George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘Slavernij

Worcester Art Museum vertelt welke geportretteerden op oude schilderijen van slavernij profiteerden. Een onzalig en modieus idee

with 2 comments

Het Worcester Art Museum in Massachusetts vertelt sinds kort in bijschriften wie in vroeg Amerikaanse portretten slaven bezat of van slavernij profiteerde. Dat is een idee dat vergezichten opent. Want waarom die bijschriften niet uitbreiden met andere informatie over de geportretteerden? Zoals grensoverschrijdend seksueel gedrag, een inventaris van het vermogen en de investeringen in banken en bedrijven of een staalkaart van de gezondheid, inclusief psychische stabiliteit? Waarom de bijschriften beperken tot het aspect slavernij? Want het Worcester Art Museum zal vermoedelijk niet de schijn van politieke correctheid tegen willen hebben dat het selectief is en kwesties van goed en kwaad reduceert tot het bezit en profijt van slaven?

Daar komt nog wat anders bij zoals Michel Krielaars in zijn boekenrubriek in NRC bij een bespreking van de artikelenbundelDaverende dingen dezer dagen (Prometheus) van Henk Wesseling opmerkte. Namelijk dat bij de slavenhandel ‘drie partijen betrokken waren: de Afrikaanse handelaren die de slaven leverden, de westerse handelaren die ze opkochten en vervoerden, en de plantagehouders in Brazilië, Noord-Amerika en het Caraïbisch gebied die ze afnamen. Van die drie partijen resteert niets en niemand meer, dus wie moet je in hemelsnaam de ‘schuld’ geven en voor de kosten laten opdraaien?’ Deze kanttekening over de context van de slavenhandel toont hoe onvolkomen en onvolledig het initiatief van het Worcester Art Museum in beginsel is.

Achteraf krijgt slechts één bepaalde categorie op vroeg Amerikaanse schilderijen in een bijschrift op slechts één criterium (slavernij) een stempel van onaanvaardbaar gedrag opgeplakt. Andere categorieën en criteria blijven buiten schot. Dat is te willekeurig. Dat verruimt de blik van de bezoeker niet zoals het museum claimt, maar perkt de blik juist in met een suggestie van volledigheid die per definitie tekortschiet en incompleet is.

Advertenties

Stine Jensen stelt vragen bij tentoonstelling in het Tropenmuseum: Kennisoverdracht, of pure indoctrinatie die de islam aanprijst?

with 7 comments

Columniste Stine Jensen ging met haar dochtertje naar de tentoonstelling ZieZo Marokko in het Amsterdamse Tropenmuseum (onderdeel van het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMvW)) en doet daar in NRC verslag van onder de titel ‘Help, mijn dochter gelooft in God’. Is het de taak van een museum om kinderen het geloof in God bij te brengen? Jensen betwijfelt of het educatieve programma bij deze tentoonstelling de toets der kritiek kan weerstaan: ‘Is hier nog wel sprake van kennisoverdracht, of is dit pure indoctrinatie als een directieve vrouwenstem de islam aanprijst?’ Dit incident staat symbool voor de teloorgang van het NMvW.

Bij het Tropenmuseum zijn sinds vijf jaar het populisme, politieke correctheid en een versimpelde opvatting van identiteitspolitiek leidend. In 2013 werd het wetenschappelijke hart eruit gesneden door het ontslag van 30 medewerkers, onder wie conservator Ben Meulenbeld. Zie hier voor mijn commentaar met de volgende slotsom: ‘Deze conservatoren zijn onmisbaar omdat ze een correctie geven op trends en sjablonen die de werkelijkheid reduceren.’ Door het ontslag van conservatoren kwam de weg vrij voor die trends en sjablonen die Jensen constateert bij de tentoonstelling ZieZo Marokko. Het is de politisering van de volkenkundige musea die zich uit in gemakzucht en behaagzucht die sluipenderwijs de weerspannigheid en kracht uit deze musea heeft gehaald. Postkolonialistische correctheid verlamt deze organisatie zonder kern en met veel vorm. Goedwillende medewerkers binnen het NMvW wachten hun tijd af op betere tijden. Hoelang nog?

