Hypocrisie van kunstmanifestatie sonsbeek20→24. Het is niet gedekoloniseerd en kent veel kritiek, maar geen zelfkritiek

Deel artikelREKENING VOOR KOLONIALE DWANGARBEID: 9,5 MILJOEN‘. One World, 23 augustus 2021.

Wie kritiek op de ander heeft en die beschuldigt van onmaatschappelijk handelen loopt de kans ongeloofwaardig te zijn door samenwerking met iemand die precies dat is waarvan men de ander beschuldigt. Namelijk een fraudeur of profiteur die onmaatschappelijk handelt. Het woord dat zo’n dubbele standaard karakteriseert is hypocrisie.

De critici zijn in dit geval Mitchell Esajas (The Black Archives) en co-curator Amal Alhaag van kunstmanifestatie sonsbeek20→24 die in het artikel ‘REKENING VOOR KOLONIALE DWANGARBEID: 9,5 MILJOEN’ dat op 23 augustus 2021 werd gepubliceerd op One World de aanval openen op de Arnhemse regentenfamilie Brantsen. Door de ondertekening van artistiek directeur Bonaventure Soh Bejeng Ndikung die expliciet verwijst naar sonsbeek20→24 valt dit artikel op te vatten als deel van de manifestatie. Dus de kritiek komt van sonsbeek20→24 als instelling.

Ze vragen 9,5 miljoen euro voor ‘de onbetaalde arbeid door hun voorouders in de periode 1727 – 1780‘. Het is geen serieuze juridische claim die bij een rechtbank enige kans op succes maakt. Het is een politiek pamflet dat de activisten gebruiken om hun politieke doelen onder een breed publiek te verspreiden.

De site van sonsbeek20→24 zegt bij de beschrijving van Amal Alhaag het volgende: ‘Haar projecten bevinden zich op de snijvlakken muziek en hedendaagse kunst, (post)kolonialisme en antropologie om ‘oncomfortabele’ zaken te onderzoeken, te agenderen en te bekritiseren‘.

Bij de deelnemende kunstenaars wordt ‘The Black Archives’ genoemd als een ‘fysiek en digitaal archief en cultureel platform op het snijvlak van archieven, cultureel erfgoed, kunst en onderwijs‘. De mensen achter ‘The Black Archives’ zijn geen traditionele kunstenaars met een kunstopleiding of autodidacten die op eigen kracht een artistiek niveau hebben bereikt, maar interdisciplinaire activisten die een politiek geëngageerd verhaal vertellen. ‘The Black Archives’ kan als de definitie van kunst ver opgerekt wordt een kunstinstelling worden genoemd, maar het valt eerder op te vatten als een historisch archief, een ontmoetingsplaats voor activisten of een debatcentrum.

Die politieke inzet kan waardevol zijn, maar waarom iemand als Mitchell Esajas door sonsbeek20→24 genoemd wordt als kunstenaar en niet als politieke activist is naar twee kanten verwarrend. Het rekt zoals gezegd de definitie van wat een kunstenaar is op en het schept ook verwarring over wat een politieke activist is.

In het project ‘Sound Waves of Resistance‘ van ‘The Black Archives’ en Yinka Ilori wordt ook verwezen naar Huis Zypendaal dat in het artikel van One World centraal staat. In dat artikel zegt Mitchell Esajas met Amal Alhaag: ‘Onlangs bezochten wij uw terrein, waar de tentoonstelling ‘Sound Waves of Resistance’ de verborgen ontstaansgeschiedenis van Huis Zypendaal op het landgoed zichtbaar maakt‘. Esajas verwijst naar zijn eigen project van sonsbeek20→24 zonder dat hij bekend maakt dat hij naar zichzelf verwijst. Het moet steekhoudende argumenten en legitimiteit suggereren.

Partners van sonsbeek20→24, onder wie financier en sponsor Stichting Ammodo.

Wie open is en maatschappelijk onrecht wil bestrijden doet er verstandig aan om dat naar alle kanten te doen. Een financier en sponsor van sonsbeek20→24 is de Stichting Ammodo. Daar heeft Mitchell Esajas geen kritiek op. Maar anderen wel, zoals FTM in meerdere publicaties, kunstenaar Timo Demollin in het artikelDe Fuik van de Filantropie‘ in Platform BK en ikzelf in een commentaar. Stichting Ammodo geeft geld aan sonsbeek20→24 dat het van havenwerkers heeft ontvreemd. Tot verbijstering van velen is het protest tegen deze opmerkelijke gang van zaken uiteindelijk gaan liggen.

Demollin zegt over de herkomst van het besmette geld van Ammodo: ‘Maar hoe is het verzuimen van een eerlijke reflectie op de herkomst van dit geld te rijmen met de huidige inspanningen van zoveel door Ammodo gesponsorde kunstinstellingen om hun organisaties te ‘dekoloniseren’, om onderdrukkende machtsstructuren te herkennen en te ontmantelen?

Dat is de valkuil waar Mitchel Esajas intrapt. Hoe kan hij volhouden met zijn politieke projecten de samenleving te willen dekoloniseren als hij daarvoor, al is het indirect, de steun van een stichting aanvaardt die havenwerkers heeft bedrogen? Esajas neemt besmet geld aan om besmet geld aan de orde te stellen. Hoe cynisch is dat?

Het Ammodo-dossier is van nu. Het speelt niet in de 18de, maar in de 21ste eeuw. Esajas en het curatorenteam van sonsbeek20→24 dat kritiek heeft op ‘oncomfortabele’ zaken missen zelfkritiek. Ze hadden respect verdiend als ze hadden geweigerd om bij een kunstmanifestatie betrokken te zijn die besmet geld aanvaardt.

De Code Inclusie & Diversiteit in de kunstsector zegt in theorie ruimte te maken voor nieuwe verhalen en te werken aan een gelijkwaardige sector voor iedereen. Dat is een evenwichtig streven waarbij niet de politiek meest actieven en best georganiseerden die het meest brutaal en inventief de publiciteit weten te bespelen en het beste weten politieke druk weten te zetten in media, politiek en onderwijsinstellingen telkens weer subsidie ontvangen of vanwege hun politieke overtuiging en relatieve bekendheid die buiten de kunst is gelegen worden uitgenodigd voor presentaties.

