Gedachten bij twee foto’s met Edmund Reinhardt (1927)

Hans Böhm, Zivilporträt: Edmund Reinhardt; Bei der Abreise nach Amerika, 1927. Collectie: Theatermusuem Wien.

Een oceaanstomer nadert de haven. Een man kijkt naar de fotograaf die op zijn beurt ook naar het schip kijkt. Dit zijn oude tijden toen wekelijks grote, luxe schepen de Noord-Atlantisch route tussen West-Europa en New York overbrugden.

Wie is de man? Hij is Edmund Reinhardt, de zakelijke leider van projecten van zijn broer. De in die tijd wereldberoemde Oostenrijks-Amerikaanse regisseur Max Reinhardt die vanaf 1900 als vernieuwer spektakel op maat in het theater maakte. Als Oostenrijkse jood emigreerde hij in 1937 definitief naar de VS.

Edmund is de onmisbare man op de achtergrond. Twee jaar na deze foto’s stierf Edmund. Slechts 42 of 43 jaar oud. Max kreeg toen ook de zakelijke beslommeringen op zijn schouder.

Het Theatermuseum meent dat het om een vertrek van Edmund Reinhardt gaat. Maar is het niet logischer om te veronderstellen dat het om een aankomst van zijn broer gaat die hij af komt halen? Want waarom zwaaien naar een schip waar men enkele uren of een dag later mee vertrekt?

Doet het ertoe wat voor schip het is waarmee Max in 1927 uit New York kwam of Edmund uit Hamburg mee vertrekt? Het is niet uit de foto af te leiden, maar het moet een van de drie schepen van de HAPAG, de Hamburg-Amerika lijn zijn: de Albert Ballin, de Deutschland (IV) of de Hamburg (II) die tussen 1923 en 1925 op de Hamburgse werf Blohm & Voss werden gebouwd.

Hans Böhm, Zivilporträt: Edmund Reinhardt; Abfahrt nach Amerika, 1927. Collectie: Theatermuseum Wien.

Op de tweede foto is het ineens een stuk drukker aan de havenkant. Zo lijkt het. De fotograaf verschuift zijn lens naar rechts. Iedereen zwaait naar het schip of kruipt tersluips naar fotograaf Hans Böhm om in beeld te komen.

Het is geen kleine gebeurtenis, het op een luchthaven, treinstation of haven ophalen of wegbrengen van een bekende. Dat gaat over verhalen en medeleven. De tragiek van deze foto’s toont dat nooit zeker is wie vertrekt of aankomt.

We weten nooit vooraf wie het langst de ander welkom heet en wie uiteindelijk als eerste afscheid neemt. Scheiden is hachelijk. Maar het verlangen naar ontdekking of verandering is sterker.

Advertentie

Kamperen in Angola: zes mannen op zoek naar een ansichtkaart

Acampamento; In Camp’. Angola, 19–. Collectie: National Museum of African Art, Eliot Elisofon Photographic Archives.

Dit is een ansichtkaart uit de toenmalige Portugese kolonie Angola die zes mannen op kamp toont. Of liever gezegd, een witte man met tropenhelm op kamp met vijf bedienden. Dat is blijkbaar toenmalig kamperen. We zien hier de camping van zo’n 100 jaar geleden. Met alles erop en eraan.

Het tafereel doet denken aan een titel van een toneelstuk van de Italiaanse toneelschrijver Luigi Pirandello: ‘Zes personages op zoek naar een auteur‘ (1921). Op deze ansichtkaart dient zich ongemerkt en indirect het echte leven aan. Via de marge, via de zijkant. Dat echte leven is niet het dagelijks leven van het kamp, maar de hiërarchie in het kamp. Het is zichtbaar, en ligt er zelfs dik bovenop, maar wordt niet genoemd.

Het verslag van Martin Schouten bevat een onheuse bewering.Hij zegt: ‘Pirandello was fascist‘. Dat is te simpel. Pirandello was geen Erza Pound of Robert Brasillach. Eerder een Pyke Koch. Met zo’n typering 70 jaar na dato doet een journalist een Italiaanse schrijver uit de jaren 1920 tekort en begrijpt hij de geschiedenis van dat tijdperk onvoldoende. Pirandello verscheurde in 1927 zijn lidmaatschapskaart van de fascistische partij en stond de rest van zijn leven onder controle van de macht.

