George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Subsidie

Missiemuseum in Steyl dreigt gesloten te worden omdat Venlo de subsidie stopzet. Het is uniek in zijn soort door de tijdloosheid

with 3 comments

Iedereen heeft voorkeuren. Favoriete musicus, schrijver, televisieprogramma, politicus, provincie of museum. (In mijn geval: Charlie Parker, W.G. Sebald, Lubach op Zondag, Hans van Mierlo, Zeeland, De Pont). Maar in mijn top drie van Nederlandse musea staat ook het Missiemuseum in het Limburgse Steyl. Er dreigt een ramp. Uit een bericht van L1 blijkt dat het Missiemuseum op omvallen staat: ‘Penningmeester Hein Jacobs laat in een brandbrief weten dat het zonder structurele subsidie vanaf 1 november einde verhaal is voor het museum’. De gemeente Venlo wil de subsidie stopzetten, 56.000 euro voor 2020 en 175.000 euro voor 2021.

De reden die penningmeester Jacobs geeft is van een ontwapenende a-modieuziteit: ‘Dan gaat de conservator met pensioen en met de huidige financiële mogelijkheden kan die niet worden vervangen’. Het gaat om één conservator. In deeltijd. Venlo zegt volgens Jacobs met een quickscan te willen komen om het Missiemuseum door te lichten. Daar antwoordt Jacobs op: ‘Hoezo een quickscan? We laten al bijna 100 jaar zien wat we doen en waar we voor staan.’ Het Missiemuseum is in 1931 opgericht en ontvangt jaarlijks zo’n 16.000 bezoekers. Jacobs begrijp niet waarom andere Venlose musea, Tiendschuur en Museum van Bommel van Dam die minder bezoekers trekken wel subsidie ontvangen: ‘Ik gun het die musea, maar het voelt wel wrang’.

Het lijkt dat a-modieuzitiet die juist extreem modieus is niet door het Venlose college op waarde wordt geschat. Het Missiemuseum in Steyl is een ‘slow museum’ waar de tijd heeft stilgestaan. De waarde van het museum zit hem erin dat er in de jaren sinds 1931 weinig veranderd is. De inrichting met oude vitrinekasten en de opstelling met 1500 opgezette dieren geeft de meerwaarde. Een bezoek is als het bladeren in een oud boek. Wellicht wat achterhaald, maar onvervalst. Zo wordt het museum zelf een reusachtige stijlkamer.

Het stopzetten van de subsidie van dit museum is een teken aan de wand. Het gaat er niet alleen om dat in Nederland de kunst geen aanzien meer heeft. Recent zei vertrekkend directeur van de VandenEnde Foundation Ryclef Rienstra in een interview met NRC het volgende: ‘Ik zou willen dat cultuur in politiek opzicht weer statuur krijgt’. Het is ook dat de kunst die nog wel ondersteuning van overheden krijgt aan steeds striktere voorwaarden moet voldoen. Zo wordt de kunst door de overheid getemd en onmondig gemaakt. Kunst moet een politiek doel en een ongrijpbaar begrip als identiteit dienen, kunst moet een sociaal doel als diversiteit dienen, kunst mag niet te moeilijk of te makkelijk zijn en moet toegesneden zijn op de wensen en behoeften van het publiek dat geamuseerd en behaagd wil worden. Kunst moet van alles, maar mag niet zichzelf zijn. Overheden zadelen kunstinstellingen op met hun stokpaardjes en politieke doelstellingen omdat ze weten dat de weerloze en machteloze kunstsector daartoe makkelijk gedwongen kan worden. Politiek die kunst de eigen wil oplegt is scoren voor open doel. Dat is altijd prijs met als bonus een misplaatst idee van daadkracht.

In het commentaarHervorming museumsector gevraagd’ van 8 januari 2011 dat ik vergezeld liet gaan van onderstaande foto van het interieur van het Missiemuseum in Steyl schreef ik onder meer het volgende:
‘Structureel heeft Nederland teveel musea en tentoonstellingen. Hoewel er naar mijn idee maar acht musea zijn die op dit moment regelmatig kwaliteit leveren in hun tentoonstellingen (De Pont, Boijmans, Van Gogh Museum, Haags Gemeentemuseum, Mauritshuis, Van Abbe, Rijksmuseum en op het nippertje, het Stedelijk Museum) staat het land overvol met musea en zuigen vele middelmatige en middelgrote musea een deel van de budgetten weg.

Sommige topmusea beconcurreren elkaar of zelfs zichzelf door een ADHD-achtige programmering. De befaamde tentoonstellingsmachine die op hol geslagen is en niet meer te temmen valt ten koste van verdieping van de inhoud, de uitvoering en het ontbreken van nazorg voor een tentoonstelling. Want aan de horizon doemt een nieuwe naam op die door de afdelingen publiciteit en marketing moet worden gelanceerd. Of de naam van de conservator of de museumdirecteur moet helpen vestigen. Maar geen enkel museum kan op straffe van weggezakte aandacht afhaken.