Volgens de code gaat diversiteit ook over het verschil of de achterstand in sociaaleconomische status en opleidingsniveau. Dat betreft ook de havenwerkers van Ammodo die zijn verdwenen achter een Arnhems verhaal over slavernij, historische achterstelling, sociaal onrecht en ongelijkheid. Volgens de organisatie van sonsbeek20→24 weegt blijkbaar de ene ongelijkheid zwaarder dan de andere ongelijkheid. Dat is Animal Farm anno 2021. Laten we beseffen dat maatschappelijke verontwaardiging aan mode onderhevig is en de kunstsector uit zelfbehoud een grotere afstand tot die activistische waan van de dag moet houden dan nu gebeurt.

Nu.nl maakt niet duidelijk in welke gevallen Utrecht wijzigen slavernij-achternaam zelf betaalt

Schermafbeelding van deel artikel Utrecht betaalt wijzigen achternaam met slavernijachtergrond desnoods zelf‘ van Nu.nl, 7 september 2021.

Het is een goed idee dat mensen die hun ‘slavernij-naam’ willen veranderen dat tegen ‘normale’, niet al te hoge kosten makkelijk kunnen doen. In de grote steden is daar debat over. Dat speelt tegen de achtergrond van het oplaaiende debat over slavernij, identiteit en diversiteit.

De gemeente Utrecht gaat volgens een bericht van nu.nl dat breed door andere media geciteerd wordt nog een stapje verder. Dat nieuwsmedium voert een anonieme bron namens de gemeente Utrecht op zonder te specificeren wie of wat dat is. De waarde van de uitspraak valt daarom niet te controleren omdat de naam van een woordvoerder of een gemeentelijke dienst of afdeling ontbreekt.

Nu.nl stelt dat ‘desnoods de gemeente op initiatief van de gemeenteraad de rekeningen voor de naamsverandering zelf betaalt’, zo zou de gemeente ‘zelf’ melden. Het is onduidelijk op welk initiatief van de gemeenteraad nu.nl doelt. Motie 185 vraagt uitsluitend om een verkenning om de rekening te betalen. Daarover straks meer.

Op de site van de gemeente Utrecht is over dit onderwerp de volgende motie van PvdA en DENK van 3 december 2020 te vinden die met de stemmen van ChristenUnie (2), D66 (10), GroenLinks(12), Partij voor de Vrijheid (1), SP (2), Stadsbelang Utrecht (1) en VVD (6) ruimschoots verworpen werd:

Schermafbeelding van Motie 427 ‘Ondersteun afstammelingen van tot slaaf gemaakte mensen bij hun naamsverandering’ in Utrechtse gemeenteraad, 3 december 2020.

Beide partijen pleitten ervoor om bij het Rijk te pleiten voor afschaffing van het psychische onderzoek en opperden te verkennen of de gemeente tegemoet kan komen in een deel van de kosten.

In de behandeling (klik op 19e raadsvergadering gemeenteraad 3 december 2020.doc en dan p.71) ontraadde wethouder Linda Voortman (GL) M427 ‘om financiële redenen’ en zei ze te kijken of de bijzondere bijstand een optie voor dekking zou zijn. In haar reactie zei fractievoorzitter Heleen de Boer van GL dat omdat de wethouder heeft gezegd ‘dat zij hierover in gesprek gaat’ en zij heeft uitgelegd dat zij gaat proberen een regeling te treffen voor de mensen die dat niet zelf kunnen betalen dat dat voor haar fractie voldoende was om ‘op dit moment’ tegen M427 te stemmen.

Motie 185Naamsverandering van nakomelingen van tot slaaf gemaakten‘ van juli 2021 die een doorstart van M427 is en met ruime steun werd aangenomen droeg het college op om samen met de drie grote steden bij het Rijk te pleiten ‘voor afschaffing van de kosten van een naamswijziging en voor afschaffing van het psychologisch onderzoek‘ en ‘te verkennen wat de mogelijkheden zijn om als gemeente Utrecht tegemoet te komen aan de kosten die Utrechtse nakomelingen van tot slaaf gemaakte mensen moeten maken om hun achternaam te veranderen‘.

Inhoudelijk is M185 een kopie van de eerder verworpen M427 van PvdA en DENK. Het verschil tussen beide moties is niet inhoudelijk, maar gaat over het wel of niet zwaar laten wegen van de financiële dekking. In de tweede motie M185 moet blijkbaar het toevoegen van de passage ‘afschaffing van de kosten van een naamswijziging‘ de draai voor de coalitiepartijen mogelijk maken, zodat ze niet meer gebonden zijn om die af te wijzen vanwege ontbrekende dekking. Een toezegging van het Rijk als gevolg van de onderhandelingen zou dat politiek haalbaar kunnen maken. Daarover zegt het bericht van nu.nl niets. Het is trouwens onzeker of het Rijk ooit met zo’n toezegging komt. Blijkbaar maakt dit voorschot op de toekomst de draai voor GL, D66, CDA, CU, PvdD, SP en Student & Starter mogelijk.

Uit het bericht van nu.nl wordt niet concreet hoe breed de categorie mensen is waarvoor de gemeente Utrecht de naamsverandering wil gaan betalen. Het oogt als een losse flodder of proefballonetje dat dient om druk te zetten op het Rijk. Als het gaat om de mensen die het niet zelf kunnen betalen en waarvoor een regeling wordt getroffen, dan reproduceert nu.nl het standpunt van 3 december 2020 van wethouder Voortman en fractievoorzitter De Boer. Het ‘desnoods’ in de uitspraak van de anonieme bron van de gemeente Utrecht duidt erop dat betalen door de gemeente alleen in specifieke gevallen geldt. Zoals voor mensen die het niet kunnen betalen. Maar dat wordt niet duidelijk gemaakt.

