George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Amsterdam

Stedelijk Museum trekt zich aan de haren uit bestuurlijk moeras

with one comment

Bestuurlijk is het een gigantische puinzooi bij het Stedelijk Museum. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn zo gaan schuiven dat geen enkel deel van de organisatie doet wat het moet doen, maar wel doet wat het niet mag doen. Dit kan gerust een ernstige bestuurlijke crisis genoemd worden. Een en ander geeft te denken over het bestuurlijk inzicht en de kwaliteit van de personen die hier vorm aan moe(s)ten geven. Waarbij het idee bestaat dat het botweg onkunde was bij de Raad van Toezicht en het oprekken van het eigen mandaat om erger te voorkomen bij de directie. Zo stelden de vier overgebleven en inmiddels opgestapte leden van de Raad van Toezicht voor om de afgetreden artistiek directeur Beatrix Ruf te benoemen tot ‘adviseur’. Dat is niet alleen een wereldvreemd en in de praktijk onhandig voorstel omdat het de toekomstige directeur voor de voeten zou lopen, maar ook gaat volgens het Besturingsmodel de Raad daar helemaal niet over. Tegelijk meent het Bestuur (de tweekoppige directie) te gaan over de benoeming van een opvolger van Ruf, maar het is -na consultatie van het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Amsterdam- de Raad van Toezicht die uitsluitend beslist over de benoeming, schorsing en het ontslag van de leden van het Bestuur.

De als tijdelijk voorzitter van de Raad van Toezicht door de gemeente Amsterdam benoemde Truze Lodder moet een nieuwe Raad op poten zetten. En de weg vrijmaken voor de benoeming van een nieuw Bestuur. Ze geeft commentaar op het falen van de vorige Raad als ze volgens een bericht van AT5 zegt: ‘Mijn toon zal krachtig en zuiver zijn.’ De suggestie is dat de toon van de vorige Raad niet zuiver was. Eind goed als goed met tijdelijke directeur Jan Willem Sieburgh en tijdelijke voorzitter van de Raad van Toezicht Truze Lodders?

Hoe dan ook is de oude balast van achtereenvolgend falende en te ambitieuze Raden van Toezicht opgeruimd. Er kan nu eindelijk schoon schip gemaakt worden. Hopelijk raakt het Stedelijk Museum met een bestuurlijk onmogelijke ingreep nu definitief uit de bestuurlijke patstelling waarin het terecht was gekomen en kan het met zicht op de stad en de Amsterdammers, en een laag bij de gronds realisme een nieuwe stap maken.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelOR en directie Stedelijk zien niets in terugkeer oud-directeur Ruf’ van AT5, 8 augustus 2018.

Advertenties

Het Rijksmuseum biedt in zomer 2018 ‘Escape Game’. Is het de geheime formule voor de marketing?

leave a comment »

Het Rijksmuseum biedt deze zomer van 7 juli tot 2 september voor het eerst een ‘Escape Game‘ aan. Het spel kan in het museum dagelijks van 10 tot 17 uur gespeeld worden. Het is beleving: ‘Met deze Escape Game beleef je het Rijksmuseum samen op een unieke manier’. Het is groepsgebeuren: ‘Samen met 2 – 5 personen duik je in het spel en ga je als een onderzoeker aan de slag’. Het is een marketinginstrument om millennials (18-30 jaar) het museum binnen te halen, zoals deze toelichting van Amy Schaffman, het hoofd educatie van het Augusta Museum of History verduidelijkt die in haar museum in 2017 een ‘Escape Game’ ontwikkelde.

