Middenpartijen lijken op elkaar omdat ze door externe factoren op een hoop worden geveegd

Mijn favoriete omroep is WNL dat zoveel rechtse praatjes in haar programma’s heeft. Het is vaak koddig om aan te horen. Meestal valt het ruimschoots binnen de marges van de normale gekte, maar Daniela Hooghiemstra weet dat na 5’15” ruimschoots te overtreffen. Vandaar mijn reactie op YouTube bij dit filmpje:

Daniela Hooghiemstra kijkt met een ouderwetse bril naar de politiek. Ze blijft hangen in de traditioneel sociaal-economische links-rechts tegenstelling en beseft niet dat die inmiddels is verschrompeld en vervangen door andere tegenstellingen. 

Zoals de tegenstelling tussen democratische en anti-democratische partijen die wel of niet ondubbelzinnig de rechtsstatelijkheid en de democratie steunen en doelstellingen hebben die buiten de politieke arena liggen. Anti-democratische partijen zijn FvD, SGP en links-radicale splinters, en in iets mindere mate de PVV. 

Een andere tegenstelling die in het politieke debat de links-rechts tegenstelling verdrongen heeft is de sociaal-culturele tegenstelling tussen conservatief en progressief. Daar valt veel onderscheid in te maken. Zo zijn VVD en CDA conservatieve partijen en FvD, PVV en JA21 post-conservatieve partijen die het conservatisme achter zich gelaten hebben en in de alt-right hoek terecht zijn gekomen. Dat links en progressief of rechts en conservatief niet altijd aan elkaar gekoppeld worden leert ook het profiel van twee partijen. D66 is een progressieve rechtse partij, SP is een conservatieve linkse partij.

Wat Hooghiemstra mist is dat de grote lijnen van de links-rechts politiek niet langer op het Binnenhof worden beslist maar elders. Zoals binnen de EU, de ECB, de OESO, de financiële instellingen en banken (inclusief internationaal opererende investeringsbanken als Goldman Sachs) en in de bestuurskamers van multinationals. Weliswaar zijn die marges die het verschil uitmaken tussen links en rechts niet helemaal verdwenen, maar zijn ze zoveel kleiner geworden dat ze overbrugbaar zijn geworden.

Hoe het wereldbeeld van Hooghiemstra tot stand komt is onduidelijk. Zoals evenmin duidelijk is waar ze nou eigenlijk voor pleit. De paradox is dat ze pleit voor het primaat van de politiek, maar niet inziet dat dit gezag sinds de jaren 1980 is geërodeerd en allang niet meer in die mate bestaat zoals zij het voorstelt. In feite pleit ze met haar uitvergroting van de verschillen tegen de politiek in.

Anders gezegd, in een gemankeerd politiek bestel waar de macht elders ligt zijn de sociaal-economische verschillen steeds meer verworden tot invuloefeningen voor politieke partijen. Dat maakt de tragiek van de mislukte formatie nog grotesker en beschamender dan die op het eerste gezicht al lijkt. Partijleiders maken zichzelf groot en belangrijk, terwijl ze als geen ander weten dat de bulk van de inhoud waar ze over praten elders wordt beslist. Ze houden ook dat misverstand valselijk in de lucht vanwege de claim op hun eigen belangrijkheid. Maar in werkelijkheid zijn ze inwisselbaar in persoon en uitwisselbaar in doel. Dat is hun krediet voor hun toekomst dat ze niet los willen laten. Dat een objectieve commentator meegaat in deze misleiding is uitermate jammer.

Manipulatie van sociale media voor politieke campagnes gaat verder dan het inkopen van advertenties

Dit is een filmpje uit maart 2021 van Stand van Nederland. Uitgezonden door WNL dat zelf zegt een economisch onderzoeksprogramma te zijn. Maakt Stand van Nederland deze claim waar?

Op zoek naar programma’s die gaan over de manipulatie van sociale media door politieke partijen stuitte ik op YouTube bij toeval op dit filmpje. Het gaat niet over manipulatie, maar over de besteding van geld uit de partijkas voor het inkopen van advertenties op vooral Facebook, Instagram en YouTube. Het programma kijkt naar legale, reguliere uitgaven voor advertenties op sociale media en heeft het niet over illegale uitgaven en de manipulatie van sociale media.

Deze uitzending houdt het netjes en suggereert dat de politieke partijen dat ook doen. Maar is dat zo? Als deze partijen al zo geheimzinnig doen over het regulier inkopen van advertenties op sociale media voor hun campagnes, dan kun je aannemen dat ze nog veel geheimzinniger zullen doen over campagnes die bedoeld zijn om de sociale media te manipuleren en het daglicht niet mogen zien. Maar wat in hun zwarte doos zit weten we niet.

Het is bekend dat het Brits-Amerikaanse bedrijf Cambridge Analytica (CA), waarin de radicaal-rechtse, pro-Trump miljardair Robert Mercer een vinger in de pap had, een doorslaggevende rol speelde bij de campagne voor de Brexit en de verkiezing van Trump, beide in 2016. De expertise bestond eruit dat het data-analyse en micro-targeting van kiezers gebruikte voor politieke campagnes. CA deelde kiezers op in aparte doelgroepen en gaf deze per groep via sociale media specifieke, onjuiste fake berichten die succesvol waren omdat ze via negatieve berichtgeving van een bepaalde mening los werden geweekt en gekoppeld werden aan een andere mening.

Omdat deze manipulatie van kiezers over een ethische grens ging en tot een schandaal leidde werd CA in 2018 failliet verklaard en hield op te bestaan. Daarmee is echter geenszins gezegd dat de methoden van CA niet meer gebruikt worden. Integendeel, de medewerkers van CA hebben zich verspreid en hebben in diverse vooral in Londen gevestigde PR-bedrijven een doorstart gemaakt. Noem het post-CA. De reportageWahlkampf undercover‘ van de Duitse publieke omroep ARD toont aan hoe makkelijk het is om een vuile campagne in te kopen. Bij New Century Media kost dat 800.000 euro. CEO Thomas Borwick van Kanto Systems was eerder werkzaam bij CA en AggregateIQ.

