Gedachten bij een foto van Hotel des Galeries in Batavia (1932-1934)

Hotel des Saleries (wohl 1920/1930) (vielleicht in den Niederlanden)’. Collectie: Deutsche Fotothek.

Links op het reclamebord staat te lezen ‘Sterkt u met biocitin‘. De naam van het complex staat verticaal op de rechtertoren: ‘Hotel des Galeries’. Het is begrijpelijk dat de Deutsche Fotothek vermoedt dat het hier om een locatie in Nederland gaat, maar toch in verwarring wordt gebracht. Men vraagt: ‘Eine topografische Bestimmung des Aufnahmeortes war bisher nicht möglich. Wissen Sie mehr? Bitte Email an: fotothek@slub-dresden.de‘.

Welnu, het is vrij simpel voor wie de architectuur weet te plaatsen. Het gaat om het Harmonieplein in de toenmalige hoofdstad Batavia in Nederlands-Indië. De site Lost Jakarta zegt over deze luchtfoto het volgende (‘vertaald’): ‘Rechts vooraan Hotel des Galeries waar we ligstoelen op het terras op de eerste verdieping zien. Dit gebouw bestaat nog steeds gedeeltelijk, maar is helaas onherkenbaar veranderd’. In 2015 had de buitenkant van het hernoemde Hotel Melati een oranje kleurtje gekregen. Zie hier voor meer informatie over Hotel des Galeries.

Aerial view of Harmonieplein in 1935 (Batavia of ‘Lost Jakarta‘).

De site ‘Indischhistorisch.nl‘ zegt over dit hotel:’Hotel des Galeries (voorheen Wisse en Ernstbevond zich op de hoek Molenvliet/Noordwijk en was in 1930 ontworpen door het in Nederlands-Indië bekende architectenbureau A. Hulswit, Fermont & Ed. Cuypers‘. Met Eduard Cuypers als sterarchitect die met zijn architectuur in de vergetelheid zou zijn geraakt, zo beweert de monografieLandmarks from a Bygone Era‘ van Obbe H. Norbruis. De uitvoerend architect was A. Dikstaal die het hotel bouwt in een modernistische stijl. In 1932 werd het toenmalige Hotel Wisse gesloopt en vervangen door het Hotel des Galeries dat al in 1934 door de economische crisis failliet gaat.

Het zijn mijlpalen van de voorbije, goeie ouwe tijd, van tempo doeloe. Nu foto’s en herinneringen.

Kritiek op verwijdering van werk van Peter Struycken in Centraal Museum. Pleidooi voor compensatie

De reportage van Claas Hille voor Kunstforum Utrecht gaat ook over de integriteit van de besluitvorming over kunst in de openbare ruimte. Daar zet hij naar mijn idee terecht en op een overtuigende wijze vragen bij. Dat raakt aan het al vaker geconstateerde feit dat vele besturen of commissies ed. in de kunstsector kwalitatief ondermaats zijn en procedures niet respecteren.

Over de verwijdering van het werk van Peter Struycken in het Centraal Museum (CM) heb ik gemengde gevoelens. Vanaf het begin toen het in 1987 aan de muur van de stallen geplaatst werd heb ik het een slecht werk gevonden. Ik had liever gezien dat het er niet geplaatst werd omdat ik niet vond dat het iets aan de omgeving, de stallen of de tuin toevoegde. Er zelfs afbreuk aan deed omdat het er niet bij aansloot en de sfeer van de omgeving niet goed ‘las’.

Tegen de buitengevel is een kleurig patroon van geometrische platen van Peter Struycken gezet‘. In: De Architect (1987).

Ik vond het werk niet goed, niet mooi en te veel geknutsel. Niet monumentaal, maar voorbijgaand. Zo buitenissig is het dus niet dat het verwijderd is.

Maar de procedure over de verwijdering van Struyckens werk in het CM in de commissie ABKV en de communicatie naar de kunstenaar door het CM is beschamend. Het is een graad erger dan het niet verdienen van de schoonheidsprijs.

Zo behoort men niet met kunstenaars om te gaan. Vooral een kunstmuseum niet. Een museumdirecteur behoort kunstenaars in de watten te leggen en alle moeite te doen om ze tegemoet te komen. Daar is een kunstmuseum voor bedoeld. Die omgang behoort in het DNA van een kunstmuseum te zitten. Anders begrijpt een directie niet waarmee het bezig is.

