Amsterdam door Hongaarse ogen (1962)

Nederland, Amsterdam, 1962. Schenking van Janos Metneki. Collectie: Fortepan (Boedapest. Hongarije).

Betoverend zijn de kleurenfoto’s uit 1962 van net voor de provojaren met een schraal herkenbaar Oostblok-achtig kleurenpatroon. Het is het niet zo bekende beeld van vlak voor een grote gebeurtenis. 1962. Als aanloop naar 1965.

Jongeren en een enkele oudere genieten op de Dam van de zon. Zijn het medewerkers van banken en winkels in hun middagpauze? Waarom wil een Hongaarse fotograaf dit beeld vastleggen? Spreekt hem het exotisme van het vrije, ontspannen Westen aan? Verbeeldt dit de sfeer van vrijheid die hij in eigen land mist? Het is gissen.

Op de Wallen valt het vizier op een jongen en meisje die midden in de steeg (Lange Niezel) met elkaar praten. Een lookalike van Marilyn met petticoat en een nozem in een pak. In een afgezwakte alledaagse verschijningsvorm. Toen normaal, nu een verdwenen stadsbeeld. Zo verklaren we het nu, om iets dat we niet helemaal begrijpen dichterbij te brengen.

Transitie is het begrip dat deze foto’s uitdrukken. Zowel van de mensen die op de foto tot object worden gemaakt als van de fotograaf die erdoor gefascineerd wordt. De gevestigde orde van Nederland zou enkele jaren later met krenten uitgedaagd worden en had er geen passend antwoord op. Hier is het nog enkelzijdig Amstel Bier, Willem II sigaren en Heineken.

Wat komen ging was ludiek én serieus. Hangt het in 1962 al in de lucht? Dat valt uit deze foto’s niet af te leiden. Er heerst rust. Toch lezen we er stil protest in dat van zich gaat laten horen. Een kwestie van een kritische grens die eenmaal overschreden de weg vrijmaakt voor allen. Dat wordt hier opgebouwd. Wie kon dat vooraf weten?

Nederland, Amsterdam; Lange Niezel gezien vanaf de Oudezijds Voorburgwal, 1962. Schenking van Janos Metneki. Collectie: Fortepan (Boedapest. Hongarije).

Kunsthistoricus Sabry Amroussi meent dat kunst onschuldig is

Schermafbeelding van deel artikelVerdriet over verbreken banden met Hermitage Sint-Petersburg: “Kunst is onschuldig“‘ op AT5, 4 maart 2022.

In een artikel van AT5 over de (tijdelijke) sluiting van de Hermitage doet kunsthistoricus Sabry Amroussi opmerkelijke uitspraken. Men mag aannemen dat de uitspraken kloppen en door hem werkelijk gedaan zijn

Een selectie:

– ‘Het is onterecht dat kunst nu verwikkeld is met politiek

– ‘De kunstenaars hebben hier niet om gevraagd

– ‘Kunst is onschuldig en wordt geofferd op het blok van de politiek en dat zou niet moeten kunnen

Hoe is het mogelijk dat een kunsthistoricus zulke uitspraken doet? Dat roept de vraag op wat er met Amroussi aan de hand is. Lijdt hij aan blikvernauwing of aan geniale domheid? Conservator en kunsthistoricus Sjeng Scheijen wordt ook om commentaar gevraagd over het beleid van de Hermitage en reageert genuanceerd en evenwichtig.

Een en ander roept de vraag op welke functie Amroussi voor kunst weggelegd ziet. Uit de uitspraken blijkt dat hij vindt dat kunst en politiek gescheiden zijn en niet met elkaar verwikkeld mogen worden. Meent hij dat of formuleert hij ongelukkig zonder te beseffen wat hij zegt? Het valt te bezien wat kwalijker is, onhandigheid of naïviteit. Waar laat zo’n uitspraak kunst die zich uitspreekt over politiek en samenleving, zoals relevante kunst altijd doet?

Als Amroussi zegt dat kunst onschuldig is, dan schildert hij kunst af als onverdorven en argeloos. Als iets dat buiten het proces staat en er geen deel van wil zijn. Dan is kunst iets dat niets te maken heeft met politiek en samenleving en er hoogstens per ongeluk in contact mee komt.

