Stedelijk bakt ze bruin volgens Braun



De documentaire ‘White Balls on Walls‘ over Rein Wolfs, het Stedelijk Museum en het debat over inclusie van regisseur Sarah Vos ging twee maanden geleden in première op het IDFA.

Maar nu pas komt de film centraal te staan in de publiciteit. Mede door de frontale aanval van Jan Christiaan Braun in een opinie-artikel in NRC op 29 januari 2023. 

Braun constateert vergaande inhoudelijke invloed van de gemeente Amsterdam op het beleid en typeert Wolfs als een directeur die zich te makkelijk laat sturen. Aan de leiband van het gemeentebestuur loopt, geen ruggengraat toont en zelfs een moraalridder zou zijn.

Dat klinkt niet positief. Het is dan ook de vraag wat de documentaire en het publieke debat die het oproept betekenen voor de positie van Wolfs en onze blik op het Stedelijk Museum.

De kern van Brauns kritiek is dat het in het Stedelijk Museum niet gaat om de kunst, maar om een politiek correcte opstelling. In die lijn is in de trailer de reactie van Remy Jungerman die zegt niet als excuus-zetstuk te willen meedraaien in een tentoonstelling van het Stedelijk. De keerzijde is dat velen graag meedraaien omdat er andere normen en keuzes gelden.

Men moet weten dat Braun al zeker sinds 2005 in een vete-stand staat met het Stedelijk. Brauns kritiek is niet steeds hetzelfde. Eerder keerde hij zich tegen de macht van de Raad van Toezicht en de kunsthandel die een poot tussen de deur probeerde te steken. Zie een commentaar uit 2013 en een commentaar uit 2014 over de relatie van Braun met het Stedelijk.

Door de voorgeschiedenis is Brauns kritiek op de macht van de gemeente Amsterdam en een vermeend amechtige directie van het Stedelijk die daar te weinig tegenwicht aan geeft nog niet ongegrond. 

Braun schiet met nieuwe munitie op een Stedelijk dat onder museumbezoekers sinds het directoraat van twee buitenlandse vrouwelijke directeuren weinig krediet heeft opgebouwd. Zelfs onder Ruf stortte het museum moreel bijna het ravijn in. Ruf zorgde zelfs voor een heuse media-oorlog tussen NRC en Het Parool. Niet toevallig staat Brauns kritiek in NRC.

Braun raakt vanuit zijn ergernis over het Stedelijk de kern van de kritiek op kunstmusea die zich vanwege subsidies onderhorig opstellen aan de politiek. De schoorsteen moet roken, maar ten koste van eigen geloofwaardigheid en integriteit? Hoe dan ook lijkt Wolfs in het schootsveld van een polemiek beland. Dat gaat niet meer ongemerkt voorbij.

Advertentie

Bernard Eilers kleurt de nacht (1934-38)

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 16 juni 2013.

Bernard Eilers, Kalverstraat 111-115. 1935-1938.

Tussen 1935 en 1938 loopt Bernard Eilers (1878-1951) door de Amsterdamse Kalverstraat. Op nummer 113 baadt lingeriezaak ‘Emko‘ in het licht. Nederland komt uit de crisis. Of doet alsof. Nummer 111 toont het Duitse Verkeersbureau. In de jaren daarna wordt reizen naar Duitsland niet bijster populair. Bijouterieënzaak ‘Rivoli‘ op nummer 187 licht op. Tassen en sieraden wijzen op het goede leven. Gaat dat of komt het?

Bernard Eilers, Kalverstraat 187. 1935-1938.

Bernard Eilers was pionier op het gebied van kleurenfotografie. Met ‘kleurseparatiebeelden‘ lukt het hem rond 1935 om drie kleuropnamen te belichten en af te drukken. Aan de randen is het procédé zichtbaar. De diepte en intensiteit van de foto’s is enorm. Maar Kodak en Agfa halen hem in met hun fabrieken. De geniale eenling heeft weerom het nakijken.

In 1934 straalt over de huizen van het Rembrandsplein een reclame voor Philips Bi-Arlita lampen. Op het plein hangt stilte van een huiskamer die leest. Om de hoek rijdt op het Thorbeckeplein de geestesverschijning als auto voor de ‘Claridge American Bar‘ langs. Is dat toveren? Ach, hoe kunnen we het verleden grijpen als dat niet eens in het heden lukt? Met z’n techniek schept Bernard Eilers schoonheid die scherp en droog oogt.