Een historische complicatie is overigens dat de constructie in 1987 in opdracht van de gemeente Utrecht is aangebracht. Sinds 2013 is het CM verzelfstandigd en geen dienst van de gemeente Utrecht meer. Het is de vraag of hiermee de bevoegdheid van de opdrachtgever volledig is verdwenen en of deze geraadpleegd is bij de verwijdering.

Reliëf geeft de verbouwing van de voormalige stallen inclusief een aula door architect Mart van Schijndel die zich bij een dreigende renovatie of sloop hiervan beriep op zijn intellectueel eigendom. Dat leidde tot een rechtszaak die Van Schijndel verloor. In de aula is overigens ook een werk van Rob Scholte geïntegreerd. Wat is het verschil tussen een architect en een monumentaal kunstenaar die in de openbare ruimte werkt in het beroep doen op dat intellectueel eigendom? Ofwel, wat was de juridische positie van Struycken volgens Artikel 25 van de Auteurswet?

Het CM heeft iets goed te maken. Ik ben van mening dat Bart Rutten, de huidige artistieke directeur van het CM in actie moet komen voor wat zijn instelling Peter Struycken heeft aangedaan.

Dit alles is voor Ruttens tijd gebeurd en hij is door deze kwestie niet belast en kan dus zonder last en ruggespraak handelen.

Het is ongewenst en ongelukkig dat een gerespecteerd museum in de communicatie met zowel een kunstenaar als een commissie als de ABKV aantoonbare leugens verkoopt. Ook dat moet in de beeldvorming hersteld worden. Zeker nu het eenmaal op straat ligt. Struycken dient op enigerlei wijze door het CM tegemoet gekomen te worden. Hoe, dat kunnen Rutten en Struycken in onderling overleg overeenkomen. Liefst zo snel mogelijk.

Gedachte bij de foto ‘Juliana ziekenhuis; droger, mand’ (1955)

Juliana ziekenhuis; droger, mand. Terneuzen, Juli 1955. Collectie: Beeldbank Zeeland.

Hier worden terloops functionalisme en het nieuwe bouwen uitgebeeld. Een glimlachende en naar de fotograaf kijkende medewerkster is aan het werk in een wasruimte van het Julianaziekenhuis in Terneuzen.

Opgeleverd in 1955 was het een prachtig, weliswaar laat voorbeeld van dat nieuwe bouwen met transparantie, ruimte. licht en lucht. De tegelvloer wijst op strakke hygiëne. De witte wasmachine schittert als het nieuwste van het nieuwste. Verstilling en evenwicht zijn de kenmerken. Pronkerigheid en gewichtigdoenerij zijn afwezig. Eenvoud is de elegantie. De verdienste is om niet meer te lijken dan het is. Een tegenwoordig ondergewaardeerd beginsel dat niet eens meer begrepen wordt. De architect ervan was J.P. Kloos. In 1989 werd het ziekenhuis afgebroken.

In een publicatie van Eva Wijdeveld over ziekenhuizen in de wederopbouw (1940-1965) citeert zij Kloos: ‘Zo zal de architect de verantwoordelijkheid dragen voor de ruimtelijke conceptie, voor de hoofdstructuur, voor de vele van de verdere geledingen tot in de kleinste details en bovendien voor de sfeer, die het huis ademt door ruimtelijke verhoudingen, door vorm en door kleur.’

Opbouw en afbraak geven het opkomen en verdwijnen van het optimisme weer. De naoorlogse wederopbouw vertaalde zich in optimisme, werkzin, trots en hoop op een betere toekomst. Gemeenschapszin was daar de onderliggende kracht van. De schaduwzijde was het verdwijnen daarvan. In 1990 brak het ik-tijdperk aan.

Als we hier 65 jaar later naar kijken, dan zien we tegelijk moderniteit en nostalgie. Verbazing over een prachtig voorbeeld van architectuur en de verzuchting waarom het niet meer bestaat. Er valt weinig meer aan toe te voegen. De combinatie van voorbijgegane hedendaagsheid en verlangen komt niet vaak voor. Vraag is in welke tijd het past. Ik blijf het antwoord schuldig. Met een mening pronken past slecht bij dit onderwerp.