Bij het Rijksmuseum mag iedereen zonder beperkingen deelnemen of dient een afstandsverklaring (waiver) door deelnemers met mogelijk risico (mensen met hartaandoeningen, angststoornissen, posttraumatische-stressstoornis, licht- / geluidsgevoeligheid of zwangere vrouwen) getekend te worden. Hopelijk vormen de enthousiaste deelnemers aan het spel geen risico voor de overige bezoekers van het Rijksmuseum. Evaluatie in september zal uitwijzen of de gewenste doelgroep in voldoende mate het Rijksmuseum bezocht en hoe andere bezoekers zijdelings dat spel ervaarden. Om niet te zeggen meebeleefden. De paradox is dat musea van nature ontsnappingsruimten zijn uit de drukte van alledag en nu uit marketingoverwegingen een spel aanbieden dat niet alleen de ontsnapping extra thematiseert, maar ook de hectiek van alledag binnenhaalt.

Foto: Schermafbeelding van een deel van berichtRijksmuseum Escape Game: de geheime formule’ van het Rijksmuseum, Amsterdam.

Mediadebat over kwestie-Ruf is omsingeling en projectie bij volmacht. Vanaf de flanken van de NRC

leave a comment »

In een commentaar van 16 juni 2018 ging ik in op de kwestie Ruf en de aandacht ervoor in de media. Ik kwam tot twee conclusies. Namelijk dat het antwoord op de vraag of Beatrix Ruf gelijk heeft met haar claim dat ze terug kan keren als museumdirecteur bij het Stedelijk ervan afhankelijk is of er een juridische of ethische invalshoek wordt gekozen. Het rapport Eisma pleitte mw. Ruf vanuit een juridisch perspectief vrij en ging grotendeels voorbij aan de gedragsregels en de bedrijfscultuur bij het Stedelijk. Ook constateerde ik dat er een schaduwoorlog tussen NRC en Het Parool was ontstaan waarbij eerstgenoemde het accent legde op de overtredingen van ethische regels en laatstgenoemde op de ruimere juridische marges die Rufs terugkeer niet verhinderden. Zo woedt een nauwelijks verhulde richtingenstrijd waarbij kranten een grote rol spelen.

Het Parool dat in enkele stukken suggereerde dat Ruf ‘volledig is vrijgepleit’ en ‘ten onrechte is beschuldigd van belangenverstrengeling’ omschreef ik als ‘doorgeefluik van de lobby om Ruf terug te laten keren als directeur van het Stedelijk Museum’. Dat was geen incident, maar deel van een georkestreerde campagne die overigens de laatste 10 dagen aan momentum lijkt te hebben verloren. Vorig jaar trok Ruf als woordvoerder spindoctor Kay van der Linde aan die haar niet alleen door de publiciteit loodst, maar ook een strategie aan de hand doet waarbij het de vraag is of die wel altijd in het belang van mw. Ruf is. Ofwel, een media-strategie kan schrander opgezet zijn, maar werkt doorgaans via een hoofdpersoon die erdoor aan gezag kan verliezen.

Ruf is geen oorzaak, maar gevolg van de structuur die bij het Stedelijk Museum tijdens opeenvolgende Raden van Toezicht was ontstaan. Zij kon zich niet onttrekken aan wat een ontspoorde bedrijfscultuur was die werd versterkt door een hoog ambitieniveau dat zo goed als onhaalbaar was. In een reeks krantenadvertenties hamerde kunstverzamelaar Jan Christiaan Braun daar sinds 2014 op. Ze hadden als onderwerp het belangenconflict binnen de Raad van Toezicht en het bestuur van het Stedelijk Museum Fonds. De eerste advertentie van september 2014 sloot als volgt af: ‘dat de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum afstand moet doen van de door de Raad van Toezicht van het museum gelegitimeerde mogelijkheid een eigen belang te houden bij en te blijven werken voor private partijen zoals de uitgever Michael Ringnier en de verzekeraar Swiss Re, beide te Zwitserland’. Het duurde drie jaar voordat deze waarheid doordrong tot de publieke opinie.