Is dit een apolitieke ansichtkaart van een onschuldige camping of is het lachwekkend om dat te beweren? Zijn toenmalige ansichtkaarten die de gevestigde orde met markten, havens en poserende mensen beschrijven per definitie politiek? Maar wacht even, wordt dan alles met terugwerkende kracht politiek gemaakt? Dat is niet houdbaar en juist dat vertekent het verleden.

Pirandello meende dat hij apolitiek was als schrijver. Laten we het er maar op houden dat deze ansichtkaart ook apolitiek is. Die constatering spoelt de bijsmaak van onderwerping, onvrijheid en een niet naar gelijkheid strevende machtsstructuur weliswaar niet weg, maar laat deze vertoning uit het verleden zo goed mogelijk intact. Maar we denken er zoveel jaar later wel het onze van.

Gedachte bij de foto ‘Easter ritual’ (1959)

George Brich, Easter ritual, 1959. Collectie: Valley Times Collection.

Als je een rol speelt, dan moet je erin geloven. Anders wordt het niks. Dat geldt voor alles in het leven. Het is een kwestie van geloofwaardigheid. Of in dramatische termen gezegd, vraisemblance. De rol kan niet overeenkomen met de waarheid, maar dient er wel sterk op te lijken. De speler moet zich inspannen om de waarheid van het ritueel te benaderen. Zonder zich af te laten leiden.

De deelnemer wisselt het Individualisme tijdelijk in voor een hoger doel. Juist dat maakt iemand tot speler. Dat is de afspraak van drama waar spelers en toeschouwers zich aan onderwerpen. Ze doen alsof ze niet doen alsof. Dat is de noodzakelijke voorwaarde voor doen alsof.

Rituelen in godsdienst, theater, performance kunst, openbare optredens of wat dan ook zijn geformaliseerd in afgezaagde vormen. Dat dient het gemak en de verwachting van spelers en toeschouwers. Ze stappen in een model dat zich door herhaling in de tijd bewezen heeft.

Dat is deel van de maatschappelijke orde die op zijn beurt ook een afspraak is die dit zowel mogelijk maakt als er door versterkt wordt. Daarom is de macht zo dol op rituelen. Hoe autoritairder de macht, hoe meer de protagonisten ervan belang hechten aan rituelen.

Parades, massabijeenkomsten en samenwerking met godsdiensten met hun traditie van rituelen en hun steun onder de lokale bevolking die tegen een tegenprestatie worden ’uitgeleend’ aan de lokale dictator of autoritaire leider zijn hiervan het symbool.

De foto toont een paasritueel van een Oosters-orthodoxe kerk in Los Angeles, 1959. Het bijschrift zegt (vertaald): ‘Kerkenraadsleden van St. Innocent Eastern Orthodox Church in Encino, 5501 Newcastle Ave., tonen de begrafenis van Christus, die vanavond zijn hoogtepunt zal bereiken in de opstandingsdiensten voor leden van de oosters-orthodoxe kerken. Met pope Sergei A. Glagolev, rector, van links, zijn George Vag, Edward Sutyak, Stephen Kosct en Nicholas T. Geeza. Mannen houden ‘het opwindlaken’ of de lijkwade van Christus vast. De lijkwade wordt van de kist verwijderd en de verduisterde kerk wordt verlicht nadat woorden, ‘Christus is opgestaan’, zijn gesproken.”‘

De drie middelste mannen Edward Sutyak, Stephen Kosct en Nicholas T. Geeza loeren naar fotograaf Brich. Ze laten zich afleiden van het ritueel dat ze uitvoeren. Waarschijnlijk is het een eer dat zij daarvoor zijn uitgekozen. Het is wellicht te veel gezegd dat ze zich betrapt voelen en twijfelen over de handeling die ze verrichten, maar ze laten evenmin zien dat ze er ondubbelzinnig in geloven.

Bibliotheken gaan door lobby op 20 mei open. Musea en theaters niet. Hoe hebben ze hun zaak bepleit?

Bibliotheken zijn net als musea en theaters zogenaamde ‘doorstroomlocaties’. In het geleidelijk opheffen van de maatregelen ter bestrijding van de COVID-19 pandemie was aanvankelijk het plan om de doorstroomlocaties vanwege tegenvallende cijfers nog gesloten te houden.

