welke politieke partij Halsema is en waar de demonstratie over ging zijn van ondergeschikt belang. Vraag is evenmin of Halsema geliefd of gehaat is. Dat is een te simpele tweeledigheid en een geval van individueel perspectief. De essentiële vraag die beantwoord dient te worden is of zij en de overheidsdiensten volgens de eigen normen en procedures hebben gehandeld in de aanloop naar en de begeleiding van de demonstratie en of burgemeester Halsema voldoende leiding heeft gegeven zoals van een burgemeester verwacht kan worden.

Zonder de feiten te kennen springen de briefschrijvers in de bres voor Halsema. Ze mogen spreken, maar spreken voor hun beurt. Vraag is of ze zich afgevraagd hebben of ze ermee de kunstsector dienen en namens wie ze spreken. Wie zo opvallend de publiciteit zoekt weet dat een groep als mening van een groter geheel geframed kan worden. Zo ontstaat het levensgrote risico dat het beeld bevestigd wordt dat de Amsterdamse kunstsector onnozel is. Ze buigen een motie van vertrouwen om in een motie van wantrouwen tegen de kunst.

Foto: Schermafbeelding van deel open briefCreatieve sector: ‘Beste mevrouw Halsema, dit is onze motie van vertrouwen’’ in Het Parool, 3 juni 2020.