In een commentaar over de tentoonstelling ‘POWERMASK’ in het Rotterdamse Wereldmuseum heb ik die populistische en politiek correcte mentaliteit van het management van het NMvW dat politiek (of nog erger: politiek correctheid en een enge opvatting van identiteitspolitiek) boven kunst stelt in een context gezet. Het Wereldmuseum dat wegens verbouwing tot eind 2018 geen grote presentaties meer toont dreigt het volgende slachtoffer te worden van de museale kaalslag van de leiding van het NMvW. Enkele citaten uit dit commentaar bieden reliëf. De kwaliteiten van ‘POWERMASK’ zijn het diapositief van het structurele tekort van het NMvW:

Aan het tentoonstellingsbeleid van het Wereldmuseum is het populisme van het NMvW nog niet af te lezen. Schrikbeeld is beleid dat kunstobjecten niet alleen ondergeschikt maakt aan het ‘maatschappelijke’ verhaal over kolonialisme of wereldburgerschap, maar kunst niet in de eigen waarde laat en invoegt als illustratie voor dat ‘maatschappelijke‘ verhaal. De tot en met 7 januari 2018 lopende tentoonstelling ‘POWERMASK’ van de Antwerpse modeontwerper en gastconservator Walter Van Beirendonck en conservator Alexandra van Dongen is het voorbeeld van een vitale, verrassende, inhoudelijk sterke tentoonstelling voor elk wat wils met de verbeelding aan de macht. Een voorbeeldige publiekstentoonstelling waarin kunstobjecten spreken zonder dat het een saaie en voorspelbare kunsthistorische uiteenzetting wordt. Of ze dienen als plaatje bij een praatje.

Op een tekstbord is een citaat van de Haïtiaans-Amerikaanse kunstenaar Jean-Michel Basquiat te lezen dat zegt: ‘Ik ben geen zwarte kunstenaar, ik ben een kunstenaar.’ Van hem is een schilderij uit de collectie Hans Sonnenberg te zien dat aan Museum Boijmans geschonken is. Dit citaat is een sleutelzin en valt ook te lezen als commentaar op het NMvW. Want er bestaat geen zwarte of niet-witte kunst, maar alleen kunst. In dit geval: goede kunst. De kwaliteit van de bruiklenen die Walter Van Beirendonck overal vandaan heeft weten te halen is indrukwekkend. De tentoonstellingsmakers lijken zich vrij te voelen en niet te bekommeren om het standpunt dat een tentoonstelling pas wordt gelegitimeerd door de persoonlijke achtergrond van de maker.

Bij ‘POWERMASK’ gaat het om de intentie van de makers die de tentoonstelling, noch de kunstobjecten in de mal van een ‘maatschappelijk‘ verhaal laten dwingen. Door het elan ontstijgt ‘POWERMASK’ eraan en krijgt een surplus. Terwijl dat ‘maatschappelijke‘ verhaal gewoon ondersteund wordt. Maar het gebeurt indirect en via dwarsverbanden. Gewild of ongewild is ‘POWERMASK’ op te vatten als subtiel antwoord op dit interne debat.

Het gaat niet om de beschuldiging van inlijving of populisme. Als het NMvW zweert bij de etnokitsch van Jimmy Nelson of verhalen over kolonialisme of slavernij, dan moet het dat tonen. Het gaat om de identiteit van het Wereldmuseum. Een persbericht van het NMvW uit 2016: ‘De constructie van deze krachtenbundeling is uniek te noemen. Het Wereldmuseum blijft een zelfstandig Rotterdams museum, maar gaat zeer nauw samenwerken met het NMVW, (..). Door deze samenwerking kan het Wereldmuseum, met behoud van eigen identiteit, gebruik maken van de expertise en het netwerk van het Nationaal Museum van Wereldculturen.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelHelp, mijn dochter gelooft in God’ van Stine Jensen in NRC, 14 juli 2018.

Foto 2: Object van Folkert de Jong op tentoonstelling POWERMASK in het Wereldmuseum, eigen opname oktober 2017.

