George Knight

Debat tussen links en rechts

Posts Tagged ‘New York

Petitie om Thérèse Dreaming van Balthus te verwijderen uit The Met. De nieuwe truttigheid rukt op en neemt kunst op de korrel

leave a comment »

De bewustwording over grensoverschrijdend seksueel gedrag is in opmars. De actie MeToo heeft zijn weerslag in vele landen. Dat is een goede zaak. Maar minder positief is dat in het kielzog de nieuwe truttigheid oprukt.

Een voorbeeld ervan is de New Yorkse ondernemer Mia Merrill. Ze is een petitie gestart om het schilderij Thérèse Dreaming (1938) van Balthus in het Metropolitan Museum of Art te verwijderen of het anders te presenteren. Merrill was ‘geschokt toen ze een schilderij zag dat een jong meisje in een seksueel suggestieve pose voorstelt’. Het Museum weigert volgens een artikel in de Huffington Post om het werk te verwijderen.

De National Coalition Against Censorship gaf gisteren een verklaring waarin het zich verzet tegen Merrill oproep die het als censuur ziet. Het bespeurt een tendens: ‘Recente gevallen van censuur, inclusief de bedreigingen met geweld die het Guggenheim Museum in New York ertoe dwongen verschillende objecten te verwijderen, onthullen een verontrustende trend van pogingen om kunst te onderdrukken die zich bezighoudt met moeilijke onderwerpen. Kunst kan vaak inzicht bieden in moeilijke realiteiten en verdient daarom een krachtige verdediging. NCAC juicht het toe dat The Met weigert te buigen voor zijn critici. We zullen culturele instellingen blijven ondersteunen die het mogelijk maken dat het publiek zelf nadenkt over wat ‘aanstootgevend’ is.’ Zo is het. Kunst in openbare collecties moet om welke reden dan ook niet het mikpunt worden van moralisten of politieke scherpslijpers. Het onderdrukken of wegdrukken van kunst is ongewenst.

Foto: Thérèse Dreaming (1938), Balthus (Balthasar Klossowski). Olieverf op doek. Collectie: Metropolitan Museum of Art. 

Advertenties

Religieuze organisaties bagatelliseren het verband tussen islamitische terrorisme en de islam. En ze sluiten anderen buiten

with one comment

Het is een wetmatigheid. Na een terroristische aanslag waarbij de daders zich op de islam beroepen, moslim zijn en ‘Allah Akbar’ roepen, komen islamitische lobbygroepen in actie om het verband met de islam zo klein mogelijk te doen lijken. Het is begrijpelijk, maar ook naïef. Iedereen neemt graag afstand van de rotte appels in de eigen mand, maar om te zeggen dat de appels niet in de mand zitten is in strijd met de werkelijkheid. Terroristen die zich op de islam beroepen zijn wel degelijk onderdeel van de islamitische gemeenschap.

Islamitische lobbygroepen zouden minder onwaarachtig moeten reageren. Dat zou hun geloofwaardigheid dienen. Waarom zeggen ze niet dat de terroristen een onderdeel van de islam zijn, ze het gebruik van geweld afwijzen en hard werken aan veranderingen die de voorwaarden voor islamitische geweld verminderen?

Een andere wetmatigheid is dat andere religieuze leiders zo’n terroristische aanslag in hun voordeel proberen bij te buigen. Uit marketingoverwegingen creëren ze voor de versteviging van de eigen religieuze organisatie een tegenstelling tussen gelovigen en ongebonden. Want doden in naam van een religie kan onderhand als een belangrijk negatief bijverschijnsel van religie opgevat worden. Illustratief is de verklaring van de New Yorkse katholieke kardinaal Timothy Dolan, zoals blijkt uit een bericht in Newsweek. ’Nogmaals, ongeacht onze religie, ras of etnische achtergrond, of politieke overtuigingen, we moeten onze verschillen opzij zetten en samenkomen in geloof en liefde om degenen die gewond zijn te steunen, te bidden voor degenen die dood zijn, evenals hun families en geliefden.’ Hoezo moeten ‘we’ samenkomen in geloof? Dat sluit ongebonden uit en is ongelukkig. Eigenlijk is het nog erger, welbeschouwd is het schaamteloos en onbehouwen wat kardinaal Dolan zegt. Hij grijpt een terroristische aanslag die in naam van religie doodt aan voor de expansie van religie.

