Petitie ‘Maak een einde aan de betrekkingen met Suriname’ scoort hoog op onbenul-maatstaf

Schermafbeelding van deel petitie ‘Maak een einde aan de betrekkingen met Suriname’ van Nathanael Robert Mulder.

Als de suggestie in deze petitieMaak een einde aan de betrekkingen met Suriname’ is dat Duitsland geen zwart koloniaal verleden heeft, dan is dat onjuist. De massamoord door de Duitsers op de Herero’s en Nama’s in Namibië (tot 1919 Duits-Zuidwest-Afrika) is door de Verenigde Naties erkend als de eerste genocide van de 20ste eeuw en kreeg de naam Namibische Genocide. Hitler had de Holocaust niet van een vreemde.

Het is evenmin onjuist dat Duitsland een beter verleden heeft dan Nederland. Zie wat het vanaf 1914 en 1939 aanrichtte door buurlanden binnen te vallen met tientallen miljoenen slachtoffers tot gevolg. Daar kan Nederland ondanks het feit dat het ook een zwart koloniaal verleden heeft niet aan tippen.

Duitsland is geen lichtend voorbeeld om tegen Nederland af te zetten. Daar komen eerder andere landen voor in aanmerking, hoewel bijna alle Europese landen in de 19de en 20ste een koloniaal verleden hebben met ontsporingen en onrecht tot gevolg. Maar juist Duitsland is niet zo’n uitzondering.

Verder bevat deze petitie zoveel onjuiste, onzinnige en niet onderbouwde beweringen dat het de vraag is of hier wordt beoogd om satire te bedrijven. De humor is dan dat het verleden van Duitsland als tolerant en anti-koloniaal wordt voorgesteld. Petitionaris Nathanael Robert Mulder probeert zich te laten kennen als een grappenmaker.

De petitie gaat ook voorbij aan de politieke realiteit van een verbeterde relatie van de regering Santokhi met Nederland. De uiting in een besloten bijeenkomst van minister Blok dat Suriname een mislukte staat is vanwege de etnische opdeling dateert van 2018 en is sindsdien afgedaan als onjuist en te kort door de bocht. Minister Blok is binnen de Nederlandse politiek geen man van grote ideeën en interessante visies, maar een boekhouder die op de winkel past. Nederland heeft afstand genomen van Bloks uitspraken en laat de frustratie aan Blok over voor een mislukte bijeenkomst. Nederland scoort in alle internationale vergelijkingen over de stand van de democratie, de rechtsstaat en het welzijn hoog en weet prima voor de eigen bevolking te zorgen.

Deze petitie is een dieptepunt van feitenvrije schrijverij. De petitionaris neemt de pose aan van de veelweter die niks weet. Als zijn petitie ergens een teken van kan zijn, dan is dat nog niet zo makkelijk uit te maken wat dat dan is. Een roep om aandacht? Liefde voor Duitsland? Anti-Nederlands sentiment? Gebrek aan historisch besef? Een aanval op de regering Santokhi en de verbeterde relatie van Suriname met Nederland? Een poging tot humor? Of is het dat allemaal gecombineerd in een poging om aan de hand van deze elementen de meest onbenullige petitie ooit op petities.nl te plaatsen? Deze poging heeft een goede kans van slagen.

Ik signaleer het omdat de overmoed van en het overschreeuwen van deze petitionaris staat voor veel wat er gebeurt in de publieke opinie. Waar toetsenbordactivisten zich met aplomb een aureool aanmeten van de veldheer die alles overziet en de wereld wel eens zal veranderen. Dat is trouwens iets van alle tijden. Malloten bestaan eeuwig.

Duiden van identiteit in de kunst wordt valkuil als dat onzorgvuldig gebeurt. Commentaar op het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’

Daar gaan we weer. Identiteit in de kunst en het scheve beeld dat de media ervan geven. Deze keer zijn Teylers Museum en de 19e eeuwse Frans-Amerikaanse ornitholoog, natuuronderzoeker, vogelschilder en werkgever van slaven John James Audubon aan de beurt. Op touw staat de tentoonstelling ‘Vogelpracht’ die dit museum in juni 2021 hoopt te openen.

Journalist Jean-Pierre Geelen identificeert zich in het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ in de Volkskrant bij voorbaat met de oppositie die Audubon oproept. Hij noemt het ‘hoogst explosief materiaal’. De toon is gezet. De eindredactie maakt van een bezitter van slaven voor het gemak een ‘racistische vogelschilder’. De 21e eeuw wordt rechtstreeks in het vat van de 19de eeuw gekieperd alsof in twee eeuwen alles bij hetzelfde is gebleven.