Amsterdam zoekt ‘museale voorziening’ over de Nederlandse slavernij. Maar met het Tropenmuseum heeft het die al in huis

with 5 comments

Het Amsterdamse raadslid voor GroenLinks Simion Blom is een pleitbezorger voor een slavernijmuseum. Samen met de SP en de PvdA formuleerde GroenLinks een initiatiefvoorstel voor een nationaal slavernijmuseum dat in de Amsterdamse raad op 20 december 2017 unaniem werd aangenomen. In de breed uitwaaierende toelichting bij het voorstel zijn de indieners van mening dat het niet de goede kant opgaat met de erkenning van het slavernijverleden: ‘In Nederland lijkt een kentering te ontstaan voor een meer open beleving van onze slavernijgeschiedenis’. De opzet is een museum dat ‘niet oordeelt of veroordeelt’, maar ‘begrijpt en verbindt’. Maar tegelijk halen de initiatiefnemers in hun toelichting hun pleidooi voor een breed nationaal slavernijmuseum dat ook hedendaagse slavernij omvat onderuit door het toe te spitsen op de trans-Atlantische slavernij en de geschiedenis van Afrika. Dat klinkt op zijn minst verwarrend en dubbelzinnig.

De gemeente Amsterdam neemt bij monde van wethouder Simone Kukenheim (D66) dit initiatief over. Feitelijk vragen de initiatiefnemers niet om een museum, maar om ‘een nationale museale voorziening over de Nederlandse slavernij en het erfgoed’. In de publiciteit praat Blom steeds weer over een museum en schept hij verwarring door af te wijken van het initiatiefvoorstel en vragenstellers waar nodig niet te corrigeren. Verschil tussen ‘een museum’ en ‘een museale voorziening’ lijkt te zien dat er geen duur, prestigieus apart gebouw voor wordt opgetuigd. Een voorziening kan ook een onderwijsprogramma of een deels ‘digitaal museum’ zijn zoals de uit de ideeën voor het gesneefde Nationaal Historisch Museum voortgekomen Canon van Nederland dat een initiatief van het Rijksmuseum en het Openluchtmuseum is. Het venster Slavernij (circa 1637-1863)  besteedt aandacht aan de slavernij met het accent op de trans-Atlatlantische slavernijhandel.

Welk doel een nationaal slavernijmuseum moet dienen is nog niet duidelijk omlijnd. Is dat toeristenspreiding in Amsterdam door er een nieuw museum naast te zetten, het versterken van de identiteit van Nederland of de nazaten van de slachtoffers van de trans-Atlantische slavenhandel, het versterken van de educatieve en culturele infrastructuur van Nederland of de erkenning van de nazaten van de slachtoffers van de slavernij? Of is zo’n museum kortweg een middel in de strijd tegen racisme, zoals de initiatiefnemers beweren? Waarom wordt het dan geen Nationaal Racismemuseum genoemd en is de omweg via een Nationaal Slavernijmuseum nodig? De initiatiefnemers onderschrijven in de toelichting dat het niet makkelijk is om vorm te geven aan een nationaal slavernijmuseum: ‘de mogelijkheden zijn oneindig en dat biedt volop de ruimte voor de oriëntatie en verkenning naar een museale voorziening.’ Maar die oneindige mogelijkheden en die volop ruimte voor oriëntatie houden ook in dat het nog alle kanten uit kan gaan. Met afbakening in de tijd (voor, tijdens en na de trans-Atlantische slavernijhandel) en inhoud. Of het een essentiële taak is voor de gemeente Amsterdam om deze ‘museale voorziening’ (samen met het Rijk) van subsidie te voorzien is ook nog geen uitgemaakte zaak.

Conservator Historische Vormgeving (Museum Boijmans) Alexandra van Dongen merkt naar aanleiding van het artikel ‘Amsterdam sticht een Nationaal Slavernijmuseum, iedereen mag meedenken’ in De Volkskrant in een posting op Facebook op: ‘Het Tropenmuseum Amsterdam lijkt me een heel goeie plek voor een Nationaal Slavernijmuseum. Waarom een nieuw museum beginnen terwijl dat historische gebouw heel geschikt is om met museale collecties, archieven en persoonlijke getuigenissen het volledige verhaal te vertellen.’ Ze heeft een punt en had er nog aan toe kunnen voegen waarom het nodig is om verkenningen en onderzoeken op te starten terwijl de museale infrastructuur binnen Amsterdam over dit onderwerp aanwezig is. Het Volkskrant-artikel constateert trouwens twee problemen: 1) wie bepaalt vorm en inhoud en 2) waarom in Amsterdam?