Foto: Schermafbeelding van tweet met reactie, 31 oktober 2017.

Het gras is groen, de lucht is blauw en de museumsector is behoudend. Joep van Lieshout, het Louvre en ‘Domestikator’

with 3 comments

Moet er nog aandacht besteed worden aan de afwijzing door het Louvre bij monde van directeur Jean-Luc Martinez van de 13-meter hoge architectonische sculptuur ‘Domestikator’ (2015) van het in Rotterdam gevestigde Atelier van Lieshout? Het nieuws zingt al dagen rond op (sociale) media en heeft intussen ook het algemene nieuws bereikt. Want de afwijzing zou met seks te maken hebben. Dat moet gemeld worden. Pikant!

Het werk zou geplaatst worden op een buitenpresentatie in de tuinen van de Tuileries in het programma Hors les Murs (‘buiten de muren’). Leidt het schieten voor het Parijse open doel niet tot makkelijk scoren voor Joep van Lieshout? Media struikelen over elkaar heen om zijn verontwaardiging over de museumsector breed uit te meten. Die zou gaan voor bezoekcijfers en marketing, en blinkt uit in behoudzucht. Niet dat hij ongelijk heeft, integendeel, het is goed dat hij het opmerkt. Maar dit is hetzelfde soort nieuws als een media-offensiefje dat vertelt dat het gras groen is of de lucht blauw. The Huffington Post zet in een artikel de details op een rijtje.

In de meeste berichten wordt in navolging van een artikel in The New York Times van 2 oktober 2017 dat een terloopse vergelijking maakt met het Guggenheim Museum deze vergelijking overgenomen. Na politieke druk van dierenactivisten werden daar drie werken terugtrokken van een China-tentoonstelling. Uit een verklaring blijkt dat het Guggenheim Museum dit met tegenzin deed en onthutst is dat het zover moest komen: ‘As an arts institution committed to presenting a multiplicity of voices, we are dismayed that we must withhold works of art.’ Dit blog besteedde er op 26 september in een commentaar aandacht aan en verwees naar Jan Fabre. In de kwestie ‘Domestikator’ neemt het Louvre echter een andere positie in dan het Guggenheim Museum in de kwestie van het dierenactivisme in verband met de gewraakte werken op de tentoonstelling Art and China after 1989: Theater of the World. Het Louvre buigt pro-actief en het Guggenheim pas na dreigementen.

Dat Joep van Lieshout tot deel van een slechte wedstrijd is gemaakt valt hem niet te verwijten. Hij heeft het niet opgezocht. Maar zijn reactie leidt ontegensprekelijk tot marketing voor eigen merk. Er is geen ontkomen aan. Zo wordt via een omweg Joep van Lieshout ingesloten in het circuit dat hij bekritiseert. Dat geldt niet alleen voor integere kunstenaars als Van Lieshout, maar ook voor goedwillende musea die zich onttrekken willen aan de terreur van de markt en de gunst van het publiek. Maar ook zij lopen tegen hun grenzen aan.

Foto: ‘Domestikator’ van Atelier van Lieshout op de Ruhrtriennale in Bochum, Duitsland, 2015.

Tentoonstelling Guggenheim trekt aandacht door kritiek op video met honden die elkaar niet aan kunnen raken. Protest = marketing

with 7 comments

Het Guggenheim Museum in New York ligt onder vuur door de videoDogs That Cannot Touch Each Other’ (2003) van Peng Yu en Sun Yuan op de tentoonstellingArt and China after 1989: Theater of the World’ die op 6 oktober opengaat. Er is Chinese hedendaagse kunst te zien uit de periode 1989-2008. Of het de marketing van het Guggenheim Museum is of het protest van dierenactivisten, de tentoonstelling trekt al veel publiciteit.

