George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Subsidie

College Utrecht geeft filmtheater ’t Hoogt het voordeel van de twijfel. Ondanks onzekerheden over haalbaarheid en financiën

leave a comment »

Er zit enige beweging in de verhuizing van het ’t Hoogt. Op 31 december 2018 sloot het oudste filmtheater van het land de deuren in de Utrechtse binnenstad. In een commentaar van 13 april 2018 schreef ik: ‘Want hoe logisch is het dat een filmtheater dat al decennia niet meer kan voldoen aan de standaard van een gemiddeld filmtheater de hogere lat van een Podium voor Film en Beeldcultuur wel weet te halen? Of anders gezegd, waarom is die verdieping en verbreding de afgelopen jaren al niet op de huidige locatie voorbereid en uitgevoerd? Het valt dan ook te betwijfelen of een ‘reset’ voor ’t Hoogt de oplossing zal brengen. De beleidsmakers van de gemeente en de subsidiegevers dienen de juiste diagnose te stellen. Aan de hand van de geschiedenis en het karakter van ’t Hoogt kunnen ze proberen te begrijpen wat het scharnierpunt is. Ze kunnen dan ook antwoord op de vraag vinden of een ‘reset’ geen middel is om de huidige malaise te verhullen. Als daarnaast ook nog eens het centrum verlaten wordt waar in Utrecht het meeste publiek en de juiste atmosfeer te vinden is voor arthouses, dan kondigt zich een nieuwe ramp aan.’ In een raadsbrief van 5 februari 2019 geeft wethouder Klein ’t Hoogt het voordeel van de twijfel. Mijn reactie bij het artikel in DUIC:

Het is prima als een gemeentelijke culture instelling subsidie krijgt. Voor ’t Hoogt is dat geregeld in de cultuurnota 2017-2020. De subsidie bedraagt € 410.631 per jaar.

Dat advies zegt: ‘De betekenis van ’t Hoogt komt voornamelijk tot uiting in de nicheprogrammering van kwetsbare films, die een aanvulling vormt op de programmering van commerciële bioscopen in Utrecht. Samen met de educatie-activiteiten en programma’s ontsluit ’t Hoogt op deze manier een bijzonder filmaanbod. Zonder het filmhuis zou een groot aantal films niet op een groot scherm toegankelijk zijn voor het Utrechtse publiek. De adviescommissie vindt dit een onmisbare component van het Utrechtse cultuuraanbod.

Volgens de adviescommissie zit de (meer)waarde van ’t Hoogt in het vertonen van ‘kwetsbare films’ op een groot scherm van een filmtheater. Maar zoals bekend heeft ’t Hoogt de deuren gesloten en is het (voorlopig) geen fysiek theater meer. Zoals dat heet, het is nomadisch en heeft tijdelijk geen vast onderkomen meer. Dat houdt in dat het op dit moment niet kan voldoen aan wat volgens de adviescommissie die tot de jaarlijkse subsidie van € 410.631 leidde de belangrijkste taak is.

Het is voor het draagvlak bij de Utrechtse bevolking niet goed als een culturele instelling subsidie krijgt voor een kerntaak waar het door omstandigheden (tijdelijk) niet aan kan voldoen.

Een en ander roept vragen op over de bestuurlijke kwaliteit van directie en bestuur van ’t Hoogt. Want de sluiting van ’t Hoogt op de locatie ’t Hoogt was al langer bekend en kwam niet uit de lucht vallen. Directie en bestuur hebben nagelaten daar op te anticiperen met een alternatieve, degelijke programmering. Vergelijkbaar met museum Boijmans die ook een bestaande locatie (voor wellicht 7 jaar) moet verlaten en dat zorgvuldig en tijdig heeft voorbereid in het programma ’Boijmans bij de Buren’.

Wie nu zoekt op de site van ’t Hoogt naar voorstellingen ziet dat er in februari 2019 geen en in maart 2019 slechts drie voorstellingen staan geprogrammeerd. Maar niet alleen de slechte voorbereiding van directie en bestuur wekt verwondering, ook de opstelling van het gemeentebestuur. In een raadsbrief van 5 februari 2019 zegt cultuurwethouder Klein over de adviescommissie: ‘De commissie constateert ook dat de organisatie nog stappen moet zetten om dé speler te zijn op het gebied van alle vernieuwende vormen van beeldvertoning en adviseert daar ook tijd voor te nemen in deze transitiefase.’