In het Tropenmuseum is nu de tentoonstellingHeden van het slavernijverleden’ te zien en het museum zegt in 2021 met een ‘nieuwe, uitgebreide tentoonstelling over het koloniaal- en slavernijverleden’ te komen. Het wekt bevreemding dat de initiatiefnemers in hun toelichting verwijzen naar allerlei buitenlandse musea, maar het Tropenmuseum in Amsterdam ongenoemd laten. Dit roept de vraag op of de initiatiefnemers wellicht het vanzelfsprekende missen en vluchten in vergezichten of dat het Tropenmuseum het bij hen heeft verbruid.

Uitspraken van Martin Berger roepen vragen op over de koers van het Nationaal Museum van Wereldculturen

with 2 comments

Conservator Martin Berger van de Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen houdt naar aanleiding van de tentoonstelling Heden van het slavernijverleden in het Tropenmuseum een begrijpelijk en sympathiek verhaal over slavernij en kolonialisme, maar zegt ook veel opmerkelijks over de rol van het museum dat vragen oproept over zijn begrip en kennis van de museumsector. Hij zegt dat ‘wij’ de tentoonstelling ‘heel bewust ingegaan’ zijn met het idee dat ‘wij willen niet deze tentoonstelling in ons eentje maken’. Zelfs: ‘wij kunnen deze tentoonstelling niet in ons eentje maken want wij hebben niet als enige dit verhaal’. Want: ‘Dit is een verhaal dat gaat over heel veel mensen in Nederland en dus dan moet je het ook samen met die mensen maken’. Vervolgens specificeert Berger ‘die mensen’ waarmee het museum in contract trad: academici, activisten, kunstenaars en onafhankelijke museumprofessionals. Later licht hij toe dat dit experts zijn.

Berger presenteert iets als nieuw wat helemaal niet nieuw is, maar stapt daarbij ook nog eens in de valkuil van zijn eigen blikvernauwing. Hij vindt het wiel uit dat allang uitgevonden is. Dat geeft te denken over de museale expertise die bij de Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen aanwezig is. Zeker wat historische tentoonstellingen betreft – maar niet uitsluitend – is het vanouds gebruikelijk dat Nederlandse musea allerlei ‘mensen in Nederland’ in een vroege fase bij een tentoonstelling betrekken. Externe (kunst)historici, bruikleengevers, collega-musea of gewone Nederlanders die thematisch bij het onderwerp betrokken zijn. Martin Berger doet zelfs nog een stapje terug door alleen experts of vertegenwoordigers van belangengroepen te beschouwen als ‘die mensen’ met de suggestie dat dit ‘gewone Nederlanders’ zijn.

Daarnaast is zijn aanname dat een museum een tentoonstelling niet in zijn eentje kan maken omdat het ‘niet als enige het verhaal’ heeft van een ontluisterende argeloosheid. Want dat geldt per definitie voor elk verhaal dat in een museum verteld en getoond wordt. Dat zou betekenen dat een museum nooit in zijn eentje een tentoonstelling kan maken. Of het een tekort aan museale kennis of een teveel aan politieke correctheid is dat Berger het meest in de weg zit is de vraag. Als dit interview illustratief is voor het denken binnen de Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen roept dat volop vragen op over de koers die het is ingeslagen.

Arabieren verkopen zwarte Afrikanen als slaven in Libië. Kan de rol van Zwarte Piet door cultuurrelativisme verklaard worden?

with one comment

Alles is relatief, maar niet alles valt te relativeren. In de VS worden politici, acteurs en journalisten beschuldigd van seksuele intimidatie en verkrachting, maar daarin zit nogal wat verschil. Dat loopt van een gestolen zoen tot kindermisbruik. Hetzelfde geldt voor racisme. In Libië worden zwarte Afrikanen als slaven verhandeld door Arabieren, of zelfs vermoord. Op sociale media is de verontwaardiging hierover in ‘zwarte kring’ terecht groot.