Geelen maakt een knip door het te verbinden aan de Code Diversiteit & Inclusie die Teylers Museum onderschrijft. Alsof dat bijzonder is. De hele museumsector onderschrijft immers deze Code. Hij geeft een citaat uit de code dat staat onder het kopje ‘Artistiek en inhoudelijk: inclusief werken is een verrijking voor kwaliteit’ dat aldus eindigt: ‘Jouw organisatie moet een veilige plek zijn waar iedereen zich thuis voelt om zich in een ander perspectief te verplaatsen’. Ok, redelijk, maar wat heeft het feit dat Audubon twee eeuwen geleden slaven in bezit had te maken met een veilige werkomgeving van een museum in 2021?

Rekt Geelen dit aspect van de Code niet oneigenlijk op en maakt hij er wat anders van dan het behelst? Daar lijkt het sterk op. Probeert Geelen nou te suggereren dat de werkomgeving er voor medewerkers onveilig op wordt als in een tentoonstelling een schilderij van een 19de eeuwse vogelschilder annex slavendrijver wordt getoond en medewerkers zich daardoor niet meer thuis zouden voelen in dat museum? Welk probleem helpt Geelen hier creëren? Is dat allemaal niet te simpel gedacht en met hoeveel slagen tegelijk probeert Geelen thuis te komen in zijn eigen bubbel?

Het is toch juist de taak van een historisch kunstmuseum als Teylers Museum om objecten uit de kunstgeschiedenis in de juiste context voor een breed publiek te tonen?

Jazeker, Audubon had slaven in bezit en jazeker, dat wordt nu terecht afgewezen en jazeker, dat feit moet in zijn levensbeschrijving niet ongenoemd blijven en jazeker, dat ligt politiek op dit moment uiterst gevoelig, maar welnee, dat betekent niet dat ter discussie staat dat zijn schilderijen niet in een museum getoond kunnen worden. Als dat zo zou zijn, dan zou zijn werk in geen enkel museum meer getoond kunnen worden. Dan gaat het politieke aspect volledig het kunsthistorische aspect overheersen. Mogen musea daar alstublieft zelf over beslissen? Ze hebben er geen politieke activisten of activistische journalisten voor nodig om hen op hun verantwoordelijkheid en gedragsregels te wijzen.

Geelen lijkt meer bezig met het aanscherpen van maatschappelijke verschillen dan met het geven van duiding. Waarom stelt hij iets ter discussie dat niet ter discussie moet worden gesteld? Zoals alle musea probeert Teylers Museum dit passend op te lossen zonder al te veel weerstand in de samenleving op te wekken. Maar dat is toch geen kwestie van worstelen, maar van gewoon professioneel handelen?

Als het de taak van een journalist is om zich te identificeren met een politieke zaak en het publiek te informeren onder het mom van een evenwichtig enerzijds-anderzijds verslag, dan zijn we gewaarschuwd. Ook voor journalisten is identiteitsdenken een valkuil waar ze met open ogen in kunnen stappen. Het advies voor zolang het duurt: hou het simpel en maak het niet ingewikkelder en wijsneuziger dan het is. Daar is niemand mee geholpen. De museumsector nog het minst.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ van Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant, 3 maart 2021.

Bespreking van de documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’

Met genoegen heb ik gekeken naar de prachtig in beeld gebrachte documentaire van Ida Does over het Rijksmuseum en Slavernij. Maar ik heb kanttekeningen vanwege de ongerijmde beweringen en het gekozen zwart-wit perspectief. De documentaire is een aardige poging die blijkbaar nodig was om er te zijn, maar die meer het beeld van een strijd om emancipatie van betrokkenen verbeeldt, dan dat het een evenwichtig beeld geeft van een historisch onderwerp en het naijl-effect daarvan in de museumsector. Het is niet verkeerd dat deze documentaire nu gemaakt is, maar opgevat als een reconstructie van een tijdsbeeld draagt het al tijdens het kijken de kiem van én de roep om een vervolg in zich dat meer in balans is en het onderwerp proportioneler en breder benadert.

1) Het is onbegrijpelijk dat terwijl expliciet in de documentaire gezegd wordt dat de slavernij in de Oost omvangrijker was dan die in de West, daar in de documentaire nauwelijks iets van terug te vinden is. Was het reisbudget onvoldoende, had de producent geen Indonesische of Nederlands-Indische contacten of was deze reductie een bewuste, politieke keuze? Dat heeft als gevolg dat nu alles in een zwart-wit perspectief geplaatst wordt. Dat is echter een te grove tegenstelling. Wat resteert is een eenzijdig Caraïbisch perspectief. Maar zo was de realiteit van toen niet, en zo is de realiteit van nu niet. De grijs- en bruintinten ontbreken en zijn weggemoffeld. Ook op een andere manier ontstaat vertekening. De tragiek van de historische slavernij is ook dat de zwarte mensen geen homogene groep vormden en naast slachtoffer ook dader konden zijn. Ook die nuancering ontbreekt in de documentaire.