Evides dreigt op locatie Kralingen kunstwerk van André Volten te verwijderen en architectuur van Wim Quist aan te tasten

Schermafbeelding van deel artikelEnsemble Wim Quist verminkt, kunstwerk André Volten verwijderd?’ van Kees van der Hoeven op architectenweb, 12 mei 2021.

In een overtuigend artikel op architectenweb gaat architect Kees van der Hoeven in op een kwestie die speelt rond het Rotterdamse drinkwaterleidingcomplex Kralingen. Volgens hem dreigt een kunstwerk van de gerenommeerde beeldhouwer André Volten te veranderen in een parkeerplaats en dreigt een gebouw van de even gerenommeerde architect Wim Quist aangetast te worden door aanbouw die de toets der kritiek niet kan weerstaan.

Wat is er aan de hand? De kwade genius is het waterleidingbedrijf Evides dat opereert in Zeeland, West-Brabant en de omgeving van Rotterdam. Evides heeft een nieuw hoofdkantoor gepland en daarvoor moeten blijkbaar alle normen van redelijk en collegiaal overleg wijken. De inmiddels 90-jarige architect Quist die voor de voorloper van Evides ook de wonderschone functionele gebouwen op de locatie Berenplaat in Spijkenisse ontwierp is niet geraadpleegd door Evides. Van der Hoeven: ‘Quist protesteert en eist overleg met Evides over de plannen. We hebben contact over de zaak; ik besluit hem te steunen en onderzoek te doen naar het gevolgde proces’.

Op geen enkele manier wordt Quist echter door Evides bij de plannen voor het hoofdkantoor (studies, schetsen) betrokken, terwijl dat in Nederland goed gebruik is in dit soort situaties. Een ontwerp dat Quist in maart 2021 maakt wordt door Evides terzijde geschoven. Het bedrijf gaat niet serieus in gesprek met Quist en zegt volgens Van der Hoeven dat ‘haar cliënt met het nieuwe hoofdkantoor geen enkele aantasting veroorzaakt (aan de reputatie en de rechten van architect Quist). Want: ‘iedereen kan zien dat de nieuwe aanbouw niet van zijn hand is’. Van der Hoeven vindt dit een drogreden omdat de redenering dan is dat een verminking van een architectonisch waardevol gebouw geen verminking mag worden genoemd als het herkenbaar van een andere architect is. Dat maakt de weg vrij voor elke flagrante verminking van architectuur.

Alle liefhebbers van beeldende kunst en architectuur zouden zich gealarmeerd moeten voelen door dit nieuws dat Van der Hoeven noodgedwongen naar buiten brengt omdat overleg met Evides volgens hem niet meer werkt. Hij sluit zijn betoog alsvolgt af: ‘Vandaar dat ik, vanwege de actuele impasse in het overleg, deze casus nu publiek maak, eerst bij de architectengemeenschap, maar ook bij de Welstandscommissie Rotterdam. En aansluitend bij de aandeelhouders van Evides en de (regionale) dagbladpers. Deze kwalijke combinatie van macht en ondeskundigheid mag zo niet tot uitvoering komen’.

Beschrijving van Zonder titel (1976) van André Volten op BKOR
(Beeldende Kunst & Openbare Ruimte Rotterdam)

De tijd dringt omdat deze week de aanvraag voor ‘het bouwrijp maken’ van de locatie wordt ingediend. Zoals gezegd, ook een belangrijke sculptuur uit het wereldberoemde oeuvre van André Volten dreigt verwijderd te worden. De sculptuur is in opdracht van de gemeente Rotterdam in 1976 gerealiseerd en gefinancierd en men vraagt zich af of Evides het nu eenzijdig zonder overleg met de voormalige opdrachtgever kan verwijderen. Volgens Van der Hoeven is er geen vertrouwen meer dat Evides met respect voor het ensemble van Quist zorgvuldig zal handelen. Een brandbrief aan president-commissaris van Evides Kohsiek werd al niet eens meer beantwoord, zo zegt hij. Evides heeft het overleg dichtgedraaid als een waterkraan die wordt afgesloten.