Kunst is niet onschuldig, maar schuldig. Kunst die onschuldig wil zijn is amusement en vertier. Dat is een afgeleide, getemde vorm van kunst. Mogelijk is zo’n opvatting bon ton in een deftig en in zichzelf gekeerd tentoonstellingscircuit dat kunst ziet als halfproduct in de tentoonstellingsmachine van musea. Kunst die ertoe doet is hartstikke schuldig. Kunst die ertoe doet kiest altijd positie en is per definitie niet onschuldig.

Waarom hebben kunstenaars volgens Amroussi er niet om gevraagd? Heeft hij dat gecheckt, en als hij naar de kunstenaars van de Russische Avant Garde verwijst wiens werk op de tentoonstelling te zien was die werd gesloten, hoeveel van die kunstenaars zijn nog in leven en hebben zich hier tegenover hem over uitgesproken?

Heeft Amroussi telepathische gaven om in contact te treden met Kazimir Malevitsj (gestorven 1935) en Wassily Kandinsky (gestorven 1944)? Is Amroussi de nieuwe Helena Blavatsky die kunstgeschiedenis verwisselt met occultisme en een medium is geworden om in contact te treden met gestorven kunstenaars?

The medium Marthe Béraud with an ectoplasmatic structure (materialization) on her head. Marthe Béraud also performed under the names Eva C. and Eva Carrière. Photograph taken in 1912 by German parapsychological researcher Albert von Schrenck-Notzing M.D.(1862 – 1929).

De oorlog die de Russische Federatie in 2014 begonnen is tegen Oekraine en is veranderd in een grootschalige invasie is een moment van waarheid. Men kan niet afzijdig zijn omdat als men afzijdig blijft men stilzwijgend kiest voor de agressor. Shell verkoopt haar aandeel in Russische projecten, de Gasunie niet. Advocatenkantoren als Houthoff zien zich door maatschappelijke en politieke druk gedwongen om hun relatie met de Russische machthebbers te verbreken.

De Hermitage verbreekt met een kromme redenering de banden met de Russische Hermitage waarvan het afhankelijk was vanwege bruiklenen. Het bontst maakt Sabry Amroussi het als blijkt dat hij als kunsthistoricus opvattingen over de functie van kunst naar buiten brengt die wringen. Dat is onthullend. Dat is zijn moment van waarheid. Dat is zijn gesloten wereldbeeld.

Met verbreekt na kritiek sponsorrelatie met Sacklers. Kunnen Nederlandse musea er een voorbeeld aan nemen en een begin maken met het naleven van een ethische code inzake de relatie met sponsors?

Schermafbeelding van deel artikelMet dropping Sackler name from museum over opioid links‘ (van AFP) opFrance 24, 9 december 2021.

Het Metropolitan Museum of Art in New York zei op donderdag 9 december 2021 in een verklaring dat het de naam Sackler van verschillende tentoonstellingsvleugels zou verwijderen, te midden van aanhoudende controverse over de vermeende rol van de miljardairsfamilie bij het aanwakkeren van de opioïdencrisis. In media werd dit besluit een mijlpaal genoemd. De naam Sackler zal worden verwijderd uit zeven tentoonstellingen, waaronder de vleugel met de Tempel van Dendur, zei de Met in deze gezamenlijke verklaring met de familie.

De VS zucht nog steeds onder een crisis van pijnstillers, de ‘opioïde crisis’. Verslavende middelen die mensen afhankelijk maakt. Sommigen plegen zelfmoord. De Sackler familie die het inmiddels failliet verklaarde bedrijf Purdue Pharma bezat en de

middelen verkocht is er rijk van geworden.

Zoals vaak in dit soort gevallen willen de leden van zo’n familie niet bekend staan als ordinaire geldboeren en zoeken ze maatschappelijke acceptatie om hun ware aard te verhullen. In dit geval doen ze dat via het sponsoren van kunst. Een gangbare stap om maatschappelijk prestige te kopen.

Een belangrijk signaal over de onaanvaardbaarheid van sponsorgeld in de kunstsector gaf in 2019 de Britse acteur Mark Rylance toen hij de Royal Shakespeare Company (RSC) verliet omdat het sponsorgeld ontving van ‘big oil‘, van BP. Hij meende toen volgens een bericht in The Guardian dat de sponsorovereenkomst van BP met RSC het bedrijf toestond om ‘de destructieve realiteit van zijn activiteiten te verdoezelen’. Volgens hem bedreigen ze de toekomst van de planeet. Rylance zei niet met BP geassocieerd te willen worden, zoals hij dat evenmin zou willen met een wapenhandelaar, een tabaksproducent of wie dan ook die ‘moedwillig de levens van anderen levend en ongeboren vernietigt’.