Halsema gaat voorbij aan scheiding van kerk en staat en probeert religieuze organisaties voor haar beleid te ronselen. Kritiek op haar slaat ook de plank mis

Schermafbeelding van deel artikelMoskeebestuurders woedend op Halsema om verzoek steunverklaring lhbtq-gemeenschap‘ van Bas Soetenhorst in Het Parool, 16 oktober 2022.

De reactie van delen van de islamitische gemeenschap van Amsterdam op de oproep van burgemeester Halsema om een steunverklaring te tekenen voor de LHBTQ-gemeenschap is verkeerd en een gemiste kans om het debat op een abstract niveau te voeren. Die reactie gaat uit van miskenning omdat moslims achtergesteld zouden worden bij christelijke en joodse organisaties waaraan de oproep nog niet was gedaan. De islamitische organisaties hebben gelijk om de oproep af te wijzen, maar brengen de verkeerde argumenten naar voren.

De islamitische organisaties gaan voorbij aan de hoofdzaak, namelijk dat de overheid zich op geen enkele manier heeft te bemoeien met religieuze organisaties en deze op geen enkele manier onder druk mag zetten. Dat doet burgemeester Halsema wel. Ik omschreef dat op 16 oktober 2022 in onderstaande tweet:

Tweet van George Knight, 16 oktober 2022.

Het is een dunne lijn tussen de compenserende neutraliteit waarbij de overheden actief zijn in het ‘samenwerken’ met religieuze organisaties en deze oproep van Halsema. Overheden moeten zich vanwege de scheiding van kerk en staat niet bemoeien met de inhoud van religies en zich neutraal opstellen. En religieuze organisaties niet voor het eigen karretje proberen te spannen zoals Halsema deed. Het leidt tot niets en is dom beleid.

Daarnaast is het merkwaardig dat in land waar een meerderheid van de bevolking zegt zich niet te laten inspireren door godsdienst de Amsterdamse overheid exclusief steun zoekt bij religieuze organisaties voor de oproep voor de LHBTQ-gemeenschap. Dat is eenzijdig. Worden religieuze organisaties door Halsema minder of meer serieus genomen en als meer of minder volwassen opgevat? Dit soort vragen laat zien tot wat voor ongewenste dynamiek de actie van Halsema leidt.

Mijn tweet was een reactie op een tweet van MG Valenta van 15 oktober 2022 die terecht opmerkte dat de overheid zich niet heeft te bemoeien met de overtuigingen van een religieuze gemeenschap.

Tweet van MG Valenta, 15 oktober 2022.

Krijgt Amsterdam met het Verhalenhuis een centrum voor Arabische, Islamitische of gemengde cultuur in Nieuw-West?

Mijn reactie bij bovenstaande video op YouTube over een initiatief in Amsterdam-West van de stichting El Hizjra: het Verhalenhuis. Maar er schort nog wel iets aan de definiëring en uitwerking:

Prima initiatief. Waarom het aan kunst wordt gekoppeld en het Verhalenhuis mede een museum wordt genoemd is minder duidelijk. Want dit gaat niet om kunst, maar om cultuur. Om verbinding. Die is nodig en het lijkt er sterk op dat het Verhalenhuis in een behoefte kan voorzien. 

Het etiket dat Mohamed Mahdi erop plakt is vaag, of beter gezegd onbepaald. Hij gebruikt begrippen door elkaar, zoals Arabisch, Islamitisch, cultuur, wereld (gemeenschap) en mensen. Wat is wat?

Het onderscheid tussen de Arabische en Islamitische wereld verdient daarom nog enige uitwerking. Er zijn raakvlakken, maar ook verschillen.

Zo zijn er vele islamitische landen die niet Arabisch zijn (Turkije en de Turkssprekende Centraal-Aziatische republieken, Indonesië, Iran, Afghanistan, Pakistan, Bangladesh). Ook zijn er in Arabische landen aanzienlijke niet-Arabische etnische minderheden, zoals Berbers, Semieten en Koesjieten. Er zijn ook Arabische landen met aanzienlijke niet-islamitische religieuze minderheden (Libanon, Bahrein, Djibouti, Egypte, Koeweit, Soedan, Syrië). 