Het is nu vooral aan de Rotterdammers op op te komen voor dit waardevolle culturele erfgoed in hun gemeente. Er is nog niks verloren als er nu gehandeld wordt en de top van Evides tot het inzicht kan worden gebracht dat het op de verkeerde weg zit en niet naar eigen goeddunken kan doen wat het wil met een kunstwerk van Volten en architectuur van Quist.

Exotisme in de architectuur: Het kame(e)lengebouw van de Rotterdamse Diergaarde (1907)

Deze afbeelding maakt deel uit van de beeldcollectie van de Smithsonian Bibliotheek. Het gaat om een pagina uit de feestuitgave uit 1907 van Dr. J. Buttikofer ‘ter Viering van Het 50-Jarig Bestaan der Rotterdamsche Diergaarde, Rotterdam’. Het bijschrift maakt het er interessant op. Dat zegt: ‘A camel house. Zoo buildings were frequently designed to replicate the architecture of a place equally as exotic as the animal itself’.

Het Kamelengebouw dat in 1868 werd gebouwd was in 1907 dus bijna 40 jaar oud. Maar hoe bijzonder was het dat gebouwen in dierentuinen ‘vaak ontworpen [werden] om de architectuur te repliceren van een plek die even exotisch is als het dier zelf’. Interessant is het woord ‘repliceren’ omdat het zoveel betekent als nabootsen, namaken kopiëren of herhalen. Het idee is dus dat het gebouw het exotisme of de uitheemsheid van de erin gehuisveste kamelen of dromedarissen in het uiterlijk navolgt. De buitenkant maakt duidelijk wat de binnenkant inhoudt. Het is een vorm van overdrijving, herhaling en overbodigheid, maar ook van aankondiging en voorpret. De bezoekers konden zich alvast verkneukelen over wat komen ging van wat ze naderden.

Toch blijf ik met de vraag zitten hoe bijzonder dit is en waarom het Smithsonian er deze tekst aan toevoegt. Is het niet per definitie de functie van goede architectuur dat uit het uiterlijk het innerlijk valt af te leiden? Het regeringsgebouw moet openheid en macht uitstralen en niet verbergen. Uit het appartementengebouw moet af te leiden zijn dat er mensen wonen. Uit het gebouw van het waterbedrijf, het havenbedrijf, het gasbedrijf, de spoorwegen of de electriciteitscentrale moet de functie of de utiliteit af te leiden zijn. Wellicht zijn de gebouwen die hun functie willen verhullen de uitzondering. Zoals de opslag van de goudvoorraad van de staat of een waardevolle museumcollectie.

Wellicht bedoelt de beschrijving van het Smithsonian dat het kamelengebouw van de Rotterdamse Diergaarde wat overdreven is. In de kunstgeschiedenis nam in het Westen gedurende de 19de eeuw de toe-eigening van niet-Westerse, exotische motieven toe. In de toegepaste kunsten, maar ook in de autonome beeldende kunst en de architectuur.

In dit voorbeeld is sprake van oriëntalisme. Het exotisme van het Oosten. De kamelen die symbool staan voor de vermeende geheimzinnigheid en sensualiteit van het Oosten worden nog eens extra gesymboliseerd door het gebouw zoals een kind het zou tekenen met de opdracht om een Oosters gebouw af te beelden. Zo beredeneerd beeldt het kamelengebouw niet zozeer het innerlijk af van de huisvestiging van dieren, maar van het beeld dat rond 1900 in Rotterdam en omstreken van het Oosten bestond. Nu wordt dat blijkbaar herkend als een niet heel subtiele uitvergroting en kan dat niet meer neutraal beschouwd worden, maar moet de nabootsing als nep bekend gemaakt worden.

Foto: Pagina 44 uit ‘Buttikofer, Dr. J. 1907. Feest-Uitgave ter Viering van Het 50-Jarig Bestaan der Rotterdamsche Diergaarde, Rotterdam: Electrische Drukkerij Nijgh & Van Ditmar’. Collectie: Smithsonian Libraries.

Het debat over een nationaal designmuseum is gepolitiseerd

Update 7 januari 2021: In het Eindhovense Evoluon wordt weer een museum gevestigd, aldus een bericht in Trouw. Het zou gaan om een Museum voor de Toekomst. Het concept is ontwikkeld door industrieel ontwerper Koert van Mensvoort. De verknoping van techniek en design lijkt nog steeds het uitgangspunt van dit museum. Maar het wordt zo niet meer genoemd. De neutrale term ‘Toekomst’ moet de eerdere mislukte poging om een museum voor Design te vestigen doen vergeten. 