De techniek van micro-targeting voor politieke campagnes die bij de opvolgers van CA aanwezig zijn en tot de toentertijd hoogst onwaarschijnlijk geachte pro-Leave Brexit en verkiezing van Trump leidde wordt ingehuurd door politieke partijen, bedrijven en autoritaire regimes, zoals de Russische Federatie, China, Jordanië of Saoedi-Arabië. Want micro-targeting kan niet alleen gebruikt worden om politieke meningen te beïnvloeden en zo een campagne te winnen, maar ook om degenen die die mening hebben in kaart te brengen, op te sporen en te neutraliseren.

In het onder leiding van de Amsterdamse hoogleraar Robert Rogers in 2019 verschenen rapport Politieke en Sociale Media Manipulatie constateerden de onderzoekers geen aanwijzingen te hebben dat er voor de Provinciale Staten- en Europese parlementsverkiezingen van 2019 buitenlandse desinformatiecampagne of nep-actiegroepen waren gevonden. Dat wil praktisch zeggen dat er in Nederland toen geen gebruik werd gemaakt van post-CA PR-bedrijven voor manipulatie van sociale media, maar laat theoretisch die optie toch open. De aanbieders van deze manipulatieve middelen bleven dus buiten beeld.

Nu we twee jaar verder zijn kan het van belang zijn om opnieuw de vraag te stellen door het verbreden van de onderzoeksvraag of Nederlandse politieke partijen in zee gaan met post-CA bedrijven. Wellicht niet met de dure en prestigieuze PR-bedrijven in Londen die een directe doorstart van CA zijn, maar met bedrijven die de technische middelen inmiddels ook tot hun beschikking hebben en voor kleinere politieke partijen betaalbaar zijn. Het zou van belang zijn om dat te onderzoeken voor de Tweede Kamer verkiezingen van maart 2021 die een veelheid aan kleine, succesvolle partijen opleverde.

Terug bij de Stand van Nederland geeft deze korte uitleg aan dat dit programma het meest interessante en het moeilijkst te achterhalen gebruik van sociale media laat liggen. Het programma geeft een aanzet en laat het erbij. Zo kan bij de kijker zelfs het beeld ontstaan dat dat alles is. Zo gaat informatie vermoedelijk onbedoeld over in desinformatie. Dat kan niet de ambitie zijn van een programma dat zich een onderzoeksprogramma noemt.

Een update van deze uitzending zou eruit kunnen bestaan dat bekeken wordt in hoeverre Nederlandse politieke partijen expertise inkopen voor de manipulatie van sociale media door verspreiding van fake news bij bedrijven die een doorstart van CA zijn. In het verlengde daarvan kan aan politici en bestuurders worden gevraagd of het niet de hoogste tijd is dat Nederlandse politieke partijen collectief een convenant ondertekenen waarin ze verklaren dat ze geen gebruik maken van deze inzet van fake news op sociale media door inhuur van post-CA expertise. Op z’n minst zou hier een debat tussen partijen over opgestart moeten worden. Veelzeggend kan het zijn als partijen weigeren hun handtekening onder zo’n convenant te zetten.

WNL doet aan stemmingmakerij en slechte journalistiek door een verkeerd beeld te geven van de Code Diversiteit & Inclusie in de kunstsector. Het beticht overheid van sociale dwang

Journalistiek is soms om somber van te worden als het niveau door de bodem zakt. Je zou denken dat de opdracht van de journalistiek is om te informeren en niet om te desinformeren. Luidt immers niet het eerste aspect van de gedragscode voor journalisten, de Code van Bordeaux die de NVJ als voorbeeld beschouwt de eerbied voor de waarheid? Het publiek heeft recht op de waarheid. Maar in de praktijk blijft daar vaak niks van over. Het is een streven dat niet gehaald wordt.

Het gebazel van gasten in een radioprogramma van WNL toont aan hoe diep de journalistiek is gezonken. Presentator en gasten is het niet om de waarheid te doen, maar om wat anders. Wat dat is blijft in het midden, maar het lijkt erop dat het eerder slordigheid en gebrek aan inhoud is dan kwade wil. Ze corrigeren elkaar niet omdat ze geen kennis van zaken hebben over het onderwerp waar ze over praten en blijkbaar voor uitgenodigd zijn. Met als gevolg dat een gast de grootste onzin kan uitkramen zonder dat het wordt weerlegd. Het resultaat is desinformatie. De luisteraar wordt op het verkeerde been gezet.

Ik luister of kijk bijna nooit naar dit soort programma’s van de Nederlandse omroep. Talkshows op radio en televisie heb ik afgezworen omdat ze niet informeren, maar desinformeren. Vaak gaan ze over triviale zaken die niet relevant zijn. Het is op z’n best amusement in de vorm van journalistiek. Of journalistiek in de vorm van amusement. Op een enkele uitzending van Nieuwsuur of Buitenhof na.

Als het onderwerp me aan het hart gaat kijk ik achteraf terug. Dan zie je journalisten of deskundigen die weten waarover ze praten en ons feiten en inzicht in een specifieke kwestie geven. Dat is wat anders dan het vullen van de zendtijd met leeg geklets zoals WNL doet of het geven van rechtse meningen omdat het nu eenmaal bij het profiel van deze omroep past. Bij WNL kunnen de feiten uit de meningen volgen.

Hoe het anders kan en hoe in de hoeken van de Nederlandse journalistiek wordt geprobeerd om de standaard van de journalistiek hoog te houden bewijst het interview van Twan Huys met de Italiaanse onderzoeksjournalist en maffia-kenner Roberto Saviano in Buitenhof. Het kan gerust onthullend worden genoemd. In 11 minuten toont Saviano overtuigend aan hoe verrot Nederland is, hoe bewust disfunctioneel de Nederlandse politiek is en hoe dat vervolgens door de hele Nederlandse elite wordt genegeerd. Het merkwaardige is dat WNL hetzelfde wil aantonen, maar doorgaans blijft steken in vooroordelen en sjablonen en er dus niet in slaagt om te overtuigen.