Tijd nemen? Maar ’t Hoogt heeft al zoveel tijd genomen. Of liever gezegd, tijd laten passeren. Voor een professionele culturele instelling die het eerste filmhuis van Nederland was en al 46 jaar bestaat wordt door het gemeentebestuur de lat wel erg laag gelegd. Waarom neemt het gemeentebestuur ’t Hoogt niet serieuzer?

Directeur Rianne Brouwers lijkt er vanuit te gaan -en dat is ook begrijpelijk vanuit haar functie- dat een haalbaarheidsstudie zal aantonen dat ’t Hoogt op een nieuwe locatie in het Werkspoorgebied levensvatbaar is. Maar als het een objectief, onafhankelijk onderzoek is waarvan het college de aanbevelingen serieus neemt, is het nog maar de vraag of er sluitend ondernemeningsplan uitrolt. Brouwers uitspraak dat de nieuw locatie ‘geografisch in het midden van Utrecht ligt’ doet het ergste vrezen over haar realiteitszin.

De Utrechtse raad heeft vanaf 2010 geworsteld met een andere excentriek gelegen culturele instelling die het moest hebben van (inkomsten uit) bezoek waarvan onderzoeken aantoonden dat die door die ligging niet levensvatbaar was: landhuis Oud Amelisweerd waar het MOA werd gevestigd. College en raad sloegen de waarschuwingen in de wind. Of liever gezegd, ze hoopten dat door onvoorziene omstandigheden het tij zich ten goede zou keren. Maar dat gebeurde niet. In 2018 ging het MOA failliet en werden alle breed uitgemeten waarschuwingen bewaarheid.

Wensdenken kan het zicht op de realiteit vertroebelen. Het gebeurde met het MOA en kan met ’t Hoogt gebeuren. In elk geval als ’t Hoogt de kerntaak van het vertonen van kwetsbare films op een groot scherm wil blijven vervullen die de adviescommissie als onmisbaar ziet.

Het is aan het gemeentebestuur om een goede afweging te maken en de feiten eerlijk te wegen. Op dit moment zijn er nog veel onzekerheden over de levensvatbaarheid en haalbaarheid van ’t Hoogt als publieksinstelling in het Werkspoorgebied.

Weliswaar kan het gemeentebestuur ‘vertrouwen’ uitspreken in ’t Hoogt en hopen dat het de stappen die het nog moet zetten ook werkelijk en op de juiste manier zet, maar de beslissing moet niet bepaald worden door wensdenken, maar door de soliditeit van het ondernemingsplan, inclusief de sterkte van het weerstandsvermogen. Want met het schooien om geld aan het eind van het jaar vanwege een dreigend faillissement verspeelde het MOA bij alle partijen de goodwill die het had. Het zou verstandig zijn dat het college een bijkomende eis stelt en bedingt dat het ondernemingsplan van ’t Hoogt de opbouw van een duurzaam reservefonds vanuit de lopende inkomsten bevat.

Een financiële en bedrijfskundige toets moet daarbij niet alleen kritisch bekeken worden, maar in de politieke besluitvorming beslissend zijn. Het college moet zich in de tussentijd ‘mentaal’ en persoonlijk niet binden en de mentale en politieke afstand nemen voor zowel een negatief als een positief besluit over de subsidie van ’t Hoogt vanaf 2020. Als het haalbaarheidsonderzoek achteraf een wassen neus blijkt te zijn  geweest, of als het college de belangrijkste aanbevelingen ervan niet overneemt, dan beschadigt dat het draagvlak voor kunst en cultuur in Utrecht. Die geloofwaardigheid staat op het spel en gaat verder dan het belang van ’t Hoogt.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelFilmtheater ’t Hoogt verhuist naar pand Central Studios’ op DUIC, 5 februari 2019.

Advertenties

In Amersfoortse raad klinkt de roep om een diepgaand onderzoek naar het MOA. In de Utrechtse raad blijft het opvallend stil