Als dit bericht van nu.nl klopt, wat de vraag is vanwege het anonieme karakter van de bron, dan valt de opstelling van het Utrechtse college en de coalitiepartijen te karakteriseren als politiek opportunisme of vertraagd inzicht. Niet alleen op het Binnenhof worden verschillen niet gemaakt door de inhoud, in Utrecht is het niet anders. De uitspraak van de anonieme bron van de gemeente Utrecht speelt op het niveau van de politieke marketing en de angst om door andere partijen overvleugeld te worden.

Debat over slavernijverleden is pas zinvol als het door hele bevolking gevoerd wordt en niet in de eerste plaats door politieke activisten

Schermafbeelding van deel artikel Utrechtse excuses voor slavernijverleden? Niet uit mijn naam, zegt deze politicus‘ in het AD, 2 juli 2021.

Er is in vele landen vanuit gematigd linkse kringen kritiek op radicaal-links dat met identiteitspolitiek, cancel culture, wokeness en politiek correct denken van oorsprong linkse kiezers naar rechts jaagt. In de VS wijst de Democratische strateeg James Carville op het gevaar de traditionele achterban van Blue collar kiezers (= arbeiders) te verliezen. Dat denken zou het failliet bevestigen van links en radicaal-rechts in de kaart spelen. Zijn idee is dat er een kantelpunt bestaat dat als de wokeness binnen linkse partijen toeneemt de aantrekkingskracht van een breed publiek voor links afneemt.

Een nieuw netelig onderwerp in dit politieke debat is het slavernijverleden waarvoor stad en land excuses zouden moeten aanbieden. Voor welk probleem dat een oplossing biedt is de vraag. Opinieleiders uit radicaal-linkse kringen proberen elkaar de loef af te steken in politieke correctheid. Het is hun optimale kans om zich tegenover elkaar te profileren. De samenleving heeft daar echter weinig aan want, zoals gezegd, dat gaat niet ongestraft. Voor traditioneel links kan het zelfs de doodsteek betekenen.

Er bestaat overeenstemming over het feit dat het terecht is om te erkennen dat slavernij een zwarte bladzijde in de vaderlandse geschiedenis is geweest. Het was beter geweest als het nooit had bestaan. Het heeft velen onnoemelijk leed gebracht. Die erkenning moet breed uitgedragen worden.

Maar het aanbieden van excuses gaat een stap verder. Zeker als nog niet omschreven is hoe zich dat verhoudt tot schadevergoeding voor de verre nazaten van de slachtoffers van de slavernij, het herschrijven en dekoloniseren van de geschiedenis, het verwijderen van standbeelden van vaderlandse admiraals en bestuurders en het hernoemen van straten en instellingen omdat ze zouden verwijzen naar een besmette naam.

Het is een kluwen van aspecten die samenhangen en waarvan onduidelijk is wat nou wat is. Ze vormen samen de lagen van de taart. Het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden van Nederland is de kers op de taart. Een taart waarvan onduidelijk is wat er precies inziten hoe die gemaakt is. Voordat excuses aangeboden worden dient duidelijk omschreven te worden wat de aspecten zijn.

Ook moet opgepast worden dat hedendaags racisme niet vermengd wordt met het slavernijverleden van bijna 150 jaar geleden en ouder. In 1873 kwam officieel een eind aan de slavernij in Nederland toen het verboden werd. Het gevaar is dat het aanbieden van excuses voor het slavernijverleden in de plaats komt van de bestrijding van hedendaags racisme op arbeidsmarkt, sociale huisvesting en in de samenleving in algemene zin. Dat is een oneigenlijk gebruik van excuses.

Nodig is een brede maatschappelijke discussie waar vertegenwoordigers van de hele bevolking aan deelnemen. Voor de acceptatie en sociale cohesie is het niet zinvol dat een groep activisten anderen een mening opdringt. Hoewel ze wel het debat kunnen helpen voorbereiden door de feiten boven water te halen en in het debat in te brengen. Maar ze zouden er door politieke en publicitaire druk in hun eentjes niet over moeten kunnen beslissen. Daar lijkt het nu op uit te draaien.

Het zou als uiterste sanctie geen taboe moeten zijn om de namen van de meest kwaadaardige personen uit het slavernijverleden die het meeste kwaad hebben aangericht uit de openbaarheid te verwijderen. Zonder dat ze uit de geschiedenis verdwijnen of wat nog erger is de geschiedenis herschreven wordt door hun uitwissing. Uitsluitend ter zake kundige historici zouden na gedegen onderzoek hier een voorstel voor moeten doen.

Maar laat het evenmin een automatisme zijn dat alle historische personen die in verband worden gebracht met slavernij en handel in slaven gecanceld moeten worden. Of dat standbeelden en straatnamen die hun naam hebben gekregen om politieke redenen hernoemd zouden moeten worden. Een ‘bijschrift’ kan de kwalijke kanten belichten van genoemde personen. Het is ongewenst én onmogelijk om met de bril van nu naar 1650, 1750 of 1850 te kijken.

Schermafbeelding van tussenstand van poll in het AD bij het artikel Utrechtse excuses voor slavernijverleden? Niet uit mijn naam, zegt deze politicus‘, 2 juli 2021.

Aanleiding voor mijn zorgen over een ver doorgeschoten identiteitspolitiek die uiteindelijk traditioneel links electoraal beschadigt is een enquête in het AD. Een krant die door vele ‘doorsnee’ Nederlanders geraadpleegd wordt. De respondenten vinden in grote meerderheid dat de gemeente Utrecht geen excuses aan moet bieden voor het slavernijverleden. Het valt niet te verwachten dat ze representatief zijn voor de Nederlandse bevolking, maar desalniettemin geeft de stemming aan dat er tegenstand is tegen het aanbieden van excuses. Dat kan niet lichtvaardig. Als het gebeurt, dan moet het goed voorbereid, uitgelegd en afgebakend worden.

BBC over standbeeldenoorlog in Bristol van 2020 met burgemeester Marvin Rees die manoeuvreert tussen links en rechts

Met verbazing, bewondering maar ook met open vragen die niet beantwoord worden heb ik gekeken naar de documentaire ‘Statue Wars: One Summer in Bristol‘ van de BBC over de City Mayor van het Engelse Bristol Marvin Rees (Labour). Hij is van gemengde afkomst met een witte moeder en zwarte vader. Hij vertelt dat hij in armoede is opgevoed. Zijn claim dat hij de eerste zwarte burgemeester van Europa is klinkt te ongeloofwaardig om waar te zijn en is dan ook onjuist.