In Nederland houden voor- en tegenstanders van het huidige Sinterklaasfeest zich bezig met het uiterlijk van Zwarte Piet omdat het de ziel van de ene of andere groep kinderen zou beschadigen. Het is nogal een verschil: een zoen of de verkrachting van een minderjarige. Slavenhandel en moord of een debat over een 19de eeuws kinderfeest dat 170 jaar later qua moraal niet meer in de eigen tijd zou passen. Cultuurrelativisme wordt doorgaans in de strijd gegooid door degenen die verantwoordelijkheid willen ontlopen en de schuld af willen schuiven, maar als de ‘overtredingen’ zo ver uiteenlopen is het toch gepast om enig onderscheid te maken.

Written by George Knight

22 november 2017 at 15:40

Waarheen leidt samenwerking van het Wereldmuseum met het NMvW?

with 4 comments

Sinds kort klonk ineens overal kritiek op het Stedelijk Museum. Directe aanleiding waren publicaties in de NRC over de belangenverstrengeling van directeur Beatrix Ruf en haar korte lijnen naar de kunsthandel, de onzorgvuldige en onvolledige verantwoording van haar nevenactiviteiten in het jaarverslag, de overtreding van de ethische code en het onvoldoende toezicht op haar functioneren. Alsof ze een vrijgeleide had gekregen van de Raad van Toezicht om haar eigen handeltje binnen de muren van het Stedelijk Museum op te zetten. Met gebruikmaking van het prestige van het museum om de waarde van kunstwerken op te krikken. Het had de titel van een stripverhaal van Marten Toonder kunnen zijn: ‘Beatrix Ruf en de museale waardevermeerderaar‘.

Het schieten op directeur Ruf als aangeschoten wild wordt gemakzuchtig. Dat het vinden van een -aan de oppervlakte liggende- waarheid zolang moest duren getuigt van gebrek aan alertheid van kunstkritiek, politiek en Museumvereniging. Waar was de vinger aan de pols van de museumsector? Zo werkt publiciteit. Roependen in de woestijn die een onrechtmatigheid aankaarten krijgen jarenlang geen gehoor en worden buiten de orde gesteld. Met het etiket querulant, kommaneuker of zeurpiet zogezegd op hun voorhoofd geplakt. Als dan de dam van ongenoegen doorbreekt, dan gaat ineens de publieke opinie door de bocht en doet iedereen alsof men al altijd kritisch was. Men buitelt over elkaar heen in verontwaardiging om de felste afwijzing te geven. Daarom is het interessanter om niet naar de lopende zaak Ruf te kijken, maar naar een zaak die nog ontdekt moet worden. En in de publieke opinie nog niet de aandacht krijgt die het verdient.

Het gaat ook om een museumorganisatie die er aanspraak op maakt en zelfs prat op gaat om maatschappelijk te zijn en zich te bekommeren om het lot van wereldburgers en te gaan voor een rechtvaardige wereld. Omdat het dat beredeneert vanuit een eigen gesloten wereldbeeld dat niet of nauwelijks gevoed wordt door de ‘gewone’ lokale bevolking -die over het hoofd wordt gezien- is het de vraag wat de samenleving eraan heeft.

Die andere zaak is het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMvW). Het wordt gepresenteerd als een fusie van het Afrika Museum uit Berg en Dal, Museum Volkenkunde uit Leiden en Tropenmuseum uit Amsterdam. Het is uit nood geboren door bezuinigingen op de volkenkundige musea, maar een fusie van gelijke partners met eenheid in verscheidenheid is het nog niet geworden. De fusie valt achteraf op te vatten als een vijandige overname door het Leidse Museum Volkenkunde waarvan de directie zich opstelt als een Rupsje Nooitgenoeg.