De Tweede Kamer was het daar voor wat de bibliotheken betreft niet mee eens ‘omdat de maatschappelijke functie te groot is’, met als gevolg dat op 20 mei de bibliotheken weer open mogen mits de cijfers dat toelaten. Daar lijkt het op dit moment op. Uit deze stellingname valt af te leiden dat de leden van de Tweede Kamer de maatschappelijk functie van musea en theaters minder groot achten en ze volgens hen een minder urgente maatschappelijke functie dan bibliotheken hebben.

Directeur Dirk Nijdam van Forum Groningen zegt over de opening van de bibliotheken het volgende: ‘Dat is een hele goede ontwikkeling. Ik had er een beetje op gehoopt en er was ook een lobby in gang gezet, landelijk, om de bibliotheken zo snel mogelijk open te doen. Het kan ook gewoon heel goed, gereguleerd, dus ja hartstikke mooi’. Hoe het gaat met cursussen en een expositie in het gebouw is volgens Nijdam nog even afwachten. Hij verwacht dat dit op korte termijn ook weer mogelijk is.

Nijdams woorden houden in dat door een goede lobby van de bibliotheeksector bij de Tweede Kamer de bibliotheken nu open mogen gaan als de cijfers dat toestaan. Dat roept de vraag op of een lobby van de museum- en theatersector zich afgelopen weken ook bij de Tweede Keer gemeld heeft om opening te bepleiten. En als die lobby er was, dan heeft die gezien het uitblijven van resultaat blijkbaar minder succesvol geopereerd dan de bibliotheeksector. Waarom dat verschil? Zegt dat iets over het professioneel opereren van museum- en theatersector?

Kerk van de Almachtige God claimt dat het ‘geheel is gesticht door de Almachtige God Zelf en zeker niet door de mens’

Hoe moeten we ons dat in de praktijk voorstellen, een godsdienst die niet door de mens, maar door God zelf is gesticht? De religieuze organisatie Kerk van de Almachtige God zegt dit over zichzelf op YouTube:

De Kerk van Almachtige God is gesticht vanwege de verschijning en het werk van Almachtige God, de tweede komst van de Heer Jezus, Christus van de laatste dagen. Ze is geheel gesticht door Almachtige God Zelf en is zeker niet door een mens gesticht.’

Kerk van de Almachtige God is een christelijke nieuwe religieuze beweging die in 1991 in China is ontstaan. Net als de Falun Gong beschouwen de Chinese autoriteiten De Kerk van de Almachtige God als ‘kwade sekte’. De internationaal opererende kerk is ook bekend als Eastern Lightning of The Church of Almighty God.

Wikipedia geeft Zhao Weishan als leidsman en oprichter die de Kerk in 1991 oprichtte. Om deze tegenspraak in harmonie te brengen zeggen de leden van de Kerk van de Almachtige God dat Weishan ‘de Man die gebruikt wordt door de Heilige Geest’ is.

Zo is het vraagstuk opgelost van een religieuze organisatie die zonder enige medewerking van mensen kan ontstaan. Dus zonder bouwen, construeren, maken, vormgeven, funderen door mensen.

De claim is dat de Almachtige God eigenhandig de doelstelling heeft geformuleerd en zelf met het idee van een nieuwe christelijke beweging is gekomen. Het is alleen tegenstrijdig dat juist mensen dat beweren en niet die Almachtige God zelf. Namens wie spreken ze? Het zou pas geloofwaardig zijn als de Almachtige God zelf zou bevestigen de stichter van de Kerk te zijn. De claim van mensen bevestigt eerder de ingreep van mensen.

Wonderen zijn het promotiemateriaal van godsdiensten. Het zijn de pamfletten van de oude tijd toen er nog geen fotografie, film, radio, televisie of internet was. Als in de stijl van de klassieke Hollywood-film hebben godsdiensten een verhaaltechniek die de aandacht af wil leiden van de montage en de constructie als product.

Dat is tegengesteld aan het vervreemdingseffect van de Duitse toneelschrijver en theatermaker Bertolt Brecht (1898–1956) die de toeschouwer om maatschappelijke redenen juist bewust wilde maken van de constructie van een verhaal of drama om verregaande identificatie met de personages te verhinderen.

De hoogste ambitie van een godsdienst is om het eigen ontstaan weg te poetsen. Dat moet de godsdienst een betovering van authenticiteit geven als iets bijzonders dat uit zichzelf is ontstaan. Het patina van het verticale (hemels) wordt als onvervalster beschouwd als het horizontale (aards). Dat dient de gezagdragers ervan die zich daardoor kunnen legitimeren met iets dat groter dan henzelf is door afstand van zichzelf te nemen.