Hoeveel designmuseums kan Nederland hebben? Die vraag wordt opgeroepen door politieke ontwikkelingen en de opmerking van de nieuwe artistiek directeur van het Stedelijk Museum Rein Wolfs in een interview in NRC. Hij zegt: ‘Maar als ik het hele Nederlandse aanbod overzie, zou wat meer variatie en specialisatie goed zijn’. Dat is een pleidooi tegen het kluitjesvoetbal in de museumsector waarbij ieder museum hetzelfde doet.

In Den Bosch is er het Design Museum Den Bosch -dat als vanouds het accent op sieraden en keramiek legt- waarmee directeur Timo de Rijk sinds eind 2016 succesvol aan de weg timmert. Hij noemt zich in februari 2017 in een interview in BD samen ‘met Gent en Groningen’ nu ‘het grootste designmuseum in West-Europa‘. Voor het gemak vergeet hij het London Design Museum, het Duitse Vitra Design Museum, het Parijse Cité de l’Architecture et du Patrimoine of het V&A in Dundee. Maar ook het in 2015 geopende Cube Design Museum  in Kerkrade dat zich presenteert als ‘het eerste museum van Nederland volledig gewijd aan design. Cube toont design met inhoud; design dat impact heeft op de wereld.’ De stilzwijgende suggestie hiervan is dat andere designmusea design zonder inhoud presenteren. De Rijk en Wolfs geven te kennen dat ze belang hechten aan de kunstgeschiedenis en meer moderne of na-oorlogse kunst willen tonen. De Rijk en zijn team bereiden nu een overzichtstentoonstelling van design van het Derde Rijk voor die op 7 september 2019 opent.

Daarnaast is er in Rotterdam het HNI dat ‘Design’ in de naam heeft (naast Architectuur en Digitale Cultuur) dat zich eind 2016 opwierp als coördinator voor een tijdelijk designmuseum in Amsterdam om daar langdurige bruiklenen van andere musea te tonen. Een initiatief waarover sinds die tijd weinig is vernomen. Ik gaf daar in december 2016 een commentaar op waarin ik weinig begrip toonde voor dit initiatief, maar ook wees op twee interessante opmerkingen van het hoofd beleid en actualiteit van HNI Floor van Spaendonck. Breder kijkend dan dit initiatief alleen zei zij: ‘(..) is er behoefte aan één plek die geheel in het teken staat van design’ en ‘Het aanleggen en beheren van een vormgevingsarchief behoort niet tot de opdracht van HNI’. Er bleek dus eind 2016 volgens Van Spaendonck in Nederland geen museum dat geheel in het teken staat van design (wat haaks staat op de claim van het in 2015 geopende Cube) en evenmin een nationaal vormgevingsarchief voor design.

De politieke ontwikkeling blijkt uit bovenstaand citaat uit het artikelPlan Designmuseum Eindhoven krijgt steeds meer vorm’ in het ED van november 2018. Het lijkt er sterk op dat het een plan is uit de koker van D66 dat door de VVD wordt gesteund. In het huidige Eindhovense college is D66 niet vertegenwoordigd. Van 2014 tot 2018 was Mary-Ann Schreurs namens D66 wethouder van Innovatie en Design, Cultuur en Duurzaamheid. Nu is ze onafhankelijk raadslid en heeft volgens een persbericht van maart 2019 over een verschil van mening D66 verlaten. Schreurs maakte zich sterk voor design en technologie zoals uit de steunbetuiging van een D66’er blijkt. Ook de Dutch Design Week (DDW) is een manifestatie van de verknoping van design en techniek.