2) Aandoenlijk zijn de pogingen van de witte medewerkers van het Rijksmuseum om politiek correcte uitspraken te doen. Ze doen zo hun best. Nog het meest evenwichtig en oprecht is Hoofd Geschiedenis Valika Smeulders die zichzelf toestaat om zichzelf te zijn. Zij lijkt autonoom te handelen, terwijl de andere medewerkers blijven hangen in calvinistische boetedoening en achter het onderwerp verdwijnen. Waardoor de vraag opdoemt of ze nog wel namens zichzelf en hun eigen professionalisme spreken. Het ligt er dik bovenop. Deze medewerkers zoeken zich een houding en zijn op zoek naar een personage waarvan ze menen dat die bij hun functie en dit onderwerp van slavernij past, maar weten niet precies wat die houding is en waar ze uit dienen te komen. Deze zoektocht naar een correcte ziel die goed in beeld wordt gebracht is, waarschijnlijk onbedoeld, het meest interessante aan deze documentaire. Meer drama van Pirandello of Pinter, dan realisme.

3) De documentaire is als een momentopname in de bewustwording over historisch onrecht, zoals de slavernij. Het is goed dat dit in de museumsector ter sprake wordt gebracht en er nader naar de collecties wordt gekeken om te kijken waar tekenen van dat onrecht opdoemen. Dat dient benoemd en verklaard te worden. En waar mogelijk in balans te worden gebracht zonder door te schieten naar overdrijving. Want dat is het gevaar van dit onderwerp. Uiteindelijk gaat het niet om politieke en maatschappelijke, maar om (kunst)historische aspecten die weliswaar onder invloed staan van de politiek maar daar niet volledig door kunnen worden bepaald. In deze documentaire komen uitsluitend degenen aan het woord die doen vermoeden dat (kunst)geschiedenis onderhorig is aan politieke ideologie. Dat is op meerdere niveaus’s te simpel.

4) De documentaire spreekt soms zichzelf tegen. Bijvoorbeeld als terecht gezegd wordt dat (Europees) Nederland een witte maatschappij was en de andere stem daarin een minderheid vormde. Dat ontspoort in de uitleg van meerdere gesprekspartners over het schuttersstuk van Bartholomeus van der Helst met het zwarte jongetje. Opnieuw wordt geprobeerd alles te reduceren tot een zwart-wit tegenstelling, terwijl de sociaal-economische of maatschappelijke (leeftijdsverschil) tegenstellingen worden veronachtzaamd. Het is niet vergezocht om te veronderstellen dat een klein wit jongetje zonder sociale status op dit schuttersstuk evenzeer in de schaduw gezet zou worden. Zo blijft onduidelijk wat nou precies onderscheidend is.

De conclusie is dat deze documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’ vooral licht werpt op de worsteling van de medewerkers van het Rijksmuseum die zich een houding aanmeten in hun omgang tot de slavernij en de artefacten die daar mee samenhangen. Het tekent een fase in hun emancipatie. Dat is de verdienste ervan, namelijk hoe het toont hoe de behoudzuchtige museumsector in verwarring wordt gebracht door een onderwerp buiten haar comfort zone en zich mee laat voeren door ongerijmde denkbeelden voordat het zelf een houding vindt die voorbijgaat aan simplificatie en beperking. Dit verwijt treft niet degenen die nabestaanden van slaven zijn of degenen die zich door hun afkomst als zodanig beschouwen. Zij bepleiten hun zaak op een politieke wijze zonder de last én de opdracht van de (kunst)geschiedenis. Het nadeel van de documentaire is dat het op een simpele wijze een historisch proces verklaart vanuit het heden. Dat leidt tot onbeheerste conclusies omdat voorouders worden afgerekend op het feit dat ze niet wisten wat wij in het heden weten.

NB: De documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’ is hier te zien.

Duitsland staat niet zozeer op gespannen voet met Nord Stream II of de Russische Federatie, maar met zichzelf

Mijn reactie op DW News bij een video over de aanleg van Nord Stream II:

‘Mayor Axel Vogt is a strange figure. Is he really that naive, or is he just hired to express an opinion like a stage actor is rehearsing a role? He believes that Alexei Navalny is winning the propaganda battle in Europe against the Kremlin, which has much more resources at its disposal. That must indicate that the Kremlin’s propaganda is unable to sell a bad product, namely its authoritarian regime. But Vogt’s perspective does not reach that far. His perspective turns out to be mired in Nord Stream II alone.