In mei 2017 kwam het Wereldmuseum uit Rotterdam erbij als ‘samenwerkingspartner’, zoals een bericht  verduidelijkt. Dat gebeurde na een voorgeschiedenis waarbij de toenmalige directeur het Wereldmuseum aan de rand van de afgrond bracht. Net als bij het Stedelijk nu waren er opeenvolgende acties voor nodig voordat de publieke opinie omging. De ongerijmdheden zijn groot. In een commentaar van mei 2017 schreef ik: ‘Het NMvW staat bekend als hiërarchisch en behoudend en vaart een populistische koers. Dat past niet bij het meer avontuurlijke profiel van het Wereldmuseum zoals zich dat na de redding aftekende. Het Wereldmuseum is kwetsbaar omdat het door de vorige directeur Stanley Bremer is uitgekleed en verzwakt. (…) Het valt dus af te wachten of het Wereldmuseum een min of meer een autonome positie binnen een samenwerkingsverband krijgt om een eigen(zinnige) koers te varen of dat het meegesleept wordt in het populisme van het NMvW.

Voorbeeld van het populisme van het NMvW is het project Museum Van. Bekende Nederlanders worden zogenaamd curator van hun eigen museum. Ze maken onder begeleiding een selectie uit het depot. Het NMvW gaat met BN’ers als Yvette van Boven, Kenny B of Floortje Dessing in zee. Filemon Wesselink opent gedurende drie weken een minimuseum op station Zwolle, aldus een bericht in De Telegraaf. Presentatie van objecten uit het depot buiten de museummuren oogt als publiciteitsstunt. Met als voornaamste doel om door marketing de naamsbekendheid van de eigen organisatie te vergroten. Er wordt geen relatie met de samenleving gelegd.

Een persbericht van het Wereldmuseum suggereert richting die aansluit bij de lijn van het NMvW: ‘Vanaf 2018 wordt de inhoudelijke koers van het nieuwe Wereldmuseum verlegd naar een meer maatschappelijke programmering die past bij de missie van het nieuwe museum: inspireren tot wereldburgerschap.’ Maar wat ‘maatschappelijke programmering’ en ‘inspireren tot wereldburgerschap’ in de praktijk betekenen valt af te wachten. Het risico bestaat dat het politieke kletspraatjes blijken waar een museum in de praktijk niets aan heeft. Het gevaar bestaat zelfs dat ze in hun vaagheid dienen om het management van het NMvW een verdere greep naar de macht te laten doen. Door de in november 2016 aangenomen motieBehoud Rotterdamse signatuur Wereldmuseum’ van de Partij voor de Dieren heeft de raad zich gecommitteerd aan ‘een Rotterdams karakter’ en ‘Het Rotterdamse profiel van het Wereldmuseum als onderdeel van de samenwerkende musea’.

Aan het tentoonstellingsbeleid van het Wereldmuseum is het populisme van het NMvW nog niet af te lezen. Schrikbeeld is beleid dat kunstobjecten niet alleen ondergeschikt maakt aan het ‘maatschappelijke’ verhaal over kolonialisme of wereldburgerschap, maar kunst niet in de eigen waarde laat en invoegt als illustratie voor dat ‘maatschappelijke‘ verhaal. De tot en met 7 januari 2018 lopende tentoonstelling ‘POWERMASK’ van de Antwerpse modeontwerper en gastconservator Walter Van Beirendonck en conservator Alexandra van Dongen is het voorbeeld van een vitale, verrassende, inhoudelijk sterke tentoonstelling voor elk wat wils met de verbeelding aan de macht. Een voorbeeldige publiekstentoonstelling waarin kunstobjecten spreken zonder dat het een saaie en voorspelbare kunsthistorische uiteenzetting wordt. Of ze dienen als plaatje bij een praatje.

Op een tekstbord is een citaat van de Haïtiaans-Amerikaanse kunstenaar Jean-Michel Basquiat te lezen dat zegt: ‘Ik ben geen zwarte kunstenaar, ik ben een kunstenaar.’ Van hem is een schilderij uit de collectie Hans Sonnenberg te zien dat aan Museum Boijmans geschonken is. Dit citaat is een sleutelzin en valt ook te lezen als commentaar op het NMvW. Want er bestaat geen zwarte of niet-witte kunst, maar alleen kunst. In dit geval: goede kunst. De kwaliteit van de bruiklenen die Walter Van Beirendonck overal vandaan heeft weten te halen is indrukwekkend. De tentoonstellingsmakers lijken zich vrij te voelen en niet te bekommeren om het standpunt dat een tentoonstelling pas wordt gelegitimeerd door de persoonlijke achtergrond van de maker.