Er is dus in de afgelopen jaren een sterke D66-lobby opgezet voor een Designmuseum in Eindhoven waarbij het de vraag is of dat doorzet omdat D66 in Eindhoven en in de provincie Noord-Brabant aan macht heeft ingeboet. Daarnaast richt Timo de Rijk zich in het 35 km verder gelegen Den Bosch sinds 2016 nadrukkelijk op design en toegepaste kunst. Een grotere ambitie viel af te lezen in de naamsverandering. In juni 2018 werd de naam Het Stedelijk Museum ’s-Hertogenbosch veranderd in Design Museum Den Bosch. Maar wellicht kan wat in de pijplijn zit nog gematerialiseerd worden zodat er nog net een Eindhovens Designmuseum uitgeperst kan worden. Een in de Provinciale Staten van Noord-Brabant in oktober 2017 aangenomen motie van D66 vraagt om uit te zoeken of er een nationaal designmuseum kan komen in het Evoluon in Eindhoven:

Minister van OCW Ingrid van Engelshoven (D66) houdt de signalen van haar partijgenoten uit Brabant in elk geval nog in de lucht zoals deze week bleek uit de presentatie van de ‘Ontwerp-subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2021-2024’ dat op het lijf van een Eindhovens Designmuseum is geschreven en uitgaat van de verknoping van design en techniek. Zo vanzelfsprekend is dat echter niet. Hooghartigheid blijkt uit het interview uit november 2018 met DDW-directeur Martijn Paulen die meent dat het een fluitje van een cent is om een museum met als uitgangspunt de combinatie van design en techniek in een nationaal designmuseum te realiseren. Dat gaat eraan voorbij dat die formule die afgeleid is van de Eindhovense situatie waarbij design en techniek nauw worden gecombineerd een keuze is die niet alleenzaligmakend is. Design kan ook worden gekoppeld aan autonome kunst, (kunst)geschiedenis of sociaal-maatschappelijke aspecten. Het is de vraag of, als er een nationaal designmuseum of rijksmuseum voor design moet komen dat gesteund wordt vanuit de landelijke overheid, die combinatie van kunst en techniek (of technologie) het uitgangspunt dient te zijn. Op z’n minst zou er een breed debat aan vooraf moeten gaan over het profiel van zo’n nieuw te vormen nationaal designmuseum waarbij de gesprekspartners liever niet alleen uit Eindhoven of uit de kringen van D66 komen.

Nederland kan best meerdere designmusea herbergen, in Den Bosch, Kerkrade, Eindhoven of waar dan ook. Laten we evenmin de kunstmusea met belangrijke afdelingen design (Museum Boijmans, Stedelijk Museum, Centraal Museum, Groninger Museum, HNI) en de ‘materiaalmusea’ (Nationaal Glasmuseum, TextielMuseum, Keramiekmuseum Princessehof) vergeten die zo’n nationaal designmuseum kunnen ‘voeden’. Of de herhaling van meer van hetzelfde zonder voldoende variatie en specialisatie wenselijk en doelmatig is, is een vraag die het bovensectorale ministerie van OCW zich moet stellen. De museumsector moet ideeën kunnen aandragen.

OCW zet echter op onaanvaardbare wijze een dubbele pet op als het bij de bekostiging van een nationaal designmuseum uitgaat van normen die meer volgen uit de partijpolitiek en een regionale lobby, dan uit een beredeneerde keuze voor profiel, kwaliteit en inbedding in de culturele basisstructuur ervan. In het verlengde speelt de vraag bij welke instelling een nationaal vormgevings/designarchief ondergebracht moet worden.

Foto 1: Schermafbeelding van deel artikelPlan Designmuseum Eindhoven krijgt steeds meer vorm’ in ED, 24 november 2018.

Foto 2: Schermafbeelding van ‘Actuele Motie M1 Provinciale Staten 27 oktober 2017; Nationaal Designmuseum in het Evoluon` door Statenfractie van D66 (AANGENOMEN).

Foto 3: Schermafbeelding van deel ‘Ontwerp-subsidieregeling culturele basisinfrastructuur 2021-2024’ van het ministerie van OCW, 11 juni 2019 (p. 35).

Bij twee foto’s staat de tijd niet stil: ‘Clock on wall, lobby. Chicago Federal Center, Chicago, Illinois’

Deze twee foto’s bij elkaar roepen een raadsel op. Zijn ze het spiegelbeeld van elkaar? Loopt de houten balie van de bovenste foto naar links door en verschijnt op de onderste foto opnieuw een deur, met een gesloten, metalen loket? De klok geeft de aanwijzing dat het twee afzonderlijke foto’s zijn. Want op de bovenste foto is het 8.50 en op de onderste 8.55 uur. Kostte het fotograaf Carol Highsmith vijf minuten om de foto te nemen?