Het besluit van Rylance is in lijn met andere acties tegen sponsorovereenkomsten in de kunst met bedrijven die door een toenemend aantal activisten niet langer als ethisch toelaatbaar wordt gezien, zoals de groep Gulf Labor in het Guggenheim Museum. In 2015 was er een rel over het Londense Science Museum toen Shell de inhoud van een tentoonstelling over klimaatverandering probeerde te beïnvloeden. Activist Chris Garrad van ‘bp or not bp’ gaf toen aan dat ‘het Science Museum een belangrijk radartje in de propagandamachine van Shell is’. Kunstenaar Michael Rakowitz weigerde om deel te nemen aan de 2019 Whitney Biennial vanwege de rol van wapenhandelaar Warren Kanders in de Raad van Toezicht van deze instelling.

Nederland kent ook dit soort protesten die echter nauwelijks de publieke opinie halen. Zo is er het volgens vele critici besmette sponsorgeld van cultuurfonds Ammodo dat desondanks door vele musea (Museum Boijmans, Van Abbemuseum, Kröller-Müller Museum, Mauritshuis, Museum Boerhaave, Ons’ Lieve Heer op Solder, Rijksmuseum of Stedelijk Museum) probleemloos en hersenloos wordt aanvaard. Soms werkt protest. Het Van Gogmuseum en het Mauritshuis beëindigden in 2018 de sponsorovereenkomst met Shell na druk van de actiegroepen Fossil Free Culture NL en Fossielvrij NL.

Kunstenaar Nan Goldin die ooit verslaafd was aan een middel van de Sacklers voerde in de VS en het VK geruime tijd actie tegen musea die geld van de Sacklers accepteerden. Een gevolg van dat jarenlange protest is dat de Met de sponsorovereenkomst met de Sacklers verbreekt. Dat is een lastige strijd omdat musea zich grotendeels afhankelijk hebben gemaakt van sponsors. In de VS en het VK is dat gebruik en ook in Europa zijn musea door terugtredende overheden de markt opgejaagd.

In 2019 boekte Goldin een eerste succes toen de National Portrait Gallery in Londen bekendmaakte een sponsorbedrag van 1 miljoen pond van de Sacklers af te wijzen. Musea zijn gewaarschuwd, publiek en kunstenaars pikken niet langer dat musea geld van dubieuze geldschieters aanvaarden. Musea die dat (nog) wel doen kunnen op negatieve publiciteit rekenen.

De coronacrisis zou wel eens een zegen in vermomming kunnen zijn voor de ethische opstelling van musea omdat het de formule van museum als tentoonstellingsfabriek van blockbusters ondermijnt en musea de kans geeft om zich hierop te bezinnen. De toenemende kosten van grote exposities zijn voor steeds meer musea onbetaalbaar geworden. Musea hebben nu de kans om terug te komen op de foute afslag die ze ooit in andere tijden namen door zich over te leveren aan ‘foute’ sponsors. Maar willen ze schoon schip maken?

De verwachtingen en het zelflerend vermogen van Nederlandse musea zijn laag en het opportunisme en het wegkijken blijven groot.

In Nederland klonk in augustus 2021 slechts aarzelende kritiek op flitshandelaar Rob Defares die in Amsterdam een kunstinstelling (geen museum) wil inrichten waarvoor hij van de gemeente een pand en ondersteuning eist. Een publiek debat over de ethiek van het aanbod ontbrak volledig. Er klinkt weliswaar kritiek op dit soort fondsen die een ontwrichtende werking op de Nederlandse kunstwereld hebben, maar dat smoort telkens in berekening. De gevestigde culturele instellingen zwijgen als het om het accepteren van ‘besmet’ geld gaat zodat de kritiek nooit echt landt en tot een publiek debat leidt.

Ethiek in de Nederlandse museumsector is akelig onderontwikkeld als het om de herkomst van sponsorgeld gaat. De Met heeft nu een voorbeeld gegeven hoe het anders kan. Hopelijk leert de Nederlandse museumsector daarvan. Het zal onderhand tijd worden.