Aanleiding voor dit verslag met veel talking heads en meer journalistieke dan cinematografische ambitie was de reactie op de moord in de VS op George Floyd. Om die reden is het de vraag of het wel een documentaire genoemd kan worden. Het meer neutrale verslag past beter.

Een verslaggever van het lokale BBC Bristol die Rees interviewt krijgt volop kritiek voor wat door Rees en zijn medewerkers insinuerende en weinig constructieve vragen worden gevonden. Door dit in het verslag op te nemen versterkt de BBC het beeld dat het objectief handelt.

Op 7 juni 2020 werd in Bristol het standbeeld van slavenhouder George Colston door een menigte van zijn voetstuk gehaald en in de haven gekieperd. Het was wereldnieuws. Dat wordt getoond. Rees wordt geïnterviewd door de New York Times en belangrijke media. In de naweeën van de zaak Floyd.

Het verslag gaat erover hoe Rees met zijn team de stad bij elkaar probeert te houden. Dat is de mantra die hij herhaalt. Colston is in Bristol een belangrijke historische figuur en stond voor velen eerder bekend als filantroop, dan slavenhouder. Dat is sinds juni 2020 veranderd. Vele instellingen die zich tooiden met de naam Colston hebben inmiddels een minder beladen naam gekozen.

Interessant zijn de overwegingen van Rees en zijn team om de radicalen aan beide zijden van dit conflict de wind uit de zeilen te nemen, zonder ze het recht op demonstratie te ontnemen. Het wordt met zoveel woorden manoeuvreren genoemd.

Het beeld dat ontstaat is dat hier een bestuurlijk leider in optima forma binnen de betrekkelijk kleine marges die hij heeft met politiek handwerk, geloof in zichzelf, een fijnzinnige antenne en ‘verbindend’ handelen aan het werk is. Dit verslag valt op te vatten als voorbeeld van zijn dynamische mediabeleid waarmee hij zich ook landelijk profileert voor Westminster.

Het gaat dus om het zoeken van de verbinding tussen activisten die opkomen voor de doelstelling van Black Lives Matter (BLM) en degenen die vinden dat met het protest de geschiedenis en de eigenheid van de stad Bristol geweld wordt aangedaan. Die balanceert tussen radicaal links en rechts gaat lange tijd goed, maar ontspoort uiteindelijk toch in maart 2021. Het thema is te groot.

Opvallend is hoe het verslag is ontdaan van verwijzingen naar de partijpolitieke achtergrond van de hoofdpersonen. Dat hindert het begrip, hoewel hun opereren op het oog aardig overeenkomt met hun partijpolitieke achtergrond. Men vraagt zich af of het feit dat dit niet vermeld wordt te gevoelig ligt voor de BBC die politiek toch al zo onder druk ligt door voortdurende kritiek van de Tories.

Marvin Rees is een sociaal-democraat uit het midden van het politieke spectrum die door BLM-activisten geframed wordt als verrader van de zwarte zaak. Rees’ antwoord daarop is dat hij er niet voor zichzelf of zijn achtergrond zit, maar voor de stad. Cleo Lake is zijn linkse tegenpool en zet zich als raadslid van de Green Party bewust in voor de zwarte zaak. Zij verwijt Rees te weinig te doen aan de gevolgen van de slavernij en in de oorlog over de standbeelden geen partij te willen kiezen.

In de laatste, uitgestelde verkiezingen van mei 2021 werd Rees herkozen als burgemeester, maar werd Labour bijna ingelopen door de Groenen. Die spanning tussen Lake en Rees is voelbaar als ze in een digitale vergadering op elkaar reageren. Ze zijn politieke rivalen die het oneens zijn over de aanpak van de standbeeldenoorlog. Maar ze hebben ook verschillende verantwoordelijkheden. Dat maakt duidelijk wat praktische politiek inhoudt en wat de grenzen en voorwaarden ervan zijn. Dat inzichtelijk maken is de grote verdienste van ‘Statue Wars: One Summer in Bristol‘.

Petitie ‘Maak een einde aan de betrekkingen met Suriname’ scoort hoog op onbenul-maatstaf

Schermafbeelding van deel petitie ‘Maak een einde aan de betrekkingen met Suriname’ van Nathanael Robert Mulder.

Als de suggestie in deze petitieMaak een einde aan de betrekkingen met Suriname’ is dat Duitsland geen zwart koloniaal verleden heeft, dan is dat onjuist. De massamoord door de Duitsers op de Herero’s en Nama’s in Namibië (tot 1919 Duits-Zuidwest-Afrika) is door de Verenigde Naties erkend als de eerste genocide van de 20ste eeuw en kreeg de naam Namibische Genocide. Hitler had de Holocaust niet van een vreemde.

Het is evenmin onjuist dat Duitsland een beter verleden heeft dan Nederland. Zie wat het vanaf 1914 en 1939 aanrichtte door buurlanden binnen te vallen met tientallen miljoenen slachtoffers tot gevolg. Daar kan Nederland ondanks het feit dat het ook een zwart koloniaal verleden heeft niet aan tippen.

Duitsland is geen lichtend voorbeeld om tegen Nederland af te zetten. Daar komen eerder andere landen voor in aanmerking, hoewel bijna alle Europese landen in de 19de en 20ste een koloniaal verleden hebben met ontsporingen en onrecht tot gevolg. Maar juist Duitsland is niet zo’n uitzondering.

Verder bevat deze petitie zoveel onjuiste, onzinnige en niet onderbouwde beweringen dat het de vraag is of hier wordt beoogd om satire te bedrijven. De humor is dan dat het verleden van Duitsland als tolerant en anti-koloniaal wordt voorgesteld. Petitionaris Nathanael Robert Mulder probeert zich te laten kennen als een grappenmaker.