Nederlandse musea draaien internationaal niet meer mee zoals vroeger en hebben in het bruikleenverkeer weinig in te brengen. Modes bepalen de agenda. Enkele jaren terug was de landententoonstelling populair. Wat volgt? Een tentoonstelling uit eigen collectie met een paar bijzondere bruiklenen, ingegeven door eigen schaarse middelen? Beter lijken terughoudendheid, reflectie en een betere onderlinge afstemming tussen musea zodat de kwaliteit opgekrikt kan worden en bezoekers weer op adem kunnen komen.’

Het Missiemuseum in Steyl is het tegendeel van een museum dat door de knieën gaat en zich, door anderen daartoe gedwongen, richt op de behoeften van het publiek van nu. De vaste opstelling vertelt geen ‘verhaal’ dat afgedwongen wordt door de politiek omdat het zich daar volledig aan onttrekt. Het Missiemuseum is een publieksmuseum dat niet bij de tijd wil zijn, maar dat op een indirecte wijze meer is dan welk ander museum ook. Want het heeft de authenticiteit bewaard die andere musea onder de kaalslag van Halbe Zijlstra en de dwang van markt, marketing, publiciteit en politiek hebben verloren. Het Missiemuseum is het omgekeerde van de wijsheid uit De Tijgerkat van Giuseppe Tomasi di Lampedusa: ‘Alles moet veranderen opdat alles hetzelfde blijft’. Het Missiemuseum bewijst het omgekeerde: ‘Alles moet blijven opdat het toont hoe alles veranderd is’. Laten het college van Venlo en de provincie Limburg koesteren wat ze binnen hun grenzen hebben en goed beseffen wat ze voor museale schat met het Missiemuseum te Steyl in handen hebben.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelMissiemuseum in Steyl hangt sluiting boven het hoofd’ van Jochem Rietjens in L1, 5 februari 2020.

Foto 2:  Opname Missiemuseum Steyl, Limburg.

Landhuis Oud Amelisweerd dreigt tijdelijk pop-up museum te verliezen. Utrecht moet onderzoek beginnen vanuit de inhoud

leave a comment »

Op 24 april 2019 tekende Herman Sietsma, directeur van Museum Huis Doorn een huurcontract van één jaar voor landhuis Oud Amelisweerd in Bunnik. Opzet was een tijdelijk pop-up museum waar de Stichting Samenwerkende Kasteelmusea Utrecht objecten uit de depots van vier verschillende kastelen tentoonstelde. Het huurcontract zou verlengd worden als de tentoonstellingen succesvol bleken te zijn. Uit een bericht van 13 januari 2020 van Peter van de Vusse in het AD blijkt dat niet het geval te zijn. Onduidelijk is of per 1 mei 2020 het contract verlengd wordt. Sietsma laat weten dat er een tekort van 40.000 tot 50.000 euro dreigt omdat het tijdelijke museum in een jaar geen 20.000 bezoekers trok dat nodig is om kostendekkend te zijn, maar naar verwachting 10.000 bezoekers. Volgens het bericht in het AD neemt later deze maand de Raad van Toezicht een besluit over de verlenging van het huurcontract. Sietsma acht de kans dat het doorgaat 50%.

Landhuis Oud Amelisweerd kan vergeleken worden met een apparaat dat goedkoop is in de aanschaf, maar duur in het gebruik. Het is betrekkelijk makkelijk om erin te stappen, maar bijna onmogelijk om de exploitatie rond te krijgen. Dat heeft ermee te maken dat het om een rijksmonument gaat dat kwetsbaar antiek Chinees behang bevat en door de klimatisering beperkende voorwaarden stelt aan de bedrijfsvoering. Daarnaast is het landhuis tamelijk excentrisch gelegen in een bos aan de rand van Bunnik, en niet makkelijk bereikbaar.

In een commentaar van 22 december 2019 deed ik een voorstel voor een permanente invulling. Dat had als uitgangspunt de Atlas Munnicks van Cleeff en de eigenaar ervan, de Utrechtse ondernemer John Fentener van Vlissingen. Mijn conclusie is dat het recente verleden met de Stichting Museum Oud Amelisweerd (in de wandeling het Armando Museum of MOA geheten) aantoont dat er een externe dynamiek nodig is om de patstelling te doorbreken die al sinds 2012 bestaat. Toen besloot de Utrechtse raad dat er geen euro in de exploitatie (van de toenmalige huurder) gestoken mocht worden. Dat is een extra beperkende voorwaarde voor de bedrijfsvoering. Het MOA kon tegen de beloftes in geen weerstandsvermogen opbouwen en liep continu achter de feiten aan. Het teerde op een snel opdrogend krediet van 1 miljoen euro van de gemeente Amersfoort en een lening van de provincie Utrecht en kon in geen enkel jaar in de buurt van een positief saldo komen. In de Amersfoortse raad wordt de oproep van enkele oppositiepartijen voor een onderzoek naar de financiële en politieke verwikkelingen door het college naast zich neergelegd. In de Utrechtse raad is het nog stiller, daar valt tot nu toe geen enkele ambitie te erkennen om te leren van de mislukking van het MOA.

