God is niet-waar en niet-onwaar. Meer kunnen we er niet van maken

resolve

Kan de vraag of een broodje zonder kaas hetzelfde is als een broodje zonder ham gelijkgesteld worden aan de vraag of de God van de christenen hetzelfde is als de God van de moslims? Het betreft de relatie tussen taal en werkelijkheid, kortom een taalfilosofische vraag. Dat speelt op het niveau of de vraag naar de betekenis fout is. Ofwel, kan men via een bewering iets uitdrukken dat niet bestaat of waarvan de waarde onbekend is?

De uitspraak ‘Een broodje zonder kaas is hetzelfde als een broodje zonder ham‘ is een bewering waarvan niet valt vast te stellen of het waar is. Zo is het ook met de uitspraak ‘De God van de christenen is dezelfde als de God van de moslims‘. Een kwestie van driewaardige logica,. Naast waar en onwaar is er de waarde ‘onbekend‘. De waarde van de uitspraken over de ‘broodjes zonder‘ en de ‘God van christenen of moslims‘ zijn onbekend.

Het perspectief van de verwijzing naar een broodje zonder kaas verschilt van de verwijzing naar een broodje zonder ham, terwijl het om hetzelfde fysieke object kan gaan. Maar het kan ook om een ander broodje gaan. De overeenkomst met de verwijzingen naar de God van de christenen en de God van de moslims is dat het perspectief verschilt, maar het verschil is dat niet zonder vooringenomenheid vastgesteld kan worden of er een fysiek (of: stoffelijk, materieel) object is waarnaar verwezen wordt en hoe dat voorgesteld dient te worden.

Bij de broodjes zonder is duidelijk naar welke soort het verwijst, maar is het onduidelijk of er naar hetzelfde specifieke broodje verwezen wordt. Bij de Goden is het onduidelijk naar welke soort het verwijst omdat hier door ontbrekende, concrete gegevens en verschil in betekenisgeving geen overeenstemming over ontstaat.

De vraag naar de vergelijking tussen de God van de christenen en de God van de moslims is geen vraag die leidt tot een sluitend antwoord, maar tot het uit de weg gaan van een antwoord vanwege de waarde van de bewering die onbekend is omdat er geen overeenstemming te bereiken valt over de soort waarnaar het verwijst. De vraag thematiseert niet zozeer het bestaan van Goden -al dan niet in geestelijke zin-, maar vooral hun meervoudige waarde. De vraagstelling is een vlucht vooruit die door een geloofsartikel als uitgangspunt voor debat te presenteren een niet te onderzoeken object uit de werkelijkheid als werkelijk tracht voor te stellen. Wat daar uit volgt is het invullen van een waarde die taalfilosofisch niet ingevuld kan worden.

NB: Aanleiding voor het bovenstaande was het artikelDienen moslims en christenen dezelfde God?’ van W. B. Kranendonk in het Reformatorisch Dagblad, 1 februari 2016.

Foto: ‘Eetsalon Broodje van Kootje aan het Leidseplein, Amsterdam (1953)’. Credits: Lood van Bennekom; Nederlands Fotomuseum.

Boris Lange weet niet wat kunstkenners zijn. Of doet net alsof

Da’s lachen. Maar wie zet nou wie voor de gek? Naar aanleiding van dit filmpje van Life Hunters TV kopte AD  ‘Kenners zien Ikea-kunst aan voor uniek topstuk’. Als echter iets duidelijk wordt is dat de in beeld gebrachte bezoekers van Museum Arnhem weinig verstand van kunst hebben. Het belachelijk maken van mensen die zo goedwillend zijn om mee te werken is makkelijk manipuleren. Presentator Boris Lange zegt veel lol beleefd te hebben aan het maken van het filmpje. Dat valt goed te geloven. Maar hij roept leedvermaak op. Lange kijkt met de blik van de buitenstaander naar kunst door de marktwaarde centraal te stellen en komt zelf niet verder dan de buitenkant. Hij krijgt wat hij wil, maar wat hij precies denkt aan te tonen wordt niet helder. Wellicht dat museumbezoekers niet per definitie kunstkenners zijn. Lange toont vooral zijn eigen onbegrip van kunst aan.