Aanleiding is de uitweiding van Volkskrant-journalist Martin Sommer over diversiteit en inclusie in de kunsten. Hij beweert in zijn antwoord (vanaf 6′ 10”) dat de Raad voor Cultuur voor de kunstsector diversiteit en inclusivitiet als norm heeft gesteld. Dat is inderdaad zo, maar het zit anders in elkaar dan hij het voorstelt.

Er is een Advies van de Raad van juni 2020 voor de komende beleidsperiode 2021-2024 waarin het als kaders de toepassing van de codes voor governance, fair practice, diversiteit en inclusie hanteert. Hoe strikt die kaders zullen worden gehandhaafd is de vraag omdat ook in het verleden instellingen structureel subsidie kregen zonder zich volledig aan de code voor diversiteit en inclusie te houden. Ook bij een verkeerde opvatting door Sommer van deze code is het niet aantoonbaar dat instellingen die zich er niet aan houden geen subsidie krijgen zoals hij stellig beweert. Dat klopt niet omdat het in strijd met de praktijk is.

Sommer slaat de plank mis omdat hij niet weet wat de Code Diversiteit en Inclusie inhoudt. Hij associeert erover in clichés zonder kennis van zaken. Als politieke journalist maakt hij het politiek. Hij valt terug in zijn eigen niche omdat hij een ander perspectief niet (ver)kent. Sommer berijdt zijn stokpaardjes en vliegt uit de bocht.

Juist deze gedragscode is in een nieuwe versie verbreed om bezwaren tegen een te enge, politieke opvatting ervan tegen te gaan. Gezien het brede scala van deelnemende instellingen die betrokken was bij de formulering ervan is het ook logisch dat die verbreding de uitkomst is. In Nederland polderland wil iedereen die aan tafel meepraat immers de eigen doelstelling in het eindresultaat terugvinden. De Code Diversiteit en Inclusie is een compromis. Geen radicaal, maar een gematigd standpunt.

De Code Diversiteit & Inclusie in de culturele sector waarin de hele kunstsector samenwerkt heeft als normen gender, beperking, seksuele oriëntatie, religie, sociaaleconomische status, opleidingsniveau en leeftijd. Het zijn dus niet uitsluitend de actuele politieke identiteitsonderwerpen als huidskleur, etniciteit en sekse die alleenzaligmakend zijn zoals Sommer suggereert en zijn gasten en de moderator niet corrigeren. Niet alleen Sommer blijkt niet te weten wat de code inhoudt, zijn gasten weten het evenmin.

Dit radioprogramma is niet zozeer een belediging voor de intelligentie van de gasten en de programmakers, maar een belediging voor de intelligentie van de luisteraars. De pseudo-deskundigen gijzelen de ether en laten zich verleiden om uitspraken over onderwerpen te doen waar ze niets van afweten. Dat resulteert in gebazel.

Het werkt voor de publieke opinie averechts als een radioprogramma met journalistieke ambities er zo’n puinzooi van maakt. De onderwerpen identiteitspolitiek en cancelcultuur zijn te belangwekkend om ze voor een massamedium zo slordig en eenzijdig te behandelen. Bijkomend effect is dat de kunstsector en de kunstinstellingen worden weggezet als onzelfstandig en ondergeschikt aan politieke doeleinden, terwijl het juist dit radioprogramma is dat politiek bedrijft door de werking van de kunstsector verkeerd voor te stellen.

Keklik Yücel heeft kritiek op samenwerking van PvdA met GroenLinks. Ze wenst minder identiteitspolitiek en meer waarden

Op de PvdA heb ik nooit gestemd. Dat is niet omdat ik tegen het sociaal-democratische gedachtengoed ben, maar omdat ik er voor ben. Omdat in mijn ogen bij de PvdA dat gedachtengoed wordt verwaarloosd ontbreekt voor mij de noodzaak om op de PvdA te stemmen. Integendeel, door op de PvdA te stemmen zou ik me juist vereenzelvigen met een PvdA die zich keert tegen het sociaal-democratische gedachtengoed. De befaamde ideologische veren. Sinds het leiderschap van Wim Kok (vanaf 1986) is de PvdA steeds meer vervreemd geraakt van haar beginselen.

De kiezers zien dat feilloos in en hebben in grote getale afscheid van de partij genomen. Want ook zij zien geen noodzaak meer om op de PvdA te stemmen die niet meer is wat het zegt te zijn. Het is de vraag of het huidige leiderschap van de PvdA zelf nog weet waar het voor staat.

De paradox is dat de PvdA in een identiteitscrisis verkeert omdat het te veel aandacht geeft aan identiteit. De kritiek is dat door de samenwerking met GroenLinks de crisis waarin de PvdA verkeert alleen nog maar groter wordt. Oud PvdA-Kamerlid Keklik Yücel wijst in gesprek met WNL die samenwerking af omdat volgens haar de sociaal-culturele thema’s (verworvenheden, liberaal-democratische waarden, individuele vrijheden) bij GroenLinks niet in goede handen zijn. Zij legt dat in de video vanaf 5’20” uit.

Keklik Yücel beseft dat ze als PvdA’er onderhand behoort tot een minderheid binnen haar partij. Zij heeft met onder meer Asis Aynan, Femke Lakerveld en Eddy Terstall in 2018 een manifest gepubliceerd en is sinds die tijd betrokken bij de beweging Vrij Links. Het is min of meer een doorstart van een eerdere kritische groep PvdA’ers (2008-2018) die zich met onder meer Terstall en Marcel Duyvestijn verenigden als Liefdevol Lid. Maar de genegenheid voor de PvdA vanaf die vrijzinnige flank lijkt gaandeweg afgenomen en de afstand groter.