Het onderschrift bij deze foto’s uit de collectie van het Library of Congress zegt: ‘Chicago Federal Center, designed by Ludwig Mies van der Rohe, is a monument to the architect’s maxim, “Less is more.” Simplified, modern and efficient, the steel and glass buildings embody the Miesian vocabulary.’ De titel luidt: ‘Clock on wall, lobby. Chicago Federal Center, Chicago, Illinois.

De serie van twee foto’s werkt bezwerend. Ze wekken door de bijna identiek uitsnede de suggestie dat ze het spiegelbeeld van elkaar zijn. Wat ze niet zijn. Fotograaf Highsmith volgt architect Mies van der Rohe in zijn vormenspel. Of minder meer is, is de volgende vraag die zich aandient. Daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen. Want minder kan ook minder zijn. Het heeft ermee te maken waar het op reageert en wat eruit volgt. Aan deze twee foto’s van 27 juli 2017 valt van alles af te lezen omdat ze weinig tonen. Voor een foto die moet documenteren wordt minder onhandig. Ontstaat daarom de indruk dat de foto buiten het kader doorloopt?

Foto 1: Carol M. Highsmith, ‘Clock on wall, lobby. Chicago Federal Center, Chicago, Illinois’. 2017. Collectie: Library of Congress.

Foto 2: Carol M. Highsmith, ‘Clock on wall, lobby. Chicago Federal Center, Chicago, Illinois’. 2017. Collectie: Library of Congress.

Een zaak voor de hoogste rechter. Zijn kunstwerken van Braun Barends in Kunsthalle Mannheim beschermd volgens auteursrecht?

Deze reportage uit 2015 van het Duitse SWR (Südwestrundfunk) gaat in op twee installaties van de kunstenaar NatHalie Braun Barends in de Kunsthalle Mannheim. Tijdens een renovatie zijn haar werken PHaradise en HHole in juni 2018 volgens plan verwijderd omdat ze volgens de architect niet in het concept pasten. De filosofische vraag is of een gat verwijderd wordt als de omgeving verdwijnt. Zie hier voor details. Braun Barends vindt dat haar auteursrecht geschonden is en eist voor PHaradise minstens 90.000 en voor HHole minstens 220.000 euro schadevergoeding. Tevens eist ze dat de Kunsthalle haar werken opnieuw installeert.

De uitspraak van Kunsthalle-directeur Ulrike Lorentz is uitzonderlijk hard en niet hulpvol als ze publiekelijk stelt dat deze werken van Braun Barends in de kunstwereld nooit betekenis gehad hebben. Vraag is waarom ze dan ooit zijn geïnstalleerd. Vandaag dient de zaak voor de hoogste rechterlijke instantie van Duitsland, het Bundesgerichthof in Karlsruhe. De meeste media kiezen als belangrijkste  invalshoek of dit kunst is, niet of het volgens het auteursrecht beschermd wordt. Maar dat laatste is een meer interessante vraag die ook in de architectuur leeft, zoals bij een verbouwing van het Centraal Museum waarbij architect Mart van Schijndel zonder succes eiste dat zijn werk beschermd werd. Ook daarover bestaan uiteenlopende gedachten, dat is voor Braun Barends’ kunstwerken niet anders. De tendens lijkt dat de bescherming relatief en tijdelijk is.

Foto: NatHalie Braun Barends, ‘HHole’ in Kunsthalle Mannheim (Reflection Room), 2006. (Work in Progress, created as part of the exhibition “Full House: Faces of a Collection”). Credits: Thomas Henne en NatHalie Braun Barends.

Dichtregels van Erich Kästner naar een idee van Karl-Heinz Ströhle. BIG ART: Tekst-sculptuur op Pedagogische Hogeschool Oostenrijk

Dit item gaat niet over de expositie Big Art in de Amsterdamse Bijlmerbajes die t/m zondag 14 oktober te zien is, maar om een strenger en strikter bewaakt kunstproject van de Oostenrijkse 100% overheidsinstelling op het gebied van vastgoed, de Bundesimmobiliengesellschaft, ofwel BIG. Het bedrijfsonderdeel BIG ART verweeft kunst en architectuur ‘in permanente en tijdelijke kunstprojecten op geselecteerde gebouwen van BIG’. Opzet is om de kunst in een vroeg stadium goed te integreren in het project. BIG opereert uitsluitend in Oostenrijk.