Zeker voor Nederland is deze nuancering belangrijk. De grootste islamistische minderheid vormen de Marokkaanse moslims, maar die zijn deels Berbers of Riffijns en slechts gedeeltelijk gearabiseerd. Daarnaast heeft ongeveer een kwart van de jonge Marokkaans-Nederlandse moslims de islam verlaten, maar presenteren ze zich om sociale redenen, zoals groepsdruk vaak nog als moslim. De op een na grootste islamistische minderheid vormen de Turks-Nederlandse moslims. Ze zijn niet Arabisch.

Een perfecte etikettering van de doelgroep/achterban die Mohamed Mahdi van stichting El Hizjra op het oog heeft is dus niet mogelijk. Er zijn te veel uitzonderingen en afwijkingen. De achterban is noch onvervalst Arabisch noch onvervalst Islamitisch. Beide etiketten dekken de lading niet. Maar het is begrijpelijk dat stichting El Hizjra om politieke, budgettaire en publicitaire redenen toch een etiket op dit project wil plakken.

Een oplossing zou wellicht zijn om het Verhalenhuis niet te presenteren als verbinding voor Islamistische of Arabische Nederlanders, maar als verbinding voor Amsterdammers die een band hebben met de werelden die Mohamed Mahdi schetst. Benoem daarin gerust de Arabische en Islamitische achtergronden, maar presenteer die niet als exclusief. Als het etiket niet kloppend te maken is, dan kan het maar beter ruim geformuleerd worden. Dat past prima bij een open stad met talloze minderheden.

Mode met Roberto Capucci (1952)

Dit stukje verscheen eerder op George Knight Kort op 16 augustus 2011.

Ben van Meerendonk, Aankomst van de jonge Italiaanse mode-ontwerper Roberto Capucci en zijn mannequins op Schiphol. 18 september 1952. Collectie: Ben van Meerendonk/ AHF, collectie IISG, Amsterdam.

Op 18 september 1952 arriveert modeontwerper Roberto Capucci op Schiphol. Pas 21 jaar oud. Het heeft net geregend. Paraplu’s worden weggemoffeld. De laatste mannequin is gehaast en de derde staat stil. Wonder boven wonder vormen ze toch een rij. Net eendjes. Achter de wolken schijnt de zon en kunstlicht laat de lichte mantel oplichten. Italianen maken kennis met een typische Ruisdael-lucht.

Roberto Capucci wandelt op Schiphol een zonnige toekomst tegemoet. Als voorloper van ontwerpers die tegen de beeldende kunst aanleunen. Geïnspireerd door Christian Dior’s New Look die in 1956 beantwoord wordt. Italiaanse mode wordt dat jaar geboren en gaat concurrentie aan met Parijs. De geüniformeerde man op de fiets brengt aan het licht wat de frivole Daltons missen: zwaarte. Gravitas

Op de show later die dag toont Capucci in het Victoriahotel stoffen en zijn ware gezicht. Hij lijkt warempel op een jonge Nicolas Sarkozy die pas in 1955 wordt geboren. De vijf modellen kijken beroepsmatig toe.

Ben van Meerendonk, Modeshow van de Italiaanse ontwerper Roberto Capucci in het Victoria Hotel, Amsterdam, 18 september 1952. Collectie: Ben van Meerendonk/ AHF, collectie IISG, Amsterdam.

Gilles Ehrmann fotografeert fietsende Nederlanders (1959)

Gilles Ehrmann, ‘Homme sur une mobilette‘ (1959). {Amsterdam]. Collectie: ©Donation Gilles Ehrmann, Ministère de la Culture (France), Médiathèque du patrimoine et de la photographie, diffusion RMN-GP.

Men ontkomt er niet aan dat buitenlandse fotografen die Nederland bezochten vaak aanhaakten bij de in het buitenland bestaande beeld van ons land. Marken, vissers in klederdracht, kerkgang of stadsgezichten.

De Franse fotograaf Gilles Ehrmann bezocht Nederland in maart 1959. Bovenstaande foto die in juni 2022 op de site van het Franse ministerie van Cultuur werd geplaatst heeft een opvallende titel: ‘Homme sur une mobilette‘. Dat wil zeggen ‘Man op een bromfiets’.