In het tijdperk Trump regeert de vervalsing. Zijn regime zit ‘gevangen in de eigen leugen’ en zet eerder een tandje bij, dan dat het terugdeinst. Journalisten zijn als afleiding het mikpunt van spot en kritiek geworden. Als ze niet oppassen worden ze gebruikt als doorgeefluik door een groepering of partij die in de eigen leugen gevangen zit. Ruf is geen Trump en Kay van de Linde geen Stephen Miller, maar de methode Trump straalt via spindoctors en communicatiedeskundigen negatief af op de journalistiek en blijft niet onopgemerkt.

Gisteren voegde vanaf de zijlijn NRC-redacteur Menno Tamminga zich met een opinie in de kwestie Ruf en in de proxy-oorlog. Zijn stukken over economie en ondernemingsbestuur zijn doorgaans in het Economie-katern te vinden. Zoals viel te voorspellen stelt Tamminga zich op een minimalistisch niet-juridisch standpunt waarbij de ethiek leidend is. NRC lijkt overigens (tijdelijk?) haasje-over te spelen waarbij de kwestie Ruf niet langer vanuit het centrum door de vaste redacteuren Daan van Lent en Arjen Ribbens wordt verslaan, maar vanaf de flanken door redacteuren die meer op afstand staan (Paul Steenhuis, Tamminga). Ik verklaarde die nieuwe afstandelijkheid in een commentaar van 19 juni 2018 als ‘de angst binnen de hoofdredactie van NRC om van vooringenomenheid beticht te worden.’ Dat hoeft niet uitsluitend negatief uitgelegd te worden, maar kan ook betekenen dat interne pluriformiteit gezocht wordt om de argumenten meer draagvlak te geven.

Tamminga is snoeihard in zijn conclusie die uitgaat van goed bestuur en effectief toezicht: ‘Het beeld dat uit het rapport oprijst is dat de directie en de toezichthouders elkaar geen nieuwsgierige, laat staan ongemakkelijke vragen wilden stelden. Hielden de geslaagde topondernemers niet van tegenspraak? Keken anderen naar hen op? Non-interventiegedrag was kennelijk de norm: als jij mij niet lastig valt met een vraag, doe ik het bij jou ook niet.’ Deze klacht over de multimiljonairs in de Raad van Toezicht die het bij het Stedelijk voor het zeggen hadden en het museum niet aan zijn opdracht hielden klinkt in verschillende bewoordingen al sinds 2005. Interessant in dit verband is de aanleiding voor Jan Christiaan Braun om zich tegen de Raad van Toezicht en de vermeende grip van toenmalig hoofdsponsor ABN Amro te keren en de reactie via mijn commentaar uit 2012 van toenmalig NRC-journalist Viktor Frölke. Of Christiaan Braun of Frölke in 2005 voorbarig oordeelde kan nu door de episode Ruf beter beoordeeld worden dan in 2012.

Tamminga sluit af met het feit dat van de zeven leden van de Raad van Toezicht er vier zijn blijven zitten, onder wie Cees de Bruin (lid sinds 2012) en Willem de Rooij (lid sinds 2011): ‘Het Stedelijk Museum was hun speeltje. Uit het feit dat niet alle toezichthouders na dit rapport zijn opgestapt, kun je afleiden dat zij dat niet zomaar uit handen willen geven.’ Het zou ook een wonder van bestuurlijke zorgvuldigheid én menselijk gedrag zijn als een langlopende zaak van gebrek aan goed bestuur en voldoende controlemechanismen die al sinds 2005 in de (semi)-openbaarheid speelt zich nu ineens ondubbelzinnig ten goede zou keren.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelHet Stedelijk – een museum als speeltje’ van Menno Tamminga, 26 juni 2108 in NRC.