Gedachte bij foto ‘[Miscellaneous Sites in the Netherlands]: an unidentified location, probably in Amsterdam’, 1906

Thomas Warren Sears, [Miscellaneous Sites in the Netherlands]: an unidentified location, probably in Amsterdam, 1906. Collectie: Smithsonian Institution, Archives of American Gardens, Thomas Warren Sears photograph collection.

Er zijn drie foto’s van Thomas Warren Sears opgenomen in de collectie van het Smithsonian Institution met als zoeklocatie Nederland. Een ervan wordt duidelijk gelokaliseerd in Amsterdam en de andere twee die op dezelfde plek zijn genomen vermoedelijk ook. Bovenstaande afbeelding is er een van.

Op de achtergrond is een toren te zien. Die van de Zuiderkerk? Het water is tamelijk breed en gaat de breedte van een gracht als de Groenburgwal te buiten. Maar een rivier is het niet. Iets ertussenin. Halflandelijkheid. Ach, het doet er niet toe waar het is. Of waar het was. Want het is september 1906. Voor eeuwig. De werkelijkheid is opgeborgen.

De verstilling van het beeld roept het woord ‘versterven’ op. De stad is bedaard en houdt zich stil. Of dat voor even is terwijl de fotograaf zijn werk doet zou kunnen. We weten het niet. Zoals we nooit weten dat wat we niet zien iets doet wat zich aan onze waarneming onttrekt.

De overgang van de onder- naar de bovenwereld, spiegel van de ziel, nevel als de naderende dood en al dat soort wijsneuzige voetnoten van de uitlegkunde die vooral doorverwijzen zonder te landen, zonder te ontschepen, helpen niet verder bij het duiden van deze afbeelding. Dat is ook niet nodig. Waarom zouden we iets identificeren dat zich er juist door kenmerkt dat het zich daaraan onttrekt?

Gedachten bij twee foto’s van Clarence W. Sorensen: Rotterdam (1934) en Amsterdam (1969)

Dit is een foto uit de omvangrijke Clarence W. Sorensen Collection (1836 negatieven) die de persoon naar wie deze collectie is genoemd heeft geschonken aan de University of Wisconsin-Milwaukee Libraries. Geograaf en journalist Clarence Woodrow Sorensen (1907-1982) bereisde tussen 1934 en 1969 vele landen. Ook in Europa. Van Ierland en Denemarken tot Oekraïne en Griekenland.

Sorensen werkte op zijn reizen die hem naar alle continenten brachten samen met de professionele fotograaf Eugene V. Harris, aldus een bericht van de American Geographical Society Library. In vele landen is belangstelling voor de foto’s die ze daar maakten. Het lijkt erop dat dat niet voor Nederland geldt. Sorensen heeft als geoloog enkele boeken uitgegeven of daar een bijdrage aan geleverd.

De collectie bevat 44 gedigitaliseerde foto’s die in Nederland zijn genomen. De bovenste toont een glazenwasser van het bedrijf B. Putten dat gevestigd is in de Acaciastraat 9 te Schiebroek, Rotterdam. Dat staat op de zijkant van de kar. De man met pet loopt door het centrum van Rotterdam en kijkt fotograaf Sorensen die aan de straatkant staat recht in de ogen. Uit het straatbeeld valt op te maken dat het waarschijnlijk 1934 is. In elk geval de vooroorlogse periode. Sorensen vangt in dit beeld de crisis van de jaren 1930. Sappelen en zwoegen.

Een andere foto dateert van later datum, vermoedelijk 1969 of iets eerder in dat decennium. Uit de titel blijkt dat het op de Amsterdamse Rozengracht is. De vrouw kijkt vreemd uit haar ogen. Haar gezicht lijkt een masker waar al het leven uit is weggetrokken. Is ze moe na een dag werken of is er wat anders aan de hand? De witte plastic handschoenen maken het er onheilspellend op. Er lijkt zich een verhaal te ontrollen dat op zoek is naar een raadsel. De hond in het mandje achterop kijkt ook wat mat afwezig uit de ogen. De vrijheid en ongeremdheid van de jaren 1960 waarmee dit tijdperk wordt geassocieerd zijn ogenschijnlijk nog niet tot iedereen doorgedrongen.

De twee foto’s omvatten 35 jaar waarin veel is gebeurd. Een economische depressie, een oorlog, politionele acties in Nederlands-Indië, de wederopbouw, crisis op Paleis Soestdijk, de verzorgingsstaat, toenemende welvaart en de opstandige jaren 1960 waarin het gezag op de proef wordt gesteld. De mens beweegt zich door de sociale omgeving die het zelf heeft gemaakt. De fotograferende geograaf legt het vast. Als observator langs de kant.