Maar we zien iets anders. Een Nederlandse man van middelbare leeftijd op een oerdegelijke fiets. De toelichting op een verkoopsite die een afdruk van deze foto in 2006 voor 1233 euro verkocht hanteert een meer neutrale titel: ‘Hollande Amsterdam‘.

Ehrmann laat zich uitdagen door het lamplicht in de nacht. Zo lijkt het. Of liever gezegd, de avond. Lampen larderen het straatbeeld. Haakt Ehrmann aan bij het cliché van een fietsend Nederland zoals ons land toen in het buitenland bekend stond of vat hij lampen, lichten en schimmen in de nacht als compositiestudie op? Of combineert hij een en ander?

Gilles Ehrmann, ‘Cyclistes dans la nuit‘ (1959). {Amsterdam]. Collectie: ©Donation Gilles Ehrmann, Ministère de la Culture (France), Médiathèque du patrimoine et de la photographie, diffusion RMN-GP.

‘Unindentified Exhibtion’ geïdentificeerd: Jacques Lipchitz in Stedelijk Museum (1958)

Jacques Lipchitz papers and Bruce Bassett papers concerning Jacques Lipchitz‘. Collectie: Archives of American Art. [Stedelijk Museum Amsterdam, 14 maart 1958].

Wat betekent de titel ‘Unidentified Exhibition‘ bij een aantal foto’s van een tentoonstelling van de Joodse Frans-Amerikaanse kunstenaar Jacques Lipchitz uit de collectie van de Archives of American Art op de site van de Smithsonian Institution?

Schermafbeelding van ‘Unidentified Exhibition‘ van Jacques Lipchitz op Smithonian Institute.

Het kan betekenen dat achteraf de tentoonstelling niet meer gedocumenteerd kan worden door gebrek aan feiten. Het kan ook iets anders betekenen. Analoog aan de titel van een kunstwerk ‘Geen titel’. De kunstenaar wil niet dat de tentoonstelling geïdentificeerd wordt en zich onttrekt aan duiding. De kunstenaar trekt met zo’n titel een lange neus tegen kunstjournalisten, kunstwereld en het museum die de tentoonstelling onderdak biedt.

Ach, elke Nederlander van een zekere leeftijd met belangstelling voor beeldende kunst herkent in de foto’s de ‘doorzichtige’ en nu niet meer bestaande Sandbergvleugel van het Stedelijk Museum in Amsterdam. De huizen van de Van Baerlestraat schemeren op enkele foto’s door de jaloezieën door. De ‘nieuwe vleugel’ werd in 1954 geopend. Wie dan nog niet overtuigd is ziet Willem Sandberg de bezoekers op de opening toespreken.

Schermafbeelding van persberichtDe beeldhouwer Lipchitz in Amsterdam‘ van Stedelijk Museum, 10 maart 1958. Collectie: Stadsarchief Amsterdam.

De tentoonstelling was van 14 maart tot 5 mei 1958. De titel was ‘Jacques Lipschitz’. Bovenstaand persbericht van Willem Sandberg maakt duidelijk dat de opening op vrijdagavond 14 maart 1958 plaatsvond. In afwezigheid van de kunstenaar. Dat ondermijnt de claim dat Jacques Lipchitz in Amsterdam is. Neemt de dame met de bontjas namens Lipchitz de honneurs waar? Is zij wellicht zijn echtgenote Yulla die hier 46 jaar oud is?

Jacques Lipchitz papers and Bruce Bassett papers concerning Jacques Lipchitz‘. Collectie: Archives of American Art. [Stedelijk Museum Amsterdam, 14 maart 1958].

Foto’s die zouden horen bij een niet geïdentificeerde tentoonstelling zijn nu geïdentificeerd. Ze horen bij een tentoonstelling met werk van Jacques Lipchitz in het Stedelijk Museum in 1958. Allen kunnen we helpen om de historische documentatie van kunstinstellingen aan te vullen.

(Ik heb het Smithsonian Institution een e-mail gestuurd met m’n bevindingen).

Amsterdam door Hongaarse ogen (1962)

Nederland, Amsterdam, 1962. Schenking van Janos Metneki. Collectie: Fortepan (Boedapest. Hongarije).