De petitie gaat ook voorbij aan de politieke realiteit van een verbeterde relatie van de regering Santokhi met Nederland. De uiting in een besloten bijeenkomst van minister Blok dat Suriname een mislukte staat is vanwege de etnische opdeling dateert van 2018 en is sindsdien afgedaan als onjuist en te kort door de bocht. Minister Blok is binnen de Nederlandse politiek geen man van grote ideeën en interessante visies, maar een boekhouder die op de winkel past. Nederland heeft afstand genomen van Bloks uitspraken en laat de frustratie aan Blok over voor een mislukte bijeenkomst. Nederland scoort in alle internationale vergelijkingen over de stand van de democratie, de rechtsstaat en het welzijn hoog en weet prima voor de eigen bevolking te zorgen.

Deze petitie is een dieptepunt van feitenvrije schrijverij. De petitionaris neemt de pose aan van de veelweter die niks weet. Als zijn petitie ergens een teken van kan zijn, dan is dat nog niet zo makkelijk uit te maken wat dat dan is. Een roep om aandacht? Liefde voor Duitsland? Anti-Nederlands sentiment? Gebrek aan historisch besef? Een aanval op de regering Santokhi en de verbeterde relatie van Suriname met Nederland? Een poging tot humor? Of is het dat allemaal gecombineerd in een poging om aan de hand van deze elementen de meest onbenullige petitie ooit op petities.nl te plaatsen? Deze poging heeft een goede kans van slagen.

Ik signaleer het omdat de overmoed van en het overschreeuwen van deze petitionaris staat voor veel wat er gebeurt in de publieke opinie. Waar toetsenbordactivisten zich met aplomb een aureool aanmeten van de veldheer die alles overziet en de wereld wel eens zal veranderen. Dat is trouwens iets van alle tijden. Malloten bestaan eeuwig.

Duiden van identiteit in de kunst wordt valkuil als dat onzorgvuldig gebeurt. Commentaar op het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’

Daar gaan we weer. Identiteit in de kunst en het scheve beeld dat de media ervan geven. Deze keer zijn Teylers Museum en de 19e eeuwse Frans-Amerikaanse ornitholoog, natuuronderzoeker, vogelschilder en werkgever van slaven John James Audubon aan de beurt. Op touw staat de tentoonstelling ‘Vogelpracht’ die dit museum in juni 2021 hoopt te openen.

Journalist Jean-Pierre Geelen identificeert zich in het artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ in de Volkskrant bij voorbaat met de oppositie die Audubon oproept. Hij noemt het ‘hoogst explosief materiaal’. De toon is gezet. De eindredactie maakt van een bezitter van slaven voor het gemak een ‘racistische vogelschilder’. De 21e eeuw wordt rechtstreeks in het vat van de 19de eeuw gekieperd alsof in twee eeuwen alles bij hetzelfde is gebleven.

Geelen maakt een knip door het te verbinden aan de Code Diversiteit & Inclusie die Teylers Museum onderschrijft. Alsof dat bijzonder is. De hele museumsector onderschrijft immers deze Code. Hij geeft een citaat uit de code dat staat onder het kopje ‘Artistiek en inhoudelijk: inclusief werken is een verrijking voor kwaliteit’ dat aldus eindigt: ‘Jouw organisatie moet een veilige plek zijn waar iedereen zich thuis voelt om zich in een ander perspectief te verplaatsen’. Ok, redelijk, maar wat heeft het feit dat Audubon twee eeuwen geleden slaven in bezit had te maken met een veilige werkomgeving van een museum in 2021?

Rekt Geelen dit aspect van de Code niet oneigenlijk op en maakt hij er wat anders van dan het behelst? Daar lijkt het sterk op. Probeert Geelen nou te suggereren dat de werkomgeving er voor medewerkers onveilig op wordt als in een tentoonstelling een schilderij van een 19de eeuwse vogelschilder annex slavendrijver wordt getoond en medewerkers zich daardoor niet meer thuis zouden voelen in dat museum? Welk probleem helpt Geelen hier creëren? Is dat allemaal niet te simpel gedacht en met hoeveel slagen tegelijk probeert Geelen thuis te komen in zijn eigen bubbel?

Het is toch juist de taak van een historisch kunstmuseum als Teylers Museum om objecten uit de kunstgeschiedenis in de juiste context voor een breed publiek te tonen?

Jazeker, Audubon had slaven in bezit en jazeker, dat wordt nu terecht afgewezen en jazeker, dat feit moet in zijn levensbeschrijving niet ongenoemd blijven en jazeker, dat ligt politiek op dit moment uiterst gevoelig, maar welnee, dat betekent niet dat ter discussie staat dat zijn schilderijen niet in een museum getoond kunnen worden. Als dat zo zou zijn, dan zou zijn werk in geen enkel museum meer getoond kunnen worden. Dan gaat het politieke aspect volledig het kunsthistorische aspect overheersen. Mogen musea daar alstublieft zelf over beslissen? Ze hebben er geen politieke activisten of activistische journalisten voor nodig om hen op hun verantwoordelijkheid en gedragsregels te wijzen.

Geelen lijkt meer bezig met het aanscherpen van maatschappelijke verschillen dan met het geven van duiding. Waarom stelt hij iets ter discussie dat niet ter discussie moet worden gesteld? Zoals alle musea probeert Teylers Museum dit passend op te lossen zonder al te veel weerstand in de samenleving op te wekken. Maar dat is toch geen kwestie van worstelen, maar van gewoon professioneel handelen?

Als het de taak van een journalist is om zich te identificeren met een politieke zaak en het publiek te informeren onder het mom van een evenwichtig enerzijds-anderzijds verslag, dan zijn we gewaarschuwd. Ook voor journalisten is identiteitsdenken een valkuil waar ze met open ogen in kunnen stappen. Het advies voor zolang het duurt: hou het simpel en maak het niet ingewikkelder en wijsneuziger dan het is. Daar is niemand mee geholpen. De museumsector nog het minst.

Foto: Schermafbeelding van deel artikel ‘Teylers Museum worstelt met tentoonstelling over racistische vogelschilder’ van Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant, 3 maart 2021.

Bespreking van de documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’

Met genoegen heb ik gekeken naar de prachtig in beeld gebrachte documentaire van Ida Does over het Rijksmuseum en Slavernij. Maar ik heb kanttekeningen vanwege de ongerijmde beweringen en het gekozen zwart-wit perspectief. De documentaire is een aardige poging die blijkbaar nodig was om er te zijn, maar die meer het beeld van een strijd om emancipatie van betrokkenen verbeeldt, dan dat het een evenwichtig beeld geeft van een historisch onderwerp en het naijl-effect daarvan in de museumsector. Het is niet verkeerd dat deze documentaire nu gemaakt is, maar opgevat als een reconstructie van een tijdsbeeld draagt het al tijdens het kijken de kiem van én de roep om een vervolg in zich dat meer in balans is en het onderwerp proportioneler en breder benadert.

1) Het is onbegrijpelijk dat terwijl expliciet in de documentaire gezegd wordt dat de slavernij in de Oost omvangrijker was dan die in de West, daar in de documentaire nauwelijks iets van terug te vinden is. Was het reisbudget onvoldoende, had de producent geen Indonesische of Nederlands-Indische contacten of was deze reductie een bewuste, politieke keuze? Dat heeft als gevolg dat nu alles in een zwart-wit perspectief geplaatst wordt. Dat is echter een te grove tegenstelling. Wat resteert is een eenzijdig Caraïbisch perspectief. Maar zo was de realiteit van toen niet, en zo is de realiteit van nu niet. De grijs- en bruintinten ontbreken en zijn weggemoffeld. Ook op een andere manier ontstaat vertekening. De tragiek van de historische slavernij is ook dat de zwarte mensen geen homogene groep vormden en naast slachtoffer ook dader konden zijn. Ook die nuancering ontbreekt in de documentaire.

2) Aandoenlijk zijn de pogingen van de witte medewerkers van het Rijksmuseum om politiek correcte uitspraken te doen. Ze doen zo hun best. Nog het meest evenwichtig en oprecht is Hoofd Geschiedenis Valika Smeulders die zichzelf toestaat om zichzelf te zijn. Zij lijkt autonoom te handelen, terwijl de andere medewerkers blijven hangen in calvinistische boetedoening en achter het onderwerp verdwijnen. Waardoor de vraag opdoemt of ze nog wel namens zichzelf en hun eigen professionalisme spreken. Het ligt er dik bovenop. Deze medewerkers zoeken zich een houding en zijn op zoek naar een personage waarvan ze menen dat die bij hun functie en dit onderwerp van slavernij past, maar weten niet precies wat die houding is en waar ze uit dienen te komen. Deze zoektocht naar een correcte ziel die goed in beeld wordt gebracht is, waarschijnlijk onbedoeld, het meest interessante aan deze documentaire. Meer drama van Pirandello of Pinter, dan realisme.

3) De documentaire is als een momentopname in de bewustwording over historisch onrecht, zoals de slavernij. Het is goed dat dit in de museumsector ter sprake wordt gebracht en er nader naar de collecties wordt gekeken om te kijken waar tekenen van dat onrecht opdoemen. Dat dient benoemd en verklaard te worden. En waar mogelijk in balans te worden gebracht zonder door te schieten naar overdrijving. Want dat is het gevaar van dit onderwerp. Uiteindelijk gaat het niet om politieke en maatschappelijke, maar om (kunst)historische aspecten die weliswaar onder invloed staan van de politiek maar daar niet volledig door kunnen worden bepaald. In deze documentaire komen uitsluitend degenen aan het woord die doen vermoeden dat (kunst)geschiedenis onderhorig is aan politieke ideologie. Dat is op meerdere niveaus’s te simpel.

4) De documentaire spreekt soms zichzelf tegen. Bijvoorbeeld als terecht gezegd wordt dat (Europees) Nederland een witte maatschappij was en de andere stem daarin een minderheid vormde. Dat ontspoort in de uitleg van meerdere gesprekspartners over het schuttersstuk van Bartholomeus van der Helst met het zwarte jongetje. Opnieuw wordt geprobeerd alles te reduceren tot een zwart-wit tegenstelling, terwijl de sociaal-economische of maatschappelijke (leeftijdsverschil) tegenstellingen worden veronachtzaamd. Het is niet vergezocht om te veronderstellen dat een klein wit jongetje zonder sociale status op dit schuttersstuk evenzeer in de schaduw gezet zou worden. Zo blijft onduidelijk wat nou precies onderscheidend is.

De conclusie is dat deze documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’ vooral licht werpt op de worsteling van de medewerkers van het Rijksmuseum die zich een houding aanmeten in hun omgang tot de slavernij en de artefacten die daar mee samenhangen. Het tekent een fase in hun emancipatie. Dat is de verdienste ervan, namelijk hoe het toont hoe de behoudzuchtige museumsector in verwarring wordt gebracht door een onderwerp buiten haar comfort zone en zich mee laat voeren door ongerijmde denkbeelden voordat het zelf een houding vindt die voorbijgaat aan simplificatie en beperking. Dit verwijt treft niet degenen die nabestaanden van slaven zijn of degenen die zich door hun afkomst als zodanig beschouwen. Zij bepleiten hun zaak op een politieke wijze zonder de last én de opdracht van de (kunst)geschiedenis. Het nadeel van de documentaire is dat het op een simpele wijze een historisch proces verklaart vanuit het heden. Dat leidt tot onbeheerste conclusies omdat voorouders worden afgerekend op het feit dat ze niet wisten wat wij in het heden weten.

NB: De documentaire ‘Nieuw Licht – Het Rijksmuseum en de slavernij’ is hier te zien.

Duitsland staat niet zozeer op gespannen voet met Nord Stream II of de Russische Federatie, maar met zichzelf

Mijn reactie op DW News bij een video over de aanleg van Nord Stream II:

‘Mayor Axel Vogt is a strange figure. Is he really that naive, or is he just hired to express an opinion like a stage actor is rehearsing a role? He believes that Alexei Navalny is winning the propaganda battle in Europe against the Kremlin, which has much more resources at its disposal. That must indicate that the Kremlin’s propaganda is unable to sell a bad product, namely its authoritarian regime. But Vogt’s perspective does not reach that far. His perspective turns out to be mired in Nord Stream II alone.

The tragedy of such a blinkered mayor is that he first looks at who his opponent is before forming an opinion about the case itself. That is the tragedy of party politics in its worst form, by the way. The mayor straightens out what’s wrong. Apparently he sees that as his job.

In any case, the attitude of German politics (except for the Greens, the Liberals and some CDU members) towards the Russian Federation is rather distorted and disturbed. This has to do with the Second World War and the suffering caused by the Nazis.

How that can go wrong, President Steinmeier showed when he recently consciously or naively confused the victimization of Balts, Poles, Belarusians and Ukrainians with the victimization of Russians. Professor Timothy Snyder has repeatedly demonstrated to a German audience, inclusief parlementariërs, with figures that Poles, Belarusians and Ukrainians have suffered proportionally more from the German war machine than the Russians.

But those facts do not reach the very top of German politics. Although it is also possible that they do know what victims they have made, but consciously perpetuate the misunderstanding in order to reach a rapprochement with the Kremlin. A rapprochement that on closer inspection is not appropriate, not ethical and not permissible. But this rather disproportionately favors German business at the expense of Eastern and Western Europe. That misunderstanding has marked Germany’s Russia policy since Willy Brandt, with the SPD in the most malicious role of helping the Kremlin, and not Germany or the EU.

The conclusion of the Nord Stream II fuss is not that it is about Germany’s relationship with the Russian Federation, but essentially about Germany’s self-image. That is seriously distorted and clouded. Even 75 years after the war, German politics has not yet properly processed that war. Or as said, and what is even more false and poignant, it has processed that war, but deliberately misinterprets it for opportunistic reasons.

This not only alienates Germany even further from the real victims of World War II, such as Poland, Belarus and Ukraine, as well as France and the Netherlands, but with that false self-image it also does itself considerable damage because it knowingly deceives itself.’

Pleidooi om sociaal-economische status leidend te laten zijn in de Code Diversiteit & Inclusie

Sterk pleidooi van de Franse filosoof en romancier Pascal Bruckner in interview in het FD om diversiteit breder te interpreteren dan huidskleur. Sociaal-culturele onderwerpen als identiteit drukken de sociaal-economische onderwerpen (sociaal-economische status, opleidingsniveau) weg zonder dat dit goed beseft wordt. Dat is een ongewenste en eenzijdige situatie. Het lijkt een taboe dat zo sterk is dat het niet eens als probleem benoemd wordt.

Via een omweg krijgt Bruckner ook gelijk voor wat Nederland betreft. De kunstsector is er een duidelijk voorbeeld van hoe die eenzijdige aandacht voor huidskleur ontspoort. Bizar en tamelijk onverklaarbaar is dat in Nederland de kunstsector een Code Diversiteit en Inclusie als norm heeft ingesteld die allerlei soorten achterstelling van minderheidsgroepen in beschouwing neemt, waaronder sociaal-economische status. Naast gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie opleidingsniveau en leeftijd.

Maar in de media, de kunstjournalistiek, de kunstsector en de publieke opinie lijkt die brede opvatting van diversiteit niet door te dringen. Het wordt nog steeds weggemoffeld ten koste van het dominante debat over identiteit, huidskleur, ras, slavernij en kolonialisme dat door radicale groeperingen wordt gevoed. Als hun inzet begrijpelijk is, dan is die van de kunstjournalistiek of de kunstsector niet. Die laatste is lui en gemakzuchtig, en laat zich vooral kennen als -hier komt het scheldwoord- elitair.

Want het lijkt er sterk op dat hoogopgeleide kunstjournalisten en kunstbobo’s zich meer kunnen identificeren met buitenlandse, zwarte kunstenaars die doorgaans ook een goede opleiding hebben en uit de hogere middenklasse afkomstig zijn, dan met witte, Nederlandse kunstenaars met een sociaal-economische achterstandspositie, weinig netwerk en gebrekkige sociale vaardigheden. Het is de vraag of deze kunstjournalisten en kunstbobo’s hun eigen gebrekkige blik beseffen of dat ze die juist bewust in stand houden. Wat is trouwens kwalijker?

Hoe dan ook is het de hoogste tijd dat in het debat over achterstanden en de terecht oproep om die weg te werken de obsessie met huidskleur stopt en ophoudt de belangrijkste norm te zijn die bepaalt wat achterstand is. Hoewel zoals gezegd de leidende gedragscode in de kunstsector daar allang aan voorbij is gegaan. De sociaal-economische norm is belangrijker en omvangrijker en verdient het om dominant te zijn in het debat. In de praktijk zullen in veel gevallen trouwens identiteit en sociaal-economische achterstand samenvallen, zodat dit onderwerp niet uit het debat hoeft te verdwijnen. Maar het kader waarbinnen het besproken wordt verdient het om breder te zijn.

Het is niet zinvol om witte mensen in een achterstandspositie die er economisch en sociaal slecht voorstaan te verwijten dat ze lid zijn van een bevoorrechte klasse, terwijl zij of hun ouders en kinderen daar nooit van hebben geprofiteerd. Dat maakt mensen terecht opstandig en drijft ze in de armen van ultra-rechts. Als vervolgens (kunst)journalisten en kunstbobo’s de retoriek van links-radicale activisten overnemen en blijvend verkondigen, en de witte achterstandsgroepen verwijten ultra-rechtse sympathieën te hebben, dan wordt het misverstand versterkt en de kloof verder verbreed. Deze kunstjournalisten en kunstbobo’s maken zo een gevolg tot oorzaak en denken in hun dwaling zelfs dat ze het goede doen.

In het verlengde hiervan dient bij de collectievorming van musea beter beseft te worden dat kunst van witte Nederlandse kunstenaars met een lagere sociaal-economische status eveneens ondervertegenwoordigd is als kunst van andere achterstands- en minderheidsgroepen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelInteressant: alleen blanken worden gesommeerd diverser te zijn’’ in het FD, 29 januari 2021.