with 3 comments

Het was vanaf eind 2010 uit openbare bronnen duidelijk dat het Armando Museum (later omgedoopt tot Museum Oud Amelisweerd; MOA) geen succes kon worden. De voorwaarden voor succes ontbraken aantoonbaar. Iedereen met ogen in de kop kon dat in het volle daglicht zien. Er waren ontelbare mensen die sinds die tijd gewaarschuwd hebben voor de gebrekkige levensvatbaarheid van het omgekatte Armando Museum in de bossen van Bunnik (Rini Dippel/ex SM, Paul van Vlijmen/ex-Spoorwegmuseum, Eymert-Jan Goossens/Huis Doorn, Jesper Rijpma/VVD UT, Xander van Asperen/D66 UT, SP, Nieuw-Rechts UT, SP UT, Burgerpartij A’foort, Ben Stoelinga/A2014 A’f, Ramón Smits Alvarez/PvdA A’f, Raphaël Smit/Vliet A’f, Simone Kennedy/CU A’f, Hiske Land/GL A’f, Ben van Koningsveld/CDA A’f), maar ze werden niet gehoord en hun argumenten werden weggepoetst. Daarnaast waren er nog mensen uit de museumsector die achter de schermen hun ongenoegen uitten, maar dit vanwege hun functie of positie niet in het openbaar konden zeggen. Het opknappen van het vastgoed sinds begin jaren ’90 onder leiding van Centraal Museum en gemeentelijke diensten van de gemeente Utrecht is overigens geen weggegooid geld en moet niet verward worden met de ongelukkige en mislukte doorstart van het Amersfoortse Armando Bureau in Bunnik.

Een diepgaand onderzoek is nodig. Raadslid Ben Stoelinga van de Amersfoortse partij A2014 vindt dat de onderste steen boven moet komen over de gang van zaken van het MOA. Stoelinga is vooral geïnteresseerd in de financiële afwikkeling. Hij schetst twee scenario’s die in de raadsvergadering van 5 februari 2019 besproken worden: een onderzoek door externe onderzoekers of een raadsenquête. De laatste optie lijkt vanwege de transparantie en de mogelijkheid om betrokkenen, zoals ambtenaren en bestuurders onder ede te horen zijn voorkeur te genieten, zoals uit een notitie blijkt. Vanwege de werkdruk kunnen delen van de raadsenquête uitbesteed worden aan externe onderzoekers, zodat een combinatie van beide soorten onderzoeken wellicht het meest werkbaar is omdat het openheid en diepgang combineert met volledigheid.

Complicatie is de veelheid aan betrokken gemeenten (Utrecht, Amersfoort, Bunnik), de snelle wisseling van cultuurwethouders en de gefragmenteerde besluitvorming waardoor niemand zich blijkbaar verantwoordelijk voelt. Het is opvallend dat met Ben Stoelinga, maar ook met de langzittende raadsleden Hans van Wegen (BPA), Ben van Koningsveld (CDA) en Simone Kennedy-Doornbos (CU) het historisch geheugen in de Amersfoortse raad nog aanwezig is omdat deze raadsleden de beslissende debatten zelf hebben gevoerd en door hun dossierkennis weten waarover ze praten. In de Utrechtse gemeenteraad ontbreekt dat geheugen en die kennis op één uitzondering na, te weten SP’er Tim Schipper. In de Utrechtse raad is de omloopsnelheid zo groot dat bij de belangrijkste partijen in dit dossier, te weten D66 en VVD de woordvoerders elkaar in snel tempo hebben opgevolgd (D66: Xander van Asperen, Aline Knip, Ellen Bijsterbosch; VVD, Jesper Rijpma, André van Schie, Marijn de Pagter). Voor leden van de Utrechtse raad is de geschiedenis, besluitvorming en financiële complicatie van het MOA een ver-van-hun-bed-show waar ze geen persoonlijke betrokkenheid bij hebben. Dat is geen verwijt, maar een constatering. Daarom is het verklaarbaar dat de kritiek op het MOA uit de Amersfoortse en niet uit de Utrechtse raad klinkt. Terwijl laatstgenoemde er een groter belang bij en verantwoordelijkheid voor heeft omdat landhuis Amelisweerd eigendom van de gemeente Utrecht is.

De inzet van Ben Stoelinga is prima en vanuit zijn verantwoordelijkheid voorbeeldig te noemen, maar loopt ook tegen grenzen aan. Het kent nu eenmaal een Amersfoorts perspectief. En dat kan per definitie niet het hele perspectief zijn. Het is zoals gezegd verklaarbaar, maar ongelukkig dat de Utrechtse raad geen initiatief neemt voor een onderzoek van een project waarover jaren van tevoren met argumenten werd aangetoond dat het zou mislukken. Daarnaast is er ook de provincie Utrecht waar de statenleden Elly Broere, PVV en Truke Noordenbos, SP kritische vragen stelden, maar zij waren de uitzondering. Zijn het in de Utrechtse raad alleen het historisch geheugen en het gebrek aan kennis en affiniteit die ontbreken of is er meer aan de hand? De omstandigheid dat sinds 2010 alle grotere partijen bestuursverantwoordelijkheid hebben gedragen en boter op hun hoofd hebben in dit dossier MOA kan het zwijgen in de Utrechtse raad verklaren. Zodat geen van de grotere partijen happig is op een onderzoek dat met terugwerkende kracht de eigen bestuurders zou kunnen beschadigen. En de leden van de kleinere partijen (PvdD, DENK, S&S, PVV, Stadsbelang) leggen of andere prioriteiten of beseffen niet eens hoe slecht dit project vanuit het gemeentebestuur is uitgedacht en begeleid.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelOnderste steen boven rond faillissement MOA’ van Artwin Kreekel in het AD, 5 februari 2019.