The tragedy of such a blinkered mayor is that he first looks at who his opponent is before forming an opinion about the case itself. That is the tragedy of party politics in its worst form, by the way. The mayor straightens out what’s wrong. Apparently he sees that as his job.

In any case, the attitude of German politics (except for the Greens, the Liberals and some CDU members) towards the Russian Federation is rather distorted and disturbed. This has to do with the Second World War and the suffering caused by the Nazis.

How that can go wrong, President Steinmeier showed when he recently consciously or naively confused the victimization of Balts, Poles, Belarusians and Ukrainians with the victimization of Russians. Professor Timothy Snyder has repeatedly demonstrated to a German audience, inclusief parlementariërs, with figures that Poles, Belarusians and Ukrainians have suffered proportionally more from the German war machine than the Russians.

But those facts do not reach the very top of German politics. Although it is also possible that they do know what victims they have made, but consciously perpetuate the misunderstanding in order to reach a rapprochement with the Kremlin. A rapprochement that on closer inspection is not appropriate, not ethical and not permissible. But this rather disproportionately favors German business at the expense of Eastern and Western Europe. That misunderstanding has marked Germany’s Russia policy since Willy Brandt, with the SPD in the most malicious role of helping the Kremlin, and not Germany or the EU.

The conclusion of the Nord Stream II fuss is not that it is about Germany’s relationship with the Russian Federation, but essentially about Germany’s self-image. That is seriously distorted and clouded. Even 75 years after the war, German politics has not yet properly processed that war. Or as said, and what is even more false and poignant, it has processed that war, but deliberately misinterprets it for opportunistic reasons.

This not only alienates Germany even further from the real victims of World War II, such as Poland, Belarus and Ukraine, as well as France and the Netherlands, but with that false self-image it also does itself considerable damage because it knowingly deceives itself.’

Pleidooi om sociaal-economische status leidend te laten zijn in de Code Diversiteit & Inclusie

Sterk pleidooi van de Franse filosoof en romancier Pascal Bruckner in interview in het FD om diversiteit breder te interpreteren dan huidskleur. Sociaal-culturele onderwerpen als identiteit drukken de sociaal-economische onderwerpen (sociaal-economische status, opleidingsniveau) weg zonder dat dit goed beseft wordt. Dat is een ongewenste en eenzijdige situatie. Het lijkt een taboe dat zo sterk is dat het niet eens als probleem benoemd wordt.

Via een omweg krijgt Bruckner ook gelijk voor wat Nederland betreft. De kunstsector is er een duidelijk voorbeeld van hoe die eenzijdige aandacht voor huidskleur ontspoort. Bizar en tamelijk onverklaarbaar is dat in Nederland de kunstsector een Code Diversiteit en Inclusie als norm heeft ingesteld die allerlei soorten achterstelling van minderheidsgroepen in beschouwing neemt, waaronder sociaal-economische status. Naast gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie opleidingsniveau en leeftijd.

Maar in de media, de kunstjournalistiek, de kunstsector en de publieke opinie lijkt die brede opvatting van diversiteit niet door te dringen. Het wordt nog steeds weggemoffeld ten koste van het dominante debat over identiteit, huidskleur, ras, slavernij en kolonialisme dat door radicale groeperingen wordt gevoed. Als hun inzet begrijpelijk is, dan is die van de kunstjournalistiek of de kunstsector niet. Die laatste is lui en gemakzuchtig, en laat zich vooral kennen als -hier komt het scheldwoord- elitair.

Want het lijkt er sterk op dat hoogopgeleide kunstjournalisten en kunstbobo’s zich meer kunnen identificeren met buitenlandse, zwarte kunstenaars die doorgaans ook een goede opleiding hebben en uit de hogere middenklasse afkomstig zijn, dan met witte, Nederlandse kunstenaars met een sociaal-economische achterstandspositie, weinig netwerk en gebrekkige sociale vaardigheden. Het is de vraag of deze kunstjournalisten en kunstbobo’s hun eigen gebrekkige blik beseffen of dat ze die juist bewust in stand houden. Wat is trouwens kwalijker?

Hoe dan ook is het de hoogste tijd dat in het debat over achterstanden en de terecht oproep om die weg te werken de obsessie met huidskleur stopt en ophoudt de belangrijkste norm te zijn die bepaalt wat achterstand is. Hoewel zoals gezegd de leidende gedragscode in de kunstsector daar allang aan voorbij is gegaan. De sociaal-economische norm is belangrijker en omvangrijker en verdient het om dominant te zijn in het debat. In de praktijk zullen in veel gevallen trouwens identiteit en sociaal-economische achterstand samenvallen, zodat dit onderwerp niet uit het debat hoeft te verdwijnen. Maar het kader waarbinnen het besproken wordt verdient het om breder te zijn.