Men kan Vrij Links opvatten als de PvdA in ballingschap, De ondertitel van het manifest uit 2018 geeft aan waar het Vrij Links om gaat en waar het volgens haar bij de huidige PvdA aan schort: ‘EEN VRIJ EN ONBELEMMERD DEBAT, EEN LEVENSBESCHOUWELIJK-NEUTRALE STAAT, SECULIER ONDERWIJS VOOR ALLE KINDEREN EN EEN HERWAARDERING VAN INDIVIDUELE VRIJHEID.’

Keklik Yücel geeft de nummer 9 op de lijst van GroenLinks als voorbeeld van de verkeerde weg die volgens haar die partij is ingeslagen en waarom PvdA nooit met GroenLinks hecht kan samenwerken. Dat gaat niet alleen om genoemde Kauthar Bouchallikht die verdacht wordt van islamistische sympathieën, maar om GroenLinks die vanwege electorale redenen iemand met die achtergrond ondanks brede kritiek uit GroenLinks haar toch handhaaft. Deze partij kiest hiermee eenzijdig voor marketing en oppervlakkigheid en tegen de waarden waar Yücel voor pleit en die ze graag bij de PvdA opnieuw ingevoerd zou zien.

Ik schreef in een commentaar van december 2020 over de kwestie Kauthar Bouchallikht: ‘Er moet maar eens een echte linkse, vrijzinnige partij in Nederland komen. Het is tamelijk absurd voor het seculiere Nederland waar het hele politieke landschap is verkaveld in aparte onderdelen voor elke overtuiging dat zo’n eenduidig vrijzinnige partij niet bestaat. Het valt Kauthar Bouchallikht niet aan te rekenen dat ze haar opvattingen heeft (die zijn te karakteriseren als islamitisch-fundamentalistisch), maar wel dat GroenLinks met haar kandidatuur volhoudt dat het vrijzinnig en seculier is.’

Keklik Yücel concludeert terecht dat zo’n echte linkse, vrijzinnige partij waar de politieke filosofie van het secularisme niet alleen in de marketing, maar in de waarden het uitgangspunt is door de steeds hechtere samenwerking van de PvdA met GroenLinks verder uit zicht raakt.

Wie doordenkt ziet in de blokkade van twee linkse partijen door CDA-leider Hoekstra en VVD-leider Rutte een succesvolle actie om PvdA en GroenLinks verder van zichzelf te vervreemden. Deze linkse partijen wringen zich in bochten om te voldoen aan de voorwaarden van beide rechtse partijen. Ze denken slim te zijn, maar vooral de PvdA is de tuinman uit de parabel die voor de dood vlucht om hem in Ishafan in de armen te lopen. De oud-PvdA’ers van VrijLinks zien aan de zijlijn de verwording van hun partij met spijt en ontsteltenis aan.

Persoonlijk hoop ik ooit de dag mee te maken dat er in Nederland een geloofwaardige, echte, linkse, vrijzinnige partij is waar ik mijn stem op kan uitbrengen. Ik vrees echter dat het een vergeefse wens zal blijven.

VVD en CDA zijn de pubers van de Nederlandse politiek. Ze vertragen formatie omdat ze op zoek zijn naar een eigen identiteit

CDA-leider Wopke Hoekstra op het Binnenhof. Augustus 2021.
BEELD ANP

Er klinkt steeds meer kritiek op de traag verlopende onderhandelingen voor een nieuw kabinet. Op 17 maart 2021 vonden de verkiezingen voor de Tweede Kamer plaats. Dat is inmiddels meer dan vijf maanden geleden. Er is nog geen zicht op een doorbraak. De indruk ontstaat steeds meer dat de politieke partijen uitsluitend met zichzelf en elkaar bezig zijn en de wereld om zich heen vergeten. Maar die wereld draait door ondanks de schijnbewegingen van de Nederlandse politiek.

In zijn column van 24 augustus 2021 in NRC constateert Tom-Jan Meeus dat de rechtse partijen een meerderheid van 81 zetels hebben. Dus het is van tweeën een. Of beide rechtse partijen VVD en CDA die nu deelnemen aan de besprekingen gaan volmondig voor een rechts kabinet dat hun voorkeur verdient en waar ze zich sterk voor zeggen te willen maken. Of ze laten die ambitie varen en gaan niet voor zo’n rechts kabinet en aanvaarden de deelname van centrumpartij D66 en de twee linkse partijen PvdA en GroenLinks. Een andere keuze is er niet.

Meeus zegt: ‘Links had decennia de reputatie verdeeld en ontoeschietelijk te zijn, nu is vooral rechts daar goed in. Een volbloed rechts kabinet zou afspraken met complotdenkers (FVD/corona), EU-sceptici (JA21 wil uit de euro) en een wegens groepsbelediging veroordeelde voorman (Wilders) vergen. Dan zijn Ploumen en Klaver natuurlijk een eitje‘. Kortom, het lijkt er verdacht veel op dat VVD en CDA geen volbloed rechts kabinet nastreven omdat de rechtse partijen PVV, FvD, Van Haga, SGP, JA21 en BBB te instabiel en te weinig constructief zijn. Maar Rutte en vooral Hoekstra houden ten onrechte vol dat PvdA en GroenLinks instabiel zijn.

Er is nog het aspect van de getalsverhoudingen tussen partijen in een kabinet dat ik naar aanleiding van een mediaoptreden van CDA’er Madeleine van Toorenburg in een commentaar van 6 juni 2021 noemde. Het is begrijpelijk dat PvdA en GroenLinks dat tot nu toe in de publiciteit niet naar voren hebben gebracht omdat het gaat over hun eigen nietige positie. Dat zou wel verhelderend zijn.

Schermafbeelding van deel commentaarCDA en VVD vertragen formatie door te duwen op rechterkant en PvdA en GL samen uit te sluiten‘ van 6 juni 2021.