Kunst is voor PVV en FvD geen strijdpunt, maar een zwijgpunt. AfD’er Martin Renner pleit voor nationale kunst

leave a comment »

Ik ben ervan overtuigd dat kunst ondersteund moet worden door de overheid, maar geen staatszaak moet zijn. Zoals de overheid vele sectoren steunt waarvan de burgers en de politiek vinden dat die de moeite waard zijn of waarvoor de vrees bestaat dat ze verpletterd worden door de marktwerking. Landbouw, de publieke omroep, de industrie inclusief multinationals, monumentenzorg, het koninklijk huis, de zorg, het onderwijs, en dus de kunsten. De afstand van kunstenaars of kunstinstellingen tot de overheid moet niet te klein zijn. Want dan bestaat het risico dat de overheid de kunst door het in bescherming te nemen, die kunst overneemt. Dan is de kunst niet meer vrij. Dat is ongewenst. Kunst moet de vanzelfsprekendheid bezitten om tegen elke zittende macht te kunnen schoppen. Zoals trouwens elke macht tegen kunst schopt. Maar de overheid heeft de plicht om in kunst de eigen tegenmacht te organiseren zonder daarover zeggenschap te willen claimen.

In beginsel ben ik het eens met de woorden van Martin Renner, AfD-afgevaardigde in de Duitse Bundestag. Hij lijkt immers te pleiten voor een antithese, een tegenstelling tussen kunst en het politieke establishment. Tot dat laatste behoort hijzelf uiteraard ook als afgevaardigde van zijn partij in de Bundestag. Maar bedoelt hij wel wat hij zegt? Nee, kunst moet niet rood of groen zijn, zoals de Hamburgse AfD-afgevaardigde Alexander Wolf in een scheldpartij beweert om zijn op het oog open houding te versmallen tot een partijpolitiek betoog. Zo verkeert zinvolle kritiek over de te kleine afstand tussen kunst en politiek in zijn tegendeel. Ook Renner gaat de fout in als hij eist dat kunst die door de overheid financieel wordt gesteund ‘Duits’ moet zijn. is. Want ook dan wordt kunst door de politiek ingelijfd en voor een karretje gespannen. Dan is kunst niet meer vrij.

Toch kan zo’n standpunt van Renner helpen om tot op zekere hoogte de vermenging van kunst en politiek aan de kaak te stellen. En die te ontvlechten en een middenweg te vinden tussen links knuffelen en rechtse onverdraagzaamheid jegens de kunst. Renner moet alleen niet vertrouwd worden in zijn beweegreden omdat hij niet opkomt voor de vrijheid van de kunst. Hij ageert tegen politiek die te dicht tegen de kunst aanleunt. Die diagnose klopt, maar zijn advies dar eruit volgt is nutteloos en tegenstrijdig met wat hij claimt te beweren.

Een vergelijking met de Nederlandse radicaal-rechtse partijen valt in het nadeel uit van de PVV en FvD. De AfD ziet nog het belang en de kracht van kunst, al is dat door het ervan te betichten samen te spannen met de linkse politiek. In Nederland bannen PVV en FvD kunst liever uit het publieke debat. Ze hebben er niks mee.

De Rotterdamse PVV’er Maurice Meeuwissen noemde overheidssubsidies voor kunst en cultuur ‘een grote schande’ en praat over ‘onzinkunst’. FvD-leider Thierry Baudet eigent zich een ongenuanceerd oordeel aan over hedendaagse kunst en verwart dat met kritiek. Nooit komen PVV en FvD met een alternatief, zoals de nationale kunst die Renner voorstaat, hoe tegenstrijdig dat ook is. Wellicht kunnen PVV en FvD een eerste stap zetten en in het parlement pleiten voor kunst die de nationale identiteit en de Nederlandse cultuur, taal en geschiedenis versterkt. Dat zou een begin zijn van het erkennen van het belang van kunst. Hoe dat politiek ingepast wordt, zien we dan wel weer verder. De apathie van PVV en FvD is erger dan de verontrustende mening van de AfD. In Nederland is kunst voor radicaal-rechts geen strijdpunt, maar een zwijgpunt.