Het is niet zinvol om witte mensen in een achterstandspositie die er economisch en sociaal slecht voorstaan te verwijten dat ze lid zijn van een bevoorrechte klasse, terwijl zij of hun ouders en kinderen daar nooit van hebben geprofiteerd. Dat maakt mensen terecht opstandig en drijft ze in de armen van ultra-rechts. Als vervolgens (kunst)journalisten en kunstbobo’s de retoriek van links-radicale activisten overnemen en blijvend verkondigen, en de witte achterstandsgroepen verwijten ultra-rechtse sympathieën te hebben, dan wordt het misverstand versterkt en de kloof verder verbreed. Deze kunstjournalisten en kunstbobo’s maken zo een gevolg tot oorzaak en denken in hun dwaling zelfs dat ze het goede doen.

In het verlengde hiervan dient bij de collectievorming van musea beter beseft te worden dat kunst van witte Nederlandse kunstenaars met een lagere sociaal-economische status eveneens ondervertegenwoordigd is als kunst van andere achterstands- en minderheidsgroepen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelInteressant: alleen blanken worden gesommeerd diverser te zijn’’ in het FD, 29 januari 2021.

Raad van Toezicht van het NMVW moet zich alsnog bezinnen op de toekomst. Het oude beleid is mislukt, gedateerd en dood als een pier

Positief nieuws voor het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMVW): algemeen directeur Stijn Schoonderwoerd vertrekt naar Nationale Opera & Ballet waar hij per 1 februari 2021 algemeen directeur wordt. Dat geeft zicht op een nieuwe koers, op een herformulering weg van het populisme en de politieke correctheid die tijdens Schoonderwoerds directoraat (2012-2021) werden doorgevoerd. Met als gevolg dat het NMVW afgelopen jaren in coma is geraakt.

De musea van het NMVW moeten weer echte musea worden waar met plezier professioneel gewerkt worden en het om de kunst gaat. Nu zijn het locaties waar het amateuristisch handelen van goedwillenden de boventoon voert. Bij een herstart moeten op belangrijke functies weer kundige museumprofessionals benoemd worden.

Schoonderwoerds vertrek geeft dus ruimte aan museumprofessionals en professioneel handelen bij het NMVW waar het de afgelopen jaren zo aan heeft ontbroken. Het NMVW moet uit de ivoren toeren afdalen en weer met de voeten in de museale modder gaan staan. Dat dit de afgelopen jaren zo slecht is doorgedrongen tot de publieke opinie is grotendeels de Nederlandse kunstjournalistiek te verwijten. Ze kunnen geweten hebben wat er aan schortte, maar hebben er geen verslag van gedaan. Of de Raad van Toezicht het inzicht, de daadkracht, de geesteshouding en de ambitie heeft om zich fundamenteel te bezinnen op een nieuwe koers is de hamvraag.

Het is onduidelijk welke constructie de Raad van Toezicht voor de toekomst als gewenst ziet. De koepelformule van vier musea, te weten Tropemmuseum, Afrika Museum, Museum Volkenkunde en Wereldmuseum (dat er losjes aan is verbonden) is topzwaar en leeghoofdig en lijkt uitgewerkt. Gewenst is een formule waarbij de vier musea autonomie hebben en vanuit hun eigen collectie autonoom tentoonstellingen kunnen maken. Dat kan dan aangestuurd worden door een locatiedirecteur of hoofdconservator.

Een teken aan de wand dat de huidige koers wordt voortgezet is de benoeming van Wayne Modest tot inhoudelijk directeur, aldus een bericht van het Tropenmuseum. Volgens Schoonderwoerd is door de benoeming van Modest de ‘continuïteit in de directie na mijn vertrek verzekerd. Ik vertrek dan ook met een gerust hart, in de wetenschap dat met Wayne als inhoudelijk directeur ons beleid wordt voortgezet.’ Hiermee verklaart Schoonderwoerd Modest tot bijwagen van zichzelf. Het is nog maar de vraag of Modest dat echt is. Schoonderwoerd heeft echter gelijk als hij beweert dat het huidige beleid eruit bestaat dat Modest en hij weinig tot niks van kunst weten. Het is bedenkelijk genoeg dat iemand met zo’n profiel inhoudelijk directeur van een kunstmuseum kan worden. Zijn profiel sluit eerder aan bij de functie van een leidinggevende  van een theoretisch-wetenschappelijk bureau als toeleverancier voor een museum.