Hier past het vernoemen van de verhaaltechniek Deus ex Machina, ofwel een God uit een machine die met een onverwachte plotwending een verhaal af moet ronden. Verhaaltechnisch wordt een plotwending die uit de lucht komt vallen en binnen de logica van het verhaal niet organisch is voorbereid als tekortschietend ervaren.

De paradox is dat de Almachtige God die moet dienen als middel om de constructie van de godsdienst te verhullen, juist aandacht trekt door de geconstrueerde oorsprong ervan. Kerkleiders speculeren erop dat door traditie en macht hun religieuze organisatie niet langs de maatstaf van de rationaliteit wordt gelegd.

Dat is niet hetzelfde als het aspect dat geloof een kwestie van overtuiging en niet van logica is. Geloof in een godsdienst waarvan de bouwmeesters zeggen dat die door mensen is gemaakt is niet fundamenteel anders dan geloof in een godsdienst waarvan de bouwmeesters zeggen dat die niet door mensen is gemaakt.

Godsdiensten zijn door het theatrale effect van rituelen zo vormgegeven dat de vraag over het eigen ontstaan is losgekoppeld van de geloofsbeleving. Er bestaat nog geen Brechtiaanse versie van een godsdienst waar een onderbewust niveau van die godsdienst ondergeschikt is gemaakt aan de bewustwording van de gelovige.

Dat geldt ook voor nieuwe godsdiensten die critici een parodie van een godsdienst noemen. Juist om die reden van dat onderbewuste niveau dat ook bij die godsdiensten dominant is zijn ze in de kern niet anders dan de traditionele godsdiensten. Daarbij zijn ook talloze gelovigen van traditionele godsdiensten er niet ondubbelzinnig overtuigd van dat hun godsdienst zonder tussenkomst van mensen is geconstrueerd.

Een probleem ontstaat vooral bij nieuwe religieuze bewegingen als de Kerk van de Almachtige God of de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster. Ze missen traditie en macht. Daardoor kunnen indirect vragen worden gesteld bij de legitimiteit en het ontstaan van gevestigde godsdiensten. Naast de toenemende, economische concurrentie op de religieuze markt zorgt dat voor spanning tussen de oude en nieuwe godsdiensten.

Foto: Schermafbeelding van paragraaf ‘Over’ op het YouTube-kanaal van de Nederlandstalige versie van De Kerk van (de) Almachtige God.

Anti-racisme beweging moet niet doorslaan in intolerantie: de inperking van fictie, expressie, drama en verbeeldingskracht

Het klopt dat ik Hanne, Marthe en Klaasje nog nooit zo zag. Want ik heb ze nog nooit gezien. Het is toch al een wonder dat toeschouwers een film die nog gedraaid moet worden al hebben gezien. Maar het gaat niet om de promotie van een film van meidengroep K3, maar om de kritiek daarop die nu al opborrelt. Op de maatschappelijke rugwind van de BLM-beweging. Volgens een bericht van Tim Engelbart op de rechtse site DDS scherpen scherpslijpers hun messen. Het is onduidelijk hoe breed en afwijkend hun kritiek is.

Deze critici van de film ‘K3 – Dans van de Farao’ hebben ongelijk. Want culturele toe-eigening of ‘cultural appropriation’ dat gaat over ‘de overname of het gebruik van elementen van een bepaalde cultuur door een andere cultuur’ wordt door hen te beperkt geïnterpreteerd. Dat leidt tot verboden en inperking van de vrijheid van expressie. Dat is ongewenst. Een neutrale term is het niet, want ‘toe-eigening’ bevat de noties ontfutselen, wegnemen of inpikken. Daarom valt te bezien of het voor een debat niet een onbruikbare term is die het gesprek over de overname van culturele of sociale kenmerken door een andere groep (acculturatie) bij voorbaar framet, politiseert en dichttimmert. De term ‘toe-eigening’ suggereert dat machtsverhoudingen tussen groepen de natuurlijke overname van elementen van de ene in de andere cultuur onmogelijk maakt.