Betoverend zijn de kleurenfoto’s uit 1962 van net voor de provojaren met een schraal herkenbaar Oostblok-achtig kleurenpatroon. Het is het niet zo bekende beeld van vlak voor een grote gebeurtenis. 1962. Als aanloop naar 1965.

Jongeren en een enkele oudere genieten op de Dam van de zon. Zijn het medewerkers van banken en winkels in hun middagpauze? Waarom wil een Hongaarse fotograaf dit beeld vastleggen? Spreekt hem het exotisme van het vrije, ontspannen Westen aan? Verbeeldt dit de sfeer van vrijheid die hij in eigen land mist? Het is gissen.

Op de Wallen valt het vizier op een jongen en meisje die midden in de steeg (Lange Niezel) met elkaar praten. Een lookalike van Marilyn met petticoat en een nozem in een pak. In een afgezwakte alledaagse verschijningsvorm. Toen normaal, nu een verdwenen stadsbeeld. Zo verklaren we het nu, om iets dat we niet helemaal begrijpen dichterbij te brengen.

Transitie is het begrip dat deze foto’s uitdrukken. Zowel van de mensen die op de foto tot object worden gemaakt als van de fotograaf die erdoor gefascineerd wordt. De gevestigde orde van Nederland zou enkele jaren later met krenten uitgedaagd worden en had er geen passend antwoord op. Hier is het nog enkelzijdig Amstel Bier, Willem II sigaren en Heineken.

Wat komen ging was ludiek én serieus. Hangt het in 1962 al in de lucht? Dat valt uit deze foto’s niet af te leiden. Er heerst rust. Toch lezen we er stil protest in dat van zich gaat laten horen. Een kwestie van een kritische grens die eenmaal overschreden de weg vrijmaakt voor allen. Dat wordt hier opgebouwd. Wie kon dat vooraf weten?

Nederland, Amsterdam; Lange Niezel gezien vanaf de Oudezijds Voorburgwal, 1962. Schenking van Janos Metneki. Collectie: Fortepan (Boedapest. Hongarije).

Kunsthistoricus Sabry Amroussi meent dat kunst onschuldig is

Schermafbeelding van deel artikelVerdriet over verbreken banden met Hermitage Sint-Petersburg: “Kunst is onschuldig“‘ op AT5, 4 maart 2022.

In een artikel van AT5 over de (tijdelijke) sluiting van de Hermitage doet kunsthistoricus Sabry Amroussi opmerkelijke uitspraken. Men mag aannemen dat de uitspraken kloppen en door hem werkelijk gedaan zijn

Een selectie:

– ‘Het is onterecht dat kunst nu verwikkeld is met politiek

– ‘De kunstenaars hebben hier niet om gevraagd

– ‘Kunst is onschuldig en wordt geofferd op het blok van de politiek en dat zou niet moeten kunnen

Hoe is het mogelijk dat een kunsthistoricus zulke uitspraken doet? Dat roept de vraag op wat er met Amroussi aan de hand is. Lijdt hij aan blikvernauwing of aan geniale domheid? Conservator en kunsthistoricus Sjeng Scheijen wordt ook om commentaar gevraagd over het beleid van de Hermitage en reageert genuanceerd en evenwichtig.

Een en ander roept de vraag op welke functie Amroussi voor kunst weggelegd ziet. Uit de uitspraken blijkt dat hij vindt dat kunst en politiek gescheiden zijn en niet met elkaar verwikkeld mogen worden. Meent hij dat of formuleert hij ongelukkig zonder te beseffen wat hij zegt? Het valt te bezien wat kwalijker is, onhandigheid of naïviteit. Waar laat zo’n uitspraak kunst die zich uitspreekt over politiek en samenleving, zoals relevante kunst altijd doet?

Als Amroussi zegt dat kunst onschuldig is, dan schildert hij kunst af als onverdorven en argeloos. Als iets dat buiten het proces staat en er geen deel van wil zijn. Dan is kunst iets dat niets te maken heeft met politiek en samenleving en er hoogstens per ongeluk in contact mee komt.