Hoe dan ook is in de gemeente Utrecht (dat eigenaar is van landhuis Oud Amelisweerd) een integraal plan nodig dat lering trekt uit het falen van het MOA en de constatering dat een tijdelijke bestemming van een pop-up museum evenmin soelaas biedt. Randvoorwaarde daarvan is hoe dan ook een ‘duurzame openstelling van het landhuis voor publiek’ zoals André van Schie (VVD) en Aline Knip (D66) in een aangenomen motie uit 2017 formuleerden. Verstandig lijkt het om in te zetten op een structurele oplossing die verder kijkt dan een tijdelijke oplossing. Dat laatste heeft immers als nadeel dat het om de paar jaar voor politieke stress zorgt.

De gemeente Utrecht doet er verstandig aan om te beginnen met een verkenning van de gewenste inhoud, zoals in 2010 had moeten gebeuren. Aan de hand van interviews met inhoudelijke deskundigen uit de museumsector -conservatoren, directeuren en kunsthistorici, en geen consultants- kan een shortlist worden opgesteld van mogelijke invullingen. Te denken valt aan een museum dat aansluit bij het Chinese behang, het landgoed, de historie van het landhuis of een andere permanente invulling die niet haaks staat op landhuis, ensemble en plek. Het verschil met de tot nu toe gevolgde werkwijze van het Utrechtse gemeentebestuur is dat een benchmark-achtig onderzoek naar scenario’s grote kans loopt te eindigen in een schijnwerkelijkheid van projecties, inschattingen en extrapolaties die direct volgen uit de opdracht door de verantwoordelijke bestuurder waarbij de potentie van het landhuis niet wordt verkend en uiteindelijk niet wordt benut.

Het is de hoogste tijd om het dossier Oud Amelisweerd dat nu al bijna 10 jaar onevenredige aandacht vraagt en ondanks de goede investeringen van de gemeente Utrecht publicitair en cultureel slecht rendeert, definitief vlot te trekken door samen met geloofwaardige en daadkrachtige partners te investeren in de inhoud.

Foto: Schermafbeelding van artikelMuseum Oud Amelisweerd in Bunnik dreigt opnieuw dicht te gaan’ van Peter van de Vusse in het AD, 13 januari 2020.

Kritiek op de selectie van vijf witte mannelijke kunstenaars voor herinrichting Bibliotheek Utrecht is terecht, maar ook onterecht

with 2 comments

Utrecht wordt volwassen, want het heeft een eigen relletje over kunst. Het gaat over de inrichting van de op 13 maart 2020 te openen Centrale Bibliotheek aan de Neude. Het voormalige hoofdpostkantoor in de stijl van de Amsterdamse School uit 1924 wordt grondig verbouwd. Er is kritiek gekomen op de selectie van vijf witte mannelijke hedendaagse kunstenaars en ontwerpers, te weten Maarten Baas, Willem Deiman, Frank Halmans, Daan Paans en Jop Vissers Vorstenbosch. Waarom de Bibliotheek Utrecht in een bericht trouwens spreekt over ‘vijf prominente Utrechtse kunstenaars’ is een raadsel. Want Maarten Baars kan moeilijk als een Utrechtse kunstenaar beschouwd worden en heeft meer verbinding met Noord-Brabant.

Zoals het bericht van de Utrechtse Bibliotheek meldt zijn externe fondsen bij de financiering en de realisering betrokken: ‘De kunstwerken zijn mede mogelijk gemaakt door: K.F. Hein Fonds, Gemeente Utrecht, BPD Cultuurfonds, Mondriaan Fonds, Fentener van Vlissingen Fonds, Stichting Stokroos en Stichting Het Boellaardfonds.’ Dat laatste is overigens het fonds dat in de clinch ligt (tot een rechtszaak toe) met het Utrechtse Genootschap Kunstliefde over een voorgestelde en als abrupt ervaren huurverhoging van Kunstliefde’s pand aan de Nobelstraat die door het Boellaardfonds werd opgelegd. Het Utrechtse K.F. Hein Fonds meldt in een berichtje op de eigen site het volgende, maar doorklikken levert een dode link op: ‘Door partnerships aan te gaan met een aantal Utrechtse partijen proberen we ondersteuning op maat te bieden én met elkaar te werken aan grote thema’s. Bijvoorbeeld met Bibliotheek Utrecht aan plek voor Utrechtse kunstenaars in hun nieuwe onderkomen (..).’