Dit gaat over identiteitspolitiek, ofwel over de vraag wie een in etniciteit gegrond verhaal mag claimen en mag ‘vertellen’. De hardliners stellen scherpe grenzen. In het geval van Egypte hebben de critici kritiek op het feit dat een Vlaamse of Nederlandse zangeres zich voordoet als iemand met een Egyptische etniciteit. Het lijkt erop dat ze menen dat alleen een Egyptenaar zich als Egyptenaar mag voordoen. Zelfs in een dramatisering van productiemaatschappij Studio100 Group die duidelijk een illusie is en geen weergave van de realiteit.

De critici houden blijkbaar niet van acteren, dus van ‘het doen alsof’. Of ze begrijpen de essentie niet van dramatisering en drama. In theaterstukken en films spelen acteurs doorgaans karakters met een andere achtergrond dan die van henzelf. De 21ste acteur die in een achterstandsbuurt geboren is kan moeiteloos de koning uit een 16de eeuws stuk van William Shakespeare verbeelden. Dat is de magie van het rollenspel. Dat is geen grap of mode, maar inderdaad een act. In de realiteit van deze critici liggen identiteiten onwrikbaar vast. Juist die onwrikbaarheid reduceert mensen tot één identiteit waaraan ze niet kunnen ontsnappen. Deze critici bouwen muren in de samenleving die mensen in hun apartheid niet mogen overschrijden.

De term suggereert dat culturele toe-eigening een overtreding is en daarom ontoelaatbaar. Dat is echter nog maar de vraag. Mag een wit iemand uitsluitend een wit verhaal vertellen of mag een wit iemand een zwart verhaal vertellen? En mag omgekeerd een zwart iemand een wit verhaal vertellen? Sommige gemeenschappen claimen dat ‘hun’ verhaal ‘hun’ eigendom is en dat een ander van een andere groep daar vanaf moet blijven. Dat gaat tot en met het eigen ontstaan en de voorouderverering aan toe. Dat is een kortzichtig standpunt.

Culturele toe-eigening die op scherp wordt gezet door een radicale minderheid is hypocrisie, dwingelandij en paradoxaal genoeg ook emancipatie van die minderheid. Het is een manier om machtsverhoudingen en culturele hegemonie te doorbreken. Daarom moet er een zeker begrip voor opgebracht worden. Maar als onverdraagzaamheid van een meerderheid wordt beantwoord met onverdraagzaamheid van een minderheid, dan is dat geen verbetering. Deze critici van de film van K3 haken aan bij terecht protest dat racisme bestrijdt, maar slaan door in hun kritiek door drama, expressie en verbeeldingskracht ondergeschikt te willen maken aan hun politieke opvattingen. Dat is een doodlopende weg voor allen die eindigt in collectieve segregatie.

Foto 1: Schermafbeelding van deel berichtZO ZAG JE KLAASJE, HANNE EN MARTHE NOG NOOIT!’ van productiemaatschappij Studio100 Group, 29 juni 2020.

Foto 2: Schermafbeelding van deel artikelJa hoor! Ook K3 gecancelled wegens “racisme”: Egyptisch verkleedpartijtje is “culturalappriopriation”’ van Tim Engelbart op DDS, 29 juni 2020.

‘Cultuur In Actie’ is te breed om een verschil te maken voor de kunst en te smal om duurzaam te zijn voor de culturele identiteit

Er komt een nieuwe actie aan. Deze keer gaat het om CultuurInActie. Een beladen acroniem: CIA. Vanwege de 1,5 meter-maatregelen als gevolg van COVID-19 is het een digitale actie die wordt gehouden van 30 mei tot en met 5 juni 2020. Ik heb er een hard hoofd in dat het een lans zal breken voor de kunst. De breedte en de onevenwichtigheid ervan valt op, zoals blijkt uit een fotoblok: Theater, Musea, Dans, Evenementen, Poppodia, Monumenten, Bioscopen, Dierentuinen, Bibliotheken. Dat duidt op denken vanuit productie en bedrijfsvoering. Niet vanuit de kunstdisciplines drama of film, maar Theater en Bioscopen. Niet literatuur, maar Bibliotheken. Niet beeldende kunst, maar Musea. En waarom Dierentuinen en geen kermis, carnaval of bloemencorso? Niet klassieke muziek, jazz of geïmproviseerde en experimentele muziek, maar Poppodia. Wie organiseert dit?