Kunst is niet onschuldig, maar schuldig. Kunst die onschuldig wil zijn is amusement en vertier. Dat is een afgeleide, getemde vorm van kunst. Mogelijk is zo’n opvatting bon ton in een deftig en in zichzelf gekeerd tentoonstellingscircuit dat kunst ziet als halfproduct in de tentoonstellingsmachine van musea. Kunst die ertoe doet is hartstikke schuldig. Kunst die ertoe doet kiest altijd positie en is per definitie niet onschuldig.

Waarom hebben kunstenaars volgens Amroussi er niet om gevraagd? Heeft hij dat gecheckt, en als hij naar de kunstenaars van de Russische Avant Garde verwijst wiens werk op de tentoonstelling te zien was die werd gesloten, hoeveel van die kunstenaars zijn nog in leven en hebben zich hier tegenover hem over uitgesproken?

Heeft Amroussi telepathische gaven om in contact te treden met Kazimir Malevitsj (gestorven 1935) en Wassily Kandinsky (gestorven 1944)? Is Amroussi de nieuwe Helena Blavatsky die kunstgeschiedenis verwisselt met occultisme en een medium is geworden om in contact te treden met gestorven kunstenaars?

The medium Marthe Béraud with an ectoplasmatic structure (materialization) on her head. Marthe Béraud also performed under the names Eva C. and Eva Carrière. Photograph taken in 1912 by German parapsychological researcher Albert von Schrenck-Notzing M.D.(1862 – 1929).

De oorlog die de Russische Federatie in 2014 begonnen is tegen Oekraine en is veranderd in een grootschalige invasie is een moment van waarheid. Men kan niet afzijdig zijn omdat als men afzijdig blijft men stilzwijgend kiest voor de agressor. Shell verkoopt haar aandeel in Russische projecten, de Gasunie niet. Advocatenkantoren als Houthoff zien zich door maatschappelijke en politieke druk gedwongen om hun relatie met de Russische machthebbers te verbreken.

De Hermitage verbreekt met een kromme redenering de banden met de Russische Hermitage waarvan het afhankelijk was vanwege bruiklenen. Het bontst maakt Sabry Amroussi het als blijkt dat hij als kunsthistoricus opvattingen over de functie van kunst naar buiten brengt die wringen. Dat is onthullend. Dat is zijn moment van waarheid. Dat is zijn gesloten wereldbeeld.

Met verbreekt na kritiek sponsorrelatie met Sacklers. Kunnen Nederlandse musea er een voorbeeld aan nemen en een begin maken met het naleven van een ethische code inzake de relatie met sponsors?

Schermafbeelding van deel artikelMet dropping Sackler name from museum over opioid links‘ (van AFP) opFrance 24, 9 december 2021.

Het Metropolitan Museum of Art in New York zei op donderdag 9 december 2021 in een verklaring dat het de naam Sackler van verschillende tentoonstellingsvleugels zou verwijderen, te midden van aanhoudende controverse over de vermeende rol van de miljardairsfamilie bij het aanwakkeren van de opioïdencrisis. In media werd dit besluit een mijlpaal genoemd. De naam Sackler zal worden verwijderd uit zeven tentoonstellingen, waaronder de vleugel met de Tempel van Dendur, zei de Met in deze gezamenlijke verklaring met de familie.

De VS zucht nog steeds onder een crisis van pijnstillers, de ‘opioïde crisis’. Verslavende middelen die mensen afhankelijk maakt. Sommigen plegen zelfmoord. De Sackler familie die het inmiddels failliet verklaarde bedrijf Purdue Pharma bezat en de middelen verkocht is er rijk van geworden.

Zoals vaak in dit soort gevallen willen de leden van zo’n familie niet bekend staan als ordinaire geldboeren en zoeken ze maatschappelijke acceptatie om hun ware aard te verhullen. In dit geval doen ze dat via het sponsoren van kunst. Een gangbare stap om maatschappelijk prestige te kopen.

Een belangrijk signaal over de onaanvaardbaarheid van sponsorgeld in de kunstsector gaf in 2019 de Britse acteur Mark Rylance toen hij de Royal Shakespeare Company (RSC) verliet omdat het sponsorgeld ontving van ‘big oil‘, van BP. Hij meende toen volgens een bericht in The Guardian dat de sponsorovereenkomst van BP met RSC het bedrijf toestond om ‘de destructieve realiteit van zijn activiteiten te verdoezelen’. Volgens hem bedreigen ze de toekomst van de planeet. Rylance zei niet met BP geassocieerd te willen worden, zoals hij dat evenmin zou willen met een wapenhandelaar, een tabaksproducent of wie dan ook die ‘moedwillig de levens van anderen levend en ongeboren vernietigt’.