De witte, mannelijke kunstcriticus van middelbare leeftijd (1957) Rutger Pontzen van de Volkskrant besteedde in een column met de titel ‘Minder witte mannen in de kunst? Sweet dreams!’ op 9 januari 2020 aandacht aan de kwestie. Hij verwijt de vijf witte, mannelijke kunstenaars niet dat ze zijn wie ze zijn, maar zet vraagtekens bij de selectie. Hij geeft vooral het Mondriaan Fonds een veeg uit de pan: ‘Blijkbaar belijdt het fonds iets met de mond dat het met geld lijkt tegen te spreken.’ Maar het is de vraag of het het Mondriaan Fonds leidend is bij dit project. Het lijkt er sterk op dat Pontzen het Mondriaan Fonds een te grote rol toebedeelt. Een andere vraag is in hoeverre het Mondriaan Fonds zich kan en moet bemoeien met de selectie van een commissie die werd voorgezeten door de directeur van het Centraal Museum Bart Rutten. Het lijkt logisch om te veronderstellen dat het Mondriaan Fonds een toezegging had gedaan toen de selectie nog niet definitief was.

Toch begrijp ik de kritiek wel. Zo antwoordde tentoonstellingsmaker Trudi van Zadelhoff gisteren op een bericht hierover op mijn FB-pagina. Ze merkte op dat het ‘erg vreemd’ is dat er geen vrouwen tussen zitten. Dat zag ze als een gemiste kans. Zij heeft gelijk, zoals Rutger Pontzen ook gelijk heeft als hij zijn kritiek wat beter zou focussen. Het is tamelijk opvallend, zeg maar gerust wereldvreemd dat de selectie is uitgekomen bij vijf witte mannelijke kunstenaars/ ontwerpers. Maar de kwestie over identiteit is een doos van Pandora die niet straffeloos geopend kan worden. Want gendergelijkheid is bij lange na niet het enige netelige punt.

Wie het debat over identiteit van kunstenaars begint dient ook te spreken over huidskleur, etniciteit, religie, leeftijd, lichamelijke beperking, seksuele geaardheid, herkomst, Nederlandse taalvaardigheid/integratie, politieke kleur of beroepsopleiding. Naast de subsidie-geschiedenis en financiële positie van de kunstenaar. De diversiteit en pluriformiteit van cultuuruitingen waar Pontzen naar verwijst is een streven dat niet vooruit kan lopen op maatschappelijke ontwikkelingen en aan moet kunnen sluiten bij de kunstpraktijk. Dat laatste is hier geen probleem, maar dat eerste wel. Ga er maar aan staan als selectiecommissie om vijf kunstenaars/ ontwerpers te kiezen die een perfecte maatschappelijke afspiegeling zijn. Vergeleken daarmee is het maken van een rooster voor een school van voortgezet onderwijs simpeler. Dat zal nooit kloppen. De kunstwereld moet aanvaarden dat de som nooit kan kloppen. Maar zoals gezegd, de selectiecommissie, de Bibliotheek Utrecht en het leidende K. F. Hein Fonds hadden we wat handiger kunnen opereren. Daartegenover kun je ook zeggen dat het de verdienste is van de selecteurs om niet mee te gaan in eenvoudig identitair denken dat één aspect van identiteit ‘oplost’ en de andere aspecten als opgelost beschouwt door ze stilzwijgend te negeren.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelBibliotheek Utrecht biedt hedendaagse kunst een prominente plek in nieuw gebouw aan de Neude’ op de site van de Bibliotheek Utrecht, 8 januari 2020.

Foto 2: Bericht over partnership op de site van het K. F. Hein Fonds.

Foto 3: Schermafbeelding van deel column ‘Minder witte mannen in de kunst? Sweet dreams!’ van Rutger Pontzen in de Volkskrant, 9 januari 2020.

Foto 4: Schermafbeelding van FB-bericht van George Knight, 9 januari 2020.