Over ‘Onzinkunst en Onzincultuur’. Begrijpt PVV Rotterdam wat het inhoudt als het zegt dat ‘goede kunst en cultuur zichzelf bedruipt’?

with one comment

De PVV heeft één zetel in de Rotterdamse gemeenteraad die wordt ingenomen door Maurice Meeuwissen. De PVV Rotterdam heeft als standpunt, aldus Meeuwissen dat ‘goede kunst en cultuur zichzelf bedruipt’. Dat is een verdedigbaar standpunt dat door rechtse partijen als de VVD, PVV of FvD wordt ingenomen. Volgens deze partijen is dat van een andere orde dan subsidies of (belasting) rulings voor multinationals of banken. Hij gaat echter een stap te ver door subsidies voor kunst en cultuur ‘een grote schande’ te noemen. Want hiermee rekt hij zijn standpunt oneigenlijk op. Het is dan niet langer een beleidsonderwerp waarmee hij het niet eens is, maar dat hij als het ware buiten de orde plaatst. Dat behoort een lid van een democratische partij niet te doen.

Men kan zich alleen afvragen hoe deze rechtse partijen hun pleidooi voor de afschaffing of vermindering van overheidssubsidies voor kunst en cultuur denken te kunnen combineren met hun pleidooi voor nationale identiteit en de Nederlandse cultuur, taal en geschiedenis. Of monumentenzorg. Want het is het één of het ander, het kan niet allebei. Meeuwissen wijst met zijn standpunt uitingen van Nederlandse cultuur af die door Rotterdamse culturele instellingen worden beheerd en geprogrammeerd. Het lijkt er niet op dat hij zijn eigen tegenstrijdigheid ziet. Dat gebrek aan nuance en onderscheid is het meest opmerkelijke aan zijn standpunt.

Op z’n minst zou men verwachten dat een vertegenwoordiger van een rechtse partij als Meeuwissen zou pleiten tegen hedendaagse kunst dat een hobby van de linkse kerk heet te zijn in de ogen van de rechtse denkers (of hoe we ze moeten kwalificeren) en voor Nederlandse kunst die de grootsheid van de Nederlandse kunst, taal en geschiedenis onderschrijft. Nu laadt Meeuwissen de verdenking op zich ook tegen het behoud en de presentatie van kunstwerken te zijn die de Nederlandse identiteit en cultuur schragen. Is dat de ware bedoeling van zijn stoere stellingname of begrijpt Maurice Meeuwissen in de kern niet wat hij echt beweert?

Foto: Jan Weenix, Dode Zwaan (1716). Collectie Museum Boijmans-van Beuningen. Met toelichting ‘Dit stilleven is een bijzonder rijk en decoratief pronkstuk. Het hoofdmotief is de dode zwaan die aan één poot is opgehangen en waarvan één vleugel breed is uitgespreid. Op de gedecoreerde tuinvaas rechts zijn klassieke motieven te zien. De eigenaar kon met deze geschilderde buit zijn sociale status aangeven, want de jacht op deze grote vogels was een privilege. Rond 1700 was de Hollandse elite gewonnen voor de smaak van buitenlandse hoven, die op hun beurt de mogelijkheden van de Hollandse kunst hadden ontdekt. Toen de inmiddels 75-jarige Weenix dit reusachtige stilleven schilderde, had hij net een reeks van zulke jachtstillevens geleverd aan de keurvorst van de Palts, die in Düsseldorf resideerde. De techniek is typisch Hollands, maar het formaat doet denken aan kastelen elders, en het onderwerp aan macht.

Vermenging van termen ‘cultuur’ en ‘kunst’ in beleidsstukken van overheden dient vaagheid en politieke ruimte. Hoe kan het anders?

leave a comment »

In beleidsstukken is ‘cultuur’ soms een ander woord voor ‘kunst’. Maar men weet nooit wanneer dat is. Hiermee introduceert het openbaar bestuur een vaagheid die ongetwijfeld zo bedoeld is. Hoe dat werkt maakt een Raadsinformatiebrief van 1 oktober 2018 van de gemeente Amersfoort duidelijk. Samenstellingen met het woord ‘cultuur’ zijn overvloedig aanwezig: cultureel regieprofiel, cultuurbeleid, cultuurbeleidsperiode, cultuurbestel, culturele infrastructuur, cultuurpact, cultuurvisie, culturele dynamiek, cultureel erfgoed, culturele instelling, culturele makers, cultuureducatie, cultuurlandschap, culturele partner een culturele veld. Het woord ‘kunst’ wordt eenmaal genoemd en dan nog op een indirecte manier in een opsomming: ‘Cultuurpacten met als doel ‘de samenwerking op het gebied van kunst, cultuur en erfgoed te versterken’.