Een prima voorbeeld van BIG ART is een onlangs naar een idee van kunstenaar Karl-Heinz Ströhle (2016) gerealiseerde tekst-sculptuur op de Pedagogische Hogeschool NÖ (Niederösterreich) in Baden. Uitgangspunt zijn vier regels uit het gedichtEin alter Mann geht vorüber’ van Erich Kästner: ‘Ich könnte euch verschiedenes erzählen,Was nicht in euren Lesebüchern steht.Geschichten, welche im Geschichtsbuch fehlen,Sind immer die, um die sich alles dreht.’ De keuze voor deze tekst van pacifist en hybride publicist Kästner is niet toevallig. Hij verliet in tegenstelling tot de meeste van zijn collega’s Duitsland tijdens het Hitler-regime niet.

Ook de tekst is dubbelzinnig, want het kan zowel een oproep inhouden om zelf na te denken en altijd verder te kijken dan de schoolkennis en de status quo óf schoolkennis (of gecanoniseerde kennis) af te doen als desinformatie en te verwerpen. In de tekst zullen uiteenlopende segmenten van het politieke spectrum zich kunnen vinden. Ook daarom is het een passende tekst voor verder debat op een Pedagogische Hogeschool.

V&A krijgt kritiek voor presentatie fragment Robin Hood Gardens op Architectuur Biënnale Venetië. Wat is politieke rol van musea?

Nu te zien op de 16de Architectuur Biënnale in Venetië als ‘reflectie op sociale woningbouw’ is een fragment van het in 2017 deels gesloopte Robin Hood Gardens complex in Oost-Londen. Het is iconische architectuur waarvan oud-bewoners zeggen dat het bewust verwaarloosd is om te kunnen slopen. Het behoorde tot de stroming van het brutalisme, ofwel béton brut of ‘ruw beton’. Een prachtig voorbeeld van Nederlandse brutalistische architectuur is het stadhuis van Terneuzen (1973) van Van den Broek en Bakema.

De toelichting zegt: ‘the Special Project at the Applied Arts Pavilion in the Sale d’Armi in the Arsenale, reflects upon the future of social housing by presenting a fragment of the social housing estate, Robin Hood Gardens, which was designed by Alison and Peter Smithson in East London and completed in 1972. Renewed for the third consecutive year, the collaboration between La Biennale and the Victoria and Albert Museum in London has made possible this exhibition curated by Christopher Turner and Olivia Horsfall Turner.

In mediareacties op de presentatie van een fragment van Robin Hood Gardens wordt gesproken over ‘art washing’ door het V&A, zoals hier in The Telegraph. Vrij vertaald is dat het witwassen via kunst. Dat zou dan betekenen dat het verdwijnen van een sociaal woningbouwcomplex wordt vergoelijkt door het een tweede leven in de kunst te geven. Critici vinden dat het dan beter helemaal kan verdwijnen omdat dat oprechter is.

Directeur Tristam Hunt van het V&A ontkent de beschuldiging van ’sociale zuivering’ en antwoordt er in een artikel op in The Art Newspaper: ‘Ik zie de rol van het museum niet als een politieke kracht, maar als een uitwisseling tussen burgers: het samenbrengen van gedeelde ruimte voor onveilige ideeën.’ Hij voegt eraan toe: ‘In een tijdperk van absolutistische, rechtvaardige identiteitspolitiek zijn deze plaatsen voor pluralisme belangrijker dan ooit’. Hunt neemt een politieke positie in door die te herroepen en overstijgend op te vatten.

Deze kwestie gaat over de rol die musea in de samenleving kunnen spelen en welke houding ze aan moeten nemen om niet door radicalen van links of rechts beschuldigd te worden van de politisering van de kunst. Dat is een smal pad de berg op. Kunst kan per definitie niet a-politiek zijn en musea dientengevolge evenmin, maar ze dienen wel voorzorgen te nemen om niet van partijdigheid beschuldigd te kunnen worden. Musea zijn geen woordvoerders namens de politiek, maar wel aanjagers en bemiddelaars van het publieke debat.

Foto: ‘Close-up of the reassembled fragment of the façade of Robin Hood Gardens, Pavilion of Applied Arts, at the Venice Architecture Biennale Victoria and Albert Musuem, London