Kritiek op gemeentebestuur Amsterdam dat politieke voorwaarden stelt aan de toekenning van kunstsubsidies

leave a comment »

Doorgaans valt te voorspellen hoe rechtse media reageren op de kunstsector. De term de linkse kerk is de nieuwe religie die door rechts opgetuigd wordt. Aanleiding is de gemeentelijke kunst- en cultuurnota 2021-2024 van Amsterdam. Erin wordt vastgelegd hoe kunstsubsidies worden besteed en welke doelen daarmee behaald moeten worden. Wethouder Meliani vraagt aan alle indieners om een actieplan diversiteit en inclusie. Dat is een voorwaarde voor de indieners om subsidie te krijgen. Meliani legitimeert dat door te stellen dat de ‘kunst- en cultuursector’ een afspiegeling is van de stad Amsterdam. Dat is een goed streven, maar vraag is of dat zo dwingend opgelegd moet worden. Want het risico is dat de politiek zich te verregaand bemoeit met de inhoud van kunst. Dan is de kunst niet meer vrij. Ik juich de intentie om kunst divers en inclusief te maken toe, maar wijs de manier waarop dat in links bestuurde gemeenten zoals Amsterdam of Utrecht gebeurt sterk af. Het geeft de rechtse media alsnog gelijk in hun kritiek op de linkse kerk die niet bestond maar door linkse wethouders alsnog gevestigd wordt. Mijn reactie bij het artikelAmsterdam smijt 100 miljoen over de balk voor ‘inclusieve’ en ‘diverse’ kunst- en cultuurnota‘ van 15 november 2019 van Wout Willemsen op DDS.

Foto’s: Schermafbeeldingen van artikelAmsterdam smijt 100 miljoen over de balk voor ‘inclusieve’ en ‘diverse’ kunst- en cultuurnota‘ van 15 november 2019 van Wout Willemsen op DDS plus reactie.

Utrecht stopt 3,55 miljoen euro in een nieuwe plek voor film- en beeldcultuur in het Werkspoorkwartier. Een opmerkelijk slecht idee

with 3 comments

Update 5 december 2019: Volgens een bericht in het AD vegen ‘externe juristen’ de vloer aan met het eerdere standpunt van de gemeente Utrecht dat ‘De Machinerie’ zonder problemen gesubsidieerd kan worden. Het is een initiatief van FOTODOK, HIT (Hoogt in Transitie), De Maakruimte en het Nederlands Film Festival. AKD advocaten constateren: ‘Zo moet de verhuurder een marktconforme huur vragen en De Machinerie hetzelfde doen aan onderhuurders. Mocht het initiatief voortijdig eindigen, dan moeten de investeringen terug naar de gemeente.’ Kortom, subsidie is mogelijk als aan verschillende voorwaarden voldaan wordt. De gemeenteraad beslist naar verwachting op 19 december over de subsidieverlening en de voorwaarden waaronder dat gebeurt. Inmiddels leidt (voormalig) filmtheater ’t Hoogt een nomadisch en tamelijk onzichtbaar bestaan en gaan er geruchten dat het oude pand in de binnenstad aan de Slachtstraat dat nog steeds leegstaat in verband met onder meer asbestsanering mogelijk weer een culturele bestemming krijgt. 

In een commentaar van 6 februari 2019 schreef ik: ‘Een financiële en bedrijfskundige toets moet daarbij niet alleen kritisch bekeken worden, maar in de politieke besluitvorming beslissend zijn. Het college moet zich in de tussentijd ‘mentaal’ en persoonlijk niet binden en de mentale en politieke afstand nemen voor zowel een negatief als een positief besluit over de subsidie van ’t Hoogt vanaf 2020. Als het haalbaarheidsonderzoek achteraf een wassen neus blijkt te zijn  geweest, of als het college de belangrijkste aanbevelingen ervan niet overneemt, dan beschadigt dat het draagvlak voor kunst en cultuur in Utrecht. Die geloofwaardigheid staat op het spel en gaat verder dan het belang van ’t Hoogt’. 

Uit het artikelUtrecht wil 3,5 miljoen steken in nieuwe locatie film- en beeldcultuur Werkspoorkwartier’ in DUIC blijkt dat het Utrechtse gemeentebestuur 3,55 miljoen euro wil steken in een nieuwe plek voor film- en beeldcultuur. In het Werkspoorkwartier, het moet De Machinerie gaan heten. Ik heb voor dat voorstel geen goed woord over en geef mijn reactie bij het artikel. Ik zie het als een vlucht vooruit, de leegte in:

De vijand van goed is beter, zo luidt het gezegde. Fantasie komt voor realisme te staan. Dat is hier aan de orde.

Hoe logisch is het dat een filmtheater dat al decennia niet meer kan voldoen aan de standaard van een gemiddeld filmtheater de hogere lat van een Podium voor Film en Beeldcultuur wel weet te halen? Of anders gezegd, waarom is die verdieping en verbreding de afgelopen jaren al niet op de vorige locatie aan de Slachtstraat/ Telingstraat voorbereid en uitgevoerd? Het valt dan ook te betwijfelen of een ‘reset’ voor ’t Hoogt de oplossing zal brengen.

