Parijse Commune. Gedachten bij de foto ‘Jeune homme assis sur les ruines d’un immeuble’ (1871)

Deze afbeelding toont verwoesting en eenzaamheid. Een jongen zit tussen de puinhopen van een gebouw. Het kan Stalingrad, 1942, Berlijn, 1945 of Aleppo, 2016 zijn. Maar het is Parijs, 1871.

Hoewel de datering van het museum die de collectie beheert die datum in twijfel trekt als het zegt dat het na 1871 is. Waarom is onduidelijk. Wellicht wordt bedoeld dat het na mei 1871 was toen de opstand van de Parijse Commune werd neergeslagen. Een teken dat het later is zijn de steigers op de achtergrond van de wederopbouw. Maar hoeveel later?

Het is een foto van Auguste Bruno Braquehais (1823 -1875) van wie het Parijse historische Musée Carnavalet foto’s uit 1871 in de collectie heeft. De letterlijke vertaling van de titel is ‘jonge man zittend op de ruïnes van een gebouw’, maar in het Nederlands zit men eerder tussen de puinhopen. Dat verschil in vertaling geeft een nuance in de kijk op de eigen rol in de wereld: op of tussen de ravage.

Het was in 1871 een verwarrende politieke situatie. In dat jaar werd delen in het noorden en oosten van Frankrijk nog door de Pruisen bezet gehouden. Frankrijk had de oorlog verloren. Dat deden de bezetters mede om hun eis voor een miljardenbetaling door Frankrijk kracht bij te zetten. Maar de bezetters lieten degenen die ze overheersten de ruimte om anderen te omsingelen.

Uiteindelijk speelden de Duitsers en Franse regering die tijdelijk in Versailles zetelde onder een hoedje tegen de opstandelingen. Krijgsgevangen Franse militairen werden door de Duitsers vrijgelaten om tegen de communards (ook Federalisten of Nationale Garde) te vechten. Dat doet denken aan het vrijgeleide die de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog aan Lenin gaven om de Russische revolutie op poten te zetten.

Maar hier was waarschijnlijk het omgekeerde het geval. Het Duitse keizerrijk en de Derde Franse Republiek vreesden voor revolutie. De communards verzetten zich tegen de bezetting van Parijs door de Duitsers. De Duitse politieke leiding zal beredeneerd hebben dat er beter zaken viel te doen over vergoeding en gebiedsafstand (Elzas en Lotharingen) met een verzwakt bewind dan met opstandelingen tegen dat bewind.

Met hulp van de bezettende Duitsers kon de Franse regering van Versailles in mei 1871 met een militaire overmacht Parijs innemen. De opstandelingen boden moedig tegenstand, maar hun bataljons hadden onvoldoende wapens en training. De vernietiging aan mensenlevens en materiële schade was groot. Communards zetten gebouwen in de fik om de opmars van de troepen van Versailles die in het oostelijke Belleville eindigde te vertragen. Maar dat mocht niet baten. Tijdens de gevechten die het karakter van een strafexpeditie kreeg werden vele gebouwen in puin geschoten.

Geeft de fotograaf commentaar met deze foto? Binnen de vrijheid die hij heeft. Is het meer dan een verslag van een gestreden strijd en in puin geschoten of afgebrande gebouwen? Het is mogelijk dat de jongen toevallig tussen de puinhopen zat toen de fotograaf langskwam, maar waarschijnlijk is dat het geënsceneerd is. Maar als het later in 1871 of zelfs na dat jaar is, waarom keert de fotograaf dan terug naar de uitwerking van een traumatische opstand? Pas in 1880 kwam er met amnestie min of meer een afsluiting van deze bloedige episode die tienduizenden communards het leven kostte.

In zijn oordeel over hedendaagse kunst schittert Thierry Baudet in drukte, verwarring, misverstanden, onbegrip en denkfouten

Politicus Thierry Baudet geeft in zijn uitingen over hedendaagse kunst aan er weinig van te begrijpen. Of hij weet zijn kunde goed te verbergen. Het is zo simpel, hedendaagse kunst na Édouard Manet reflecteert in al haar verschijningsvormen op de diversiteit en fragmentatie van de wereld. Inclusief op zichzelf. Hedendaagse kunst is het omgekeerde van wat Baudet het onjuist toeschrijft. Hij verwart de thema’s die de hedendaagse kunst omvat met het uitgangspunt ervan. Hij geeft de uitgangspunten van hedendaagse kunst verkeerd weer.

