De waarheid achter het masker: godsdienst, antikolonialisme, consumentisme en de Vailala Gekte in Nieuw-Guinea (1918-1921)

Drie mannelijke leden van de Eleman-stam of taalfamilie in de Purari Delta in Australisch Nieuw-Guinea dragen maskers. De beschrijving van het British Museum heeft het over eharo maskers, gemaakt van barkdoek. Ze zijn niet heilig. De figuur in het midden moet een oudere man voorstellen en de anderen jonge jongens. De periode is 1900-1930 en men kan nu nog aanvoelen waarom Europese kunstenaars zich in de eerste helft van de 20ste eeuw door deze ‘primitieve’ kunst aangesproken voelden. Maar onschuldig is het niet. Er is onderhuidse spanning tegenover de Britse kolonisator.

In hetzelfde gebied ontstond in 1918-1921 de Vailala Gekte of Waan. Dat was een religieuze beweging. De beschrijving is te interessant om niet te vertalen: ‘De Vailala Madness was een religieuze beweging. Het was actief tussen 1919 en 1922. Veel mensen denken dat het een van de eerste goederen sekte  (cargo cult) was, ook al werd die term voor het eerst gebruikt in de jaren veertig. De Vailala Madness was actief in de Golf van Papoea, destijds een territorium van Australië, maar behoort nu tot Papoea-Nieuw-Guinea. De Vailala Madness dankt zijn naam aan het gedrag van mensen die eraan deelnamen. Dit gedrag omvatte glossolalie (of ‘spreken in tongen’), beven en tekenen van mentale of emotionele stoornissen. In de inheemse taal noemden mensen die deelnamen aan de Vailala Madness het iki haveve, of ‘buik-weet niet’, wat een andere manier was om ‘duizeligheid’ te zeggen. De mensen in de beweging dachten dat er een ‘ Spookboot’ zou komen. Dit schip zou worden bestuurd door dode mensen die terug zouden komen. De doden brachten vracht met ingeblikt voedsel en gereedschap mee. In één versie van het verhaal zouden de doden wapens meebrengen om de blanke kolonisten eruit te schoppen, maar niet iedereen is het erover eens dat dit was wat mensen in de Vailala Madness echt geloofden’.

Uit een beschrijving van de Encyclopaedia Britannica blijkt dat deze religie van de cargo sekte zowel raakt aan de eigen tradities, het christendom, het moderne consumentisme als het antikolonialisme. Het lijkt wel op de Boston Tea Party in 1773, het protest van Amerikaanse kolonialisten eveneens tegen de Britse overheerser. Tradities worden aangepast aan de nieuwe tijd en in een nieuwe vorm gegoten die het beste inspeelt op de actualiteit. Tradities worden opnieuw uitgevonden.

Zo bekeken is de foto van de drie mannen met maskers van Gibson Studio uit Port Moresby al aan verbrokkeling onderhevig toen die genomen werd. Wat vermoedelijk vaker het geval is. Wordt het er zo niet eerder een plaatje voor het archief, voor het museum op van een realiteit die al was losgekomen van de omgeving? Het antwoord is niet op voorhand duidelijk en lijkt trouwens minder interessant dan de vraag hoe traditie en moderniteit zich tot elkaar verhouden. Zoals vaak kan de kloof van belofte en behoefte overbrugd worden door godsdienst die zich buiten de paden kan bewegen omdat het zich onttrekt aan alle logica en een kader scheept waarin alles mogelijk is omdat het toch niet geverifieerd kan worden.

Foto 1: Gibson Photo, Port Moresby, [Postcard printed with a photograph (black and white); photograph of three young Elema men outdoors wearing eharo masks; the two masks on either end represent young boys, while the mask in the middle represents and old man; they also wear plant fibre shoulder coverings and cloth wraps, as well as having body painting; grass and hills behind them; Purari Delta; Papua New Guinea], 1900-1930. Collectie: British Museum.

Foto 2: Henry Moore Dauncey, [Young boy, called Vailala, wearing tradecloth wrap, probably a student at the Mission School, holding a slate with a drawing of the London Missionary Society boat “John Williams”], 1900. Collectie: Dauncey Collection, of Royal Anthropological Institute.

John Szwed over de relatie tussen jazz en schilderkunst

Een item voor de liefhebbers van jazz en schilderkunst, in het bijzonder bebop en moderne kunst. Emeritus hoogleraar John Szwed die heeft gepubliceerd over jazz, antropologie en Afro-Amerikaanse onderwerpen geeft zijn visie op de wisselwerking en wederzijdse beïnvloeding tussen de twee disciplines. Met in een hoofdrol twee van oorsprong Nederlandse schilders: Piet Mondriaan (na 21’30’’) die wordt gekoppeld aan de door-meanderende boogie woogie van de pianisten Albert Ammons, Meade Lux Lewis en Pete Johnson en aan Thelonious Monk, evenals Willem de Kooning (na 43’00’’) die wordt gekoppeld aan Robert Rauschenberg en Ornette Coleman. In Nederland zouden in zo’n lezing ongetwijfeld de namen Lucebert en Hugo Claus vallen.

Foto: Robert Ryman, Untitled (Orange Painting), 1955 en 1959. Collectie: MoMA New York.

Jean Rouch filmt in Afrika (1955). Maar welke realiteit toont hij?