Bij de vorming van een kabinet draait het bij het formuleren van het regeerakkoord en de verdeling van de kabinetsposten om de zwaarte van de afzonderlijke partijen. Die weegt door in de resultaten. Niet toevallig hebben de grootste partijen VVD en D66 in juni 2021 van informateur Mariëtte Hamer de opdracht gekregen om een proeve van regeerakkoord te schrijven dat nu het werkdocument is voor de onderhandelingen.

In een nieuw kabinet Rutte-Kaag zullen PvdA en GroenLinks weinig in de melk te brokkelen hebben met hun in totaal 17 zetels. Vergelijk dat met de liberale as in dat kabinet van VVD en D66 van 58 zetels. Dat is 3,4 zoveel als beide linkse partijen. Of vergelijk het met de rechtse as van VVD en CDA met 49 zetels. Dat is 2,3 zoveel als beide linkse partijen.

Waar zijn VVD en CDA bang voor? Voor de eigen lusteloosheid, sloomheid en stuurloze drift?

Het is simpel. Of beide rechtse partijen kiezen voor een op en top rechts kabinet met onder meer PVV, FvD en rechtse splinters. Of ze kiezen voor een centrumkabinet met D66, PvdA en GroenLinks. Want D66 heeft een kabinet met de ChristenUnie geblokkeerd en uit wat bekend is uit de proeve van regeerakkoord zal de ChristenUnie zich daar niet in kunnen vinden. Zo moeilijk is het niet voor VVD en CDA om aan hun achterban uit te leggen dat PvdA en GroenLinks in een nieuw kabinet getalsmatig weinig in de melk te brokkelen hebben en dat het landsbelang nu vraagt om voortgang.

De aarzelende aanpak van de evacuatie uit Kabul roept de vraag op hoe minister Kaag sinds mei 2021 de regiodirectie DAO/ZA heeft aangestuurd en hoe de inlichtingendiensten het kabinet hebben geïnformeerd over de toestand in Afghanistan en wat het kabinet daarmee heeft gedaan. Het heeft in elk geval niet gehandeld zoals Frankrijk deed. Hoeveel tijd heeft premier Rutte de afgelopen drie maanden aan Afghanistan besteed? Dat is de schaduwzijde van de Nederlandse politiek die op het Binnenhof kringetjes om zichzelf draait als een adolescent die op zoek is naar een eigen identiteit.

Voor welk probleem blijven VVD en CDA een oplossing zoeken? Het lijkt er steeds meer op dat ze niet weten wie ze zijn.

CDA en VVD vertragen formatie door te duwen op rechterkant en PvdA en GL samen uit te sluiten

Stuurt het CDA in de persoon van Madeleine van Toorenburg de hulptroepen van Team B de media in om de georkestreerde boodschap te verspreiden en de reactie erop in te schatten dat deze partij een coalitie over rechts wil of spreekt zij op eigen initiatief namens de rechterflank van het CDA? 

Waarschijnlijk moet ze in opdracht van de partijleiding eraan mee helpen om het voldongen feit van een centrum-rechts kabinet te helpen forceren. Dat zou een voorzetting van het huidige kabinet zijn, met de CU, of een inwisseling van deze partij voor PvdA óf GL. Persoonlijk kan meespelen dat zij inschat dat zij meer kans op een kabinetspost heeft als minder partijen beloond moeten worden. Daarom lijkt ze ook over haar eigen carrière te praten, zonder dat uiteraard toe te geven. 

Het CDA behaalde bij de laatste verkiezingen 9,5% van de stemmen en heeft 15 zetels in de Tweede Kamer. Leider Hoekstra heeft niet uitgesproken dat hij wil toetreden tot een nieuw kabinet. Hij houdt nog steeds een slag om de arm. Dat heeft te maken met de machtige positie in de partij van kamerlid Pieter Omtzigt die niet gecharmeerd is van premier Rutte die volgens hem de verkeerde bestuurscultuur zou belichamen. Nu Omtzigt wegens ziekte voor langere tijd uitgeschakeld is lijkt het CDA geleidelijk uit de schulp te kruipen.

Het opvallende in de formatie is in de laatst weken de verandering van toon en retoriek van de rechtse partijen CDA en VVD. Of ze zelfvertrouwen hebben gekregen is de vraag, maar vaststaat dat ze die publiekelijk tonen. Dat kan als fluiten in het donker worden uitgelegd. Het tegen beter weten in willen forceren van een voldongen feit. 

De VVD meent die vrijheid te kunnen nemen omdat de positie van premier Rutte niet langer hevig, maar overigens nog wel gematigd ter discussie staat en het CDA omdat de positie van de genoemde Omtzigt is verzwakt.

Eerst erkenden deze partijen volmondig (VVD) en deemoedig (CDA) dat er sprake was van een liberaal motorblok van VVD-D66 als basis voor een coalitie. Nu proberen ze in de beeldvorming een werkelijkheid te creëren van een rechts kabinet. Zoals gezegd is dat vooral van het CDA een ondoorgrondelijke manoeuvre omdat het nog niet eens heeft verklaard deel te willen uitmaken van een nieuw kabinet. Het CDA formeert op afstand in ijle lucht. 

Dat tamboereren op een rechts kabinet met als joker zelfs het dreigen met het radicaal-rechtse JA21 wringt omdat de positie die D66 heeft bij monde van partijleider Sigrid Kaag niet verzwakt is. Deze partij heeft nog steeds de sleutel in handen. Het valt niet in te zien dat de tactiek waarmee Van Toorenburg in navolging van Hoekstra, die weer werd gevolgd door Rutte, het veld wordt ingestuurd zal werken. Als niet alleen PvdA en GL elkaar vasthouden, maar D66, PvdA en GL dat doen, dan valt niet in te zien hoe dit blok van 41 zetels dat nodig is voor een meerderheid gepasseerd kan worden.