Als de overheid in een beleidsstuk over ‘cultuur’ praat is het onduidelijk wat ermee bedoeld wordt. Dat kan van alles zijn, inclusief kunst. Maar het wordt er lastig op als het cultuur zegt en velen denken dat ermee mede kunst bedoeld wordt. Zo wordt het container-begrip ‘cultuur’ door het openbaar bestuur gebruikt om kunst erin te laten verdwijnen. De logica is duidelijk. Kunst kan per definitie niet van bovenaf gereguleerd worden, zodat kunst in beleidsstukken die stap voor stap de kunst inperken niet thuishoort. Omdat kunst ook weer niet helemaal ongenoemd kan blijven gebruikt het openbaar bestuur het begrip ‘cultuur’ met de suggestie dat het kunst omvat zonder kunst de functie te hoeven gunnen die het voor zichzelf opeist.

De waarde van kunst is dat het zich grotendeels ontworsteld heeft aan de macht en weerstand biedt aan onderwerping. Het heeft voor de kunstenaars die de kunst instromen een vrijplaats bevochten. Enigszins vergelijkbaar met religie die een vergelijkbare maatschappelijke rol gegund wordt. Kunstenaars staan op de schouders van een toevallige bundeling van omstandigheden die lang geleden genoeg opgestart is om nu stand te kunnen houden in rituelen. Dat tekent tevens de paradox van kunst. Kunst moet ver genoeg van politieke en maatschappelijke krachten blijven om er vrij en onbevreesd op te kunnen spiegelen, maar moet ook weer niet te veel afstand nemen om ‘voor eigen bestwil’ in een reservaat te eindigen.

Hoe zou het anders kunnen? Er is een Raad voor Cultuur die over kunst en de ‘culturele basisinfrastructuur’ adviseert gaat, maar toch geen Raad voor Kunst wordt genoemd. Zoals valt te begrijpen is de logica hiervoor dat kunst door de overheid slechts indirect gestuurd en ingeperkt kan worden via het woord ‘cultuur’ dat alles en niks betekent. Die bewuste verwatering van terminologie zorgt echter wel voor verwarring. Dat kan vermeden worden. Want waarom in een ‘Cultuurnota’ van een (lokale) overheid niet een verplicht hoofdstuk opgenomen over alle belangrijkste delen van de cultuur? Dan kunnen geïnteresseerden in religie, media, kunst, folklore, geschiedenis, taal, filosofie of wat dat per hoofdstuk nalezen. Dan hoeven ze niet meer de vaagheid en begripsverwarring van de begrippen kunst en cultuur te ontwarren alsof het een zoekplaatje is dat door een beleidsambtenaar in elkaar is gezet om de verschillen te verhullen. In het hoofdstuk ‘kunst’ zal dan per definitie niet gestuurd en ingeperkt worden, maar de vrijheid gloriëren via algemeen, generiek beleid.

Foto’s: Schermafbeeldingen van delen van de Raadsinformatiebrief 2018-081 van wethouder F. Koser Kaya aan de gemeenteraad van Amersfoort, 1 oktober 2018.

Thierry Aartsen, Onno Aerden en de cultuur van de VVD

with 2 comments

Voormalig kandidaat-kamerlid voor de VVD Onno Aerden heeft onderstaande tweet uitgewerkt in een column op zijn blog Inhoudelijke Zaken. Erin heeft hij kritiek op de scouting van kamerleden en zegt hij het volgende over het vandaag geïnstalleerde nieuwe kamerlid voor de VVD Thierry Aartsen: ‘En toen moest de schande nog plaatsvinden dat een de door het opstappen van minister Hennis vrijgekomen Kamerzetel toeviel aan een zekere Thierry Aartsen, in Breda bekend als ‘jouw maat in de raad’. Die had het bestaan om zich op Twitter niet alleen tactloos, crypto-racistisch en kleinzielig uit te drukken, maar verdedigde die acties vrolijk door te wijzen op wie hij ‘nu eenmaal’ was.’ en ‘Kennelijk heeft het zelfzuchtige gelijk van de macht het gewonnen van die geweldige, intensieve, creatieve, optimistische talentenjacht die mij destijds zo blij maakte.’