Van Aartsen omarmt de compenserende neutraliteit van Cohen die Van der Laan bij het oud vuil zette. Met De Graaf als waterdrager

leave a comment »

Waarnemend burgmeester van Amsterdam Jozias van Aartsen (VVD) is de kleinzoon van Job Cohen (PvdA). Bij wijze van spreken. Dat zit zo, Cohen had in Amsterdam samen met Ahmed Marcouch een strategie ontwikkeld die compenserende neutraliteit werd genoemd. Het doel daarvan was het versterken van de sociale cohesie en het tegengaan van radicalisering. Een en ander spitst zich toe in de sector van de islamitische organisaties omdat daar de radicalisering het grootst is en de sociale cohesie het meest problematisch. Van Aartsen omarmt dat idee van compenserende neutraliteit in een raadsbrief van 21 juni.

Wie een strikte scheiding van kerk en staat voorstaat ziet problemen bij overheidsinitiatieven om religie als politiek instrument in te zetten. Een heilig boek kan nooit de overkoepeling zijn, de rechtsstaat wel. Daarmee neemt de overheid stelling en wordt het van onafhankelijke scheidsrechter van religies, levensovertuigingen en nihilismen dat het volgens de wet moet zijn tot actieve deelnemer die partij kiest. In dit geval voor de zogenaamde gematigde islam. Ook nog eens met het neveneffect dat het door de subsidiestromen een aanzuigende werking heeft op allen die van nature niet tot die zogenaamde gematigde islam behoren.

Job Cohen ondersteunde als burgemeester van Amsterdam onder veel kritiek het idee van ‘compenserende neutraliteit’. De overleden burgemeester Eberhard van der Laan volgde in 2010 Cohen op en kraakte diens idee om geloofsgemeenschappen om politieke redenen te ondersteunen. Bijvoorbeeld vanwege de claim dat zo de radicale islam bestreden zou worden. Het Parool concludeerde: ‘Voor Van der Laan zijn twee principes leidend: de staat mag geen kerkgenootschap voortrekken én zich niet inlaten met de inhoud van het geloof.

Van Aartsen beroept zich in zijn brief op de aanbevelingen in een ‘quick scan van de radicaliseringsaanpak door onderzoekers prof. B.A. de Graaf en D.J. Weggemans Msc’. De brief zegt onder meer: ‘De Graaf c.s. hebben aanbevolen het netwerk van sleutelfiguren om te vormen naar een breed en van onderaf opgebouwd netwerk van stadscontacten’ en ‘Het netwerk zal bestaan uit drie onderdelen: (..) ‘Maatschappelijke en religieuze organisaties’. De brief citeert uit de quick scan van De Graaf c.s. die het heeft over de wenselijkheid van samenwerking met religieuze organisaties ‘Door voorbij te gaan aan de religieuze kramp wordt er op deze manier een opening geboden om gebruik te kunnen maken van dit element van anti-radicaliseringsbeleid’.

De beschrijving ‘religieuze kramp’ in een objectief bedoelde scan is opvallend. Het verraadt een mentaliteit die ermee aan de oppervlakte komt. Het komt uit de hoek van de theologen Tom Mikkers en Frank Bosman en mediawetenschapper Eric van den Berg. Mikkers muntte in zijn boek ‘Religiestress; Hoe je te bevrijden van deze eigentijdse kwelgeest’ het begrip religiestress. Ik kraakte er in 2012 een kritische noot over en noemde religiestress (en in het verlengde ‘religieuze kramp’) onzin: ‘In de toelichting claimt Uitgeverij Meinema: ‘Religie veroorzaakt stress in Nederland, bij geloven en nietgelovigen.’ (..) Niet aantoonbaar is hoe dit gemeten is en met welke werkelijkheid deze slotsom overeenkomt. (..) Vraag is waar religiekritiek eindigt en religiestress begint. In een docentenhandleiding bij ‘Religiestress‘ wordt dat omschreven: ‘Wanneer verwordt godsdienstkritiek tot religiestress? Met andere woorden: wanneer begin je zelf last te krijgen van de door jou geuite kritiek op een godsdienst – je eigen of die van anderen?‘ Mikkers gebruikt het begrip ‘religiestress’ om door associatie religiekritiek in een ongunstig daglicht te zetten. En zo religie in bescherming te nemen.’