Premier Rutte zei afgelopen weken dat PvdA en GL ver van hem afstaan. Dat was een tamelijk overbodige en al te opzichtige uitspraak. Wat is ver? D66 kan zeggen dat CU ver van hen afstaat en dat het niet uitsluitend met rechtse partijen wil samenwerken. Welke open deur gooide Rutte hier open? Kijk naar Israël waar partijen die ver van elkaar afstaan samen een kabinet vormen. Wat denkt Rutte wat hij ermee zegt dat partijen ver van elkaar afstaan? Dat is nou eenmaal politiek. Moeten volgens Rutte alle partijen hetzelfde zijn? 

In Nederland coalitieland zijn partijen niet gelijkgeschakeld. Ze zijn onderling verschillend. Maar alle partijen die tot het midden gerekend kunnen worden zijn nou ook weer niet zo anders van elkaar dat ze niet samen kunnen werken. De constructieve zes, te weten VVD, D66, CDA, PvdA, GL en CU zijn binnen marges programmatisch inwisselbaar. De accenten zijn anders, maar de verschillen zijn overbrugbaar. 

Madeleine van Toorenburg heeft gelijk dat er tijd verspild is. Maar anders dan zij het probeert te framen. Door toedoen van Hoekstra en in navolging van hem een stoet VVD’ers en CDA’ers die hun mening in de media uitventten is tijd verloren gegaan. Hoekstra’s roep om een rechts kabinet en zijn bedekte blokkade om PvdA én GL samen tot een volgend kabinet toe te laten heeft tot tijdverlies geleid. Zo’n uitspraak is uiteraard deel van de onderhandelingen die zich deels in de media afspelen. Maar voor het proces is zo’n eenzijdige blokkade niet constructief. 

Wat zal de realiteit van zo’n centrum-kabinet van VVD, D66, CDA, PvdA en GL zijn? Het kabinet Rutte III heeft 16 ministers en acht staatssecretarissen. Onlangs zei premier Rutte dat vooral het aantal ministersposten uitgebreid moet worden. Hij voerde als reden de burn out van bewindslieden aan, maar evenzeer kan men er het voorsorteren van een vijfpartijen-kabinet in zien. Er zijn meer kabinetsposten nodig omdat meer partijen met posten tevreden moeten worden gesteld. 

De vijf partijen hebben samen 90 zetels. De module die leidt tot een kleine toename van het aantal kabinetsposten is 3 en resteert in 30 kabinetsposten (nu 24). Dat houdt in dat VVD, D66, CDA, PvdA en GL respectievelijk 11 (inclusief bonus voor premier), 8, 5, 3 en 3 kabinetsposten toebedeeld krijgen. De twee linkse partijen zullen naar verwachting karig bedeeld worden. Door te schuiven met de zwaarte van een staatssecretaris of de lichtheid van een minister kan het machtsevenwicht dat volgt uit het aantal zetels per partij gewaardeerd worden.

Die berekening roept de vraag op voor welk gevaar Hoekstra en Van Toorenburg nou eigenlijk waarschuwen. PvdA en GL krijgen naar alle verwachtingen hooguit samen zes kabinetsposten waarvan wellicht slechts elk een van zwaarder kaliber om zich te kunnen profileren. De zware posten zullen naar VVD, D66 en CDA (Financiën) gaan. 

Wat Van Toorenburg vergeet te zeggen is dat de linkse partijen als ze tot het kabinet Rutte IV toetreden weinig in de melk te brokkelen zullen hebben. Ligt voor Van Toorenburg een staatssecretariaat Binnenlandse Zaken in het verschiet als opvolger van Raymond Knops? Als beloning voor haar partijtrouw en lobbywerk als slippendrager van de partijleiding van het CDA. 

Joost Eerdmans (JA21) schetst het beeld dat hij aanschuift bij een ultra-rechtse coalitie van VVD, CDA, PVV en FvD

JA21-lijsttrekker Joost Eerdmans is al bezig een kabinet Rutte IV samen te stellen. Naast VVD en het CDA denkt hij aan de PVV, Forum voor Democratie (FvD) en zijn eigen partij. Dat is geen rechtse, maar een ultra-rechtse variant waarbij de gedoogcoalitie met de PVV van het kabinet Rutte I verbleekt. Volgens de Peilingwijzer hebben deze vijf partijen op dit moment 83 zetels.

Het stof tot conflict is ingebakken in PVV en FvD waar lichtgeraakte personen vol zelfoverschatting en extreme meningen aan het roer staan. Eerdmans meent dat de VVD PVV en FvD uitsluit, maar hij weet als geen ander dat het andersom is. Door verregaande radicalisering hebben de PVV en FvD zichzelf uitgesloten van samenwerking met andere partijen. De les die VVD en CDA uit het door de PVV opgeblazen kabinet Rutte II hebben getrokken is dat er geen compromissen met deze partij zijn te sluiten. Daarnaast zijn de PVV en FvD onevenwichtige partijen zonder een democratische structuur, transparantie en politiek talent dat samen kan én wil werken met andere partijen.

De VVD zou uit electoraal oogpunt gek zijn om over rechts te gaan omdat het daardoor niet alleen overgeleverd is aan de luimen van Wilders en Baudet, maar ook dat het daardoor in een ultra-rechtse koers getrokken wordt en niet langer de schijn op kan houden een middenpartij te zijn die afstand houdt van de eigen radicale variant. Voor een middenpartij als D66 zou het makkelijk scoren zijn om VVD en CDA op die rechtse koers af te rekenen.

Eerdmans weet dat hij onzin kletst en een totaal gebrek aan realisme tentoonspreidt. Zowel VVD-leider Mark Rutte als CDA-leider Wopke Hoekstra hebben de laatste maanden gezegd dat ze niet willen regeren met de PVV en FvD onder meer vanwege de uitspraken uit deze partijen die groepen tegen elkaar opzet, maar ook vanwege hun anti-EU standpunt. De VVD en het CDA die hechte banden hebben met bedrijven beseffen dat het economisch schadelijk is als Nederland uit de EU stapt.