De ‘omhooggevallen kwast’ Thierry Aartsen heeft cultuur (o.a. Erfgoedinspectie, Bibliotheek en letterenbeleid, monumenten), Media, Arbeidsomstandigheden, Inspectie & toezicht in zijn portefeuille. Het is te hopen dat hij de cultuurparagraaf uit het programma aan het volk kan uitleggen en de elementen ervan logisch met elkaar kan verbinden. Want dat is geen makkelijke opgave. Zo staat er: ‘De makers van cultuur richten zich weer op hun publiek. Dat zijn de mensen die cultuur in stand houden. Als zij iets niet goed genoeg vinden, is er ook geen reden om subsidie te geven.’ Ofwel, het publiek houdt de cultuur in stand en als het publiek de cultuur niet goed vindt dan vervalt de reden om een cultuuruiting subsidie te geven. Dus volgens de VVD gaan niet de parlementsleden of de professionals over het toekennen van subsidie aan cultuur, maar is dat voorbehouden aan cultuurconsumenten. De VVD lijkt zo ook voorbij te gaan aan het belang van talentontwikkeling waarvan de Raad voor Cultuur constateert dat die op peil moet blijven om de toekomst van de kunst te garanderen.

Wat de VVD trouwens onder respectievelijk ‘cultuur’ of ‘kunst’ verstaat wordt uit de cultuurparagraaf niet duidelijk. Van een politieke partij die dat onderscheid niet maakt en beide begrippen door elkaar heen gebruikt valt te vrezen dat het niet begrijpt wat het verschil tussen kunst en cultuur is. Het kan ook dat de VVD vanwege politieke redenen bewust beide begrippen door elkaar heen gebruikt om verwarring te zaaien.

Cultuur is de weerslag van de samenleving. De waarde van kunst is dat het zich deels ontworsteld heeft aan de macht, weerstand biedt aan onderwerping en haaks op de samenleving staat. Het heeft voor kunstenaars die de kunst instromen een vrijplaats bevochten. Enigszins vergelijkbaar met religie die ook zo’n maatschappelijke rol wordt gegund. Kunstenaars staan niet zozeer op de schouders van een traditie zoals in de Renaissance over de Grieken werd gezegd, maar op de schouders van een toevallige bundeling van omstandigheden die lang geleden genoeg opgestart is om nu stand te kunnen houden. In rituelen. Dat tekent tevens de paradox van kunst. Kunst moet ver genoeg van politieke en maatschappelijke krachten blijven om er vrij en onbevreesd op te kunnen spiegelen, maar moet ook weer niet te veel afstand nemen om ‘voor eigen bestwil’ in een reservaat te eindigen. Kunst valt op te vatten als aanscherping en verbijzondering van cultuur.

Wat de VVD met kunst wil wordt uit deze beschrijving duidelijk. De VVD gunt het kunst niet om een vrijplaats te zijn. De VVD wil die vrijplaats afbreken. De VVD wil kunst maken tot weerslag van de samenleving, goochelt daarom met de begrippen kunst en cultuur, en zaait bewust verwarring. De VVD heeft in de cultuurparagraaf niet het lef om kunst frontaal aan te vallen, maar probeert de functies en doelen ervan slinks te smoren in begripsverwarring. Namelijk door kunst te vervangen door het bredere en met de samenleving samenvallende begrip cultuur. Zodat kunst van elke functie ontdaan wordt.  Het is een teken aan de wand van de huidige VVD dat het de ‘omhooggevallen kwast’ Thierry Aartsen heeft benoemd als een woordvoerder cultuur in de Tweede Kamer. Aartsen past in zijn tactloosheid, crypto-racisme en kleinzieligheid perfect bij de cultuur van de VVD.

Foto 1: Schermafbeelding van cultuurparagraaf ‘Cultuur; Cultuur is van en voor de samenleving van de VVD’.

Foto 2: Tweet van Onno Aerden, 11 september 2018.