Bij ‘POWERMASK’ gaat het om de intentie van de makers die de tentoonstelling, noch de kunstobjecten in de mal van een ‘maatschappelijk‘ verhaal laten dwingen. Door het elan ontstijgt ‘POWERMASK’ eraan en krijgt een surplus. Terwijl dat ‘maatschappelijke‘ verhaal gewoon ondersteund wordt. Maar het gebeurt indirect en via dwarsverbanden. Gewild of ongewild is ‘POWERMASK’ op te vatten als subtiel antwoord op dit interne debat.

Het gaat niet om de beschuldiging van inlijving of populisme. Als het NMvW zweert bij de etnokitsch van Jimmy Nelson of verhalen over kolonialisme of slavernij, dan moet het dat tonen. Het gaat om de identiteit van het Wereldmuseum. Een persbericht van het NMvW uit 2016: ‘De constructie van deze krachtenbundeling is uniek te noemen. Het Wereldmuseum blijft een zelfstandig Rotterdams museum, maar gaat zeer nauw samenwerken met het NMVW, (..). Door deze samenwerking kan het Wereldmuseum, met behoud van eigen identiteit, gebruik maken van de expertise en het netwerk van het Nationaal Museum van Wereldculturen.’

Essentieel is dat de door het NMvW aan het Wereldmuseum gegeven afspraak nageleefd wordt. Daarnaast is er de verantwoordelijkheid van het Rotterdamse gemeentebestuur om daar bij het NMvW op aan te dringen en dat via de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur te monitoren. Dat volgt uit de motie die zich sterk maakt voor het behoud van de Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum. Omdat die eigenheid en identiteit zich vooral laten kennen uit het tentoonstellingsbeleid zal dat blijken uit de volgende grote tentoonstelling na ‘POWERMASK’. En overigens ook uit de vaste opstelling. Daarbij staan de vragen centraal wat de planning en inhoud van het komende tentoonstellingsprogramma zijn en hoe dat vervolgens spoort met de Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum en het inhoudelijke masterplan van het NMvW voor het Wereldmuseum. Het valt daarnaast makkelijk in te zien dat de beoogde rol van het Wereldmuseum in een wereldstad als Rotterdam een heel andere is die onvergelijkbaar is met die van de musea in Berg en Dal of Leiden.

Overigens wordt het Wereldmuseum vanaf 2018 verbouwd om het gebouw bij de tijd te brengen. Hoe komt daarna het nieuwe gezicht van het museum naar buiten? Hoe blijft het Wereldmuseum tijdens de verbouwing zichtbaar? Directeur Stijn Schoonderwoerd van het NMvW meent dat pas in 2020 het bezoekersaantal weer op het oude peil is. Hoe dan ook hebben alle betrokkenen zich verplicht aan de Rotterdamse signatuur.

Daarbij komt nog wat anders. De Nederlandse museumsector en -bezoeker en ook de NMvW hebben er weinig belang bij om alle musea onder het samenwerkingsverband gelijk te schakelen en dezelfde identiteit te geven. Op voet van gelijkheid en met het oog op inbedding in de lokale situatie kan met elkaar beredeneerd worden om het Wereldmuseum een identiteit te geven die een meerwaarde voor allen oplevert. Te denken valt aan de voortzetting van de lijn van ‘POWERMASK’. Waarbij etnografische en autonome (kunst)objecten verrassende dwarsverbanden aangaan en tot vragen oproepen die afwijken van wat de directie van het NMvW in de andere musea beoogt. De naam Wereldmuseum geeft ook aan dat dit museum over nationale grenzen kijkt en voor de productie van tentoonstellingen samenwerkingsverbanden aan kan gaan met buitenlandse partners.

Foto’s: Eigen foto’s van de tentoonstelling ‘Powermask’ in het Wereldmuseum te Rotterdam, oktober 2017.