Cultuur is alles dat verbindt, kunst is in de opvatting dat de functie ervan het aanscherpen is er het tegendeel van. Kunst is een onderdeel van cultuur, maar niet elke cultuur is kunst. Cultuur is gericht op de samenleving, kunst is dat niet per definitie. De kunstsector is verdeeld in verschillende, afzonderlijke disciplines, en kunst is weer een klein onderdeel van de cultuur. De claim van de actie is even breed als de opzet ervan: ‘Zeven dagen lang, 12 uur per dag, verzamelen wij geluiden die samen één luide stem vormen. De stem die opkomt voor de cultuur in ons land.’ Het brede karakter van CultuurInActie leidt tot verwarring omdat onduidelijk is waar de organisatoren de grenzen van de cultuur trekken en hoe de grens tussen kunst en cultuur getrokken wordt.

Ik voeg aan het bovenstaande een overweging toe uit een commentaar uit 2017. Als context voor de CIA:
Nederland kan zijn cultuur voldoende beschermen met beleidsmaatregelen die de Nederlandse taal, kunst, geschiedenis en het (cultuur)onderwijs steunen. Maar dat doet de huidige politieke klasse niet. Het kort juist op dit beleid dat een basis onder de Nederlandse culturele identiteit zou kunnen leggen. Hoofdzaak zijn dus geen defensieve maatregelen tegen de radicale islam wat Buma, Klaver en Asscher er in hun reacties van maken, maar offensieve maatregelen die de Nederlandse kunst en cultuur positief  en ruimhartig steunen. Het sterke vermoeden dat Buma weet dat hij deze steun voor de Nederlandse cultuur heeft laten liggen en daarom als afleiding de aanval op de radicale islam zoekt maakt het er nog valser, schijnheiliger en onbetamelijker op.

Wie herinnert zich in 2011 niet toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra (VVD) in het kabinet Rutte I dat werd gevormd door VVD en CDA en gedoogd door PVV? Dat zijn de drie partijen die met duivels plezier en breed verkondigde minachting de cultuursector een lesje leerden door bovenmatig te korten op het cultuurbudget waardoor de culturele basisinfrastructuur van Nederland ernstig werd aangetast. In 2017 werken deze bovenmatige korting en imageschade nog na en zijn kunst en cultuur deze klap nog steeds niet te boven.

Nodig is niet een actie die vanuit de verdediging van instellingen, organisaties en bedrijven op het raakvlak van cultuur en commercie pleit voor financiële steun vanwege tegenvallers in de bedrijfsvoering, maar een actie die het offensief zoekt. Culturele ondernemers zijn tijdelijk, een solide, integrale culturele identiteit van Nederland is voor de lange termijn. Dat vraagt om een brede actie die pleit voor een beter overheidsbeleid op het gebied van Nederlandse taal, kunst, geschiedenis en onderwijs. Conclusie is dat deze CIA-actie te breed is om echt een verschil te kunnen maken voor de kunsten en te smal om duurzaam te zijn voor de toekomst.

Foto: Schermafbeelding van deel paragraaf ‘over ons’ op cultuurinactie.nl, 29 mei 2020.

Wat is ‘The Art of Cinema’? Wat is kunst?

Een aardige montage van filmfragmenten gaat samen met een beschouwing over film, de zogenaamde 7de kunst. Na architectuur, beeldhouwkunst, schilderkunst, muziek, poëzie en dans. De religieuze humanist Andrej Tarkovsky wil eerst het antwoord op de vraag naar de zin van het leven beantwoorden, voordat hij toekomt aan de vraag wat kunst is. Hij ziet kunst als een ongelukkige kunst omdat het een kruising is van kunst en commercie. De minimalist Robert Bresson legt weer een ander accent. Hij meent dat als pas alle bouwstenen van een film samenwerken ze kunst opleveren en dan tot een herschepping komen. Zo niet, dan mislukt de transformatie en is de film een nabootsing van kunst. Bresson legt de lat hoog en verwijst naar de narratieve Hollywood-film die hij niet als echte kunst beschouwt als hij zegt dat die een kopie van drama is. Professional Alfred Hitchcock vindt het leven een mysterie, het leven een drama en komt tot de stilzwijgende conclusie dat drama een mysterie is. De meest Westerse Japanse regisseur Akira Kurosawa ziet als Hitchcock de basis van de 7de kunst in het scenario. Ze staan daarmee haaks op het anti-theatrale van Bresson en de ongrijpbare mystiek van Tarkovsky. Na bijna drie minuten fragmenten en de opvattingen van een Russische, Franse, Engelse en Japanse regisseur zijn we terug bij af. Door de tegenstrijdige visies is er geen peil op te trekken wat de 7de kunst en de opzet van de video is. Behalve de vaststelling dat er geen peil op te trekken is.