De reacties doen denken aan wat Jan Fabre overkwam met werk dat was gebaseerd op Dali Atomicus (1948) van Philippe Hartman en Salvador Dali. Katten zouden door hem mishandeld zijn bij een opname door een Franse ploeg voor een film over hem. Een onterechte beschuldiging. De fractie van de PVV stelde in juni 2016 in de Brabantse Staten vragen over Fabre en probeerde hem af te beelden als een kunstenaar met ‘een zeer dubieuze reputatie als het gaat om dierenwelzijn’. In een commentaar omschreef ik dat toen zo: ‘Behalve Jan Fabre kregen afgelopen jaren ook Hermann Nitsch en Damien Hirst op oneigenlijke gronden kritiek van politieke activisten die zich presenteren als dierenactivisten. Ze zouden zich dienen te beperken tot waar het om gaat: dierenrechten. Dat is een goed doel, maar de PVV maakt het breder dan het is door Fabre een ‘narcistische dierenbeul‘ te noemen. Voor die kwalificatie bestaat geen enkel bewijs. Dan wordt de kritiek onzuiver en ongeloofwaardig. Met de politisering van hun rechten door de PVV hebben dieren niks te winnen.’

In een ander commentaar over een haatcampagne tegen Jan Fabre concludeerde ik dat het niet alleen tegen Fabre of voor het dierenwelzijn ging, maar vooral tegen de kunst: ‘Tegenwoordig is de geringste verwijzing naar kinder- of dierenmishandeling in de eigen omgeving al voldoende voor massale mobilisatie. Sterk aangejaagd door sociale media die telkens uitkomen bij verontwaardiging. Het besef van gebrek aan zeggenschap over grote problemen eindigt zo in extra gevoeligheid voor het kleine. In een vlucht naar de wereld van de onschuld. De campagne tegen Fabre doet denken aan de rancune van de VVD en PVV tegen de kunst. Da’s op zijn beurt het kleine van de politiek.’ Deze geschiedenis herhaalt zich weer eens in New York.

Foto: Still uit video ‘Dogs That Cannot Touch Each Other’ (2003) van Peng Yu en Sun Yuan.

Controverse rond ‘Julius Caesar’ van Public Theater in New York met een evenbeeld van Trump die op toneel wordt vermoord

with 4 comments

Theaterproductie ‘Julius Caesar’ van regisseur Oskar Eustis door the Public Theater in New York moet het sinds afgelopen weekend doen met twee sponsors minder. Delta en Bank of America trokken zich als sponsor terug om politieke redenen. Aanleiding is dat een evenbeeld van Donald Trump met messteken om het leven wordt gebracht in de slotscène van Shakespeare’s tragedie. De voorstelling is onderdeel van de jaarlijkse Shakespeare in the Park serie in het Delacorte Theater in Central Park. Deze sponsoractie trekt veel publiciteit.

De enscenering roept drie vragen op. Namelijk in hoeverre een klassiek stuk bewerkt en geactualiseerd kan worden. Daar zijn eigenlijk nog nauwelijks grenzen aan te stellen. Alles is mogelijk en verdedigbaar als de geest van het stuk wordt gerespecteerd. In de toelichting zegt het Public Theater dat het stuk gaat over de broosheid van de democratie: ‘The Institutions that we have grown up with, that we have inherited from the struggle of many generations of our ancestors, can be swept away in no time at all.’ Gezien zijn optreden tot nu toe is het goed verdedigbaar om te zeggen dat president Trump de snoodaard is die de democratie weg wil vagen. Zoals de historische Julius Caesar als dictator rond 48 voor Christus de Romeinen alle rechten ontnam.