De paradox van JA21 is dat het afstand heeft genomen van FvD en is opgericht door de afsplitsing ervan vanwege de racistische uitspraken van partijleider Thierry Baudet, maar deze partij en de PVV voor Eerdmans de enige optie zijn om in een kabinet te komen. Dat tekent de ongeloofwaardigheid en het gebrek aan perspectief van JA21. Daarnaast is deze partij overbodig omdat het zelfs voor zo’n ultra-rechtse coalitie niet eens nodig is. Door te pleiten voor samenwerking geeft Eerdmans de mogelijkheid weg om zich van PVV en FvD te onderscheiden.

Eerdmans doet denken aan de politici zoals Ted Cruz die door voormalig president Trump werden beledigd en daar aanvankelijk kwaad op reageerden, maar vervolgens hun bezwaren inslikten en hun eigen karakter geweld aandeden in de hoop dat er wat politieke kruimels van Trumps tafel vielen. Wat nooit gebeurde.

Eerdmans heeft de ruggengraat, rechtlijnigheid en buigzaamheid van een slangenmens. Eerdmans is de contorsionist van Nederlands radicaal-rechts. Eerdmans is politiek zo lenig dat hij er karakterloos van is geworden. Eerdmans draait rond in zichzelf. Eerdmans maakt een parodie van zichzelf. Eerdmans heeft het strategisch inzicht van een handelaar in kachels die een filiaal in de Sahara opent. Eerdmans heeft het charisma van een grutter. Eerdmans geeft door zijn herhaaldelijk falen en positiewisselen reliëf aan wat een goede politicus is.

Vertrouwen in Willem-Alexander is in 2020 fors gedaald. Dat biedt kansen voor een debat over de staatsvorm: Monarchie of Republiek

Volgens een opiniepeiling van IPSOS in opdracht van Nieuwsuur is het vertrouwen in koning Willem-Alexander fors gedaald. De NOS zegt in een bericht: ‘In april van dit jaar had nog 76 procent van alle Nederlanders tamelijk veel of veel vertrouwen in de koning, in december is dat nog maar 47 procent’. Een meerderheid die vertrouwen heeft in de koning is in 2020 veranderd in een minderheid. Als reden wordt het gedrag van  Willem-Alexander genoemd waar forse kritiek op kwam. Tekenend is Youp van ’t Hek die in zijn wekelijkse NRC-column de aanschaf van een 2 miljoen euro kostende speedboat door de koning ter discussie stelt. Voor een later afgebroken reis naar Griekenland midden in de lockdown die reizen naar het buitenland verhoogde Willem-Alexander evenmin zijn acceptatie.

Sinds 10 oktober 2020 ben ik lid van het Republikeins Genootschap. Dat heeft met Floris Müller een woordvoerder die de Republikeinse zaak redelijk kan bepleiten. Wat journalist Max Westerman in de video zegt verklaart grotendeels de tot voor kort grote steun voor de Nederlandse monarchie. Voor zijn zelfstandigheid en zijn gebrek aan onderdanigheid wordt hij gestraft met uitsluiting. Maar de Oranjepropaganda die altijd zo sterk aanwezig was in Nederland en in de media was verankerd lijkt uitgewerkt. De tijdgeest wijst de andere kant op. Daarom is het moment gekomen om het pleidooi voor een Republiek serieus te nemen.

In commentatoren noemde ik afgelopen jaren de hielenlikkers, pluimstrijkers, hermelijnvlooien, gladstrijkers en jaknikkers die de monarchie bewieroken. Sommigen ervan durven zichzelf journalist te noemen. Op 13 april 2020 schreef ik in een commentaar het volgende: ‘Maar één gegeven staat als een paal boven water. De bewieroking van de monarchie door de hielenlikkers, pluimstrijkers en hermelijnvlooien zal niet veranderen. Dat is in beton gegoten. Journalisten, kamerleden en opinieleiders blijven het koningshuis kritiekloos volgen. Op een uitzondering als Max Westerman na die de overdadige luxe van het koningshuis ter discussie stelt in een opinie-artikel. Het Nederlandse koningshuis is volgens onderzoek van de Gentse hoogleraar Herman Matthijs het duurste of op een na duurste van Europa. Na Noorwegen. Dat is bizar. Maar nog vreemder is dat er totaal geen politiek debat over is. Hoe kan dat? Nederlandse politici hebben over alles en nog wat een mening, of menen die te moeten hebben, maar over de monarchie zwijgen ze. Of worden ze tot zwijgen gebracht. Er is af en toe kritiek zoals in 2014 van het toenmalige Groningse PvdA-kamerlid Jan Vos. Maar hij moest van zijn eigen partij zijn kritiek inslikken.

Is de tijd voor een maatschappelijk debat over de zin en onzin van de monarchie aangebroken? Koning Willem-Alexander heeft door zijn gedrag in 2020 zijn eigen glazen en dat van de Nederlandse monarchie ingegooid. Het lijkt zelfs op een provocatie van iemand die er zelf graag het bijltje bij neergooit. Het is gewenst dat het nu aan het volk is om zich er eens over uit te spreken wat voor staatsvorm Nederland dient te hebben. Dat debat is altijd van bovenaf gemanipuleerd. Dat past niet meer bij onze tijd.

Kandidatuur van Kauthar Bouchallikht bij GroenLinks toont aan dat het in Nederland ontbreekt aan een linkse, vrijzinnige partij

De wetmatigheid van een verkiezingscampagne is dat onrust bij de buren positief uitpakt voor de partij waar het rustig blijft. Zo beredeneerd is op links de PvdA op dit moment de geluksvogel. Bij D66 is er Sigrid Kaag die een parallelle marketingcampagne heeft opgezet en het stigma om elitair te zijn in haar uitspraken eerder benadrukt dan ontzenuwt. Bij SP is er een geschil van de partijleiding met de jongerenafdeling ROOD (verdacht van communistische sympathieën) die vragen oproept over de interne democratie van de partij. Toch al het zwakke punt van de SP. En bij GroenLinks is er de ongelukkige kandidatuur voor de Tweede Kamer van Kauthar Bouchallikht die voortdurend in opspraak is en voor negatieve publiciteit blijft zorgen.