Hedendaagse kunst kan vervreemding verbeelden zoals Bertolt Brecht dat vanaf 1920 in het theater deed. Hedendaagse kunst kan politieke standpunten verbeelden zoals 17de-eeuwse schilderkunst (De bedreigde Zwaan van Jan Asselijn) of klassieke kunst (De Lysistrata van Aristophanes) dat ook deden. Hedendaagse kunst kan de samenleving een spiegel voorhouden waardoor het eigene ter discussie wordt gesteld en minder vanzelfsprekend wordt. Hedendaagse kunst kan de structuur van de werkelijkheid ontrafelen door te proberen achter de façade ervan te kijken. Zoals Roland Barthes dat in 1970 in zijn semantische analyse van een verhaal van Honoré de Balzac S/Z deed. Dat zijn geen uitgangspunten, maar toepassingen van hedendaagse kunst.

Baudet geeft door in zijn rijtje vervreemding (in de traditie) van Brecht naast ‘oikofobie’ (thuisgevoel) van de Britse conservatieve cultuurfilosoof Roger Scruton te zetten aan de cultureel-historische en dramaturgische achtergrond van de Brechtiaanse Verfremdung niet te begrijpen. Die is naar andere kunstvormen inclusief de hedendaagse beeldende kunst ‘overgesprongen’. Vervreemding is niet bedoeld of wordt als dramaturgisch middel ingezet om mensen van hun omgeving te vervreemden, maar beoogt juist het omgekeerde. Namelijk het vergroten van de bewustwording door mensen aan de hand van het creatieve maakproces (het tonen van de montage) zich van hun achtergrond en (achtergestelde) positie bewust te maken. Door ze letterlijk achter de werkelijkheid te laten kijken. Wakker schudden van burgers is hetzelfde wat Baudet zegt te doen. Hij verwart het Vervreemdings-effect als artistiek middel met het gevolg ervan. In een eerder commentaar  ‘Thierry Baudet eigent zich ongenuanceerd oordeel over hedendaagse kunst toe’ wees ik hier al eens op.

Kan Baudet vanwege zijn onbegrip nog geëxcuseerd worden voor het omwisselen van de uitgangspunten en toepassingen van hedendaagse kunst, dat geldt niet als hij stelt dat een uitgangspunt ervan ‘zelfhaat’ is. Dat is geen uitgangspunt, laat staan toepassing van hedendaagse kunst, maar een begrip uit de psychologie dat ‘een vorm van totale afwijzing is die de eigen persoon betreft’. Vertaald naar de hedendaagse kunst zou dat betekenen dat het via een toepassing zichzelf totaal afwijst. Maar dat is in strijd met de logica omdat het van tweeën een is. Ofwel, als hedendaagse kunst zichzelf afwijst dan kan het die afwijzing niet tegelijkertijd als toepassing inzetten. Want dan wijst het zichzelf per definitie niet totaal af, maar bevestigt het zichzelf juist.

Hoe moeten we Baudets woorden duiden? Directe aanleiding ervoor is overigens dat hij onder voorzitterschap van Alexander Pechtold (D66) lid van de kunstcommissie van de Tweede Kamer is. Deze speciale commissie doet voorstellen over aankoop van nieuwe kunstwerken en de inrichting van het kamergebouw. Baudet maakt van hedendaagse kunst een strijdpunt in de hoop zijn achterban ermee te vergroten. Daar is niks mis mee als dat zorgvuldig en met inachtneming van de feiten gebeurt. Maar Baudet brengt het debat over hedendaagse kunst niet op een hoger peil, maar maakt er een karikatuur van. Door er een ratjetoe van te maken en alles te willen passen in zijn politieke wereldbeeld zoals dat door onder meer Roger Scruton is gevormd zet Baudet het debat over hedendaagse kunst op slot. Die kunst die reflecteert op de diversiteit en fragmentatie van de samenleving. Het lijkt er sterk op dat Baudet om politieke redenen de diversiteit en fragmentatie afwijst en zich gevolglijk keert tegen de boodschapper die hij zo rabiaat als brenger ven het slechte nieuws afschildert.

Foto: Tweet van Thierry Baudet, 10 mei 2018.

Thierry Baudet eigent zich ongenuanceerd oordeel over hedendaagse kunst toe

Het is altijd kiezen tussen lachen en schrikken als men stukken van Forum voor Democratie onder ogen krijgt. Neem het anonieme commentaarBreek het Kunstkartel!’ dat waarschijnlijk door Thierry Baudet is geschreven. Aanleiding ervoor is de tentoonstellingPrésence de la peinture en France» (1974-2016)’ in het gemeentehuis van het 5de arrondissement in Parijs. Dat van de Sorbonne, Quartier Latin en de Grote Moskee. Initiatiefnemer ervan is Marc Fumaroli met medewerking van Jean Clair. Beide zijn lid van de Académie française.