De beleidsmakers van de gemeente en de subsidiegevers dienen de juiste diagnose te stellen. Aan de hand van de geschiedenis en het karakter van ’t Hoogt kunnen ze proberen te begrijpen wat het scharnierpunt is. Ze kunnen dan ook antwoord op de vraag vinden of een ‘reset’ geen middel is om de huidige malaise te verhullen. Als daarnaast ook nog eens het centrum verlaten wordt waar in Utrecht het meeste publiek en de juiste atmosfeer te vinden zijn voor arthouses en een avontuurlijke programmering, dan kondigt zich een nieuwe ramp aan. Naast een financiële ramp van 3,55 miljoen euro, ook een politieke ramp van een wethouder die gaat struikelen.

De Utrechtse raad én het gemeentebestuur hebben vanaf 2010 geworsteld met een andere, excentriek gelegen culturele instelling die het moest hebben van (inkomsten uit) bezoek waarvan onderzoeken vanaf het begin overtuigend aantoonden dat exploitatie door die ligging niet levensvatbaar was: landhuis Oud Amelisweerd waar het MOA werd gevestigd. College en raad sloegen de waarschuwingen in de wind. Of liever gezegd, ze hoopten dat door onvoorziene omstandigheden het tij zich ten goede zou keren. Maar dat gebeurde niet.

In 2018 ging het MOA failliet en werden alle breed uitgemeten waarschuwingen bewaarheid. Zonder dat overigens de Utrechtse politiek ook maar een begin van een mea culpa liet klinken. Succes heeft vele vaders, maar mislukking is een wees. Het is wachten op het moment dat deze volgende vlucht vooruit in het Werkspoorkwartier ontspoort. Opnieuw worden de waarschuwingen van deskundigen in de wind geslagen. In Utrecht herhaalt zich de geschiedenis. Wat zich eerst voordeed als tragedie wordt nu een klucht, zoals Karl Marx ooit zei.

Wensdenken van een wethouder die op sleeptouw wordt genomen door de eigen ambtenaren en bestuurders van organisaties die naar gemeentesubsidie hengelen kan het zicht op de realiteit vertroebelen. Het gebeurde met het MOA en kan met ’t Hoogt en dat brede centrum dat van alles bundelt en klontert opnieuw gebeuren. In elk geval als ’t Hoogt de kerntaak van het vertonen van kwetsbare films op een groot scherm wil blijven vervullen die een adviescommissie die zich daarover uitliet als onmisbaar ziet. Of is dat advies al losgelaten?

Origineel is het wel van het Utrechtse gemeentebestuur om culturele instellingen te bewegen om naar de rand van de stad te vertrekken, die dus niet te situeren in het culturele hart van de stad in de hoop op synergie, dat aan zakelijke partijen te verkopen als aanjaagfunctie voor een buurt en dat te belonen met subsidie. Dat is de naijlende werking van Richard Florida nadat diens ideeën over de creatieve klasse en stadsontwikkeling allang zijn weerlegd. Klaarblijkelijk wordt in het intellectuele centrum van het Utrechtse stadhuis nog ondubbelzinnig in de ideeën van Florida geloofd. Anno 2002.

De hoop dat de vele geconstateerde onzekerheden over levensvatbaarheid en haalbaarheid van een publieksinstelling in het Werkspoorkwartier tegen lage kosten en bescheiden middelen overwonnen kunnen worden is valse hoop. Wethouder Klein presenteert valse hoop als hoop. Dat is blijkbaar de politiek van het moment van het huidige gemeentebestuur.

Het wachten is op betere, realistische tijden.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelUtrecht wil 3,5 miljoen steken in nieuwe locatie film- en beeldcultuur Werkspoorkwartier’ in DUIC, 5 september 2019.

Cultuurnota ‘Kunst Kleurt de Stad’ van de gemeente Utrecht bevat weeffout omdat het een waardeoordeel over kunst geeft

with 3 comments

In juli 2019 verscheen de Cultuurnota 2021-2024 ‘Kunst Kleurt de Stad’ van de gemeente Utrecht. In een commentaar van 3 juli 2019 toonde ik begrip voor de kritiek van Henk Westbroek over het Berlijnplein in stadswijk Leidsche Rijn. Hij sprak over ‘stadskunst‘. Mijn slotsom: ‘Het stadsbestuur moet wegblijven van de inhoud. Ook indirect via organisaties die het subsidieert’. In een toelichting op de Cultuurnota heeft de verantwoordelijke wethouder Anke Klein het over aanmoedigen en gedragsbeïnvloeding van kunstenaars. ‘Nudging’ dus, dat middel uit de timmerkist van hedendaagse bestuurders dat de inhoud bepaalt onder het mom dat die uitsluitend voortkomt uit het gedrag van de burgers. Dat is een valse voorstelling van zaken. Klein doet in de Cultuurnota niet aan ‘nudging’, maar aan sturing via beleidsmaatregelen. Mijn commentaar bij het artikelNieuwe cultuurnota Utrecht: ‘We moedigen de culturele sector aan buiten de lijntjes te kleuren’:

De Cultuurnota bevat in de kern een weeffout. Het blijkt voor het stadsbestuur een lastige opgave om tegelijk aan de zijlijn te staan en tegelijk te willen sturen. De fout die wethouder Klein maakt is dat ze zich niet terughoudend opstelt. Ze wil de kunst gebruiken om de samenleving te veranderen, of die een afspiegeling van de samenleving te laten zijn. Maar hiermee rekt ze haar mandaat op. Dat is niet haar taak.