Het is ronduit potsierlijk als Schoonderwoerd in het interview met Trouw zegt dat kunstmusea de agenda van het NMVW overnemen: ‘Met tevredenheid stel ik vast dat nu andere musea ook de thema’s overnemen die hoog op onze agenda stonden. Ook kunstmusea wijden nu volop aandacht aan ons koloniale verleden.’ Dit schouderklopje dat Schoonderwoerd zichzelf geeft is niet alleen protserig en pocherig, maar ook naast de waarheid. Als andere musea dezelfde agenda volgen wil dat niet zeggen dat dit door het NMVW is geïnitieerd. Het valt eerder te verwachten dat het op enig moment ‘in de lucht hing’ of dat er een gemeenschappelijk bron is waar het NMVW ook van heeft ‘geleend’.

Indien de voortzetting van het oude beleid uitgerekend dat is wat niet moet gebeuren en een nieuwe algemeen directeur ook niet wil dat dat gebeurt, loopt Schoonderwoerd met de tegelijk late en voortijdige benoeming van Modest zijn opvolger voor de voeten. Dat is van Schoonderwoerd niet netjes en van de Raad van Toezicht niet verstandig. De Raad van Toezicht had hier op z’n minst een bredere visie op moeten ontwikkelen en daar naar moeten handelen. Dat doet het niet. Dat baart zorgen. De Raad van Toezicht had een rustperiode moeten inlassen na Schoonderwoerds vertrek om zich te bezinnen op de toekomst. Onder meer over het optimale beleid dat niet meer bij 2012 maar bij 2021 past. Het heeft vooralsnog die kans voorbij laten gaan, maar kan dat alsnog corrigeren.

Voorstelbaar is een constructie met een algemeen/zakelijk directeur (belangenbehartiging, marketing, fondsenwerving en financiën); een directeur van het wetenschappelijk bureau en de nevenprogrammering met lezingen en publicaties ed. (Modest) en locatiehoofden voor de vier musea die in volle autonomie en met een eigen budget de kunst en de museale onderdelen (presentatie, collectie, registratie) voor hun rekening nemen.

Een bijzondere positie neemt het Wereldmuseum in. De laatste spectaculaire tentoonstelling was Powermask van conservator Alexandra van Dongen en gastconservator Walter Van Beirendonck. Zie hier voor mijn commentaar uit 2017 over deze tentoonstelling. De twee ‘Rotterdamse’ leden in de Raad van Toezicht (Patricia de Weichs de Wenne en Liane van der Linden) kunnen hun kans grijpen om te eisen dat de onder Schoonderwoerd verwaarloosde Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum dat in een motie in de Rotterdamse gemeenteraad als voorwaarde voor financiële steun aan de koepel is gesteld serieus wordt genomen. Het herstel van de Rotterdamse signatuur kunnen ze als eis aan de nieuwe algemeen directeur stellen. De vergroting van de autonomie van de vier afzonderlijke musea met elk een locatiedirecteur of hoofdconservator als hoofd zou dat bezwaar wegnemen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelHet Museum van Wereldculturen voelt zich weer springlevend. ‘Anderen nemen onze agenda over’ in Trouw, 5 januari 2021.

1960: Gedachte bij foto ‘Donation du portrait de Jefferson Davis (..) par les Soeurs de la Confédération, Richmond, Virginie, Etats-Unis’

Tijden veranderen. Dat is wat je van deze foto uit het bezit van het Musée d’Art moderne de Paris zeggen kunt. Veel is er duidelijk en ook veel is er onduidelijk aan. Het portret op de achtergrond is van Jefferson Davies, de eerste en enige president van de de Geconfedereerde Staten van Amerika die bestonden van 1861 tot 1865. Zeg maar de Zuidelijke staten die de slavernij in stand wilden houden. De vrouwen zijn de United Daughters of the Confederacy. Hun hoofdkwartier in Richmond, Virginia werd onlangs naar aanleiding van de onlusten ten gevolge van de dood van George Floyd in brand gestoken en tijdig geblust door de brandweer, aldus een krantenbericht. De foto is uit 1960 van de iconische Franse fotograaf Henri Cartier-Bresson. De titel zegt dat de vrouwen het portret schenken. Maar wie het geschilderd heeft en aan welk museum of instelling het geschonken wordt is onduidelijk. Het portret lijkt gebaseerd op een foto van Davies uit 1865 en daar van nageschilderd te zijn. De vrouwen kijken lijdzaam berustend, wetend dat hun tijd in 1960 ook al voorbij was.

Foto: Henri Cartier-Bresson, ‘Donation du portrait de Jefferson Davis, Président de l’Union des Etats du Sud pendant la guerre civile américaine, par les Soeurs de la Confédération, Richmond, Virginie, Etats-Unis’, 1960. Collectie: Musée d’Art moderne de Paris. 