Religiestress of religieuze kramp is geen nauwkeurig omschreven verschijnsel. Het is een emotie en vooral een verdedigingsmechanisme van geharnaste christenen om de door de secularisering afkalvende posities van religieuze organisaties waar ze zich voor inzetten te verdedigen. Dat is in het publieke debat geoorloofd, maar ongewenst voor een publicatie met wetenschappelijke pretentie zoals de quick scan van De Graaf c.s. die Van Aartsen als input voor zijn beleidswijziging richting compenserende neutraliteit aanwendt. Het kan geen toeval zijn dat Beatrice de Graaf lid is van de ChristenUnie en voor die partij vijfde stond op de lijst voor de verkiezing van de Eerste Kamer in 2015. Ze smokkelt anti-secularistische tendenzen haar verkenning in met als doel het belang van religie en religieuze organisaties te vergroten. Ander punt van kritiek op De Graaf is trouwens dat ze per definitie het staatsterrorisme onderschat en nauwelijks in haar overwegingen meeneemt. Dat benadrukt de gouvernementele opstelling van de Graaf die van God gegeven is (Romeinen 13).

Foto: Anselm Adams, Church, Taos Pueblo (1942).

Amsterdam zoekt ‘museale voorziening’ over de Nederlandse slavernij. Maar met het Tropenmuseum heeft het die al in huis

with 4 comments

Het Amsterdamse raadslid voor GroenLinks Simion Blom is een pleitbezorger voor een slavernijmuseum. Samen met de SP en de PvdA formuleerde GroenLinks een initiatiefvoorstel voor een nationaal slavernijmuseum dat in de Amsterdamse raad op 20 december 2017 unaniem werd aangenomen. In de breed uitwaaierende toelichting bij het voorstel zijn de indieners van mening dat het niet de goede kant opgaat met de erkenning van het slavernijverleden: ‘In Nederland lijkt een kentering te ontstaan voor een meer open beleving van onze slavernijgeschiedenis’. De opzet is een museum dat ‘niet oordeelt of veroordeelt’, maar ‘begrijpt en verbindt’. Maar tegelijk halen de initiatiefnemers in hun toelichting hun pleidooi voor een breed nationaal slavernijmuseum dat ook hedendaagse slavernij omvat onderuit door het toe te spitsen op de trans-Atlantische slavernij en de geschiedenis van Afrika. Dat klinkt op zijn minst verwarrend en dubbelzinnig.

De gemeente Amsterdam neemt bij monde van wethouder Simone Kukenheim (D66) dit initiatief over. Feitelijk vragen de initiatiefnemers niet om een museum, maar om ‘een nationale museale voorziening over de Nederlandse slavernij en het erfgoed’. In de publiciteit praat Blom steeds weer over een museum en schept hij verwarring door af te wijken van het initiatiefvoorstel en vragenstellers waar nodig niet te corrigeren. Verschil tussen ‘een museum’ en ‘een museale voorziening’ lijkt te zien dat er geen duur, prestigieus apart gebouw voor wordt opgetuigd. Een voorziening kan ook een onderwijsprogramma of een deels ‘digitaal museum’ zijn zoals de uit de ideeën voor het gesneefde Nationaal Historisch Museum voortgekomen Canon van Nederland dat een initiatief van het Rijksmuseum en het Openluchtmuseum is. Het venster Slavernij (circa 1637-1863)  besteedt aandacht aan de slavernij met het accent op de trans-Atlatlantische slavernijhandel.