Als vanouds is in het Nederlands openbaar bestuur het adagium van Thorbecke leidend: ‘De kunst is geene regeringszaak, in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst.’ Ofwel, de overheid moet de kunst steunen, maar er geen waardeoordeel over geven.

Wie de Cultuurnota leest struikelt over de waardeoordelen en de sturing. Dat bracht Henk Westbroek in een uitgesproken column onlangs tot de terechte vraag of hier geen sprake is van ‘stadskunst’. Daar lijkt het sterk op. Dat is ongelukkig en ongewenst. Het stadsbestuur wil blijkbaar zo graag het goede doen, dan het het foute doet. Het stadsbestuur dient de voorwaarden voor kunst te scheppen, maar zich te onthouden van oordelen.

In hoofdstuk 1.3.2. over ‘een inclusieve cultuursector’ staat zo’n oordeel dat in tegenspraak is met de opvatting van Thorbecke: ‘Met zo’n grote diversiteit is het, in een stad die bovendien groeit, de uitdaging niet uit elkaar te groeien. Kunst en cultuur kunnen daarbij een rol spelen, juist door verbindingen aan te gaan. Dat maakt inclusiviteit voor deze sector extra belangrijk. Kunst en cultuur zijn bij uitstek in staat alle inwoners van de stad aan te spreken, met verschillende verhalen en cultuurvormen.

De Cultuurnota introduceert verwarring door te spreken over zowel kunst als cultuur. Kunst en cultuur worden op dezelfde hoop gegooid terwijl ze verschillende functies hebben. Dat is een ongelukkige, en ook wel kwaadaardige begripsverwarring en -vervaging. Cultuur verbindt en heeft een sociale component die ingezet kan worden om politieke doelen te bereiken. Maar dat geldt niet in de meest gangbare opvatting over kunst.

Kunst die voor politieke doeleinden wordt gebruikt houdt op kunst te zijn. Wethouder Anke Klein en haar beleidsambtenaren verliezen in deze Cultuurnota de functie van kunst uit het oog. De Cultuurnota maakt kunstenaars onnodig afhankelijk van de gemeentelijke overheid. De Cultuurnota wil de kunst temmen en in lijn met het overheidsbeleid brengen.

Hiermee wordt het voor kunstenaars die afhankelijk zijn van de voorzieningen die door overheidssubsidie worden gerealiseerd lastig gemaakt om zich in alle vrijheid tot die overheid te verhouden Kunstenaars moeten zich voegen in deze Cultuurnota. Het helpt niet als daar ‘onafhankelijke’ beoordelaars tussen worden gezet omdat de overkoepelende en inkaderende Cultuurnota de sturing blijft geven.

Het valt te hopen dat de leden van de Utrechtse gemeenteraad kritische vragen stellen over de Cultuurnota in het besef dat de overheid geen waardeoordeel of sturing moet willen geven aan de kunst, maar dat met deze Cultuurnota wel beoogt. De raad moet beseffen dat de Cultuurnota een weeffout bevat en dient bij zichzelf te rade te gaan of het dat gewenst vindt. Dat is geen debat over links of rechts, of over pro of contra de zittende coalitie. Dit is een debat over de functie van kunst.

Daarnaast bevat de Cultuurnota tegenstrijdige uitgangspunten die met elkaar in tegenspraak zijn. Want hoe kan kunst tegelijk ‘experimenteel’ en ‘voor iedereen’ zijn? Dat is als de kwadratuur van de cirkel, namelijk een vraagstuk dat onoplosbaar is. Wethouder Klein doet met deze Cultuurnota alsof de verschillende doeleinden die met elkaar in tegenspraak zijn verenigbaar zijn.

Of dat voortkomt uit gemakzucht, intellectuele luiheid, een doorgeslagen politiek compromis waardoor geen echte keuzes kunnen worden gemaakt valt te bezien, maar dat maakt voor de weging van de kwaliteit van de Cultuurnota weinig uit. Die bevat een weeffout en deugt niet.

Kunstenaars moeten zelf kunnen uitmaken of ze inclusief, exclusief, excessief, obsessief of passief willen zijn. Daar gaat de overheid niet over en daar moet de overheid zich niet mee willen bemoeien. De overheid moet voorwaarden scheppen. En anders niks.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelNieuwe cultuurnota Utrecht: ‘We moedigen de culturele sector aan buiten de lijntjes te kleuren’’ op DUIC, 16 juli 2019.