Frans-Congolese activisten die grafbeeld uit Afrika Museum ontvreemdden dreigen met nieuwe acties in Nederlandse musea

De dwarsdenkers hebben in Nederland een nieuw filiaal geopend. In de museumsector. We kennen al de actiegroep Viruswaanzin, graancirkel-denkers en allerlei complotdenkers die het opnemen tegen de overheid, de bestaande orde inclusief de media en de wetenschap, en de rechtsstaat die niet de hunne zou zijn.

Aan dat rijtje van politieke activisten die zeggen door roeien en ruiten te willen gaan kunnen de Franse-Congolese actievoerders toegevoegd worden die vorige week op klaarlichte dag uit het Afrika Museum een Congolees grafbeeld stalen en ermee naar buiten liepen. Daar werden ze door de politie in de kraag gevat.

Ze dreigen terug te komen, want ‘er zijn twee of drie musea met Afrikaanse kunst hier, dus we komen terug’. Aldus een bericht van Omroep Gelderland. Wereldmuseum, Tropenmuseum en Museum Volkenkunde zijn gewaarschuwd.

Actievoerder Mwazulu Diyabanza lijkt nauwelijks iets te weten van de Nederlandse politieke, museale en juridische situatie. Het is onduidelijk wat zijn expertise op het gebied van etnografische kunst en historische collecties is. Hij zegt dat het niet aan de musea en overheden van Europa is om te beslissen wanneer en hoe iets wordt teruggegeven. Maar dat het aan ‘ons’ is. Diyabanza voert het wij-denken tot grote hoogte.

Zijn overmoed en eigendunk zijn grotesk. Wie denkt hij wel dat hij is en waarom denkt juist hij een speciale rol voor zichzelf te kunnen claimen? Wat weet hij van de achtergrond van de collectievorming en de etnografische kunstobjecten? Het antwoord is duidelijk: niets, ‘rien’. Hij heeft geen benul waarover hij praat.

Zijn argumentatie gaat niet verder dan een algemeen praatje over kolonialisme. Het is goed als actievoerders proberen druk te zetten in een dossier waar weinig beweging in zit. Dan hebben ze wel de verplichting zich te verdiepen in de situatie waar ze zich over uitspreken. Die kennis ontbreekt. De actievoerders kijken met hun Franse perspectief naar de Nederlandse situatie en denken dat een en ander samenvalt. Dat is een misvatting.

Deze actievoerders maken met hun slechte voorbereiding, hun ontbrekende basale kennis over het onderwerp waar ze kritiek op hebben en hun overmoed, grootheidswaan en brutaliteit, vooral zichzelf belachelijk. Zoals al die complotdenkers doen die met oppervlakkige kennis denken de problemen in de wereld op te kunnen lossen. Daarnaast belasten ze Nederlandse musea met hun brouhaha en jagen die op kosten omdat er extra beveiliging ingehuurd moet worden. Ook doorkruisen ze als razenden een serieus debat over roofkunst en kolonialisme waar musea met allerlei betrokken over in gesprek zijn.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelActivisten Afrika Museum nog niet klaar in Nederland: ‘Wij komen terug’’ van Omroep Gelderland, 13 september 2020.

Bobiso Media Monde antiracisme activisten stelen Congolees grafbeeld uit Afrika Museum. En worden buiten gearresteerd

Franse activisten zijn door de politie opgepakt buiten het Afrika Museum voor het stelen van een Congolees grafbeeld. In een bericht schetst De Gelderlander de achtergrond van de actie. Of zo men wil: de diefstal. De activisten noemen zich Bobiso Media Monde. De actie vond plaats op donderdag 10 september tijdens de reguliere openingstijd van het museum. Het personeel van het museum greep niet in, maar alarmeerde de politie. Drie mannen en twee vrouwen werden aangehouden door agenten.

Het Afrika Museum maakt deel uit van het NMVW (Nationaal Museum van Wereldculturen) dat de laatste jaren onder het directoraat van Stijn Schoonderwoerd een tamelijk populistische en politiek correcte koers vaart. De paradox is dat het NMVW nu door deze activisten links wordt ingehaald. Directeur Schoonderwoerd zei volgens een bericht in NRC in 2019 dat het NMVW ruimhartig om zou gaan met verzoeken tot teruggave van roofkunst aan herkomstlanden.

In een satirisch aandoende versie van het Nederlands verklaren de activisten in een FB-post hun actie. Het is opvallend dat activisten die het van publiciteit en communicatiemiddelen moeten hebben zich op deze wijze uiten en een parodie van zichzelf maken: ‘ALERT ALERT De woordvoerder MWAZULU DIYABANZA en de kameraden van M-UDC werden opgeroepen door de HOLLANDAISE politie naar aanleiding van de actie van vanmorgen in Afrika in Nederland in de stad Bergen en val. Deze PACIFIEKE actie past in het kader van de operatie herstel van onze kunstwerken die allemaal zijn verworven door plundering, diefstal, geweld tijdens COLONISATIE en SCHLAVE. Morgenochtend om 10 uur is er een MOBILISATIE gepland voor de Nederlandse ambassade ter ondersteuning van de kameraad. (Metro: Duroc) Delen zonder mate! Thomas SANKARA zei dat de slaaf die niet in staat is om zijn REVOLTE aan te nemen, het niet waard is om medelijden te hebben met zijn lot alleen de VRIJE BESTRIJD.