Welk doel een nationaal slavernijmuseum moet dienen is nog niet duidelijk omlijnd. Is dat toeristenspreiding in Amsterdam door er een nieuw museum naast te zetten, het versterken van de identiteit van Nederland of de nazaten van de slachtoffers van de trans-Atlantische slavenhandel, het versterken van de educatieve en culturele infrastructuur van Nederland of de erkenning van de nazaten van de slachtoffers van de slavernij? Of is zo’n museum kortweg een middel in de strijd tegen racisme, zoals de initiatiefnemers beweren? Waarom wordt het dan geen Nationaal Racismemuseum genoemd en is de omweg via een Nationaal Slavernijmuseum nodig? De initiatiefnemers onderschrijven in de toelichting dat het niet makkelijk is om vorm te geven aan een nationaal slavernijmuseum: ‘de mogelijkheden zijn oneindig en dat biedt volop de ruimte voor de oriëntatie en verkenning naar een museale voorziening.’ Maar die oneindige mogelijkheden en die volop ruimte voor oriëntatie houden ook in dat het nog alle kanten uit kan gaan. Met afbakening in de tijd (voor, tijdens en na de trans-Atlantische slavernijhandel) en inhoud. Of het een essentiële taak is voor de gemeente Amsterdam om deze ‘museale voorziening’ (samen met het Rijk) van subsidie te voorzien is ook nog geen uitgemaakte zaak.

Conservator Historische Vormgeving (Museum Boijmans) Alexandra van Dongen merkt naar aanleiding van het artikel ‘Amsterdam sticht een Nationaal Slavernijmuseum, iedereen mag meedenken’ in De Volkskrant in een posting op Facebook op: ‘Het Tropenmuseum Amsterdam lijkt me een heel goeie plek voor een Nationaal Slavernijmuseum. Waarom een nieuw museum beginnen terwijl dat historische gebouw heel geschikt is om met museale collecties, archieven en persoonlijke getuigenissen het volledige verhaal te vertellen.’ Ze heeft een punt en had er nog aan toe kunnen voegen waarom het nodig is om verkenningen en onderzoeken op te starten terwijl de museale infrastructuur binnen Amsterdam over dit onderwerp aanwezig is. Het Volkskrant-artikel constateert trouwens twee problemen: 1) wie bepaalt vorm en inhoud en 2) waarom in Amsterdam?

In het Tropenmuseum is nu de tentoonstellingHeden van het slavernijverleden’ te zien en het museum zegt in 2021 met een ‘nieuwe, uitgebreide tentoonstelling over het koloniaal- en slavernijverleden’ te komen. Het wekt bevreemding dat de initiatiefnemers in hun toelichting verwijzen naar allerlei buitenlandse musea, maar het Tropenmuseum in Amsterdam ongenoemd laten. Dit roept de vraag op of de initiatiefnemers wellicht het vanzelfsprekende missen en vluchten in vergezichten of dat het Tropenmuseum het bij hen heeft verbruid.

Dodenherdenking 1954-2018

with 3 comments

Dodenherdenking, maar wie zijn de doden die herdacht worden? En op welke manier gebeurt dat? Verzoenend of niet? Het antwoord op zulke vragen is geen vanzelfsprekendheid. Stadsfotograaf Ben van Meerendonk legde op 3 mei 1954 in een foto het beeld van een bordje in een Amsterdams hotel vast. ‘Deutsche nicht erwünscht’, stond erop. Duitsers niet welkom. Dat is een echo van een oorlog die naklinkt. Een teken dat ‘we niet vergeten’. Want laat duidelijk zijn, wie er welkom of niet welkom zijn op de dodenherdenking zegt iets over ons. Over Nederland.’Een beeld zegt meer dan duizend woorden’ luidt het spreekwoord. Maar in dit geval zeggen drie woorden meer zeggen dan het beeld. Het beeld lost ook nog eens op aan de linkerkant. Warrig.

Foto: Ben van Meerendonk, ‘2 fotos van bordje op hotel aan de vooravond van Dodenherdenking. Tekst ‘Deutsche nicht erwünscht’.’