Gedachte bij foto [Street scene, city in The Netherlands]. Amsterdam, 1903

Johan Hagemeyer, [Street scene, city in The Netherlands.] [negative]. Collectie: UC Berkeley, Bancroft Library.

Op de foto kijken we vanaf de Dam in Amsterdam in de richting van het Centraal Station langs de Beurs van Berlage. De bouw daarvan werd in 1898 begonnen en in 1903 voltooid. Het gebouw op de voorgrond is de Beurs van Zocher die in 1845 werd voltooid. We zien dus niet de bouw, maar de sloop van de Beurs van Zocher in 1903. In 1912 werd op deze plek de bouw van warenhuis De Bijenkorf gestart. Het staat nog steeds op deze plek.

De foto wordt toegeschreven aan Johan Hagemeyer (1884-1962) van wie Wikipedia zegt dat hij ‘vooral wordt herinnerd als fotograaf en artistiek intellectueel uit het begin van de 20e eeuw’. Hier was deze Amsterdammer 19 jaar oud. Dat spoort niet met de volgende beschrijving: ‘Johan Hagemeyer’s earliest surviving photographs date from ca. 1910 and feature carefully composed images of subjects and scenes in his immediate environs: family, friends, horticulture, the Dutch countryside‘.

Heeft het te maken met het verschil tussen de Nederlandse en Amerikaanse carrière van Hagemeyer? Ofwel, voor een Amerikaanse collectie blijven Hagemeyers Nederlandse jaren onbekend en onder de radar. Hij emigreerde naar de VS waar in New York in 1916 de befaamde fotograaf Johan Stieglitz hem overtuigde van het belang van de artistieke fotografie. Hij vestigde zich in California, werd ook een belangrijke fotograaf, maar was toch op het eind van zijn leven vergeten en stierf in armoede.

Het is gissen wie de man met strooien hoed is die poseert. Broer Herman of Hendrik? We weten het niet. De sloop van de Beurs van Zocher lijkt de aanleiding voor de foto. The best is yet to come.

Beschrijving De noordzijde van de Dam gezien naar de ingang van het Damrak. Links het Monument ter herinnering aan den volksgeest van 1830-1831, bekroond door het beeld van De Eendracht (Naatje van de Dam) en rechts de Beurs van Zocher. Op de voorgrond paardentrams. Oorspronkelijke kabinetfoto door A.T. Rooswinkel, later uitgegeven door Gebrs. van Rijkom. Datering:1883 of 1884.

College Amsterdam steunt Defares’ initiatief voor een instelling voor hedendaagse kunst. Debat over de ethiek van het aanbod ontbreekt

Schermafbeelding van deel berichtNieuw museum voor hedendaagse kunst in oude rechtbank Zuidas‘ van de gemeente Amsterdam, 27 augustus 2021.

Een museum of beter gezegd een ontwikkel- en presentatieinstelling krijgt in Amsterdam vorm. De voorlopige naam is het Museum of Contemporary Art (MCA.) De instelling doet niet aan collectievorming dus kan functioneel geen museum genoemd worden. Voorwaarde is dat aankoop van een gebouw op de Zuidas dat eigendom is van het Rijksvastgoedbedrijf wordt goedgekeurd door de raad.

Initiator is de Stichting Hartwig Foundation. Pikant is dat de bestuursvoorzitter daarvan de vermogende Rob Defares is die van 2010 tot 2018 lid van de Raad van Toezicht van het Stedelijk Museum was. Uit eerdere berichtgeving van Arjen Ribbens in NRC bleek dat oud-museumdirecteur Beatrix Ruf bestuurder is van het kunstfonds Hartwig Art Production Collection Fund dat een instelling voor hedendaagse kunst op poten wil zetten. Defares heeft 10 miljoen euro aan dit kunstfonds gedoneerd.

Het initiatief kan opgevat worden als een initiatief van Defares om Ruf met zijn geld weer een positie te verschaffen in de Nederlandse kunstwereld. Met geld is veel te koop in de Nederlandse kunstwereld, inclusief de deelnemende instellingen. Defares was ook lid van de Raad van Toezicht van de Rijksakademie. De lijntjes zijn kort achter de schermen van de Nederlandse kunstsector.