De activisten nemen in hun toelichting bij de video geen blad voor de mond. Het Afrika Museum omschrijven ze alsvolgt: ‘Dit museum is een museum van missies, opgericht door katholieke missionarissen met als doel zowel Afrikanen als Afrikanen definitief te breken en hun ziel te corrumperen.’ Deze framing komt niet overeen met het beeld dat van pater-conservator J. B. van Croonenburg bestaat die vanaf 1958 aandacht voor de artistieke waarde van de objecten had en aldus de collectie uitbouwde. De claim van de activisten dat ‘bijna 450.000 Afrikaanse stukken zijn geplunderd en gestolen onder kolonisatie en razzia’s op slaven’ komt evenmin overeen met de realiteit. Het museum heeft door aankopen de collectie uitgebreid.

De overkoepelende vraag is wie deze activisten zijn, namens wie ze menen te kunnen spreken en hoe ze de diefstal van een kunstobject menen te kunnen legitimeren. Zoals gezegd, directeur Schoonderwoerd heeft in 2019 aangegeven ruimhartig om te gaan met verzoeken tot teruggave van roofkunst. Dat is de juiste weg om roofkunst terug te geven aan de herkomstlanden. Want het museum heeft ook door schenkingen en aankopen de collectie gevormd.

Een ander, steeds weer terugkerend aspect is de wetmatigheid dat externe, gepolitiseerde betrokkenen kunst beschouwen als ondergeschikt aan hun doelstelling en feitelijk hun eigendom. Dat komt voor uit berekening waarbij kunstobjecten dienen als zelfprofilering. Daartoe proberen ze de kunst een verantwoording op te leggen waarbij alle finesses en eigenschappen van de kunst verdwijnen. Zo redeneren politieke partijen en zo redeneren politieke activisten. Dat is ongelukkig omdat het de kwetsbare kunst nog kwetsbaarder maakt dan die al is. Kunst moet zowel tegen de politiek als tegen dit soort activisme beschermd worden.

Vragen over de rol van het NMVW in de ‘Museale voorziening slavernijverleden: hoe, wat en waar?’ van de gemeente Amsterdam

Amsterdam benoemt een regiegroep én een klankbordgroep om te onderzoeken hoe een ‘museale voorziening’ over het trans-Atlantische slavernijverleden vorm moet krijgen. Ofwel, hoe, wat en waar? De schijn van belangenverstrengeling ligt op de loer omdat directeur Stijn Schoonderwoerd van het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMVW) lid van de klankbordgroep is. Men kan zich afvragen of dit verstandig is. Gaat hij over zijn eigen museum feedback geven en adviseren?

Men voelt aan alles dat de rol van Schoonderwoerd in de klankbordgroep niet klopt. Hij zit er in voor zijn eigenbelang. Vanuit oppervlakkigheid en politieke mode wil hij niet samenwerken, maar annexeren en controleren. Of blokkeren. Hij wil regie houden over zijn economisch museummodel van roulerende tentoonstellingen (zit er daarom geen inhoudelijk persoon in de klankbordgroep?) maar weet niet hoe hij een museum inhoudelijk moet regisseren. Hij wil ongetwijfeld een slavernijmuseum erbij claimen, alleen voor zijn eigen glorie. Waarom stelt hij het gebouw van het het Tropenmuseum niet beschikbaar zodat het een nationaal museum van en over het slavernijverleden kan worden en treedt hij zelf terug? Dan kan die beperkende koepel van het NMVW worden ontmanteld waarvan de totstandkoming geen inhoudelijke, maar slechts een economische reden heeft. Met Leiden gericht op historische wetenschap en culturele antropologie, Rotterdam op stad, verzamelaars en handel. Betrokkenen bij de gemeente Amsterdam valt te verwijten dat ze onvoldoende hebben nagedacht over het evenwichtig samenstellen van de regie- en klankbordgroep. Ze lijken op de automatische piloot de usual suspects te hebben uitgenodigd zonder besef wat dat in de praktijk voor gevolgen heeft.

Foto’s: Schermafbeeldingen van berichtMuseale voorziening slavernijverleden: hoe, wat en waar?’ van de gemeente Amsterdam, 3 juli 2020.