Kauthar Bouchallikht was tot 1 december 2020 als vice-voorzitter van studenten – en jongerenplatform FEMYSO die opgericht was door de Moslimbroederschap hieraan gelieerd. Dat kan, maar het springende punt was dat de leiding of screeningcommissie van GroenLinks hiervan niet op de hoogte bleek. Of in elk geval ontbrak dit feit bij de informatie die de partij gaf over de kandidaten. De leiding van GroenLinks lijkt dus niet tot in detail te hebben begrepen waar Bouchallikht voor staat en zit nu in een publicitaire klem om achteraf toe te geven dat de screening onvoldoende is geweest en deze kandidate niet bij het karakter van de partij past. Het is dan ook de vraag of de partij deze publicitair zeurende kwestie goed behandelt.

Het ontbreekt de linkse partijen aan een goede antenne om kandidaten met een allochtone achtergrond te screenen zoals ze dat bij andere kandidaten doen. Of hoe dat in het tijdperk van inclusie en diversiteit genoemd behoort te worden. De afsplitsing van twee Turks-Nederlandse PvdA’ers die met succes DENK oprichtten geeft aan hoe mis dat is gegaan bij de PvdA. Toenmalig partijleider Wouter Bos zei daar in 2006 over dat hij ongelukken voorzag met allochtone kandidaten die met voorkeurstemmen gekozen waren. De fout die partijen maken is dat ze ongeduldig zijn. Ze zien niet in dat islam-fundamentalisten in vorm modernistisch zijn, maar niet in inhoud en dat anderen vanwege het streven naar een representatieve vertegenwoordiging van allerlei doelgroepen hun etniciteit om opportunistische redenen gebruiken om snel te stijgen in de partijhiërarchie. Waardoor de rijping en scholing te weinig aandacht krijgen.

De linkse partijen laten zich door schone schijn van conservatief-religieuze opvattingen verleiden die in tegenspraak met hun uitgangspunten zijn. Vaak komt daar nog antisemitisme bij. In een commentaar in 2018 over de ongelukkige samenwerking van het islamitisch geïnspireerde NIDA met SP, PvdA en GroenLinks in Rotterdam concludeerde ik: ‘De linkse reflex van diversiteit en insluiting is even kwalijk als de rechtse reflex van homogeniteit en uitsluiting als die niet samengaat met het toetsen van uitspraken op hun betekenis.’

Wat meespeelt bij GroenLinks is dat bij de fusie in 1991 met PPR en EVP, naast de CPN en PSP, een evangelisch geluid de partij binnenkwam. Reken daarbij de communisten die zich gedroegen als gelovigen en het is duidelijk dat het vrijzinnige en pacifistische geluid van PSP’er Fred van der Spek binnen GroenLinks een minieme minderheid was. In bijna 30 jaar is weliswaar het onderlinge verschil tussen de afzonderlijke bloedgroepen afgenomen, maar is dat zalvend-verkondigende aspect nog steeds in het DNA van GroenLinks aanwezig. Naar mijn idee heeft de partij zich nooit hersteld van dat religieuze denken en de wil om te getuigen. Het kan er de verklaring voor zijn dat Kauthar Bouchallikht binnen GroenLinks zo weinig kritisch, om niet te zeggen naïef is bejegend.

Er moet maar eens een echte linkse, vrijzinnige partij in Nederland komen. Het is tamelijk absurd voor het seculiere Nederland waar het hele politieke landschap is verkaveld in aparte onderdelen voor elke overtuiging dat zo’n eenduidig vrijzinnige partij niet bestaat. Het valt Kauthar Bouchallikht niet aan te rekenen dat ze haar opvattingen heeft (die zijn te karakteriseren als islamitisch-fundamentalistisch), maar wel dat GroenLinks met haar kandidatuur volhoudt dat het vrijzinnig en seculier is.

Staphorst gaat massaal naar kerk tijdens coronacrisis. Iedereen is gelijk, maar religieuze organisaties zijn meer gelijk dan anderen

Volgens de aangescherpte maatregelen van de Rijksoverheid geldt er voor ‘het belijden van godsdienst of levensovertuiging’ een uitzondering voor bijenkomsten in een binnenruimte van maximaal 30 personen. Om dat te legitimeren wordt er verwezen naar de vrijheid van godsdienst. Maar dat is merkwaardig omdat allerlei grondrechten tijdelijk zijn ingetrokken in de bestrijding van COVID-19. Daarom is het bizar dat religieuze organisaties een uitzonderingspositie in mogen nemen van het kabinet. Zo geldt voor culturele instellingen, zoals schouwburgen en musea de uitzondering niet. Hoewel een gemeente ontheffingen kan verlenen.

Voor godsdiensten geldt een algemene uitzonderingssituatie. Dat ging dit weekend mis in Staphorst waar in een orthodox-protestantse kerk zich driemaal 600 gelovigen verzamelden. Daarop kwam vanuit politiek en samenleving veel kritiek. Want als iedereen in vrijheid wordt beknot, waarom de kerken dan niet? De eveneens protestante minister Carola Schouten (ChristenUnie) stelt dit voor als incident. Maar dat is een afleiding en daar gaat het in de kern niet om. Onlogisch is dat religieuze organisaties als meer gelijk worden gezien dan niet-religieuze organisaties. Ze hebben voorrechten die anderen niet hebben. Dit is des te merkwaardiger omdat artikel 6 van de Grondwet over de vrijheid van godsdienst het kabinet een wettelijke grond geeft om in te grijpen: ‘De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid’. Waarom maakt het kabinet daar geen gebruik van? Voor de uitzonderingssituatie van religieuze organisaties is bij nader inzien geen enkele rechtvaardiging te vinden.