Schermafbeelding van deel berichtNieuw museum voor hedendaagse kunst in oude rechtbank Zuidas‘ van de gemeente Amsterdam, 27 augustus 2021.

Er is vanuit de marge kritiek op fondsen die een ontwrichtende werking op de Nederlandse kunstwereld hebben. De gevestigde culturele instellingen zwijgen echter als het om het accepteren van ‘besmet’ geld gaat zodat deze kritiek niet echt landt. In dat rijtje voegt zich nu blijkbaar de gemeente Amsterdam. Naast Ammodo en de Stichting Droom en Daad is dat dus de Stichting Hartwig Foundation. Het verwijt is dat mensen als Wim Pijbes (Droom en Daad) en Rob Defares buiten de gevestigde museumsector om zich met eigen of andermans geld in de positie wringen van schaduw-museumdirecteur of -bestuurder.

Timo Demollin zei over ‘De fuik van de filantropie’ voor Platform BK in maart 2021 het volgende: ‘Het geld dat de Hartwig Art Foundation in jonge kunstenaars investeert is dus indirect afkomstig van flitshandel. Deze geavanceerde beurstechnologie gebruikt wiskundige modellen, algoritmes en infrastructuur met hoogwaardige dataverbindingen om geautomatiseerd en razendsnel beursaandelen te kopen en verkopen aan de hand van andermans transacties. Veel van de handelsstrategieën die hieruit voortvloeien worden als controversieel beschouwd en zijn bekritiseerd als ontwrichtend voor financiële markten. Door misbruik van een asymmetrische toegang tot informatie en controle kan hierbij oneerlijke concurrentie en marktmanipulatie plaatsvinden. (..) Daarnaast wordt regelmatig het verwijt gemaakt dat flitshandel geen waarde toevoegt aan markten, doordat het slechts speculeert op kleine koerswijzigingen en valutaverschillen. (..) Flitshandel onttrekt dus economische waarde aan de samenleving en privatiseert belegd kapitaal van publieke fondsen, zo gaat het argument. (..) Dat straalt niet goed af op het geld dat de kunstsector ten goede komt via Defares, IMC en de Hartwig Art Foundation. (..) Ook de intensieve samenwerking met kunstruimtes en postacademische instellingen is discutabel. Wanneer deze meewerken aan het programma van de Hartwig Art Foundation bieden zij niet alleen een (met voornamelijk overheidsgeld opgebouwd platform aan de geselecteerde kunstenaars en hun begunstiger, hun imago als gerespecteerde instituten voorziet Hartwig Art Foundation ook van waardevol cultureel kapitaal‘.

Door belangenverstrengeling moest Ruf in 2017 haar directoraat neerleggen. De pro-Ruf factie heeft dat nooit goed kunnen verkroppen en bleef nog tot diep in 2020 via Het Parool de publiciteit zoeken om Ruf vrij te pleiten. Dat is deels gelukt en deels mislukt. De spin van een onderzoek over Rufs handelen (Peeters-Eisma) werd zelfs onderdeel van die publiciteitsslag. Het beeld dat bleef hangen was dat Ruf juridisch binnen de normen gehandeld had, maar ethisch niet en daarom niet te handhaven was. De uitkomst was dat Ruf haar positie verloren had en niet terugkreeg.

Zie hier voor de proxy-oorlog tussen NRC en Het Parool over de kwestie Ruf die in 2018 op zijn hoogtepunt was. Het is niet ondenkbaar dat deze schaduwoorlog tussen deze media en de pro- en anti-Ruf facties weer opflakkert vanwege dit nieuwe initiatief. Hoewel het deze keer wellicht eerder zal gaan om een afgeleide van die oude proxy-oorlog van drie jaar terug. Defares heeft slim een bypass voor Ruf gevonden.

Of dit initiatief van een nieuwe instelling voor hedendaagse kunst een soort wraak of doorstart is van het Stedelijk Museum van Ruf valt te bezien. Het is wel een bizar Droste-effect dat het Stedelijk Museum van Rufs opvolger Rein Wolfs een van de deelnemende instellingen wil zijn. Wie spiegelt wat?

Hoe dan ook is het merkwaardig dat er tot nu toe in de Amsterdamse politiek en de landelijke media geen debat is gestart over de aanvaardbaarheid van Defares’ aanbod. De geschiedenis lijkt zich te herhalen. Ethiek in de Nederlandse museumsector is onderontwikkeld als het om de herkomst van geld gaat.