Heeft Henk Westbroek gelijk met zijn claim dat Utrecht aan ‘stadskunst’ doet bij de ontwikkeling van het Berlijnplein?

with 3 comments

Heeft de Utrechtse columnist en oud-politicus Henk Westbroek gelijk met zijn overpeinzing dat het Utrechtse gemeentebestuur de kunst voor haar karretje spant en ondergeschikt maakt aan de visie die het op de stad heeft? Westbroek spreekt over de stadskunst van wethouder Anke Klein. Dat zou nog nergens vertoond zijn en nu in Utrecht voor het eerst in praktijk gebracht worden, aldus de columnist. Het gaat om de ontwikkeling van het Berlijnplein in de Utrechtse Vinex-wijk Leidsche Rijn. In een ‘ontwikkelkader’ wordt de opzet geschetst door het gemeentebestuur. Het maakt me aan het schrikken door onderstaande passage met de volgende uitspraak: ‘‘Vorm volgt ambitie’, zo staat het beschreven in het ontwikkelkader. Bij deze werkwijze past dat we eerste de ambities bepalen en daar vervolgens organisaties bij worden gezocht die daarbij passen.

Het gelijk van Henk Westboek staat of valt met de voorwaarden waaronder dat gebeurt. Het is gebruikelijk dat een stadsbestuur bij stadsontwikkeling de voorwaarden schept, maar het is ongebruikelijk als het vervolgens gaat bepalen en selecteren welke kunst, kunstenaars en specifieke voorzieningen daarbij passen en daar zelf naar op zoek gaat. Direct of indirect via een organisatie die dat uitvoert voor en namens het stadsbestuur. In krom Nederlands zegt de notitie: ‘Bij deze werkwijze past dat we eerste de ambities bepalen’ en het vervolgt ‘en daar vervolgens organisaties bij worden gezocht die daarbij passen.’ Ineens is het onderwerp verdwenen door het gebruik van de lijdende vorm en moeten we gissen wie het is die ‘organisaties erbij zoekt’. Waarom wordt niet nadrukkelijk omschreven welke persoon of instelling de organisaties zoekt en fiatteert?

Westbroek verwijst in het slot van zijn commentaar naar een artikel in NRC dat lovend is over het initiatief van het Berlijnplein. Dat bevat een opvallende passage over een initiatief dat niet terugkomt omdat het te weinig bezoekers trok: ‘Het betekent ook dat mislukte projecten níét terugkomen. Showman’s Fair, een soort miniversie van theaterfestival De Parade, trok in november te weinig bezoekers voor een vervolg. Het stadsbestuur stopte de subsidie aan dit meerjarige initiatief. Het stadsbestuur laadt zo de verdenking op zich wel erg strak te sturen en zelf rechtstreeks invloed uit te oefenen op de inhoud van de kunst.

Het artikel bevat ook een verwijzing naar de bezuinigingen van oud-staatssecretaris Halbe Zijlstra in 2013. Directeur Donica Buisma van RAUM verwijst naar een opiniestuk in NRC van George Brugmans en Marleen Stikker waarin ze pleiten voor ‘een centralere rol van kunstenaars in de maatschappij in het vormgeven van de toekomstige samenleving’. Een pleidooi dat plat valt als kunstenaars binnen de voorwaarden moeten opereren van het stadsbestuur. Direct of via ‘cultureel stadslab’ RAUM dat een van de organisaties is die uitgezocht zijn door het stadsbestuur omdat het bij de ambities past. Dan spelen de kunstenaars geen centrale, maar een ondergeschikte rol omdat ze worden ingezet voor stadsontwikkeling en -promotie. Dat is niet de strekking van Brugmans’ en Stikkers betoog. RAUM zegt over de eigen toekomstplannen: ‘Met de gemeente wordt gelijktijdig gewerkt om het terrein van RAUM (ook wel de ‘cultuurkavel) tot een culturele plek te ontwikkelen waar allerlei verschillende partijen hun plek kunnen vinden. RAUM is daarin de pionier en aanjager.

Het gevaar van ‘stadskunst‘ ligt op de loer. De Utrechtse raadsleden moeten er alert op zijn onder welke voorwaarden het Berlijnplein wordt ontwikkeld. De marges tussen wat aanvaardbaar en niet aanvaardbaar is zijn smal. Het stadsbestuur moet wegblijven van de inhoud. Ook indirect via organisaties die het subsidieert.

Foto: Schermafbeelding van deel notitie (ofwel ontwikkelkader) ‘Berlijnplein: Kunst en cultuur over de toekomst van de stad’ van de gemeente Utrecht, 22 juni 2019.

%d bloggers liken dit: