Onderzoeken over religie zijn een methodologische warboel. Minder dan helft van Britten kruist naar verwachting ‘christelijk’ aan in Britse volkstelling

Guardian graphic. Source: British Social Attitudes Survey (1983-2018)

Vandaag wordt in delen van het Verenigd Koninkrijk een volkstelling gehouden. Het vindt om de 10 jaar plaats. Schotland volgt vanwege COVID-19 in 2022. Er wordt ook een vraag over godsdienst gesteld. De verwachting is dat een kleine meerderheid van de Britse bevolking zal aangeven niet christelijk te zijn. Bij de vorige volkstelling in 2011 gaf 57,3% aan christelijk te zijn. Uit het British Social Attitudes (BSA) onderzoek uit 2018 blijkt dat zo’n 38% van de Britten verklaart christen te zijn. Dat is eeen aanzienlijk verschil in uitkomsten dat minder lijkt te zeggen over de demografische ontwikkeling van de Britse bevolking dan over de validiteit van de bevolkingsonderzoeken.

Een artikel in The Guardian onttrekt zich niet aan de methodologische verwarring door allerlei categorieën door elkaar heen te gebruiken. Want ‘niet christelijk’ en ‘niet religieus’ zijn geen exclusieve categorieën.

Ook wordt de vraagstelling van eerdere onderzoeken naar levensovertuiging bekritiseerd omdat het de zogenaamde ‘culturele christenen’ niet onderscheidt van belijdende christenen. Volgens recente kritiek van de Britse Humanisten leidt dat tot een te rooskleuring beeld van de christelijke aanhang. Het heeft onderzoek laten verrichten waaruit blijkt dat meer dan de helft van de mensen die verklaren christen te zijn niet of minder dan een maal per jaar een kerk bezoeken. Voor andere religies ligt dat percentage op 43%.

Hoe logisch is het dat deze grote minderheden van ‘culturele gelovigen’ binnen het christendom en andere godsdiensten aangeven tot betreffende godsdienst te behoren terwijl ze de regels van die godsdiensten niet volgen? Dat roept de vraag op tot op welk punt een geloof verwaterd kan worden om nog een geloof genoemd te kunnen worden en degene die zich erdoor laat inspireren een gelovige. Dat is financieel en economisch van belang omdat uit een volkstelling aspecten over planning, bouw van kerken en stedenbouw worden afgeleid.

De bovenstaande grafiek uit het BSA onderzoek is verwarrend en vertekenend omdat het allerlei categorieën door elkaar haalt: ’niet religieus’, ’Anglicaans’, ‘ander christelijk’, ‘katholiek’ en ’niet christelijk’. Die verwarring komt altijd terug in dit soort onderzoeken, ook van het Nederlandse CBS. De grootste groep ’niet religieus’ wordt niet onderverdeeld, terwijl dat voor christenen of religieus geïnspireerden van andere godsdiensten wel gebeurt. Dat heeft als gevolg dat mensen die ’niet religieus’ zijn zich in de vraagstelling lastiger kunnen identificeren.

In een commentaar naar aanleiding van het onderzoekReligie in Nederland’ van het CBS schreef ik in december 2020: ‘Afgemeten aan het Godsbeeld gelooft dus ruwweg tegen de 70% van de Nederlanders niet ondubbelzinnig in de God van de Nederlandse religie. Er gaapt een gat van ongeveer 15% met de berekening van het CBS als het zegt dat 54% van de Nederlanders zich niet laat inspireren door religie. Met wat wordt dat gat gevuld? Met ‘culturele’ gelovigen die niet geloven? In dit onderzoek lopen allerlei categorieën, indelingen en begrippen door elkaar heen. Wat is nou de echte slotconclusie? Er valt aan deze sociologie van appels en peren met elkaar overlappende uitspraken geen touw vast te knopen. Het nadert het niveau van broddelwerk. De vraag die onderzoek en analyse van de cijfers vooral oproept is waarom het CBS geen goede methode heeft ontwikkeld om de sociologische ontwikkelingen goed te beschrijven, te onderscheiden en te duiden. Dat is het grote raadsel van dit onderzoek.’

Onzorgvuldige onderzoeken kunnen vehikels zijn om leugens te verspreiden. Vooral als het gaat over onderzoeken naar de levensovertuiging van mensen zijn de methodologische onzorgvuldigheden niet van de lucht. Dat hoeft geen moedwil te zijn van de onderzoekers, maar kan een gevolg zijn van het probleem om mensen over hun levensovertuiging een eerlijk antwoord af te dwingen. Wellicht is de ondervraagden onvoldoende uitgelegd wat de begrippen betekenen zodat ze er verschillende voorstellingen over hebben wat een geloof is. Wellicht zorgt hun cultureel conservatisme voor een maatschappelijk gewenst antwoord waarvan ze zelf weten dat het achterhaald is. Maar juist dan zou dat cijfer door statistisch onderzoek gecorrigeerd moeten worden. In zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk lijkt in statistieken over religieuze betrokkenheid en oriëntatie van mensen een vertekening van ongeveer 10 tot 15% te bestaan die de religieuze aanhang te hoog inschat.

CBS-onderzoek ‘Religie in Nederland’ is verwarrend. Het Humanistisch Verbond wordt gerekend tot ‘een andere christelijke geloofsgroep’

Het vandaag 18 december 2020 verschenen onderzoek ‘Religie In Nederland’ van het CBS naar de religieuze oriëntatie van de Nederlandse bevolking bevat weinig verrassends, maar zit vol met methodologische ruis.

De trend zet door dat een steeds groter deel van de bevolking zegt zich niet door religie te laten inspireren. Dat aandeel van ongebondenen groeit jaarlijks met 1 tot 2 procent. De cijfers gelden voor 2019 en toen verklaarde 54,1% van de Nederlanders ongebonden te zijn en zich niet tot een religieuze organisatie te rekenen. Of eigenlijk is het omgekeerd zoals uit het onderzoek blijkt als het zegt dat dat 45,9 procent van de bevolking zich in 2019 wel tot een kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke groepering rekent. Ook in dit soort statistieken worden ongebondenen beschouwd als een diapositief van gelovigen. Dat is de macht van een religieuze traditie die het onderzoek op de achtergrond stuurt. De onderzoekers lijken zich daar niet aan te kunnen onttrekken.

Onduidelijk is waarom het CBS ‘kerkelijke gezindte’ en ‘levensbeschouwelijke groepering’ als een categorie beschouwt. Met dat laatste bedoelt het 14 soorten christelijke gezindten. Opmerkelijk is dat naar de vraag naar een ‘andere christelijke gezindte’ waartoe zo’n 1,4% zich rekent ook het humanistisch verbond wordt genoemd. Is het humanistisch verbond volgens het CBS een christelijke gezindte? Zo neemt de begripsverwarring eerder toe dan af. Dat kan toch niet de opzet van dit onderzoek zijn? Het humanistisch verbond is naar eigen zeggen de officiële niet-godsdienstige levensbeschouwing in Nederland. Het is een onverklaarbare indeling van de onderzoekers om het humanistisch verbond te scharen onder de religieuze groepen. Of liever gezegd de levensbeschouwelijke groepen onder religie te scharen. Zo werkt het CBS er bewust aan mee om een deel van de bevolking dat zegt niet tot een religieuze groep te behoren in te delen bij dat deel van de bevolking dat zich rekent tot een godsdienst. Dat is dezelfde annexatie van orthodoxe christenen die het atheïsme een godsdienst noemen. Waarom doet het CBS dit? Alleen deze onregelmatigheid al doet twijfelen over de waarde van de cijfers en de serieusheid van dit onderzoek.

Het onderzoek wordt ronduit hilarisch als naar het geloof in God gevraagd wordt. Wat wordt hier bevraagd en wat kan hier eigenlijk methodisch geconcludeerd worden? Een derde van de bevolking gelooft niet in God en zo’n 24,6% gelooft zonder twijfel in God. De overige 42,2% neemt een tussenpositie in: agnost (14,8%), geloof in hogere macht (14%), twijfelend in God (7,1%) en soms wel, soms niet gelovend in God (6,3%). Interessant is dat 10% van de katholieken zegt niet in God te geloven. Wat voor geloof is dat, een katholicisme met een gat in het midden? Atheïsten (gelooft niet in God: 33,2%), agnosten  (weet niet of er een God is: 14,8%) en de niet-gelovers in God, maar wel in een hogere macht: 14%) tellen samen op tot 62% van de Nederlandse bevolking die niet in God gelooft of zegt niet te weten hoe men dat te weten moet komen. En daarbij zijn er nog de twijfelaars die soms wel en soms niet in God geloven (6,3%) of er wel in geloven, maar met twijfels (7,1%).

Afgemeten aan het Godsbeeld gelooft dus ruwweg tegen de 70% van de Nederlanders niet ondubbelzinnig in de God van de Nederlandse religie. Er gaapt een gat van ongeveer 15% met de berekening van het CBS als het zegt dat 54% van de Nederlanders zich niet laat inspireren door religie. Met wat wordt dat gat gevuld? Met ‘culturele’ gelovigen die niet geloven? In dit onderzoek lopen allerlei categorieën, indelingen en begrippen door elkaar heen. Wat is nou de echte slotconclusie? Er valt aan deze sociologie van appels en peren met elkaar overlappende uitspraken geen touw vast te knopen. Het nadert het niveau van broddelwerk. De vraag die onderzoek en analyse van de cijfers vooral oproept is waarom het CBS geen goede methode heeft ontwikkeld om de sociologische ontwikkelingen goed te beschrijven, te onderscheiden en te duiden. Dat is het grote raadsel van dit onderzoek.

Foto: Schermafbeelding van deel persberichtMeerderheid Nederlandse bevolking behoort niet tot religieuze groep’ van het CBS, 18 december 2020.

Bijlage ‘Diversiteit in de cultuursector’ bevat statistieken over herkomst waarvan de waarde en strekking discutabel zijn

Vandaag stuurde minister Van Engelshoven (OCW) haar brief ‘Uitgangspunten Cultuurbeleid 2021 – 2024’ naar de Kamer. De brief en de bijlagen zijn hier te lezen. Reacties laten nog op zich wachten. De bijlageDiversiteit in de cultuursector’ is een ‘visuele samenvatting van de meest recente cijfers en ontwikkelingen in de personele diversiteit van culturele instellingen en adviescommissies van cultuurfondsen en raden’ en bevat bovenstaand diagram. Eruit blijkt dat ‘personen met een westerse en niet-westerse migratie achtergrond’ zijn oververtegenwoordigd in bestuur en personeel in de culturele sector. Vooral westerse migranten vallen op met een drie- tot viermaal zo grote vertegenwoordiging dan statistisch zou kunnen worden verwacht. Dat wordt een positieve ontwikkeling genoemd. Is het dat wel? Niet-westerse migranten blijven met 8% licht achter.

Wat is deze statistiek waard? Wie wordt er onder ‘personen met een westerse migratie achtergrond’ verstaan? Omvat dat Duitsers, Belgen, Britten en Amerikanen die al vele jaren in Nederland wonen en eigenlijk niet beschouwd kunnen worden als migranten, laat staan buitenlanders? Denk aan de talloze directeuren van Nederlandse musea van buitenlandse herkomst die in Nederland geïntegreerd zijn en die leden van het publiek zonder voorkennis niet zal aanduiden als migrant. Hoe relevant is dit onderscheid, waarom wordt het gemaakt en in een officieel overheidsdocument opgenomen, en wat moet het ons duidelijk maken?

Daarnaast is onduidelijk wat met wat vergeleken wordt en wat de vergelijking waard is. Hoe methodologisch correct is het om een subcategorie van de beroepsbevolking van 9 of 10% groot te leggen op de cultuursector? Want de beroepsbevolking is niet volgens een perfecte afspiegeling over de afzonderlijke sectoren verdeeld. De specifieke cultuursector met relatief veel middel- en hoogopgeleid personeel is dat weer anders afwijkend in dan bij andere sectoren. Ook in de landbouwsector zullen door het aantal werkzame Polen de ‘personen met een westerse migratie achtergrond’ waarschijnlijk oververtegenwoordigd zijn. Maar wat zegt dat dan?

Wat hier aan de hand is lijkt een geval van politieke hypercorrectie. Het zijn niet de ‘personen met een westerse migratie achtergrond’ waar het om gaat, maar ‘de personen met een niet-westerse migratie achtergrond’. De westerse migranten worden er aan de haren bijgesleept vanwege de statistiek over de niet-westerse migranten. Maar de redactie van deze bijlage geeft zich bloot in het commentaar bij deze diagram als die zegt: ‘Aandachtspunten. Hoewel het aandeel personen met een niet-westerse migratieachtergrond werkzaam bij culturele instellingen toeneemt, blijft deze achter bij de verhouding in de beroepsbevolking’.

Waarom wordt dit zo scherp gepresenteerd als volgens de statistieken de ondervertegenwoordiging minimaal is en het daarnaast onduidelijk is hoe de relatie tussen ‘niet-westerse migratie’ en opleiding is die specifiek is voor de culturele sector? Zo beredeneerd is er wellicht sprake van oververtegenwoordiging van ‘niet-westerse migranten’ die middel- of hoogopgeleid zijn. Aan de 19de-eeuwse Britse staatsman Benjamin Disraeli wordt de volgende uitspraak toegeschreven: ‘Er zijn drie soorten leugens: leugens, grove leugens, en statistieken’.

Foto: Schermafbeelding van deel bijlageDiversiteit in de cultuursector’ van het ministerie van OCW over ‘Herkomst’.

Opmerkingen bij een onderzoek over identiteit. Mama Cash: ‘Vrouwen in kunst en cultuur zwaar ondervertegenwoordigd’

Mama Cash is een internationaal fonds dat feministisch activisme financiert. Het bracht op 3 februari 2019 het onderzoekThe Position of Women Artists in Four Art Disciplines in The Netherlands’ naar buiten. Zoals het onderzoek zelf zegt is er vervolgonderzoek nodig. Want methodologisch is het mager onderbouwd. Het is moedig van de samenstellers om te denken dat dit meta-onderzoek dat enkele onderzoeken samenvoegt in deze basale fase al naar buiten kan worden gebracht. Welk doel deze vroegtijdige publicatie dient is gissen.

Identiteit is een onderwerp dat media, politiek en burgers harder laat lopen. Vraagstukken over identiteit kunnen in het huidige politieke klimaat steevast op aandacht rekenen. Men hoeft niet diep in te gaan op sociaal-economische aspecten om toch in de nieuwscyclus gehoord te worden. Men kan volstaan met het aanstippen van sociaal-culturele aspecten. Zoals aanhangers van Jordan Peterson hun mannelijkheid verdedigen vanuit hun onderbuikgevoelens. In die zin is de beschrijving van een geconstateerd onrecht politiek ongevaarlijk. Een afleiding voor wezenlijke verandering. Het is de vraag of serieuze wetenschap hieraan mee moet doen. Maar toch is het goed dat het onderzoek plaatsvindt omdat de dominante, mannelijke blik vrouwen nu eenmaal discrimineert. Alleen, wat is de goede vorm om dat aan te kaarten?

Methodologisch is het opmerkelijk dat absolute en relatieve cijfers door elkaar lopen. Wat wordt er gemeten? Stel dat een kunstdiscipline 30% vrouwen telt en in de belangrijkste presentatie-instellingen van die discipline 35% worden gepresenteerd. Zegt dat dan dat de vrouwelijke kunstenaars over- of ondervertegenwoordigd zijn? Het lijkt allebei waar. Vrouwelijke kunstenaars zijn ondervertegenwoordigd in de discipline, maar oververtegenwoordigd in de presentatie-instellingen binnen die discipline. Nogmaals, wat zegt dat dan?

Uiteraard moet voor de toekomst het streven binnen de kunstsector gelijkwaardigheid en evenredigheid van vrouwelijke en mannelijke kunstenaars zijn. Naast alle andere subcategorieën die evenredig vertegenwoordigd moeten zijn (homoseksualiteit, ras, religie, etniciteit, opleiding, sociale klasse, stad/platteland). Het valt niet in te zien waarom de ene of de andere gender minder goed vertegenwoordigd zou zijn in kunstinstellingen. Maar niet in elke kunstdiscipline is hetzelfde percentage vrouwen werkzaam. In de hardrock-muziek zal dat lager zijn dan in de keramiek- of textielkunst. Het gaat dus om relatieve getallen. Wat is de nulmeting? De samenstelling van de totale bevolking in Nederland en daarbuiten, de achtergrond van de studenten aan kunstopleidingen, het lidmaatschap van een beroepsvereniging of ranglijstjes en toegekende prijzen?

De sterke aandacht voor de identiteit van de kunstenaar die alle nuances weg dreigt te bulldozeren kan tot vergissingen en misverstanden leiden. De representatie van de diverse subcategorieën die tot achter de komma moet kloppen wordt zo ingewikkeld dat het in de praktijk niet realiseerbaar is en verlammend werkt. Daarnaast moet het begrip identiteit niet heilig worden verklaard. Het is wat het woord zegt dat het is: eigenheid, individualiteit. Dat onttrekt zich deels aan een tweedeling in exclusieve categorieën die te grof is.

Een voorbeeld over musea. Het onderzoek gaat uitsluitend uit van de presentatie van vrouwelijke, mannelijke of transgender kunstenaars in de vaste opstelling of in tijdelijke tentoonstellingen. Hiermee blijven andere ‘machtsposities’ binnen het museum buiten beeld. Stel dat een vrouwelijke directeur en conservator het werk van een mannelijke kunstenaar in hun museum tonen of andersom een mannelijke staf het werk van een vrouwelijke kunstenaar toont, wat zegt dat over de mannelijke of vrouwelijke focus van betreffend museum?

Dit staat nog los van het politieke streven en de maatschappelijke opstelling van betreffende kunstenaars. Want een vrouwelijke kunstenaar kan zich vrouwonvriendelijk opstellen, en een mannelijke kunstenaar kan zich vrouwvriendelijk opstellen. Niet alle vrouwen zijn immers feministes, en niet alle feministes zijn vrouw.

Complicatie is de context waarin het werk getoond wordt. Het werk van een vrouwelijke kunstenaar kan als ’tegenvoorbeeld’ vertoond worden dat dient om een vrouwonvriendelijk betoog te onderstrepen. Op de wijze van de tentoonstelling van Entartete Kunst in München in 1937. Getuigenissen maken duidelijk dat het voor vele bezoekers een positieve kennismaking met de toenmalige hedendaagse kunst was. Ze vonden er niet de verkettering in die door het Nazi-bewind werd bedoeld, maar het omgekeerde. Zo kan omgekeerd ook het werk van een mannelijke kunstenaar getoond worden om een feministische overtuiging te onderbouwen. Hoe moet het een dan tegen het ander afgewogen worden als de subcategorieën man en vrouw tekortschieten?

Een ander bezwaar van het onderzoek is dat de focus op de maker te eenzijdig is. Door die te verbreden worden de cijfers minder plat en geïsoleerd en kunnen ze veelzeggender gemaakt worden. Er valt te denken aan een onderzoek dat veel meer data weegt en betrekt in de vergelijking. Een voorbeeld hoe dat zou kunnen werken geeft de methode om te bepalen hoe Nederlands een Nederlandse film is en wanneer die voldoet aan de voorwaarden voor financiering door de Nederlandse overheid. Dat is een weging van vele data: de achtergrond van de scenarist, de hoofdrolspelers, de producent, de financierder, de regisseur, technische functies als montage, muziek, camera en de laboratorium/postproductie. Dat blijft een methode die kritiek ondervindt, maar in elk geval minder grof is dan uitsluitend uit te gaan van de gender van de kunstenaar.

Foto: Schermafbeelding van berichtVrouwen in kunst en cultuur zwaar ondervertegenwoordigd’ van Mama Cash, 3 februari 2019.

Nieuwsuur verwoordt kritiek op sociale media. Is het onafhankelijk en open genoeg om geloofwaardig te zijn in die rol?

Nieuwsuur gaat in op een onderzoek over sociale media. Aanleiding is een boek over ‘populist political communication’ dat in juni 2016 bij Routledge verscheen met hoogleraar Claes de Vreese als medeauteur. Nieuwsuur is niet positief. In een toelichting noemt het de keerzijde van sociale media: ‘Door vooral nieuws te lezen dat past bij je eigen wereldbeeld, kun je terechtkomen in een wereld van je eigen gelijk. En als iedereen dat doet, ligt polarisatie op de loer.’ Hoe geloofwaardig is het dat Nieuwsuur als deel van de gevestigde media en vertegenwoordiger van de status quo kritisch is op media die zich keren tegen de traditionele media? Methodologisch is dit van het niveau ‘de slager keurt z’n eigen vlees’ of ‘WC-Eend beveelt WC-Eend aan’.

Nieuwsuur maakt een fout als het meent verslag te kunnen doen over politieke communicatie en (sociale) media vanuit een neutrale, onafhankelijke en ongebonden positie. Het is te nuffig en te naïef gedacht als het meent dat dat impliciet verantwoord kan worden door het bestaan van een redactiestatuut dat journalistieke onafhankelijkheid garandeert. En dient als panacee voor objectiviteit. Nieuwsuur zou dit soort kritiek beter voor zijn door de eigen positie in de verslaggeving tot uitgangspunt te maken. In plaats van de poging om die eigen positie weg te moffelen. Nieuwsuur neemt de rol van objectieve waarnemer aan, maar zou moeten beseffen dat het dat per definitie niet kan zijn omdat het onderdeel van het systeem is. Zelfs als het zich daar tegen verzet en er afstand van wenst te nemen is het ondanks zichzelf nog een verdediger van de status quo.

Nieuwsuur dient extra voorzichtig te zijn met kritiek op sociale media. Des te meer omdat het in dit item vooral de negatieve kanten ervan benadrukt. Weliswaar zegt het dat ‘de toename van nieuwsconsumptie via sociale media samengaat met een laag vertrouwen in de ‘traditionele’ media en tweederde van de Nederlandse bevolking weinig of geen vertrouwen in de pers heeft, zoals uit recente cijfers van het CBS blijkt’. Maar het gaat er  vervolgens niet op in waarom dat vertrouwen in de traditionele media laag is en geeft ruimschoots baan aan kritiek op en tekortkomingen van sociale media. Nieuwsuur vergeet het verband te noemen dat bestaat tussen het wantrouwen in de traditionele media en het vertrouwen in de sociale media.

Kritiek van traditionele media op sociale media is gemakzuchtig als het niet tegelijk de eigen tekortkomingen noemt. Kijkers maken de afweging tussen een en ander. Dat soort kritiek geeft een onvolledig beeld van het functioneren van traditionele media als media als Nieuwsuur menen de eigen tekortkomingen buiten beeld te kunnen houden in de mening dat kijkers dat niet beseffen. Het aanschurken tegen de politieke macht en de afhankelijkheid van economische macht is nu eenmaal een onlosmakelijk onderdeel van traditionele media.

In de video gaan Mike Papantonio en Cliff Schechter in op de Amerikaanse situatie van corporate media die gestuurd worden door het bedrijfsleven. Zodat onrecht en wantoestanden die door onderzoeksjournalisten zijn uitgezocht door deze media niet genoemd worden omdat dat niet in het belang van de bedrijven is die de media bezitten. Ze verhinderen dat met hun economische macht. Zover is het gelukkig nog niet in Nederland. Maar Nederland moet wel alert blijven dat deze situatie niet ontstaat. Want Nederland is er niet per definitie onschendbaar voor. Een eerste stap om dat te verhinderen of dat proces te vertragen is de bewustwording bij de traditionele media dat de eigen positie verre van ongebonden is. Om broadcasting zolang mogelijk in stand te houden en een zo breed mogelijk publiek te binden lijkt het een betere strategie om hierover transparant te zijn en niet net te doen alsof traditionele media vanuit een volstrekt neutrale, onafhankelijke en ongebonden positie handelen. Deze valse pretentie jaagt het publiek nog sneller weg naar sociale media.

De Grauwe mengt zich in politieke strijd tegen NV-A. Dom?

De gezaghebbende Vlaamse econoom Paul De Grauwe meent dat België economisch niet beter wordt van staatshervormingen. Vertaald naar de partijpolitiek wil dit zeggen dat De Grauwe de decentralisering die de N-VA van Bart de Wever voorstaat afwijst. En de partijen omarmt die tegen overheveling van bevoegdheden vanuit het landelijk niveau zijn. Hij legt het uit in De Tijd dat ter promotie ook het filmpje van hem maakte.

Voor het schoolbord vergelijkt Paul De Grauwe de ontwikkeling van de Vlaamse met die van de Waalse economie. Zijn conclusie is dat de realisatie van groei van de Vlaamse economie faliekant is mislukt. De gematigde Vlaamsgezinde en econoom Peter De Roover maakt in Doorbraak gehakt van de economische ‘analyse’ van De Grauwe die naar zijn idee methodologisch niet klopt. Zo beantwoordt De Grauwe niet de vraag hoe het de Vlaamse en Waalse economie vergaan zou zijn zonder staatshervorming. En vergelijkt-ie beide economieën alleen met elkaar, maar niet met de ontwikkeling van andere gelijksoortgelijke regio’s.

De Roover plaatst De Grauwe via een omweg in het kamp van federalist Guy Verhofstadt van de liberale Open VLD. Hij meent dat het interview in De Tijd -wat veel publiciteit genereert- wordt geplaatst naar aanleiding van het verschijnen van de bundel ‘Een beter België‘ van Verhofstadt met een bijdrage van De Grauwe: ‘Het boek is dan ook minder een pro-VLD-werkstuk dan één tegen N-VA. Dat project ligt in het verlengde van het grote doel – meer Vlaamse autonomie verhinderen – waarin De Grauwe en Sinardet zich uiteraard wel vinden. Mooi voor de zuiverheid van het debat dat ze zich nu echt expliciet outen als politieke activisten.

Peter De Roover heeft gelijk dat Paul De Grauwe z’n wetenschappelijke status te grabbel gooit. Het lijkt er sterk op dat de Vlaamse middenpartijen alle middelen inzetten om Bart De Wever te stoppen. Da’s toegestaan, maar jammer is dat De Grauwe er z’n wetenschappelijke integriteit voor inlevert met een suffe goocheltruc met grafieken op een schoolbord. Het lijkt nergens op. De Roover wijst in de laatste alinea’s in zijn stuk voor Doorbraak De Grauwe er nog eens extra op dat halfslachtige economische hervormingen niemand dienen. Maar ook dat past niet in het dualisme van Paul De Grauwe die wetenschap met politiek activisme verwart.

leen-voet-ma-1

Foto: Leen Voet, Machteld & Adolf, 1302. Tekening, 2013.

De ontvoering van Europa. Wat zeggen de statistieken?

00106901

Statistieken liegen en statistieken over de EU liegen een mooie waarheid. De cijfers kloppen, maar waarop zijn ze het antwoord? Da’s afhankelijk van benadering en omschrijving. Er zijn vele waarheden te vertellen. Neem nou het bericht op internetsite Nu.nl met de kop ‘Meer Nederlanders voelen zich Europeaan‘. Dat percentage zou in 2012 van 60 naar 67% gestegen zijn. Wat zegt het? Europarlementariër voor D66 Marietje Schaake pikt het eruit en zet het op twitterNu.nl baseert zich op een nationaal rapport over Nederland uit najaar 2012 van de Europese Commissie dat focust op de publieke opinie. De Eurobarometer bevat tientallen statistieken.

Het rapport laat de begrippen ‘Europeaan‘, ‘Europees burger‘ en ‘burger van de Europese Unie‘ door elkaar lopen. Vraag is of dat in het onderzoek ook zo was. In de beschrijving komt dat in elk geval tot uiting. Da’s verwarrend en methodologisch onbegrijpelijk. Het zijn immers drie totaal verschillende begrippen die het rapport voor elkaar inwisselt. Want iemand kan zich verbonden voelen met de Europese cultuur, geschiedenis en waarden zonder veel affiniteit met de Europese Unie te hebben. Door de opmars van China of de politiek van de VS kan dat aloude idee van Europa versterkt worden. Onduidelijk blijft daarom naar wat gevraagd werd.

Burgers van de 27 lidstaten van de EU maken zich zorgen over de economie. Van de Nederlanders beoordeelt 58% deze als ‘slecht’. Ze zien de economische situatie, gezondheid en sociale verzekering, en werkloosheid als de grootste problemen. Zo’n 61% schat in dat het ergste nog moet komen. De trend in de beeldvorming bij de burgers van de EU-lidstaten is sinds 2006 sterk verslechterd. Toen dacht 50% positief en 15% negatief over de EU. In herfst 2012 was dat in evenwicht rond de 30% positief en negatief. Afgenomen vertrouwen van 20%.

Waarom stond betreffend deelonderzoek centraal op Nu.nl? Met een kop die een positief beeld van ‘Europa’ geeft. En het afgenomen vertrouwen in EU, economie en euro op het tweede plan zet. Was dit uit de tientallen statistieken van de Eurobarometer die vandaag gepubliceerd werden een representatief bericht? Van de Nederlanders heeft 42% wel en 44% geen vertrouwen in internet. Statistieken, je kunt er alle kanten mee op.

Foto: Rembrandt, De ontvoering van Europa, 1632. Collectie: The J. Paul Getty Museum.