Spreken de beelden voor zich of toch niet? Accra, 1955. De Franse etnografische cineast en antropoloog Jean Rouch (1917-2004) draait Les maîtres fous. Hij probeert door de rituelen van de religieuze Hauka-beweging die over grenzen ontstond als reactie op het kolonialisme de effecten van dat kolonialisme te achterhalen. De vorm waarin hij dat giet werd bekend als Cinéma vérité. De verslaglegging zou ‘waar’ en onzichtbaar zijn.

Zijn het kolonialisme en de mensen erin in gelijke mate gek? Of: gestoord? Is de reactie van de Hauka-beweging op dat Europese kolonialisme nou kritiek of door in het frame van het kolonialisme te stappen toch uiteindelijk de omarming ervan? Rouch die 40 jaar in Afrika filmde kreeg lof en kritiek op z’n films. Hij hielp Afrika voor een Westers publiek ontsluiten, maar zou dat wel gedaan hebben met een Eurocentrische bril op.

Na het zien van Les maîtres fous resteert afstand en verwondering. Afrika is niet alleen een ander continent door de afstand in ruimte, maar in tijd blijkt 1955 ook een ander continent. De in Londen gevestigde Otolith Group benaderde in 2013 het kolonialisme op een journalistieke manier: door de documentaire ‘In the Year of the Quiet Sun’ en de tentoonstelling ‘Statecraft‘ die aan de hand van de vormgeving van postzegels de dekolonisatie laat zien. Zo’n zakelijke opstelling die het feit tartend presenteert als fetisj vermindert de valkuil van een betuttelend perpectief dat goedbedoeld is maar toch verkeerd uitpakt. Pioniers wacht achteraf kritiek.

35015348-ghana--circa-1957-a-stamp-printed-in-ghana-shows-standard-bearers-and-queen-elizabeth-ii-stamp-of-go

Foto: Postzegel van Gold Coast uit 1957 met overdruk ‘Ghana Independence 6th March 1957’.

Tegenbeweging met Occupy en Génération Identitaire zoekt een oplossing

Joris Luyendijk heeft in zijn column BankingBlog in The Guardian een antropologische blik op de banksector. Interessant was zijn recente column: Occupy, the global brand. Op reis in Duitsland ontmoet-ie in Frankurt Thomas Werner die deel uitmaakt van Occupy Money. De vraag of Occupy een wereldmerk kan worden zoals Greenpeace staat erin centraal. In de reacties klinkt volop scepsis. Want zo’n Occupy zal de structuren niet veranderen. Zoals Greenpeace evenmin een paradigmaverandering voor het milieu heeft kunnen bereiken.

In de NRC verschijnt wekelijks een Nederlandse bewerking die losjes gebaseerd is op de Guardian-column. Deze week onder de titel : ‘Zou het kunnen, een rechtse Occupy?‘ Luyendijk beantwoordt de vraag niet, maar probeert zich serieus in de tegenbeweging te verplaatsen. Hij wisselt zijn zoektocht naar Occupy uit de Guardian-column in voor cynisme over het functioneren van de bankensector. Dat ook toezichthouders wegkoopt en ‘politici die het financiële kartel in stand houden, weten dat hun straks lucratieve posities wachten als bankier, ‘speciaal adviseur’, commissaris of bestuurder’. Hoe dat werkt bewees in een andere sector afgelopen week de voormalig nummer 2 van de PvdA Nebahat Albayrak die door Shell ingelijfd werd.

Door de vermenging van politiek en bedrijfsleven heeft dat laatste de belangen in dat eerste veilig gesteld. En is zo goed als ontastbaar geworden. Wat blijkt uit het uitblijven van structuurwijzigingen die het financiële kartel inperkt. Het conglomeraat van bankiers, politici, toezichthouders, accountants, journalisten en wetenschappers is een gesloten en in zichzelf gekeerde wereld waar de burgers niet toegelaten worden. Maar het conglomeraat wordt wel op kosten van die burger in stand gehouden. Hoe dat te doorbreken?

Gisteren schreef ik begrip te hebben voor Franse rechtse jongeren van de Génération Identitaire: ‘Dus in de maatschappijkritiek van de jongeren kan ik me vinden. (..). Interessant is dat die kritiek voor een groot deel identiek is met wat de Occupy-generatie, ‘mavericks’ als de Amerikaanse libertarier Ron Paul of echt onafhankelijke -niet pseudo-progressieve- critici en journalisten zeggen. Namelijk dat het individu wordt vermalen in de samenwerking tussen grote bedrijven en overheden. En dat dit door media nauwelijks wordt gemeld omdat ze tot onderdeel van de macht zijn gemaakt’. Luyendijk probeert zijn collega’s te corrigeren.

Het gaat bij het zoeken van een verklaring voor de malaise niet om immigranten of nationale identiteit. De bankier is de oorzaak van de crisis. En waar-ie voor staat in zijn onmaatschappelijkheid. In een omgeving die doorgaans even blank, westers en geïntegreerd is als de Identitaire Generatie zelf. Maar onnoemelijk lastiger te bestrijden valt dan een willekeurige immigrant. Maar de analyse klopt dat het belang van de burger is uitverkocht door de elite. Greenpeace of revolutie? Nu de oplossing nog. Die in ieder geval uit de marge komt.

Foto: Omslag van boek : ‘Eléments pour une contre-culture identitaire‘ van Philippe Vardon-Raybaud