Het is niet toevallig dat Baudet uitkomt bij deze tentoonstelling en bij Fumaroli en Clair. Ze ageren tegen hedendaagse kunst. Baudet is eveneens gekant tegen hedendaagse kunst omdat het het thuisgevoel (‘oikofobie’) in de weg zou staan. Een term van de Britse conservatieve cultuurfilosoof Roger Scruton die via de Franse rechtse filosoof Alain Finkelkraut in het Franse debat is terechtgekomen. Baudet heeft deze term ‘geleend’ en in zijn politiek ingepast. Hedendaagse kunst zou mensen vervreemden van de eigen omgeving is het idee van deze conservatieve denkers. Exact het omgekeerde van wat Bertolt Brecht beweerde met zijn theorie van vervreemding in het theater die mensen bewust maakt omdat hun de montage van het werk wordt getoond. Wat tot nadenken zou aanzetten en het doorzien van manipulatie. Maar deze rechtse denkers leggen andere accenten voor de vermeende bewustwording van de massa door zich op te werpen als bemiddelaars.

De kunstenaars Paul McCarthy, Jeff Koons en Anish Kapoor zijn in Frankrijk de favoriete zondebokken zoals een artikel in Challenges verduidelijkt. Dat afwijzen van hedendaagse kunst door radicaal-rechts gaat niet om de kunst, maar om het debat dat die afwijzing oplevert en het mogelijk maakt om traditionele waarden te verdedigen. Zo bedrijven deze rechtse denkers en een politicus als Baudet politiek ten koste van de kunst.

Het gaat Fumaroli die nauwelijks verstaanbaar Engels spreekt vooral om het afwijzen van de Angelsaksische dominantie en het aanprijzen van de vermeende grootsheid van de Franse natie, taal en geschiedenis. Als het moet met steun aan middelmatige Franse kunstenaars of Franse kunstenaars van het verleden. Niet Christian Boltanski, Daniel Buren of Sarkis die een Frans humanisme vertegenwoordigen en internationaal opereren. Omdat de kunsthandel grotendeels Angelsaksisch is en het culturele wereldhart al sinds 60 jaar niet meer in Parijs klopt, richt Fumaroli zijn pijlen op de internationale kunsthandel. En scheert hij alles over één kam. Fumaroli gaat het ook om het benadrukken van het belang van de christelijke religie. Daarbij komt hij al snel op een hellend vlak met beschuldigingen van godslastering en een houding die past bij antisemitisme.

Als navolger van zijn voorbeelden Scruton, Fumaroli en Finkelkraut probeert Thierry Baudet een Frans debat naar de Nederlandse situatie te vertalen. Opvallend voor iemand die zegt te zweren bij de natiestaat. Hij doopt het ‘Breek het kunstkartel!’ met de impliciete verwijzing naar het partijkartel dat taaleigen van het Forum voor Democratie is. Maar Baudets oefening is die van een tovenaarsleerling die nog niet tot op de schouders van zijn voorbeelden heeft kunnen klimmen. Zijn betoog is een matige vertaling en mist de brille en diepgang van zijn voorbeelden. Baudet heeft te weinig kennis van hedendaagse kunst om zinvol te kunnen onderscheiden. Daar helpt het napraten van zijn voorbeelden niets aan. Het brengt hem tot uitspraken over kunstenaars, esthetiek en kunstmarkt die niet alleen ongedifferentieerd zijn, maar ook niet geloofwaardig worden omdat ze duidelijk zijn ingegeven door een conservatieve culturele agenda die de kunst van de eigen tijd niet begrijpt.

Foto: Schermafbeelding van deel artikelBreek het Kunstkartel!’ op Forum voor Democratie, 28 september 2017.

Anish Kapoor krijgt in Versailles ruimte voor een Dirty Corner

De reactie van deze bezoekers op het werk van de Brits-Indiase kunstenaar Anish Kapoor in de tuinen van Versailles toont de kracht van het werk. Ze zijn in verwarring gebracht. De plaatsing van zijn uit 2011 daterende werk Dirty Corner wordt in de verbeelding voorgesteld als de reuze vagina van de koningin en is van juni tot oktober te zien. Met de assemblage van werk, plek en betekenis roept Kapoor vragen op over de grenzen aan de macht, en aan de kunst. Hij zegt een politieker perspectief op de macht te willen geven dan zoals dat doorgaans in Versailles wordt gepresenteerd. Driehonderd jaar na de dood van koning Lodewijk XIV op 1 september 1715. Dat hij de ruimte krijgt om dat op zo’n symbolische plek te mogen doen getuigt van moed van de organisatie van het kasteel van Versailles en van de kracht van zijn eigen improvisatievermogen.