Diversiteit kunst afdwingen met overheidssubsidie gaat ten koste van de kunst en vergroot de macht van grote culturele instellingen

with 2 comments

Op 22 augustus verscheen een opinie-artikel in NRC over diversiteit in de kunst dat geschreven was door zeven bestuurders van culturele instellingen. Het had de prikkelende en polemische titel ‘Diversiteit kunst dwingen wij vanaf nu af met subsidie’. Het heeft veel kritiek gekregen, onder meer van Kate Sinha en Stefan Ruitenbeek van Kirac die hun opinie ertegenover zetten op de rechtse nieuwssite TPO. Kirac heeft gelijk als het zegt: ‘(..) nu deze zeven ambtenaarsfiguren beloven dat zij voortaan in hun queeste naar diversiteit aan iedere ‘valse noot in de discussie’ voorbij zullen gaan. Zij ondermijnen daarmee met één klein gebaar alles wat subsidiecultuur democratisch en vooruitstrevend maakt. Het is namelijk niet de ambtenaar die bepaalt wat vals is en wat niet. Het is de kunstenaar die de valse noot een plek geeft in zijn werk, die haar laat zien voor wat zij is, en haar betekenis geeft in het grotere geheel.’ Zowel het opinie-artikel als reacties erop bevestigen jammergenoeg het beeld dat kunst een linkse hobby is in handen van een linkse bestuurdersklasse.

De zeven cultuurbobo’s overschatten hun eigen opinie en onderschatten de gevoeligheid van het onderwerp dat ze aankaarten. Ze vermengen twee aspecten die niet te vermengen zijn en spelen een rol die ze niet zouden moeten spelen. Ze gebruiken het streven naar diversiteit als legitimatie voor overheidssubsidie en bereiken mogelijk het omgekeerde van wat ze beogen. Door het te politiseren vergroten ze het risico – in het huidige politieke klimaat dat vijandig staat tegenover kunst – dat het draagvlak voor overheidssubsidie nog verder afneemt. Maar ze zeggen dat het verlenen van overheidssubsidie legitimatie kan geven aan diversiteit. Dat is prima als ze dat binnen hun eigen organisatie doen, maar ze gaan hun rol als bestuurders te buiten als ze hiermee (cultuur)politiek menen te kunnen bedrijven. Ze gaan niet over de verdeling van overheidsgeld en zijn er slechts de ontvangers of herverdelers van. Dat is daarenboven een ongewenste vermenging van functies. Het is een raadsel waarom ze meenden deze opinie op te moeten schrijven en te publiceren.

De zeven cultuurbobo’s spelen het opzichtig en eendimensionaal over de band van de overheidssubsidie. Ze zitten gevangen achter de muren van hun eigen visie op de cultuurpolitiek en willen die anderen opleggen. Zoals gezegd, kunnen ze ermee de weerstand tegen overheidssubsidie voor kunst vergroten. Hun lobby oogt te zichtbaar als lobby en verliest daardoor aan zeggingskracht. Hun betoog is te ambtelijk en leunt eenzijdig op de macht van maakbaarheid en overheid, de disciplinering van kunstenaars via subsidiepolitiek en de institutionalisering van de culturele infrastructuur die alle desorganisatie, anarchie en vrije ruimte sterk wil terugdringen. Deze opinie die ongetwijfeld uit goede bedoelingen voortkomt schiet hierdoor zijn doel voorbij.

Kritiek op deze opinie wil zeker niet zeggen dat hiermee diversiteit in de kunst afgewezen wordt. Integendeel, diversiteit in de kunst is gewenst en moet vergroot worden. Maar of het model van de overheidssubsidie en geïnstitutionaliseerde kunst daar de juiste instrumenten voor zijn valt te betwijfelen. Evenmin betekent deze kritiek dat het belang van overheidssubsidie gekleineerd wordt of als linkse hobby wordt gezien. Duizend bloemen kunnen het beste van onderop bloeien. Om niet te zeggen welig tieren op wilde plekken. Een groei die vanaf bovenaan wordt ‘ondernomen’ is kunstmatig, mist organische noodzaak, gaat de richting op van overheidskunst en grenst aan zelfoverschatting van de overheid of van degenen die zich in de plaats van de overheid stellen. Kunst die van boven (aan)gestuurd wordt houdt op kunst te zijn die per definitie ‘uit de toon’, tegenstrijdig en dwars is. Diversiteit moet niet direct, maar indirect gestimuleerd worden. Door beter onderwijs, maatschappelijke bewustwording en vooral een andere basisinfrastructuur van de culturele sector waar kleinere en middelgrote initiatieven beter gewaardeerd en gefinancierd worden dan nu het geval is.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelDiversiteit kunst dwingen wij vanaf nu af met subsidie’ van Henriëtte Post, Andrée van Es, Birgit Donker, Doreen Boonekamp, Jan Jaap Knol, Tiziano Perez en Syb Groeneveld in NRC, 22 augustus 2018.