Debat over slavernijverleden is pas zinvol als het door hele bevolking gevoerd wordt en niet in de eerste plaats door politieke activisten

Schermafbeelding van deel artikel Utrechtse excuses voor slavernijverleden? Niet uit mijn naam, zegt deze politicus‘ in het AD, 2 juli 2021.

Er is in vele landen vanuit gematigd linkse kringen kritiek op radicaal-links dat met identiteitspolitiek, cancel culture, wokeness en politiek correct denken van oorsprong linkse kiezers naar rechts jaagt. In de VS wijst de Democratische strateeg James Carville op het gevaar de traditionele achterban van Blue collar kiezers (= arbeiders) te verliezen. Dat denken zou het failliet bevestigen van links en radicaal-rechts in de kaart spelen. Zijn idee is dat er een kantelpunt bestaat dat als de wokeness binnen linkse partijen toeneemt de aantrekkingskracht van een breed publiek voor links afneemt.

Een nieuw netelig onderwerp in dit politieke debat is het slavernijverleden waarvoor stad en land excuses zouden moeten aanbieden. Voor welk probleem dat een oplossing biedt is de vraag. Opinieleiders uit radicaal-linkse kringen proberen elkaar de loef af te steken in politieke correctheid. Het is hun optimale kans om zich tegenover elkaar te profileren. De samenleving heeft daar echter weinig aan want, zoals gezegd, dat gaat niet ongestraft. Voor traditioneel links kan het zelfs de doodsteek betekenen.

Er bestaat overeenstemming over het feit dat het terecht is om te erkennen dat slavernij een zwarte bladzijde in de vaderlandse geschiedenis is geweest. Het was beter geweest als het nooit had bestaan. Het heeft velen onnoemelijk leed gebracht. Die erkenning moet breed uitgedragen worden.

Maar het aanbieden van excuses gaat een stap verder. Zeker als nog niet omschreven is hoe zich dat verhoudt tot schadevergoeding voor de verre nazaten van de slachtoffers van de slavernij, het herschrijven en dekoloniseren van de geschiedenis, het verwijderen van standbeelden van vaderlandse admiraals en bestuurders en het hernoemen van straten en instellingen omdat ze zouden verwijzen naar een besmette naam.

Het is een kluwen van aspecten die samenhangen en waarvan onduidelijk is wat nou wat is. Ze vormen samen de lagen van de taart. Het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden van Nederland is de kers op de taart. Een taart waarvan onduidelijk is wat er precies inziten hoe die gemaakt is. Voordat excuses aangeboden worden dient duidelijk omschreven te worden wat de aspecten zijn.

Ook moet opgepast worden dat hedendaags racisme niet vermengd wordt met het slavernijverleden van bijna 150 jaar geleden en ouder. In 1873 kwam officieel een eind aan de slavernij in Nederland toen het verboden werd. Het gevaar is dat het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden in de plaats komt van de bestrijding van hedendaags racisme op arbeidsmarkt, sociale huisvesting en in de samenleving in algemene zin. Dat is een oneigenlijk gebruik van excuses.

Nodig is een brede maatschappelijke discussie waar vertegenwoordigers van de hele bevolking aan deelnemen. Voor de acceptatie en sociale cohesie is het niet zinvol dat een groep activisten anderen een mening opdringt. Hoewel ze wel het debat kunnen helpen voorbereiden door de feiten boven water te halen en in het debat in te brengen. Maar ze zouden er door politieke en publicitaire druk in hun eentjes niet over moeten kunnen beslissen. Daar lijkt het nu op uit te draaien.

Het zou als uiterste sanctie geen taboe moeten zijn om de namen van de meest kwaadaardige personen uit het slavernijverleden die het meeste kwaad hebben aangericht uit de openbaarheid te verwijderen. Zonder dat ze uit de geschiedenis verdwijnen of wat nog erger is de geschiedenis herschreven wordt door hun uitwissing. Uitsluitend ter zake kundige historici zouden na gedegen onderzoek hier een voorstel voor moeten doen.

Maar laat het evenmin een automatisme zijn dat alle historische personen die in verband worden gebracht met slavernij en handel in slaven gecanceld moeten worden. Of dat standbeelden en straatnamen die hun naam hebben gekregen om politieke redenen hernoemd zouden moeten worden. Een ‘bijschrift’ kan de kwalijke kanten belichten van genoemde personen. Het is ongewenst én onmogelijk om met de bril van nu naar 1650, 1750 of 1850 te kijken.

Schermafbeelding van tussenstand van poll in het AD bij het artikel Utrechtse excuses voor slavernijverleden? Niet uit mijn naam, zegt deze politicus‘, 2 juli 2021.

Aanleiding voor mijn zorgen over een ver doorgeschoten identiteitspolitiek die uiteindelijk traditioneel links electoraal beschadigt is een enquête in het AD. Een krant die door vele ‘doorsnee’ Nederlanders geraadpleegd wordt. De respondenten vinden in grote meerderheid dat de gemeente Utrecht geen excuses aan moet bieden voor het slavernijverleden. Het valt niet te verwachten dat ze representatief zijn voor de Nederlandse bevolking, maar desalniettemin geeft de stemming aan dat er tegenstand is tegen het aanbieden van excuses. Dat kan niet lichtvaardig. Als het gebeurt, dan moet het goed voorbereid, uitgelegd en afgebakend worden.

Gedachte bij twee foto’s die dichtbij komen (1893-1991)

Nikos Economopoulos (1953-) – ‘Children playing with a ball at the main street of the central market, Tirana, Albania 1991

Wie op internet zoekt naar oude foto’s vindt veel overzichten van straten, pleinen, steden en landschappen. Het gaat om de locatie. Om de architectuur, de voorbereiding of gevolgen van een oorlog of een beeldvullend evenement. Kortom, veel totalen waarop de emotie niet te zien is. Of in elk geval niet de menselijke emotie. Dat soort fotografie is statisch.

In navolging van de foto’s van George Breitner probeerde ik een medium shot te vinden waarin een persoon van middel tot hoofd is afgebeeld. Vaak niet scherp in focus wat de foto vergankelijk, kortstondig en vluchtig maakt. Efemeer. In een ogenblik is het voorbij. Saxofonist Eric Dolphy zei ooit over muziek: ‘When you hear music, after it’s over, it’s gone in the air; you can never recapture it again‘. Deze foto’s zijn de evenknie van die uitspraak. Je kunt ze nooit meer hernemen of opnieuw maken.

Bovenstaande foto van de Griekse fotograaf Nikos Economopoulos komt dichterbij dan onderstaande foto van Breitner en daagt het kader uit door er buiten te treden. Er zit bijna 100 jaar tussen. Door het verschil in scherptediepte filtert Breitner de emotie uit. Vermoedelijk noodgedwongen. De dienstbode is aanwezig als schilderachtige vlek die met haar bloes tegenwicht geeft aan de donkere huizenrij. Fotografie als schilderkunst is geëvolueerd tot documentaire. Maar toch niet helemaal.

George Breitner, ‘Prinsengracht 174, Bloemstraat 1, Prinsengracht 172 – 170 en lager‘, 1893. Collectie: Stadsarchief Amsterdam.

Fluxus. Gedachte bij de foto ‘Fluxus-performance by the German artist Wolf Vostell at art gallery Monet, Amsterdam (1962)’

Hans de Boer, Fluxus-performance by the German artist Wolf Vostell at art gallery Monet, Amsterdam (1962). Collectie: Nederlands Fotomuseum.

Van 1962 tot 1966 bestond Galerie Monet op het Rokin 97 te Amsterdam, volgens informatie van de RKD. Joop (J. P.) Smid was de galerist. De datum van de foto is 5 oktober 1962. De kunstenaar is Wolf Vostell die een ‘Fluxus-performance’ geeft. Maar op de foto zien we niet Vostell, maar een vrouw die op de tafel danst die diende als basis voor Vostells optreden. Zo te zien met Kleenex-tissues in haar handen van de performance. Zij is deel van de show.

Is dat het Fluxus idee? Een performance die wordt toegeschreven aan Wolf Vostell waar hij uit gewist is? Maar hoe zit het dan met de beschrijving? Ook het vlottende moet toch nauwkeurig beschreven worden door het te omcirkelen? Of is dat deel van de performance die 60 jaar later nog doorwerkt? Ik weet het niet. Misschien is het oprekken van grenzen wel het ultieme Fluxus idee. Niet zozeer vergeten, maar voorbijgegaan in het geheugen van Nederland. Nagelaten in dubbel opzicht.