Raad van Toezicht van het NMVW moet zich alsnog bezinnen op de toekomst. Het oude beleid is mislukt, gedateerd en dood als een pier

Positief nieuws voor het Nationaal Museum van Wereldculturen (NMVW): algemeen directeur Stijn Schoonderwoerd vertrekt naar Nationale Opera & Ballet waar hij per 1 februari 2021 algemeen directeur wordt. Dat geeft zicht op een nieuwe koers, op een herformulering weg van het populisme en de politieke correctheid die tijdens Schoonderwoerds directoraat (2012-2021) werden doorgevoerd. Met als gevolg dat het NMVW afgelopen jaren in coma is geraakt.

De musea van het NMVW moeten weer echte musea worden waar met plezier professioneel gewerkt worden en het om de kunst gaat. Nu zijn het locaties waar het amateuristisch handelen van goedwillenden de boventoon voert. Bij een herstart moeten op belangrijke functies weer kundige museumprofessionals benoemd worden.

Schoonderwoerds vertrek geeft dus ruimte aan museumprofessionals en professioneel handelen bij het NMVW waar het de afgelopen jaren zo aan heeft ontbroken. Het NMVW moet uit de ivoren toeren afdalen en weer met de voeten in de museale modder gaan staan. Dat dit de afgelopen jaren zo slecht is doorgedrongen tot de publieke opinie is grotendeels de Nederlandse kunstjournalistiek te verwijten. Ze kunnen geweten hebben wat er aan schortte, maar hebben er geen verslag van gedaan. Of de Raad van Toezicht het inzicht, de daadkracht, de geesteshouding en de ambitie heeft om zich fundamenteel te bezinnen op een nieuwe koers is de hamvraag.

Het is onduidelijk welke constructie de Raad van Toezicht voor de toekomst als gewenst ziet. De koepelformule van vier musea, te weten Tropemmuseum, Afrika Museum, Museum Volkenkunde en Wereldmuseum (dat er losjes aan is verbonden) is topzwaar en leeghoofdig en lijkt uitgewerkt. Gewenst is een formule waarbij de vier musea autonomie hebben en vanuit hun eigen collectie autonoom tentoonstellingen kunnen maken. Dat kan dan aangestuurd worden door een locatiedirecteur of hoofdconservator.

Een teken aan de wand dat de huidige koers wordt voortgezet is de benoeming van Wayne Modest tot inhoudelijk directeur, aldus een bericht van het Tropenmuseum. Volgens Schoonderwoerd is door de benoeming van Modest de ‘continuïteit in de directie na mijn vertrek verzekerd. Ik vertrek dan ook met een gerust hart, in de wetenschap dat met Wayne als inhoudelijk directeur ons beleid wordt voortgezet.’ Hiermee verklaart Schoonderwoerd Modest tot bijwagen van zichzelf. Het is nog maar de vraag of Modest dat echt is. Schoonderwoerd heeft echter gelijk als hij beweert dat het huidige beleid eruit bestaat dat Modest en hij weinig tot niks van kunst weten. Het is bedenkelijk genoeg dat iemand met zo’n profiel inhoudelijk directeur van een kunstmuseum kan worden. Zijn profiel sluit eerder aan bij de functie van een leidinggevende  van een theoretisch-wetenschappelijk bureau als toeleverancier voor een museum.

Het is ronduit potsierlijk als Schoonderwoerd in het interview met Trouw zegt dat kunstmusea de agenda van het NMVW overnemen: ‘Met tevredenheid stel ik vast dat nu andere musea ook de thema’s overnemen die hoog op onze agenda stonden. Ook kunstmusea wijden nu volop aandacht aan ons koloniale verleden.’ Dit schouderklopje dat Schoonderwoerd zichzelf geeft is niet alleen protserig en pocherig, maar ook naast de waarheid. Als andere musea dezelfde agenda volgen wil dat niet zeggen dat dit door het NMVW is geïnitieerd. Het valt eerder te verwachten dat het op enig moment ‘in de lucht hing’ of dat er een gemeenschappelijk bron is waar het NMVW ook van heeft ‘geleend’.

Indien de voortzetting van het oude beleid uitgerekend dat is wat niet moet gebeuren en een nieuwe algemeen directeur ook niet wil dat dat gebeurt, loopt Schoonderwoerd met de tegelijk late en voortijdige benoeming van Modest zijn opvolger voor de voeten. Dat is van Schoonderwoerd niet netjes en van de Raad van Toezicht niet verstandig. De Raad van Toezicht had hier op z’n minst een bredere visie op moeten ontwikkelen en daar naar moeten handelen. Dat doet het niet. Dat baart zorgen. De Raad van Toezicht had een rustperiode moeten inlassen na Schoonderwoerds vertrek om zich te bezinnen op de toekomst. Onder meer over het optimale beleid dat niet meer bij 2012 maar bij 2021 past. Het heeft vooralsnog die kans voorbij laten gaan, maar kan dat alsnog corrigeren.

Voorstelbaar is een constructie met een algemeen/zakelijk directeur (belangenbehartiging, marketing, fondsenwerving en financiën); een directeur van het wetenschappelijk bureau en de nevenprogrammering met lezingen en publicaties ed. (Modest) en locatiehoofden voor de vier musea die in volle autonomie en met een eigen budget de kunst en de museale onderdelen (presentatie, collectie, registratie) voor hun rekening nemen.

Een bijzondere positie neemt het Wereldmuseum in. De laatste spectaculaire tentoonstelling was Powermask van conservator Alexandra van Dongen en gastconservator Walter Van Beirendonck. Zie hier voor mijn commentaar uit 2017 over deze tentoonstelling. De twee ‘Rotterdamse’ leden in de Raad van Toezicht (Patricia de Weichs de Wenne en Liane van der Linden) kunnen hun kans grijpen om te eisen dat de onder Schoonderwoerd verwaarloosde Rotterdamse signatuur van het Wereldmuseum dat in een motie in de Rotterdamse gemeenteraad als voorwaarde voor financiële steun aan de koepel is gesteld serieus wordt genomen. Het herstel van de Rotterdamse signatuur kunnen ze als eis aan de nieuwe algemeen directeur stellen. De vergroting van de autonomie van de vier afzonderlijke musea met elk een locatiedirecteur of hoofdconservator als hoofd zou dat bezwaar wegnemen.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelHet Museum van Wereldculturen voelt zich weer springlevend. ‘Anderen nemen onze agenda over’ in Trouw, 5 januari 2021.