Het terugtreden van beide sponsors toont de kwetsbaarheid van de Amerikaanse culturele sector. Die is grotendeels afhankelijk van het grote geld van bedrijven. Hoewel veel culturele instellingen eigen vermogen hebben en min of meer onafhankelijk kunnen opereren. Maar ze blijven afhankelijk van schenkingen door schenkers die hun eisen stellen. Zolang alles binnen de normen van de gevestigde orde blijft is er niets aan de hand. Dit heeft twee bij-effecten. Instellingen worden om economische omstandigheden gedwongen binnen die normen van de gevestigde orde te blijven of er niet te ver van af te wijken. Op straffe van uitsluiting. Dat is een preventief effect dat leidt tot het vermijden van te radicale politieke stellingname. Zeker voor grotere instellingen. Als ze dat niet doen, dan worden ze gekort en dreigt uitsluiting en publicitaire tegenwind.

Een reactie van Bank of America reduceert kunst tot iets dat niet gevaarlijk mag zijn en moet inschikken. Die getemd is en zich als getemd moet gedragen. Volgens een bericht van RawStory heeft deze financiële instelling in een reactie gezegd waarom het zich als sponsor heeft teruggetrokken. Namelijk omdat de productie was bedoeld om te provoceren en aanstoot te geven (‘intended to provoke and offend’). Maar laat dat nou exact de functie van kunst zijn. Aan bedrijven die vele doelgroepen en belangen willen representeren zonder aanstoot te geven is dat uiteraard niet besteed. Begrijpelijk, maar dat toont tegelijk de onmogelijkheid van bedrijfssponsoring aan. Trumps zoon Don jr tweette hierover het volgende ‘Serious question, when does ‘art’ become political speech & does that change things?’. De antwoord op deze vraag is er afhankelijk van hoe men kunst inschat en wil zien. Als ongevaarlijk en een vehikel voor bedrijfsbelangen of als iets dat kan bijten, op scherp zet en zich niet laat temmen? En al helemaal niet door een president als Donald Trump die zelf de ene na de andere dolkstoot toebrengt aan de Amerikaanse democratie en democratische instituties.

‘Chess Match No. 5’ is gebaseerd op interviews met John Cage. Hoe actueel kan het zijn?

leave a comment »

Tot 2 april loopt het stuk Chess Match No. 5 van SITI Company in de de Abingdon Theatre Company in New York. Een wereldpremière. Zoals Chrysler Ford en John Sherer voor Hyperallergic uitleggen is het gebaseerd op interviews met componist John Cage. Ze framen het als ‘traditionele avant-garde’ in de geest van Samuel Beckett en Eugène Ionesco. Ook het theater van de absurditeit is geschiedenis geworden en wordt ‘hernomen’.

De vraag die Ford en Sherer stellen is hoe relevant dit nog kan zijn. Daarbij gaan ze uit van Cage als klassiek componist die ze afzetten tegen Arvo Pärt en John Adams. Maar Cage is meer dan dat. Ook beeldende kunst en Fluxus. Of een intermediair die disciplines verbindt. Beredeneerd vanuit de toneelpraktijk lijkt hun kritiek wat aan de zware kant. Want de lat voor repertoiretoneel van Ibsen, Tsjechov of Shaw of vertegenwoordigers van de traditionele avant-garde zoals Pinter, Ionesco, Jarry of Beckett wordt doorgaans niet zo hoog gelegd.

De vraag naar de relevantie van John Cage en Chess Match No. 5 is de vraag naar de relevantie van 19de of 20e eeuws repertoiretoneel waarbij de tekst centraal staat. Dat maakt het stuk via een omweg actueel. Vriend van John Cage en Franse kunstenaar Marcel Duchamp was een sterke schaker en vertelt over zijn fascinatie:

Een verslag van het Piet Zwart Instituut met misverstanden: ‘Vrije kunst en het niet bestaande normaal van Mark Rutte…’

with 9 comments

Allerlei begrippen duikelen in een verslag van het Piet Zwart Instituut in Rotterdam over elkaar heen en worden vermengd. Het betreft het tijdens een symposium gepresenteerde project ‘The Art of Looking’. Maar onderdrukking is nog geen racisme, evenmin als culturele hegemonie onderdrukking is. Dat is jammer want het onderwerp van de suprematie van de leidende culturele groep binnen een samenleving en de doorwerking daarvan in de kunstsector is belangwekkend genoeg om het op academies hoog op de agenda te zetten. Dan echter wel met fijnzinnigheid en zonder makkelijke oordelen. Liever vanuit de bewustwording van studenten, dan vanuit een politieke strijd die vanuit Amerikaanse universiteiten naar Nederland wordt geëxporteerd om aan de Noordzee dunnetjes over te worden gedaan. Ter rechtvaardiging kan opgemerkt worden dat een academie geen universiteit met wetenschappelijke pretentie is. Dat is de valkuil om gemakzuchtig in te vallen.

De kwestie Dana Schutz en de Whitney Biennial is er een duidelijk voorbeeld hoe politieke correctheid de Amerikaanse kunstwereld in haar greep kan krijgen. Daar kunnen Nederlandse kunstacademies beter niet in meegaan, hoewel het risico bestaat dat dat onder leiding van buitenlandse (gast)docenten met een niet perfect beeld van de Nederlandse samenleving toch gebeurt. Nederland is echter geen VS, en het verschil in positie van Amerikaanse etnische minderheden is onvergelijkbaar met die van Nederlandse etnische minderheden.

Het verslag verwijst naar premier Mark Rutte en zijn brief over hufterigheid van 22 januari 2017 die stelt dat gewone Nederlanders geen racisten zijn. Erin zei hij: ‘We voelen een groeiend ongemak wanneer mensen onze vrijheid misbruiken om hier de boel te verstieren, terwijl ze juist naar ons land zijn gekomen voor die vrijheid. Mensen die zich niet willen aanpassen, afgeven op onze gewoontes en onze waarden afwijzen. Die homo’s lastigvallen, vrouwen in korte rokjes uitjouwen of gewone Nederlanders uitmaken voor racisten. Ik begrijp heel goed dat mensen denken: als je ons land zo fundamenteel afwijst, heb ik liever dat je weggaat.’ De brief kreeg kritiek, ook op dit blog, maar erin zegt Rutte niet dat gewone Nederlanders geen racisten kunnen zijn. Hij wijst de beschuldiging van de hand dat ze racisten genoemd worden omdat ze voor zichzelf opkomen.

Het verslag eindigt als volgt: ‘Wie is normaal? Mensen zijn verschillend, er bestaat geen normaal. Ook niet in art making.’ Het is te makkelijk om te zeggen dat er in de politiek geen normaal bestaat. Want het gaat niet over psychologisering van individuen, maar over individuen die met elkaar de samenleving vormen en politiek bedrijven. Het jaar van de Brexit, de verkiezing van Trump, beschuldigingen van de Turkse president Erdogan aan Europa, en de Russische inmenging in verkiezingen in de VS en Europa heeft de ‘normale’ politiek behoorlijk door elkaar geschud. Dat speelt zich niet af op het niveau van verschil in beleid tussen politieke partijen, maar op een filosofisch niveau dat waarheid, objectieve journalistiek en feiten ter discussie stelt.

Het normaal is in de opvatting van Rutte en andere westerse politici niet het verkiezen van liberalisme boven conservatisme, socialisme of andere politieke stromingen, maar de keuze voor de zogenaamde liberale democratie waarin politieke partijen hun machtsstrijd uitvechten zonder dat het politieke systeem zelf te discussie wordt gesteld. Omdat Rutte dit in de gewraakte brief halfslachtig toelichtte wachtte hem de terechte kritiek dat hij te weinig afstand nam van het populisme. Rutte’s fout was niet dat hij namens de VVD een verkeerd standpunt innam, maar vanuit opportunisme niet voldoende afgrensde wat hij principieel afwees.

Foto: Deel van verslag ‘Vrije kunst en het niet bestaande normaal van Mark Rutte…’ van Jos van Nierop, 30 maart 2017.