Antwoord aan Jezus Weende over het bestaan van God en de overeenkomsten in de constructie van religie en theater

Bij de videoBestaat God? deel 1: Wie tot God komt, moet geloven dat Hij is’ op het YouTube-kanaal van ‘Jezus Weende’ gaf ik onderstaande reactie op de opmerking van Weende ‘Als de Bijbel werkelijk een verzinsel van mensen zou zijn, dan had hij er heel anders uitgezien. De sprookjes van Grimm zijn een verzinsel van mensen, de Bijbel niet.’ In mijn betoog probeer ik met uitstapjes naar de literatuur en het theater aannemelijk te maken dat de constructie van godsdienst door mensen begrijpelijk en historisch samenhangend is:

Sinds er mensen op aarde zijn hebben er duizenden godsdiensten bestaan. Vele ervan zijn verdwenen, andere bestaan nog steeds. Het is een wetmatigheid dat mensen die zich door een specifieke godsdienst laten inspireren de andere godsdiensten als minder of afgoderij zien.

De godsdiensten zijn niet zozeer een verzinsel van mensen, maar een constructie. Want het begrip verzinsel bevat de notie ‘dat het niet waar hoeft te zijn’ en dat gaat aan de essentie ervan voorbij. Maar de constructie is waar, zoals narratieve constructies als vertellingen of films altijd hun eigen logica en waarheid hebben. Binnen die fictieve constructie zijn ze waar. Zo is God binnen de constructie van een godsdienst waar en bestaat deze God.

Deze redenering heeft een historische onderbouwing en kent parallele ontwikkelingen. Zowel het drama als religie putten uit dezelfde bron. Namelijk het ritueel. Historische theaterwetenschappers leggen dat ontstaan in grotten waar onze verre voorouders bij elkaar kwamen om in bezweringen en plechtige handelingen door zingeving en troost de harde werkelijkheid op afstand te houden en de eigen sterfelijkheid te relativeren. Om dat te plaatsen in de tijd, de oudste rotsschilderingen uit de grot van Lascaux worden gedateerd op 15.000 jaar voor Christus.

Na verloop van tijd heeft zich door een verschil in behoefte van die verre voorouders een afsplitsing voorgedaan. Zo ontstond dat wat later het wereldse drama (theater) werd en dat wat voeding gaf aan het ontstaan van godsdiensten (religie). Dat is een ontwikkeling van tientallen eeuwen geweest.

Het ontstaan van het moderne theater wordt gedateerd op de 5e eeuw voor Christus toen in Griekenland de oervaders van het moderne drama Aischylos, Sofokles en Euripides het theater moderniseerden en van nieuwe elementen voorzagen. Het werd een autonoom genre. Een gevolg hiervan was dat het verder op afstand kwam te staan van de oorsprong die oorspronkelijk een ritueel in de cultus van Dionysos was.

De historische analogie met het ontstaan van de godsdiensten is opvallend. De nu nog bestaande wereldgodsdienst het Hindoeïsme ontstond in dezelfde periode als het moderne Griekse drama, namelijk in de 5de eeuw voor Christus. Daarna volgden het Boeddhisme, Jodendom en Christendom.

Het heeft sinds de oertijd van Lascaux ruim meer dan 10.000 jaar geduurd voordat religie en theater zich beslissend van elkaar gingen onderscheiden. In die overgangstijd hebben ze parallel gelopen, van elkaar geleend en elkaar versterkt. De functies van theater en religie die nu als afwijkend van elkaar worden gezien zijn in die tussentijd steeds verder hun eigen weg gegaan door detaillering en specificatie. Zowel in het theater als de religie is die gemeenschappelijke bron van het ritueel nog te herkennen, maar door allerlei ontwikkelingen binnen die twee genres zijn ze losser komen te staan van hun eigen ontstaan.

In de uitspraak van de theoloog Harry Kuitert: ‘Alle spreken over Boven komt van beneden, ook het spreken dat beweert van Boven te komen’ komen deze ontwikkelingen samen. Te weten het ontstaan van religie naast het theater uit het ritueel. Evenals het idee dat het een kernelement van een godsdienst is om de constructie of montage ervan uit het zicht van de gelovigen te gehouden om dat geloof niet te verzwakken.