Waarom ik de term ‘wit’ verkies boven ‘blank’. En ‘witte mensen’ boven ‘blanken’. Over dynamische identiteit

with 13 comments

Het gebruik van de termen ‘blank’ of ‘wit’ is gepolitiseerd. Ze passen in pakketten denkbeelden. De vraag is wat de afweging ervan betekent en of het een gevolg is van denken. Of dat het denken wordt gevormd door een politieke opstelling en eigenlijk geen denken meer genoemd kan worden. Het is niet onlogisch dat er beweerd wordt dat het propageren van de term ‘wit’ een opvatting van links-Nederland is. Toch is dat onjuist. Zo reken ik mezelf niet tot links-Nederland (en evenmin tot rechts-Nederland), maar ben ik toch een voorstander van de term ‘wit’ boven ‘blank’. Mogelijk niet om dezelfde reden als andere voorstanders ervan.

De term ‘blank’ is geen ‘volstrekt neutrale, louter beschrijvende aanduiding’. Het is per definitie bijna onmogelijk dat een zo beladen term met de connotatie van reinheid, helderheid en onbevlektheid volstrekt neutraal en louter beschrijvend kan zijn. Dat staat nog los van de afweging voor welke term men kiest. Maar neutraal is het gebruik van de term ‘blank’ zeker niet.

Omdat ‘wit’ die connotaties mist en kortweg gezegd minder pretentieus is, is de term ‘wit’ neutraler en meer beschrijvend. Het verwijst naar een witte huidskleur en niet naar een achterliggende geschiedenis en wereld vol machtsposities. Een ‘blanke huidskleur’ bestaat niet.

Ik ben het eens met de kritiek op het makkelijk vertalen van Amerikaanse modes van politiek correct denken naar Nederland. Sommige links-radicalen ruilen het ene monolithisch denken in voor het andere monolithisch denken. Zodat ze het vermoeden op zich laden niet meer als individu te denken, maar ondergaan in het groepsdenken. Dat alles gaat ten koste van de nuances en het onderscheidingsvermogen. Maar evenzeer ben ik het oneens met rechts-radicaal denken dat even weinig soepel is en alles bij het oude wil laten.

Mij gaat het erom om in de geleidelijkheid zonder grote schokken een optimale afweging te vinden voor een maatschappelijke oneffenheid. Als optimaal zoveel mogelijk mensen tevreden stelt en het beste werkt dan begrijp ik dat het niet alle mensen tevreden kan stellen. Dat is jammer, maar onvermijdelijk. Maar als het nalaten ervan een bepaalde groep diep raakt, dan zie ik voor de sociale cohesie en het sociale contract tussen overheid en burgers er geen principieel bezwaar in om de oneffenheid op te ruimen.

Het gesprek over de term ‘blank’ wordt pas een zwaar en beladen onderwerp van discussie als links-radicalen er van alles over diversiteit, kolonialisme, slavernij en wat dan ook allemaal bijhalen en er vanuit hun politieke betrokkenheid opplakken wat historisch nog maar aangetoond moet worden. Daarbij eigenen ze zich het alleenrecht toe om hierover het laatste woord te hebben. Dat is niet zoals een publiek debat gevoerd moet worden of een samenleving met elkaar ingericht dient te worden. Het is intolerant en anti-democratisch.

En als in de reactie hierop rechts-radicalen er hun eigen onverbiddelijkheid tegenover zetten en geen centje onderhandelingsruimte meebrengen in het debat, dan gijzelen de uiterste posities dit debat en blokkeren ze een organische uitweg van dialoog, raadpleging van deskundige historici of taalfilosofen en compassie met en begrip voor de ander.

Dus ik ben voor de term ‘wit’ boven ‘blank’ niet vanwege een vermeend historisch onrecht of een achterstelling. Dat wil ik loskoppelen van de afspraak om het met elkaar voortaan over witte mensen in plaats van blanken te hebben. Het gaat erom dat in een open, dynamische, volwassen samenleving mensen naar elkaar luisteren en de grieven van anderen serieus dienen te nemen. En als die uit de weg gegaan kunnen worden, waarom zou men dat dan niet doen?

Foto: Het kwartet van Benny Goodman doorbrak in de muziekwereld de interraciale grenzen en bestond uit twee witte (Benny Goodman en Gene Krupa) en twee zwarte (Teddy Wilson en Lionel Hampton) musici, 1937.