Het besluit van Rylance is in lijn met andere acties tegen sponsorovereenkomsten in de kunst met bedrijven die door een toenemend aantal activisten niet langer als ethisch toelaatbaar wordt gezien, zoals de groep Gulf Labor in het Guggenheim Museum. In 2015 was er een rel over het Londense Science Museum toen Shell de inhoud van een tentoonstelling over klimaatverandering probeerde te beïnvloeden. Activist Chris Garrad van ‘bp or not bp’ gaf toen aan dat ‘het Science Museum een belangrijk radartje in de propagandamachine van Shell is’. Kunstenaar Michael Rakowitz weigerde om deel te nemen aan de 2019 Whitney Biennial vanwege de rol van wapenhandelaar Warren Kanders in de Raad van Toezicht van deze instelling.

Nederland kent ook dit soort protesten die echter nauwelijks de publieke opinie halen. Zo is er het volgens vele critici besmette sponsorgeld van cultuurfonds Ammodo dat desondanks door vele musea (Museum Boijmans, Van Abbemuseum, Kröller-Müller Museum, Mauritshuis, Museum Boerhaave, Ons’ Lieve Heer op Solder, Rijksmuseum of Stedelijk Museum) probleemloos en hersenloos wordt aanvaard. Soms werkt protest. Het Van Gogmuseum en het Mauritshuis beëindigden in 2018 de sponsorovereenkomst met Shell na druk van de actiegroepen Fossil Free Culture NL en Fossielvrij NL.

Kunstenaar Nan Goldin die ooit verslaafd was aan een middel van de Sacklers voerde in de VS en het VK geruime tijd actie tegen musea die geld van de Sacklers accepteerden. Een gevolg van dat jarenlange protest is dat de Met de sponsorovereenkomst met de Sacklers verbreekt. Dat is een lastige strijd omdat musea zich grotendeels afhankelijk hebben gemaakt van sponsors. In de VS en het VK is dat gebruik en ook in Europa zijn musea door terugtredende overheden de markt opgejaagd.

In 2019 boekte Goldin een eerste succes toen de National Portrait Gallery in Londen bekendmaakte een sponsorbedrag van 1 miljoen pond van de Sacklers af te wijzen. Musea zijn gewaarschuwd, publiek en kunstenaars pikken niet langer dat musea geld van dubieuze geldschieters aanvaarden. Musea die dat (nog) wel doen kunnen op negatieve publiciteit rekenen.

De coronacrisis zou wel eens een zegen in vermomming kunnen zijn voor de ethische opstelling van musea omdat het de formule van museum als tentoonstellingsfabriek van blockbusters ondermijnt en musea de kans geeft om zich hierop te bezinnen. De toenemende kosten van grote exposities zijn voor steeds meer musea onbetaalbaar geworden. Musea hebben nu de kans om terug te komen op de foute afslag die ze ooit in andere tijden namen door zich over te leveren aan ‘foute’ sponsors. Maar willen ze schoon schip maken?

De verwachtingen en het zelflerend vermogen van Nederlandse musea zijn laag en het opportunisme en het wegkijken blijven groot.

In Nederland klonk in augustus 2021 slechts aarzelende kritiek op flitshandelaar Rob Defares die in Amsterdam een kunstinstelling (geen museum) wil inrichten waarvoor hij van de gemeente een pand en ondersteuning eist. Een publiek debat over de ethiek van het aanbod ontbrak volledig. Er klinkt weliswaar kritiek op dit soort fondsen die een ontwrichtende werking op de Nederlandse kunstwereld hebben, maar dat smoort telkens in berekening. De gevestigde culturele instellingen zwijgen als het om het accepteren van ‘besmet’ geld gaat zodat de kritiek nooit echt landt en tot een publiek debat leidt.

Ethiek in de Nederlandse museumsector is akelig onderontwikkeld als het om de herkomst van sponsorgeld gaat. De Met heeft nu een voorbeeld gegeven hoe het anders kan. Hopelijk leert de Nederlandse museumsector daarvan. Het zal onderhand tijd worden.