Written by George Knight

4 mei 2018 at 16:38

Waarom is er geen breed debat over afschaffing van de monarchie?

with 4 comments

Morgen 27 april is het Koningsdag. In de supermarkten is extra bier ingeslagen. De continuïteit en kwaliteit van de Nederlandse monarchie is een mythe. Zoals elke mythe komt het niet overeen met de realiteit. Eeuwenlang is het verhaal bijgeslepen en verdraaid om de natie te bouwen. Zo’n broodjeaapverhaal over Oranje kan desondanks werken. Soms hebben volkeren een leugentje om bestwil nodig om zich te verenigen.

Maar een mythe kan uitgewerkt raken. De positie van Oranje lijkt sterker dan die is. Principieel tegenargument is dat erfopvolging in tegenspraak met de volkssoevereiniteit is. Het is discriminatie dat een burger nooit staatshoofd kan worden. Traditioneel wordt het beeld uitgedragen dat Oranje al eeuwenlang op twee pijlers rust: het grauw en de pluimstrijkers die de kern van de macht trachten te bereiken. De calculerende burger neemt de monarchie op de koop toe en staat er vrij onverschillig tegenover. Op een kleine minderheid na.

Aan de andere kant voert een kleine minderheid campagne tegen de monarchie. Zo zegt blogger Kevin Levie in een opinie-artikel voor Het Parool dat Amsterdam Koningsdag moet afschaffen. Hij hoopt ermee een debat over de afschaffing van de monarchie te starten. Levie geeft als reden dat Amsterdam een progressieve stad is. En: ‘Die monarchie is niet alleen archaïsch en ondemocratisch, maar kost ons jaarlijks ook bakken met geld: 345 miljoen, becijferde het Republikeins Genootschap deze week. (…)  Treurig genoeg wordt juist in het vooruitstrevende Amsterdam jaarlijks ’s lands grootste en meest ontspoorde feestje ter ere van het koningshuis gevierd. Dit feestje wordt (…)  zelden of nooit politiek ter discussie gesteld. Het is hoog tijd om dat wél te doen: want als Amsterdam de eerste stad is die Zwarte Piet in de ban doet, waarom zouden we dan niet ook voorop kunnen lopen in het verwerpen van de achterhaalde monarchie?’ Als inwoner van het niet minder progressieve Utrecht hoop ik dat dit debat ook in de Domstad gevoerd wordt. Met als eerste inzet het afschaffen van Koningsdag zoals die nu gevierd wordt, als opzet naar de afschaffing van de monarchie.

Oranje is geen waakhond, maar een jachthond die zelf in de bossen op wild jaagt. Die de broekriem niet wilde aanhalen, terwijl iedereen gekort werd. De koning weerspiegelt onze tegenstrijdigheid en verdeeldheid. Hij is welvarend en denkt geloofwaardig namens minder daadkrachtigen en sociaal zwakkeren te spreken. Het gaat er niet om dat de koning geen geschikte vent is, maar dat monarchie Nederland steeds slechter past. Omdat er een taboe ligt op het debat erover kan een maatschappelijk debat erover niet plaatsvinden. Dat is jammer.

Constitutionele toetsing doet recht aan het vertrouwen in de integriteit van de Nederlandse rechtspraak, betoogde Femke Halsema in 2002 in haar Initiatiefwet over de toetsing aan de Grondwet. Wellicht is zij de nieuwe burgemeester van Amsterdam. Integriteit is de essentie, de staalconstructie die het gebouw stevigheid biedt. Of een koning, president, komiek of filmster op de troon mag zitten is ondergeschikt. Instituties doen ertoe. Als een natie uit nostalgie of traditie haar cohesie en identiteit denkt te kunnen versterken door Oranje dan moet dat mogelijk zijn. Het helpt niet als een debat erover door de politiek en de gevestigde media wordt geblokkeerd zodat we niet weten wat de Nederlanders werkelijk denken over de afschaffing van de monarchie.

Foto: ‘Picking oranges’, 1902. Collectie: Library of Congress.