Dat wijst op een andere analogie die zowel in theater als religie aanwezig is, namelijk die van ‘de onzichtbare stijl’. Dat houdt in dat de invloed van de maker in het product vooral niet wordt benadrukt, maar juist onzichtbaar wordt gemaakt. De gedachte daarachter is dat de identificatie van de beschouwer met het fictieve product daardoor wordt geoptimaliseerd. Fictieve constructies die uit het oertheater ontstonden, zoals de moderne roman, de klassieke Hollywood-film, de Middeleeuwse allegorie of het 19de eeuwse drama zijn volgens dit idee van de onzichtbare stijl geconstrueerd. Hun ontstaan wordt weggepoetst. Overigens is daar in de literatuur (James Joyce) of het theater (Bertolt Brecht) allang een reactie op gevolgd, maar historisch is de analogie met religie dat eveneens het eigen ontstaan onzichtbaar probeert te maken niet toevallig. Deze onzichtbare stijl van religie lijkt een overblijfsel van het ritueel dat eveneens het sterkste werkt als het niet ter discussie werd gesteld wat tot demystificatie zou kunnen leiden.

Overigens is de vraag interessant of hedendaagse godsdiensten naar analogie van de 20ste eeuwse ontwikkelingen in literatuur en theater, die de montage voorop zetten en als doel hadden om de identificatie te doorbreken, dezelfde ontwikkeling kunnen volgen zonder niet buiten het genre van de religie te treden. Nieuwe, nog niet door iedereen geaccepteerde godsdiensten als de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster lijken voor religie hetzelfde te beogen als wat Joyce en Brecht voor literatuur en theater deden. Te bedenken valt dat deze modernisten in hun eigen tijd ook veel tegenstand ondervinden, zoals dat nu in de religieuze sector geldt voor die nieuwkomers die van beleidsmakers dezelfde kritiek krijgen die de modernisten in literatuur en theater in de eerste helft van de 20ste eeuw kregen. Dat is de conditionering die de eigen tijd oplegt.

Het is begrijpelijk dat een geestelijke of gelovige niet meegaat in de analyse dat een godsdienst een constructie van mensen is omdat het het geloof kan verzwakken. Maar daarmee is niet gezegd dat wetenschappers of analisten aan de hand van de feiten niet kunnen concluderen dat godsdiensten een constructie van mensen zijn. Predikanten redeneren vanuit hun geloof en wetenschappers geloven in de rede of de empirische methode. Religie en historische wetenschap kunnen goed naast elkaar bestaan en vanuit hun specifieke uitgangspunt ‘gelijk’ hebben, omdat ze over verschillende werkelijkheden gaan, maar ze kunnen nooit dezelfde uitspraken over elkaar doen. Laten we daarom dat verschil koesteren.

Foto: Schermafbeelding van videoBestaat God? deel 1: Wie tot God komt, moet geloven dat Hij is’ op het YouTube-kanaal van ‘Jezus Weende’.

Tim Murck, Bertolt Brecht en kunst met een hamer en sikkel

Mijn reactie bij deze video:
Mooi verhaal waar ik het graag eens ben. Op een aspect na. Namelijk Bertolt Brecht. Hij is in dit verband een ongelukkig voorbeeld. Om niet te zeggen een voorbeeld dat het hele betoog onderuithaalt.

Ja, we kennen zijn theorie over montage en vervreemding. Het getuigde van inzicht en binnen de traditionele Duitse toneelwereld van lef om de realiteit van de vierde wand te doorbreken.

Maar nee, in zijn politieke stellingname in de toenmalige DDR was Brecht niet oprecht en een opportunist. Zoals ten aanzien van Stalin wiens misdaden na diens dood aan Brecht bekend waren geworden en de opstand van arbeiders in 1953. Over beide durfde hij in zijn laatste jaren geen stelling te nemen omdat hem dat in conflict met de machthebbers had gebracht. En hem niet het bespelen van het Berlijnse Theater am Schiffbauerdamm had opgeleverd.

Brecht bleef wellicht nadenken, maar hij slikte veel van wat hij dacht in zijn latere jaren in. Dat was in de toenmalige DDR geen kunst met een hamer, maar kunst met een hamer en sikkel.