Zuid-Holland heeft kunstcollectie zonder kunstvisie. Is dat erg?

0243a

Provincie Zuid-Holland heeft een kunstcollectie van circa 1700 exemplaren. Met oog op een aanstaande verbouwing en veranderingen binnen de organisatie wil de provincie een kunstvisie ontwikkelen op deze collectie. Daarvoor moet de omvangrijke kunstcollectie eerst geïnventariseerd en gedigitaliseerd worden. Hiervoor doet de provincie een beroep op QKunst.‘ Aldus QKunst ‘dat werkt met een flexibel, multidisciplinair team, dat continu een vinger aan de pols houdt van de hedendaagse kunst en de kunstmarkt‘. Dag en nacht houdt het altijd wakkere QKunst de vinger aan de pols van de hedendaagse kunst en de kunstmarkt. Experts, adviseurs en coaches van QKunst gedijen door het gebrek aan kennis bij overheden. Ze pronken onverhuld met dat gebrek van de overheden. Wethouders of gedeputeerden met hun handen in het haar wacht nog maar een uitweg: snel de vinger van QKunst aan de pols van hun kunstcollectie en dan komt alles goed.

Veel lijkt de kunstcollectie van Zuid-Holland met 1700 werken niet waard. De Jaarstukken 2012 noemt een verzekerde waarde  van 400.000 euro. Dat maakt een kunstobject gemiddeld 235 euro waard. Jaarstukken 2008 noemt een zelfde bedrag en de toevoeging dat de taxatie is verschoven naar 2009 in verband met de reorganisatie van het ‘traject’ Organisatie van de Toekomst. Jaarstukken 2009 zegt dat de besluitvorming van het beheer van de kunstcollectie in voorbereiding is. En: ‘Na besluit zal de collectie worden ontsloten en uitbesteed.’ In de Jaarstukken 2007 stond overigens dat de waarde van de kunstcollectie 1,5 miljoen euro bedroeg. En: ‘In 2008 wordt de gehele kunstcollectie geïnventariseerd, gedigitaliseerd en getaxeerd.’ QKunst krijgt nu de klus die de provincie al meer dan 5 jaar voor zich uitschuift. Opvallend is dat in Zuid-Holland tussen 2007 en 2008 de kunstmarkt is ingestort en de kunstcollectie 73% afgewaardeerd moest worden.

Als het klopt wat QKunst zegt, dan is het nog treuriger gesteld met het kunstbeleid van overheden dan de vooruitgesnelde reputatie al doet vermoeden. Zuid-Holland heeft een kunstcollectie, maar geen kunstvisie op deze collectie. Hoe is er in het verleden dan verzameld? Door het gooien van een dobbelsteen? Da’s net zoiets als een huis bouwen zonder plan en hopen dat het een huis wordt. Zelfs particuliere verzamelaars die een paar centen te besteden hebben doen dat niet zonder een eigen gezichtspunt. Maar de qua inwonertal veruit grootste provincie van ons land heeft geen kunstvisie op de eigen kunstcollectie en geen ambtenaren die de kunstvisie kunnen ontwikkelen. Ook niet bij het Kunstgebouw, ‘expert in Zuid-Holland voor kunst en cultuur’.

Hoe erg is het dat uit alles blijkt dat Zuid-Holland niet weet wat het met de provinciale kunstcollectie moet? Volgens QKunst verzameld zonder visie. Maar wat moet de provincie ook met een winkeldochter waarvoor geen enkele gedeputeerde verantwoordelijk is? Is een kunstcollectie met een verzekerde waarde van 400.000 euro het inhuren van een particulier bedrijf als QKunst waard? Waarom is de collectie niet met gesloten beurs overgedragen aan een museum binnen de provinciegrenzen? Met Rotterdam, Den Haag, Leiden of Dordrecht en veel kleinere gemeenten had dat toch moeten lukken? Nu tikt de vinger aan de pols van QKunst pittig aan. 

Foto: Roy Villevoye, Voorkeurkleur Moerwijk. Den Haag, 1998. Kunst in de openbare ruimte, in opdracht van Woningbedrijf Den Haag Zuid-Oost en Stroom, Haags Centrum voor Beeldende Kunst.